Tenakh TAALGEBRUIK B

-- bâkhâh (weeklagen, wenen) --

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - Tenakh A - Tenakh B - Tenakh C - Tenakh D - Tenakh E - Tenakh F - Tenakh G - Tenakh H - Tenakh I - Tenakh J - Tenakh K - Tenakh L - Tenakh M - Tenakh N - Tenakh O - Tenakh P - Tenakh Q - Tenakh R - Tenakh S - Tenakh T - Tenakh U - Tenakh V - Tenakh W - Tenakh X -Tenakh Y - Tenakh Z - Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - Septuaginta A - Septuaginta B - Septuaginta C - Septuaginta D - Septuaginta E - Septuaginta F - Septuaginta G - Septuaginta H - Septuaginta I - Septuaginta J - Septuaginta K - Septuaginta L - Septuaginta M - Septuaginta N - Septuaginta O - Septuaginta P - Septuaginta Q - Septuaginta R - Septuaginta S - Septuaginta T - Septuaginta U - Septuaginta V - Septuaginta W - Septuaginta X -Septuaginta Y - Septuaginta Z - Septuaginta : commentaar ,

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , Taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984   Targumim rubrieken (1)
bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel - bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/

  Gn 1 Gn 2 Gn 3 Gn 4 Gn 5 Gn 6 Gn 7 Gn 8 Gn 9 Gn 10 Gn 11 Gn 12 Gn 13 Gn 14 Gn 15 Gn 16 Gn 17 Gn 18 Gn 19 Gn 20 Gn 21 Gn 22 Gn 23 Gn 24 Gn 25
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   

 

  Gn 26 Gn 27 Gn 28 Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 32 Gn 33 Gn 34 Gn 35 Gn 36 Gn 37 Gn 38 Gn 39 Gn 40 Gn 41 Gn 42 Gn 43 Gn 44 Gn 45 Gn 46 Gn 47 Gn 48 Gn 49 Gn 50
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   

- bë (in, met) . בּ = bë (in, met) . Taalgebruik in Tenakh : bë (in, met) .
- bëkhâ (in u) < voorzetsel bë en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud . In 148 verzen in de bijbel . In dertig verzen in de Pentateuch .
- bô (in hem) . Verwijzing : , zie Gn 12,3 . Voorzetsel bë en suffix persoonlijk voornaamwoord derde persoon mannelijk enkelvoud . In 354 verzen in de bijbel . In 131 verzen in de Pentateuch .

בּי = bî (in / tegen mij) < bë + persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Tenakh (10) : (1) Js 1,2 . (2) Js 12,1 . (3) Js 36,5 . (4) Js 43,22 . (5) Js 43,27 . (6) Js 45,23 . (7) Js 50,2 . (8) Js 57,13 . (9) Js 65,5 . (10) Js 66,24 .
- bô (in/ voor hem) < bë + persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (354) . Pentateuch (131) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (60) . 12 Kleine Profeten (12) . Geschriften (90) . Dt (27) . Dt 17 () : (1) Dt 17,1 . (2) Dt 17,7 . (3) Dt 17,8 . (4) Dt 17,15 . (5) Dt 17,19 . Re (9) : (1) Re 1,1 . (2) Re 1,5 . (3) Re 6,32 . (4) Re 9,26 . (5) Re 9,38 . (6) Re 9,52 . (7) Re 16,30 . (8) Re 19,4 . (9) Re 19,7 .
- bâh (in haar) < bë + persoonl. voornaamw. 3de pers. vr. enk. . Tenakh (275) . Pentateuch (71) . Eerdere Profeten (53) . Latere Profeten (67) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (67) . Dt (24) . Dt 17 (1) : Dt 17,14 .

- בָּם = bâm (aan / onder hen) < prefix voorzetsel bë + bezitteL. voornaamw. 3de pers. mann. mv. (< hèm) . Zie : בּ = bë (in, met) . Taalgebruik in Tenakh : bë (in, met) . Tenakh (133) . Dt (11) : (1) Dt 4,5 . (2) Dt 4,9 . (3) Dt 4,15 . (4) Dt 4,19 . (5) Dt 6,7 . (6) Dt 7,3 . (7) Dt 7,20 . (8) Dt 11,19 . (9) Dt 21,5 . (10) Dt 31,28 . (11) Dt 32,20 .


- ba`al / bâ`al (Baäl, meester) . ba`al / bâ`al (Baäl, meester) . Taalgebruik in Tenakh : ba`al / bâ`al (Baäl, meester) . Getalswaarde : beth = 2 , ajin = 16 of 70 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 102 (2 X 3 X 17) . Structuur : 2 - 7 - 3 . Tenakh (58) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Js (2) : (1) Js 41,15 . (2) Js 50,8 .
- ba`al pë`ôr (Baäl Peor) . Tenakh (2) : (1) Dt 4,3 . (2) Hos 9,10 .
- habbë`âlîm < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. mann. mv. van het zelfst. naamw. . Tenakh (13) : (1) Re 2,11 . (2) Re 3,7 . (3) Re 8,33 . (4) Re 10,6 . (5) Re 10,10 . (6) 1 S 7,4 . (7) 1 S 12,10 . (8) 1 K 18,18 . (9) Jr 2,23 . (10) Jr 9,13 . (11) Hos 2,15 . (12) Hos 2,19 . (13) 2 Kr 34,4 .
- mann. mv. stat. construct. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. bë`âlâ(j)w (zijn meesters) . Tenakh (10) : (1) Ex 21,29 . (2) Ex 21,36 . (3) Ex 22,10 . (4) Ex 22,13 . (5) Ex 22,14 . (6) Js 1,3 . (7) Spr 1,19 . (8) Spr 16,22 . (9) Spr 17,8 . (10) Pr 8,8 .
- labba`al / labbâ`al / lëbba`al (voor Baäl, meester) . Tenakh (20) : (1) Nu 25,3 . (2) Nu 25,5 . (3) Re 2,13 . (4) Re 6,31 . (5) 1 K 16,32 . (6) 1 K 19,18 . (7) 2 K 10,19 . (8) 2 K 10,20 . (9) 2 K 21,3 . (10) 2 K 23,4 . (11) 2 K 23,5 . (12) Jr 7,9 . (13) Jr 11,13 . (14) Jr 11,17 . (15) Jr 19,5 . (16) Jr 32,29 . (17) Hos 2,10 . (18) Ps 106,28 . (19) Spr 18,9 . (20) Pr 10,11 .
- lëba`al pë`ôr (aan Baäl Peor) . Tenakh (3) : (1) Nu 25,3 . (2) Nu 25,5 . (3) Ps 106,28 . Telkens met een vorm van het werkw. tsâmad (nifal lë : aanhangen, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâmad (nifal lë : aanhangen, dienen) .


- bar (verklaren, duidelijk maken) . בָאַר = bâ´ar (verklaren, duidelijk maken) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen istelkens 5 .

- bâ`ar (branden, verbranden, verteren, ontsteken) . bâ`ar (branden, verbranden, verteren, ontsteken) . Taalgebruik in Tenakh : bâ`ar (branden, verbranden, verteren, ontsteken) . Getalswaarde : beth = 2 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2³ X 2² X 17) . Structuur : 2 - 7 - 2 .
- ûbhâ`ärû (en zij branden) < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. mv. . Tenakh (2) : (1) Js 1,31 . (2) Ez 39,9 .


- bâbhèl (Babel) . bâbhèl (Babel) . Taalgebruik in Tenakh : bâbhèl (Babel) . Getalswaarde : beth = 2 , lamed = 13 of 40 ; totaal : 17 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 2 - 2 - 4 . De som van de verschillende elementen is telkens 8 . Tenakh (208) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (153) . 12 Kleine Profeten (2) . Profeten in totaal (177) . Geschriften (29) . Js (8) : (1) Js 13,1 . (2) Js 13,19 . (3) Js 14,4 . (4) Js 21,9 . (5) Js 39,1 . (6) Js 39,6 . (7) Js 39,7 . (8) Js 47,1 .
- bâbhâlâh / bâbhèlâh (naar Babel) . Tenakh (27) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (20) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (3) . Js (1) : Js 43,14 .
- bëbâbhèl (in Babel) . Tenakh (8) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (3) . Js (1) : Js 48,14 .
- lëbâbhèl (naar Babel) . Tenakh (10) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) . Js (1) : Js 14,22 .
- mëbâbhèl (uit Babel) . Tenakh (12) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (4) . Js (2) : (1) Js 39,3 . (2) Js 48,20 .


- bâchar (kiezen, uitverkiezen) . bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Tenakh : bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Jesaja : bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Getalswaarde : beth = 2 , chet = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 8 - 2 . Gr. eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in het NT : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Lat. eligere . Fr. elire , choisir . E. to choose , to elect . D. auswählen . Een vorm van eklegô in de LXX (141) , (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) in het NT (22) . Het Griekse werkw. eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) is één van de 10 werkw. om een vorm van bâchar (kiezen, uitverkiezen) te vertalen . Een vorm van bâchar (kiezen, uitverkiezen) in Js in 19 verzen : (1) Js 1,29 . (2) Js 7,15 . (3) Js 7,16 . (4) Js 14,1 . (5) Js 40,20 . (6) Js 41,8 . (7) Js 41,9 . (8) Js 41,24 . (9) Js 43,10 . (10) Js 44,1 . (11) Js 44,2 . (12) Js 48,10 . (13) Js 49,7 . (14) Js 56,4 . (15) Js 58,5 . (16) Js 58,6 . (17) Js 65,12 . (18) Js 66,3 . (19) Js 66,4 . Tegenover welbehagen staat mishagen (râ`â`) . Andere profet. boeken (7) .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jibhëchar / jibhëchâr (hij verkoos) . j-bh-ch-r . Tenakh (33) . Pentateuch (25) . Dt (23) . (1) Dt 12,5 . (2) Dt 12,11 . (3) Dt 12,14 . (4) Dt 12,18 . (5) Dt 12,21 . (6) Dt 12,26 . (7) Dt 14,23 . (8) Dt 14,24 . (9) Dt 14,25 . (10) Dt 15,20 . (11) Dt 16,2 . (12) Dt 16,6 . (13) Dt 16,7 . (14) Dt 16,11 . (15) Dt 16,15 . (16) Dt 16,16 . (17) Dt 17,8 . (18) Dt 17,10 . (19) Dt 17,15 . (20) Dt 18,6 . (21) Dt 23,17 . (22) Dt 26,2 . (23) Dt 31,11 . Js (2) : (1) Js 40,20 . (2) Js 41,24 .
- (´äsjèr) jibhëchar JHWH (die JHWH uitkoos) . Tenakh (20) : (1) Nu 16,7 . (2) Dt 12,5 . (2) Dt 12,11 . (3) Dt 12,14 . (4) Dt 12,18 . (5) Dt 12,21 . (6) Dt 12,26 . (7) Dt 14,24 . (8) Dt 14,25 . (9) Dt 15,20 . (10) Dt 16,2 . (11) Dt 16,6 . (12) Dt 16,7 . (13) Dt 16,11 . (14) Dt 16,15 . (15) Dt 17,8 . (16) Dt 17,10 . (17) Dt 17,15 . (18) Dt 18,6 . (19) Dt 26,2 . (20) Dt 31,11 .
- bëharëthîkhâ (ik verkoos jou) . Tenakh (3) : (1) Js 41,8 . (2) Js 41,9 . (3) Js 48,10 .
- wajjibhëchârèkhâ (en ik verkoos jou) < verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. ma,n. enk. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Tenakh (1) : Js 49,7 .
- bëchîrî (mijn uitverkorene, uitgekozene) van het zelfst. naamw. bâhîr . Zie het werkw. bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Tenakh : bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Jesaja : bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Getalswaarde : beth = 2 , chet = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 8 - 2 . Gr. eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in het NT : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . Lat. eligere . Fr. elire , choissir . E. to choose , to elect . D. auswählen . Gr. eklektos . Lat. electus . Fr. élu . D. auserwählt . E. chosen , elect . Een vorm van eklektos in de LXX (99) , in het NT (22) .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. bâchârëthî (ik verkies) . Tenakh (19) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (7) : (1) 1 K 8,16 . (2) 1 K 11,13 . (3) 1 K 11,32 . (4) 1 K 11,34 . (5) 1 K 11,36 . (6) 2 K 21,7 . (7) 2 K 23,27 . Js (3) : (1) Js 43,10 . (2) Js 44,1 . (3) Js 44,2 .

JHWH (Jahweh koos) . bâchar JHWH (JHWH koos) . Tenakh (10) : (1) Dt 7,6 . (2) Dt 14,2 . (3) Dt 18,5 . (4) Dt 21,5 . (5) 2 S 16,18 . (6) 1 K 14,21 . (7) 1 Kr 15,2 . (8) 2 Kr 12,13 . (9) 2 Kr 29,11 . (10) Jr 33,24 .

--- = wajjibhchar (en hij verkoos). In 17 verzen in de bijbel. (1) Gn 13,1 (kai exelexato - elegitque) . (2) Ex 18,25 (kai epelexen - losse ablatief : electis viris) . (3) Dt 4,37 . (4) Dt 7,7 . (5) Dt 10,15 . (6) Joz 8,3 . Ps 78,68 : En hij verkoos de stam Juda, de berg Sion die ik liefheb. Ps 78,70 : En hij koos voor David, zijn dienaar.
- eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) .
-- exelexamèn (ik uitkoos).
-- exelexato (hij verkoos) . Verwijzing : bächar (kiezen, uitverkiezen) , zie Ps 78,68 . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord eklegô (uit-lezen, uit-kiezen, ver-kiezen, uit-ver-kiezen) . In eenenveertig verzen in de bijbel . O.T. (32) . Gn (1) . Nu (1) . Dt (5) . 1 S (4) . 2 S (3) . 1 K (1) . Ps (8) . 1 Kr (4) . 2 Kr (1) . 2 M (1) . Si (2) . Ba (1) . NT (9) . Mc (1) . Lc (1) . Hnd (3) . Brieven (4) . In tweeëndertig verzen in het O.T. : Dt 18,5 . Ps 78,68 . In negen verzen in het NT : (1) Mc 13,20 . (2) Lc 10,42 . (3) Hnd 1,2 : hous exelexato (die hij uitkoos) . (4) Hnd 13,17 . (5) Hnd 15,7 . (6)
--- eklexamenos (uitgekozen). In 3 verzen in de bijbel. In 1 vers in het NT : Lc 6,13 : eklexamenos ap'autôn dôdeka = uitgekozen uit hen twaalf .
--- epilegô (verkiezen boven).
----- epelexen (hij verkoos boven). In 10 verzen in de bijbel. Niet in het NT (1) Ex 18,25 (kai epelexen - losse ablatief : electis viris) . (2) Dt 21,5 .


- בַּד = bad (afzondering, deel)

- bad (afzondering, deel) . בַּד = bad (afzondering, deel) . Taalgebruik in Tenakh : bad (afzondering, deel) .

- לְבַדּוֹ = lëbhaddô (voor zijn afzondering) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. mann. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Zie het zelfst. naamw. בַּד = bad (afzondering, deel) . Taalgebruik in Tenakh : bad (afzondering, deel) . Tenakh (36) .

- bdad (binnengaan in , splijten , afzonderen, zich afzonderen , eenzaam zijn) . בָּדַד = bâdad (binnengaan in , splijten , afzonderen, zich afzonderen , eenzaam zijn) . Taalgebruik in Tenakh : bdad (binnengaan in , splijten , afzonderen, zich afzonderen , eenzaam zijn) . Getalswaarde : beth = 2 , daled = 4 ; totaal ; 10 . Structuur : 2 - 4 - 4 . De som van de elementen is telkens 1 .


- bâdal (afscheiden, verdelen) . בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) .

  1. prefix waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. וַיַבְדֵּל = wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) . Tenakh (3) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) 1 Kr 23, 13 .
  2. act. hifil part. mann. enk. מַבְדִּיל = mabhëdîl (scheidende) . Gn 1,6 .
  3. וּלְהֲבְדִּיל = ûlähabhëdîl (en om een scheiding aan te brengen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + act. hifil inf. stat. construct. . Zie : בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) .

 

- בַּיִּת = bajith (huis)

- bajith (huis) . stat. constr. בֵּית = be(j)th van het zelfst. naamw. בַּיִּת = bajith (huis) . Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103) . Structuur : 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Taalgebruik in Jesaja : bajith (huis) . Tenakh (911) . Js (35) . Js 2 (4) : (1) Js 2,2 . (2) Js 2,3 . (3) Js 2,5 . (4) Js 2,6 .

- be(j)th JHWH . Tenakh (172) . Js (6) : (1) Js 2,2 . (2) Js 37,1 . (3) Js 37,14 . (4) Js 38,20 . (5) Js 38,22 . (6) Js 66,20 .

- be(j)thô (zijn huis) < zelfst. naamw. stat. constr. be(j)th + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (103) . Pentateuch (30) . Eerdere Profeten (45) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (24) . 1 S (8) : (1) 1 S 1,21 . (2) 1 S 2,11 . (3) 1 S 3,12 . (4) 1 S 3,13 . (5) 1 S 7,17 . (6) 1 S 15,34 . (7) 1 S 24,23 . (8) 1 S 25,17 .

- בֵיתֶךָ = be(j)thèkhâ (jouw huis) < zelfst. naamw. stat. construct. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : בַּיִּת = bajith (huis) . Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103) . Structuur : 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (39) . Dt (6) : (1) Dt 6,9 . (2) Dt 7,2 . (3) Dt 11,20 . (4) Dt 15,16 . (5) Dt 21,12 . (6) Dt 22,2 .

- בְּבֵיתֶךָ = bëbthe(j)thèkhâ (in jouw huis) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. construct. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. enk. . Zie het zelfst. naamw. stat. constr. בֵּית = be(j)th van het zelfst. naamw. בַּיִּת = bajith (huis) . Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103) . Structuur : 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (19) . Pentateuch () : (1) Gn 31,41. (2) Ex 7,28 . (3) Nu 18,11 . (4) Nu 18,13 . (5) Dt 6,7 . (6) Dt 11,19 . (7) Dt 21,13 . (8) Dt 22,8 . (9) Dt 25,14 .

- מִבֵּית = mibbe(j)th (uit het huis van) < voorzetsel min + stat. constr. van het zelfst. naamw. בַּיִּת = bajith (huis) . Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103) . Structuur : 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (102) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (17) . Ex (8) : (1) Ex 2,1 . (2) Ex 13,3 . (3) Ex 13,14 . (4) Ex 20,2 . (5) Ex 22,6 . (6) Ex 25,11 . (7) Ex 26,33 . (8) Ex 37,2 .


- בָכָה = bâkhâh (weeklagen, wenen)

- bkhh (weeklagen, wenen) . בָכָה = bâkhâh (weeklagen, wenen) . Taalgebruik in Tenakh : bkhh (weeklagen, wenen) . Getalswaarde : beth = 2 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 27 (3³) . Structuur : 2 - 2 - 5 . De som van de elementen is 9 . b-kh-h . (1) act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. bâkhâh (hij weent) . (2) act. qal part. mann. enk. bokhèh (wenende) . (3) prefix voorzetsel bë + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. bëkhâh (in jou) . (4) prefix voorzetsel bë + bijwoord bëkhoh (op zo) . (5) zelfst. naamw. bèkèh (geween) . Tenakh (10) : (1) Gn 45,14 . (2) Ex 2,6 . (3) Nu 11,10 . (4) 2 S 19,2 . (5) 2 S 22,30 . (6) 1 K 22,20 . (7) 2 K 8,12 . (8) Hos 12,5 . (9) Ps 141,8 . (10) Ezr 10,1 . b-kh-w . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. mv. bâkhû (zij wenen) . Tenakh (6) : (1) 2 S 13,36 . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) .

- act. ind. qal jiqtol (imperf.) 2de pers. mann. enk. en 3de pers. vr. enk. תִּבְכֶּה = thibhëkèh (jij weent / zij weent) van het werkw. בָכָה = bâkhâh (weeklagen, wenen) . Taalgebruik in Tenakh : bâkhâh (weeklagen, wenen) . Tenakh (5) : (1) 1 S 1,10 . (2) Js 30,19 . (3) Jr 13,17 . (4) Ez 24,16 . (5) Kl 1,2 . Zie ook Kl 1,16 .

- וְלִבְכֹּתָהּ = wëlibhëkothâh < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + qal inf. stat. construct. + persoonl. voornaamw. vr. enk. (en om haar te bewenen) van het werkw. בָכָה = bâkhâh (weeklagen, wenen) . Taalgebruik in Tenakh : bâkhâh (weeklagen, wenen) . Getalswaarde : beth = 2 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 27 (3³) . Structuur : 2 - 2 - 5 . De som van de elementen is 9 . Tenakh (1) : Gn 23,2 .

- zelfst. naamw. vr. enk.


- בָּלָה = bâlâh (ver-slijten, oud worden)

- blh (ver-slijten, oud worden) . בָּלָה = bâlâh (ver-slijten, oud worden) . Taalgebruik in Tenakh : blh (ver-slijten, oud worden) . Getalswaarde : beth = 2 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 19 OF 37 . Structuur : 2 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 .

- act. hifil imperat. 2de pers. vr. enk. בְּלִי = bëlî (word oud) van het werkw. בָּלָה = bâlâh (ver-slijten, oud worden) . Taalgebruik in Tenakh : bâlâh (ver-slijten, oud worden) .


- bmh (hoogte, grafheuvel, tempel) . bâmâh (hoogte, grafheuvel, tempel) . Taalgebruik in Tenakh : bmh (hoogte, grafheuvel, tempel) . Getalswaarde : beth = 2 , mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 20 (2² X 5) OF 47 . Structuur : 2 - 4 - 5 .
- habbâmôth (de hoogten) < bepaald lidw. + vr. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (24) . 1 K (4) : (1) 1 K 12,32 . (2) 1 K 13,2 . (3) 1 K 13,32 . (4) 1 K 22,44 . 2 K () : (1) 2 K 12,4 . (2) 2 K 14,4 . (3) 2 K 15,4 . (4) 2 K 15,35 . (5) 2 K 17,29 . (6) 2 K 17,32 . (7) 2 K 18,4 . (8) 2 K 21,3 . (9) 2 K 23,8 . (10) 2 K 23,9 . (11) 2 K 23,13 . (12) 2 K 23,19 . (13) 2 K 23,20 . Js (1) . 2 Kr (6) . ´èth habbâmôth (de hoogten) . Tenakh (7) : (1) 2 K 18,4 . (2) 2 K 21,3 . (3) 2 K 23,8 . (4) 2 Kr 14,4 . (5) 2 Kr 17,6 . (6) 2 Kr 31,1 . (7) 2 Kr 33,3 . ´èth habbâmôth ´äsjèr (de hoogten die) . Tenakh (3) : (1) 2 K 21,3 . (2) 2 K 23,8 . (3) 2 Kr 33,3 .
- habbâmôth ´äsjèr (de hoogten die) . Tenakh (9) : (1) 1 K 12,32 . (2) 1 K 13,32 . (3) 2 K 17,29 . (4) 2 K 21,3 . (5) 2 K 23,8 . (6) 2 K 23,13 . (7) 2 K 23,19 . (8) 2 K 23,20 . (9) 2 Kr 33,3 .


- bnh (bouwen, bebouwen) . בָנָה = bânâh (bouwen, bebouwen) . Taalgebruik in Tenakh : bnh (bouwen, bebouwen) . Getalswaarde : beth = 2, nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 21 (3 X 7) of 57 (3 X 19) . Structuur : 2 - 5 - 5 ; totaal : 12 -> 3 .
- וַיִּבֶן = wajjibhèn (en hij bouwde) < wë + act; qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. בָנָה = bânâh (bouwen, bebouwen) . Taalgebruik in Tenakh : bânâh (bouwen, bebouwen) . Getalswaarde : beth = 2, nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 21 (3 X 7) of 57 (3 X 19) . Structuur : 2 - 5 - 5 ; totaal : 12 -> 3 . Tenakh (64) . Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (20) . 2 K (3) : (1) 2 K 16,11 . (2) 2 K 21,3 . (3) 2 K 21,5 . = wajjibhèn ´èth (en hij bouwde) . Tenakh (17) : (1) Gn 10,11 . (2) 1 K 6,9 . (3) 1 K 6,10 . (4) 1 K 6,15 . (5) 1 K 6,16 . (6) 1 K 6,36 . (7) 1 K 7,2 . (8) 1 K 12,25 . (9) 1 K 15,17 . (10) 1 K 16,24 . (11) 2 K 21,3 . (12) 2 Kr 8,4 . (13) 2 Kr 8,5 . (14) 2 Kr 11,6 . (15) 2 Kr 16,1 . (16) 2 Kr 32,5 . (17) 2 Kr 33,3 .


- בָקָע = bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden)

- bq` (openscheuren, klieven, splijten, wonden) . בָקָע = bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden) . Taalgebruik in Tenakh : bq` (openscheuren, klieven, splijten, wonden) . Getalswaarde : beth = 2 , qoph = 19 of 100 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 37 OF 172 (2² X 43) . Structuur : 2 - 1 - 7 . De som van de elementen is telkens 1 .


- bqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Taalgebruik in Tenakh : bqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Getalswaarde : beth = 2 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 (zie 41) OF 302 (2 X 151) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de termen is telkens 5 . b-q-r . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. bâqar (hij onderzoekt) . (2) zelfst. naamw. bâqâr (rund, rundvee) . (3) בֹקֶר = boqèr (morgen) . Tenakh (114) . Pentateuch (72) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (17) . Dt (3) : (1) Dt 21,3 . (2) Dt 28,67 . (3) Dt 32,14 .
- babboqèr (in de morgen, 's morgens) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. b-q-r . Zie : Tenakh (92) . Pentateuch (37) . Eerdere Profeten (30) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (13) . Dt (3) : (1) Dt 14,26 . (2) Dt 16,7 . (3) Dt 28,67 . Gr. prôi ('s morgens) . Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) . Taalgebruik in de LXX : prôï (vroeg) .

prôi ('s morgens)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  181  169  12  6       11     

wajëbhaqqesj (en hij zocht) . Nevenschikkend voegwoord waw + werkwoordvorm piel imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In dertien verzen in de bijbel .
- bâqasj (zoeken) . bâqasj (zoeken) . Taalgebruik in Tenakh : bâqasj (zoeken) . Getalswaarde : beth = 2 , qoph = 19 of 100 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 42 OF 402 . Gr. zèteô (zoeken) . Taalgebruik in de LXX : zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het NT : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj . dârasj < midrasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken . Een vorm van zèteô (zoeken) in de LXX (320) , in het NT (117) .
- act. piël 2de pers. mann. mv. baqqësjû (zoekt) . Tenakh (5) : (1) 1 S 28,7 . (2) Sef 2,3 . (3) Ps 27,8 . (4) Ps 105,4 . (5) 1 Kr 16,11 .


- בָרָא = bârâ´ (scheppen)

- bârâ´ (scheppen) . בָרָא = bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik : bârâ´ (scheppen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 2 -1 . De som van de elementen is telkens 5 . Lat. creare . Fr. créer . E. to create . D. schaffen . Een vorm van b-r-´ (scheppen) in Tenakh in 17 verzen (21X) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,27 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,1 . (5) Dt 4,32 . (6) 2 K 12,17 . (7) Js 40,26 . (8) Jr 31,22 . (9) Ez 21,24 . (10) Ps 51,12 . (11) In zeven verzen in Da .
-- bârâ´ ´êlohîm (God schiep) . Tenakh (3 / 10) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 2,3 . (3) Dt 4,32 .
- verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal 3de pers. mann. enk. ûbârâ´(en hij schiep) . Tenakh (1) Js 4,5 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. bârâ´thî (ik schiep) . Tenakh (5) : (1) Gn 6,7 . (2) Js 45,12 . (3) Js 54,16 . (4) Da 8,2 . (5) Da 8,15 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. bërâ´thîw (ik schiep hem) . Tenakh (2) : (1) Js 43,7 . (2) Js 45,8 .
- act. qal perf. 3de pers. mann. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. vr. enk. . Tenakh (2) : (1) Js 41,20 . (2) Js 45,18 .
- act. qal part. nom. mann. enk. bôre´(scheppend) . Tenakh = Jesaja (7) : (1) Js 40,28 . (2) Js 42,5 . (3) Js 43,15 . (4) Js 45,18 . (5) Js 57,19 . (6) Js 65,17 . (7) Js 65,18 .
-- bôre´(scheppend) sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Tenakh (1) : Js 65,17 .
-- JHWH bôre´ (JHWH , scheppend) . Tenakh (3 / 7) : (1) Js 40,28 . (2) Js 42,5 . (3) Js 45,18 .
--- JHWH bôre´ (JHWH , scheppend) hasjsjâmajim / hasjsjâmâjim (de hemelen) . Tenakh (2 / 7) : (1) Js 42,5 . (2) Js 45,18 .

- act. qal part. nom. mann. enk.+ suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. = bora´äkhâ (jou scheppend) van het werkw. בָרָא = bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik in Tenakh : bârâ´ (scheppen) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 23 of 203 . Structuur : 2 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1) Js 43,1 .
- Ned. : doen . Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) . Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken . D. : tun . E. : do : Fr. : faire . Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Lat. : facere .

- act. qal part. nom. mann. enk.+ suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. bora´äkhâ (jou scheppend) . Tenakh (1) Js 43,1 .
- verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal part. nom. mann. enk. ûbôre´(en scheppend) . Tenakh (1) Js 45,7 .

- וַיִּבְרָא = wajjibhërâ´ (en hij schiep) < prefix waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. enk.

- De getalswaarde van bâra' is 2 - 20 of 200 - 1 . 2 is het symbool van het geschapene, verwekte , van veelheid . Die veelheid mag zich ontwikkelen tot in zijn uiterste vorm (200) om uiteindelijk tot éénheid (aleph = 1) te groeien . Scheppen wijst dus op het groeien naar veelheid die uiteindelijk toch tot éénheid en bij haar schepper zal komen .


- brach (vluchten, snel weggaan, doorgaan) . bârach (vluchten, snel weggaan, doorgaan) . Taalgenruik in Tenakh : brach (vluchten, snel weggaan, doorgaan) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 2 - 8 . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. bârach (hij vluchttte) . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. bërach (vlucht) . (3) act. qal part. mann. enk. boreach (vluchtende) . b-r-ch . Tenakh (18) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (2) . Pentateuch (5) : (1) Gn 27,43 . (2) Gn 31,20 . (3) Gn 31,22 . (4) Ex 14,5 . (5) Nu 24,11 . - waththibhërach (en zij vluchtte) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. Tenakh (1) : Gn 16,6 .


- בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen)

- bârakh (zegenen, loven, prijzen) . בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) OF 222 (6 X 37) of (2 X 111) of (10 X 17) + (2 X 26) . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . 222 is de som van twee produkten met de getalswaarde van JHWH .
- Grieks . ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Mc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Een vorm van ευλογεω = eulogeô in de LXX (516) , in het NT (42) , Mt (5) : (1) Mt 14,19 . (2) Mt 21,9 . (3) Mt 23,39 . (4) Mt 25,34 . (5) Mt 26,26 , Mc (5) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,7 . (3) Mc 11,9 . (4) Mc 11,10 . (5) Mc 14,22 , Lc (13) : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen . Joh (1) : Joh 12,13 . Hnd (2) : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 3,26 .

- Ned. : zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan . Arabisch : بَارَكَ = bâraka (zegenen) . Taalgebruik in de Qoran : bâraka (zegenen) . Zie : http://www.arabischlexicon.com/51-baraka-zegen-157615851603.html . D. : segnen . E. : to bless . Fr. : bénir . Gr. : ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebreeuws : בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Lat. : benedicere .

- De getalswaarde van bârakh wordt gekenmerkt door de 2 : 2 - 20 of 200 - 11 of 20 , door groei in veelheid . Het is een proces van uitbreiding, vermenigvuldiging, verveelvoudiging . Het wordt vertaald met zegenen . Het heeft de gedachte van ons proficiat (dat mag je vooruitmaken, je laten groeien , je ten goede komen) . Het is verwant met bâra' (scheppen) waarbij ook het accent op groei naar verscheidenheid ligt , maar uiteindelijk met het oog op éénheid .

--- bâräkhî (zegen). Piel imperatief 2de persoon enkelvoud. In 5 verzen in de Psalmen. Telkens in de zin : bâräkhî naphësjî JHWH (zegen, mijn ziel, JHWH) (1) Ps 103,1 . (2) Ps 103,2 . (3) Ps 103,22 . (4) Ps 104,1 . (5) Ps 104,35 .
--- bâräkhû (zegent). Piel imperatief 2de persoon meervoud. Getalswaarde: 33 of 222 + 6 = 39 of 228. In 20 verzen in de bijbel. In 10 verzen in de Psalmen. (10) Ps 135,20 .

- act. piël infinit. absol. בָרֵך = bârekh (te zegenen) van het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . 111 = 3 X 37 OF (5 X 17) + 26 . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (5) : (1) Gn 22,17 . (2) Nu 23,11 . (3) Nu 23,20 . (4) Nu 24,10 . (5) Dt 15,4 .

- pass. qal deelw. tegenwoordige tijd mann. enk. בָּרוּך = bârûkh (gezegend) van het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (83) . Pentateuch (17) : (1) Gn 9,26 . (2) Gn 14,19 . (3) Gn 24,27 . (4) Gn 24,31 . (5) Gn 26,29 . (6) Gn 27,29 . (7) Gn 27,33 . (8) Ex 18,10 . (9) Nu 22,12 . (10) Nu 24,9 . (11) Dt 7,14 . (12) Dt 28,3 . (13) Dt 28,4 . (14) Dt 28,5 . (15) Dt 28,6 . (16) Dt 33,20 . (17) Dt 33,24 . Ps (13) : (1) Ps 28,6 . (2) Ps 31,22 . (3) Ps 41,14 (bij het einde van het eerste psalmenboek). (4) Ps 66,20 (einde van de Psalm) . (5) Ps 68,20 . (6) Ps 68,36 (op het einde van de Psalm) . (7) Ps 72,18 (bij het einde van het tweede psalmenboek) . (8) Ps 89,53 (bij het einde van het derde psalmenboek) . (9) Ps 106,48 (bij het einde van het vierde psalmenboek) .
- L. benedictus . F. béni .

- pass. qal part. praes. vr. enk. בְרוּכָה = bërûkhâh (gezegend) van het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (1) : Rt 3,10 .

- בָרוּך יהוה = bârûkh JHWH . Tenakh (25) : (1) Gn 9,26 . (2) Gn 24,27 . (3) Ex 18,10 . (4) Rt 4,14 . (5) 1 S 25,32 . (6) 1 S 25,39 . (7) 2 S 18,28 . (8) 1 K 1,48 . (9) 1 K 5,21 . (10) 1 K 8,15 . (11) 1 K 8,56 . (12) 1 Kr 16,36 . (13) 2 Kr 2,11 . (14) 2 Kr 6,4 . (15) Ezr 7,27 . (16) Ps 28,6 . (17) Ps 31,22 . (18) Ps 41,14 . (19) Ps 72,18 . (20) Ps 89,53 . (21) Ps 106,48 . (22) Ps 124,6 . (23) Ps 135,21 . (24) Ps 144,1 . (25) Zach 11,5 .

--- ´äbhâräkhâh (ik zal zegenen). Piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud. Het suffix h duidt de cohortativus aan om te benadrukken. In 1 vers in de bijbel : Ps 34,2 .
--- wa´äbhâräkhâh (ik zal zegenen). Piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud. Met prefix waw (en). Het suffix h duidt de cohortativus aan om te benadrukken. In 2 verzen in de bijbel: (1) Gn 12,3 . (2) Ps 145,1 .
--- ´äbhâräkhèchâ (ik zal je zegenen). Piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud met suffix khâ (jou). In 3 verzen in de bijbel: (1) Gn 22,17 . (2) Ps 63,5 . (3) Ps 145,2 .

- וַאֲבָרֶכְךָ = wa´äbhârëkhèkhâ (en ik zal je zegenen) < prefix consec. wë + act. piël imperf. 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . 111 = 3 X 37 OF (5 X 17) + 26 . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (2) : (1) Gn 12,2 . (2) Gn 26,3 .

--- jëbhârekh (hij zal zegenen). Piel imperfectum 3de persoon enkelvoud. In 14 verzen in de bijbel. In 6 verzen in de Psalmen. (1) Ps 29,11 . (2) Ps 49,19 . (3) Ps 112,2 . (4) Ps 115,12 . (5) Ps 115,13 . (6) Ps 128,4 .

--- wîbâreckh (en hij zal zegenen). In 33 verzen in de bijbel. In 1 vers in de Psalmen: Ps 145,21 .
--- jëbhârëkhenû (hij zal zegenen). Piel imperfectum 3de persoon enkelvoud met suffix (nû) van het persoonlijk voornaamwoord 1ste persoon meervoud. In 2 verzen in de bijbel.
--- יְבָרֶכְך? = jëbhârèkhëkhâ (hij zal je zegenen) < piël imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud met suffix (kha) van het persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud . Tenakh (17) : (1) Gn 27,10 . (2) Nu 6,24 (de priesterlijke zegen) . (3) Dt 14,24 . (4) Dt 14,29 . (5) Dt 15,4 . (6) Dt 15,10 . (7) Dt 16,10 . (8) Dt 16,15 . (9) Dt 23,21 . (10) Dt 24,19 . (11) 2 K 4,29 . (12) Jr 31,23 . (13) Job 1,11 . (14) Job 2,5 . (15) Rt 2,4 . In 2 verzen in de Psalmen : (1) Ps 128,5 . (2) Ps 134,3 .
-
--- wîbhârëkhenû (en hij zal ons zegenen). Piel imperfectum 3de persoon enkelvoud met prefix waw (en) en suffix (nû) van het persoonlijk voornaamwoord 1ste persoon meervoud. In 1 vers in de bijbel nl. Ps 67,2 .

- waw consec. + act. piel imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְבָרֶך = wajëbhârèkh (en hij zegende) van het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . 111 = 3 X 37 OF (5 X 17) + 26 . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (33) . Pentateuch (20) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 2,3 . (4) Gn 5,2 . (5) Gn 9,1 . (6) Gn 24,11 . (7) Gn 25,11 . (8) Gn 28,1 . (9) Gn 30,30 . (10) Gn 32,1 . (11) Gn 32,30 . (12) Gn 35,9 . (13) Gn 39,5 . (14) Gn 47,7 . (15) Gn 47,10 . (16) Gn 48,3 . (17) Gn 48,15 . (18) Gn 49,28 . (19) Ex 39,43 . (20) Dt 1,1 . Verder : (21) Joz 24,10 . (22) 2 S 6,11 . (23) 2 S 6,18 . (24) 2 S 14,22 . (25) 1 K 8,14 . (26) 1 K 8,55 . (27) Ps 145,21 . (28) Neh 8,6 . (29) 1 Kr 13,14 . (30) 1 Kr 16,2 . (31) 1 Kr 29,10 . (32) 2 Kr 6,3 . (33) 2 Kr 6,13 .

-- wajëbhârèkh (en hij zegende) ´othâm (hen) . Tenakh (4) : (1) Gn 1,22 . (2) Gn 1,28 . (3) Gn 5,2 . (4) Ex 39,43 .
- wënibhërëkhû (en zij zullen gezegend worden) . Nifal perfectum derde persoon meervoud . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 12,3 . (2) Gn 18,18 . (3) Gn 28,14 .

- act. piël imperf. (jiqtol) 3de pers. mann. mv. תְבָרֱכוּ = thëbhâräkhû (jullie zullen zegenen) van het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) OF 222 (6 X 37) of (2 X 111) of (10 X 17) + (2 X 26) . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . 222 is de som van twee produkten met de getalswaarde van JHWH . Tenakh (1) : Nu 6,23 .

  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   Joz   Re   Rt  1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Neh  Tob  Jdt  Est  1 Mak  2 Mak     
                                                 
bârûkh JHWH ´êlohej jisërâ´el   8                                        
  mëborakh (gezegend)                                               
                                                 

  Job  Ps  Spr  Pr  Hl  W  Sir  Js  Jr  Kl  Bar   Ez  Da  Hos  Jl  Am  Ob  Jon  Mi  Nah  Hab  Sef  Hag  Zach  Mal     
                                                       
bârûkh JHWH ´êlohej jisërâ´el                                                       
                                                       

- בְּרָכָה = bërâkhâ (zegen, zegenspreuk, geschenk, weldaad) . Zie het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . 111 = 3 X 37 OF (5 X 17) + 26 . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 .

- הַבְּרָכָה = habbërâkhâ < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. בְּרָכָה = bërâkhâ (zegen, zegenspreuk, geschenk, weldaad) . Zie het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 33 (3 X 11) of 222 (6 X 37 OF 2 X 111) . 111 = 3 X 37 OF (5 X 17) + 26 . Structuur : 2 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 .

zegenen
- bârâkh (zegenen, loven, prijzen) . Verwijzing : bârakh (zegenen, loven, prijzen) , zie Ps 113,2 . beth = 2 , resj = 20 of 200 , kaf = 11 of 20 . Totaal : 2 + 20 + 11 of 2 + 200 + 20 = 33 of 222 .
--- bâräkhî (zegen). Piel imperatief 2de persoon enkelvoud. In 5 verzen in de Psalmen. Telkens in de zin : bâräkhî naphësjî JHWH (zegen, mijn ziel, JHWH) (1) Ps 103,1 . (2) Ps 103,2 . (3) Ps 103,22 . (4) Ps 104,1 . (5) Ps 104,35 .
--- bâräkhû (zegent). Piel imperatief 2de persoon meervoud. Getalwaarde: 33 of 222 + 6 = 39 of 228. In 20 verzen in de bijbel. In 10 verzen in de Psalmen. (10) Ps 135,20 .
--- bârûkh (gezegend) . Passief deelwoord tegenwoordige tijd. Het komt in 83 verzen in de bijbel voor. In de Psalmen komt het in 13 verzen voor : (1) Ps 28,6 . (2) Ps 31,22 . (3) Ps 41,14 (bij het einde van het eerste psalmenboek). (4) Ps 66,20 (einde van de Psalm) . (5) Ps 68,20 . (6) Ps 68,36 (op het einde van de Psalm) . (7) Ps 72,18 (bij het einde van het tweede psalmenboek) . (8) Ps 89,53 (bij het einde van het derde psalmenboek) . (9) Ps 106,48 (bij het einde van het vierde psalmenboek).
--- -- bârûkh JHWH (gezegend JHWH) . In vijfentwintig verzen in de bijbel .
--- ´äbhâräkhâh (ik zal zegenen). Piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud. Het suffix h duidt de cohortativus aan om te benadrukken. In 1 vers in de bijbel : Ps 34,2 .
--- wa´äbhâräkhâh (ik zal zegenen). Piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud. Met prefix waw (en). Het suffix h duidt de cohortativus aan om te benadrukken. In 2 verzen in de bijbel: (1) Gn 12,3 . (2) Ps 145,1 .
--- ´äbhâräkhèchâ (ik zal je zegenen). Piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud met suffix khâ (jou). In 3 verzen in de bijbel: (1) Gn 22,17 . (2) Ps 63,5 . (3) Ps 145,2 .
--- wa´äbhârëkhèkhâ (en ik zal je zegenen). Piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud met voorvoegsel wa (en) en suffix khâ (jou). Gn 12,2; Gn 26,3.
--- jëbhârekh (hij zal zegenen). Piel imperfectum 3de persoon enkelvoud. In 14 verzen in de bijbel. In 6 verzen in de Psalmen. (1) Ps 29,11 . (2) Ps 49,19 . (3) Ps 112,2 . (4) Ps 115,12 . (5) Ps 115,13 . (6) Ps 128,4 .
--- wîbâreckh (en hij zal zegenen). In 33 verzen in de bijbel. In 1 vers in de Psalmen: Ps 145,21 .
--- jëbhârëkhenû (hij zal zegenen). Piel imperfectum 3de persoon enkelvoud met suffix (nû) van het persoonlijk voornaamwoord 1ste persoon meervoud. In 2 verzen in de bijbel.
--- jëbhârèkhekhâ (hij zal je zegenen) . Piel imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud met suffix (kha) van het persoonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud . In zeventien verzen in de bijbel . (1) Gn 27,10 . (2) Nu 6,24 (de priesterlijke zegen) . (3) Dt 14,24 . (4) Dt 14,29 . (5) Dt 15,4 . (6) Dt 15,10 . (7) Dt 16,10 . (8) Dt 16,15 . (9) Dt 23,21 . (10) Dt 24,19 . (11) 2 K 4,29 . (12) Jr 31,23 . (13) Job 1,11 . (14) Job 2,5 . (15) Rt 2,4 . In 2 verzen in de Psalmen : (1) Ps 128,5 . (2) Ps 134,3 .
--- wîbhârëkhenû (en hij zal ons zegenen). Piel imperfectum 3de persoon enkelvoud met prefix waw (en) en suffix (nû) van het persoonlijk voornaamwoord 1ste persoon meervoud. In 1 vers in de bijbel nl. Ps 67,2 .
--- mëborakh (gezegend). Pual participium. Deze vorm komt slechts in 6 verzen in de bijbel voor. (1) Nu 22,6 . (2) Js 66,3 . (3) In de Psalmen slechts in Ps 113,2 . De naam van de Heer zij gezegend, van nu af tot in eeuwigheid. In de Latijnse vertaling volgens de LXX : Sit nomen Domini benedictum, ex hoc nunc et usque in saeculum. In Da 2,20 (6) vinden we bijna een identieke zin, evenwel in het Aramees. In Latijnse vertaling klinkt het : sit nomen Domini benedictum, a saeculo et usque in saeculum. Vertaald : de naam van de Heer zij gezegend, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. (4) Spr 27,14 . (5) Job 1,21 .


- bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . בָשַׂר = bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Taalgebruik in Tenakh : bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Getalswaarde : beth = 2 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 2 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
- לְבַשֵּׂר = lëbhashsher (om de goede boodschap te brengen) < prefix voorzetsel lë + act. piël inf. van het werkw. בָשַׂר = bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Taalgebruik in Tenakh : bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Getalswaarde : beth = 2 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 2 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (3) : (1) 1 S 31,9 . (2) Js 61,1 . (3) 1 Kr 10,9 .


- bshm / bshm (balsem, specerij) . בָּשָׂם = bâshâm / bèshèm (balsem, specerij) . Taalgebruik in Tenakh : bshm / bshm (balsem, specerij) . Getalswaarde : beth = 2 , shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 342 (2 X 3² X 19) . Structuur : 2 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Een vorm van בָּשָׂם = bâshâm / bèshèm in Tenakh (17) .
- habbëshâmîm (de specerijen) < prefix bepaald lidw. + mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (2) : (1)

- bësorâh (boodschap) . bësorâh (boodschap) . Taalgebruik in Tenakh : bësorâh (boodschap) . Taalgebruik in de Septuaginta : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in Gal : euaggelion (evangelie) . Lat. evangelium . Fr. évangile . D. Evangelium . E. gospel .


- בַת = bath (dochter)

- bath (dochter) . בַת = bath (dochter) . Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) . Getalswaarde : beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 24 (2³ X 3) OF 402 (2 X 3 X 67) . Structuur : 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (193) . Pentateuch (51) . Sef (2) : (1) Sef 3,10 . (2) Sef 3,14 . Kl (17) : (1) Kl 1,6 . (2) Kl 1,15 . (3) Kl 2,1 . (4) Kl 2,2 . (5) Kl 2,4 . (6) Kl 2,8 . (7) Kl 2,10 . (8) Kl 2,11 . (9) Kl 2,13 . (10) Kl 2,15 . (11) Kl 2,18 . (12) Kl 3,48 . (13) Kl 4,3 . (14) Kl 4,6 . (15) Kl 4,10 . (16) Kl 4,21 . (17) Kl 4,22 .
- voc. vr. enk. θυγατερ = thugater (dochter) van het zelfst. naamw. θυγατηρ = thugatèr (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Taalgebruik in de LXX : thugatèr (dochter) . Bijbel (32) . LXX (31) . NT (1) : Mt 9,22 . Een vorm van θυγατηρ = thugatèr (dochter) in de LXX (641) , in het NT (28) .
- Ned. : dochter . Arabisch : ابنة = 'ibna . Zie : http://www.arabischlexicon.com/175-bint-of-ibn-dochter-zoon-160416061578-157315761606.html . D. : Tochter . E. : daughter . Fr. : la fille . Grieks : θυγατηρ = thugatèr (dochter) . Hebreeuws : בַת = bath (dochter) . Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Lat. : filia .

- De letter aleph duidt het begin, initiatief , het scheppen aan . Aleph = 1 en duidt éénheid aan . De beth duidt de schepping aan . In het woord 'abh is schepper en schepping verenigd .´abh (vader) duidt tweeheid (vader - zoon/dochter) aan : de verwekker en de verwekte . De Hebreeuwse naam voor dochter is בַת = bath . Het woord begint met een beth , symbool voor tweede , het geschapene , het verwekte . De tweede letter is een thaw . Het is de laatste letter van het alfabet en heeft als getalswaarde 22 of 400 . Het vaderschap zal zich voortzetten in alle volgende geslachten . Zo krijgt een vader een kleindochter, achterkleindochter enz... In het Arabisch wordt het verband tussen vader en zoon/dochter nog sterker gelegd dan in het Hebreeuws . De medeklinkers voor vader ('b) blijven behouden, gevolgd door een nun voor de zoon ('bn) en de vrouwelijke vorm van 'ibn nl. 'bnh (dochter) voor de dochter . In het Latijn en het Frans wordt de verwantschap tussen zoon en dochter eveneens behouden : Latijn : filius (zoon) , filia (dochter) ; Frans : fils (zoon) , fille (dochter) .


- bâshâr (vlees, lichaam) . בָּשָׂר = bâshâr (vlees, lichaam) . Taalgebruik in Tenakh : bâshâr (vlees, lichaam) . Getalswaarde : beth = 2 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 (17 + 26) OF 502 (2 X 251) . Structuur : 2 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (66) . Gr. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het NT : sôma (lichaam) . Taalgebruik in de Septuaginta : sôma (lichaam) . Een vorm van sôma (lichaam) in de LXX (136) , in het NT (142) . Tenakh (108) . Pentateuch (50) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (15) .


jibhtach (hij vertrouwt) . In zeven verzen in de bijbel .
- bâtach (vertrouwen, zich veilig voelen) . בָטַח = bâtach (vertrouwen, zich veilig voelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâtach (vertrouwen, zich veilig voelen) . Getalswaarde : beth = 2 , tet = 9 , chet = 8 ; totaal = 19 . Structuur : 2 - 9 - 8 . De som van de elementen is telkens 1 .
--- act. qal perfectum eerste persoon enkelvoud bhâtachëthî (ik vertrouw) . Tenakh (11) : (1) Ps 13,6 . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) .
--- ´al thirëtëchû (vertrouwt niet) . Qal jussief tweede persoon mannelijk meervoud . In vier verzen in de bijbel : (1) Ps 62,11 . (2) Ps 146,3 . (3) Jr 7,4 . (4) Mi 7,5 jibhtach (hij vertrouwt) . In zeven verzen in de bijbel .
- לָבֶטַח = lâbhètach (veilig, zonder vrees, zorgeloos) < prefix voorzetsel l + zelfst. naamw. בֶטַח = bhètach (zekerheid, veiligheid) . Bijwoord (ook met voorzetsel) . Tenakh (31) . Lv (3) : (1) Lv 25,18 . (2) Lv 25,19 . (3) Lv 26,5 .
- Het Hebreeuwse bijwoord לָבֶטַח = lâbhètach (veilig, zonder vrees, zorgeloos) wordt in het Grieks vaak vertaald door een vorm van het perfect deelwoord van het Griekse werkw. πειθω = peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . Taalgebruik in Tenakh : peithô (overtuigen, zich laten overtuigen, vertrouwen) . In Lv 25,18 is het act. ind. perf. part. nom. mann. mv. πεποιθοτες = pepoithotes (vertrouwen hebbende) . Bijbel (29) . Lv (2) : (1) Lv 25,18 . (2) Lv 25,19 .


- bthar (doorsnijden) . בָתַר = bâthar (doorsnijden, in stukken snijden) . Taalgebruik in Tenakh : bthar (doorsnijden) . Getalswaarde : beth = 2 , thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 ; totaal : 44 (2² X 11) of 602 (2 X 7 X 43) . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 15,10 .
- act. piel imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְּבַתֵר = wajëbhathther (en hij sneed door) van het werkw. בָתַר = bâthar (doorsnijden, in stukken snijden) . Taalgebruik in Tenakh : bâthar (doorsnijden) . Getalswaarde : beth = 2 , thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 ; totaal : 44 (2² X 11) of 602 (2 X 7 X 43) . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 15,10 .
- בֶתֶר = bèthèr (stuk, deel) . Zie het werkw.
- בִּתְרוֹ = bithërô (zijn stuk) < zelfst. naamw. mann. enk. stat. construct. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Zie het zelfst. naamw. בֶתֶר = bèthèr (stuk, deel) . Zie het werkw. בָתַר = bâthar (doorsnijden, in stukken snijden) . Taalgebruik in Tenakh : bâthar (doorsnijden) . Getalswaarde : beth = 2 , thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 ; totaal : 44 (2² X 11) of 602 (2 X 7 X 43) . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 15,10 .


- bhë´er (put) . בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (38) . Gn (16) . In één vers in Gn 16 . In vier verzen in Gn 21 . In één vers in Gn 22 : Gn 22,19 . In twee verzen in Gn 24 : (1) Gn 24,11 . (2) Gn 24,62 . In één vers in Gn 25 : Gn 25,11 . In zes verzen in Gn 26 : (1) Gn 26,19 . (2) Gn 26,21 . (3) Gn 26,22 . (4) Gn 26,23 . (5) Gn 26,25 . (6) Gn 26,33 . In één vers in Gn 29 : Gn 29,2 .
- הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 , resj = 20 of 200 ; totaal : 23 of 203 (7 X 29) . Structuur : 2 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Dezelfde medeklinkers in het woord = bârâ´ (scheppen) . Zie bârâ´ (scheppen) . Tenakh (8) : (1) Gn 21,30 . (2) Gn 24,20 . (3) Gn 26,20 . (4) Gn 26,32 . (5) Gn 29,2 . (6) Gn 29,3 . (7) Gn 29,8 . (8) Gn 29,10 .
- φρεαρ = frear (put) . Bijbel (32) . Gn (18) : (1) Gn 16,14 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,19 . (4) Gn 21,30 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,19 . (7) Gn 24,11 . (8) Gn 24,20 . (9) Gn 24,62 . (10) Gn 25,11 . (11) Gn 26,19 . (12) Gn 26,21 . (13) Gn 26,22 . (14) Gn 26,23 . (15) Gn 26,25 . (16) Gn 26,33 . (17) Gn 29,2 . (18) Gn 46,1 . Genitief enkelvoud φρεατοσ = freatos . In achttien verzen in de bijbel . In acht verzen in Genesis : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 26,32 . (3) Gn 28,10 . (4) Gn 29,2 . (5) Gn 29,3 . (6) Gn 29,8 . (7) Gn 29,10 . (8) Gn 46,5 .
- genitief enkelvoud = freatos van het zelfst. naamw. . Bijbel (18) . Gn (8) : (1) Gn 26,20 . (2) Gn 26,32 . (3) Gn 28,10 . (4) Gn 29,2 . (5) Gn 29,3 . (6) Gn 29,8 . (7) Gn 29,10 . (8) Gn 46,5 .


- בְהֵמָה = bëhemâh (vee, roofdier)

- bhemh (vee, roofdier) . בְהֵמָה = bëhemâh (vee, roofdier) . Taalgebruik in Tenakh : bhemh (vee, roofdier) .

Tenakh (42) . Gn (3) : (1) Gn 1,24 . (2) Gn 6,7 . (3) Gn 7,23 .

 

- blja`al (Belial) . bëlîja`al (Belial) . Taalgebruik in Tenakh : bëlîja`al (Belial) . Getalswaarde : beth = 2 , lamed = 12 of 30 , jod = 10 , ajin = 16 of 70 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 142 (2 X 71) . Structuur : 2 - 3 - 1 - 7 - 3 . Tenakh (22) : (1) Dt 13,14 . (2) Dt 15,9 . (3) Re 19,22 . (4) Re 20,13 . (5) 1 S 1,16 . (6) 1 S 2,12 . (7) 1 S 10,27 . (8) 1 S 25,17 . (9) 2 S 20,1 . (10) 2 S 22,5 . (11) 1 K 21,10 . (12) 1 K 21,13 . (13) Nah 1,11 . (14) Nah 2,1 . (15) Ps 18,5 . (16) Ps 41,9 . (17) Ps 101,3 . (18) Spr 6,12 . (19) Spr 16,27 . (20) Spr 19,28 . (21) Job 34,18 . (22) 2 Kr 13,7 .
- bëne(j) bëlîja`al (en zonen van Belial) . Tenakh (1) : 1 S 2,12 . ûbhëne(j) bëlîja`al (en zonen van Belial) . Tenakh (1) : 1 S 10,27 .


- בֵּין = be(j)n (tussen)

- be(j)n (tussen) . בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (165) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (24) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (25) . Gn (15) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,6 . (3) Gn 1,7 . (4) Gn 1,14 . (5) Gn 1,18 . (6) Gn 9,16 . (7) Gn 10,12 . (8) Gn 13,3 . (9) Gn 13,7 . (10) Gn 15,17 . (11) Gn 16,14 . (12) Gn 20,1 . (13) Gn 31,37 . (14) Gn 32,17 . (15) Gn 49,14 .

-- וּבֵּין = ûbhe(j)n (en tussen) < waw + Tenakh (108) . Pentateuch (46) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (12) . Gn (20) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,7 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 3,15 . (6) Gn 9,12 . (7) Gn 9,13 . (8) Gn 9,15 . (9) Gn 9,16 . (10) Gn 9,17 . (11) Gn 10,12 . (12) Gn 13,3. (13) Gn 13,7 . (14) Gn 13,8 . (15) Gn 16,14 . (16) Gn 17,7 . (17) Gn 17,10 . (18) Gn 20,1 . (19) Gn 30,36 . (20) Gn 32,17 .

- בֵּינְךָ = be(j)nëkhâ (tussen jou) < voorzetsel be(j)n + suffix persoon. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (3) : (1) Gn 3,15 . (2) Ez 4,3 . (3) Mal 2,14 .


- בֵּן / בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind)

- ben / bin / bèn (zoon, kind) . בֵּן / בִּן / בֶּן = ben / bin / bn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalswaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Gn (85) .
- Zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker : qil-vorm . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga (6) 13m) , bin werd ben . In gesloten lettergrepen zonder klemtoon is de uit de i ontstane e è geworden (Lettinga (6) 13n) , vandaar bèn . Volgens Joüon is het onregelmatige mv. moeilijk verklaarbaar ((Joüon 98 c) . mann. mv. בָּנִים = bânîm (zonen) . mann. mv stat construct. בְּנֵי = bëne(j) (zonen van) . Onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de i of de daaruit ontstane e in open lettergreep deels vervluchtigd tot een sewa (Lettinga 13 o) .
- Ned. : zoon . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) . Zie : http://www.arabischlexicon.com/175-bint-of-ibn-dochter-zoon-160416061578-157315761606.html . D. : Sohn . E. : son . Fr. : fils . Gr. : υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Lat. : filius .
- De letter aleph duidt het begin, initiatief , het scheppen aan . Aleph = 1 en duidt éénheid aan . De beth duidt de schepping aan . In het woord 'abh is schepper en schepping verenigd .´abh (vader) duidt tweeheid (vader - zoon) aan : de verwekker en de verwekte . De Hebreeuwse naam voor zoon is בֵּן . Het woord begint met een beth , symbool voor tweede , het geschapene , het verwekte . Op de beth volgt een nun = 14 of 50 . 50 staat voor voltooiïng , voor de gave van de thorah , van de geest . Het vaderschap zal zich doorzetten voort in alle volgende geslachten . Zo krijgt een vader een kleinzoon , een achterkleinzoon enz. In het imperfectum (jiqqtol) wordt de eerste persoon enkelvoud (ik) gevormd door het prefix aleph , de eerste persoon meervoud (wij) door het prefix nun . In het Arabisch wordt het verband tussen vader en zoon/dochter nog sterker gelegd dan in het Hebreeuws . De medeklinkers voor vader ('b) blijven behouden, gevolgd door een nun voor de zoon ('bn) en de vrouwelijke vorm van 'ibn nl. 'bnh (dochter) voor de dochter . In het Latijn en het Frans wordt de verwantschap tussen zoon en dochter eveneens behouden : Latijn : filius (zoon) , filia (dochter) ; Frans : fils (zoon) , fille (dochter) .

Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Gn (85) . Gn 21 () : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 21,13 . Re (40) . Re 2 (1) : Re 2,8 . 1 S (39) . 1 S 1 (2) : (1) 1 S 1,1 . (2) 1 S 1,20 . Jl (1) : Jl 1,1 . Js (24) . Js 1-39 (21) . Js 40-55 (1) . Js 56-66 (2) . Js 1 (1) : Js 1,1 . Js 7 (4) : (1) Js 7,1 . (2) Js 7,6 . (3) Js 7,9 . (4) Js 7,14 . Js 13 (1) : Js 13,1 .

- בִּנְךָ = binëkhâ (jouw zoon) < zelfst. naamw. ben + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie בֵּן / בִּן / בֶּן = ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalswaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (45) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (21) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Gn (10) : (1) Gn 22,2 . (2) Gn 22,12 . (3) Gn 22,16 . (4) Gn 24,5 . (5) Gn 27,32 . (6) Gn 30,14 . (7) Gn 30,15 . (8) Gn 37,32 . (9) Gn 45,9 . (10) Gn 48,2 .

- mann. mv. בָנִים = bânîm (zonen) . (Tenakh 135) . Pentateuch (41) . Js (8) : (1) Js 1,2 . (2) Js 1,4 . (3) Js 13,18 . (4) Js 30,1 . (5) Js
- bèn jôthâm (zoon van Jotam) . Tenakh (2) : (1) 2 K 16,1 . (2) Js 7,1 . 30,9
. (6) Js 37,3 . (7) Js 51,18 . (8) Js 63,8 .

- stat. constructus mann. mv. בְּנֵי = bëne(j) = (zonen van) OF ... + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. בָּנַי / בָּנָי = bânaj / bânâj (mijn zonen) van het zelfst. naamw. . Tenakh (1481) . Pentateuch (582) . Eerdere Profeten (355) . Latere Profeten (83) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (436) . Gn (113) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,25 . Nu (245) . Nu 26,28 . Re (101) . Re 1 (7) : (1) Re 1,1 . (2) Re 1,8 . (3) Re 1,9 . (4) Re 1,16 . (5) Re 1,20 . (6) Re 1,21 . (7) Re 1,34 . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,11 . Re (9) : (1) Re 3,2 . (2) Re 3,7 . (3) Re 3,8 . (4) Re 3,9 . (5) Re 3,12 . (6) Re 3,13 . (7) Re 3,14 . (8) Re 3,15 . (9) Re 3,27 . Re 20 () : (1) Re 20,1 . (2) Re 20,3 . (3) Re 20,7 . (4) Re 20,13 . (5) Re 20,14 . (6) Re 20,15 . (7) Re 20,18 . (8) Re 20,19 . (9) Re 20,21 . (10) Re 20,23 . (11) Re 20,24 . (12) Re 20,26 . (13) Re 20,27 . (14) Re 20,28 . (15) Re 20,30 . (16) Re 20,31 . (17) Re 20,32 . (18) Re 20,35 . (19) Re 20,36 . (20) Re 20,48 . 1 S (32) . 1 S 2 (3) : (1) 1 S 2,12 . (2) 1 S 2,24 . (3) 1 S 2,28 . 2 K (34) . 2 K 21 (2) : (1) 2 K 21,2 . (2) 2 K 21,9 . Jl (3) : (1) Jl 1,12 . (2) Jl 4,8 . (3) Jl 4,19 .

- zelfst. naamw. mann. mv. en suffix bezittelijk voornaamw. 3de pers. mann. enk. בָּנָיו = bânâ(j)w (zijn zonen) . Tenakh (140) . Pentateuch (62) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (6) . 1 S (12) : (1) 1 S 2,22 . (2) 1 S 3,13 . (3) 1 S 8,1 . (4) 1 S 8,3 . (5) 1 S 16,5 . (6) 1 S 16,10 . (7) 1 S 17,13 . (8) 1 S 30,22 . (9) 1 S 31,2 . (10) 1 S 31,6 . (11) 1 S 31,8 . (12) 1 S 31,12 . ´èth bânâ(j)w (zijn zonen) . Tenakh (11) : (1) Gn 18,19 Gn 18,19 . (2) Gn 31,17 . (3) Gn 49,33 . (4) Dt 21,16 . (5) Re 9,18 . (6) 1 S 8,1 . (7) 2 Kr 28,3 . (8) 2 Kr 33,6 . (9) Job 42,16 . (10) Jr 35, 14 . (11) Ez 46,18 .

- wë + stat. constructus mann. mv. ûbhëne(j) = (zonen van) OF ... + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. ûbhâbaj / ûbhânâj (en mijn zonen) van het zelfst. naamw. Tenakh (202) . Pentateuch (55) . Eerdere Profeten (39) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (93) . 1 S (5) : (1) 1 S 2,12 . (2) 1 S 10,27 . (3) 1 S 12,2 . (4) 1 S 14,18 . (5) 1 S 14,18 .

- bëne(j) jishërâ´el (Israëlieten) . Tenakh (109) . Re (21) . Re 2 : (1) Re 2,6 . (2) Re 2,11 . (3) Re 3,7 . (4) Re 3,8 . (5) Re 3,9 . (6) Re 3,14 . (7) Re 3,15 . (8) Re 3,27 . (9) Re 4,3 . (10) Re 6,1 . (11) Re 6,6 . (12) Re 6,7 . (13) Re 10,15 . (14) Re 20,3 . (15) Re 20,19 . (16) Re 20,23 . (17) Re 20,24 . (18) Re 20,27 . (19) Re 20,30 . (20) Re 20,35 . (21) Re 21,18 . Tenakh (419) . Re (33) . Re 1 (1) : Re 1,1 . Re 20 (7) : (1) Re 20,1 . (2) Re 20,3 . (3) Re 20,7 . (4) Re 20,13 . (5) Re 20,14 . (6) Re 20,18 . (7) Re 20,26 . 2 K (6) : (1) 2 K 16,3 . (2) 2 K 17,8 . (3) 2 K 17,22 . (4) 2 K 17,24 . (5) 2 K 21,2 . (6) 2 K 21,9 . kâl bëne(j) jishërâ´el (Israëlieten) . Tenakh (1) : Re 20,26 . EN Tenakh (16) :
- bëne(j)khèm (jullie zonen) < stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. mv. -khèm . Tenakh (24) . Pentateuch (9) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (2) . Jl (2) : (1) Jl 3,1 . (2) Jl 4,8 .

- לְבָנֶיךָ = lëbhânè(j)khâ (aan jou zonen) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie בֵּן / בִּן / בֶּן = ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalswaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (4) : (1) Ex 34,16 . (2) Dt 4,9 . (3) Dt 6,7 . (4) Ps 128,6 .
- Zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker : qil-vorm . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga( 6) 13m) , bin werd ben . In gesloten lettergrepen zonder klemtoon is de uit de i ontstane e è geworden (Lettinga(6) 13n) , vandaar bèn . Volgens Joüon is het onregelmatige mv. moeilijk verklaarbaar ((Joüon 98 c) . mann. mv. בָּנִים = bânîm (zonen) . mann. mv stat construct. בְּנֵי = bëne(j) (zonen van) . Onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de i of de daaruit ontstane e in open lettergreep deels vervluchtigd tot een sewa (Lettinga 13 o) .

- libhëne(j) (aan de zonen van) < prefix voorzetsel lë + stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) . Tenakh (200) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften () . Jl (2) : (1) Jl 4,6 . (2) Jl 4,16 .
- libhëne(j)hèm (aan jullie zonen) < prefix voorzetsel lë + stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. - hèm . Tenakh (6) . Jl (1) Jl 1,3 .

- libhëne(j)khèm (aan jullie zonen) < prefix voorzetsel lë + stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. mv. -khèm . Tenakh (6) . Jl (1) Jl 1,3 .
- ûbhëne(j) (en de zonen van) < verbindingswoord wë + stat. constructus mann. mv. van het zelfst. naamw. . Tenakh (202) . Pentateuch (55) . Eerdere Profeten (39) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (93) . Jl (2) : (1) Jl 2,23 . (2) Jl 4,6 .
- ûbhëne(j)hèm (en hun zonen) < verbindingswoord wë + stat. constructus mann. mv. bëne(j) = (zonen van) + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. -hèm . Tenakh (16) . Jl (1) Jl 1,3 .
- ûbhëne(j)khèm (en jullie zonen) < verbindingswoord wë + stat. constructus mann. mv. bëne(j) + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. mv. -khèm . Tenakh (9) . Jl (1) : Jl (1) Jl 1,3 .
- sjëne(j) bëne(j) (twee zonen van) . Tenakh (5) : (1) Gn 34,25 . (2) Lv 5,7 . (3) 1 S 1,3 . (4) 1 S 4,4 . (5) Zach 4,14 .

- bèn hädâd (Benhadad) . Website : http://nl.wikipedia.org/wiki/Hadadezer . Hadadezer ("Hadad is mijn hulp") , ook wel Bar-Hadad II (Aramees) , Ben-Hadad II (Hebreeuws) en Adad-Idri genoemd , was de koning van Aram-Damascus ten tijde van de slag bij Qarqar (853 v. Chr.) . Zie verder 1 K 20 , 1 K 22 . Hadadezer werd opgevolgd door Hazaël . Volgens sommige bronnen is Hazaël Hadadezers' zoon . Tenakh (2) : (1) Jr 49,27 . (2) Am 1,4 .


- bîn (begrijpen, bemerken) . bîn (begrijpen, bemerken) . Taalgebruik in Tenakh : bîn (begrijpen, bemerken) . Getalswaarde : beth = 2 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in de LXX : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in het NT : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Hebr. bîn (begrijpen, bemerken) . Taalgebruik in Tenakh : bîn (begrijpen, bemerken) . Lat. intelligere . Fr. intelligence . Ned. begrip , verstand (verstaan) . D. Verständnis . E. understanding (understand) .
- hitpaël 3de pers. mann. enk. hithëbônân (hij begrijpt) . Tenakh (1) : Js 1,3 .
- act. qal imperf. (jussief) 2de pers. mann. mv. thâbhînû (je begrijpt) . Tenakh (2) : (1) Js 6,9 . (2) Job 10,2 .


- בְרִית = bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond)

- bërîth (verbond) . בְּרִית = bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Genesis : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Jesaja : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Jeremia : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Ezechiël : bërîth (verbond) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , taw = 22 of 400 ; totaal : 54 (2 X 3³) of 612 (2² X 3² X 17) . Structuur : 2 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (132) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (40) . Latere Profeten (20) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (34) . In negen verzen in Gn . (1) Gn 9,13 (boog : teken van het verbond) . (2) Gn 9,16 (verbond tussen God en de mensen) . (3) Gn 14,13 (bondgenoten van Abram) . (4) Gn 15,18 (JHWH sloot een verbond met Abram) . (5) Gn 17,11 (verbond van God met Abraham en zijn nageslacht) . (6) Gn 21,27 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (7) Gn 21,32 (verbond tussen Abraham en Abimelech) . (8) Gn 26,28 (verbond tussen Isaak en Abimelech) . (9) Gn 31,44 (verbond tussen Laban en Jakob) . Een vorm van diathèkè (verbond) in het NT (33) . Syn. en ev. (4) . In de LXX (358) . Ex (6) : (1) Ex 23,32 . (2) Ex 31,16 . (3) Ex 34,10 . (4) Ex 34,12 . (5) Ex 34,15 . (6) Ex 34,27 .
- בְּרִית = bërîth (verbond) < birîth . (Lettinga 12 , 2012 , 4e1 . De sëwa staat onder de eerste consonant van een woord .
- Gr. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Taalgebruik in de LXX : diathèkè (verbond) . Lat. foedus (zie b.v. federaal) , testamentum . E. testament . Fr. alliance . E. covenant . Ned. testamment , verbond , overeenkomst . D. Bund .

--- הַבְּרִית = habbërîth (het verbond) . Tenakh (43) . Pentateuch (15) : (1) Gn 9,12 . (2) Gn 9,17 . (3) Ex 24,7 . (4) Ex 24,8 . (5) Ex 34,28 . (6) Dt 5,3 . (7) Dt 7,9 . (8) Dt 7,12 . (9) Dt 9,9 . (10) Dt 9,11 . (11) Dt 9,15 . (12) Dt 28,69 . (13) Dt 29,8 . (14) Dt 29,13 . (15) Dt 29,20 .
--- habbërîth ´äsjèr (het verbond dat) . Tenakh (9) : (1) Gn 9,12 . (2) Gn 9,17 . (3) Ex 24,8 . (4) Dt 9,9 . (5) Dt 28,69 . (6) 2 Kr 21,7 . (7) Jr 31,33 . (8) Jr 34,18 . (9) Mal 3,1 .

- בְרִיתוֹ = bërîthô (zijn verbond) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . בְרִית = bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , taw = 22 of 400 ; totaal : 54 (2 X 3³) of 612 (2² X 3² X 17) . Structuur : 2 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (17) : (1) Ex 2,24 (in combinatie met zâkhar : gedenken) . (2) Dt 4,13 . (3) Dt 8,18 . (4) Dt 17,2 . (5) 2 K 13,23 . (6) 2 K 17,15 . (7) 2 K 18,12 . (8) Ez 17,14 . (9) Ez 17,16 . (10) Ps 25,10 . (11) Ps 55,21 . (12) Ps 103,18 . (13) Ps 105,8 . (14) Ps 106,45 . (15) Ps 111,5 . (16) Ps 111,9 . (17) 1 Kr 16,15 .

Jr (9) : (1) Jr 2,22 . (2) Jr 3,16 . (3) Jr 22,9 . (4) Jr 31,31 . (5) Jr 32,40 . (6) Jr 34,8 . (7) Jr 34,13 . (8) Jr 34,15 . (9) Jr 50,5 .
Ez (7) : (1) Ez 16,59 . (2) Ez 16,60 . (3) Ez 17,13 . (4) Ez 17,15 . (5) Ez 17,18 . (6) Ez 34,25 . (7) Ez 37,26 .

bërîth (verbond) `ôlâm (eeuwig) . Tenakh (11) : (1) Gn 9,16 . (2) Ex 31,16 . (3) Lv 24,8 . (4) 1 Kr 16,17 . (5) Ps 105,10 . (6) Js 24,5 . (7) Js 55,3 . (8) Jr 32,40 . (9) Jr 50,5 . (10) Ez 16,60 . (11) Ez 37,26 . Verder : ûbhërîth `ôlâm (en een eeuwig verbond) . Tenakh (1) Js 61,8 . lëbërîth `ôlâm (tot een eeuwig verbond) . Tenakh (3) : (1) Gn 17,7 . (2) Gn 17,13 . (3) Gn 17,19 .

lëbërîth (tot verbond) > lë + bërîth (verbond) . bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Genesis : bërîth (verbond) . Taalgebruik in Jesaja : bërîth (verbond) . Getalswaarde : beth = 2 , resj = 20 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 500 ; totaal : 54 of 812 . Gr. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . diatithèmi = tussen-stellen . Lat. foedus (zie b.v. federaal) , testamentum . E. testament . Fr. alliance . E. covenant . Ned. testamment , verbond , overeenkomst . D. Bund . Tenakh (6) : (1) Gn 17,7 . (2) Gn 17,13 . (3) Gn 17,19 . (4) Js 42,6 . (5) Js 49,8 . (6) Ps 74,20 .

Een vorm van bërîth (verbond) in Jesaja in 12 verzen : (1) Js 24,5 . (2) Js 28,15 . (3) Js 28,18 . (4) Js 33,8 . (5) Js 42,6 . (6) Js 49,8 . (7) Js 54,10 . (8) Js 55,3 . (9) Js 56,4 . (10) Js 56,6 . (11) Js 59,21 . (12) Js 61,8 .
-- wëkhârathî lâhem bërîth (ik zal met hen een verbond sluiten) . Tenakh (4) : (1) Jr 32,40 . (2) Ez 34,25 . (3) Ez 37,26 . (4) Hos 2,20 .
-- bërîth sjâlôm (een verbond van vrede) . Tenakh (2) : (1) Ez 34,25 . (2) Ez 37,26 . Verder : Js 54,10 (bërîth sjëlômî = een verbond van mijn vrede) .


- bètèn (buik, schoot) . bètèn (buik, schoot) . Taalgebruik in Tenakh : bètèn (buik, schoot) . Getalswaarde : beth = 2 , chet = 8 , nun = 14 of 50 ; totaal : 24 OF 60 . Structuur : 2 - 8 - 5 . Gr. koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in de Septuaginta : koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot) . Lat. uterus . Fr. sein . E. womb . D. Leib . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) in de LXX (108) , in het NT (23) .
-- mibbètèn (vanaf de moederschoot) < min + bètèn . Tenakh (16) : (1) Re 16,17 . (2) Js 44,2 . (3) Js 44,24 . (4) Js 48,8 . (5) Js 49,1 . (6) Js 49,5 . (7) Jon 2,3 . (8) Ps 22,10 . (9) Ps 22,11 . (10) Ps 58,4 . (11) Ps 71,6 . (12) Job 1,21 . (13) Job 3,11 . (14) Job 10,19 . (15) Job 38,29 . (16) Pr 5,14 .

- be(j)th (huis) . be(j)th (huis) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)th (huis) . Taalgebruik in Amos : be(j)th (huis) . Getalswaarde van be(j)th ; beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412 (2² X 103) . Structuur : 2 - 1 - 4 . Gr. oikos (huis) . Taalgebruik in de Septuaginta : oikos (huis) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Een vorm van oikos in de LXX (2062) , in het NT (112) . Lat. domus . Fr. maison . Ned. huis . E. house . D. Hause . Tenakh (911) . Pentateuch (77) . Eerdere Profeten (307) . Latere Profeten (190) . 12 Kleine Profeten (61) . Geschriften (276) . In zeven verzen in Ex : (1) Ex 6,14 . (2) Ex 12,30 . (3) Ex 16,31 . (4) Ex 20,17 . (5) Ex 23,19 . (6) Ex 34,26 . (7) Ex 40,38 . Re (38) . Re 1 () : (1) Re 1,22 . (2) Re 1,23 . (3) Re 1,27 . (4) Re 1,33 . (5) Re 1,35 . Ps (15) : (1) Ps 42,5 . (2) Ps 52,2 . (3) Ps 68,13 . (4) Ps 84,4 . (5) Ps 114,1 . (6) Ps 115,10 . (7) Ps 115,12 . (8) Ps 116,19 . (9) Ps 118,3 . (10) Ps 122,1 . (11) Ps 122,9 . (12) Ps 127,1 . (13) Ps 135,2 . (14) Ps 135,19 . (15) Ps 135,20 .
- be(j)th dâwid (huis van david) . Tenakh (8) : (1) 1 S 19,11 . (2) 1 S 20,16 . (3) 2 S 3,1 . (4) 2 S 3,6 . (5) 2 K 17,21 . (6) Js 7,13 . (7) Js 22,22 . (8) Jr 21,12 .
- be(j)th ´el (Betel) . Tenakh (39) . Gn (8) : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 13,3 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 31,13 . (6) Gn 35,6 . (7) Gn 35,7 . (8) Gn 35,15 . Joz (6) : (1) Joz 8,9 . (2) Joz 8,12 . (3) Joz 12,9 . (4) Joz 12,16 . (5) Joz 16,1 . (6) Joz 18,13 . Re (4) : (1) Re 1,22 . (2) Re 4,5 . (3) Re 9,46 . (4) Re 21,2 . 1 S (3) : (1) 1 S 7,16 . (2) 1 S 10,3 . (3) 1 S 13,2 . 1 K (2) : (1) 1 K 13,1 . (2) 1 K 13,10 . 2 K (6) : (1) 2 K 2,2 . (2) 2 K 2,3 . (3) 2 K 2,23 . (4) 2 K 10,29 . (5) 2 K 23,4 . (6) 2 K 23,17 . 1 Kr (2) . 12 Kleine Profeten (6) . Ook nog Tenakh (7) : (1) Gn 35,1 . (2) Re 20,18 . (3) Re 20,26 . (4) Re 20,31 . (5) Ezr 2,28. (6) Neh 7,32 . (7) Am 4,4 .
- be(j)th JHWH (het huis van JHWH) . In 172 verzen in de bijbel . Niet in Genesis . In twee verzen in Exodus . Niet in Numeri en Leviticus . In één vers in Deuteronomium . In zes verzen in Jesaja .
- be(j)th Ja`äqobh (huis van Jakob) . In veertien verzen in de bijbel : (1) Ps 114,1 . (2) Js 2,5 . (3) Js 2,6 . (4) Js 10,20 . (5) Js 14,1 . (6) Js 29,22 . (7) Js 46,3 . (8) Js 48,1 . (9) Jr 2,4 . (10) Ez 20,5 . (11) Am 9,8 . (12) Ob 17 . (13) Mi 2,7 . (14) Mi 3,9 .
- be(j)th (huis) jishërâ`el (Israël) . In negen verzen in de bijbel . In één vers in Ex . In twee verzen in Jr . In zes verzen in Ez . (1) Ex 16,31 . Ook in Ex 40,38 .
- be(j)th jôseph (huis van Jozef) . Zonder verbindingsstreep : Tenakh (9) : (1) Gn 43,18 . (2) Gn 43,19 . (3) Gn 50,8 . (4) Gn 50,8 . (5) Re 1,35 . (6) 2 S 19,21 . (7) 1 K 11,28 . (8) Am 5,6 . (9) Zach 10,6 . Met verbindingsstreep : Tenakh (2) : (1) Re 1,22 . (2) Re 1,23 .
- lëbe(j)th (tot het huis van) < lë + . Tenakh (172) . Pentateuch (39) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (68) . Js (3) : (1) Js 7,2 . (2) Js 22,23 . (3) Js 63,7 .
- mibe(j)th (vanuit het huis van) < voorzetsel min + stat.constr. mann. enk. van het zelfst. naamw.
-- mibe(j)th JHWH (uit een huis van JHWH) . Tenakh (8) : (1) 2 K 11,19 . (2) 2 K 23,6 . (3) 2 Kr 23,20 . (4) 2 Kr 26,21 . (5) 2 Kr 33,15 . (6) Ps 118,26 . (7) Jl 1,9 . (8) Jl 4,18 .
- ûbhe(j)th (en het huis van) < wë + . Tenakh (68) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (27) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (19) . Pentateuch (5) : (1) Gn 46,31 . (2) Gn 50,8 . (3) Gn 50,22 . (4) Ex 8,20 . (5) Nu 18, 1 .


- bëthû´el (Betuël) . bëthû´el (Betuël) . Taalgebruik in Tenakh : bëthû´el (Betuël) .


- בְצַלְאֵל = betsalë´el (Besaleël)

- betsalel (Besalel) . בְצַלְאֵל = betsalë´el (Besaleël) . Taalgebruik in Tenakh : betsalë´el (Besaleël) . beth = 2 , tsade = 18 of 90 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 45 (3² X 5) OF 153 (3² X 17) . Structuur : 2 - 9 - 3 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (8) : (1) Ex 31,2 . (2) Ex 35,30 . (3) Ex 36,1 . (4) Ex 36,2 . (5) Ex 37,1 . (6) Ezr 10,30 . (7) 1 Kr 2,20 . (8) 2 Kr 1,5 . Er zijn verschillende personen met de naam Besaleël . Hij is o.a. de achterkleinzoon van Kaleb , die zelf de achterkleinzoon van Juda is . Hij is dus het 7de geslacht van Juda .


- בָּא = bâ´ (gaan, komen)

- bâ´ (gaan, komen) . בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (171) . Tenakh (264) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (94) . Latere Profeten (56) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (47) . Js (13) : (1) Js 10,28 . (2) Js 13,9 . (3) Js 14,31 . (4) Js 20,1 . (5) Js 21,1 . (6) Js 21,9 . (7) Js 22,15 . (8) Js 26,20 . (9) Js 30,27 . (10) Js 37,34 . (11) Js 60,1 . (12) Js 62,11 . (13) Js 63,1 .

- act. qal jiqtol (imperf.) 3de pers. vr. תָבֹא = thâbo´ (zij zal komen) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (22) . In het woord 'ab (vader) gaat de beweging van de verwekker naar het verwekte , van eenheid naar veelheid , in het woord bâ' gaat de beweging van een veelheid (van de schepping) naar een éénheid .

- בָּאָה = act. qal perf. 3de pers. vr. enk. bâ´âh (zij kwam / ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (31) .
- act. qal perf. 3de pers. mann. mv. bâ´û (zij gaan, komen) . Tenakh (125) . Pentateuch (58) . Js (7) : (1) Js 7,17 . (2) Js 37,3 . (3) Js 39,3 . (4) Js 42,9 . (5) Js 47,9 . (6) Js 49,18 . (7) Js 60,4 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jâbhô´ (hij gaat, komt) . Tenakh (95) . Pentateuch (9) . Jesaja (20) : (1) Js 1,23 . (2) Js 3,14 . (3) Js 5,26 . (4) Js 7,24 . (5) Js 13,6 . (6) Js 30,13 . (7) Js 32,10 . (8) Js 35,4 . (9) Js 37,33 . (10) Js 37,34 . (11) Js 40,10 . (12) Js 41,3 . (13) Js 45,24 . (14) Js 57,2 . (15) Js 59,19 . (16) Js 60,13 . (17) Js 60,20 . (18) Js 66,7 . (19) Js 66,15 . (20) Js 66,23 .

- וַיָּבּוֹא / וַיָּבֹא = wajjâbho´ (en hij ging, en hij kwam) OF וַיָּבֵא = wajjâbhe´(en hij liet gaan, en hij liet komen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. OF act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Taalgebruik in Tenakh : bw´ (gaan, komen) . Tenakh (289) . Pentateuch (72) . Eerdere Profeten (142) . Latere Profeten (22) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (53) . Ex (16) : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 3,6 . (3) Ex 7,10 . (4) Ex 7,23 . (5) Ex 8,20 . (6) Ex 10,3 . (7) Ex 14,20 . (8) Ex 17,8 . (9) Ex 18,5 . (10) Ex 18,12 . (11) Ex 19,7 . (12) Ex 24,3 . (13) Ex 24,18 . (14) Ex 37,5 . (15) Ex 38,7 . (16) Ex 40,21 . Andere : (1) Ex 7,23 (Farao) . (2) Ex 8,20 (steekvliegen) . (3) Ex 14,20 (de wolk) . (4) Ex 17,8 (Amalek) .
- Grieks : ind. aor. 3de pers. enk. εισηλθεν = eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Bijbel (227) . LXX (184) . NT (43) . Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai in de LXX (700) , in het NT (192) .
- Ned. : binnengaan . D. : eingehen . E. : to enter . F. : entrer . Grieks : εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : intro-ire (binnengaan) . intrare - inire . Italiaans : entrare . Spaans : entrar .

- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. תָּבוֹא = thâbhô´ (jij gaat, komt) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (23) . Gn (7) : (1) Gn 15,15 . (2) Gn 24,41 . (3) Gn 27,33 . (4) Gn 30,16 . (5) Gn 30,33 . (6) Gn 38,16 . (7) Gn 41,50 . Dt (6) : (1) Dt 1,37 . (2) Dt 17,14 . (3) Dt 23,25 . (4) Dt 23,26 . (5) Dt 24,10 . (6) Dt 27,3 .
- אֶל תָּבוֹא = thâbhô´ (jij gaat naar, komt naar) . Tenakh (4) : (1) Gn 15,15 . (2) Jr 51,60 . (3) Ez 38,8 . (4) Da 11,6 .

- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תָבֹוּ = thâbo'û (jullie zullen gaan) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (17) : (1) Ex 12,25 . (2) Lv 14,34 . (3) Lv 19,23 . (4) Lv 23,10 . (5) Lv 25,2 . (6) Nu 10,9 . (7) Nu 14,30 . (8) Nu 15,2 . (9) Nu 31,24 . (10) Joz 9,8 . (11) Re 18,10 . (12) 1 K 11,2 . (13) Js 1,12 . (14) Jr 42,19 . (15) Jr 43,2 . (16) Hos 4,15 . (17) Am 5,5 .
- תָבֹוּ כִּי = kî thâbo'û (wanneer jullie zullen gaan) . Tenakh (6) : (1) Ex 12,25 . (2) Lv 14,34 . (3) Lv 23,10 . (4) Lv 25,2 . (5) Nu 15,2 . (6) Js 1,12 .
- תָבֹוּ וְכִּי = wëkî thâbo'û (en wanneer jullie zullen gaan) . Tenakh (2) : (1) ) Lv 19,23 . (2) Nu 10,9 .

- lâbhô´ (om te komen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act. qal inf. van het werkw. Tenakh (79) . Pentateuch (8) . Js (5) : (1) Js 2,21 . (2) Js 13,22 . (3) Js 30,29 . (4) Js 56,1 . (5) Js 59,14 .
- ûbhâ´(en hij komt) < verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (6) : (1) Js 16,12 . (2) Js 19,1 . (3) Js 19,23 . (4) Js 36,6 . (5) Js 47,11 . (6) Js 59,20 .
-- וַיָּבּוֹא = wajjâbho´ (en hij ging, en hij kwam) OF וַיָּבֵא = wajjâbhe´(en hij liet gaan, en hij liet komen) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. OF act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. bw´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bw´ (gaan, komen) . Tenakh (289) . Pentateuch (72) . Ex (16) . (1) Ex 3,1 . (2) Ex 3,6 . (3) Ex 7,10 . (4) Ex 7,23 . (5) Ex 8,20 . (6) Ex 10,3 . (7) Ex 14,20 . (8) Ex 17,8 . (9) Ex 18,5 . (10) Ex 18,12 . (11) Ex 19,7 . (12) Ex 24,3 . (13) Ex 24,18 . (14) Ex 37,5 . (15) Ex 38,7 . (16) Ex 40,21 . Andere : (1) Ex 7,23 (Farao) . (2) Ex 8,20 (steekvliegen) . (3) Ex 14,20 (de wolk) . (4) Ex 17,8 (Amalek) . In Ex 3,1 is Mozes onderwerp . Js (6) : (1) Js 26,2 . (2) Js 31,2 . (3) Js 36,22 . (4) Js 37,1 . (5) Js 39,3 . (6) Js 41,25 .
- verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (21) : (1) 1 S 4,13 . (2) 1 K 3,15 . (3) 1 K 7,14 . (4) 1 K 13,11 . (5) 1 K 22,15 . (6) 1 K 22,30 . (7) 1 K 22,37 . (8) 2 K 9,30 . (9) Js 38,1 . (10) Ez 14,1 . (11) Ez 23,44 . (12) Ez 36,20 . (13) Ez 40,6 . (14) Hos 6,3 . (15) Ps 24,7 . (16) Job 1,6 . (17) Job 2,1 . (18) Est 4,2 . (19) Est 4,9 . (20) Est 5,10 . (21) Est 6,6 .

-- prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (195) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (33) . Gn (18) : (1) Gn 7,15 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 12,5 . (4) Gn 14,7 . (5) Gn 19,1 . (6) Gn 19,3 . (7) Gn 22,9 . (8) Gn 26,32 . (9) Gn 34,25 . (10) Gn 42,5 . (11) Gn 42,6 . (12) Gn 42,29 . (13) Gn 45,25 . (14) Gn 46,6 . (15) Gn 46,28 . (16) Gn 47,15 . (17) Gn 47,18 . (18) Gn 50,10 . 2 S (21) . 2 S 6 (2) : (1) 2 S 6,6 . (2) 2 S 6,17 . 1 K (13) : (1) 1 K 1,3 . (2) 1 K 1,32 . (3) 1 K 3,24 . (4) 1 K 5,14 . (5) 1 K 8,3 . (6) 1 K 8,6 . (7) 1 K 9,28 . (8) 1 K 11,18 . (9) 1 K 12,3 . (10) 1 K 12,21 . (11) 1 K 13,25 . (12) 1 K 20,32 . (13) 1 K 21,13 . Gn (18) . Ex (15) . Ex 16,1 . Ex 16,22 .
-- wajjâbho´ mosjèh (en Mozes ging) . Tenakh (10) : (1) Ex 7,10 . (2) Ex 10,3 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,3 . (5) Ex 24,18 . (6) Lv 9,23 . (7) Nu 17,8 . (8) Nu 17,23 . (9) Nu 20,6 . (10) Dt 32,44 .

- prefix verbindingswoord wa (consecutivum) + act. ind. imperf. 3de pers. vr. mv. וָתָּבֹאנָה = waththâbho´nâh (en zij gingen) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalswaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (4) : (1) Gn 41,21 . (2) Ex 2,16 . (3) Ex 2,18 . (4) Js 48,3 .

- prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. hifil 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. mann. mv. (wëhäbî´ôthîm = en ik doe hen komen) van het werkw. Tenakh (1) Js 56,7 .
- prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. hifil 3de pers. mann. mv. wëhâbî´û / wëhebî´û (en zij doen komen, zij brengen) . Tenakh (10) : (1) Gn 42,34 . (2) Ex 32,2 . (3) Lv 4,14 . (4) Lv 14,42 . (5) Js 49,22 . (6) Js 66,20 . (7) Am 4,4 . (8) Neh 8,15 . (9) 1 Kr 21,2 . (10) 2 Kr 29,31 .


 

- binjmim (Benjamim) . binëjâmim (Benjamim) . Taalgebruik in Tenakh : binjmim (Benjamim) . Getalswaarde : ben = 2 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 53 OF 152 (8 X 19) . Structuur : 2 - 5 - 1 - 4 - 5 . Tenakh (97) . Pentateuch (15) . Eerdere Profeten (52) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (16) . Gn (6) : (1) Gn 42,36 . (2) Gn 43,15 . (3) Gn 43,34 . (4) Gn 44,12 . (5) Gn 45,14 . (6) Gn 46,21 . Ex (0) . Benjamin is de tweede en jongste zoon van Rachel en de twaalfde en jongste zoon van Jakob . Hij is de broer van Jozef .
- ûbinëjâmim (en Benjamim) < verbindingswoord wë + Tenakh (27) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (20) . Gn (3) : (1) Gn 35,24 . (2) Gn 45,14 . (3) Gn 46,19 . Ex (1) : Ex 1,3 .


- boh (ledigheid, eenzaamheid) . בֹהוּ = bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Taalgebruik in Tenakh : boh (ledigheid, eenzaamheid) . Getalswaarde : beth = 2 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 13 . Structuur : 2 - 5 - 6 . Tenakh (1) : Js 34,11 .
- וָבֹהוּ wâbhohû (en ledigheid) < wë (en) + zelfst. naamw. בֹהוּ = bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Taalgebruik in Tenakh : bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Getalswaarde : beth = 2 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 13 . Structuur : 2 - 5 - 6 . Tenakh (2) : (1) Gn 1,2 . (2) Jr 4,23 .


-