PROTO-EVANGELIE VAN JACOBUS


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenaam : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . BIJ DE HAND .
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z

HOOFDTHEMA'S : Levensbeschouwingen : bahá'í , boeddhisme , christendom , hindoeïsme , islam , jodendom , sikhisme , Voor U gelezen , vrijzinnigheid .
- bijbel , bijbel en koran , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , koran , liturgie : ABC-jaar . Proto-evangelie van Jakobus .
- Maatschappij : armoede , vluchtelingen en asielzoekers ,
- Spiritualiteit :   bezinningsteksten , bijbelwoord voor iedere dag , spiritualiteit ,
- Talen : Arabisch , Aramees , bijbelverwijzingen , Duits , Frans , Grieks , Hebreeuws , Latijn , Nederlands ,
- Andere : getallen ,

HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen


On connaît peu ou point la littérature mariale dont le Proto-Evangile de Saint Jacques est un élément essentiel. Disons en passant que ce Proto-Evangile fut édité en entier en 1924, actuellement, il est presque introuvable. Voici le référence: EVANGILES APOCRYPHES, tome I.Textes et Documents pour l'Etude Historique du Christianisme, publiés sous la direction de Hippolyte Hemmer et Paul Lejay. Auguste Picard, Editeur, Paris, 82 rue Bonaparte. Les éditions nouvelles sont incomplètes, malheureusement, et ne publient que des passages, cependant que l'édition que nous avons indiquée présente les textes grecs et franqais. Webpagina : http://www.myriobiblos.gr/texts/french/kovalevsky_theotokos14.html .

- Wikipedia : http://nl.wikipedia.org/wiki/Protevangelie_van_Jacobus .

33. É. DE STRYCKER. La forme la plus ancienne du Protévangile de Jacques. Recherches sur la papyrus Bodmer 5. Appendice: les versions arméniennes traduites en latin par H. QUECKE.


PROTEVANGELIUM OF JAMES :    Greek text is from C. von Tischendorf, Evangelia Apocrypha (2nd ed.; Leipzig: Mendelssohn, 1876), 1–50
ΓΕΝΝΗΣΙΣ ΜΑΡΙΑΣ ΤΗΣ ΑΓΙΑΣ ΘΕΟΤΟΚΟΥ ΚΑΙ ΥΠΕΡΕΝΔΟΞΟΥ ΜΗΤΡΟΣ ΙΗΣΟΥ ΧΡΙΣΤΟΥ

I

1 Ἐν ταῖς ἱστορίαις (story) τῶν δώδεκα φυλῶν τοῦ Ἰσραὴλ ἦν Ἰωακείμ, πλούσιος σφόδρα, καὶ προσέφερε (act. ind. imperf. 3de pers. enk. van het werkwoord prosferô = aandragen / voeren bij) τὰ δῶρα (< didômi = geven; Lat. dare = geven -> donum = gave) αὐτοῦ διπλᾶ (diplous: 2X geplooid, tweevoudig), λέγων· ἔσται τῆς περιουσίας μου παντὶ τῷ λαῷ, καὶ τὸ τῆς ἀφέσεώς μου κυρίῳ εἰς ἱλασμὸν ἐμοί.
2 ἤγγικεν (act. ind. perf. 3de pers. enk. van het werkwoord eggizô = naderen , naderbij komen) δὲ ἡ ἡμέρα κυρίου ἡ μεγάλη, καὶ προσέφερον οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ τὰ δῶρα αὐτῶν. καὶ ἔστη (act. ind. aor. 3de pers. enk. van het werkw. histèmi = staan) κατενώπιον αὐτοῦ Ῥουβὶμ λέγων· οὐκ ἔξεστίν σοι πρῶτον προσενεγκεῖν (act. inf. aor. van het werkwoord prosferô = aandragen) τὰ δῶρά σου, καθότι σπέρμα οὐκ ἐποίησας ἐν τῷ Ἰσραήλ.
3 καὶ ἐλυπήθη Ἰωακεὶμ σφόδρα, καὶ ἀπίει εἰς τὴν δωδεκάφυλον τοῦ λαοῦ λέγων· θεάσομαι τὴν δωδεκάφυλον τοῦ Ἰσραήλ, εἰ ἐγὼ μόνος οὐκ ἐποίησα σπέρμα ἐν τῷ Ἰσραήλ. καὶ ἠρεύνησε, καὶ εὗρε πάντας τοὺς δικαίους ὅτι σπέρμα ἀνέστησαν ἐν τῷ Ἰσραήλ· καὶ ἐμνήσθη τοῦ πατριάρχου Ἀβραάμ, ὄτι ἐν τῇ ἐσχάτῃ ἡμέρᾳ ἔδωκεν αὐτῷ ὁ θεὸς υἱὸν τὸν Ἰσαάκ.
4 καὶ ἐλυπήθη (pass. ind. aor. 3de pers. enk. van het werkwoord lupeô = droevig zijn) Ἰωακεὶμ σφόδρα, καὶ οὐ ἐφάνη (pass. ind. aor. 3de pers. enk. van het werkwoord : fainô = schijnen, zich laten zien, zie fenomeen = verschijnsel) τῇ γυναικὶ αὐτοῦ· ἀλλʼ ἔδωκεν (act. ind. aor. 3de pers. enk. van het werkwoord didômi = geven) ἑαυτὸν εἰς τὴν ἔρημον κἀκεῖ (= kai ekei) ἔπηξε (act. ind. aor. 3de pers. enk. van het werkwoord pègnumi = vast maken ; zie pègmon = piket) τὴν σκηνὴν αὐτοῦ, καὶ ἐνήστευσεν ἡμέρας τεσσαράκοντα καὶ νήκτας τεσσαράκοντα, λέγων ἐν ἑαυτῷ· οὐ καταβήσομαι (med. ind. fut. 1ste pers. enk. van het werkwoord katabainô = neer-/afdalen; Ned. : een weg banen, baan) οὔτε ἐπὶ βρωτὸν οὔτε ἐπὶ ποτὸν (brô-ton - po-ton) ἔως οὗ ἐπισκέψεταί (med. ind. fut. 3de pers. enk. van het werkwoord episkeptomai = neerzien op) με κύριος ὁ θεός μου, καὶ ἔσται μου ἡ εὐχὴ βρῶμα καὶ πόμα.

Vertaling

1. In de stories (verhalen) van de twaalf stammen van Israël was Joachim, geweldig rijk, en hij bleef zijn tweevoudige gaven aandragen . Hij zei : "de gaven zullen zijn : die van mijn overvloed voor al het volk en de gave voor mijn vergeving aan God tot verzoening voor mij (om mij met de Heer te verzoenen)."
2. En de grote dag van de Heer was nabij en de zonen van Israël bleven hun gaven aandragen en Ruben stond tegenover hem. Hij zei: het is jou niet toegelaten dat jij als eerste jouw gaven aandraagt, omdat jij geen nageslacht in Israzël hebt voortgebracht.
3.
4. En Joachim werd geweldig bedroefd en hij liet zich niet aan zijn vrouw zien en hij gaf (leverde zich over) zichzelf naar de woestijn en daar zette hij zijn tent op en hij vastte 40 dagen en 40 nachten. Hij zei in zichzelf: "Ik zal niet afdalen noch voor voeding, noch voor drank totdat de Heer mijn God op mij zal neerzien en mijn gebed zal voedsel en drank zijn.

Commentaar

Het verhaal van Joachim en Anna maakt deel uit van de geschiedenis van de 2 stammen van Israël . Vanaf de eerste zin van het verhaal bevinden we ons in de geschiedenis van Israël . Er is een zekere Joachium . Zoals Abram (Gn 13,2) is hij zeer rijk . Zoals Abram heeft hij geen kinderen . Ruben , de oudste zoon van Jakob , zal hem hierover een verwijt maken en hem niet toelaten om als eerste zijn offers te brengen . Als oudste eist Ruben het recht op om als eerste te offeren . Joachim zal aan Abram denken , want op zijn oude dag gaf God hem een zoon Isaak . Hij zal naar de woestijn gaan om 40 dagen en 40 nachten te vasten . Hierbij zal zijn gebed voedsel en drank zijn . Hij hoopt dat God genadig zal neerzien zoals hij dat deed bij Sara en Maria .
Joachim weet zijn ervaringen te duiden doordat hij zich verhalen heeft eigen gemaakt , waarin hij zijn ervaringen herkent en verwoord vindt . Abram en Sara zijn rolmodellen . Ze zijn hem een steun in de vernedering die hem wordt aangedaan . Hij is blijkbaar de enige in Israël zonder nageslacht . Hij zoekt dan de eenzaamheid in de woestijn op en vast er 40 dagen en 40 nachten . Zo eenzaam en zo verdrietig is hij dat hij noch eten noch drinken kan .
- Na het verhaal van Joachim komt dat van Anna . Blijkbaar verwerken zij hun verdriet afzonderlijk en op hun eigen wijze .

II

1 Ἡ δὲ γυνὴ αὐτοῦ Ἄννα δύο θρήνους ἐθρήνει καὶ δύο κοπετοὺς ἐκόπτετο, λέγουσα· κόψομαι τὴν χηρείαν μου, κόψομαι καὶ τὴν ἀτεκνίαν μου.
2 Ἤγγισεν δὲ ἡ ἡμέρα κυρίου ἡ μεγάλη, καὶ εἶπεν Ἰουδὶθ ἡ παιδίσκη αὐτῆς· ἔως πότε ταπεινοῖς τὴν ψυχήν σου; ἰδοὺ ἤγγικεν ἡ ἡμέρα κυρίου ἡ μεγάλη, καὶ οὐκ ἔξεστίν σοι πενθεῖν· ἀλλὰ λάβε τοῦτο τὸ κεφαλοδέσμιον, ὃ ἔδωκέν μοι ἡ κυρία τοῦ ἔργου, καὶ οὐκ ἔξεστίν μοι ἀναδήσασθαι αὐτό, καθότι παιδίσκη εἰμί, καὶ χαρακτὴρα ἔχει βασιλικόν.
3 καὶ εἶπεν Ἄννα· ἀπόστηθι ἀπʼ ἐμοῦ, καὶ ταῦτα οὐκ ἐποίησα, καὶ κύριος ἐταπείνωσέν νε σφόδρα· μήπως πανοῦργος ἔδωκέν σοι τοῦτο, καὶ ἦλθες κοινωνῆσαί με τῇ ἁμαρτίᾳ σου.
καὶ εἶπεν Ἰουδίθ· τί ἀράσομαί σοι, καθότι κύριος ἀπέκλεισε τὴν μήτραν σου τοῦ μὴ δοῦναι σοι καρπὸν ἐν τῷ Ἰσραήλ;
4 καὶ ἐλυπήθη Ἄννα σφόδρα, καὶ περιείλατο τὰ ἱμάτια αὐτῆς τὰ πενθικά, καὶ ἀπεσμήξατο τὴν κεφαλὴν αὐτῆς καὶ ἐνεδύσατο τὰ ἱμάτια αὐτῆς τὰ νυμφικά, καὶ περὶ ὥραν ἐνάτην κατέβη εἰς τὸν παράδεισον τοῦ περιπατῆσαι. καὶ εἶδε δαφνηδαίαν, καὶ ἐκάθισεν ὑποκάτω αὐτῆς, καἰ ἐλιτάνευσεν τὸν δεσπότηυ λέγουσα· ὁ θεὸς τῶν πατέρων ἡμῶν, εὐλόγησόν με καὶ ἐπάκουσον τῆς δεήσεώς μου, καθὼς εὐλόγησας τὴν μήτραν Σάρρας καὶ ἔδωκας αὐτῇ υἱὸν τὸν Ἰσαάκ.

Commentaar

- Anna is vol leed en jammert omwille van haar ouderdom en van haar kinderloosheid . Haar dienstmeisje is een dienstmeisje . Ze is onderworpen aan een meesteres , heeft geen kinderen en zal nooi hogerop komen . Ze weet wellicht wat het betekent verderd te worden , geen aanzien en erkenning te krijgen . Haar dienstmeisje probeert haar op te vrolijken en geeft haar zelfs een hoofdband met een koninklijik teken dat zij nooit zal mogen dragen . Ze legt de vinger op de wonde : je bent onvruchtbaar . Anna luistert naar haar dienstmeisje . Anna verzorgt zich , gaat naar buiten en gaat onder de laurierboom zitten en bidt . Evenals Joachim denkt zij aan Sara die de Heer heeft verhoord .

  1. θρηνεω = thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren) . Taalgebruik in het NT : thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren) . Taalgebruik in de LXX : thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren) .
  2. ταπεινοω = tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken, vernederen) . Taalgebruik in het NT : tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken) . Taalgebruik in de LXX : tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken)
    1. κύριος ἐταπείνωσέν = kurios etapeinôsen (de Heer vernerderde) . LXX (2) : (1) Rt 1,21 . (2) Kl 1,5 .
  3. αραομαι = araomai (een gebed tot iemand richten, aanroepen) . PJ 2,3 .
  4. act. ind. aor. 3de pers. enk. perieilato (zij nam weg) van het werkw. periaireô (rondom wegnemen, slopen, wegnemen) .
  5. aposmaô (reinigen) .
  6. dafnè (laurier) .
  7. litaneuô (bidden, smeken) .

III

1 Καὶ ἀτενίσασα εἰς τὸν οὐρανὸν εἷδε καλιὰν στρουθίων ἐν τῇ δαφνηδαίᾳ, καὶ ἐποίησε θρῆνον ἐν ἑαυτῇ λέγουσα· οἵ μοι, τίς με ἐγέννησεν; ποία δὲ μήτρα ἐξέφυσέ με; ὅτι κατάρα ἐγεννήθην ἐγὼ ἐνώπιον τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, καὶ ὠνειδίσθην, καὶ ἐξεμυκτήρισάν με ἐκ ναοῦ κυρίου.
2 οἵ μοι, τίνι ὡμοιώθην ἐγώ; οὐχ ὡμοιώθην ἐγὼ τοῖς πετεινοῖς τοῦ οὐρανοῦ, ὅτι καὶ τὰ πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ γόνιμά εἰσιν ἐνώπιόν σου, κύριε. οἵ μοι, τίνι ὡμοιώθην ἐγώ; οὐχ ὡμοιώθην ἐγὼ τοῖς θηρίοις τῆς γῆς, ὅτι καὶ τὰ θηρία τῆς γῆς γόνιμά εἰσιν ἐνώπιόν σου, κύριε.
3 οἵ μοι, τίμι ὡμοιώθην ἐγώ; οὐχ ὡμοιώθην τοῖς ὕδασιν τούτοις, ὅτι καὶ τὰ ὕδατα ταῦτα γόνιμά εἰσιν ἐνώπιόν σου, κύριε. οἵ μιο, τίνι ὡμοιώθην ἐγώ; οὐχ ὡμοιώθην ἐγὼ τῇ γῇ ταύτῃ, ὅτι καὶ ἡ γῆ αὕτη προσφέρει τοὺς καρποὺς αὐτῆς κατὰ καιρόν, καὶ σὲ εὐλογεῖ, κύριε.

IV

1 Καὶ ἰδοὺ ἄγγελος κυρίου ἐπέστη λέγων αὐτῇ· Ἄννα Ἄννα, ἐπήκουσε κύριος τῆς δεήσεώς σου, καὶ συλλήψει καὶ γεννήσεις, καὶ λαληθήσεται τὸ σπέρμα σου ἐν ὅλῃ τῇ οἰκουμένῃ. καὶ εἶπεν Ἄννα· ζῇ κύριος ὁ θεός μου, ἐὰν γεννήσω εἴτε ἄρρεν εἴτε θῆλυ, προσάξω αὐτὸ δῶρον κυρίῳ τῷ θεῷ μου, καὶ ἔσται λειτουργοῦν αὐτῷ πάσας τὰς ἡμέρας τῆς ζωῆς αὐτοῦ. 2 καὶ ἰδοὺ ἦλθον ἄγγελοι δύο λέγοντες αὐτῇ· ἰδοὺ Ἰωακεὶμ ὁ ἀνήρ σου ἔρχεται μετὰ τῶν ποιμνίων αὐτοῦ. ἄγγελος γὰρ κυρίου κατέβη πρὸς αὐτὸν λόγων· Ἰωακεὶμ Ἰωακείμ, ἐπήκουσε κύριος ὁ θεὸς τῆς δεήσεώς σου· κατάβηθι ἐντεῦθεν· ἰδοὺ γὰρ ἡ γυνή σου Ἄννα ἐν γαστρὶ γήψεται. 3 καὶ κατέβη Ἰωακείμ, καὶ ἐκάλεσεν τοὺς ποιμένας αὐτοῦ λέγων· φέρετέ μοι ὧδε δέκα ἀμνάδας ἀσπίλους καὶ ἀμώμους, καὶ ἔσονται κυρίῳ τῷ θεῷ μου· καὶ δέρετέ μοι δεκαδύο μόσχυος ἁπαλούς, καὶ ἔσονται τοῖς ἱερεῦσι καὶ τῇ γερουσίᾳ· καὶ ἑκατὸν χιμάρους παντὶ τῷ λαῷ. 4 καὶ ἰδοὺ Ἰωακεὶμ ἧκε μετὰ τῶν ποιμνίων αὐτοῦ, καὶ ἔστη Ἄννα πρὸς τὴν πύλην καὶ εἶδε τὸν Ἰωακεὶμ ἐρχόμενον, καὶ δραμοῦσα ἐκρεμάσθη εἰς τὸν τράχηλον αὐτοῦ λέγουσα· νῦν οἶδα ὅτι κύριος ὁ θεὸς εὐλόγησέ με σφόδρα· ἰδοὺ γὰρ ἡ χήρα οὐκέτι χήρα, καὶ ἡ ἄτεκνος ἐν γαστρὶ λήψομαι. καὶ ἀνεπαύσατο Ἰωακεὶμ τὴν πρώτην ἡμέραν εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ.

V

1 Τῇ δὲ ἐπαύριον προσέφερε τὰ δῶρα αὐτοῦ λέγων ἐν ἑαυτῷ· ἐὰν κύριος ὁ θεὸς ἱλασθῇ μοι, τὸ πέταλον τοῦ ἱερέως φανερόν μοι ποιήσει. καὶ προσέφερεν τὰ δῶρα αὐτοῦ Ἰωακεὶμ καὶ προσεῖχεν τῷ πετάλῳ τοῦ ἱερέως, ὡς ἐπέβη ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον κυρίου, καὶ οὐκ εἶδεν ἁμαρτίαν ἐν ἑαυτῷ. καὶ εἶπεν Ἰωακείμ· νῦν οἶδα ὅτι κύριος ἱλάσθη μοι καὶ ἀφῆκεν πάντα τὰ ἁμαρτήματά μου. καὶ κατέβη ἐκ ναοῦ κυρίου δεδικαιωμένος, καὶ ἀπῆλθεν ἐν τῷ οἴκῳ αὐτοῦ. 2 ἐπληρώθησαν δὲ οἱ μῆνες αὐτῆς· ἐν δὲ τῷ ἐνάτῳ μηνὶ ἐγέννησεν Ἄννα. καὶ εἶπεν τῇ μαίᾳ· τί ἐγέννησα; ἡ δὲ εἶπεν· θῆλυ. καὶ εἶπεν Ἄννα· ἐμεγαλύνθη ἡ ψυχή μου ἐν τῇ ἡμέρᾳ ταύτῃ· καὶ ἀνέκλινεν αὐτήν. πληρωθεισῶν δὲ τῶν ἡμερῶν ἀπεσμήξατο Ἄννα, καὶ ἔδωκεν μασθὸν τῇ παιδί, καὶ ἐπωνόμασε τὸ ὄνομα αὐτῆς Μαριάμ.

VI

1 Ἡμέρᾳ δὲ καὶ ἡμέρᾳ ἐκραταιοῦτο ἡ παῖς· γενομένης δὲ αὐτῆς ἑξαμηνιαίου ἔστησεν αὐτὴν ἡ μήτηρ αὐτῆς χαμαί, τοῦ διαπειράσαι εἰ ἵσταται. καὶ ἑπτὰ βήματα περιπατήσασα ἦλθεν εἰς τὸν κόλπον αὐτῆς. καὶ ἀνήρπασεν αὐτὴν λέγουσα· ζῇ κύριος ὁ θεός μου, οὐ μὴ περιπατήσῃς ἐν τῇ γῇ ταύτῃ, ἕως ἂν ἀωὰξω σε ἐν τῷ ναῷ κυρίου. καὶ ἐποίησεν ἁγίασμα ἐν τῷ κοιτῶνι αὐτῆς, καὶ πᾶν κοινὸν καὶ ἀκάθαρτον οὐκ εἴα διέρχεσθαι διʼ αὐτῆς. καὶ ἐκάλεσε τὰς θυγατέρας τῶν Ἑβραίων τὰς ἀμιάντους, καὶ διεπλάνων αὐτήν. 2 ἐγένετο δὲ πρῶτος ἐνιαυτὸς τῇ παιδί, καὶ ἐποίησεν Ἰωακεὶμ δοχὴν μεγάλην, καὶ ἐκάλεσε τοὺς ἱερεῖς καὶ τοὺς γραμματεῖς καὶ τὴν γερουσίαν καὶ πάντα τὸν λαὸν τοῦ Ἰσραήλ. καὶ προσήνεγκεν Ἰωακεὶμ τὴν παῖδα τοῖς ἱερεῦσι, καὶ εὐλόγησαν αὐτὴν λέγοντες· ὁ θεὸς τῶν πατέρων ἡμῶν, εὐλόγησον τὴν παῖδα ταύτην καὶ δὸς αὐτῇ ὄνομα ὀνομαστὸν αἰώνιον ἐν πάσαις ταῖς γενεαῖς. καὶ εἶπε πᾶς ὁ λαός· γένοιτο γένοιτο, ἀμήν. καὶ προσήνεγκεν αὐτὴν τοῖς ἀρχιερεῦσι, καὶ εὐλόγησαν αὐτην λέγοντες· ὁ θεὸς τῶν ὑψωμάτων, ἐπίβλεψον ἐπὶ τὴν παῖδα ταύτην καὶ εὐλόγησον αὐτὴν ἐσχάτην εὐλογίαν, ἥτις διαδοχὴν οὐκ ἔχει. 3 καὶ ἀνήρπασεν αὐτὴν ἡ μήτηρ αὐτῆς ἐν τῷ ἁγιάσματι τοῦ κοιτῶνος αὐτῆς, καὶ ἔδωκεν αὐτῇ μασθόν. καὶ ἐποίησεν Ἄννα ᾆσμα κυρίῳ τῷ θεῷ λέγουσα· ᾄσω ᾠδὴν κυρίῳ τῷ θεῷ μου, ὅτι ἐπεσκέψατό με καὶ ἀφείλατο ἀπʼ ἐμοῦ τὸ ὄνειδος τῶν ἐχθρῶν μου· καὶ ἔδωκέν μοι κύριος καρπὸν δικαιοσύνης αὐτοῦ, μονοούσιον πολυπλάσιον ἑνώπιον αὐτοῦ. τίς ἀναγγελεῖ τοῖς υἱοῖς Ῥουβὶμ ὅτι Ἄννα θηλάζει; ἀκούσατε ἀκούσατε, αἱ δώδεκα φυλαὶ τοῦ Ἰσραήλ, ὅτι Ἄννα θηλάζει. καὶ ἀνέπαυσεν αὐτὴν ἐν τῷ κοιτῶνι τοῦ ἁγιάσματος αὐτῆς, καὶ ἐξῆλθεν καὶ διηκόνει αὐτοῖς. τελεσθέντος δὲ τοῦ δείπνου κατέβησαν εὐφραινόμενοι καὶ δοξάζοντες τὸν θεὸν Ἰσραήλ.

VII

1 Τῇ δὲ παιδὶ προσετίθεντο οἱ μῆνες αὐτῆς. ἐγένετο δὲ διετὴς ἡ παῖς, καὶ εἶπεν Ἰωακείμ· ἀνάξωμεν αὐτὴν ἐν τῷ ναῷ κυρίου, ὅπως ἀποδεῶμεν τὴν ἐπαγγελίαν ἣν ἐπηγγειλάμεθα, μήπως ἀποστείλῃ ὁ δεσπότης ἐφʼ ἡμᾶς καὶ ἀπρόσδεκτον γένηται τὸ δῶρον ἡμῶν. καὶ εἶπεν Ἄννα· ἀναμείνωμεν τὸ τρίτον ἔτος, ὅπως μὴ ζητήσει ἡ παῖς πατέρα ἢ μητέρα. καὶ εἶπεν Ἰωακείμ· ἀναμείνωμεν. 2 καὶ ἐλένετο τριετὴς ἡ παῖς, καὶ εἶπεν Ἰωακείμ· καλέσατε τάς θυγατέρας τῶν Ἑβραίων τὰς ἀμιάντους καὶ λαβέτωσαν ἀνὰ λαμπάδα, καὶ ἔστωσαν καιόμεναι, ἵνα μὴ στραφῇ ἡ παῖς εἰς τὰ ὀπίσω καὶ αἰχμαλωτισθῇ ἡ καρδία αὐτῆς ἐκ ναοῦ κυρίου. καὶ ἐποίησαν οὕτως ἕως ἀνέβησαν ἐν τῷ ναῷ κυρίου. καὶ ἐδέξατο αὐτὴν ὁ ἱερεύς, καὶ φιλήσας εὐλόγησεν αὐτὴν καὶ εἶπεν· ἐμεγάλυνεν κύριος τὸ ὄνομά σου ἐν πάσαις ταῖς γενεαῖς· ἐπὶ σοὶ ἐπʼ ἐσχάτου τῶν ἡμερῶν φανερώσει κύριος τὸ λύτρον αὐτοῦ τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ. 3 καὶ ἐκάθισεν αὐτὴν ἐπὶ τρίτου βαθμοῦ τοῦ θυσιαστηρίου, καὶ ἐπέβαλεν κύριος ὁ θεὀς χάριν ἐπʼ αὐτήν, καὶ κατεχόρευσεν τοῖς ποσὶν αὐτῆς, καὶ ἠγάπησεν αὐτὴν πᾶς οἶκος Ἰσραήλ.

VIII

1 Καὶ κατέβησαν οἱ γονεῖς αὐτῆς θαυμάζοντες καὶ αἰνοῦντες τὸν δεσπότην θεόν, ὅτι οὐκ ἐπεστράφη ἡ παῖς εἰς τὰ ὀπίσω. ἦν δὲ Μαρία ἐν τῷ ναῷ κυρίου ὡς περιστερὰ νεμομένη, καὶ ἐλάμβανεν τροφὴν ἐκ χειρὸς ἀγγέλου. 2 γενομένης δὲ αὐτῆς δωδεκαετοῦς, συμβούλιον ἐγένετο τῶν ἱερέων λεγόντων· ἰδοὺ ἡ Μαρία γέγονεν δωδεκαετὴς ἐν τῷ ναῷ κυρίου· τί οὖν αὐτήν ποιήσωμεν, μήπως μιάνῃ τὸ ἁγίασμα κυρίου; καὶ εἶπον τῷ ἀρχιερεῖ· σὺ ἕστηκας ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον κυρίου, εἴσελθε καὶ πρόσευξαι περὶ αὐτῆς, καὶ ὃ ἐὰν φανερώσει σοι κύριος, τοῦτο καὶ ποιήσωμεν. 3 καὶ εἰσῆλθεν ὁ ἀρχιερεὺς λαβὼν τὸν δωδεκακώδωνα εἰς τὰ ἅγια τῶν ἁγίων, καὶ ηὔξατο περὶ αὐτῆς. καὶ ἰδοὺ ἄγγελος κυρίου ἐπέστη λέγων αὐτῷ· Ζαχαρία Ζαχαρία, ἔξελθε καὶ ἐκκλησίασον τοὺς χηρεύοντας τοῦ λαοῦ, καὶ ἐνεγκάτωσαν ἀνὰ ῥάβδον, καὶ ᾧ ἐὰν ἐπιδείξῃ κύριος σημεῖον, τούτου ἔσται γυνή. ἐξῆλθον δὲ οἱ κήρυκες καθʼ ὅλης τῆς περιχώρου τῆς Ἰουδαίας, καὶ ἤχησεν ἡ σάλπιγξ κυρίου, καὶ ἔδραμον πάντες.

IX

1 Ἰωσὴφ δὲ ῥίψας τὸ σκέπαρνον ἐξῆλθεν εἰς συνάντησιν αὐτῶν· καὶ συναχθέντες ἀπῆλθον πρὸς τὸν ἀρχιερέα, λαβόντες τὰς ῥάβδους. λαβὼν δὲ ἁπάντων τὰς ῥάβδους εἰσῆλθεν εἰς τὸ ἱερὸν καὶ ηὔξατο. τελέσας δὲ τὴν εὐχὴν ἔλαβε τὰς ῥάβδους καὶ ἐξῆλθε καὶ ἐπέδωκεν αὐτοῖς· καὶ σημεῖον οὐκ ἦν ἐν αὐταῖς. τὴν δὲ ἐσχάτην ῥάβδον ἔλαβεν Ἰωσήφ· καὶ ἰδοὺ περιστερὰ ἐξῆλθεν ἐκ τῆς ῥάβδου καὶ ἐπετάσθη ἐπὶ τὴν κεφαλὴν Ἰωσήφ. καὶ εἶπεν ὁ ἱερεὺς τῷ Ἰωσήφ· σὺ κεκλήρωσαι τὴν παρθένον κυρίου παραλαβεῖν εἰς τήρησιν ἑαυτῷ. 2 καὶ ἀντεῖπεν Ἰωσὴφ λέγων· υἱοὺς ἔχω καὶ πρεσβύτης εἰμί, αὕτη δὲ νεᾶνις· μήπως περίγελως γένωμαι τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ. καὶ εἶπεν ὁ ἱερεὺς τῷ Ἰωσήφ· φοβήθητι κύριον τὸν θεόν σου, καὶ μνήσθητι ὅσα ἐποίησεν ὁ θεὸς Δαθὰν καὶ Ἀβειρὼν καὶ Κορέ, πῶς ἐδιχάσθη ἡ γῆ καὶ κατεπόθησαν διὰ τὴν ἀντιλογίαν αὐτῶν. καὶ νῦν φοβήθητι, Ἰωσήφ, μήπως ἔσται ταῦτα ἐν τῷ οἴκῳ σου. 3 καὶ φοβηθεὶς Ἰωσὴφ παρέλαβεν αὐτὴν εἰς τήρησιν ἑαυτῷ. καὶ εἶπεν Ἰωσὴφ τῇ Μαριάμ· ἰδοὺ παρέλᾳβόν σε ἐκ ναοῦ κυρίου, καὶ νῦν καταλείπω σε ἐν τῷ οἴκῳ μου καὶ ἀπέρχομαι οἰκοδομῆσαι τὰς οἰκοδομάς μου, καὶ ἥξω πρὰς σέ· κύριός σε διαφυλάξει.

X

1 Ἐγένετο δὲ συμβούλιον τῶν ἱερέων λεγόντων· ποιήσωμεν καταπέτασμα τῷ ναῷ κυρίου. καὶ εἶπεν ὁ ἱερεύς· καλέσατέ μοι παρθένονς ἀμιάντους ἀπὸ τῆς φυλῆς Δαυίδ. καὶ ἀπῆλθον οἱ ὑπηρέται καὶ ἐζήτησαν, καὶ εὖρον ἑπτὰ παρθένους. καὶ ἐμνήσθη ὁ ἱερεὺς τῆς παιδὸς Μαριάμ, ὅτι ἦν ἐκ τῆς φυλῆς Δαυίδ, καὶ ἀμίαντος ἦν τῷ θεῷ. καὶ ἀπῆλθον οἱ ὑπηρέται καὶ ἤγαγον αὐτήν. καὶ εἰσήγαγον αὐτὰς ἐν τῷ ναῷ κυρίου· καὶ εἶπεν ὁ ἱερεύς· λάχετέ μοι τίς νήσει τὸ χρυσίον καὶ τὸ ἀμίαντον καὶ τὴν βύσσον καὶ τὸ σηρικὸν καὶ τὸ ὑακίνθινον καὶ τὸ κόκκινον καὶ τὴν ἀληθινὴν πορφύραν. καὶ ἔλαχεν τὴν Μαριὰμ ἡ ἀληθινὴ πορφύρα καὶ τὸ κόκκινον, καὶ λαβοῦσα ἀπίει εἰς τὸν οἶκον αὐτῆς. τῷ δὲ καιρῷ ἐκείνῳ ἐσίγησεν Ζαχαρίας, καὶ ἐγένετο ἀντʼ αὐτοῦ Σαμουήλ, μέχρις ὅτου ἐλάλησεν Ζαχαρίας. Μαριὰμ δὲ λαβοῦσα τὸ κόκκινον ἔκλωθεν.

XI

1 Καὶ ἔλαβεν τὴν κάλπην καὶ ἐξῆλθεν γεμίσαι ὕδωρ· καὶ ἰδοὺ φωνὴ λέγουσα· χαῖρε κεχαριτωμένη, ὁ κύριος μετὰ σοῦ, εὐλογημένη σὺ ἐν γυναιξίν. καὶ περιεβλέπετο δεξιὰ καὶ ἀριστερά, πόθεν αὕτη ἡ φωνή. καὶ σύντρομος γενομένη ἀπίει εἰς τὸν οἶκον αὐτῆς καὶ ἀνέπαυσεν τὴν κάλπην, καὶ λαβοῦσα τὴν πορφύραν ἐκάθισεν ἐπὶ τοῦ θρόνου αὐτῆς καὶ εἷλκεν αὐτήν. 2 καὶ ἱδοὺ ἄγγελος κυρίου ἔστη ἐνώπιον αὐτῆς λέγων· μὴ φοβοῦ, Μαριάμ· εὗρες γὰρ χάριν ἐνώπιον τοῦ πάντων δεσπότου, καὶ συλλήψῃ ἐκ λόγου αὐτοῦ. ἡ δὲ ἀκούσασα διεκρίθη ἐν ἑαυτῇ λέγουσα· εἰ ἐγὼ συλλήψομαι ἀπὸ κυρίου θεοῦ ζῶντος, καὶ γεννήσω ὡς πᾶσα γυνὴ γεννᾷ; 3 καὶ εἶπεν ὁ ἄγγελος κυρίου· οὐχ οὕτως, Μαρίμ· δύναμις γὰρ κυρίου ἐπισκιάσει σοι· διὰ καὶ τὸ γεννώμενον ἐκ σοῦ ἅγιον κληθήσεται υἱὸς ὑψίστου. καὶ καλέσεις τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἰησοῦν· αὐτὸς γὰρ σώσει τὸν λαὸν αὐτοῦ ἀπὸ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν. καὶ εἶπεν Μαριάμ· ἰδοὺ ἡ δούλη κυρίου κατενώπιον αὐτοῦ· γένοιτό μοι κατὰ τὸ ῥῆμά σου.

XII

1 Καὶ ἐποίησεν τὴν πορφύραν καὶ τὸ κόκκινον, καὶ ἀπήγαγεν τῷ ἱερεῖ. καὶ εὐλόγησεν αὐτὴν ὁ ἱερεὺς καὶ εἶπεν· Μαριάμ, ἐμεγάλυνεν κύριος ὁ θεὸς τὸ ὄνομά σου, καὶ ἔσῃ εὐλογημένη ἐν πάσαις ταῖς γενεαῖς τῆς γῆς. 2 χαρὰν δὲ λαβοῦσα Μαριὰμ ἀπίει πρὸς Ἐλισάβετ τὴν συγγενίδα αὐτῆς. καὶ ἕκρουσεν πρὰς τὴν θύραν. καὶ ἀκούσασα ἡ Ἐλισάβετ ἔρριψεν τὸ. κόκκινον καἰ ἔδραμεν πρὸς τὴν θύραν καὶ ἤνοιξεν, καὶ ἰδοῦσα τὴν Μαριὰμ εὐλόγησεν αὐτὴν καὶ εἶπεν· πόθεν μοι τοῦτο ἵνα ἔλθῃ ἡ μήτηρ τοῦ κυρίου μου πρός μέ; ἰδοὺ γὰρ τὸ ἐν ἐμοὶ ἐσκίρτησεν καὶ εὐλόγησέν σε. Μαριὰμ δὲ ἐπελάθετο τῶν μυστηρίων ὧν ἐλάλησεν αὐτῇ Γαβριὴλ ὁ ἀρχάγγελος, καὶ ἠτένισεν εἰς τὸν οὐρανὸν καὶ εἶπεν· τίς εἰμι ἐγώ, κύριε, ὅτι πᾶσαι αἱ γενεαὶ τῆς γῆς εὐλογοῦσίν με; 3 καὶ ἐποίησεν τρεῖς μῆνας πρὸς τὴν Ἐλισάβετ. ἡμέρᾳ δὲ καὶ ἡμέρᾳ ἡ γαστὴρ αὐτῆς ὠγκοῦτο· καὶ φοβηθεῖσα Μαριὰμ ἀπῆλθεν εἰς τὸν οἶκον αὐτῆς, καὶ ἔκρυβεν ἑαυτὴν ἀπὸ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ. ἦν δὲ ἐτῶν δέκα ἓξ ὅτε ταῦτα ἐγένετο τὰ μυστὴρια.

XIII

1 Ἐγένετο δὲ αὐτῆ ἕκτος μήν, καὶ ἰδοὺ ἦλθεν Ἰωσὴφ ἀπὸ τῶν οἰκοδομῶν αὐτοῦ, καὶ εἰσελθὼν ἐν τῷ οἴκῳ αὐτοῦ εὗρεν αὐτὴν ὠγκωμένην. καὶ ἔτυψε τὸ πρόσωπον αὐτοῦ καὶ ἔρριψεν ἑαυτὸν χαμαὶ ἐπὶ τὸν σάκκον, καὶ ἔκλαυσε πικρῶς λέγων· ποίῳ προσώπῳ ἀτενίσω πρὸς κύριον τὸν θεόν μου; τί δὲ εὔξομαι περὶ τῆς κόρης ταύτης; ὅτι παρθένον παρέλαβον αὐτὴν ἐκ ναοῦ κυρίου τοῦ θεοῦ μου, καὶ οὑκ ἐφύλαξα. τίς ὁ θηρεύσας με; τίς τὸ πονηρὸν τοῦτο ἐποίησεν ἐν τῷ οἴκῳ μου καὶ ἐμίανεν τὴν παρθένον; μήτι εἰς ἐμὲ ἀνεκεφαλαιώθη ἡ ἱστορία τοῦ Αδάμ; ὥσπερ γὰρ ἐν τῇ ὥρᾳ τῆς δοξολογίας αὐτοῦ ἦλθεν ὁ ὄφις καὶ εὗρε τὴν Εὔαν μόνην καὶ ἐξηπάτησεν, οὕτως κἀμοὶ ἐγένετο.2 καὶ ἀνέστη Ἰωσὴφ ἀπὸ τοῦ σάκκου, καὶ ἐκάλεσε τὴν Μαριὰμ καὶ εἶπεν αὐτῇ· μεμελημένη τῷ θεῷ, τί τοῦτο ἐποίησας; ἐπελάθου κυρίου τοῦ θεοῦ σου; τί ἐταπείνωσας τὴν ψυχήν σου, ἡ ἀνατραφεῖσα εἰς τὰ ἅγια τῶν ἁγίων καὶ τροφἠν λαβοῦσα ἐκ χειρὸς ἀγγέλου;3 ἡ δὲ ἔκλαυσεν πικρῶς, λέγουσα ὅτι καθαρά εἰμι ἐγὼ καὶ ἄνδρα οὐ γινώσκω. καὶ εἶπεν αὐτῇ Ἰωσήφ· πόθεν οὖν ἐστὶ τὸ ἐν τῇ γαστρί σου; ἡ δὲ εἶπεν· ζῇ κύριος ὁ θεός μου καθότι οὐ γινώσκω πόθεν ἐστίν μοι.

XIV

1 Καὶ ἐφοβήθη Ἰωσὴφ σφόδρα, καὶ ἠρέμησεν ἐξ αὐτῆς, καὶ διελογίξετο τὸ τί αὐτὴν ποιήσει. καὶ εἶπεν Ἰωσήφ· ἐὰν αὐτῆς κρύψω τὸ ἁμάρτημα, εὑρίσκομαι μαχόμενος τῷ νόμῳ κυρίου. καὶ ἐὰν αὐτὴν φανερώσω τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, φοβοῦμαι μήπως ἀγγελικόν ἐστιν τὸ ἐν αὐτῇ, καὶ εὑρεθήσομαι παραδιδοὺς αἷμα ἀθῷον εἰς κρίμα θανάτου. τί οὖν αὐτὴν ποιήσω; λάθρα αὐτὴν ἀπολύσω ἀπʼ ἐμοῦ. καὶ κατέλαβεν αὐτὸν ἡ νύξ. 2 καὶ ἰδοὺ ἄγγελος κυρίου φαίνεται αὐτῷ κατʼ ὄναρ λέγων· μὴ φοβηθῇς τὴν παῖδα ταύτην· τὸ γὰρ ἐν αὐτῇ ὂν ἐκ πνεύματός ἐστιν ἁγίου· τέξεται δὲ υἱόν, καὶ καλέσεις τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἰησοῦν· αὐτὸς γὰρ σώσει τὸν λαὸν αὐτοῦ ἀπὸ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν. καὶ ἀνέστη Ἰωσὴφ ἀπὸ τοῦ ὕπνου, καὶ ἐδόξασσεν τὸν θεὸν Ἰσραὴλ τὸν δόντα αὐτῷ τὴν χάριν ταύτην, καὶ ἐφύλασσεν αὐτήν.

XV

1 Ἦλθεν δὲ Ἄννας ὁ γραμματεὺς πρὸς αὐτὸν καὶ εἶπεν αὐτῷ· τί ὅτι οὐκ ἐφάνης ἐν τῇ συνόδῳ ἡμῶν; καὶ εἶπεν αὐτῷ Ἰωσήφ· ὅτι ἔκαμον ἀπὸ τῆς ὁδοῦ, καὶ ἀνεπαυσάμην τὴν πρώτην ἠμέραν. καὶ ἐστράφη καὶ εἶδεν τὴν Μαριὰμ ὠγκωμένην. 2 καὶ ἀπίει δρομαῖος πρὸς τὸν ἱερέα καὶ εἶπεν αὐτῷ· Ἰωσήφ, ὂν σὺ μαρτυρεῖς, ἠνόμησεν σφόδρα. καὶ εἶπεν ὁ ἱερεύς· τί τοῦτο; καὶ εἶπεν· τὴν παρθένον ἤν παρέλαβεν ἐκ ναοῦ κυρίου, ἐμίανεν αὐτήν, καὶ ἔκλεψεν τοὺς γάμους αὐτῆς, καὶ οὐκ ἐφανέρωσεν τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ. καὶ ἀποκριθεὶς ὁ ἱερεὺς εἶπεν· Ἰωσὴφ τοῦτο ἐποίησεν; καὶ εἶπεν Ἄννας ὁ γραμματεύς· ἀπόστειλον ὑπηρέτας, καὶ εὑρήσεις τὴν παρθένον ὠγκωνένην. καὶ ἀπῆλθον οἱ ὑπηρέται καὶ εὗρον καθὼς εἶπεν, καὶ ἀπήγαγον αὐτὴν ἅμα τῷ Ἰωσὴφ εἰς τὸ κριτήριον. 3 καὶ εἶπεν ὁ ἱεπεύς· Μαρία, τί τοῦτο ἐποίησας; καὶ ἵνα τί ἐταπείνωσας τὴν ψυχήν σου καὶ ἐπελάθου κυρίου τοῦ θεοῦ σου; ἡ ἀνατραφεῖσα εἰς τὰ ἅγια τῶν ἁγίων καὶ λαβοῦσα τροφὴν ἐκ χειρὸς ἀγγέλου καὶ ἀκούσασα τῶν ὕμνων καὶ χορεύσασα ἐνώπιον αὐτοῦ, τί τοῦτο ἐποίησας; ἡ δὲ ἔκλαυσεν πικρῶς λέγουσα· ζῇ κύριος ὁ θεός μον καθότι καθαρά εἰμι ἐνώπιον αὐτοῦ καὶ ἄνδρα οὐ γινώσκω. 4 καὶ εἶπεν ὁ ἱερεὺς πρὸς Ἰωσήφ· τί τοῦτο ἐποίησας; καὶ εἶπεν Ἰωσήφ· ζῇ κύριος ὁθεός μου καθότι καθαρός εἰμι ἐγὼ ἐξ αὐτῆς. καὶ εἶπεν ὁ ἱερεύς· μὴ ψευδομαρτίρει ἀλλὰ λέγε τὸ ἀληθές· ἔκλεψας τοὺς γάμους αὐτῆς καὶ οὐκ ἐφανέρωσας τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, καὶ οὐκ ἔκλινας τὴν κεφαλήν σου ὑπὸ τὴν κραταιὰν χεῖρα ὅπως εὐλογηθῇ τὸ σπέρμα σου. καὶ Ἰωσὴφ ἐσίγησεν.

XVI

1 Καὶ εἶπεν ὁ ἱερεύς· ἀπόδος τὴν παρθένον ἣν παρέλαβες ἐκ ναοῦ κυρίου. καὶ περίδακρυς ἐγένετο Ἰωσήφ. καὶ εἶπεν ὁ ἱερεύς· ποτιῶ ὑμᾶς τὸ ὕδωρ τῆς ἐλέγξεως κυρίου, καὶ φανερώσει τὰ ἁμαρτήματα ὑμῶν ἐν ὀφθαλμοῖς ὑμῶν. 2 καὶ λαβὼν ὁ ἱερεὺς ἐπότισεν τὸν Ἰωσήφ, καὶ ἔπεμψεν αὐτὸν εἰς τὴν ὀρεινήν· καὶ ἦλθεν ὁλόκληρος. ἐπότισεν δὲ καὶ τὴν Μαριάμ, καὶ ἔπεμψεν αὐτὴν εἰς τὴν ὀρεινήν· καὶ ἦλθεν ὁλόκληρος. καὶ ἐθαύμασεν πᾶς ὁ λαὸς ὄτι ἀμαρτία οὐκ ἐφάνη ἐν αὐτοῖς 3 καὶ εἶπεν ὁ ἰερεύς· εἰ κύριος ὁ θεὸς οὐκ ἐφανέρωσε τὰ ἁμαρτήματα ὑμῶν, οὐδὲ ἐγὼ κρίνω ὑμᾶς. καὶ ἀπέλυσεν αὐτούς. καὶ παρέλαβεν Ἰωσὴφ τὴν Μαριάμ, καὶ ἀπίει εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ χαίρων καὶ δοξάζων τὸν θεὸν τοῦ Ἰσραήλ.

XVII

1 Κέλευσις δὲ ἐγένετο ἀπὸ Αὐγούστου βασιλέως ἀπογράφεσθαι πάντας τοὺς ἐν βηθλεὲμ τῆς Ἰουδαίας. καὶ εἶπεν Ἰωσήφἐγὼ ἀπογράψοναι τοὺς υἱούς μου· ταύτην δὲ τὴν παῖδα τί ποιήσω; πῶς αὐτὴν ἁπογράψομαι; γυναῖκα ἐμήν; αἰσχύνομαι ἁλλὰ θυγατέρα; ἀλλʼ οἴδασιν πάντες οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ὅτι οὐκ ἔστι μου θυγάτηρ. αὐτὴ ἡ ἡμέρα κυρίου ποιήσει ὡς βούλεται κύριος. 2 καὶ ἐπέστρωσεν τὴν ὄνον καὶ ἐπεκάθισεν αὐτήν, καὶ εἷλκεν ὁ υἱὸς αὐτοῦ, καὶ ἡκολούθει Ἰωσήφ. καὶ ἤγγισαν ἐπὶ μιλίων τριῶν· καὶ ἐστράφη Ἰωσήφ, καὶ εἶδεν αὐτὴν στυγνήν, καὶ εἶπεν ἐν ἑαυτῷ· ἴσως τὸ ἐν αὐτῇ χειμάζει αὐτήν. καὶ πάλιν ἐστράφη Ἰπσήφ, καὶ εἶδεν αὐτὴν γελῶσαν. καὶ εἶωεν αὐτῇ. Μαρία, τί σοί ἐστιν τοῦτο, ὅτι τὸ πρόσωπόν σου βλέπω ποτὲ μὲν γελῶν, ποτὲ δὲ στυγνάζον. καὶ εἶπε Μαριὰμ τῷ Ἰωσήφ· ὅτι δύο λαοὺς βλέπω τοῖς ὀφθαλμοῖς μου, ἕνα κλαίοντα καὶ κοπτόμενον, καὶ ἕνα χαίροντα καὶ ἀγαλλιώμενον. 3 καὶ ἦλθον ἐν τῇ μέσῃ ὁδῷ, καὶ εἶπεν αὐτῷ Μαριάμ· κατάγαγέ με ἀπὸ τῆς ὄνου, ὅτι τὸ ἐν ἐμοὶ ἐπείγει με προελθεῖν. καὶ κατήγαγεν αὐτὴν ἀπὸ τῆς ὄνου, καὶ εἶπεν αὐτῇ· ποῦ σε ἀπάξω καὶ σκεπάσω σου τὴν ἀσχημοσύνην; ὅτι ὁ τόπος ἔρημός ἐστιν.

XVIII

1 Καὶ εὗρεν σπήλαιον ἐκεῖ καὶ εἰσήγαγεν αὐτήν, καὶ παρέστησεν αὐτῇ τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ, καὶ ἐξελθὼν ἐζήτει ναῖαν Ἐβραίαν ἑν χώρᾳ Βηθλεέμ.
2 Ἐγὼ δὲ Ἰωσὴφ περιεπάτουν, καὶ οὐ περιεπάτουν· καὶ ἀνέβλεψα εἰς τὸν ἀέρα, καὶ εἶδον τὸν ἀέρα ἔκθαμβον· καὶ ἀνέβλεψα εἰς τὸν πόλον τοῦ οὐρανοῦ, καὶ εἶδον αὐτὸν ἑστῶτα καὶ τὰ πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ ἠρεμοῦντα· καὶ ἐπέβλεψα ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ εἶδον σκάφην κειμένην καὶ ἐργάτας ἀνακειμένους, καὶ αἱ χεῖρες αὐτῶν ἐν τῇ σκάφῃ· καὶ οἱ μασώμενοι οὐκ ἐμασῶντο, καὶ οἱ αἴροντες οὐκ ἀνέφερον, καὶ οἱ προσφέροντες τῷ στόματι αὐτῶν οὐ προσέφερον, ἁλλὰ πάντων ἦν τὰ πρόσωπα ἄνω βλέποντα· καὶ ἰδοὺ πρόβατα ἑλαυνόμενα ἧν, καὶ οὐ προέβαινον ἁλλʼ ἵσταντο, καὶ ἐπῆρεν ὁ ποιμὴν τὴν χεῖρα αὐτοῦ τοῦ πατάξαι αὐτὰ ἑν τῇ ῥάβδῳ, καὶ ἴ χεὶρ αὐτοῦ ἓστη ἄνω· καὶ ἐπέβλεψα ἐπὶ τὸν χείμαρρον τοῦ ποταμοῦ, καὶ εἶδον τὰ στόματα τῶν ἐρίφων ἐπικείμενα καὶ μὴ πίνοντα, καὶ πάντα ὑπὸ θῆξιν τῷ δρόνῳ αὐτῶν ἀπηλαύνοντο.

XIX

1 Καὶ ἰδοὺ γυνὴ καταβαίνουσα ἀπὸ τῆς ὀρεινῆς, καὶ εἶπέν μοι· ἄνθρωπε, που πορεύῃ; καὶ εἶπον· μαῖαν ζητῶ Ἑβραίαν. καὶ ἀποκριθεῖσα εἶπέν μοι· ἐξ Ἰσραὴλ εἶ; καὶ εἶπον, αὐτῇ· ναί. ἡ δὲ εἶπεν· καὶ τίς ἐστιν ἡ γεννῶσα ἐν τῷ σπηλαίῳ; καὶ εἶπον ἐγώ· ἡ μεμνηστευμένη μοι. καὶ εἶπέ μοι· οὐκ ἔστιν σου γυνή; καὶ εἶπον αὐτῇ· Μαριάμ ἐστιν ἡ ἀνατραφεῖσα ἐν τῷ ναῷ κυρίου, καὶ ἐκληρωσάμην αὐτὴν γυναῖκα· καὶ οὐκ ἔστιν μου γυνή, ἁλλὰ σύλληψιν ἕχει ἐκ πνεύματος ἀγίου. καὶ εἶπεν αὐτῷ ἡ μαῖα· τοῦτο ἀληθές; καὶ εἶπεν αὐτῇ Ἰωσήφ· δεῦρο καὶ ἴδε. καὶ ἀπίει ἡ μαῖα μετʼ αὐτοῦ. 2 καὶ ἔστησαν ἐν τῷ τόπῳ τοῦ σπηλαίου, καὶ ἰδοὺ νεφέλη φωτεινὴ ἐπισκιάζουσα τὸ σπήλαιον. καὶ εἶπεν ἡ μαῖα· ἐμεγαλύνθη ἡ ψυχή μου σήμερον, ὅτι εἶδον οἱ ὀφθαλμοί μου παράδοξα, ὅτι σωτηρία τῷ Ἰσραὴλ ἐγεννήθη. καὶ παραχρῆμα ἡ νεφέλη ὑπεστέλλετο ἐκ τοῦ σπηλαίου, καὶ ἐφάνη φῶς μέγα ἐν τῷ σπηλαίῳ, ὥστε τοὺς ὀφθαλμοὺς ἡμῶν μὴ φέρειν. καὶ πρὸς ὀλίγον τὸ φῶς ἐκεῖνο ὑωεστέλλετο, ἕως οὗ ἐφάνη τὸ βρέφος καὶ ἦλθε καὶ ἕλαβε μασθὸν ἐκ τῆς μητρὸς αὐτοῦ Μαρίας. καὶ ἀνερβόησεν ἡ ναῖα καὶ εἶπεν· μεγάλη μοι σήμερον, ἡ ἡμέρα αὕτη, ὅτι εἶδον τὸ καινὀν θέαμα τοῦτο. 3 καὶ ἐξῆλθεν ἡ μαῖα ἐκ τοῦ σπηλαίου, καὶ ὑπήντησεν αὐτῇ Σαλώμη. καὶ εἶπεν αὐτῇ· Σαλώμη Σαλώμη, καινόν σοι θέαμα ἔχω διηγήσασθαι· παρθένος ἐγέννησεν ὃ οὐ χωρεῖ ἡ φύσις αὐτῆς. καὶ εἶπεν Σαλώμη· ξῇ κύριος ὁ θεός μου, ἐὰν μὴ βαλῶ τὸν δάκτυλόν μου καὶ ἐρευνήσω τὴν φύσιν αὐτῆς. οὐ μὴ πιστεύσω ὅτι παρθένος ἑγέννησεν.

XX

1 Καὶ εἰσῆλθεν ἡ μαῖα καὶ εἶωε τῇ Μαριάμ· σχημάτισον σεαυτήν· οὐ γὰρ μικρὸς ἀγὼν περίκειται περὶ σοῦ. καὶ ἔβαλε Σαλώμη τὸν δάκτυλον αὐτῆς εἰς τὴν φύσιν αὐτῆς, καὶ ἠλάλαξε καὶ εἶπεν· οὐαὶ τῇ ἀνονίᾳ μου καὶ τῇ ἀπιστίᾳ μου, ὅτι ἐξεπείρασα θεὸν ζῶντα, καὶ ἰδοὺ ἡ χείρ μου πυρὶ ἀποπίπτεται ἁπʼ ἐμοῦ. 2 καὶ ἔκλινεν τὰ γόνατα αὐτῆς πρὸς τὸν δεσπότην λέγουσα· ὁ θεὸς τῶν πατέρων μου, μνήσθητί μου ὅτι σωέρμα εἰμὶ Ἀβραὰμ καὶ Ἰσαὰκ καὶ Ἰακώβ· μὴ παραδειγματίσῃς με τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, ἀλλὰ ἀπόδος με τοῖς πέμπσιν· σὺ γὰρ οἶδας, δέσποτα, ὅτι ἐπὶ τῷ σῷ ὀνόματι τὰς θεραπείας μου ἐπετέλουν καὶ τὸν μισθόν μου παρὰ σοῦ ἐλάμβανον. 3 καὶ ἰδοὺ ἄγγελος κυρίου ἐπέστεη λέγων πρὸς αὐτήν· Σαλώμη Σαλώμη, ἐπήκουσέν σου κύριος· προσένεγκε τὴν χεῖγά σου τῷ παιδίῳ καὶ βάσταξον αὐτό, καὶ ἔσται σοι σωτηρία καὶ χαρά. 4 καὶ προσῆλθε Σαλώμη καὶ ἐβάσταξεν αὐτό, λέγουσα· προσκυνήσω αὐτῷ, ὅτι βασιλεὺς ἐγεννήθη μέγας τῷ Ἰσραήλ. καὶ ἰδοὺ εὐθέως ἰάθη Σαλώμη, καὶ ἐξῆλθεν ἑκ τοῦ σωηλαίου δεδικαιωμένη. καὶ ἰδοὺ φωνὴ λέγουσα· Σαλώμη Σαλώμη, μὴ ἀναγγείλῃς ὅσα εἶδες παράδοξα, ἕως οὗ εἰσέλθῃ εἰς Ἱερουσαλὴν ὁ παῖς.

XXI

1 Καὶ ἰδοὺ Ἰωσὴφ ἡτοιμάσθη τοῦ ἐξελθεῖν εἰς τὴν Ἰουδαίαν. καὶ θόρυβος ἐγέμετο μέγας ἐν Βηθλεὲμ τῆς Ἰουδαίας· ἦλθον γὰρ μάγοι λέγοντες· ποῦ ἐστὶν ὁ τεχθεὶς βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων; εἵδομεν γὰρ αὐτοῦ τὸν ἀστέρα ἐν τῇ ἁνατολῇ, καὶ ἤλθομεν προσκυνῆσαι αὐτόν. 2 καὶ ἀκούσας Ἡρώδης ἐταράχθη, καὶ ἔπεμψεν ὑπηρέτας πρὸς τοὺς μάγους· καὶ μετεπέμψατο τοὺς ἀρχιερεῖς καὶ ἀνέκρινεν αὐτοὺς λέγων· πῶς γέγραωται περὶ τοῦ Χριστοῦ, ποῦ γεννᾶται; λέγουσιν αὐτῷ· ἐν Βηθλεὲμ τῆς Ἰουδαίας· οὕτως γὰρ γέγραπται. καὶ ἀπέλυσεν αὐτούς. καὶ ἀνέκρινε τοὺς μάγους λέγων αὐτοῖς· τί εἴδετε σημεῖον ἐπί τὸν γεννηθέντα βασιλέα; καὶ εἶπον οἱ μάγοι· εἴδομεν ἀστέρα παμμεγέθη λάμψαντα ἐν τοῖς ἄστροις τούτοις καὶ ἀμβλύνοντα αὐτούς, ὥστε τοὺς ἀστέρας μὴ φαίνεσθαι· καὶ ἡμεῖς οὕτως ἔγνωμεν ὅτι βασελεὺς ἐγεννήθη τῷ Ἰσραήλ, καὶ ἥλθομεν προσκυρῆσαι αὐτόν. καὶ εἶπεν Ἡρώδης· ὑπάγετε καὶ ξητήσατε· καὶ ἐὰν εὕρητε, ἀπαγγείλατέ μοι, ὄπως κἀγὼ ἐλθὼν προσκυρήσω αὐτόν. 3 καὶ ἑξῆλθον οἱ μάγοι. καὶ ἰδοὺ ὃν εἰδον ἀστέρα ἐν τῇ ἀνατολῇ προῆγεν αὐτοὺς ἕως εἰσῆλθον εἰς τὸ σπήλαιου, καὶ ἔστη ἐπὶ τὴν κεφαλὴν τοῦ σπηλαίου. καὶ εἶδον οἱ μάγοι τὁ παιδίον μετὰ τῆς πητρὸς αὐτῶν Μαρίας, καὶ ἐξέβαλον ἀπὸ τῆς πήρας αὐτῶν δῶρα, χρυσὸν καὶ λίβανον καὶ σμύρναν. 4 καὶ χρηματισθέντες ὑωὸ τοῦ ἁγγέλου μὴ εἱσελθεῖν εἱς τὴν Ἰουδαίαν, διʼ ἅλλης ὁδοῦ ἐωορεύθησαν εἰς τὴν χώραν αὐτῶν.

XXII

1 Γνοὺς δὲ Ἠρώδης ὁτι ἐνεπαίχοη ὑπὸ τῶν μάγων, ὁργισθεὶς ἑπενψεν φονευτὰς λέγων αὐτοῖς· τὰ Βρέφη ἀπὸ διετοῦς καὶ κατωτέρω ἀποκτείνατε. 2 καὶ ἀκούσασα Μαριὰμ ὀτι ἀναιροῦνται τὰ βρέφη, φοβηθεῖσα ἐλαβεν τὸ παιδίον καὶ ἐσπαργάνωσεν αὐτὸ καὶ ἐθηκεν ἐν φάτνῃ βοῶν. 3 ἠ δὲ Ἐλισάβετ, ἀκούσασα ὁτι Ἱωάννης ξητεῖται, λαβοῦσα αὐτὸν ἀνέβη εἰς τὴν ὀρεινήν, καὶ περιεβλέπετο ποῦ αὐτὸν κρύψει· καὶ οὐκ ἦν τόπος ἀποκρυφῆς. καὶ στενάζασα ἡ Ἑλισάβετ φπνῇ μεγάλῃ λέγει· ὄρος θεοῦ, δέξαι μητέρα μετὰ τέκνου. οὑ γὰρ ἡδύνατο ἁναβῆναι ἠ Ἐλισάβετ. καὶ παραχρῆμα ἐδιχάσθη τὸ ὄρος καὶ ἐδέξατο αὐτήν. καὶ ἧν διαφαῖνον αὐτοῖς φῶς· ἄγγελος γὰρ κυρίου ἧν μετʼ αὐτῶν, διαφυλάσσων αὐτούς.

XXIII

1 Ὁ δὲ Ἡρώδης ἐξήτει τὸν Ἰωάννην, καὶ ἀπέστειλεν ὑωηρέτας πρὸς Ζαχαρίαν λέγων· ποῦ ἀπέκρυψας τὸν υἱόν σου; ὁ δὲ ἀπεκρίνατο λέγων αὐτοῖς· ἐγὼ λειτουργὸς ὑπάρχω τοῦ θεοῦ καὶ προσεδρεύω τῷ ναῷ κυρίου, οὐκ οἶδα ποῦ ἔστιν ὁ υἱός μου. 2 καὶ ἀπῆλθον οἱ ὑπηρέται καὶ ἀνήγγειλαν τῷ Ἡρώδῃ ταῦτα πάντα. καὶ ὀργισθεὶς ὁ Ἡρώδης εἶπεν· ὁ υἱὸς αὐτοῦ μέλλει βασιλεύειν τοῦ Ἰσραήλ. καὶ ἀπέστειλεν πρὸς αὐτὸν πάλιν λέγων· εἰπὲ τὸ ἀλιθές· ποῦ ἔστιν ὁ υἱός σου; οἶδας γὰρ ὅτι τὸ αἷμά σου ὑπὸ τὴν χεῖρά μού ἐστίν. καὶ ἀπῆλθον οἱ ὑπηρέται καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ ταῦτα πάντα. 3 καὶ εἶπε Ζαχαρίας· μάρτυς εἰμὶ τοῦ θεοῦ, εἰ ἐκχέεις μου τὸ αἷμα· τὸ γὰρ πνεῦμά μου ὁ δεσπότης δέξεται, ὅτι αἷμα ἀθῶον ἐκχέεις εἰς τὰ πρόθυρα τοῦ ναοῖ κυρίου. καὶ περὶ τὸ διάφαυμα ἐφονεύθη Ζαχαρίας. καὶ οὐκ ᾔδεισαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ὅτι ἐφονεύθη.

XXIV

1 Ἀλλὰ ἀπῆλθον οἱ ἱερεῖς εἰς τὴν ὣραν τοῦ ἁσπασμοῦ, καὶ οὐκ ἁπήντησεν αὐτοῖς κατὰ τὸ ἔθος ἡ εὐλογία τοῦ Ζαχαρίου. καὶ ἔστησαν οἱ ἱερεῖς προσδοκῶντες τὸν Ζαχαρίαν τοῦ ἀσπάσασθαι αὐτὸν ἐν τῇ εὐχῇ καὶ δοξάσαι τὸν ὕψιστον. 2 χρουίσαντος δὲ αὐτοῦ ἐφοβήθησαν ἅπαντες· ἀποτολμήσας δὲ εἷς ἐξ αὐτῶν εἰσῆλθεν, καὶ εἶδε παρὰ τὸ θυσισατήριον αἷμα πεπηγὸς καὶ φωνὴν λέγουσαν· Ζαχαρίας πεφόνενται, καὶ οὐκ ἐξαλειφθήσεται τὸ αἷμα αὐτοῦ ἕως ἂν ἔλθῃ ὁ ἔκδικος αὐτοῦ. καὶ ἀκούσας τὸν λόγον ἐφοβήθη, καὶ ἐξῆλθε καὶ ἀνήγγειλε τοῖς ἱερεῦσιν. 3 καὶ τολμήσαντες εἰσῆλθον καὶ εἶδον τὸ γεγονός, καὶ τὰ φατνώματα τοῦ ναοῦ ὀλόλυξαν, καὶ αὐτοὶ περιεσχίσαντο ἀπὸ ἄνωθεν ἕως κάτω. καὶ τὸ σῶμα αὐτοῦ οὐχ εὗρον, ἀλλʼ εὗρου τὸ αἷμα αὐτοῦ λίθον γεγενημένον. καὶ φοβηθέντες ἐξῆλθον καὶ ἀνήγγειλαν παντὶ τῷ λαῷ ὅτι Ζαχαρίας πεφόνευται. καὶ ἤκουσαν πᾶσαι αἱ φυλαὶ τοῦ λαοῦ, καὶ ἐπένθησαν αὐτὸν καὶ ἐκόψαντο τρεῖς ἡνέρας καὶ τρεῖς νύκτας. 4 μετὰ δὲ τὰς τρεῖς ἡμέρας ἐβουλεύσαντο οἱ ἱερεῖς τίνα ἀντʼ αὐτοῦ στήσονσιν, καὶ ἀνέβη ὁ κλῆρος ἐπὶ Συνεών· οὗτος γὰρ ἧν ὁ χρηματισθεὶς ὑπὸ τοῦ ἁγίου πνεύματος, μὴ ἰδεῖν θάνατου ἕως ἂν ἴδῃ τὸν Χριστὸν ἐν σαρκί.

XXV

1 Ἐφὼ δὲ Ἰάκσβος ὁ γράψας τὴν ἱστορίαν ταύτην ἐν Ἱερουσαλήμ, θορύβου γενομένου, ὅτε ἐτελεύτησεν Ἡρώδης, συρέστειλα ἐμαυτὸν ἐν τῇ ἐρήμῳ ἕως κατέπαυσεν ὁ θόρυβος ἐν Ἱερουσαλήμ, δοξάζων τὸν δεσπότην θεὸν τὸν δόντα νοι τὴν δωρεὰν καὶ τὴν σοφίαν τοῦ γράψαι τὴν ἱστορίαν ταύτην. 2 Ἔσται δὲ ἡ χάρις μετὰ τῶν φαβουμένων τὸν κύριον ἡμῶν Ἰησοῦν Χριστόν, ᾧ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων, ἀμήν.

 

Brannan, R. (2013). Greek Apocryphal Gospels, Fragments and Agrapha: Texts and Transcriptions. Bellingham, WA: Lexham Press.


.