- WEBSITEWEGWIJZER - LEVITICUS 9 - Lv 9 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 : offers bij de wijding -

Tekstuitleg : - Lv 1 - Lv 2 - Lv 3 - Lv 4 - Lv 5 - Lv 6 - Lv 7 - Lv 8 - Lv 9 - Lv 10 - Lv 11 - Lv 12 - Lv 13 - Lv 14 - Lv 15 - Lv 16 - Lv 17 - Lv 18 - Lv 19 - Lv 20 - Lv 21 - Lv 22 - Lv 23 - Lv 24 - Lv 25 - Lv 26 - Lv 27 -
Overzicht vers per vers : - Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -


- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 3 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken- bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
- C-jaar -- Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 , 2de (tweede) zondag van de advent C .

1. Hebreeuwse bijbel   2. Targumim 3. LXX (1) , LXX (2) , Griekse tekst N.T.   4. Vulgata   
5. Statenvertaling   6. Willibrordvertaling   7. Nieuwe Vertaling   8. http://naardensebijbel.nl/zoek.php .
9. Bible de Jérusalem 10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   12. liturgische lezing   13. Arabisch : http://wjsn.home.xs4all.nl/arab.htm  

- Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0309.htm . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0309.htm . Targum Onkelos . Vertaling : http://targum.info/onk/LevOnk9_11.htm . Vertaling Pseudo-Jonathan : http://targum.info/pj/pjlev06-09.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=3&page=9 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P2R.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/levi/9.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=2965,2988 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=2965,2988 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=407964 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/3%20Mose%209/bibel/text/lesen/ch/5eb25df37248b638b8a4a743fe355d6d/ . Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


Lv 9,1-24 . Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -

Lv 9,1 - Lv 9,1 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
ΚΑΙ ἐγενήθη τῇ ἡμέρᾳ τῇ ὀγδόῃ, ἐκάλεσε Μωυσῆς ᾿Ααρὼν καὶ τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ καὶ τὴν γερουσίαν ᾿Ισραήλ. 9. 1 facto autem octavo die vocavit Moses Aaron et filios eius ac maiores natu Israhel dixitque ad Aaron   1 En het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël; [1] Op* de achtste dag ontbood Mozes Aäron met zijn zonen en de oudsten van Israël.  [1] Op de achtste dag riep Mozes Aäron en zijn zonen bij zich, en ook de oudsten van Israël. 9:1 Het geschiedt op de achtste dag: als Mozes Aäron en zijn zonen en Israëls oudsten bijeengeroepen heeft,  

King James Bible . [1] And it came to pass on the eighth day, that Moses called Aaron and his sons, and the elders of Israel;
Luther-Bibel . 91Und am achten Tage rief Mose Aaron und seine Söhne und die Ältesten in Israel

Tekstuitleg van Lv 9,1 .

Lv 9,2 - Lv 9,2 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2 καὶ εἶπε Μωυσῆς πρὸς ᾿Ααρών· λάβε σεαυτῷ μοσχάριον ἐκ βοῶν περὶ ἁμαρτίας καὶ κριὸν εἰς ὁλοκαύτωμα, ἄμωμα, καὶ προσένεγκε αὐτὰ ἔναντι Κυρίου· 2 tolle de armento vitulum pro peccato et arietem in holocaustum utrumque inmaculatos et offer illos coram Domino   2 En hij zeide tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht des HEEREN. [2] Hij zei tegen Aäron: ‘Haal een kalf voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor de heer.   [2] Hij zei tegen Aäron: 'Haal een jonge stier voor het reinigingsoffer en een jonge ram voor het brandoffer, dieren zonder enig gebrek, en breng ze naar de ontmoetingstent. 9:2 zegt hij tot Aäron: neem een stierkalf, de zoon van een rund, voor een ontzondiging, en een ram voor een opgang,- volmaakte dieren; laat ze naderen tot het aanschijn van de Ene;  

King James Bible . [2] And he said unto Aaron, Take thee a young calf for a sin offering, and a ram for a burnt offering, without blemish, and offer them before the LORD.
Luther-Bibel . 2und sprach zu Aaron: Nimm dir einen jungen Stier zum Sündopfer und einen Widder zum Brandopfer, beide ohne Fehler, und bringe sie vor den HERRN.

Tekstuitleg van Lv 9,2 .

Lv 9,3 - Lv 9,3 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3 καὶ τῇ γερουσίᾳ ᾿Ισραὴλ λάλησον, λέγων· λάβετε χίμαρον ἐξ αἰγῶν ἕνα περὶ ἁμαρτίας, καὶ μοσχάριον, καὶ ἀμνὸν ἐνιαύσιον εἰς ὁλοκάρπωσιν, ἄμωμα, 3 et ad filios Israhel loqueris tollite hircum pro peccato et vitulum atque agnum anniculos et sine macula in holocaustum   3 Daarna spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Neemt een geitenbok ten zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, ten brandoffer; [3] En zeg tegen de Israëlieten: Haal een bok voor een zondeoffer en een kalf en een schaap, beide eenjarig en zonder gebrek, voor een brandoffer,   [3] Zeg tegen de Israëlieten: "Haal een bok voor het reinigingsoffer, en voor het brandoffer een eenjarige stier en een eenjarige ram zonder enig gebrek. 9:3 en tot de zonen Israëls zul je spreken en zeggen: neemt een geitensater voor een ontzondiging, een stierkalf en een bok, zonen van een jaar, volmaakte dieren voor een opgangsgave;  

King James Bible . [3] And unto the children of Israel thou shalt speak, saying, Take ye a kid of the goats for a sin offering; and a calf and a lamb, both of the first year, without blemish, for a burnt offering;
Luther-Bibel . 3Und rede mit den Israeliten und sprich: Nehmt einen Ziegenbock zum Sündopfer und ein Kalb und ein Schaf, beide ein Jahr alt und ohne Fehler, zum Brandopfer

Tekstuitleg van Lv 9,3 .

Lv 9,4 - Lv 9,4 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4 καὶ μόσχον καὶ κριὸν εἰς θυσίαν σωτηρίου ἔναντι Κυρίου καὶ σεμίδαλιν πεφυραμένην ἐν ἐλαίῳ· ὅτι σήμερον Κύριος ὀφθήσεται ἐν ὑμῖν. 4 bovem et arietem pro pacificis et immolate eos coram Domino in sacrificio singulorum similam oleo conspersam offerentes hodie enim Dominus apparebit vobis   4 Ook een os en ram ten dankoffer, om voor het aangezicht des HEEREN te offeren; en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de HEERE u verschijnen. [4] een rund en een ram voor een slachtoffer, en een meeloffer dat met olie aangemaakt is. Want vandaag zal de heer u verschijnen.’   [4] Haal een stier en een ram om ze als vredeoffer aan de HEER aan te bieden, en ook een met olijfolie bereid graanoffer. Want vandaag verschijnt de HEER aan u."' 9:4 ook een os en een ram voor een vredesgave om te offeren aan het aanschijn van de Ene en een broodgift, geweekt in de olijfolie; want vandáág zal de Ene zich aan u laten zien!  

King James Bible . [4] Also a bullock and a ram for peace offerings, to sacrifice before the LORD; and a meat offering mingled with oil: for to day the LORD will appear unto you.
Luther-Bibel . 4und einen Stier und einen Widder zum Dankopfer, dass wir sie vor dem HERRN opfern, und ein Speisopfer, mit Öl vermengt. Denn heute wird euch der HERR erscheinen.

Tekstuitleg van Lv 9,4 .

Lv 9,5 - Lv 9,5 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5 καὶ ἔλαβον, καθὸ ἐνετείλατο Μωυσῆς, ἀπέναντι τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου, καὶ προσῆλθε πᾶσα συναγωγὴ καὶ ἔστησαν ἔναντι Κυρίου. 5 tulerunt ergo cuncta quae iusserat Moses ad ostium tabernaculi ubi cum omnis staret multitudo   5 Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der samenkomst; en de gehele vergadering naderde, en stond voor het aangezicht des HEEREN. [5] De Israëlieten brachten dat alles bij de tent van samenkomst, zoals Mozes bevolen had. Heel de gemeenschap kwam bijeen en stelde zich op voor de heer.   [5] Ze deden wat Mozes bevolen had en brachten de offers naar de ontmoetingstent. Daarna stelde de hele gemeenschap zich voor de HEER op. 9:5 Ze nemen dat wat Mozes heeft geboden mee naar het aanschijn van de tent van samenkomst; ze naderen, heel de samenkomst, en stellen zich op voor het aanschijn van de Ene.  

King James Bible . [5] And they brought that which Moses commanded before the tabernacle of the congregation: and all the congregation drew near and stood before the LORD.
Luther-Bibel . 5Und sie brachten, was Mose geboten hatte, vor die Tür der Stiftshütte und es trat herzu die ganze Gemeinde und stellte sich auf vor dem HERRN.

Tekstuitleg van Lv 9,5 .

Lv 9,6 - Lv 9,6 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6 καὶ εἶπε Μωυσῆς· τοῦτο τὸ ρῆμα, ὃ εἶπε Κύριος, ποιήσατε, καὶ ὀφθήσεται ἐν ὑμῖν ἡ δόξα Κυρίου. 6 ait Moses iste est sermo quem praecepit Dominus facite et apparebit vobis gloria eius   6 En Mozes zeide: Deze zaak, die de HEERE geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des HEEREN zal u verschijnen. [6] Toen zei Mozes: ‘Omdat de heerlijkheid* van de heer aan u gaat verschijnen, moet u, naar zijn bevel, het volgende doen.’  [6] Mozes zei: 'Dit is wat de HEER u opgedragen heeft om te doen opdat zijn majesteit aan u zal verschijnen.' 9:6 Dan zegt Mozes: dít is het woord dat de Ene heeft geboden dat ge zult doen; dan zal zich aan u laten zien: de glorie van de Ene.  

King James Bible . [6] And Moses said, This is the thing which the LORD commanded that ye should do: and the glory of the LORD shall appear unto you.
Luther-Bibel . 6Da sprach Mose: Das ist's, was der HERR geboten hat, dass ihr es tun sollt, auf dass euch des HERRN Herrlichkeit erscheine.

Tekstuitleg van Lv 9,6 .

11. - 12. ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) . In zeven verzen in de bijbel : (1) Ex 40,34 (mâle´ ´èth hammisjëkân = vervulde de tabernakel) . (2) Ex 40,35 (mâle´ ´èth hammisjëkân = vervulde de tabernakel) . (3) Nu 14,10 . (4) 2 Kr 7,1 (mâle´ ´èth habbâjit = vervulde het huis) . (5) 2 Kr 7,3 . (6) Js 60,1 . (7) Ez 43,4 .
- këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH) . Tenach (16) . In vier verzen in Exodus : (1) Ex 16,7 . (2) Ex 16,10 . (3) Ex 24,16 . (4) Ex 24,17 . Verder : (5) Lv 9,6 . (6) Nu 17,7 . In één vers in de Psalmen . (7) Ps 138,5 . In twee verzen in Js : (1) Js 40,5 . (2) Js 58,8 . In zes verzen in Ez : (1) Ez 1,28 . (2) Ez 3,12 . (3) Ez 3,23 . (4) Ez 10,4 (tweemaal) . (5) Ez 10,18 . (6) Ez 11,23 . Tenslotte : Hab 2,14 .

Lv 9,7 - Lv 9,7 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7 καὶ εἶπε Μωυσῆς τῷ ᾿Ααρών· πρόσελθε πρὸς τὸ θυσιαστήριον καὶ ποίησον τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας σου καὶ τὸ ὁλοκαύτωμά σου καὶ ἐξίλασαι περὶ σεαυτοῦ καὶ τοῦ οἴκου σου· καὶ ποίησον τὰ δῶρα τοῦ λαοῦ καὶ ἐξίλασαι περὶ αὐτῶν, καθάπερ ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ. 7 dixit et ad Aaron accede ad altare et immola pro peccato tuo offer holocaustum et deprecare pro te et pro populo cumque mactaveris hostiam populi ora pro eo sicut praecepit Dominus   7 En Mozes zeide tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de HEERE geboden heeft. [7] Tegen Aäron zei hij: ‘Ga naar het altaar, draag uw zondeoffer en uw brandoffer op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk op en voltrek de verzoeningsrite voor hen. Zo heeft de heer bevolen.’  [7] Tegen Aäron zei Mozes: 'Neem je plaats bij het altaar in en draag het reinigingsoffer en het brandoffer op om voor jezelf en het volk verzoening te bewerken. Draag daarna de offers van het volk op om voor hen verzoening te bewerken, zoals de HEER bevolen heeft.' 9:7 Mozes zegt tot Aäron: nader tot het altaar en maak klaar jouw ontzondigingsgave en jouw 'opgang', en vraag verzoening ten gunste van jouzelf en ten gunste van de gemeente; maak klaar de toenadering van de gemeente en vraag verzoening ten gunste van hen, zoals geboden heeft de Ene!  

King James Bible . [7] And Moses said unto Aaron, Go unto the altar, and offer thy sin offering, and thy burnt offering, and make an atonement for thyself, and for the people: and offer the offering of the people, and make an atonement for them; as the LORD commanded.
Luther-Bibel . 7Und Mose sprach zu Aaron: Tritt zum Altar und bringe dar dein Sündopfer und dein Brandopfer und entsühne dich und dein Haus. Danach bringe dar die Opfergabe des Volks und entsühne es auch, wie der HERR geboten hat.

Tekstuitleg van Lv 9,7 .

Lv 9,8 - Lv 9,8 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8 καὶ προσῆλθεν ᾿Ααρὼν πρὸς τὸ θυσιαστήριον καὶ ἔσφαξε τὸ μοσχάριον τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ. 8 statimque Aaron accedens ad altare immolavit vitulum pro peccato suo   8 Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf des zondoffers, dat voor hem was. [8] Aäron ging naar het altaar en slachtte het kalf van het zondeoffer voor zichzelf.   [8] Aäron ging naar het altaar en slachtte de jonge stier die bestemd was voor zijn eigen reinigingsoffer. 9:8 Aäron nadert tot het altaar, en keelt het stierkalf voor de ontzondiging dat het zijne is.  

King James Bible . [8] Aaron therefore went unto the altar, and slew the calf of the sin offering, which was for himself.
Luther-Bibel . 8Und Aaron trat zum Altar und schlachtete den jungen Stier als sein Sündopfer.

Tekstuitleg van Lv 9,8 .

Lv 9,9 - Lv 9,9 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9 καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ ᾿Ααρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν, καὶ ἔβαψε τὸν δάκτυλον εἰς τὸ αἷμα καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὰ κέρατα τοῦ θυσιαστηρίου καὶ τὸ αἷμα ἐξέχεεν ἐπὶ τὴν βάσιν τοῦ θυσιαστηρίου· 9 cuius sanguinem obtulerunt ei filii sui in quo tinguens digitum tetigit cornua altaris et fudit residuum ad basim eius   9 En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars. [9] De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe. Hij doopte er zijn vinger in en streek het op de hoorns van het altaar. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar.  [9] Zijn zonen reikten hem het bloed aan. Hij doopte zijn vinger in het bloed en streek het aan de horens van het altaar. De rest van het bloed goot hij aan de voet van het altaar uit. 9:9 Dan brengen de zonen van Aäron het bloed nabij tot hem; hij doopt zijn vinger in het bloed en geeft het prijs over de horens van het altaar; het overige bloed heeft hij uitgestort tegen de voet van het altaar.  

King James Bible . [9] And the sons of Aaron brought the blood unto him: and he dipped his finger in the blood, and put it upon the horns of the altar, and poured out the blood at the bottom of the altar:
Luther-Bibel . 9Und seine Söhne brachten das Blut zu ihm und er tauchte mit seinem Finger ins Blut und tat es auf die Hörner des Altars und goss das Blut an den Fuß des Altars.

Tekstuitleg van Lv 9,9 .

Lv 9,10 - Lv 9,10 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10 καὶ τὸ στέαρ καὶ τοὺς νεφροὺς καὶ τὸν λοβὸν τοῦ ἥπατος τοῦ περὶ τῆς ἁμαρτίας ἀνήνεγκεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον, ὃν τρόπον ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ. 10 adipemque et renunculos ac reticulum iecoris quae sunt pro peccato adolevit super altare sicut praeceperat Dominus Mosi   10 Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. [10] Het vet, de nieren en de leverkwab van het offerdier liet hij op het altaar in rook opgaan. Zo had de heer het Mozes bevolen.   [10] Het vet, de nieren en de kleinste lob van de lever, afkomstig van het reinigingsoffer, verbrandde hij op het altaar, zoals de HEER Mozes had opgedragen. 9:10 Het vet, de nieren en de kwab aan de lever van de ontzondigingsgave heeft hij in rook doen opgaan op het altaar; zoals de Ene Mozes heeft geboden.  

King James Bible . [10] But the fat, and the kidneys, and the caul above the liver of the sin offering, he burnt upon the altar; as the LORD commanded Moses.
Luther-Bibel . 10Aber das Fett und die Nieren und den Lappen an der Leber vom Sündopfer ließ er in Rauch aufgehen auf dem Altar, wie der HERR es Mose geboten hatte.

Tekstuitleg van Lv 9,10 .

Lv 9,11 - Lv 9,11 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11 καὶ τὰ κρέα καὶ τὴν βύρσαν κατέκαυσεν αὐτὰ πυρί, ἔξω τῆς παρεμβολῆς. 11 carnes vero et pellem eius extra castra conbusit igni   11 Doch het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. [11] Het vlees en de huid verbrandde hij buiten het kamp.   [11] Het vlees en de huid liet hij buiten het kamp verbranden. 9:11 Het vlees en de huid heeft hij verbrand in het vuur, buiten de legerplaats.  

King James Bible . [11] And the flesh and the hide he burnt with fire without the camp.
Luther-Bibel . 11Und das Fleisch und das Fell verbrannte er mit Feuer draußen vor dem Lager.

Tekstuitleg van Lv 9,11 .

Lv 9,12 - Lv 9,12 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12 καὶ ἔσφαξε τὸ ὁλοκαύτωμα· καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ ᾿Ααρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν. καὶ προσέχεεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον κύκλῳ· 12 immolavit et holocausti victimam obtuleruntque ei filii sui sanguinem eius quem fudit per altaris circuitum   12 Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aäron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar. [12] Daarop slachtte hij het brandoffer. De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe en hij sprenkelde het over het altaar.  [12] Daarna slachtte hij de ram voor het brandoffer. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. 9:12 Dan keelt hij de opgangsgave; Aärons zónen reiken hem het bloed aan en hij sprenkelt dat rondom over het altaar.  

King James Bible . [12] And he slew the burnt offering; and Aaron's sons presented unto him the blood, which he sprinkled round about upon the altar.
Luther-Bibel . 12Danach schlachtete er das Brandopfer; und Aarons Söhne brachten das Blut zu ihm und er sprengte es ringsum an den Altar.

Tekstuitleg van Lv 9,12 .

Lv 9,13 - Lv 9,13 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13 καὶ τὸ ὁλοκαύτωμα προσήνεγκαν αὐτὸ κατὰ μέλη, αὐτὰ καὶ τὴν κεφαλὴν ἐπέθηκεν ἐπί τὸ θυσιαστήριον· 13 ipsam etiam hostiam in frusta concisam cum capite et membris singulis obtulerunt quae omnia super altare cremavit igni   13 Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar. [13] Ze gaven hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier aan en hij liet ze op het altaar in rook opgaan.  [13] Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier aan, en hij verbrandde ze op het altaar. 9:13 Ze hebben de opgangsgave aan hem aangereikt in haar verschillende delen, en de kop; dan laat hij haar in rook opgaan op het altaar.  

King James Bible . [13] And they presented the burnt offering unto him, with the pieces thereof, and the head: and he burnt them upon the altar.
Luther-Bibel . 13Und sie brachten das Brandopfer zu ihm, Stück um Stück, und den Kopf und er ließ es in Rauch aufgehen auf dem Altar.

Tekstuitleg van Lv 9,13 .

Lv 9,14 - Lv 9,14 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14 καὶ ἔπλυνε τὴν κοιλίαν καὶ τοὺς πόδας ὕδατι καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὸ ὁλοκαύτωμα ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον. 14 lotis prius aqua intestinis et pedibus   14 En hij wies het ingewand en de schenkelen; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar. [14] De ingewanden en de poten waste hij, en liet ze eveneens op het altaar in rook opgaan.   [14] Hij waste de ingewanden en de poten en verbrandde die samen met de rest van het offerdier. 9:14 Hij wast het ingewand en de poten schoon; hij laat die in rook opgaan bij de opgangsgave, op het altaar.  

King James Bible . [14] And he did wash the inwards and the legs, and burnt them upon the burnt offering on the altar.
Luther-Bibel . 14Und er wusch die Eingeweide und die Schenkel und ließ sie in Rauch aufgehen oben auf dem Brandopfer auf dem Altar.

Tekstuitleg van Lv 9,14 .

Lv 9,15 - Lv 9,15 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15 καὶ προσήνεγκε τὸ δῶρον τοῦ λαοῦ· καὶ ἔλαβε τὸν χίμαρον τὸν περὶ τῆς ἁμαρτίας τοῦ λαοῦ καὶ ἔσφαξεν αὐτόν, καὶ ἐκαθάρισεν αὐτόν, καθὰ καὶ τὸν πρῶτον. 15 et pro peccato populi offerens mactavit hircum expiatoque altari   15 Daarna deed hij de offerande des volks toebrengen; en nam den bok des zondoffers, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste. [15] Vervolgens liet hij de offergave van het volk brengen. Hij nam de bok voor het zondeoffer* van het volk, slachtte die en droeg hem als zondeoffer op, evenals het eerste dier.  [15] Daarna liet Aäron de offers van het volk bij zich brengen. Hij slachtte de bok die voor het reinigingsoffer van het volk bestemd was en droeg het op dezelfde wijze op als zijn eigen reinigingsoffer. 9:15 Dan laat hij naderen de toenadering van de gemeente; hij neemt de sater van de ontzondiging voor de gemeente, keelt hem en vraagt met hem ontzondiging zoals met de eerste.  

King James Bible . [15] And he brought the people's offering, and took the goat, which was the sin offering for the people, and slew it, and offered it for sin, as the first.
Luther-Bibel . 15Danach brachte er herzu die Opfergabe des Volks und nahm den Bock, das Sündopfer des Volks, und schlachtete ihn und machte ein Sündopfer daraus wie das vorige.

Tekstuitleg van Lv 9,15 .

Lv 9,16 - Lv 9,16 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16 καὶ προσήνεγκε τὸ ὁλοκαύτωμα καὶ ἐποίησεν αὐτό, ὡς καθήκει. 16 fecit holocaustum   16 Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht. [16] Ook het brandoffer voltrok hij op de voorgeschreven wijze.   [16] Hij liet de dieren voor het brandoffer bij zich brengen en offerde ze volgens de voorschriften. 9:16 Dan laat hij de opgangsgave naderen; hij maakt die klaar overeenkomstig de regel.  

King James Bible . [16] And he brought the burnt offering, and offered it according to the manner.
Luther-Bibel . 16Und brachte das Brandopfer herzu und tat damit der Ordnung gemäß.

Tekstuitleg van Lv 9,16 .

Lv 9,17 - Lv 9,17 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17 καὶ προσήνεγκε τὴν θυσίαν, καὶ ἔπλησε τὰς χεῖρας ἀπ᾿ αὐτῆς καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον χωρὶς τοῦ ὁλοκαυτώματος τοῦ πρωϊνοῦ. 17 addens in sacrificio libamenta quae pariter offeruntur et adolens ea super altare absque caerimoniis holocausti matutini   17 En hij deed het spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand, en stak het aan op het altaar, behalve het morgenbrandoffer. [17] Hierna droeg hij het meeloffer op en liet daarvan een handvol op het altaar in rook opgaan, naast het brandoffer dat in de ochtend plaatsvindt.   [17] Hij liet het graanoffer bij zich brengen en verbrandde er een handvol van op het altaar. Dit offer kwam niet in mindering op het ochtendbrandoffer. 9:17 Hij brengt nabij: de broodgift; hij neemt een handpalm vol daaruit en laat dat in rook opgaan op het altaar,- onverminderd de opgangsgave van 's morgens.  

King James Bible . [17] And he brought the meat offering, and took an handful thereof, and burnt it upon the altar, beside the burnt sacrifice of the morning.
Luther-Bibel . 17Und brachte herzu das Speisopfer und nahm eine Hand voll und ließ es in Rauch aufgehen auf dem Altar, außer dem Brandopfer am Morgen.

Tekstuitleg van Lv 9,17 .

Lv 9,18 - Lv 9,18 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18 καὶ ἔσφαξε τὸν μόσχον, καὶ τὸν κριὸν τῆς θυσίας τοῦ σωτηρίου τῆς τοῦ λαοῦ· καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ ᾿Ααρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν, καὶ προσέχεε πρὸς τὸ θυσιαστήριον κύκλῳ· 18 immolavit et bovem atque arietem hostias pacificas populi obtuleruntque ei filii sui sanguinem quem fudit super altare in circuitu   18 Daarna slachtte hij den os, en den ram ten dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aäron leverden het bloed aan hem, hetwelk hij rondom op het altaar sprengde; [18] Ook slachtte hij de stier en de ram als slachtoffer voor het volk. De zonen van Aäron gaven hem het bloed aan en hij sprenkelde het over het altaar.   [18] Tot slot slachtte hij de stier en de ram die bedoeld waren als vredeoffer van het volk. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. 9:18 Hij keelt dan de os en de ram van het vredesoffer van de gemeente; Aärons zónen reiken hem het bloed aan en hij sprenkelt het rondom over de offertafel.  

King James Bible . [18] He slew also the bullock and the ram for a sacrifice of peace offerings, which was for the people: and Aaron's sons presented unto him the blood, which he sprinkled upon the altar round about,
Luther-Bibel . 18Danach schlachtete er den Stier und den Widder als Dankopfer des Volks. Und seine Söhne brachten ihm das Blut; das sprengte er ringsum an den Altar.

Tekstuitleg van Lv 9,18 .

Lv 9,19 - Lv 9,19 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19 καὶ τὸ στέαρ τὸ ἀπὸ τοῦ μόσχου καὶ τοῦ κριοῦ, τὴν ὀσφὺν καὶ τὸ στέαρ τὸ κατακαλύπτον ἐπὶ τῆς κοιλίας καὶ τοὺς δύο νεφρούς, καὶ τὸ στέαρ τὸ ἐπ᾿ αὐτῶν καὶ τὸν λοβὸν τὸν ἐπὶ τοῦ ἥπατος, 19 adipes autem bovis et caudam arietis renunculosque cum adipibus suis et reticulum iecoris   19 En het vet van den os, en van den ram, den staart, en wat het ingewand bedekt, en de nieren, en het net der lever; [19] De stukken vet van de stier en de ram, het vet aan de staart, het nekvet, de nieren en de leverkwab,   [19] De vette delen van de stier en de ram, namelijk de staart en al het vet van de buikholte, de nieren en de kleinste lob van de lever, 9:19 De vetdelen uit de os, en uit de ram, het staartstuk, dat de ingewanden overdekt, de nieren en de kwab aan de lever:  

King James Bible . [19] And the fat of the bullock and of the ram, the rump, and that which covereth the inwards, and the kidneys, and the caul above the liver:
Luther-Bibel . 19Aber das Fett vom Stier und vom Widder, den Fettschwanz und das Fett am Eingeweide und die Nieren und den Lappen an der Leber,

Tekstuitleg van Lv 9,19 .

Lv 9,20 - Lv 9,20 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20 καὶ ἐπέθηκε τὰ στέατα ἐπὶ τὰ στηθύνια, καὶ ἀνήνεγκε τὰ στέατα ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον. 20 posuerunt super pectora cumque cremati essent adipes in altari   20 En zij leiden het vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar. [20] legde men bij de borststukken en hij liet ze op het altaar in rook opgaan.   [20] legden ze bij de borststukken, en Aäron verbrandde het vet op het altaar. 9:20 ze leggen de vetdelen op de borststukken; hij laat de vetdelen in rook opgaan op het altaar.  

King James Bible . [20] And they put the fat upon the breasts, and he burnt the fat upon the altar:
Luther-Bibel . 20all dieses Fett legten sie auf die Brust und er ließ das Fett auf dem Altar in Rauch aufgehen.

Tekstuitleg van Lv 9,20 .

Lv 9,21 - Lv 9,21 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21 καὶ τὸ στηθύνιον, καὶ τὸν βραχίονα τὸν δεξιὸν ἀφεῖλεν ᾿Ααρὼν ἀφαίρεμα ἔναντι Κυρίου, ὃν τρόπον συνέταξε Κύριος τῷ Μωυσῇ. 21 pectora eorum et armos dextros separavit Aaron elevans coram Domino sicut praeceperat Moses   21 Maar de borsten en den rechterschouder bewoog Aäron ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Mozes geboden had. [21] Staande voor de heer nam Aäron de borststukken en de rechterschenkel als gewijd aandeel van de priesters apart, zoals Mozes bevolen had.  [21] Het borststuk en de rechterachterbout van de dieren hief hij ten overstaan van de HEER omhoog, zoals Mozes bevolen had. 9:21 Met de borststukken en de rechterschenkel heeft Aäron eerst gewuifd in een wuiven voor het aanschijn van de Ene,- zoals Mozes heeft geboden.  

King James Bible . [21] And the breasts and the right shoulder Aaron waved for a wave offering before the LORD; as Moses commanded.
Luther-Bibel . 21Aber die Brust und die rechte Keule schwang Aaron als Schwingopfer vor dem HERRN, wie der HERR es Mose geboten hatte.

Tekstuitleg van Lv 9,21 .

Lv 9,22 - Lv 9,22 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22 καὶ ἐξάρας ᾿Ααρὼν τὰς χεῖρας ἐπὶ τὸν λαόν, εὐλόγησεν αὐτούς· καὶ κατέβη ποιήσας τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας καὶ τὰ ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ τοῦ σωτηρίου. 22 et tendens manum contra populum benedixit eis sicque conpletis hostiis pro peccato et holocaustis et pacificis descendit wajjishshâ´ ´ahäron ´èth jâdô ´èl hâ `âm wajëbârëkhem   22 Daarna hief Aäron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had. [22] Na zo de zondeoffers, brandoffers en slachtoffers te hebben opgedragen, hief Aäron zijn handen op naar het volk en zegende het. Hij kwam van het altaar af   [22] Daarna strekte hij zijn handen naar het volk uit en zegende het. Nadat Aäron de offers had opgedragen, daalde hij af van het altaar 9:22 Dan heft Aäron zijn handen op naar de gemeente en zegent hen; hij komt naar beneden,- na het klaarmaken van de ontzondiging, de opgang en de vredesgaven.  

King James Bible . [22] And Aaron lifted up his hand toward the people, and blessed them, and came down from offering of the sin offering, and the burnt offering, and peace offerings.
Luther-Bibel . 22Und Aaron hob seine Hände auf zum Volk und segnete sie und stieg herab, nachdem er das Sündopfer, Brandopfer und Dankopfer dargebracht hatte.
- Targum Onqelos . כב וַאֲרֵים אַהֲרוֹן יָת יְדוֹהִי לְעַמָּא, וּבָרֵיכִנּוּן; וּנְחַת, מִלְּמֶעֱבַד חַטָּתָא וַעֲלָתָא--וְנִכְסַת קֻדְשַׁיָּא.

Tekstuitleg van Lv 9,22 . Het vers Lv 9,22 telt 12 (2² X 3) woorden en 49 (7²) letters . De getalwaarde van Lv 9,22 is 3418 (2 X 1709) . In het vers Lv 9,22 geeft de hogepriester Aäron de hogepriesterlijke zegen met het begeleidende ritueel van het opheffen en uitstrekken van de handen .

Lv 9,22.1. act. part. aor. nom. mann. enk. επαρας = eparas (opgeheven) van het werkw. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Lc : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Hnd : epairô (opheffen, verheffen) . Bijbel (9) . LXX (4) : (1) Gn 13,10 . (2) Ex 7,20 . (3) Nu 20,11 . (4) Ps 102,11 . NT (5) . Lc (3) : (1) Lc 6,20 . (2) Lc 16,23 . (3) Lc 24,50 . Verder : (1) Joh 6,5 . (2) Joh 17,1 . Een vorm van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in de LXX (83) , in het NT (19) , in Lc in 6 verzen : (1) Lc 6,20 . (2) Lc 11,27 . (3) Lc 16,23 . (4) Lc 18,13 . (5) Lc 21,28 . (6) Lc 24,50 . In Lc : 4 vormen van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in 6 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 4 vormen van επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) in 5 verzen in 5 hoofdstukken .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. επηρεν = epèren (hij hief op, hij verhief) van het werkw. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Lc : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Hnd : epairô (opheffen, verheffen) . Bijbel (17) . LXX (15) . Pentateuch (3) : (1) Gn 7,17 . (2) Ex 10,13 . (3) Ex 17,11 . Sir (2) : (1) Sir 48,18 . (2) Sir 50,20 . NT (2) : (1) Joh 13,18 . (2) Hnd 2,14 .
- De vorm act. part. aor. nom. mann. enk. εξαρας = exaras (uitgeheven, uitgestrekt) komt slechts in het OT (4) voor : (1) Gn 29,1 . (2) Gn 49,33 . (3) Lv 9,22 . (4) Nu 24,2 . Een vorm van het werkw. eξαιρω = exairô in de LXX (236) , in het NT (1) . Behalve in Gn 49,33 is εξαρας = exaras (uitgeheven, uitgestrekt) de vertaling van וַיִּשָּׂא = wajjishshâ´ (en hij hief op) ; in Gn 29,1 zijn het de voeten , in Gn 29,1 is het de hand(en) en in Nu 24,2 zijn het de ogen .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εξηρεν = eksèren (hij strekte uit) van het werkw. εξαιρω = eksairô (uitstrekken) . Bijbel (38) . Pentateuch (7) : (1) Gn 35,5 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 15,22 . (4) Nu 11,35 . (5) Nu 12,15 . (6) Nu 12,16 . (7) Dt 29,27 . NT (0) .
- Hebreeuws NBG Lc 24,50 . verbindingsprefix waw (en) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּשָּׂא = wajjishshâ´ (en hij hief op) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) . Gn (14) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 . Ex (2) : (1) Ex 10,19 . (2) Ex 12,34 . Lv (1) Lv 9,22 .
- Hebreeuws UBS . act. qal perf. 3de pers. mann. enk. נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . Getalswaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen . Tenakh (68) . Pentateuch (8) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (17) . Gn (14) : (1) Gn 13,10 . (2) Gn 18,2 . (3) Gn 22,4 . (4) Gn 22,13 . (5) Gn 24,63 . (6) Gn 27,38 . (7) Gn 29,1 . (8) Gn 29,11 . (9) Gn 31,17 . (10) Gn 33,1 . (11) Gn 33,5 . (12) Gn 40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 . Ex (2) : (1) Ex 10,19 . (2) Ex 12,34 . Lv (1) Lv 9,22 .
- Ned. : verheffen .D. : aufheben . E. : to lift up . Fr. lever . Grieks : επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Hebreeuws : נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . Lat. : pass. part. perf. dat.mv. elevatis van het werkw. elevare (uitheffen, opslaan) . Bijbel (8) .

 

4. jâdô (zijn hand) . zelfst. naamw. jâd (hand) + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (van hem) van het zelfst. naamw. jâd (hand) . Taalgebruik in Tenach : jâd (hand) . Het kan ook jâdâw (zijn handen) gevocaliseerd worden , maar dan ontbreekt de meervoudsjod na de daleth . Tenach (159) . Lv (1) Lv 9,22 .

Lv 9,22.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. ευλογησεν = eulogèsen (hij zegende) van het werkw. ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Bijbel (69) . OT (60) . Pentateuch (23) : (1) Gn 5,2 . (2) Gn 24,1 . (3) Gn 24,35 . (4) Gn 25,11 . (5) Gn 26,12 . (6) Gn 27,41 . (7) Gn 28,1 . (8) Gn 28,6 . (9) Gn 30,27 . (10) Gn 32,1 . (11) Gn 47,7 . (12) Gn 48,3 . (13) Gn 48,20 . (14) Gn 49,25 . (15) Gn 49,28 . (16) Ex 20,11 . (17) Ex 39,23 . (18) Lv 9,22 . (19) Dt 2,7 . (20) Dt 12,7 . (21) Dt 15,6 . (22) Dt 15,14 . (23) Dt 33,1 . Eerdere Profeten (16) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (14) . NT (9) : (1) (1) Mt 14,19 . (2) Mc 6,41 . (3) Lc 2,28 . (4) Lc 2,34 . (5) Lc 9,16 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,50 . (8) Heb 11,20 . (9) Heb 11,21 . Een vorm van ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) in de LXX (516) , in het NT (42) . Mt (5) : (1) Mt 14,19 . (2) Mt 21,9 . (3) Mt 23,39 . (4) Mt 25,34 . (5) Mt 26,26 , Mc (5) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,7 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,10 . (5) Mc 14,22 , Lc (13) : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : 2 vormen van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in 2 verzen in 1 / 28 hoofdstukken . In Lc : 5 verzen in de kindsheidsverhalen , 4 verzen in de verschijningsverhalen , in de verhalen van de vlakterede en de broodvermenigvuldiging , in een citaat (Ps 118,26) in Lc 13,35 dat ook bij de intrede van Jezus in Jeruzalem wordt aangehaald .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ηυλογησεν = èulogèsen (hij zegende) van het werkw. ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Bijbel (19) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 9,1 . (5) Gn 14,19 . (6) Gn 27,23 . (7) Gn 27,27 .(8) Gn 30,30 . (9) Gn 32,30 . (10) Gn 35,9 . (11) Gn 39,5 . (12) Gn 48,15 . (13) Dt 16,10 . Verder : (14) Joz 22,6 . (15) Re 13,24 . (16) 2 S 6,12 . (17) 1 K 21,10 . (18) Neh 8,6 . (19) 2 Kr 31,10 . Een vorm van ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) in de LXX (516) , in het NT (42) .
- act. part. aor. nom. mann. enk. ευλογησας = eulogèsas (zegenend) van het werkw. ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Bijbel (11) . LXX (6) . Pentateuch (2) : (1) Gn 47,10 . (2) Nu 24,10 . NT (5) : (1) Mt 26,26 . (2) Mc 8,7 . (3) Mc 14,22 . (4) Ef 1,3 . (5) Heb 7,1 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen   69  60           
  Totaal 558 516 42 5 5 13 1 2 16   23 24    

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  
  eulogeô  Lc Lc 1 Lc 2 Lc 6 Lc 9 Lc 13 Lc 19 Lc 24
1.  act imperat. praes. 2de pers. mv. eulogeite     (1) Lc 6,28 .        
2.  act. part. praes. nom. mann. enk.  eulogôn   (1) Lc 1,64 .              
3.  act. part. praes. nom. mann. mv. eulogountes                 (1) Lc 24,53 .  
4.  act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen     (1) Lc 2,28 . (2) Lc 2,34   (3) Lc 9,16 .     (4) Lc 24,30 . (5) Lc 24,50 .
5.  act. inf. praes. eulogein             (1) Lc 24,51
6.  pass. part. praes. nom. mann. enk. eulogèmenos   (1) Lc 1,42       (2) Lc 13,35 .   (3) Lc 19,38 .    
7.  pass. part. praes. nom. vr. enk.  eulogèmenè   (2) Lc 1,28 . (1) Lc 1,42            
    13 

- waw consec. + act. piel imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְבָרֶך = wajëbhârèkh (en hij zegende) van het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . 111 = 3 X 37 OF (5 X 17) + 26 . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (33) . Pentateuch (20) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,2 . (5) Gn 9,1 . (6) Gn 24,11 . (7) Gn 25,11 . (8) Gn 28,1 . (9) Gn 30,30 . (10) Gn 32,1 . (11) Gn 32,30 . (12) Gn 35,9 . (13) Gn 39,5 . (14) Gn 47,7 . (15) Gn 47,10 . (16) Gn 48,3 . (17) Gn 48,15 . (18) Gn 49,28 . (19) Ex 39,43 . (20) Dt 1,1 . Verder : (21) Joz 24,10 . (22) 2 S 6,11 . (23) 2 S 6,18 . (24) 2 S 14,22 . (25) 1 K 8,14 . (26) 1 K 8,55 . (27) Ps 145,21 . (28) Neh 8,6 . (29) 1 Kr 13,14 . (30) 1 Kr 16,2 . (31) 1 Kr 29,10 . (32) 2 Kr 6,3 . (33) 2 Kr 6,13 .
- Ned. : zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan . Arabisch : بَارَكَ = bâraka (zegenen) . Taalgebruik in de Qoran : bâraka (zegenen) . Zie : http://www.arabischlexicon.com/51-baraka-zegen-157615851603.html . D. : segnen . E. : to bless . Fr. : bénir . Gr. : ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebreeuws : בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Lat. : benedicere .
- De getalswaarde van bârakh wordt gekenmerkt door de 2 : 2 - 20 of 200 - 11 of 20 , door groei in veelheid . Het is een proces van uitbreiding, vermenigvuldiging, verveelvoudiging . Het wordt vertaald met zegenen . Het heeft de gedachte van ons proficiat (dat mag je vooruitmaken, je laten groeien , je ten goede komen) . Het is verwant met bâra' (scheppen) waarbij ook het accent op groei naar verscheidenheid ligt , maar uiteindelijk met het oog op éénheid .

1. - 7. Een zeer sterke gelijkenis is er tussen Lv 9,22 en Lc 24,50 :
- Hebreeuws Lv 9,22 . וַיִּשָּׂא אַהֲרֹן אֶת-יָדָו אֶל-הָעָם, וַיְבָרְכֵם
- Grieks Lv 9,22 . καὶ ἐξάρας ᾿Ααρὼν τὰς χεῖρας ἐπὶ τὸν λαόν, εὐλόγησεν αὐτούς·
- Lc 24,50 . καὶ ἐπάρας τὰς χεῖρας αὐτοῦ εὐλόγησεν αὐτούς.
- In Lv 9,22 wordt de eerste zegen van de hogepriester Aäron beschreven . In Lc 24,50-53 neemt Jezus afscheid van zijn leerlingen . Aäron geeft de zegen aan het volk nadat hij de voorgeschreven offers heeft gebracht . Jezus geeft de zegen nadat hij zichzelf heeft geofferd . Hij is offer en offeraar . Hij is offer en hogepriester . Geïnspireerd op Lv 9,22 is Sir 50,20 τότε καταβὰς ἐπῇρε χεῖρας αὐτοῦ ἐπὶ πᾶσαν ἐκκλησίαν υἱῶν ᾿Ισραὴλ δοῦναι εὐλογίαν Κυρίῳ (en afgedaald hief hij zijn handen op over heel de gemeenschap van de zonen van Israël om de zegen van de Heer te geven) . In Sir wordt beschreven hoe de hogepriester op het einde van de liturgische offerdienst het volk zegent .
- De hand uitsteken naar iemand kan teken zijn van toenadering , vriendschap . Het is dan de bedoeling de hand te drukken . In feite wordt dan arm en hand uitgestoken . Bij Aäron wordt de arm en de hand opgeheven en uitgestrekt over . In εξαρας = exaras (uitgestrekt) ligt de nadruk op het uit-strekken , in επαρας = eparas (opgeheven) op het opheffen . Voor de zegen worden de handen en armen uitgestrekt naar voren , naar het 'object' .
Op het kruis strekt Jezus zijn handen uit . Aäron offert offerdieren , Jezus zichzelf . Na het offer zegent Aäron het volk . Zo zal ook Jezus zijn zegen geven . Hij geeft zijn geest . Hij is de hogepriester die het heilige der heiligen binnengaat .


Lv 9,23 - Lv 9,23 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
23 καὶ εἰσῆλθε Μωυσῆς καὶ ᾿Ααρὼν εἰς τὴν σκηνὴν τοῦ μαρτυρίου καὶ ἐξελθόντες εὐλόγησαν πάντα τὸν λαόν, καὶ ὤφθη ἡ δόξα Κυρίου παντὶ τῷ λαῷ. 23 ingressi autem Moses et Aaron tabernaculum testimonii et deinceps egressi benedixerunt populo apparuitque gloria Domini omni multitudini   23 Toen ging Mozes met Aäron in de tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen al het volk. [23] en ging met Mozes de tent van de samenkomst binnen. En toen zij weer naar buiten kwamen, zegenden zij het volk. Toen verscheen de heerlijkheid van de heer aan heel het volk.  [23] en ging hij samen met Mozes de ontmoetingstent binnen. Toen ze weer buitenkwamen, zegenden ze het volk. Daarop verscheen de majesteit van de HEER aan het verzamelde volk. 9:23 Mozes gaat met Aäron in tot de tent van samenkomst; als ze naar buiten komen zegenen ze de gemeente; dan laat de glorie van de Ene zich zien aan heel de gemeente.  

King James Bible . [23] And Moses and Aaron went into the tabernacle of the congregation, and came out, and blessed the people: and the glory of the LORD appeared unto all the people.
Luther-Bibel . 23Und Mose und Aaron gingen in die Stiftshütte. Und als sie wieder herauskamen, segneten sie das Volk. Da erschien die Herrlichkeit des HERRN allem Volk.

Tekstuitleg van Lv 9,23 .

Lv 9,23.1. וַיָּבּוֹא / וַיָּבֹא = wajjâbho´ (en hij ging, en hij kwam) OF וַיָּבֵא = wajjâbhe´(en hij liet gaan, en hij liet komen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. OF act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Taalgebruik in Tenakh : bw´ (gaan, komen) . Tenakh (289) . Pentateuch (72) . Eerdere Profeten (142) . Latere Profeten (22) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (53) . Ex (16) : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 3,6 . (3) Ex 7,10 . (4) Ex 7,23 . (5) Ex 8,20 . (6) Ex 10,3 . (7) Ex 14,20 . (8) Ex 17,8 . (9) Ex 18,5 . (10) Ex 18,12 . (11) Ex 19,7 . (12) Ex 24,3 . (13) Ex 24,18 . (14) Ex 37,5 . (15) Ex 38,7 . (16) Ex 40,21 . Andere : (1) Ex 7,23 (Farao) . (2) Ex 8,20 (steekvliegen) . (3) Ex 14,20 (de wolk) . (4) Ex 17,8 (Amalek) . Lv (1) : Lv 9,23 .
- Grieks : act. ind. aor. 3de pers. enk. ηλθεν = èlthen (hij kwam) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 3de p. enk. èlthen 338 250 88 20 13 17 18 5 4 11  50  68 

- και ηλθεν = kai èlthen (en hij kwam / ging) . LXX (145) . NT (23) . Mc (5) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 6,1 . (4) Mc 9,7 . (5) Mc 9,33 .
- ηλθεν δε = èlthen de (hij kwam / ging echter) . LXX (10) . NT (3) : (1) Lc 22,7 . (2) Joh 19,39 . (3) Hnd 7,11 .
- Ned. : gaan . D. : gehen . E. : go . Grieks : ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : ire . vadere (Fr. je vais , il va) . ambulare (Fr. nous allons , vous allez) .
- De letter aleph duidt het begin, initiatief , het scheppen aan . Aleph = 1 en duidt éénheid aan . De beth duidt de schepping aan . In het woord 'abh is schepper en schepping verenigd .´abh (vader) duidt tweeheid (vader - zoon/dochter) aan : de verwekker en de verwekte . De Hebreeuwse naam voor zoon is בֵּן . Het woord begint met een beth , symbool voor tweede , het geschapene , het verwekte . Op de beth volgt een nun = 14 of 50 . 50 staat voor voltooiïng , voor de gave van de thorah , van de geest . Het zoonschap zal zich doorzetten door alle volgende geslachten . Zo krijgt een vader een kleinzoon , een achterkleinzoon enz. . In het werkw. bâ' (het spiegelbeeld van 'abh= vader) heeft de omgekeerde beweging plaats : van de tweeheid (veelheid) naar de éénheid of van de schepping naar de schepper . Het geeft het doel aan van de schepping .

Lv 9,23.2. מֹשֶׁה = mosjèh (Mozes) . Taalgebruik in Tenakh : Mosjèh (Mozes) . getalswaarde : mem = 13 of 40 , sjin = 21 of 300 , h = 5 . Totaal : 39 (3 X 13) of 345 (3 X 5 X 23) ; het omgekeerde 543 (3 X 181 : het zesde zeszijdige stergetal) . Structuur : 4 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (675) . Pentateuch (569) . Zie : יהוה אֶחָד = JHWH ´èchâd (JHWH is één) . Getalswaarde : 26 + 13 = 39 .
- Grieks . μωυσης = môusès (Mozes) . Taalgebruik in de LXX : môusès (Mozes) . Taalgebruik in het NT : môusès (Mozes) . Een vorm van μωυσης = môusès (Mozes) in het NT (79) .

Lv 9,23.1. - 2. וַיָּבֹא מֹשֶׁה = wajjâbho´ mosjèh (en Mozes ging) . Tenakh (10) : (1) Ex 7,10 . (2) Ex 10,3 . (3) Ex 19,7 (Mozes ging naar beneden). (4) Ex 24,3 (Mozes ging naar beneden) . (5) Ex 24,18 . (6) Lv 9,23 . (7) Nu 17,8 . (8) Nu 17,23 . (9) Nu 20,6 . (10) Dt 32,44 .
- εισηλθεν μωυσης = eisèlthen môusès (Mozes ging binnen) . Bijbel = LXX (7) : (1) Ex 5,1 . (2) Ex 31,9 . (3) Lv 9,23 . (4) Nu 17,8 . (5) Nu 17,23 . (6) Nu 20,6 . (7) Dt 32,44 .
- και εισηλθεν μωυσης = kai eisèlthen môusès (en Mozes ging naar -binnen) .Bijbel = LXX (5) : (1) Ex 24,18 . (2) Lv 9,23 . (3) Nu 17,23 . (4) Nu 20,6 . (5) Dt 32,44 .
- ηλθεν δε μωυσης = èlthen de môusès (Mozes kwam / ging echter) . Tenakh (1) : Ex 19,7 .
- ηλθεν δε μωυσης = èlthen de môusès (Mozes kwam / ging echter) . LXX (1) : Ex 19,7 .
- και ηλθεν μωυσης = kai èlthen môusès (en Mozes kwam / ging) . LXX (1) : Nu 20,6 .

Lv 9,23.3. אַהֱרֹן = ´ahäron (Aäron) . Taalgebruik in Tenakh : ´ahäron (Aäron) . Getalwaarde : aleph = 1 , he = 5 , resj = 20 of 200 , nun = 14 of 50 . Totaal : 40 = 2³ X 5) of 256 (2² X 2³ X 2³ ) . Structuur : 1 - 5 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (247 = 13 X 19) . Pentateuch (211 = 210 + 1 = '3 X 70' + 1) . Gn (0) . Ex (71 = 70 + 1) . Lv (70) . Nu (67) . Dt (3) . Nu 6 (1) : Nu 6,23 .
- וַאַהֲרֹן = wë´ahäron (en Aäron) . Tenakh (50) .
- ααρων = aarôn (Aäron) . Taalgebruik in het NT : aarôn (Aäron) . Taalgebruik in de LXX : aarôn (Aäron) . Bijbel (348 = 2² X 3 X 29) . LXX (343 = 7³) . NT (5) .

Lv 9,23.2. - 3. מֹשֶׁה וַאַהֲרֹן = mosjèh wë´ahäron (Mozes en Aäron) . Tenakh (33) : (1) Ex 4,29 . (2) Ex 5,1 . (3) Ex 5,4 . (4) Ex 6,27 . (5) Ex 7,6 . (6) Ex 7,10 . (7) Ex 7,20 . (8) Ex 8,8 . (9) Ex 10,3 . (10) Ex 12,28 . (11) Ex 12,43 . (12) Ex 16,6 . (13) Ex 24,9 . (14) Ex 40,31 . (15) Lv 9,23 . (16) Nu 1,17 . (17) Nu 1,44 . (18) Nu 3,38 . (19) Nu 3,39 . (20)
- De getalswaarde van Mozes en Aäron volgen elkaar op : 39 , 40 ; samen : 39 + 40 = 79 OF 345 + 256 = 601 . Mozes en Aäron zijn 2 broers . Ze hebben de opdracht om te gaan van de veelheid naar de éénheid .

Lv 9,23.1. - 3. - וַיָּבֹא מֹשֶׁה וַאַהֲרֹן = wajjâbho´ mosjèh wa´ahäron (en Mozes en Aäron gingen) . Tenakh (5) : (1) Ex 7,10 . (2) Ex 10,3 . (3) Lv 9,23 . (4) Nu 17,8 . (5) Nu 20,6 .
- εισηλθεν δε μωυσης και ααρων = eisèlthen de môusès kai aarôn (Mozes en Aäron echter gingen naar -binnen) . LXX (2) : (1) Ex 7,10 . (2) Ex 10,3 .
- και εισηλθεν μωυσης και ααρων = kai eisèlthen môusès kai aarôn (en Mozes en Aäron gingen naar -binnen) . LXX (3) : (1) Lv 9,23 . (2) Nu 17,8 . (3) Nu 20,6 .

Lv 9,23.11. w-j-r-´ : (1) prefix voegwoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix voegwoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (Lettinga 12 , 2012, 58o) . (3) prefix voegwoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . getalswaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . Gn (50) . Gn 18 (2) : (1) Gn 18,1 . (2) Gn 18,2 . Gn (50) . Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 . Ex (17) : (1) Ex 2,11 . (2) Ex 2,12 . (3) Ex 2,25 . (4) Ex 3,2 . (5) Ex 3,4 . (6) Ex 8,11 . (7) Ex 9,34 . (8) Ex 14,30 . (9) Ex 14,31 . (10) Ex 18,14. (11) Ex 20,18 . (12) Ex 32,1 . (13) Ex 32,5 . (14) Ex 32,19 . (15) Ex 32,25 . (16) Ex 34,30 . (17) Ex 39,43 .
- Grieks : pass. ind. aor. 3de pers. enk. ωφθη = ôfthè (hij verscheen, hij werd gezien) van het werkw. ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Bijbel (53) . LXX (35) . Gn (9) : (1) Gn 1,9 . (2) Gn 12,7 (JHWH bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (3) Gn 17,1 (JHWH bij de verbondssluiting met Abraham) . (4) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (5) Gn 22,14 . (6) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (7) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) . (8) Gn 35,9 . (9) Gn 48,3 . (10) Ex 3,2 . (11) Ex 16,10 . (12) Lv 9,23 . (13) Nu 14,10 . (14) Nu 16,19 . (15) Nu 17,7 . (16) Nu 20,6 . (17) Re 6,12 . (18) Re 13,3 . (19) Re 19,30 . (20) 2 S 22,11 . (21) 1 K 3,5 . (22) 1 K 9,2 . (23) Jr 31,3 . (24) Hl 2,12 . (25) Da 4,20 . (26) 2 Kr 1,7 . (27) 2 Kr 3,1 . (28) 2 Kr 7,12 . (29) Tob 12,22 . (30) 1 M 4,6 . (31) 1 M 4,19 . (32) 1 M 9,27 . (33) 2 M 3,25 . (34) Ba 3,22 . (35) Ba 3,38 . NT (18) : (1) Mt 17,3 . (2) Mc 9,4 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 22,43 . (5) Lc 24,34 . (6) Hnd 7,2 . (7) Hnd 7,26 . (8) Hnd 7,30 . (9) Hnd 13,31 . (10) Hnd 16,9 . (11) 1 Kor 15,5 . (12) 1 Kor 15,6 . (13) 1 Kor 15,7 . (14) 1 Kor 15,8 . (15) 1 Tim 3,16 . (16) Apk 11,19 . (17) Apk 12,1 . (18) Apk 12,3

  horaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè   53  35  18  1    

- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .
- Ned. : verschijnen . D. : erscheinen . E. : appear . Fr. : apparaître . Lat. : apparere .

Lv 9,23.11. - 13. wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen) . Tenach (5) : (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn 17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham) . (3) Dt 31,15 (bij de aanstelling van Jozua) . (4) 1 K 9,2 (aan Salomo) . (5) 2 Kr 7,12 (aan Salomo) .
- wajjerâ´ ´elâjw JHWH (en JHWH verscheen aan hem) . Tenach (3) : (1) Gn 18,1 (JHWH aan Abraham) . (2) Gn 26,2 (JHWH aan Isaak) . (3) Gn 26,24 (JHWH aan Isaak) .
- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH verscheen) . Tenach (4) : (1) Lv 9,23 . (2) Nu 16,19 . (3) Nu 17,7 . (4) Nu 20,6 .
- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen) . Tenach (2) : (1) Ex 3,2 (aan Mozes in de doornstruik) . (2) Re 13,3 (aan de moeder van Simson) .
- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) . Enkel in Gn 35,9 (aan Jakob) .
- wajjerâ´ (en Hij verscheen aan Abraham... ) . Tenach (1) : Ex 6,3 (aan Mozes) .
Volgens deze gegevens zou JHWH driemaal aan Abram / Abraham verschenen zijn : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1 . (3) Gn 18,1 .
Tweemaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat JHWH verscheen aan Abram (wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm : (1) Gn 12,7 . (2) Gn 17,1) . In Gn 18,1 wordt de naam van Abraham niet vermeld . Het kan betekenen dat het vers in het verlengde ligt van het vorige hoofdstuk waar de belofte van Isaak werd aangekondigd . Dit is een belangrijk verschijnen van JHWH , want in Gn 18 wordt de geboorte van Isaak aangekondigd .


Lv 9,24 - Lv 9,24 : Offers bij de wijding - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lv (Leviticus) -- Lv 9 -- Lv 9,1-24 -- Lv 9,1 - Lv 9,2 - Lv 9,3 - Lv 9,4 - Lv 9,5 - Lv 9,6 - Lv 9,7 - Lv 9,8 - Lv 9,9 - Lv 9,10 - Lv 9,11 - Lv 9,12 - Lv 9,13 - Lv 9,14 - Lv 9,15 - Lv 9,16 - Lv 9,17 - Lv 9,18 - Lv 9,19 - Lv 9,20 - Lv 9,21 - Lv 9,22 - Lv 9,23 - Lv 9,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
 24 καὶ ἐξῆλθε πῦρ παρὰ Κυρίου καὶ κατέφαγε τὰ ἐπὶ τοῦ θυσιαστηρίου, τά τε ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ στέατα, καὶ εἶδε πᾶς ὁ λαὸς καὶ ἐξέστη καὶ ἔπεσαν ἐπὶ πρόσωπον.  24 et ecce egressus ignis a Domino devoravit holocaustum et adipes qui erant super altare quod cum vidissent turbae laudaverunt Dominum ruentes in facies suas   24 Want een vuur ging uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het ganse volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. [24] Van de heer ging een vuur uit dat het brandoffer en de stukken vet op het altaar verteerde. Toen het volk dat zag, begon het te juichen en boog diep neer tot op de grond.   [24] Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dat zag, begon het te jubelen, en iedereen wierp zich ter aarde. 9:24 Er gaat een vuur uit van voor het aanschijn van de Ene, en dat verteert op het altaar de opgangsgave en de vetdelen; als heel de gemeente dat ziet, juichen ze en vallen ze neer op hun aanschijn.  

King James Bible . [24] And there came a fire out from before the LORD, and consumed upon the altar the burnt offering and the fat: which when all the people saw, they shouted, and fell on their faces.
Luther-Bibel . 24Und ein Feuer ging aus von dem HERRN und verzehrte das Brandopfer und das Fett auf dem Altar. Da alles Volk das sah, frohlockten sie und fielen auf ihr Antlitz.

Tekstuitleg van Lv 9,24 .


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT

וַיְהִי בַּיֹּום הַשְּׁמִינִי קָרָא מֹשֶׁה לְאַהֲרֹן וּלְבָנָיו וּלְזִקְנֵי יִשְׂרָאֵל׃ .1 וַיֹּאמֶר אֶל־אַהֲרֹן קַח־לְךָ עֵגֶל בֶּן־בָּקָר לְחַטָּאת וְאַיִל לְעֹלָה תְּמִימִם וְהַקְרֵב לִפְנֵי יְהוָה׃ .2 וְאֶל־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל תְּדַבֵּר לֵאמֹר קְחוּ שְׂעִיר־עִזִּים לְחַטָּאת וְעֵגֶל וָכֶבֶשׂ בְּנֵי־שָׁנָה תְּמִימִם לְעֹלָה׃ .3 וְשֹׁור וָאַיִל לִשְׁלָמִים לִזְבֹּחַ לִפְנֵי יְהוָה וּמִנְחָה בְּלוּלָה בַשָּׁמֶן כִּי הַיֹּום יְהוָה נִרְאָה אֲלֵיכֶם׃ .4 וַיִּקְחוּ אֵת אֲשֶׁר צִוָּה מֹשֶׁה אֶל־פְּנֵי אֹהֶל מֹועֵד וַיִּקְרְבוּ כָּל־הָעֵדָה וַיַּעַמְדוּ לִפְנֵי יְהוָה׃ .5 וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה זֶה הַדָּבָר אֲשֶׁר־צִוָּה יְהוָה תַּעֲשׂוּ וְיֵרָא אֲלֵיכֶם כְּבֹוד יְהוָה׃ .6 וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אֶל־אַהֲרֹן קְרַב אֶל־הַמִּזְבֵּחַ וַעֲשֵׂה אֶת־חַטָּאתְךָ וְאֶת־עֹלָתֶךָ וְכַפֵּר בַּעַדְךָ וּבְעַד הָעָם וַעֲשֵׂה אֶת־קָרְבַּן הָעָם וְכַפֵּר בַּעֲדָם כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה׃ .7 וַיִּקְרַב אַהֲרֹן אֶל־הַמִּזְבֵּחַ וַיִּשְׁחַט אֶת־עֵגֶל הַחַטָּאת אֲשֶׁר־לֹו׃ .8 וַיַּקְרִבוּ בְּנֵי אַהֲרֹן אֶת־הַדָּם אֵלָיו וַיִּטְבֹּל אֶצְבָּעֹו בַּדָּם וַיִּתֵּן עַל־קַרְנֹות הַמִּזְבֵּחַ וְאֶת־הַדָּם יָצַק אֶל־יְסֹוד הַמִּזְבֵּחַ׃ .9 וְאֶת־הַחֵלֶב וְאֶת־הַכְּלָיֹת וְאֶת־הַיֹּתֶרֶת מִן־הַכָּבֵד מִן־הַחַטָּאת הִקְטִיר הַמִּזְבֵּחָה כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֶת־מֹשֶׁה׃ .10 וְאֶת־הַבָּשָׂר וְאֶת־הָעֹור שָׂרַף בָּאֵשׁ מִחוּץ לַמַּחֲנֶה׃ .11 וַיִּשְׁחַט אֶת־הָעֹלָה וַיַּמְצִאוּ בְּנֵי אַהֲרֹן אֵלָיו אֶת־הַדָּם וַיִּזְרְקֵהוּ עַל־הַמִּזְבֵּחַ סָבִיב׃ .12 וְאֶת־הָעֹלָה הִמְצִיאוּ אֵלָיו לִנְתָחֶיהָ וְאֶת־הָרֹאשׁ וַיַּקְטֵר עַל־הַמִּזְבֵּחַ׃ .13 וַיִּרְחַץ אֶת־הַקֶּרֶב וְאֶת־הַכְּרָעָיִם וַיַּקְטֵר עַל־הָעֹלָה הַמִּזְבֵּחָה׃ .14 וַיַּקְרֵב אֵת קָרְבַּן הָעָם וַיִּקַּח אֶת־שְׂעִיר הַחַטָּאת אֲשֶׁר לָעָם וַיִּשְׁחָטֵהוּ וַיְחַטְּאֵהוּ כָּרִאשֹׁון׃ .15 וַיַּקְרֵב אֶת־הָעֹלָה וַיַּעֲשֶׂהָ כַּמִּשְׁפָּט׃ .16 וַיַּקְרֵב אֶת־הַמִּנְחָה וַיְמַלֵּא כַפֹּו מִמֶּנָּה וַיַּקְטֵר עַל־הַמִּזְבֵּחַ מִלְּבַד עֹלַת הַבֹּקֶר׃ .17 וַיִּשְׁחַט אֶת־הַשֹּׁור וְאֶת־הָאַיִל זֶבַח הַשְּׁלָמִים אֲשֶׁר לָעָם וַיַּמְצִאוּ בְּנֵי אַהֲרֹן אֶת־הַדָּם אֵלָיו וַיִּזְרְקֵהוּ עַל־הַמִּזְבֵּחַ סָבִיב׃ .18 וְאֶת־הַחֲלָבִים מִן־הַשֹּׁור וּמִן־הָאַיִל הָאַלְיָה וְהַמְכַסֶּה וְהַכְּלָיֹת וְיֹתֶרֶת הַכָּבֵד׃ .19 וַיָּשִׂימוּ אֶת־הַחֲלָבִים עַל־הֶחָזֹות וַיַּקְטֵר הַחֲלָבִים הַמִּזְבֵּחָה׃ .20 וְאֵת הֶחָזֹות וְאֵת שֹׁוק הַיָּמִין הֵנִיף אַהֲרֹן תְּנוּפָה לִפְנֵי יְהוָה כַּאֲשֶׁר צִוָּה מֹשֶׁה׃ .21 וַיִּשָּׂא אַהֲרֹן אֶת־ [יָדֹו כ] (יָדָיו ק) אֶל־הָעָם וַיְבָרְכֵם וַיֵּרֶד מֵעֲשֹׂת הַחַטָּאת וְהָעֹלָה וְהַשְּׁלָמִים׃ .22 וַיָּבֹא מֹשֶׁה וְאַהֲרֹן אֶל־אֹהֶל מֹועֵד וַיֵּצְאוּ וַיְבָרֲכוּ אֶת־הָעָם וַיֵּרָא כְבֹוד־יְהוָה אֶל־כָּל־הָעָם׃ .23 וַתֵּצֵא אֵשׁ מִלִּפְנֵי יְהוָה וַתֹּאכַל עַל־הַמִּזְבֵּחַ אֶת־הָעֹלָה וְאֶת־הַחֲלָבִים וַיַּרְא כָּל־הָעָם וַיָּרֹנּוּ וַיִּפְּלוּ עַל־פְּנֵיהֶם׃ .24


- Targum Onkelos

א וַהֲוָה, בְּיוֹמָא תְּמִינָאָה, קְרָא מֹשֶׁה, לְאַהֲרוֹן וְלִבְנוֹהִי--וּלְסָבֵי, יִשְׂרָאֵל. ב וַאֲמַר לְאַהֲרוֹן, סַב לָךְ עֵיגַל בַּר תּוֹרֵי לְחַטָּתָא וּדְכַר לַעֲלָתָא--שַׁלְמִין; וְקָרֵיב, קֳדָם יְיָ. ג וְעִם בְּנֵי יִשְׂרָאֵל, תְּמַלֵּיל לְמֵימַר: סַבוּ צְפִיר בַּר עִזִּין לְחַטָּתָא, וְעֵיגַל וְאִמַּר בְּנֵי שְׁנָא שַׁלְמִין לַעֲלָתָא. ד וְתוֹר וּדְכַר לְנִכְסַת קֻדְשַׁיָּא, לְדַבָּחָא קֳדָם יְיָ, וּמִנְחָתָא, דְּפִילָא בִּמְשַׁח: אֲרֵי יוֹמָא דֵּין, יְקָרָא דַּייָ מִתְגְּלֵי לְכוֹן. ה וְקָרִיבוּ, יָת דְּפַקֵּיד מֹשֶׁה, לִקְדָם, מַשְׁכַּן זִמְנָא; וּקְרִיבוּ, כָּל כְּנִשְׁתָּא, וְקָמוּ, קֳדָם יְיָ. ו וַאֲמַר מֹשֶׁה, דֵּין פִּתְגָמָא דְּפַקֵּיד יְיָ תַּעְבְּדוּן--וְיִתְגְּלֵי לְכוֹן, יְקָרָא דַּייָ. ז וַאֲמַר מֹשֶׁה לְאַהֲרוֹן, קְרַב לְמַדְבְּחָא וַעֲבֵיד יָת חַטָּתָךְ וְיָת עֲלָתָךְ, וְכַפַּר עֲלָךְ, וְעַל עַמָּא; וַעֲבֵיד יָת קֻרְבַּן עַמָּא, וְכַפַּר עֲלֵיהוֹן--כְּמָא דְּפַקֵּיד יְיָ. ח וּקְרֵיב אַהֲרוֹן, לְמַדְבְּחָא; וּנְכַס יָת עִגְלָא דְּחַטָּתָא, דִּילֵיהּ. ט וְקָרִיבוּ בְּנֵי אַהֲרוֹן יָת דְּמָא, לֵיהּ, וּטְבַל אֶצְבְּעֵיהּ בִּדְמָא, וִיהַב עַל קַרְנָת מַדְבְּחָא; וְיָת דְּמָא אֲרֵיק, לִיסוֹדָא דְּמַדְבְּחָא. י וְיָת תַּרְבָּא וְיָת כּוֹלְיָתָא וְיָת חַצְרָא מִן כַּבְדָּא, מִן חַטָּתָא--אַסֵּיק, לְמַדְבְּחָא: כְּמָא דְּפַקֵּיד יְיָ, יָת מֹשֶׁה. יא וְיָת בִּסְרָא, וְיָת מַשְׁכָּא, אוֹקֵיד בְּנוּרָא, מִבַּרָא לְמַשְׁרִיתָא. יב וּנְכַס, יָת עֲלָתָא; וְאַמְטִיאוּ בְּנֵי אַהֲרוֹן לֵיהּ, יָת דְּמָא, וְזַרְקֵיהּ עַל מַדְבְּחָא, סְחוֹר סְחוֹר. יג וְיָת עֲלָתָא, אַמְטִיאוּ לֵיהּ לְאֶבְרַהָא--וְיָת רֵישָׁא; וְאַסֵּיק, עַל מַדְבְּחָא. יד וְחַלֵּיל יָת גַּוָּא, וְיָת כְּרָעַיָּא; וְאַסֵּיק עַל עֲלָתָא, לְמַדְבְּחָא. טו וְקָרֵיב, יָת קֻרְבַּן עַמָּא; וּנְסֵיב יָת צְפִירָא דְּחַטָּתָא, דִּלְעַמָּא, וְנַכְסֵיהּ וְכַפַּר בִּדְמֵיהּ, כְּקַדְמָאָה. טז וְקָרֵיב, יָת עֲלָתָא; וְעַבְדַהּ, כְּדַחְזֵי. יז וְקָרֵיב, יָת מִנְחָתָא, וּמְלָא יְדֵיהּ מִנַּהּ, וְאַסֵּיק עַל מַדְבְּחָא--בָּר מֵעֲלַת צַפְרָא. יח וּנְכַס יָת תּוֹרָא וְיָת דִּכְרָא, נִכְסַת קֻדְשַׁיָּא דִּלְעַמָּא; וְאַמְטִיאוּ בְּנֵי אַהֲרוֹן יָת דְּמָא, לֵיהּ, וְזַרְקֵיהּ עַל מַדְבְּחָא, סְחוֹר סְחוֹר. יט וְיָת תַּרְבַּיָּא, מִן תּוֹרָא; וּמִן דִּכְרָא--אַלְיְתָא וְחָפֵי גַּוָּא וְכוֹלְיָתָא, וַחֲצַר כַּבְדָּא. כ וְשַׁוִּיאוּ יָת תַּרְבַּיָּא, עַל חֲדָוָתָא; וְאַסֵּיק תַּרְבַּיָּא, לְמַדְבְּחָא. כא וְיָת חֲדָוָתָא, וְיָת שָׁקָא דְּיַמִּינָא, אֲרֵים אַהֲרוֹן אֲרָמָא, קֳדָם יְיָ--כְּמָא דְּפַקֵּיד מֹשֶׁה. כב וַאֲרֵים אַהֲרוֹן יָת יְדוֹהִי לְעַמָּא, וּבָרֵיכִנּוּן; וּנְחַת, מִלְּמֶעֱבַד חַטָּתָא וַעֲלָתָא--וְנִכְסַת קֻדְשַׁיָּא. כג וְעָאל מֹשֶׁה וְאַהֲרוֹן, לְמַשְׁכַּן זִמְנָא, וּנְפַקוּ, וּבָרִיכוּ יָת עַמָּא; וְאִתְגְּלִי יְקָרָא דַּייָ, לְכָל עַמָּא. כד וּנְפַקַת אִישָׁתָא, מִן קֳדָם יְיָ, וַאֲכַלַת עַל מַדְבְּחָא, יָת עֲלָתָא וְיָת תַּרְבַּיָּא; וַחֲזָא כָּל עַמָּא וְשַׁבַּחוּ, וּנְפַלוּ עַל אַפֵּיהוֹן.


- Griekse tekst - Septuaginta

ΚΑΙ ἐγενήθη τῇ ἡμέρᾳ τῇ ὀγδόῃ, ἐκάλεσε Μωυσῆς ᾿Ααρὼν καὶ τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ καὶ τὴν γερουσίαν ᾿Ισραήλ. 2 καὶ εἶπε Μωυσῆς πρὸς ᾿Ααρών· λάβε σεαυτῷ μοσχάριον ἐκ βοῶν περὶ ἁμαρτίας καὶ κριὸν εἰς ὁλοκαύτωμα, ἄμωμα, καὶ προσένεγκε αὐτὰ ἔναντι Κυρίου· 3 καὶ τῇ γερουσίᾳ ᾿Ισραὴλ λάλησον, λέγων· λάβετε χίμαρον ἐξ αἰγῶν ἕνα περὶ ἁμαρτίας, καὶ μοσχάριον, καὶ ἀμνὸν ἐνιαύσιον εἰς ὁλοκάρπωσιν, ἄμωμα, 4 καὶ μόσχον καὶ κριὸν εἰς θυσίαν σωτηρίου ἔναντι Κυρίου καὶ σεμίδαλιν πεφυραμένην ἐν ἐλαίῳ· ὅτι σήμερον Κύριος ὀφθήσεται ἐν ὑμῖν. 5 καὶ ἔλαβον, καθὸ ἐνετείλατο Μωυσῆς, ἀπέναντι τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου, καὶ προσῆλθε πᾶσα συναγωγὴ καὶ ἔστησαν ἔναντι Κυρίου. 6 καὶ εἶπε Μωυσῆς· τοῦτο τὸ ρῆμα, ὃ εἶπε Κύριος, ποιήσατε, καὶ ὀφθήσεται ἐν ὑμῖν ἡ δόξα Κυρίου. 7 καὶ εἶπε Μωυσῆς τῷ ᾿Ααρών· πρόσελθε πρὸς τὸ θυσιαστήριον καὶ ποίησον τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας σου καὶ τὸ ὁλοκαύτωμά σου καὶ ἐξίλασαι περὶ σεαυτοῦ καὶ τοῦ οἴκου σου· καὶ ποίησον τὰ δῶρα τοῦ λαοῦ καὶ ἐξίλασαι περὶ αὐτῶν, καθάπερ ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ. 8 καὶ προσῆλθεν ᾿Ααρὼν πρὸς τὸ θυσιαστήριον καὶ ἔσφαξε τὸ μοσχάριον τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ. 9 καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ ᾿Ααρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν, καὶ ἔβαψε τὸν δάκτυλον εἰς τὸ αἷμα καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὰ κέρατα τοῦ θυσιαστηρίου καὶ τὸ αἷμα ἐξέχεεν ἐπὶ τὴν βάσιν τοῦ θυσιαστηρίου· 10 καὶ τὸ στέαρ καὶ τοὺς νεφροὺς καὶ τὸν λοβὸν τοῦ ἥπατος τοῦ περὶ τῆς ἁμαρτίας ἀνήνεγκεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον, ὃν τρόπον ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ. 11 καὶ τὰ κρέα καὶ τὴν βύρσαν κατέκαυσεν αὐτὰ πυρί, ἔξω τῆς παρεμβολῆς. 12 καὶ ἔσφαξε τὸ ὁλοκαύτωμα· καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ ᾿Ααρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν. καὶ προσέχεεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον κύκλῳ· 13 καὶ τὸ ὁλοκαύτωμα προσήνεγκαν αὐτὸ κατὰ μέλη, αὐτὰ καὶ τὴν κεφαλὴν ἐπέθηκεν ἐπί τὸ θυσιαστήριον· 14 καὶ ἔπλυνε τὴν κοιλίαν καὶ τοὺς πόδας ὕδατι καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὸ ὁλοκαύτωμα ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον. 15 καὶ προσήνεγκε τὸ δῶρον τοῦ λαοῦ· καὶ ἔλαβε τὸν χίμαρον τὸν περὶ τῆς ἁμαρτίας τοῦ λαοῦ καὶ ἔσφαξεν αὐτόν, καὶ ἐκαθάρισεν αὐτόν, καθὰ καὶ τὸν πρῶτον. 16 καὶ προσήνεγκε τὸ ὁλοκαύτωμα καὶ ἐποίησεν αὐτό, ὡς καθήκει. 17 καὶ προσήνεγκε τὴν θυσίαν, καὶ ἔπλησε τὰς χεῖρας ἀπ᾿ αὐτῆς καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον χωρὶς τοῦ ὁλοκαυτώματος τοῦ πρωϊνοῦ. 18 καὶ ἔσφαξε τὸν μόσχον, καὶ τὸν κριὸν τῆς θυσίας τοῦ σωτηρίου τῆς τοῦ λαοῦ· καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ ᾿Ααρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν, καὶ προσέχεε πρὸς τὸ θυσιαστήριον κύκλῳ· 19 καὶ τὸ στέαρ τὸ ἀπὸ τοῦ μόσχου καὶ τοῦ κριοῦ, τὴν ὀσφὺν καὶ τὸ στέαρ τὸ κατακαλύπτον ἐπὶ τῆς κοιλίας καὶ τοὺς δύο νεφρούς, καὶ τὸ στέαρ τὸ ἐπ᾿ αὐτῶν καὶ τὸν λοβὸν τὸν ἐπὶ τοῦ ἥπατος, 20 καὶ ἐπέθηκε τὰ στέατα ἐπὶ τὰ στηθύνια, καὶ ἀνήνεγκε τὰ στέατα ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον. 21 καὶ τὸ στηθύνιον, καὶ τὸν βραχίονα τὸν δεξιὸν ἀφεῖλεν ᾿Ααρὼν ἀφαίρεμα ἔναντι Κυρίου, ὃν τρόπον συνέταξε Κύριος τῷ Μωυσῇ. 22 καὶ ἐξάρας ᾿Ααρὼν τὰς χεῖρας ἐπὶ τὸν λαόν, εὐλόγησεν αὐτούς· καὶ κατέβη ποιήσας τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας καὶ τὰ ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ τοῦ σωτηρίου. 23 καὶ εἰσῆλθε Μωυσῆς καὶ ᾿Ααρὼν εἰς τὴν σκηνὴν τοῦ μαρτυρίου καὶ ἐξελθόντες εὐλόγησαν πάντα τὸν λαόν, καὶ ὤφθη ἡ δόξα Κυρίου παντὶ τῷ λαῷ. 24 καὶ ἐξῆλθε πῦρ παρὰ Κυρίου καὶ κατέφαγε τὰ ἐπὶ τοῦ θυσιαστηρίου, τά τε ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ στέατα, καὶ εἶδε πᾶς ὁ λαὸς καὶ ἐξέστη καὶ ἔπεσαν ἐπὶ πρόσωπον.


- Vulgata

9. 1 facto autem octavo die vocavit Moses Aaron et filios eius ac maiores natu Israhel dixitque ad Aaron 2 tolle de armento vitulum pro peccato et arietem in holocaustum utrumque inmaculatos et offer illos coram Domino 3 et ad filios Israhel loqueris tollite hircum pro peccato et vitulum atque agnum anniculos et sine macula in holocaustum 4 bovem et arietem pro pacificis et immolate eos coram Domino in sacrificio singulorum similam oleo conspersam offerentes hodie enim Dominus apparebit vobis 5 tulerunt ergo cuncta quae iusserat Moses ad ostium tabernaculi ubi cum omnis staret multitudo 6 ait Moses iste est sermo quem praecepit Dominus facite et apparebit vobis gloria eius 7 dixit et ad Aaron accede ad altare et immola pro peccato tuo offer holocaustum et deprecare pro te et pro populo cumque mactaveris hostiam populi ora pro eo sicut praecepit Dominus 8 statimque Aaron accedens ad altare immolavit vitulum pro peccato suo 9 cuius sanguinem obtulerunt ei filii sui in quo tinguens digitum tetigit cornua altaris et fudit residuum ad basim eius 10 adipemque et renunculos ac reticulum iecoris quae sunt pro peccato adolevit super altare sicut praeceperat Dominus Mosi 11 carnes vero et pellem eius extra castra conbusit igni 12 immolavit et holocausti victimam obtuleruntque ei filii sui sanguinem eius quem fudit per altaris circuitum 13 ipsam etiam hostiam in frusta concisam cum capite et membris singulis obtulerunt quae omnia super altare cremavit igni 14 lotis prius aqua intestinis et pedibus 15 et pro peccato populi offerens mactavit hircum expiatoque altari 16 fecit holocaustum 17 addens in sacrificio libamenta quae pariter offeruntur et adolens ea super altare absque caerimoniis holocausti matutini 18 immolavit et bovem atque arietem hostias pacificas populi obtuleruntque ei filii sui sanguinem quem fudit super altare in circuitu 19 adipes autem bovis et caudam arietis renunculosque cum adipibus suis et reticulum iecoris 20 posuerunt super pectora cumque cremati essent adipes in altari 21 pectora eorum et armos dextros separavit Aaron elevans coram Domino sicut praeceperat Moses 22 et tendens manum contra populum benedixit eis sicque conpletis hostiis pro peccato et holocaustis et pacificis descendit 23 ingressi autem Moses et Aaron tabernaculum testimonii et deinceps egressi benedixerunt populo apparuitque gloria Domini omni multitudini 24 et ecce egressus ignis a Domino devoravit holocaustum et adipes qui erant super altare quod cum vidissent turbae laudaverunt Dominum ruentes in facies suas


- Statenvertaling

1 En het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël; 2 En hij zeide tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht des HEEREN. 3 Daarna spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Neemt een geitenbok ten zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, ten brandoffer; 4 Ook een os en ram ten dankoffer, om voor het aangezicht des HEEREN te offeren; en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de HEERE u verschijnen. 5 Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der samenkomst; en de gehele vergadering naderde, en stond voor het aangezicht des HEEREN. 6 En Mozes zeide: Deze zaak, die de HEERE geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des HEEREN zal u verschijnen. 7 En Mozes zeide tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de HEERE geboden heeft. 8 Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf des zondoffers, dat voor hem was. 9 En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars. 10 Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. 11 Doch het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. 12 Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aäron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar. 13 Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar. 14 En hij wies het ingewand en de schenkelen; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar. 15 Daarna deed hij de offerande des volks toebrengen; en nam den bok des zondoffers, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste. 16 Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht. 17 En hij deed het spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand, en stak het aan op het altaar, behalve het morgenbrandoffer. 18 Daarna slachtte hij den os, en den ram ten dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aäron leverden het bloed aan hem, hetwelk hij rondom op het altaar sprengde; 19 En het vet van den os, en van den ram, den staart, en wat het ingewand bedekt, en de nieren, en het net der lever; 20 En zij leiden het vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar. 21 Maar de borsten en den rechterschouder bewoog Aäron ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Mozes geboden had. 22 Daarna hief Aäron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had. 23 Toen ging Mozes met Aäron in de tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen al het volk. 24 Want een vuur ging uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het ganse volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 9 Offers bij de wijding [1] Op* de achtste dag ontbood Mozes Aäron met zijn zonen en de oudsten van Israël. [2] Hij zei tegen Aäron: 'Haal een kalf voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor de heer. [3] En zeg tegen de Israëlieten: Haal een bok voor een zondeoffer en een kalf en een schaap, beide eenjarig en zonder gebrek, voor een brandoffer, [4] een rund en een ram voor een slachtoffer, en een meeloffer dat met olie aangemaakt is. Want vandaag zal de heer u verschijnen.' [5] De Israëlieten brachten dat alles bij de tent van samenkomst, zoals Mozes bevolen had. Heel de gemeenschap kwam bijeen en stelde zich op voor de heer. [6] Toen zei Mozes: 'Omdat de heerlijkheid* van de heer aan u gaat verschijnen, moet u, naar zijn bevel, het volgende doen.' [7] Tegen Aäron zei hij: 'Ga naar het altaar, draag uw zondeoffer en uw brandoffer op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk op en voltrek de verzoeningsrite voor hen. Zo heeft de heer bevolen.' [8] Aäron ging naar het altaar en slachtte het kalf van het zondeoffer voor zichzelf. [9] De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe. Hij doopte er zijn vinger in en streek het op de hoorns van het altaar. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. [10] Het vet, de nieren en de leverkwab van het offerdier liet hij op het altaar in rook opgaan. Zo had de heer het Mozes bevolen. [11] Het vlees en de huid verbrandde hij buiten het kamp. [12] Daarop slachtte hij het brandoffer. De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe en hij sprenkelde het over het altaar. [13] Ze gaven hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier aan en hij liet ze op het altaar in rook opgaan. [14] De ingewanden en de poten waste hij, en liet ze eveneens op het altaar in rook opgaan. [15] Vervolgens liet hij de offergave van het volk brengen. Hij nam de bok voor het zondeoffer* van het volk, slachtte die en droeg hem als zondeoffer op, evenals het eerste dier. [16] Ook het brandoffer voltrok hij op de voorgeschreven wijze. [17] Hierna droeg hij het meeloffer op en liet daarvan een handvol op het altaar in rook opgaan, naast het brandoffer dat in de ochtend plaatsvindt. [18] Ook slachtte hij de stier en de ram als slachtoffer voor het volk. De zonen van Aäron gaven hem het bloed aan en hij sprenkelde het over het altaar. [19] De stukken vet van de stier en de ram, het vet aan de staart, het nekvet, de nieren en de leverkwab, [20] legde men bij de borststukken en hij liet ze op het altaar in rook opgaan. [21] Staande voor de heer nam Aäron de borststukken en de rechterschenkel als gewijd aandeel van de priesters apart, zoals Mozes bevolen had. [22] Na zo de zondeoffers, brandoffers en slachtoffers te hebben opgedragen, hief Aäron zijn handen op naar het volk en zegende het. Hij kwam van het altaar af [23] en ging met Mozes de tent van de samenkomst binnen. En toen zij weer naar buiten kwamen, zegenden zij het volk. Toen verscheen de heerlijkheid van de heer aan heel het volk. [24] Van de heer ging een vuur uit dat het brandoffer en de stukken vet op het altaar verteerde. Toen het volk dat zag, begon het te juichen en boog diep neer tot op de grond.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 9 Instelling van de offerdienst [1] Op de achtste dag riep Mozes Aäron en zijn zonen bij zich, en ook de oudsten van Israël. [2] Hij zei tegen Aäron: 'Haal een jonge stier voor het reinigingsoffer en een jonge ram voor het brandoffer, dieren zonder enig gebrek, en breng ze naar de ontmoetingstent. [3] Zeg tegen de Israëlieten: "Haal een bok voor het reinigingsoffer, en voor het brandoffer een eenjarige stier en een eenjarige ram zonder enig gebrek. [4] Haal een stier en een ram om ze als vredeoffer aan de HEER aan te bieden, en ook een met olijfolie bereid graanoffer. Want vandaag verschijnt de HEER aan u."' [5] Ze deden wat Mozes bevolen had en brachten de offers naar de ontmoetingstent. Daarna stelde de hele gemeenschap zich voor de HEER op. [6] Mozes zei: 'Dit is wat de HEER u opgedragen heeft om te doen opdat zijn majesteit aan u zal verschijnen.' [7] Tegen Aäron zei Mozes: 'Neem je plaats bij het altaar in en draag het reinigingsoffer en het brandoffer op om voor jezelf en het volk verzoening te bewerken. Draag daarna de offers van het volk op om voor hen verzoening te bewerken, zoals de HEER bevolen heeft.' [8] Aäron ging naar het altaar en slachtte de jonge stier die bestemd was voor zijn eigen reinigingsoffer. [9] Zijn zonen reikten hem het bloed aan. Hij doopte zijn vinger in het bloed en streek het aan de horens van het altaar. De rest van het bloed goot hij aan de voet van het altaar uit. [10] Het vet, de nieren en de kleinste lob van de lever, afkomstig van het reinigingsoffer, verbrandde hij op het altaar, zoals de HEER Mozes had opgedragen. [11] Het vlees en de huid liet hij buiten het kamp verbranden. [12] Daarna slachtte hij de ram voor het brandoffer. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. [13] Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier aan, en hij verbrandde ze op het altaar. [14] Hij waste de ingewanden en de poten en verbrandde die samen met de rest van het offerdier. [15] Daarna liet Aäron de offers van het volk bij zich brengen. Hij slachtte de bok die voor het reinigingsoffer van het volk bestemd was en droeg het op dezelfde wijze op als zijn eigen reinigingsoffer. [16] Hij liet de dieren voor het brandoffer bij zich brengen en offerde ze volgens de voorschriften. [17] Hij liet het graanoffer bij zich brengen en verbrandde er een handvol van op het altaar. Dit offer kwam niet in mindering op het ochtendbrandoffer. [18] Tot slot slachtte hij de stier en de ram die bedoeld waren als vredeoffer van het volk. Zijn zonen reikten hem het bloed aan, en hij goot het tegen de zijkanten van het altaar. [19] De vette delen van de stier en de ram, namelijk de staart en al het vet van de buikholte, de nieren en de kleinste lob van de lever, [20] legden ze bij de borststukken, en Aäron verbrandde het vet op het altaar. [21] Het borststuk en de rechterachterbout van de dieren hief hij ten overstaan van de HEER omhoog, zoals Mozes bevolen had. [22] Daarna strekte hij zijn handen naar het volk uit en zegende het. Nadat Aäron de offers had opgedragen, daalde hij af van het altaar [23] en ging hij samen met Mozes de ontmoetingstent binnen. Toen ze weer buitenkwamen, zegenden ze het volk. Daarop verscheen de majesteit van de HEER aan het verzamelde volk. [24] Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dat zag, begon het te jubelen, en iedereen wierp zich ter aarde.


- De Naardense bijbel

9:1 Het geschiedt op de achtste dag: als Mozes Aäron en zijn zonen en Israëls oudsten bijeengeroepen heeft, Leviticus 9:2 zegt hij tot Aäron: neem een stierkalf, de zoon van een rund, voor een ontzondiging, en een ram voor een opgang,- volmaakte dieren; laat ze naderen tot het aanschijn van de Ene; 9:3 en tot de zonen Israëls zul je spreken en zeggen: neemt een geitensater voor een ontzondiging, een stierkalf en een bok, zonen van een jaar, volmaakte dieren voor een opgangsgave; 9:4 ook een os en een ram voor een vredesgave om te offeren aan het aanschijn van de Ene en een broodgift, geweekt in de olijfolie; want vandáág zal de Ene zich aan u laten zien! 9:5 Ze nemen dat wat Mozes heeft geboden mee naar het aanschijn van de tent van samenkomst; ze naderen, heel de samenkomst, en stellen zich op voor het aanschijn van de Ene. 9:6 Dan zegt Mozes: dít is het woord dat de Ene heeft geboden dat ge zult doen; dan zal zich aan u laten zien: de glorie van de Ene. 9:7 Mozes zegt tot Aäron: nader tot het altaar en maak klaar jouw ontzondigingsgave en jouw 'opgang', en vraag verzoening ten gunste van jouzelf en ten gunste van de gemeente; maak klaar de toenadering van de gemeente en vraag verzoening ten gunste van hen, zoals geboden heeft de Ene! 9:8 Aäron nadert tot het altaar, en keelt het stierkalf voor de ontzondiging dat het zijne is. 9:9 Dan brengen de zonen van Aäron het bloed nabij tot hem; hij doopt zijn vinger in het bloed en geeft het prijs over de horens van het altaar; het overige bloed heeft hij uitgestort tegen de voet van het altaar. 9:10 Het vet, de nieren en de kwab aan de lever van de ontzondigingsgave heeft hij in rook doen opgaan op het altaar; zoals de Ene Mozes heeft geboden. 9:11 Het vlees en de huid heeft hij verbrand in het vuur, buiten de legerplaats. 9:12 Dan keelt hij de opgangsgave; Aärons zónen reiken hem het bloed aan en hij sprenkelt dat rondom over het altaar. 9:13 Ze hebben de opgangsgave aan hem aangereikt in haar verschillende delen, en de kop; dan laat hij haar in rook opgaan op het altaar. 9:14 Hij wast het ingewand en de poten schoon; hij laat die in rook opgaan bij de opgangsgave, op het altaar. 9:15 Dan laat hij naderen de toenadering van de gemeente; hij neemt de sater van de ontzondiging voor de gemeente, keelt hem en vraagt met hem ontzondiging zoals met de eerste. 9:16 Dan laat hij de opgangsgave naderen; hij maakt die klaar overeenkomstig de regel. 9:17 Hij brengt nabij: de broodgift; hij neemt een handpalm vol daaruit en laat dat in rook opgaan op het altaar,- onverminderd de opgangsgave van 's morgens. 9:18 Hij keelt dan de os en de ram van het vredesoffer van de gemeente; Aärons zónen reiken hem het bloed aan en hij sprenkelt het rondom over de offertafel. 9:19 De vetdelen uit de os, en uit de ram, het staartstuk, dat de ingewanden overdekt, de nieren en de kwab aan de lever: 9:20 ze leggen de vetdelen op de borststukken; hij laat de vetdelen in rook opgaan op het altaar. 9:21 Met de borststukken en de rechterschenkel heeft Aäron eerst gewuifd in een wuiven voor het aanschijn van de Ene,- zoals Mozes heeft geboden. 9:22 Dan heft Aäron zijn handen op naar de gemeente en zegent hen; hij komt naar beneden,- na het klaarmaken van de ontzondiging, de opgang en de vredesgaven. 9:23 Mozes gaat met Aäron in tot de tent van samenkomst; als ze naar buiten komen zegenen ze de gemeente; dan laat de glorie van de Ene zich zien aan heel de gemeente. 9:24 Er gaat een vuur uit van voor het aanschijn van de Ene, en dat verteert op het altaar de opgangsgave en de vetdelen; als heel de gemeente dat ziet, juichen ze en vallen ze neer op hun aanschijn.


- Bible de Jérusalem

Lévitique 9 [Commentaire] 1. Au huitième jour Moïse convoqua Aaron, ses fils et les anciens d'Israël ; 2. il dit à Aaron : « Prends un veau pour faire un sacrifice pour le péché et un bélier pour un holocauste, l'un et l'autre sans défaut, et amène-les devant Yahvé. 3. Tu diras ensuite aux Israélites : «Prenez un bouc pour offrir un sacrifice pour le péché, un veau et un agneau d'un an tous deux sans défaut pour un holocauste, 4. un taureau et un bélier pour des sacrifices de communion à immoler devant Yahvé, enfin une oblation pétrie à l'huile. Aujourd'hui en effet Yahvé vous apparaîtra. 5. Ils amenèrent devant la Tente du Rendez-vous ce qu'avait commandé Moïse, puis toute la communauté s'approcha et se tint devant Yahvé. 6. Moïse dit : « Voici ce que Yahvé vous a ordonné de faire pour que sa gloire vous apparaisse. » 7. Moïse alors s'adressa à Aaron : « Approche-toi de l'autel, offre ton sacrifice pour le péché et ton holocauste, et fais ainsi le rite d'expiation pour toi et pour ta maison. Présente alors l'offrande du peuple et fais pour lui le rite d'expiation comme l'a ordonné Yahvé. » 8. Aaron s'approcha de l'autel, immola le veau du sacrifice pour son propre péché. 9. Puis les fils d'Aaron lui présentèrent le sang ; il y trempa le doigt et en déposa sur les cornes de l'autel, puis il versa le sang à la base de l'autel. 10. La graisse du sacrifice pour le péché, les rognons et la masse de graisse qui part du foie, il les fit fumer à l'autel comme Yahvé l'avait ordonné à Moïse ; 11. la chair et la peau, il les brûla hors du camp. 12. Il immola ensuite l'holocauste, dont les fils d'Aaron lui remirent le sang ; il le fit couler sur le pourtour de l'autel. 13. Ils lui remirent aussi la victime dépecée en quartiers, ainsi que la tête, et il les fit fumer à l'autel. 14. Il lava entrailles et pattes et les fit fumer à l'autel en plus de l'holocauste. 15. Il présenta alors l'offrande du peuple : il prit le bouc du sacrifice pour le péché du peuple, il l'immola et en fit un sacrifice pour le péché de la même manière que pour le premier. 16. Il fit alors approcher l'holocauste et procéda selon la règle. 17. Puis, ayant fait approcher l'oblation, il en prit une pleine poignée qu'il fit fumer à l'autel en plus de l'holocauste du matin. 18. Enfin il immola le taureau et le bélier en sacrifice de communion pour le peuple. Les fils d'Aaron lui en remirent le sang et il le fit couler sur le pourtour de l'autel. 19. Les graisses de ce taureau et de ce bélier, la queue, la graisse enveloppante, les rognons, la masse de graisse qui part du foie, 20. il les posa sur les poitrines et les fit fumer à l'autel. 21. Avec les poitrines et la cuisse droite Aaron fit le geste de présentation devant Yahvé, comme Yahvé l'avait ordonné à Moïse. 22. Aaron éleva les mains vers le peuple et le bénit. Ayant ainsi accompli le sacrifice pour le péché, l'holocauste et le sacrifice de communion, il descendit ; 23. avec Moïse il entra dans la Tente du Rendez-vous. Puis ils en sortirent tous deux pour bénir le peuple. La gloire de Yahvé apparut à tout le peuple, 24. une flamme jaillit de devant Yahvé, qui dévora sur l'autel l'holocauste et les graisses. A cette vue le peuple entier poussa des cris de jubilation et tous tombèrent la face contre terre.


- King James Bible

Lev.9 [1] And it came to pass on the eighth day, that Moses called Aaron and his sons, and the elders of Israel; [2] And he said unto Aaron, Take thee a young calf for a sin offering, and a ram for a burnt offering, without blemish, and offer them before the LORD. [3] And unto the children of Israel thou shalt speak, saying, Take ye a kid of the goats for a sin offering; and a calf and a lamb, both of the first year, without blemish, for a burnt offering; [4] Also a bullock and a ram for peace offerings, to sacrifice before the LORD; and a meat offering mingled with oil: for to day the LORD will appear unto you. [5] And they brought that which Moses commanded before the tabernacle of the congregation: and all the congregation drew near and stood before the LORD. [6] And Moses said, This is the thing which the LORD commanded that ye should do: and the glory of the LORD shall appear unto you. [7] And Moses said unto Aaron, Go unto the altar, and offer thy sin offering, and thy burnt offering, and make an atonement for thyself, and for the people: and offer the offering of the people, and make an atonement for them; as the LORD commanded. [8] Aaron therefore went unto the altar, and slew the calf of the sin offering, which was for himself. [9] And the sons of Aaron brought the blood unto him: and he dipped his finger in the blood, and put it upon the horns of the altar, and poured out the blood at the bottom of the altar: [10] But the fat, and the kidneys, and the caul above the liver of the sin offering, he burnt upon the altar; as the LORD commanded Moses. [11] And the flesh and the hide he burnt with fire without the camp. [12] And he slew the burnt offering; and Aaron's sons presented unto him the blood, which he sprinkled round about upon the altar. [13] And they presented the burnt offering unto him, with the pieces thereof, and the head: and he burnt them upon the altar. [14] And he did wash the inwards and the legs, and burnt them upon the burnt offering on the altar. [15] And he brought the people's offering, and took the goat, which was the sin offering for the people, and slew it, and offered it for sin, as the first. [16] And he brought the burnt offering, and offered it according to the manner. [17] And he brought the meat offering, and took an handful thereof, and burnt it upon the altar, beside the burnt sacrifice of the morning. [18] He slew also the bullock and the ram for a sacrifice of peace offerings, which was for the people: and Aaron's sons presented unto him the blood, which he sprinkled upon the altar round about, [19] And the fat of the bullock and of the ram, the rump, and that which covereth the inwards, and the kidneys, and the caul above the liver: [20] And they put the fat upon the breasts, and he burnt the fat upon the altar: [21] And the breasts and the right shoulder Aaron waved for a wave offering before the LORD; as Moses commanded. [22] And Aaron lifted up his hand toward the people, and blessed them, and came down from offering of the sin offering, and the burnt offering, and peace offerings. [23] And Moses and Aaron went into the tabernacle of the congregation, and came out, and blessed the people: and the glory of the LORD appeared unto all the people. [24] And there came a fire out from before the LORD, and consumed upon the altar the burnt offering and the fat: which when all the people saw, they shouted, and fell on their faces.


- Luther Bibel

Das erste Opfer Aarons und seiner Söhne 91Und am achten Tage rief Mose Aaron und seine Söhne und die Ältesten in Israel 2und sprach zu Aaron: Nimm dir einen jungen Stier zum Sündopfer und einen Widder zum Brandopfer, beide ohne Fehler, und bringe sie vor den HERRN. 3Und rede mit den Israeliten und sprich: Nehmt einen Ziegenbock zum Sündopfer und ein Kalb und ein Schaf, beide ein Jahr alt und ohne Fehler, zum Brandopfer 4und einen Stier und einen Widder zum Dankopfer, dass wir sie vor dem HERRN opfern, und ein Speisopfer, mit Öl vermengt. Denn heute wird euch der HERR erscheinen. 5Und sie brachten, was Mose geboten hatte, vor die Tür der Stiftshütte und es trat herzu die ganze Gemeinde und stellte sich auf vor dem HERRN. 6Da sprach Mose: Das ist's, was der HERR geboten hat, dass ihr es tun sollt, auf dass euch des HERRN Herrlichkeit erscheine. 7Und Mose sprach zu Aaron: Tritt zum Altar und bringe dar dein Sündopfer und dein Brandopfer und entsühne dich und dein Haus. Danach bringe dar die Opfergabe des Volks und entsühne es auch, wie der HERR geboten hat. 8Und Aaron trat zum Altar und schlachtete den jungen Stier als sein Sündopfer. 9Und seine Söhne brachten das Blut zu ihm und er tauchte mit seinem Finger ins Blut und tat es auf die Hörner des Altars und goss das Blut an den Fuß des Altars. 10Aber das Fett und die Nieren und den Lappen an der Leber vom Sündopfer ließ er in Rauch aufgehen auf dem Altar, wie der HERR es Mose geboten hatte. 11Und das Fleisch und das Fell verbrannte er mit Feuer draußen vor dem Lager. 12Danach schlachtete er das Brandopfer; und Aarons Söhne brachten das Blut zu ihm und er sprengte es ringsum an den Altar. 13Und sie brachten das Brandopfer zu ihm, Stück um Stück, und den Kopf und er ließ es in Rauch aufgehen auf dem Altar. 14Und er wusch die Eingeweide und die Schenkel und ließ sie in Rauch aufgehen oben auf dem Brandopfer auf dem Altar. 15Danach brachte er herzu die Opfergabe des Volks und nahm den Bock, das Sündopfer des Volks, und schlachtete ihn und machte ein Sündopfer daraus wie das vorige. 16Und brachte das Brandopfer herzu und tat damit der Ordnung gemäß. 17Und brachte herzu das Speisopfer und nahm eine Hand voll und ließ es in Rauch aufgehen auf dem Altar, außer dem Brandopfer am Morgen. 18Danach schlachtete er den Stier und den Widder als Dankopfer des Volks. Und seine Söhne brachten ihm das Blut; das sprengte er ringsum an den Altar. 19Aber das Fett vom Stier und vom Widder, den Fettschwanz und das Fett am Eingeweide und die Nieren und den Lappen an der Leber, 20all dieses Fett legten sie auf die Brust und er ließ das Fett auf dem Altar in Rauch aufgehen. 21Aber die Brust und die rechte Keule schwang Aaron als Schwingopfer vor dem HERRN, wie der HERR es Mose geboten hatte. 22Und Aaron hob seine Hände auf zum Volk und segnete sie und stieg herab, nachdem er das Sündopfer, Brandopfer und Dankopfer dargebracht hatte. 23Und Mose und Aaron gingen in die Stiftshütte. Und als sie wieder herauskamen, segneten sie das Volk. Da erschien die Herrlichkeit des HERRN allem Volk. 24Und ein Feuer ging aus von dem HERRN und verzehrte das Brandopfer und das Fett auf dem Altar. Da alles Volk das sah, frohlockten sie und fielen auf ihr Antlitz.


- Arabisch

وفي اليوم الثامن دعا موسى هرون وبنيه وشيوخ اسرائيل .1 وقال لهرون خذ لك عجلا ابن بقر لذبيحة خطية وكبشا لمحرقة صحيحين وقدّمهما امام الرب. .2 وكلم بني اسرائيل قائلا خذوا تيسا من المعز لذبيحة خطية وعجلا وخروفا حوليّين صحيحين لمحرقة .3 وثورا وكبشا لذبيحة سلامة للذبح امام الرب وتقدمة ملتوتة بزيت. لان الرب اليوم يتراءى لكم. .4 فاخذوا ما امر به موسى الى قدام خيمة الاجتماع وتقدم كل الجماعة ووقفوا امام الرب. .5 فقال موسى هذا ما امر به الرب. تعملونه فيتراءى لكم مجد الرب. .6 ثم قال موسى لهرون تقدم الى المذبح واعمل ذبيحة خطيتك ومحرقتك وكفّر عن نفسك وعن الشعب واعمل قربان الشعب وكفّر عنهم كما امر الرب. .7 فتقدم هرون الى المذبح وذبح عجل الخطية الذي له. .8 وقدّم بنو هرون اليه الدم فغمس اصبعه في الدم وجعل على قرون المذبح ثم صبّ الدم الى اسفل المذبح. .9 والشحم والكليتين وزيادة الكبد من ذبيحة الخطية اوقدها على المذبح كما امر الرب موسى. .10 واما اللحم والجلد فاحرقهما بنار خارج المحلّة .11 ثم ذبح المحرقة فناوله بنو هرون الدم فرشّه على المذبح مستديرا. .12 ثم ناولوه المحرقة بقطعها والراس. فاوقدها على المذبح. .13 وغسل الاحشاء والاكارع واوقدها فوق المحرقة على المذبح. .14 ثم قدم قربان الشعب واخذ تيس الخطية الذي للشعب وذبحه وعمله للخطية كالاول. .15 ثم قدم المحرقة وعملها كالعادة. .16 ثم قدم التقدمة وملأ كفّه منها واوقدها على المذبح عدا محرقة الصباح. .17 ثم ذبح الثور والكبش ذبيحة السلامة التي للشعب وناوله بنو هرون الدم فرشّه على المذبح مستديرا. .18 والشحم من الثور ومن الكبش الألية وما يغشّي والكليتين وزيادة الكبد. .19 ووضعوا الشحم على الصدرين فاوقد الشحم على المذبح. .20 واما الصدران والساق اليمنى فرددها هرون ترديدا امام الرب كما امر موسى .21 ثم رفع هرون يده نحو الشعب وباركهم وانحدر من عمل ذبيحة الخطية والمحرقة وذبيحة السلامة. .22 ودخل موسى وهرون الى خيمة الاجتماع ثم خرجا وباركا الشعب. فتراءى مجد الرب لكل الشعب .23 وخرجت نار من عند الرب واحرقت على المذبح المحرقة والشحم. فرأى جميع الشعب وهتفوا وسقطوا على وجوههم .24


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar