Tenakh TAALGEBRUIK C

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984   Targumim rubrieken (1)
bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel - bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/

  Gn 1 Gn 2 Gn 3 Gn 4 Gn 5 Gn 6 Gn 7 Gn 8 Gn 9 Gn 10 Gn 11 Gn 12 Gn 13 Gn 14 Gn 15 Gn 16 Gn 17 Gn 18 Gn 19 Gn 20 Gn 21 Gn 22 Gn 23 Gn 24 Gn 25
                                                   

  Gn 26 Gn 27 Gn 28 Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 32 Gn 33 Gn 34 Gn 35 Gn 36 Gn 37 Gn 38 Gn 39 Gn 40 Gn 41 Gn 42 Gn 43 Gn 44 Gn 45 Gn 46 Gn 47 Gn 48 Gn 49 Gn 50
                                                   

wajëchî (en hij leefde) . In zevenenveertig verzen in de bijbel . In drieëndertig versen in Gn . Actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . Dit versdeel sluit aan bij Gn 50,26 . Het eerste woord van dit versdeel van Gn 50,22 (Jozef leefde ...) is het tegendeel van het eerste woord van Gn 50,26 (Jozef stierf ...) . De tussenschakel ligt in Gn 50,24 , waarin Jozef zijn sterven aankondigt (Ik ben stervende) .

- chaîl (kracht, sterkte) . chaîl (kracht, sterkte) . Taalgebruik in Tenakh : chaîl (kracht, sterkte) .


- châjâh (leven) . châjâh (leven) . Taalgebruik in Tenakh : châjâh (leven) . Getalwaarde : chet = 8 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 23 . Structuur : 8 - 1 - 5 .
- wajëchî (en hij leefde) < wë + actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkw. . Tenakh (47) . Pentateuch (35) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) . Gn (33) . Gn 50 (1) : Gn 50,22 . Het versdeel Gn 50,22 sluit aan bij Gn 50,26 . Het eerste woord van dit versdeel van Gn 50,22 (Jozef leefde ...) is het tegendeel van het eerste woord van Gn 50,26 (Jozef stierf ...) . De tussenschakel ligt in Gn 50,24 , waarin Jozef zijn sterven aankondigt (Ik ben stervende) .
- act. piël part. mann. enk. mëchajjèh (doen levende) . Tenakh (1) : 1 S 2,6 .

De getalwaarde van Gn 1,1 is 2701 = 37 X 73 . 37 is het zeshoekig hart (met zijde 4) van een ster van 73 . Driehoekzijde : 7 . De getalwaarde van châkhëmâh (chokma) = wijsheid is 37 en 73 .

jëchajjenû ( hij zal ons doen leven ) . jëchajje- ( werkwoordvorm : piel imperf. 3de pers. enk.. van het werkwoord chäjah : leven ) + nû (suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. ) . Hapax in Hos 6,2 . Het voorlaatste woord van dit vers is ook een vorm van het werkw. chäjah ( leven ) . Qal imperf. 3de pers. enk. jichëjèh : hij zal leven (35) . mijjomâîm ( na twee dagen ) . min -> assimilatie waardoor dubbele jod + jomâîm ( dualis van het zelfst. naamw. jôm : dag ) .

- châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt) . châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt) . Taalgebruik in Tenakh : châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt) . Getalwaarde : chet = 8 , daleth = 4 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13 OF 12 X 26) . Structuur : 8 - 4 - 3 . ch-d-sj . Tenakh (61) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (21) . Ex (3) : (1) Ex 1,8 . (2) Ex 23,15 . (3) Ex 34,18 . Js (5) . châdâsj . Js (4) : (1) Js 41,15 . (2) Js 42,10 . (3) Js 62,2 . (4) Js 66,23 .
- chädâsjâh (nieuw, vers, ongebruikt) . bijvoegL naamw. vr. enk. . ch-d-sj-h . Tenakh (17) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (1) . chädâsjâh . Js (2) : (1) Js 43,19 . (2) Js 65,17 .
- chädâsjîm (nieuw, vers, ongebruikt) . bijvoegL naamw. mann. mv. . ch-d-sj-i-m . Tenakh (38) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (8) . Js (1) : Js 65,17 .
- hachädâsjîm < bepaald lidw. ha + bijvoegl. naamw. mann mv. . Tenakh (2) : (1) Js 66,22 . (2) Neh 10,34 .
- hachädâsjâh < bepaald lidw. ha + vr. enk. van het bijvoegl. naamw. Tenakh (3) : (1) 1 K 11,30 . (2) Js 66,22 . (3) 2 Kr 20,5 .

- châlaq (delen, in bezit nemen, plunderen) . act. piël 3de pers. mann. mv. hilleqû (zij plunderden) .

- châmâh (wegvagen) . châmâh (wegvagen) . Taalgebruik in Tenakh : châmâh (wegvagen) . Getalwaarde : chet = 8 , mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 53 (priemgetal) . act. qal imperf. 1ste pers. enk. ´èmëchèh (ik zal wegvagen) . Tenakh (2) : (1) Gn 6,7 . (2) Ex 17,14 .

- chämôr (ezel, ezelin) . chämôr (ezel, ezelin) . Taalgebruik in Tenakh : chämôr (ezel, ezelin) . Getalwaarde : chet = 8 , mem = 13 of 40 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 47 OF 254 (2 X 127) . Structuur : 8 - 4 - 6 - 2 . Tenakh (29) . Pentateuch (18) . Js (1) : Js 21,7 .
- hachämôr (de ezel, de ezelin) . Tenakh (15) .
- wëchämôr / wachämôr = en (de) ezel) . Tenakh (7) : (1) Gn 32,6 . (2) Joz 6,21 . (3) Re 6,4 . (4) 1 S 12,3 . (5) 1 S 22,19 . (6) 1 K 13,28 . (7) Js 1,3 .
- sjôr wëchämôr (rund en ezel) . Tenakh (1) : Gn 32,6 . sjôr ... wachämôr (rund en de ezel) . Tenakh (2) : 1 S 12,3 . (2) Js 1,3 .
- sjôr wâshèh wachämôr (het rund en het kleinvee en de ezel) . Tenakh (1) : Joz 6,21 . wëshèh wâsjôr wachämôr (en kleinvee en het rund en de ezel) . Tenakh (1) Re 6,4 . wësjôr wachämôr wâshèh (en rund en de ezel en het kleinvee) . Tenakh (1) : 1 S 22,19 .

- channâh (Anna) . channâh (Anna) . Taalgebruik in Tenakh : channâh (Anna) . Getalwaarde : chet = 8 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7) . chnh . Tenakh (15) : (1) Ex 18,5 . (2) 1 S 1,2 . (3) 1 S 1,5 . (4) 1 S 1,8 . (5) 1 S 1,9 . (6) 1 S 1,15 . (7) 1 S 1,19 . (8) 1 S 1,20 . (9) 1 S 2,1 . (10) 1 S 2,21 . (11) 1 S 26,5 . (12) 2 S 23,13 . (13) Js 29,1 . (14) Ps 34,8 . (15) 1 Kr 11,15 . Gr. anna . LXX (13) . NT (2) : (1) Lc 2,36 . (2) Lc 3,2 . OT In vijftien verzen in de bijbel . In dertien verzen in het O.T. . In twee verzen in het NT . Verwijzing : chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen), zie Ps 111,5 .

- chänîth (speer) . chänîth (speer) . Taalgebruik in Tenakh : chänîth (speer) . Getalwaarde : chet = 8 , nun = 14 of 50 , taw = 22 of 400 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 458 (2 X 229) . Structuur : 8 - 5 - 4 . chänîthôthehèm (hun speren) < stat. constr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Tenakh (1) Js 2,4 .

- châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) . châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) . Taalgebruik in Tenakh : châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) . Getalwaarde : chet = 8 , pe = 17 of 80 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 43 OF 178 (2 X 89) . Structuur : 8 - 8 - 9 .

- act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. jèchëpâtsûn (zij verlangen) . Tenakh (1) Js 58,2 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. châphatsëthî / châphâtsëthî (ik schep behagen in) . Tenakh (13) : (1) Dt 25,8 . (2) 2 S 15,26 . (3) Js 1,11 . (4) Js 55,11 . (5) Js 56,4 . (6) Js 65,12 . (7) Js 66,4 . (8) Jr 9,23 . (9) Hos 6,6 . (10) Ps 40,9 . (11) Ps 73,25 . (12) Ps 119,35 . (13) Job 33,32 .
Een vorm van châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) in Jesaja in 11 verzen : (1) Js 1,11 . (2) Js 13,17 . (3) Js 42,21 . (4) Js 53,10 . (5) Js 55,11 . (6) Js 56,4 . (7) Js 58,2 . (8) Js 62,4 . (9) Js 65,12 . (10) Js 66,3 . (11) Js 66,4 .

zie Ps 40,15 . Ps 35,27 , Ps 40,15 , Ps 73,3 . In vijfenveertig verzen in de bijbel .
- hachephèts (verlangen?) < prefix vragend vooornaamw. of bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. chephètz (verlangen, wil, belang, wens) . Tenakh (3) : (1) 1 S 15,22 . (2) Job 22,3 . (3) Pr 5,7 .
--- chephètz (verlangen, wil, belang, wens) . Zelfstandig naamwoord . chèphëtsî (mijn welbehagen) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud met suffix eerste persoon enkelvoud . Eigennaam chèphëtsî bâh (Hefsiba) = mijn welbehagen is in haar : zie 2 K 21,1 . In negen verzen in de bijbel .
--- chäphetsê . Zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud status constructus . chèphëtsêhèm : status constructus meervoud + suffix bezittelijk voornaamwoord derde persoon meervoud .
---- chphtzj : zelfstandig naamwoord meervoud: Ps 16,3 ,

- chârad (sidderen, beven, schrikken) . chârad (sidderen, beven, schrikken) . Taalgebruik in Tenakh : chârad (sidderen, beven, schrikken) . Getalwaarde : chet = 8 , resj = 20 of 200 , daleth = 4 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 212 (2² X 53) . Structuur : 8 - 2 - 4 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. jèchêrâdû (zij sidderen) van het werkw. Tenakh (4) : (1) Js 41,5 . (2) Ez 26,18 . (3) Hos 11,11 . (4) Am 3,6 .

9. chârah (branden, ontbranden) . chârah (branden, ontbranden) . Taalgebruik in Tenakh : (chârâh ( branden, ontbranden) . Getalwaarde : chet = 8, resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 213 (3 X 71) . Structuur : 8 - 2 - 5 . Tenakh (17) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . (17) . In toorn ontbranden . vergrammen < gram , Gr. chromos (ge-grom) . Het woord duidde eerst een geluid aan , en uit een begrip 'grommen' ontstond dat van vertoornd . Toorn betekent een heftige gemoedsbeweging , vandaar evenzeer 'toorn' als 'hevig verdriet' . Gr. thumos . Ned. toorn . Gr. perilupos : zeer bedroefd . Bijbel (9) . OT (5) . NT (4) . Gn 4,6 (hina ti perilupos egenou = waarom werd jij zeer bedroefd) en Ps 42,6 (hina ti perilupôs ei = waarom ben je bedroefd) komen in de LXX sterk met elkaar overeen .
Zie ook : tisjëthôchächî ( je boog je neer ) . Histaf`al van het werkw. chwh ( zich neerbuigen ) . In drie verzen in Ps 42-43 , telkens in het refrein .
Lat. incurvaris < in - + curvaris ( curvari : pass. praes. 2de pers. enk. ) . curvus ( cfr curve ) : krom (c - r ) , gebogen . Gr. perilupos ( zeer bedroefd ) .
- chârâh ´appî ( mijn woede ontbrandde ) . In 3 verzen in de bijbel : (1) Job 42,7 . (2)

- wajjichar ( hij ontbrandde ) < wë + act. qal imperfectum 3de pers. mann. enk. OF (2) wëjichar (en dat ontbrandde) act. qal jussief 3de pers. mann. enk. van het werkwoord chârah ( branden, ontbranden ) . Taalgebruik in Tenakh : (chârâh ( branden, ontbranden) . Getalwaarde : chet = 8, resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 213 (3 X 71) . Structuur : 8 - 2 - 5 . In toorn ontbranden . vergrammen < gram , Gr. chromos (ge-grom) . Het woord duidde eerst een geluid aan , en uit een begrip 'grommen' ontstond dat van vertoornd . Toorn betekent een heftige gemoedsbeweging , vandaar evenzeer 'toorn' als 'hevig verdriet' . Gr. thumos . Ned. toorn . Gr. perilupos : zeer bedroefd . Tenakh (50) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (18) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (11) . Bijbel (50) . Gn (5) . Ex (3) . Nu (10) . Dt (1) . Joz (1) . Re (6) . 1 S (5) . 2 S (6) . 2 K (1) . Gn (5) : (1) Gn 4,5 . (2) Gn 30,2 . (3) Gn 31,36 . (4) Gn 34,7 . (5) Gn 39,19 . Ex (3) : (1) Ex 4,14 . (2) Ex 32,10 . (3) Ex 32,19 . Nu (10) : (1) Nu 11,1 . (2) Nu 11,10 . (3) Nu 12,9 . (4) Nu 16,15 . (5) Nu 22,22 . (6) Nu 22,27 . (7) Nu 24,10 . (8) Nu 25,3 . (9) Nu 32,10 . (10) Nu 32,13 . Dt (1) Dt 29,26 . Eerdere Profeten (18) : (1) Joz 7,1 . (2) Re 2,14 . (3) Re 2,20 . (4) Re 3,8 . (5) Re 9,30 . (6) Re 10,7 . (7) Re 14,19 . (8) 1 S 11,6 . (9) 1 S 15,11 . (10) 1 S 17,28 . (11) 1 S 18,8 . (12) 1 S 20,30 . (13) 2 S 3,8 . (14) 2 S 6,7 . (15) 2 S 6,8 . (16) 2 S 12,5 . (17) 2 S 13,21 . (18) 2 K 13,3 .
- wajjichar ´aph (en toorn ontbrandde) . Tenakh (26) : (1) Gn 30,2 . (2) Ex 4,14 . (3) Ex 32,19 . (4) Nu 11,10 . (5) Nu 12,9 . (6) Nu 22,22 . (7) Nu 22,27 . (8) Nu 24,10 . (9) Nu 25,3 . (10) Nu 32,10 . (11) Nu 32,13 . (12) Dt 29,26 . (13) Joz 7,1 . (14) Re 2,14 . (15) Re 2,20 . (16) Re 3,8 . (17) Re 10,7 . (18) 1 S 17,28 . (19) 1 S 20,30 . (20) 2 S 6,7 . (21) 2 S 12,5 . (22) 2 K 13,3 . (23) 1 Kr 13,10 . (24) 2 Kr 25,15 . (25) Job 32,2 . (26) Ps 106,40 .
- wajjichar ´aph JHWH (en de toorn van JHWH ontbrandde) . Tenakh (17) : (1) Ex 4,14 . (2) Nu 11,10 . (3) Nu 12,9 . (4) Nu 25,3 . (5) Nu 32,10 . (6) Nu 32,13 . (7) Dt 29,26 . (8) Joz 7,1 . (9) Re 2,14 . (10) Re 2,20 . (11) Re 3,8 . (12) Re 10,7 . (13) 2 S 6,7 . (14) 2 K 13,3 . (15) 1 Kr 13,10 . (16) 2 Kr 25,15 . (17) Ps 106,40 .
- wajjichar ´aph JHWH bëjishërâ´el (en de toorn van JHWH ontbrandde tegen Israël) .Tenakh (7) : (1) Nu 25,3 . (2) Nu 32,13 . (3) Re 2,14 . (4) Re 2,20 . (5) Re 3,8 . (6) Re 10,7 . (7) 2 K 13,3 .
- wajjichar ´aphô (en zijn toorn ontbrandde) . Tenakh (6) : (1) Gn 39,19 . (2) Nu 11,1 . (3) Re 9,30 . (4) Re 14,19 . (5) 1 S 11,6 . (6) Job 32,5 .

- chârëbâh (woestenij, puinhoop) . chârëbâh (woestenij, puinhoop) . Taalgebruik in Tenakh : chârëbâh (woestenij, puinhoop) . Gr. erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Lc. : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Hnd. : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in de Septuaginta . : erèmos (woestijn) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . Fr. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . E. desert . D. die Wüste .

- chârasj (doof, stom zijn, zwijgen, zich rustig houden) .
- wajjithëhârësjû (en zij hielden zich rustig) < wë + hitpael imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1) : Re 16,2 .

- châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) . châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) . Taalgebruik in Tenakh : châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 313 (priemgetal) . Gr. siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in het NT : siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in de LXX : siôpaô (zwijgen) . Een vorm van siôpaô (zwijgen) in de LXX (36) , in het NT (10) . Een vorm van châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) in Js in 6 verzen : (1) Js 42,14 . (2) Js 57,11 . (3) Js 62,1 . (4) Js 62,6 . (5) Js 64,11 . (6) Js 65,6 .
- actief qal imperfectum eerste persoon enkelvoud ´èchêsjèh (ik zal zwijgen) . Tenakh (2) : (1) Js 62,1 . (2) Js 65,6 .
- act. hifil perfect. 1ste pers. enk. hèchêsje(j)thî (ik zwijg) . Tenakh (2) : (1) Js 42,14 . (2) Ps 39,3 .

- châtâ´ (zondigen, missen) . châtâ´ (zondigen, missen) . Taalgebruik in Tenakh : châtâ´ (zondigen, missen) . Getalwaarde : chet = 8 , tet = 9 , aleph = 1 ; totaal : 18 (2 X 3²) . Structuur : 8 - 9 - 1 . ch-t-´ . Tenakh (45) . chote´ (zondigend) act. qal part. nom. mann. enk. o.a. Js 1,4 .
- châtâ´ hâ`âm (het volk heeft gezondigd) . Tenakh (1) Ex 32,31 .
- chattâ´ (zondaar, misdadiger) .
- chätâ´âh (zonde, midaad) . hatto´thâm (hun zonden) < vr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Tenakh (18) : (1) Ex 32,30 . (2) Ex 32,32 . (3) Ex 32,34 . (4) Lv 10,19. (5) Lv 16,16 . (6) Lv 16,21 . (7) Lv 16,34 . (8) Nu 5,7 . (9) Nu 16,26 . (10) Nu 18, 9 . (11) Nu 32,23 . (12) Dt 9,16 . (13) Dt 9,18 . (14) Js 58,1 . (15) Jr 14,10 . (16) Jr 40,3 . (17) Jr 44,23 . (18) Ps 85,3 .
- wëchattâ´îm (en zondaars) < wë = mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (4) : (1) Gn 13,13 . (2) Js 1,28 . (3) Ps 1,5 . (4) Ps 51,5 .

- châthath (bevreesd, verschrokken zijn) . châthath (bevreesd, verschrokken zijn) . Taalgebruik in Tenakh : châthath (bevreesd, verschrokken zijn) . Getalwaarde : chet = 8 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 808 (8 X 101) .
- passief nifal imperf. 3de pers. mann. mv. jechathû (zij worden verschrikt) . Tenakh (5) : (1) 1 S 2,10 . (2) Jr 10,2 . (3) Jr 17,18 . (4) Jr 23,4 . (5) Job 21,13 .

- châtsabh (splijten, hakken, doden) . châtsabh (splijten, hakken, doden) . Taalgebruik in Tenakh : châtsabh (splijten, hakken, doden) . Getalwaarde : chet = 8 , tsade = 18 of 90 , beth = 2 ; totaal : 28 (2² X 7) OF 100 (2² X 5²) . Structuur : 8 - 9 - 2 .
- act. qal perf. 2de pers. mann. enk. châtsabhëthâ (jij hebt gehouwen) . Tenakh (2) : (1) Dt 6,11 . (2) Js 22,16 .

- châtsîr (gras) . châtsîr (gras) . Taalgebruik in Tenakh : châtsîr (gras) . Getalwaarde : chet = 8 , tsade = 18 of 90 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 56 (2³ X 7) OF 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 8 - 9 - 1 - 2 . Tenakh 16) . Js (9) : (1) Js 15,6 . (2) Js 34,13 . (3) Js 35,7 . (4) Js 37,27 . (5) Js 40,6 . (6) Js 40,7 . (7) Js 40,8 . (8) Js 44,4 . (9) Js 51,12 .

- voorvoegsel wë + hitpaël imperfectum 3de pers. mann. mv. wajjisjëthachä(w)wû (en zij bogen zich neer) van het werkw. châwâh . Tenakh (31) . Pentateuch (9) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (11) . Pentateuch (9) : (1) Gn 27,29 . (2) Gn 33,7 . (3) Gn 42,6 . (4) Gn 43,26 . (5) Ex 4,31 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 32,8 . (8) Nu 25,2 . (9) Dt 29,25 . Eerdere Profeten (6) : (1) Re 2,12 . (2) Re 2,17 . (3) 1 S 1,19 . (4) 1 K 11,33 . (5) 2 K 2,15 . (6) 2 K 17,16 . wajjisjëthachäwwû lâhèm (en zij bogen zich neer voor hen) . Tenakh (5) : (1) Dt 29,25 . (2) Re 2,12 . (3) Re 2,17 . (4) 2 Kr 7,22 . (5) Jr 16,11 .
- wëhisthachäwîthèm (en zij buigen neer) < wë + hitpael perf. 2de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (5) : (1) Ex 24,1 . (2) Dt 11,16 . (3) Joz 23,16. (4) 1 K 9,6 . (5) 2 Kr 7,19 .
- lëhisjëthachäwoth (om zich neer te buigen) > voorzetsel lë + hitpaël inf. van het werkw. châwâh . Tenakh (14) : (1) Gn 37,10 . (2) Lv 26,1 . (3) 1 S 1,3 . (4) 1 S 2,36 . (5) 2 S 15,5 . (6) 2 K 5,18 . (7) Js 2,20 . (8) Js 66,23 . (9) Jr 7,2 . (10) Jr 26,2 . (11) Ez 46,9 . (12) Zach 14,16 . (13) Zach 14,17 . (14) 2 Kr 20,18 .

- châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) . châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) . Taalgebruik in Tenakh : châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) . Taalgebruik in Jesaja : châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) . Getalwaarde : chet = 8 , zain = 7 , he = 5 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 8 - 7 - 5 . ch-z-h . Tenakh (41) . Js (6) : (1) Js 1,1 . (2) Js 2,1 . (3) Js 13,1 . (4) Js 28,15 (chozèh) . (5) Js 33,20 . (6) Js 48,6 . act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. châzâh (hij ziet) . Js (3) : (1) Js 1,1 . (2) Js 2,1 . (3) Js 13,1 .
- act. ind. perf. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Aoristvorm van horaô (zien) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . N. zien . D. sehen , schauen . E. to see . Bijbel (262) . Pentateuch (64) . Js (5) : (1) Js 1,1 . (2) Js 13,1 . (3) Js 30,19 . (4) Js 59,15 . (5) Js 59,16 . Een vorm van eidon / eiden in het NT (336) . 2 / 3 wordt châzâh door eiden vertaald .
- act. ind. perf. 3de pers. enk. vidit van het werkw. videre (zien) . Bijbel (201) . Pentateuch (32) . Js (9) : (1) Js 1,1 . (2) Js 2,1 . (3) Js 9,1 . (4) Js 13,1 . (5) Js 30,19 . (6) Js 59,15 . (7) Js 59,16 . (8) Js 64,3 . (9) Js 66,8 . 3 / 3 wordt châzâh door vidit vertaald ; 5 / 5 wordt eiden door vidit vertaald .
Hebr. châzâh . Gr. eiden . Lat. vidit (2) : (1) Js 1,1 . (2) Js 13,1 .
Een vorm van châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) in Js (12) : (1) Js 1,1 . (2) Js 2,1 . (3) Js 13,1 . (4) Js 26,11 . (5) Js 30,10 . (6) Js 33,17 . (7) Js 33,20 . (8) Js 47,13 . (9) Js 48,6 . (10) Js 57,8 .
Hebr. châzâh . Gr. eiden . Lat. vidit (2) : (1) Js 1,1 . (2) Js 13,1 .
-- ´äsjèr châzâh (dat hij zag) . (1) Js 1,1 . (2) Js 2,1 . (3) Js 13,1 . (4) Am 1,1 . (5) Mi 1,1 . (6) Hab 1,1 .

- chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . Taalgebruik in Tenakh : chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . Getalwaarde : chet = 8 , zajin = 7 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23) . Structuur : 8 - 7 - 1 .
- act. qal perf. 3de pers. mann. enk. châzaq (hij bemoedigt) OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. chäzaq (bemoedig) OF act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. chazzeq (bemoedig) OF bijvoegl. naamw. châzâq (vast, sterk, hevig) . Tenakh (44) . Pentateuch (9) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (14) . Dt (4) : (1) Dt 1,38 . (2) Dt 12,23 . (3) Dt 31,7 . (4) Dt 31,23 . Joz (6) : (1) Joz 1,6 . (2) Joz 1,7 . (3) Joz 1,9 . (4) Joz 1,18 . (5) Joz 14,11 . (6) Joz 17,18 .
- wajjèchèzaq lebh parë`oh (en het hart van Farao verhardde) . Tenakh (4) : (1) Ex 7,13 . (2) Ex 7,22 . (3) Ex 8,15 . (4) Ex 9,35 .
- wajëchazzeq JHWH ´èth lebh parë`oh (en JHWH verhardde het hart van Farao) . Tenakh (6) : (1) Ex 7,3 . (2) Ex 9,12 . (3) Ex 10,20 . (4) Ex 10,27 . (5) Ex 11,10 . (6) Ex 14,4 . (7) Ex 14,8 .
- hèchèzaqëthîkhâ (ik hou je vast) < act. hifil perf. 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaams. 2de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (1) : Js 41,9 .
-

- chäzôn (visioen, gezicht) . châzôn / chäzôn (visioen, gezicht) . Taalgebruik in Tenakh : chäzôn (visioen, gezicht) . Getalwaarde : chet = 8 , zain = 7 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 71 . Structuur : 8 - 7 - 6 - 5 . Niet in de Pentateuch . Slechts 1X in de Vroege Prof. : 1 S 3,1 . Tenakh (23) . Js (2) : (1) Js 1,1 . (2) Js 29,7 . 12 kl. Prof. (2) : (1) Ob 1 . (2) Nah 1,1 . Zie ook 2 Kr 32,32 .
- machäzeh (visioen, gezicht) < prefix m + stam ch-z-h . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , chet = 8 , zain = 7 , he = 5 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 60 (2² X 3 X 5) . Structuur : 4 - 8 - 7 - 5 . m-ch-z-h . Tenakh (5) . machäzeh . Tenakh (3) : (1) Nu 24,4 . (2) Nu 24,16 . (3) Ez 13,7 .

- mashshâ´ (profetie, godsspraak, het dragen, last) . mashshâ´ (profetie, godsspraak, het dragen, last) . Taalgebruik in Tenakh : mashshâ´ (profetie, godsspraak, het dragen, last) . Tenakh (37) . Js (12) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) .

- châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden) . châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden) . Taalgebruik in Tenakh : châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden) . Gr. krateô (vastnemen, bemachtigen) + genitief . Taalgebruik in het NT : krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in de LXX : krateô (vastnemen, bemachtigen) . krateô -> kratos (kracht , sterkte , macht) . Lat. tenere (houden , vasthouden) . Fr. arrêter (arresteren) < ad - re- stare : bij - blijven , bij - terug - staan . Een vorm van krateô (vastnemen, bemachtigen) in de LXX (153) , in het NT (47) .

- chèbhërôn (Hebron) . chèbhërôn (Hebron) . Taalgebruik in Tenakh : chèbhërôn (Hebron) . Getalwaarde : chet = 8 , beth = 2 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 50 OF 266 (2 X 7 X 19) . Structuur : 8 - 2 - 2 - 6 - 5 . Tenakh (33) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (8) . Gn (3) : (1) Gn 23,2 . (2) Gn 23,19 . (3) Gn 37,14 .

- chelèbh (vet, het beste) . chelèbh (vet, het beste) . Taalgebruik in Tenakh : chelèbh (vet, het beste) . Getalwaarde : chet = 8 , lamed = 13 of 40 , beth = 2 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 8 - 4 - 2 . Tenakh (47) . Pentateuch (28) . Js (2) : (1) Js 7,22 . (2) Js 60,16 . wëhelèbh (en vet) . Js (3) : (1) Js 1,11 . (2) Js 43,24 . (3) Js 55,1 .
- m-ch-l-b . Tenakh (9) . mechelèbh (van / dan vet) . Tenakh (6) : (1) 1 S 15,22 . (2) 2 S 1,22 . (3) Js 34,6 . (4) Js 34,7 . (5) Ps 73,7 . (6) Ps 81,17 .

- chèrèbh (mes, zwaard) . chèrèbh (mes, zwaard) . Taalgebruik in Tenakh : chèrèbh (mes, zwaard) . Getalwaarde : chet = 8 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 8 - 2 - 2 . Tenakh (168) . Js (10) : (1) Js 1,20 . (2) Js 2,4 . (3) Js 14,19 . (4) Js 21,15 . (5) Js 22,2 . (6) Js 25,5 . (7) Js 31,8 . (8) Js 34,6 . (9) Js 60,12 . (10) Js 61,4 . charëbhôthâm < stat. constr. mv. charëbhôth + suff. pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. (hun zwaarden) . Tenakh (4) : (1) Js 2,4 . (2) Ez 28,7 . (3) Ez 30,11 . (4) Ez 32,27 .

- chèrëpâh (smaad, hoon, schande) . chèrëpâh (smaad, hoon, schande) . Taalgebruik in Tenakh : chèrëpâh (smaad, hoon, schande) . Getalwaarde : chet = 8 , resj = 20 of 200 , pe = 17 of 80 , he = 5 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 293 (priemgetal) . Structuur : 8 - 2 - 8 - 5 .
- chèrëpâthî (mijn smaad) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . ch-r-p-th-i . Tenakh (7) : (1) Gn 30,23 . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) .

- chèsèd (liefde, barmhartigheid) . chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Taalgebruik in Tenakh : chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Gr. eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in de Septuaginta : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) . Getalwaarde : chet = 8 , samech = 15 of 60 , daleth = 4 ; totaal : 27 of 72 . In zesenzeventig verzen in de bijbel . In negentien verzen in de Psalmen: (1) Ps 18,51 . (2) Ps 25,10 . (3) Ps 32,10 . (4) Ps 33,5 . (5) Ps 52,3 . (6) Ps 61,8 . (7) Ps 62,13 . (8) Ps 85,11 . (9) Ps 86,5 . (10) Ps 86,15 . (11) Ps 89,3 . (12) Ps 89,15 . (13) Ps 100,1 . (14) Ps 103,4 . (15) Ps 103,8 . (16) Ps 109,12 . (17) Ps 109,16 . (18) Ps 141,5 . (19) Ps 145,8 .
--- chasëdô (zijn liefde). In 61 verzen in de bijbel. In 47 verzen in de Psalmen: (1) Ps 31,22 . (2) Ps 42,9 . (3) Ps 57,4 . (4) Ps 59,11 . (5) Ps 77,9 . (6) Ps 98,3 . (7) Ps 100,5 . (8) Ps 103,11 . (9) Ps 106,1 . (10) Ps 106,45 . (11) Ps 107,1 . (12) Ps 107,8 . (13) Ps 107,15 . (14) Ps 107,21 . (15) Ps 107,31 . (16) Ps 117,2 . (17) Ps 118,1 . (18) Ps 118,2 . (19) Ps 118,3 . (20) Ps 118,4 . (21) Ps 118,29 . (22) Ps 136,1 . (23) Ps 136,2 . (24) Ps 136,3 . (24 + 23 = 47) - Ps 136,4 - Ps 136,5 - Ps 136,6 - Ps 136,7 - Ps 136,8 - Ps 136,9 - Ps 136,10 - Ps 136,11 - Ps 136,12 - Ps 136,13 - Ps 136,14 - Ps 136,15 - Ps 136,16 - Ps 136,17 - Ps 136,18 - Ps 136,19 - Ps 136,20 - Ps 136,21 - Ps 136,22 - Ps 136,23 - Ps 136,24 - Ps 136,25 - Ps 136,26 -
--- bëchasëdëkhâ (in jouiw barmhartigheid) . Prefix bë , zelfstandig naamwoord en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mann. enkelvoud . Tenakh (4) : (1) Ex 15,13 . (2) Ps 13,6 . (3) Ps 31,8 . (4) Ps 31,17 .
--- eleos. In 226 verzen in de bijbel . In 207 verzen in het O.T., in negentien verzen in het NT . In vier verzen bij Lucas : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 10,37 . Zie verder Taalgebruik : eleèmôn (barmhartig) , zie Mt 5,7 .

- cheresj (doof) . cheresj (doof) . Taalgebruik in Tenakh : cheresj (doof) . Getalwaarde : chet = 8 , resj = 20 of 200 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 49 (7²) OF 508 (2² X 127) . Structuur : 8 - 2 - 3 . Gr. kôfos (doof) . Taalgebruik in de LXX : kôfos (doof) . Taalgebruik in het NT : kôfos (doof) . Lat. surdus . Fr. sourd . D. taub . E. deaf . Een vorm van kôfos (doof) in de LXX (13) , in het NT (14) .
- cherësjîm (doven) . Jesaja (1) Js 35,5 .
-- wëcherësjîm (doven) . Jesaja ((1) Js 43,8 .
- bepaald lidw. + zelfst. naamw. mann. mv. hacherësjîm (de doven) . Tenakh (3) : (1) Js 29,18 . (2) Js 42,18 . (3) Ne 11,35 : een plaatsnaam .
- verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. enk. wëcheresj (en een dove) . Jesaja (1) Js 42,19 .

- chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen) . chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen) . Taalgebruik in Tenakh : chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen) . act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. chûlî (beef van angst) van het werkw. Tenakh (2) : (1) Mi 4,10 . (2) Ps 114,7 .

- chiththî (Hittiet) . chiththî (Hittiet) . Taalgebruik in Tenakh : chiththî (Hittiet) . Getalwaarde : chet = 8 , thaw = 22 of 400 , jod = 10 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 418 (2 X 11 X 19) . Structuur : 8 - 4 - 1 .
- hachiththî (de Hittiet) < ha + . Tenakh (30) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Re (1) : Ex 3,5 .
- hachiththîm (de Hittietten) < ha + mann. mv. van de eigennaam Tenakh (5) : (1) Joz 1,4 . (2) Re 1,26 . (3) 1 K 10,29 . (4) 2 K 7,6 . (5) 2 Kr 1,17 .

- chizëqijjâhû (Hizkia) . chizëqijjâhû (Hizkia) . Taalgebruik in Tenakh : chizëqijjâhû (Hizkia) . Taalgebruik in Jesaja : chizëqijjâhû (Hizkia) . Getalwaarde : chet = 8 , zajin = 7 , qoph = 19 of 100 , jod = 10 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 55 (5 X 11) of 131 (priemgetal) . Structuur : 8 - 7 - 1 - 5 - 6 . Betekenis : chizëqijjâhû (Hizkia) < châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden) . Taalgebruik in Tenakh : châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden) + jahû = JHWH . JHWH bevestigt : maakt sterk . Tenakh (65) . Js (28) . Js 36 (9) . Js 37 (8) . Js 38 (5) . Js 39 (6) . Js 36 (9) : (1) Js 36,1 . (2) Js 36,2 . (3) Js 36,4 . (4) Js 36,7 . (5) Js 36,14 . (6) Js 36,15 . (7) Js 36,16 . (8) Js 36,18 . (9) Js 36,22 . Js 37 (8) : (1) Js 37,1 . (2) Js 37,3 . (3) Js 37,5 . (4) Js 37,9 . (5) Js 37,10 . (6) Js 37,14 . (7) Js 37,15 . (8) Js 37,21 . Js 38 (5) : (1) Js 38,1 . (2) Js 38,2 . (3) Js 38,3 . (4) Js 38,5 . (5) Js 38,22 . Js 39 (6) : (1) Js 39,1 . (2) Js 39,2 . (3) Js 39,3 . (4) Js 39,4 . (5) Js 39,5 . (6) Js 39,8 . 2 K (31) . 2 K 23 (1) : 2 K 21,3 .
- ´èl chizëqijjâhû (tot Hizkia) . Tenakh (20) : (1) 2 K 18,19 . (2) 2 K 18,31 . (3) 2 K 18,32 . (4) 2 K 18,37 . (5) 2 K 19,9 . (6) 2 K 19,10 . (7) 2 K 19,20 . (8) 2 K 20,5 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 K 20,16 . (11) 2 Kr 29,18 . (12) Js 36,4 . (13) Js 36,16 . (14) Js 36,22 . (15) Js 37,9 . (16) Js 37,10 . (17) Js 37,21 . (18) Js 38,5 . (19) Js 39,1 . (20) Js 39,5 .
- hammèlèkh chizëqijjâhû (koning Hizkia) . Tenakh (8) : (1) 2 K 18,17 . (2) 2 K 19,1 . (3) 2 K 19,5 . (4) 2 K 20,14 . (5) Js 36,2 . (6) Js 37,1 . (7) Js 37,5 . (8) Js 39,3 .
- lëchizëqijjâhû (aan Hizkia) . Tenakh (1) : Js 38,9 .
- http://nl.wikipedia.org/wiki/Hizkia . Hizkia (ook wel Jechizkia, overleden in 687 v.Chr.) was een Bijbels-historisch figuur. Hizkia was van (vermoedelijk) 715 v.Chr. tot zijn dood koning van Juda. Hij was de opvolger van zijn vader Achaz. Ten tijde van Hizkia's leven was Israël opgedeeld in een noordrijk (onder de naam Israël) en een zuidrijk (Juda). In 722 v.Chr. veroverden de Assyriërs het noordrijk. Zijn vader was toen koning van het zuidelijke Juda, dat een vazalstaat van de Assyriërs was. Desondanks liep ook Juda het gevaar veroverd te worden. Hizkia toonde zich naar buiten toe loyaal ten opzichte van de Assyriërs, maar bereidde tegelijkertijd de hoofdstad van Juda Jeruzalem voor op een beleg. Hij versterkte de stadsmuren en liet een 533 meter lang ondergronds kanaal (de Hizkia-tunnel) aanleggen van de bij de stad gelegen Gihonbron naar binnen de stad. De bouw van dit kanaal was voor die tijd een technisch meesterwerk. Toen in 704 v.Chr. de Babyloniërs tegen de Assyriërs ten strijde trokken, steunde Hizkia de opstand tegen de Assyriërs, tezamen met andere Syrische vorsten en in de hoop op steun van Egypte. De Assyrische koning Sanherib ondernam hierop een veldtocht tegen de Syriërs en veroverde het zuiden van Palestina (701 v.Chr.) voordat Egyptische hulp kon arriveren. Ondanks het gegeven dat Hizkia 30 talenten goud en 300 talenten zilver betaalde aan Sanherib, begon Sanherib een belegering van Jeruzalem. Deze belegering werd echter afgebroken.

- ch-r-bh (o.a. Horeb) . ch-r-bh (o.a. Horeb) . Taalgebruik in Tenakh : ch-r-bh (o.a. Horeb) . Getalwaarde : chet = 8 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 8 - 2 - 2 . In Ex 3,1 : chorebhâh (naar de Horeb) . In Ex 17,6 : bëchorebh (in de Horeb) . Gr. chôrèb (Horeb) . Bijbel (18) . Pentateuch (12) . Ex (3) : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 17,6 . (3) Ex 33,6 (chôrebh) .

- châkhëmâh (wijsheid) . châkhëmah (wijsheid) . Taalgebruik in Tenakh : châkhëmâh (wijsheid) . Getalwaarde : chet = 8 , kaph = 11 of 20 , mem = 13 of 40 , he = 5 . Totaal 37 of 73 . Merkwaardige getallen ! De getalwaarde van Gn 1,1 is 2701 = 37 X 73 . Tenakh (76) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten () . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (61) . Ex (4) : (1) Ex 28,3 . (2) Ex 31,6 . (3) . Niet in Lv noch Nu . Dt : Dt 34,9 (1) . Lat. sapientia (sapere = smaken) . Fr. sapience . D. Weisheit . E. wisdom .

  bijbel   OT NT Ex   Dt   2 S  1 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Jdt  2 Mak  Job  Ps  Spr  Pr  Hl  W  Sir  Js  Jr  Bar   Ez  Da  Mal   
châkhëmâh  75      4           13  29  12             
sofia (i)  128  103 (?)  25     17  16    16  22         
sofias  61  49  12                (1) 14           
sofian  87  74  13        18    (1) 16           

bëchâkhëmah (met wijsheid) . Tenakh (16) : (1) Ex 35,26 . (2) Ex 35,31 . (3) Ps 104,24 . (4) Spr 3,19 . (5) Spr 24,3 . (6) Spr 28,26 . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) .

bachoshèkh (in de duisternis) : voorzetsel be + lidwoord ha -> trekt samen tot ba + zelfstandig naamwoord chosèk (duisternis) . bachosèkh (in duisternis) komt in de bijbel in veertien verzen voor . LXX vertaalt zonder bepaald lidwoord : en skotei (in duisternis) .
- chosjèkh (duisternis) . chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Getalwaarde : chet = 8 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 8 - 3 - 2 . Tenakh (57) . Gr. skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Taalgebruik in de Septuaginta : skotos (duisternis) . Een vorm van skotos (duisternis) in de Septuaginta (120) , in het NT (30) . Lat. tenebrae . Fr. ténèbres . E. darkness . D. Finsternis . ch-sj-kh . Tenakh (57) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (33) . Js (9) : (1) Js 5,20 . (2) Js 5,30 . (3) Js 13,10 . (4) Js 14,6 . (5) Js 42,7 . (6) Js 45,3 . (7) Js 45,7 . (8) Js 45,19 . (9) Js 59,9 . Een vorm van ch-sj-kh in Js (13) . (1) Js 5,20 . (2) Js 5,30 . (3) Js 9,1 . (4) Js 29,18 . (5) Js 42,7 . (6) Js 45,3 . (7) Js 45,7 . (8) Js 45,19 . (9) Js 47,5 . (10) Js 49,9 . (11) Js 58,10 . (12) Js 59,9 . (13) Js 60,2 . Na 7 dagen begint de 8ste dag (chet van chosjèkh = 8) of de 1ste dag van de scheppingsweek . Zoals elke dag begint de dag na de sabbat met het invallen van de duisternis .
Tegenover duisternis staat licht . Hebr. ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Taalgebruik in Jesaja : ´ôr (licht) . Getalwaarde : aleph = 1 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 207 (3³ X 23 ; 23 = aleph (1) + taw (22) . Structuur : 1 - 6 - 2 .
--- bachosèkh (in - de - duisternis) < voorzetsel be + lidwoord ha -> trekt samen tot ba + zelfstandig naamwoord . Tenakh (14) : (1) Joz 2,5 . (2) 1 S 2,9 . (3) Js 9,1 . (4) Js 47,5 . (5) Js 49,9 . (6) Js 58,10 . (7) Ez 8,12 . (8) Mi 7,8 . (9) Ps 88,13 . (10) Ps 112,4 . (11) Job 17,13 . (12) Job 24,16 . (13) Pr 2,14 . (14) Pr 5,16 .
- hachosjèkh (de duisternis) < bepaald lidw. ha + Tenakh (6) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,18 . (3) Dt 5,23 . (4) Js 60,2 . (5) Pr 2,13 . (6) Pr 11,8 .


- holîkhäkhâ (hij liet gaan, hij voerde) . Hifil perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud + suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud . Hapax .
- wâ´ôlekh (hij liet gaan, hij voerde) : (1) Lv 26,13 . (2) Dt 29,4 . (3) Joz 24,3 . (4) Am 2,10 .

- chûts (straat, buiten) . chûts (straat, buiten) . Taalgebruik in Tenakh : chûts (straat, buiten) . Getalwaarde : chet = 8 , waw = 6 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 104 (4 X 26) . Structuur : 8 - 6 - 9 .
hachûtsâh (naar buiten) . Tenakh (16) .
- bachûts (buiten, op straat) voorzetsel b + zelfst. naamw. . Tenakh (17) . Js (1) Js 42,2 .