Tenakh TAALGEBRUIK G
Overzicht van Tenakh : Tenakh
: overzicht , Tenakh
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenakh
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
ALGEMEEN OVERZICHT
- bijbeloverzicht
, bijbelverwijzingen
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
van Paulus , Apostolische
brieven .
Overzicht van het N.T. : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth)
, 1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1
Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh
(Nehemia) , Tob
(Tobia) , Jdt
(Judith) , Est
(Esther) , 1 Mak
(1 Makkabeeën) , 2
Mak (2 Makkabeeën) , Job
, Ps (Psalmen
) , Spr (Spreuken)
, Pr (Prediker)
, Hl (Hooglied)
, W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja)
, Jr (Jeremia)
, Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos)
, Ob (Obadja)
, Jon (Jona)
, Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2
Kor (Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1
Tes (Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 | Targumim | rubrieken (1) |
| bijbelvertalingen Lexilogos | De Griekse bijbel - | bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
gâbhâh (hoog
/ verheven zijn, uitsteken) . gâbhâh (hoog / verheven zijn,
uitsteken) . Taalgebruik in Tenakh : gâbhâh
(hoog / verheven zijn, uitsteken) .
--- hammagëbîhî . Participium hifil . Hapax in Ps
113,5 .
- gėbhohāh (hoog, hoogmoedig, trots) . gëbhohâh (hoog, hoogmoedig, trots) . Taalgebruik in Tenakh : gëbhohâh (hoog, hoogmoedig, trots) . Getalwaarde : gimel = 3 , beth = 2 , he = 5 ; totaal : 15 (3 X 5) . Structuur : 3 - 2 - 5 - 5 . Tenakh (6) : (1) Dt 3,5 . (2) 1 S 2,3 . (3) 1 K 14,23 . (4) 2 K 17,10 . (5) Jr 2,20 . (6) Da 8,3 .
- gibhë`âh (heuvel) . gibhë`âh (heuvel) . Taalgebruik in Tenakh : gibhë`âh (heuvel) . miggëbhâ`ôth (boven de heuvels) . Tenakh (4) : (1) Lv 8,14 . (2) Js 2,2 . (3) Jr 3,23 . (4) Mi 4,1 .
- gabhëhûth (hoogmoed, trots)
. gabhëhûth (hoogmoed, trots) . Taalgebruik in Tenakh : gabhëhûth
(hoogmoed, trots) . Getalwaarde : gimel = 3 , beth = 2 , he = 5 , waw =
6 , taw = 22 of 400 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 416 (2² X 2³ X 13) .
Structuur : 3 - 2 - 5 - 6 - 4 .
- nom. vr. enk. stat. constr. gabhëhûth (hoogmoed, trots) . Tenakh
(3) : (1) Js
2,11 . (2) Js
2,17 . (3) Da
8,11 .
- gābhar (sterk, machtig zijn, overwinnen) . gâbhar (sterk, machtig zijn, overwinnen) . Taalgebruik in Tenakh : gâbhar (sterk, machtig zijn, overwinnen) . Getalwaarde : gimel = 3 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 25 (5²) OF 205 (5 X 41) . Structuur : 3 - 2 - 2 .
- gād (Gad) . gâd (Gad) OF zelfst. naamw. gad / gâd (koriander, geluk) . Taalgebruik in Tenakh : gād (Gad) . Getalwaarde : gimel = 3 , daled = 4 ; totaal : 7 . Structuur : 3 - 4 . Hij is de 1ste zoon van Zilpa , de bijvrouw van Lea . Hij is de 7de zoon van Jakob .
- gâd wë´asjer (Gad en Aser) . Tenakh (4) : (1) Gn 35,26 . (2) Ex 1,4 . (3) Dt 27,13 . (4) 1 Kr 2,2 .
- gādā“ (afouwen, uitrukken; pi. omhakken, stukslaan) . gâdâ´ (afhouwen, uitrukken; pi. omhakken, stukslaan) . Taalgebruik in Tenakh : gādā“ (afouwen, uitrukken; pi. omhakken, stukslaan) . Getal waarde : gimel = 3 , daleth = 4 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 23 OF 77 (7 X 11) . Structuur : 3 - 4 - 7 .
- act. piël imperf. 2de pers. mann. mv. thëgadde`ûn (jullie zullen omhakken) . Tenakh (2) : (1) Dt 7,5 . (2) Dt 12,3 .
- gibōr (sterk, machtig, held, machthebber, krijgsman) . gibôr (sterk, machtig, held, machthebber, krijgsman) . Taalgebruik in Tenakh : gibôr (sterk, machtig, held, machthebber, krijgsman) . Getalwaarde : gimel = 3 , beth = 2 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 31 OF 211 . Structuur : 3 - 2 - 6 - 2 .
- mann. mv. giborîm
van . g-b-r-j-m . Tenakh (8) : (1) Joz 10,2 . (2) 1 S 2,4 . (3) 2 S 1,25 . (4) 2 S 17,8 . (5) 2 S 23,9 . (6) Jr 41,16 . (7) Spr 21,22 . (8) Hl 3,7 .
-gâdal (groot worden, opgroeien) . gâdal (groot worden, opgroeien) . Taalgebruik in Tenakh : gâdal
(groot worden, opgroeien) . De getalwaarde van gdl is : gimmel = 3 , daleth
= 4 , lamed = 12 of 30 ; totale waarde : 19 of 37 . 37 is de ster met zeshoek
19 . De verhouding 3 - 4 - 3 vinden we in de derde letter , de gimmel : gimmel
= 3 , mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 ; totale waarde : 28 (2² X 7) of
73 . Wellicht is het van hieruit begrijpelijk dat in alfabetische Psalmen bij
de derde letter gimmel het woord gdl wordt gebruikt . De getalwaarde van beide
woorden is elkaars omgekeerde : 37 (gdl) - 73 (gml) . 73 is de ster met 37 als
zeshoek .
- act. piël , 1ste pers. enk. giddalëthî (ik bracht groot) .
g-d-l-th-j . Tenakh (4) : (1) Js
1,2 . (2) Js
23,4 . (3) Ps
71,21 . (4) 1
Kr 25,4 .
--- gaddëlû (maakt groot) . Piel imperatief tweede persoon enkelvoud
: Ps 34,4
. LXX : megalunate ton kurion sun emoi (verheft de Heer met mij) ; megalunate
is een hapax .
--- gâdëlû (zij zijn groot) . Qal perfectum derde persoon enkelvoud
. qâdëlô of gudëlô (zijn majesteit). Zelfstandig
naamwoord godèl + suffix 3de persoon enkelvoud. In 12 verzen in de bijbel.
- higëdîl (hij doet groot zijn) . Hifil derde persoon enkelvoud .
In dertien verzen in de bijbel .
- act. ind. jussief 3de pers. mann. enk. jigëdal (dat groot worde) . Tenakh (4) : (1) Nu 14,17 . (2) Ps 35,27 . (3) Ps 40,17 . (4) Ps 70,5 . In de 3 Psalmen is de vertaling megalunthètô (dat hij groot gemaakt worde) (pass. imperat. aor. 3de pers. enk.) . In (1) Ps 35,27 en (2) Ps 40,17 is JHWH , in Ps 70,5 ´èlohîm (God) lijdend voorwerp .
--- gâdôl (groot) . De getalwaarde In 174 verzen in de bijbel. In
17 verzen in de Psalmen : (1) Ps
21,6 . (2) Ps
47,3 . (3) Ps
48,2 . (4) Ps
76,2 . (5) Ps
77,14 . (6) Ps
86,10 . (7) Ps
86,13 . (8) Ps
95,3 . (9) Ps
96,4 . (10) Ps
99,2 . (11) Ps
99,3 . (12) Ps
104,25 . (13) Ps
108,5 . (14) Ps
135,5 . (15) Ps
138,5 . (16) Ps
145,3 ( gimel in de alfabetische psalm). (17) Ps
147,5 .
- gâdôl JHWH (groot is JHWH) . Tenakh (4) : (1) Ex 18,11 . (2) 1
Kr 16,25 . (3) Ps 96,4 . (4) Ps 135,5 . ´el gâdôl (een grote God) . Tenakh (3) : (1) Dt 7,21 . (2) Ps 77,14 . (3) Ps 95,3 .
- haggâdôl wënôrâ´ (de grote en de vreeswekkende)
. Tenakh (6) : (1) Dt
1,19 . (2) Dt
1,19 . (3) Neh
4,8 . (4) Da
9,4 . (5) Jl
3,4 . (6) Mal
3,23 .
--- gëdolîm . Mannelijk en onzijdig meervoud . In drieëntwintig
verzen in de bijbel : (1) . (18) Ps
111,2 . (19) Ps
136,7 . (20) Ps
136,17 . (21)
- thigëdal (en zij maakt groot) . Tenakh (2) : (1) 1 S 26,24 . (2) Zach 12,7 . (Zie Lc 1,46.4.)
- waägaddëlâh (en dat ik groot make) : act. ind. imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. van het werkw. Tenakh (1) : Gn 12,2 . Gr. megalunô
(groot maken, verheffen) . Taalgebruik in het NT : megalunô
(groot maken, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : megalunô
(groot maken, verheffen) . Een vorm van megalunô (groot maken, verheffen) in de Septuaginta
(92) , in het NT (8) .
--- wajjigëdal (en hij groeide) . wa consecutivum . Imperfectum derde persoon
enkelvoud . In achttien verzen in de bijbel : (1) Gn
21,8 . (2) Gn
21,20 . (3) Gn
24,35 . (4) Gn
26,13 . (5) Ex
2,10 . (6) Ex
2,11 . (7) Re
13,24 . (8) 1
S 2,21 . (9) 1 S 3,19 . (10) 2
S 7,26 . (11) 1 K 1,37 . (12) 1 K 1,47 . (13) 1 K 10,23 . (14) 2
K 4,18 . (15) Kl 4,6 . (16) 1 Kr 17,24 . (17) 1 Kr 29,25 . (18) 2 Kr 9,22
.
--- -- hajjèlèd wajjigëdal (en het kind groeide op) . In
twee verzen in de bijbel : (1) Gn
21,8 . (5) Ex
2,10 .
--- -- hanna`ar wajjigëdal (en de knaap groeide op) . In twee verzen in
de bijbel : (7) Re
13,24 . (8) 1
S 2,21 .
-- ´îsj gâdôl (een groot man) . Tenakh (2) : (1) 2 S 19,33 . (2) 2 K 5,1 .
- wënigëlâh (en zal geopenbaard worden) < wë + pâssief nifal perf. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (6) : (1) Js
22,14 . (2) Js
38,12 . (3) Js
40,5 . (4) Ez 13,14 . (5) Ez 23,29 . (6) Hos 7,1 .
- gâlâh (openen, ontbloten,
openbaren) . gālāh (openen, ontbloten, openbaren) . Taalgebruik in Tenakh : gâlâh
(openen, ontbloten, openbaren) . Getalwaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 20
(2² X 5) of 38 (2 X 19) . Structuur : 3 - 3 - 5 .
- gam (tezamen, ook, zelfs) . gam (tezamen, ook, zelfs) . Taalgebruik in Tenakh : gam (tezamen, ook, zelfs) . Getalwaarde : gimel = 3 , mem = 13 of 40 ; totaal : 16 (2² X 2²) OF 43 . Structuur : 3 - 4 . Tenakh (433) . Pentateuch (97) . Eerdere Profeten (97) . Latere Profeten (64) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (146) . Gn (54) . Gn 50 (3) : (1) Gn 50,9 . (2) Gn 50,18 . (3) Gn 50,23 . Re (16) : (1) Re 1,3 . (2) Re 1,22 . (3) Re 2,21 . (4) Re 3,22 . (5) Re 3,31 . (6) Re 5,4 . (7) Re 6,35 . (8) Re 7,18 . (9) Re 8,9 . (10) Re 8,22 . (11) Re 8,31 . (12) Re 9,19 . (13) Re 9,49 . (14) Re 10,9 . (15) Re 19,19 . (16) Re 20,48 .
- gâmâl (kameel) . Gr. kamèlos . L. camelus . Fr. chameau
.
-- gâmâl (kameel) . In acht verzen in de bijbel .
-- haggâmal (de kameel) . In zes verzen in de bijbel .
- gëmûl (het voolbrachte, handeling, vergelding) .
- gârasj (verdrijven, uitwerpen)
. gârasj (verdrijven, verjagen, uitwerpen) . Taalgebruik in Tenakh : gârasj
(verdrijven, uitwerpen) . Getalwaarde : gimel = 3 , resj = 20 of 200 , sjin
= 21 of 300 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 503 (priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 3 . Fr. chasser < volkslatijn captiare < captare < capere (nemen) : proberen te nemen , grijpen . Een vorm van gârasj (verdrijven, uitwerpen) in Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (9) . Gn (3) : (1) Gn
3,24 . (2) Gn 4,14 . (3) Gn 21,10 . Ex (11) : (1) Ex 2,17 . (2) Ex 6,1 . (3) Ex 10,11 . (4) Ex 11,1 . (5) Ex 12,39 . (6) Ex 23,28 . (7) Ex 23,29 . (8) Ex 23,30 . (9) Ex 23,31 . (10) Ex 33,2 . (11) Ex 34,11 . Lv in (1) Lv 21,7 . (2) Lv 22,13 . (3) . Nu (3) : (1) Nu 22,6 . (2) Nu 22,11 . (3) Nu 30,10 . Dt (1) : Dt 33,27 . Joz (2) : (1) Joz
24,12 (+ ´ôthâm = hen) . (2) Joz
24,18 . Re (5) : (1) Re 2,3 (+ ´ôthâm = hen) . (2) Re 6,9 (+ ´ôthâm = hen) . (3) Re 9,41 . (4) Re 11,2 . (5) Re 11,7 . 1 S (1) : 1 S 26,19 . 1 K (1) : 1 K 2,27 .
- act. piël perf. 2de pers. mann. enk. gerasjëthâ (jij verdrijft) van het werkw. Tenakh (1) : Gn 4,14 .
- act. piël imperf. 1ste pers. enk. ´ägâresj (ik verdrijf)
. Tenakh (1) : Re
2,3 .
- wâ´ägâresj (en ik verdrijf) . Tenakh (1) : Re
6,9 .
- wajëgârèsj (en hij verdrijft) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (7) : (1) Gn 3,24 . (2) Ex 10,11 . (3) Dt 33,27 . (4) Joz 24,18 . (5) Re 9,41 . (6) 1 K 2,27 . (7) Ps 78,55 . wathëgârèsj (en jij verdrijft) < wë + act. piël imperf. 2de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (1) Joz
24,12 .
- pass. pual perf. 3de pers. mann. mv. gorësjû (zij werden verdreven) van het werkw. Tenakh (1) : Ex 12,39 .
- gèsjèm (regen) . gèsjèm (regen) . Taalgebruik in Tenakh : gèsjèm (regen) . Getalwaarde : gimel = 3 , sjem = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; 37 OF 343 (7³) . Tenakh (12) : (1) 1 K 17,7 . (2) 1 K 17,14 . (3) 1 K 18,45 . (4) 2 K 3,17 . (5) Js 5,24 . (6) Jr 14,4 . (7) Ez 13,11 . (8) Jl 2,23 . (9) Zach 10,1 . (10) Ps 68,10 . (11) Spr 25,23 . (12) Pr 11,3 .
| huetos (regen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom. mann. enk. huetos | 28 | 27 | 1 | 1 | ||||||||||
| gen. mann. enk. huetou | 13 | 13 | ||||||||||||
| dat. mann. enk. huetô(i) | 4 | 4 | ||||||||||||
| acc. mann. enk. | 32 | 29 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1 | |||||||
| totaal | 77 | 73 | 4 | 1 | 2 | 1 | 1 | 1 |
Verwijzing : gèsjèm
(regen) , zie Zach
10,1 . In twaalf verzen in de bijbel : (1)
- huetos (regen) . In achtentwintig verzen in de bijbel .
--- hueton . Accusatief. In tweeëndertig verzen in de bijbel.
--- huetou . Genitief. In dertien verzen in de bijbel .
- cheima -tos (winterstorm, winterkoude) .
--- cheimarroos , -rous ((door storm en regen sneller stromend) , bergstroom
. In zeventien verzen in de bijbel .
--- cheimerinos (in de wintertijd geschiedend) . In één vers in
de bijbel . cheimerinon . Accusatief mannelijk enkelvoud . In één
vers in de bijbel .
- gâ´al (verlossen, redden)
. gâ´al (verlossen, redden) . Taalgebruik in Tenakh : gâ´al
(verlossen, redden) . Getalwaarde : gimel = 3 , aleph = 1 , lamed = 12 of
30 ; totaal : 16 (2² X 2²) OF 34 (2 X 17) . Structuur : 3 - 1 - 3
. gô´el (verlosser, redder) = act. qal part. mann. enk . (met lectio
plena van de o ; gô´el in plaats van go´el) . Tenakh (1) :
Js 59,20
.
- goálëkhèm < act. qal part. mann. enk .+ suffix persoonl.
voornaamw. 2de pers. mann. mv. van het werkw. . Tenakh (1) Js
43,14 .
- gilë`âd (Gilead) . gilë`âd
(Gilead) OF galë`ed (Galed) . Taalgebruik in Tenakh : gilë`âd
(Gilead) . Getalwaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 , ajin = 16 of 70
, daleth = 4 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 107 (priemgetal) . Structuur : 3 - 3 -
7 - 4 . Tenakh (71) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (40) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine
Profeten (3) . Geschriften (19) . Nu (5) : (1) Nu 26,29 . (2) Nu 26,30 . (3) Nu 27,1 . (4) Nu 32,1 . (5) Nu 36,1 .
- lëgilë`âd (voor Gilead) . Gilead is de zoon van Machir , de kleinzoon van Manasse , de achterkleinzoon van Jozef .
- haggilë`âdî (Gileadieten) . Tenakh (10) : (1) Nu 26,29 . (2) Re 10,3 . (3) Re 11,1 . (4) Re 11,40 . (5) Re 12,7 . (6) 2 S 17,27 . (7) 2 S 19,32 . (8) 1 K 2,7 . (9) Ezr 2,61 . (10) Neh 7,63 .
- gjl / gwl (zich verheugen,
vrolijk zijn, vrezen) . gjl / gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen)
. Taalgebruik in Tenakh : gjl
/ gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) . Getalwaarde : gimel = 3 , lamad = 12 of 30 , jod = 10 , waw = 6 ; totaal : 22 (2 X 11) , 21 (3 X 7) OF 43 , 39 (3 X 13) . Structuur : 3 - 1 - 3 OF 3 - 6 - 3 . Gr. agalliaô (jubelen, juichen) . Taalgebruik in het NT : agalliaô
(jubelen) . Taalgebruik in Lc : agalliaô
(jubelen) . Bijbel = Lc (1) : Lc
1,47 . Een vorm van agalliaô (jubelen) in de LXX (74) , in het NT (11) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc
1,47 . (2) Lc
10,21 .
- imperat. aor. 3de pers. enk. agalliasthô (dat hij / zij zich verheuge) . Bijbel (7) : (1) Js 35,1 . (2) Js 49,13 . (3) Js 61,10 . (4) Ps 14,7 . (5) Ps 96,11 . (6) Ps 97,1 . (7) 1
Kr 16,31 .
- act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. thâgel (zij verheugt zich) . Tenakh (2) : (1) Js 60,10 . (2) Ps 97,1 .
- act. qal imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. ´âgîlâh (dat ik juiche) . Tenakh (3) : (1) Hab 3,18 . (2) Ps 9,15 . (3) Ps 31,8 .
- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. gîlî (verheug je) . Tenakh
(3) : (1) Jl
2,21 . (2) Zach
9,9 . (3) Ps
43,4 .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. gîlû (verheugen jullie)
. Tenakh (1) : Jl
2,23 .
- gôj (volk) . gôj (volk) . Taalgebruik
in Tenakh : gôj
(volk) . Gr. ethnos (volk) . Getalwaarde : gimel = 3 , waw = 6 , jod = 10
; totaal : 19 . Structuur : 3 - 6 - 1 . Taalgebruik in de Septuaginta. : ethnos
(volk) . Taalgebruik in het N.T. : ethnos
(volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . D. Volk . Tenakh
(53) . Pentateuch (8) . Js (11) : (1) Js
1,4 . (2) Js
2,4 . (3) Js
14,32 . (4) Js
18,2 . (5) Js
18,7 . (6) Js
26,2 . (7) Js
49,7 . (8) Js
50,6 . (9) Js
55,5 . (10) Js
65,1 . (11) Js
66,8 .
- mann. mv. gojim (volken) . Tenakh (133) .
- haggôjim (de volkeren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (174) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (27) . Latere Profeten (74) . 12 Kleine
Profeten (25) . Geschriften (19) . Dt (19) : (1) Dt 7,17 . (2) Dt 7,22 . (3) Dt 9,4 . (4) Dt 9,5 . (5) Dt 11,23 . (6) Dt 11,23 . (7) Dt 12,29 . (8) Dt 12,30 . (9) Dt 17,14 . (10) Dt 18,9 . (11) Dt 18,14 . (12) Dt 19,1 .
(13) Dt 20,15 . (14) Dt 26,19 . (15) Dt 29,15 . (16) Dt 29,17 . (17) Dt 29,23 . (18) Dt 30,1 . (19) Dt 30,1 . 2 K (11) : (1) 2 K 16,3 . (2) 2 K 17,8 . (3) 2 K 17,15 . (4) 2 K 17,26 . (5) 2 K 17,33 . (6) 2 K 17,41 . (7) 2 K 18,33 . (8) 2 K 19,12 . (9) 2 K 19,17 . (10) 2 K 21,2 . (11) 2 K 21,9 . haggôjim ´äsjèr
(de volkeren die) . Tenakh (8) : 2 K (8) : (1) 2 K 16,3 . (2) 2 K 17,8 . (3) 2 K 17,15 . (4) 2 K 17,26 . (5) 2 K 17,33 . (6) 2 K 19,12 . (7) 2 K 21,2 . (8) 2 K 21,9 .
- kâl haggôîm (alle volkeren) . Tenakh (37) . Dt (3) : (1)
Dt 11,23
. (2) Dt
26,19 . (3) Dt
29,23 . Verder : 1 Kr 14,17 . Neh 6,16 . Ps
59,6 . Js (11) : (1) Js
2,2 . (2) Js 14,26 . (3) Js
25,7 . (4) Js
29,7 . (5) Js
29,8 . (6) Js 34,2 . (7) Js
40,17 . (8) Js
43,9 . (9) Js
52,10 . (10) Js
61,11 . (11) Js 66,18 . Jr (8) : (1) Jr
25,9 . (2) Jr
25,13 . (3) Jr
25,15 . (4) Jr
25,17 . (5) Jr 27,7 . (6) Jr 28,11 . (7) Jr 28,14 . (8) Jr 36,2 . Verder : Jl 4,2 . Jl 4,12 . Ob 15 . Hag 2,7 (tweemaal) . Zach (5) : (1) Zach 7,14 . (2) Zach
12,9 . (3) Zach
14,2 . (4) Zach
14,14 . (5) Zach
14,19 . Verder : Mal
3,2 .
- këkâl haggôîm (als alle volkeren) . Tenakh (4) : (1) Dt 17,14 . (2) 1 S 8,5 . (3) 1 S 8,20 . (4) Ez 25,8 .
- ´èth kâl haggôîm (alle volkeren) . Tenakh (11)
: (1) Dt 11,23
. (2) Js 66,18 . (3) Jr
25,17 . (4) Jr
25,17 . (5) Jl 4,2 . (6) Jl 4,12 . (7) Hag 2,7 . (8) Zach
12,9 . (9) Zach
14,2 .
- këgôj (als een volk) < kë (als) + . lëgôj (tot volk) . Voorzetsel lë + zelfstandig naamwoord
gôj (volk) . Taalgebruik in Tenakh : gôj
(volk) . Gr. ethnos (volk) . Getalwaarde : gimel = 3 , waw = 6 , jod = 10
; totaal : 19 . Structuur : 3 - 6 - 1 . Taalgebruik in de Septuaginta. : ethnos
(volk) . Taalgebruik in het NT : ethnos
(volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . D. Volk . Tenakh (15) : (1) Gn
12,2 . (2) Gn
17,20 . (3) Gn
18,18 . (4) Gn
21,13 . (5) Gn
21,18 . (6) Gn
46,3 . (7) Ex
9,24 . (8) Ex
32,10 . (9) Nu
14,12 . (10) Dt
9,14 . (11) Dt
26,5 . (12) Js
26,15 . (13) Js
60,22 . (14) Ez
37,22 . (15) Mi
4,7 . lëgôj gädôl (tot een groot volk) . Tenakh : (1) Gn
12,2 . (2) Gn
17,20 . (3) Gn
18,18 . (4) Gn
21,18 . (5) Gn
46,3 . (6) Ex
32,10 . (7) Nu
14,12 . (8) Dt
26,5 .
- wajjâgar (hij verbleef als vreemdeling) . In zes verzen in de bijbel
: (1) Gn 20,1
. (2) Gn
21,34 . (3) . (4) Dt
26,5 .
- gwr (zich als vreemdeling ophouden)
. Verwijzing : gwr
(zich als vreemdeling ophouden) , zie Dt
26,5 .
- lâgûr (om vreemdeling te zijn) . Qal infinitief constructus .
In achttien verzen in de bijbel : (1) Gn
12,10 . (2) Gn
19,9 . (3) Gn 47,9 .
--- lâgûr sjâm (om daar vreemdeling te zijn) . In tien verzen
in de bijbel . In Gn
12,10 . In één vers in Js . In acht verzen in Jr .
- gilë`âd (Gilead) . gilë`âd (Gilead) . Taalgebruik in Tenakh : gilë`âd (Gilead) . Getalwaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 , ajin = 16 of 70 , daleth = 4 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 107 (priemgetal) . Structuur : 3 - 3 - 7 - 4 . Jozef had 2 zonen : Manasse en Efraïm . De kleinzoon van Manasse is Gilead (Nu 26,29) . g-l-`-d . Tenakh (71) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (40) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (19) . Nu (5) : (1) Nu 26,29 . (2) Nu 26,30 . (3) Nu 27,1 . (4) Nu 32,1 . (5) Nu 35,1 . Joz (1) : Joz 17,3 . Re (19) : (1) Re 5,17 . (2) Re 10,18 . (3) Re 11,1 . (4) Re 11,2 . (5) Re 11,5 . (6) Re 11,7 . (7) Re 11,8 . (8) Re 11,9 . (9) Re 11,10 . (10) Re 11,11 . (11) Re 11,29 . (12) Re 12,4 . (13) Re 12,5 . (14) Re 12,7 . (15) Re 21,8 . (16) Re 21,9 . (17) Re 21,10 . (18) Re 21,12 . (19) Re 21,14 . galë`ed : (1) Gn 31,47 . (2) Gn 31,48 .