NUMERI 21 , Nu 21 -- Nu 21 -- Nu 21,1-3 -
BIJBEL: Taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.


Overzicht van het boek Numeri : Nu 1 - Nu 2 - Nu 3 - Nu 4 - Nu 5 - Nu 6 - Nu 7 - Nu 8 - Nu 9 - Nu 10 - Nu 11 - Nu 12 - Nu 13 - Nu 14 - Nu 15 - Nu 16 - Nu 17 - Nu 18 - Nu 19 - Nu 20 - Nu 21 - Nu 22 - Nu 23 - Nu 24 - Nu 25 - Nu 26 - Nu 27 - Nu 28 - Nu 29 - Nu 30 - Nu 31 - Nu 32 - Nu 33 - Nu 34 - Nu 35 - Nu 36 -
Tekstuitleg per perikope
:
Tekstuitleg vers per vers : - Nu 21,1 - Nu 21,2 - Nu 21,3 - Nu 21,4 - Nu 21,5 - Nu 21,6 - Nu 21,7 - Nu 21,8 - Nu 21,9 - Nu 21,10 - Nu 21,11 - Nu 21,12 - Nu 21,13 - Nu 21,14 - Nu 21,15 - Nu 21,16 - Nu 21,17 - Nu 21,18 - Nu 21,19 - Nu 21,20 - Nu 21,21 - Nu 21,22 - Nu 21,23 - Nu 21,24 - Nu 21,25 - Nu 21,26 - Nu 21,27 - Nu 21,28 - Nu 21,29 - Nu 21,30 - Nu 21,31 - Nu 21,32 - Nu 21,33 - Nu 21,34 - Nu 21,35 -


Nu 21,1-3 . Strijd met de koning van Arad - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Nu (Numeri) -- Nu 21 -- Nu 21,1-3 -- Nu 21,1 - Nu 21,2 - Nu 21,3 -

Nu 21,1 - Nu 21,1 : Strijd met de koning van Arad - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Nu (Numeri) -- Nu 21 -- Nu 21,1-3 -- Nu 21,1 - Nu 21,2 - Nu 21,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [1] De Kanaänieten in de Negeb, met name de koning van Arad, hoorden dat de Israëlieten langs de weg naar Atarim oprukten. Zij vielen hen aan en namen enigen van hen gevangen.  [1] De Kanaänitische koning van Arad in de Negev vernam dat de Israëlieten in aantocht waren en dat ze via Atarim kwamen. Hij viel hen aan en maakte een aantal van hen krijgsgevangen.      

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Nu 21,2 - Nu 21,2 : Strijd met de koning van Arad - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Nu (Numeri) -- Nu 21 -- Nu 21,1-3 -- Nu 21,1 - Nu 21,2 - Nu 21,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [2] Toen deed Israël de heer deze belofte: ‘Als U ons dit volk uitlevert, wijden wij hun steden aan de vernietiging.*’  [2] Toen deden de Israëlieten de HEER deze gelofte: ‘Als u dit volk aan ons uitlevert, zullen wij hun steden volledig vernietigen.’      

Nu 21,3 - Nu 21,3 : Strijd met de koning van Arad - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Nu (Numeri) -- Nu 21 -- Nu 21,1-3 -- Nu 21,1 - Nu 21,2 - Nu 21,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
        [3] De heer verhoorde het gebed van Israël en leverde de Kanaänieten aan hen uit. Israël wijdde hen en hun steden aan de vernietiging. Men noemde die plaats Chorma.  [3] De HEER kwam Israël te hulp, hij leverde de Kanaänieten aan hen uit. De Israëlieten doodden hen allen en vernietigden hun steden. Die plaats kreeg de naam Chorma.*     

King James Bible . And the LORD hearkened to the voice of Israel, and delivered up the Canaanites; and they utterly destroyed them and their cities: and he called the name of the place Hormah.

Tekstuitleg van Nu 21,3 . Dit vers Nu 21,3 telt 15 (3 X 5) woorden en 63 (7 X 9) tellers . De getalwaarde van Nu 21,3 is 4746 (2 X 3 X 7 X 113) .

12. - 14. wajjiqërâ´ (èth) sjem hammaqôm (en hij noemde de naam van de plaats) . Verwijzing : qârâ´ (roepen, heten) , zie Joz 5,9 . In zeven verzen in de bijbel : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Ex 17,7 . (4) Nu 11,3 . (5) Nu 11,34 (´èth) . (6) Nu 21,3 . 7. Joz 5,9 .

Nu 21,4 - Nu 21,4 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,5 - Nu 21,5 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,6 - Nu 21,6 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,7 - Nu 21,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,8 - Nu 21,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,9 - Nu 21,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,10 - Nu 21,10 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

 

Nu 21,11 - Nu 21,11 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,12 - Nu 21,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,13 - Nu 21,13 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,14 - Nu 21,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,15 - Nu 21,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Nu 21,16 - Nu 21,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Nu 21,17 - Nu 21,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

יז  אָז יָשִׁיר יִשְׂרָאֵל, אֶת-הַשִּׁירָה הַזֹּאת:  עֲלִי בְאֵר, עֱנוּ-לָהּ.

Tekstuitleg van Nu 21,17. Vers Nu 21,17 telt 10 woorden. 6 + 4. Van de eerste reeks van 6 woorden staan er vijf sisklanken op de tweede plaats in het woord: z, sh, sj.

Nu 21,17.1. אָז (= ´âz: dan). Taalgebruik in Tenakh: ´âz (dan). Getalswaarde: aleph = 1, zajin = 7; totaal: 8. Structuur: 1 - 7. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (113). Pentateuch (14).
- Grieks: τοτε (= tote: dan; bw van tijd; < to-de: dat echter; dan, daarop). Taalgebruik in het NT: tote (dan). Taalgebruik in de LXX: tote (dan).

τοτε (= tote: dan; < to - de: dat echter; dan, daarop).   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev. 
τοτε 353 195 158 89 6 15 10 21 17 110  120 
τοτ'                        

- Latijn: tunc (dan). Bijbel (368). NT (154).
- Ned: dan . D: dann. E: then. Fr: alors.

Nu 21,17.2. יָשִׁיר (= jâsjir: hij zong; wkw act ind qal imperf / jiqtol 3de pers enk van het wkw שִׁיר = sjîr: zingen). Taalgebruik in Tenakh: sjîr (zingen). Getalswaarde: sjin = 21 of 300, jod = 10, resj = 20 of 200; totaal: 510 (3 X 10 X 17). Structuur: 3 - 1 - 2. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (2): (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17.
- LXX: ησeν (= èsen: hij zong; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αδω = adô: zingen). LXX (4): (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Re 5,1. (4) Ps 7,1,

Nu 21,17.1. - 2. אָז יָשִׁיר (= âz jâsjir: daarop zong hij). Tenakh (2): (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17.

Nu 21,17.4. אֶת ('èth: om de accusatief aan te duiden). Getalswaarde: aleph = 1, thaw = 22 of 400; totaal: 23 OF 401 (priemgetal). Structuur: 1 - 4. De som van de elementen is telkens 5. Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Tenakh (5699). Pentateuch (2002). Eerdere Profeten (1661). Latere Profeten (860). 12 Kleine Profeten (207). Geschriften (967).

Nu 21,17.5. הַשִּׁירָה (hasjsjîrâh: de zang, het gezang, het lied; bep lidw ה = ha: de, het + zn vr enk שִּׁירָה = sjîrâh: zang, gezang, lied). Tenakh (10): (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (2X) (5) Dt 31,21. (6) Dt 31,22. (7) Dt 31,24. (8) Dt 32,44. (9) 2 S 22,1. (10). Ps 18,1.

Nu 21,17.4. - 5. אֶת הַשִּׁירָה (= 'èth hasjsjîrâh: de zang, het gezang, het lied). Tenakh (4). (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (4) Dt 31,22.

Nu 21,17.4 - 6. אֶת הַשִּׁירָה הַזֹּאת ('èth hasjsjîrâh hazoth: deze zang, dit gezang, het lied). Tenakh (4). (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17. (3) Dt 31,19. (4) Dt 31,22.

Nu 21,17.1. - 2. 4. - 6. אָז יָשִׁיר (= âz jâsjir: daarop zong hij). אֶת הַשִּׁירָה הַזֹּאת ('èth hasjsjîrâh hazoth: deze zang, dit gezang, het lied). Tenakh (2): (1) Ex 15,1. (2) Nu 21,17.


Nu 21,18 - Nu 21,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (38) . Pentateuch (22) . Gn (16) . In één vers in Gn 16 : Gn 16,14 . In vier verzen in Gn 21 : (1) Gn 21,14 . (2) Gn 21,19 . (3) Gn 21,25 . (4) Gn 21,31 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 . Nu (4) : (1) Nu 20,17 . (2) Nu 21,17 . (3) Nu 21,18 . (4) Nu 21,22 . Dt (2) : (1) Dt 1,5 . (2) Dt 27,8 .
- הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (8) : (1) Gn 21,30 . (2) Gn 24,20 . (3) Gn 26,20 . (4) Gn 26,32 . (5) Gn 29,2 . (6) Gn 29,3 . (7) Gn 29,8 . (8) Gn 29,10 .
- φρεαρ = frear (put) . Bijbel (32) . Gn (18) : (1) Gn 16,14 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,19 . (4) Gn 21,30 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,19 . (7) Gn 24,11 . (8) Gn 24,20 . (9) Gn 24,62 . (10) Gn 25,11 . (11) Gn 26,19 . (12) Gn 26,21 . (13) Gn 26,22 . (14) Gn 26,23 . (15) Gn 26,25 . (16) Gn 26,33 . (17) Gn 29,2 . (18) Gn 46,1 . Nu (2) : (1) Nu 21,16 . (2) Nu 21,18 .


Nu 21,19 - Nu 21,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Nu 21,20 - Nu 21,20 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


Nu 21,21 - Nu 21,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,22 - Nu 21,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

 

Nu 21,23 - Nu 21,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,24 - Nu 21,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,25 - Nu 21,25 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

 

Nu 21,26 - Nu 21,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,27 - Nu 21,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,28 - Nu 21,28 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,29 - Nu 21,29 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,30 - Nu 21,30 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,31 - Nu 21,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,32 - Nu 21,32 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,33 - Nu 21,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,34 - Nu 21,34 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

Nu 21,35 - Nu 21,35 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


MT

Numbers Chapter 21 בְּמִדְבַּר

א  וַיִּשְׁמַע הַכְּנַעֲנִי מֶלֶךְ-עֲרָד, יֹשֵׁב הַנֶּגֶב, כִּי בָּא יִשְׂרָאֵל, דֶּרֶךְ הָאֲתָרִים; וַיִּלָּחֶם, בְּיִשְׂרָאֵל, וַיִּשְׁבְּ מִמֶּנּוּ, שֶׁבִי. 1 And the Canaanite, the king of Arad, who dwelt in the South, heard tell that Israel came by the way of Atharim; and he fought against Israel, and took some of them captive.
ב  וַיִּדַּר יִשְׂרָאֵל נֶדֶר לַיהוָה, וַיֹּאמַר:  אִם-נָתֹן תִּתֵּן אֶת-הָעָם הַזֶּה, בְּיָדִי--וְהַחֲרַמְתִּי, אֶת-עָרֵיהֶם. 2 And Israel vowed a vow unto the LORD, and said: 'If Thou wilt indeed deliver this people into my hand, then I will utterly destroy their cities.'
ג  וַיִּשְׁמַע יְהוָה בְּקוֹל יִשְׂרָאֵל, וַיִּתֵּן אֶת-הַכְּנַעֲנִי, וַיַּחֲרֵם אֶתְהֶם, וְאֶת-עָרֵיהֶם; וַיִּקְרָא שֵׁם-הַמָּקוֹם, חָרְמָה.  {פ} 3 And the LORD hearkened to the voice of Israel, and delivered up the Canaanites; and they utterly destroyed them and their cities; and the name of the place was called Hormah. {P}
ד  וַיִּסְעוּ מֵהֹר הָהָר, דֶּרֶךְ יַם-סוּף, לִסְבֹב, אֶת-אֶרֶץ אֱדוֹם; וַתִּקְצַר נֶפֶשׁ-הָעָם, בַּדָּרֶךְ. 4 And they journeyed from mount Hor by the way to the Red Sea, to compass the land of Edom; and the soul of the people became impatient because of the way.
ה  וַיְדַבֵּר הָעָם, בֵּאלֹהִים וּבְמֹשֶׁה, לָמָה הֶעֱלִיתֻנוּ מִמִּצְרַיִם, לָמוּת בַּמִּדְבָּר:  כִּי אֵין לֶחֶם, וְאֵין מַיִם, וְנַפְשֵׁנוּ קָצָה, בַּלֶּחֶם הַקְּלֹקֵל. 5 And the people spoke against God, and against Moses: 'Wherefore have ye brought us up out of Egypt to die in the wilderness? for there is no bread, and there is no water; and our soul loatheth this light bread.'
ו  וַיְשַׁלַּח יְהוָה בָּעָם, אֵת הַנְּחָשִׁים הַשְּׂרָפִים, וַיְנַשְּׁכוּ, אֶת-הָעָם; וַיָּמָת עַם-רָב, מִיִּשְׂרָאֵל. 6 And the LORD sent fiery serpents among the people, and they bit the people; and much people of Israel died.
ז  וַיָּבֹא הָעָם אֶל-מֹשֶׁה וַיֹּאמְרוּ חָטָאנוּ, כִּי-דִבַּרְנוּ בַיהוָה וָבָךְ--הִתְפַּלֵּל אֶל-יְהוָה, וְיָסֵר מֵעָלֵינוּ אֶת-הַנָּחָשׁ; וַיִּתְפַּלֵּל מֹשֶׁה, בְּעַד הָעָם. 7 And the people came to Moses, and said: 'We have sinned, because we have spoken against the LORD, and against thee; pray unto the LORD, that He take away the serpents from us.' And Moses prayed for the people.
ח  וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה, עֲשֵׂה לְךָ שָׂרָף, וְשִׂים אֹתוֹ, עַל-נֵס; וְהָיָה, כָּל-הַנָּשׁוּךְ, וְרָאָה אֹתוֹ, וָחָי. 8 And the LORD said unto Moses: 'Make thee a fiery serpent, and set it upon a pole; and it shall come to pass, that every one that is bitten, when he seeth it, shall live.'
ט  וַיַּעַשׂ מֹשֶׁה נְחַשׁ נְחֹשֶׁת, וַיְשִׂמֵהוּ עַל-הַנֵּס; וְהָיָה, אִם-נָשַׁךְ הַנָּחָשׁ אֶת-אִישׁ--וְהִבִּיט אֶל-נְחַשׁ הַנְּחֹשֶׁת, וָחָי. 9 And Moses made a serpent of brass, and set it upon the pole; and it came to pass, that if a serpent had bitten any man, when he looked unto the serpent of brass, he lived.
י  וַיִּסְעוּ, בְּנֵי יִשְׂרָאֵל; וַיַּחֲנוּ, בְּאֹבֹת. 10 And the children of Israel journeyed, and pitched in Oboth.
יא  וַיִּסְעוּ, מֵאֹבֹת; וַיַּחֲנוּ בְּעִיֵּי הָעֲבָרִים, בַּמִּדְבָּר אֲשֶׁר עַל-פְּנֵי מוֹאָב, מִמִּזְרַח, הַשָּׁמֶשׁ. 11 And they journeyed from Oboth, and pitched at Ije-abarim, in the wilderness which is in front of Moab, toward the sun-rising.
יב  מִשָּׁם, נָסָעוּ; וַיַּחֲנוּ, בְּנַחַל זָרֶד. 12 From thence they journeyed, and pitched in the valley of Zered.
יג  מִשָּׁם, נָסָעוּ, וַיַּחֲנוּ מֵעֵבֶר אַרְנוֹן אֲשֶׁר בַּמִּדְבָּר, הַיֹּצֵא מִגְּבֻל הָאֱמֹרִי:  כִּי אַרְנוֹן גְּבוּל מוֹאָב, בֵּין מוֹאָב וּבֵין הָאֱמֹרִי. 13 From thence they journeyed, and pitched on the other side of the Arnon, which is in the wilderness, that cometh out of the border of the Amorites.--For Arnon is the border of Moab, between Moab and the Amorites;
יד  עַל-כֵּן, יֵאָמַר, בְּסֵפֶר, מִלְחֲמֹת יְהוָה:  אֶת-וָהֵב בְּסוּפָה, וְאֶת-הַנְּחָלִים אַרְנוֹן. 14 wherefore it is said in the book of the Wars of the LORD: Vaheb in Suphah, and the valleys of Arnon,
טו  וְאֶשֶׁד, הַנְּחָלִים, אֲשֶׁר נָטָה, לְשֶׁבֶת עָר; וְנִשְׁעַן, לִגְבוּל מוֹאָב. 15 And the slope of the valleys that inclineth toward the seat of Ar, and leaneth upon the border of Moab.--
טז  וּמִשָּׁם, בְּאֵרָה:  הִוא הַבְּאֵר, אֲשֶׁר אָמַר יְהוָה לְמֹשֶׁה, אֱסֹף אֶת-הָעָם, וְאֶתְּנָה לָהֶם מָיִם.  {ס} 16 And from thence to Beer; that is the well whereof the LORD said unto Moses: 'Gather the people together, and I will give them water.' {S}
יז  אָז יָשִׁיר יִשְׂרָאֵל, אֶת-הַשִּׁירָה הַזֹּאת:  עֲלִי בְאֵר, עֱנוּ-לָהּ. 17 Then sang Israel this song: Spring up, O well--sing ye unto it--
יח  בְּאֵר חֲפָרוּהָ שָׂרִים, כָּרוּהָ נְדִיבֵי הָעָם, בִּמְחֹקֵק, בְּמִשְׁעֲנֹתָם; וּמִמִּדְבָּר, מַתָּנָה. 18 The well, which the princes digged, which the nobles of the people delved, with the sceptre, and with their staves. And from the wilderness to Mattanah;
יט  וּמִמַּתָּנָה, נַחֲלִיאֵל; וּמִנַּחֲלִיאֵל, בָּמוֹת. 19 and from Mattanah to Nahaliel; and from Nahaliel to Bamoth;
כ  וּמִבָּמוֹת, הַגַּיְא אֲשֶׁר בִּשְׂדֵה מוֹאָב--רֹאשׁ, הַפִּסְגָּה; וְנִשְׁקָפָה, עַל-פְּנֵי הַיְשִׁימֹן.  {פ} 20 and from Bamoth to the valley that is in the field of Moab, by the top of Pisgah, which looketh down upon the desert. {P}
כא  וַיִּשְׁלַח יִשְׂרָאֵל מַלְאָכִים, אֶל-סִיחֹן מֶלֶךְ-הָאֱמֹרִי לֵאמֹר. 21 And Israel sent messengers unto Sihon king of the Amorites, saying:
כב  אֶעְבְּרָה בְאַרְצֶךָ, לֹא נִטֶּה בְּשָׂדֶה וּבְכֶרֶם--לֹא נִשְׁתֶּה, מֵי בְאֵר:  בְּדֶרֶךְ הַמֶּלֶךְ נֵלֵךְ, עַד אֲשֶׁר-נַעֲבֹר גְּבֻלֶךָ. 22 'Let me pass through thy land; we will not turn aside into field, or into vineyard; we will not drink of the water of the wells; we will go by the king's highway, until we have passed thy border.'
כג  וְלֹא-נָתַן סִיחֹן אֶת-יִשְׂרָאֵל, עֲבֹר בִּגְבֻלוֹ, וַיֶּאֱסֹף סִיחֹן אֶת-כָּל-עַמּוֹ וַיֵּצֵא לִקְרַאת יִשְׂרָאֵל הַמִּדְבָּרָה, וַיָּבֹא יָהְצָה; וַיִּלָּחֶם, בְּיִשְׂרָאֵל. 23 And Sihon would not suffer Israel to pass through his border; but Sihon gathered all his people together, and went out against Israel into the wilderness, and came to Jahaz; and he fought against Israel.
כד  וַיַּכֵּהוּ יִשְׂרָאֵל, לְפִי-חָרֶב; וַיִּירַשׁ אֶת-אַרְצוֹ מֵאַרְנֹן, עַד-יַבֹּק עַד-בְּנֵי עַמּוֹן--כִּי עַז, גְּבוּל בְּנֵי עַמּוֹן. 24 And Israel smote him with the edge of the sword, and possessed his land from the Arnon unto the Jabbok, even unto the children of Ammon; for the border of the children of Ammon was strong.
כה  וַיִּקַּח, יִשְׂרָאֵל, אֵת כָּל-הֶעָרִים, הָאֵלֶּה; וַיֵּשֶׁב יִשְׂרָאֵל בְּכָל-עָרֵי הָאֱמֹרִי, בְּחֶשְׁבּוֹן וּבְכָל-בְּנֹתֶיהָ. 25 And Israel took all these cities; and Israel dwelt in all the cities of the Amorites, in Heshbon, and in all the towns thereof.
כו  כִּי חֶשְׁבּוֹן--עִיר סִיחֹן מֶלֶךְ הָאֱמֹרִי, הִוא; וְהוּא נִלְחַם, בְּמֶלֶךְ מוֹאָב הָרִאשׁוֹן, וַיִּקַּח אֶת-כָּל-אַרְצוֹ מִיָּדוֹ, עַד-אַרְנֹן. 26 For Heshbon was the city of Sihon the king of the Amorites, who had fought against the former king of Moab, and taken all his land out of his hand, even unto the Arnon.
כז  עַל-כֵּן יֹאמְרוּ הַמֹּשְׁלִים, בֹּאוּ חֶשְׁבּוֹן; תִּבָּנֶה וְתִכּוֹנֵן, עִיר סִיחוֹן. 27 Wherefore they that speak in parables say: Come ye to Heshbon! let the city of Sihon be built and established!
כח  כִּי-אֵשׁ יָצְאָה מֵחֶשְׁבּוֹן, לֶהָבָה מִקִּרְיַת סִיחֹן:  אָכְלָה עָר מוֹאָב, בַּעֲלֵי בָּמוֹת אַרְנֹן. 28 For a fire is gone out of Heshbon, a flame from the city of Sihon; it hath devoured Ar of Moab, the lords of the high places of Arnon.
כט  אוֹי-לְךָ מוֹאָב, אָבַדְתָּ עַם-כְּמוֹשׁ; נָתַן בָּנָיו פְּלֵיטִם וּבְנֹתָיו בַּשְּׁבִית, לְמֶלֶךְ אֱמֹרִי סִיחוֹן. 29 Woe to thee, Moab! thou art undone, O people of Chemosh; he hath given his sons as fugitives, and his daughters into captivity, unto Sihon king of the Amorites.
ל  וַנִּירָם אָבַד חֶשְׁבּוֹן, עַד-דִּיבֹן; וַנַּשִּׁים עַד-נֹפַח, אֲשֶׁר עַד-מֵידְבָא. 30 We have shot at them--Heshbon is perished--even unto Dibon, and we have laid waste even unto Nophah, which reacheth unto Medeba.
לא  וַיֵּשֶׁב, יִשְׂרָאֵל, בְּאֶרֶץ, הָאֱמֹרִי. 31 Thus Israel dwelt in the land of the Amorites.
לב  וַיִּשְׁלַח מֹשֶׁה לְרַגֵּל אֶת-יַעְזֵר, וַיִּלְכְּדוּ בְּנֹתֶיהָ; ויירש (וַיּוֹרֶשׁ), אֶת-הָאֱמֹרִי אֲשֶׁר-שָׁם. 32 And Moses sent to spy out Jazer, and they took the towns thereof, and drove out the Amorites that were there.
לג  וַיִּפְנוּ, וַיַּעֲלוּ, דֶּרֶךְ, הַבָּשָׁן; וַיֵּצֵא עוֹג מֶלֶךְ-הַבָּשָׁן לִקְרָאתָם הוּא וְכָל-עַמּוֹ, לַמִּלְחָמָה--אֶדְרֶעִי. 33 And they turned and went up by the way of Bashan; and Og the king of Bashan went out against them, he and all his people, to battle at Edrei.
לד  וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה, אַל-תִּירָא אֹתוֹ--כִּי בְיָדְךָ נָתַתִּי אֹתוֹ וְאֶת-כָּל-עַמּוֹ, וְאֶת-אַרְצוֹ; וְעָשִׂיתָ לּוֹ--כַּאֲשֶׁר עָשִׂיתָ לְסִיחֹן מֶלֶךְ הָאֱמֹרִי, אֲשֶׁר יוֹשֵׁב בְּחֶשְׁבּוֹן. 34 And the LORD said unto Moses: 'Fear him not; for I have delivered him into thy hand, and all his people, and his land; and thou shalt do to him as thou didst unto Sihon king of the Amorites, who dwelt at Heshbon.'
לה  וַיַּכּוּ אֹתוֹ וְאֶת-בָּנָיו וְאֶת-כָּל-עַמּוֹ, עַד-בִּלְתִּי הִשְׁאִיר-לוֹ שָׂרִיד; וַיִּירְשׁוּ, אֶת-אַרְצוֹ. 35 So they smote him, and his sons, and all his people, until there was none left him remaining; and they possessed his land.