SEPTUAGINTA TAALGEBRUIK E
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.
Overzicht van Tenach : Tenach
: overzicht , Tenach
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenach
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
- eiden (hij zag) . act. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Aoristvorm van horaô (zien) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . N. zien . D. sehen , schauen . E. to see . Bijbel (262) . Pentateuch (64) . Js (5) : (1) Js 1,1 . (2) Js 13,1 . (3) Js 30,19 . (4) Js 59,15 . (5) Js 59,16 . Een vorm van eidon / eiden in het NT (336) .
- eimi (zijn) . eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
- eleos (barmhartigheid) . eleos (barmhartigheid)
. Taalgebruik in de Septuaginta : eleos
(barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos
(barmhartigheid) .
- Lat. misericordia . Fr. misericorde . E. mercy . N. barmhartigheid
. D. Barmherzigkeit .
- empimplèmi (invullen,
opvullen, vullen) . empimplèmi (invullen, opvullen, vullen) . Taalgebruik
in de Septuaginta : empimplèmi (invullen,
opvullen, vullen) . Taalgebruik in het NT : empimplèmi (invullen,
opvullen, vullen) . Hebr. mâlâ´ (vullen, vervullen) .
Taalgebruik in Tenach : mâlâ´
(vullen, vervullen) . Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen
. E. to fill .
- mille´thi(j)w : werkwoordvorm piel perf. 1ste pers. enk. mille´thî
(ik + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (hem) van
- epairô (opheffen, verheffen) . epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) . Hebr. nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenach : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . Lat. levare (elevare) . Fr. lever . E. to lift up . D. aufheben . Een vorm van epairô (opheffen, verheffen) in het NT (19) , de LXX (83) .
- eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Taalgebruik in Tenach : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . eulogeô = Lat. benedicere (benedijen) . Fr. bénir . Ned. zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan .
| bijbel | O.T. | NT | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Joz | Re | Rt | 1 S | 2 S | 1 K | 2 K | 1 Kr | 2 Kr | Ezr | Neh | Tob | Jdt | Est | 1 Mak | 2 Mak | |||||
| 1 | act. part. praes. nom. mann. enk. eulogôn | 5 | 3 | 2 | ||||||||||||||||||||||||
| 2 | act. part. praes. nom. mann. mv. eulogountes | 11 | 9 | 2 | ||||||||||||||||||||||||
| 3 | act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen | 69 | 60 | 9 | ||||||||||||||||||||||||
| 4 | ||||||||||||||||||||||||||||
| bijbel | O.T. | NT | Job | Ps | Spr | Pr | Hl | W | Sir | Js | Jr | Kl | Bar | Ez | Da | Hos | Jl | Am | Ob | Jon | Mi | Nah | Hab | Sef | Hag | Zach | Mal | ||||||
| 1 | act. part. praes. nom. mann. enk. eulogôn | 5 | 3 | 2 | |||||||||||||||||||||||||||||
| 2 | act. part. praes. nom. mann. mv. eulogountes | 11 | 9 | 2 | |||||||||||||||||||||||||||||
| 3 | act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen | 69 | 60 | 9 | |||||||||||||||||||||||||||||
| 4 | |||||||||||||||||||||||||||||||||
- eforaô (kijken op, neerkijken) . εφοραω = eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in het NT : eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in de Septuaginta : eforaô (kijken op, neerkijken) .
- exagô (uitleiden, naar
buiten leiden) . exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik
in het NT : exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) .Taalgebruik in het NT : exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) . Hebr. jâtsâ´ (uitgaan,
uittrekken) . Taalgebruik in Tenach : jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken) . exagô < ex (uit) + agô (leiden, voeren)
.
exègagen (bijbel : 67) is vaak de vertaling van het Hebreeuwse wajjôtse´(en
hij deed uitgaan) : waw consec. + werkw.vorm act. hifil imperf. 3de pers. enk..
(jiqtol) . Tenach (15) .
- exairô (uit-breken, opbreken)
. exairô (uit-breken, opbreken) . Taalgebruik in Septuaginta : exairô
(uit-breken, opbreken) . LXX (226) .
act. ind. aor. 3de pers. mv. exèran (zij braken op) van het werkw. exairô
(uit-breken, opbreken) . Taalgebruik in Septuaginta : exairô
(uit-breken, opbreken) . LXX (9) : (1) Ex
19,2 . (2) Nu
10,12 . (3) Nu
10,13 . (4) Nu
10,14 . (5) Nu
10,18 . (6) Nu
10,28 . (7) Nu
10,33 . (8) Re
1, 21 . (9) Ez
11,22 .
- exô (buiten) . exô (buiten) . Taalgebruik in de Septuaginta : exô (buiten) . Taalgebruik in het NT : exô (buiten) . Hebr. chûts (straat, buiten) . Taalgebruik in Tenach : chûts (straat, buiten) . hachûtsâh (naar buiten) . Tenach (16) . LXX (109) .