Tenakh TAALGEBRUIK N
Overzicht van Tenakh : Tenakh
: overzicht , Tenakh
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenakh
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
ALGEMEEN OVERZICHT
- bijbeloverzicht
, bijbelverwijzingen
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
van Paulus , Apostolische
brieven .
Overzicht van het N.T. : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth)
, 1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1
Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh
(Nehemia) , Tob
(Tobia) , Jdt
(Judith) , Est
(Esther) , 1 Mak
(1 Makkabeeën) , 2
Mak (2 Makkabeeën) , Job
, Ps (Psalmen
) , Spr (Spreuken)
, Pr (Prediker)
, Hl (Hooglied)
, W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja)
, Jr (Jeremia)
, Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos)
, Ob (Obadja)
, Jon (Jona)
, Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2
Kor (Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1
Tes (Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 | Targumim | rubrieken (1) |
| bijbelvertalingen Lexilogos | De Griekse bijbel - | bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
- na`ämân (Naäman) . na`ämân (Naäman) . Taalgebruik in Tenakh : na`ämân (Naäman) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Tenakh (9) : (1) 2 K 5,2 . (2) 2 K 5,6 . (3) 2 K 5,9 . (4) 2 K 5,11 . (5) 2 K 5,17 . (6) 2 K 5,20 . (7) 2 K 5,21 . (8) 2 K 5,23 . (9) 2 K 5,27 . wëna`ämân (en Naäman) . Tenakh (5) : (1) Gn 46,21 (5de zoon van Benjamin) . (2) Nu 26,40 . (3) 2 K 5,1 . (4) 1 Kr 8,4 . (5) 1 Kr 8,7 . lëna`ämân (aan Naäman) . Tenakh (1) Nu 26,40 . LXX : Naiman . In veertien verzen in 2 K 5 . In Lc 4,27 .
- nâ´ats (honen,
verwerpen, versmaden) . nâ´ats (honen, verwerpen, versmaden)
. Taalgebruik in Tenakh : nâ´ats
(honen, verwerpen, versmaden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , aleph = 1
; tsade = 18 of 90 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 141 (3 X 47) . Structuur : 5 -
1 - 9 .
- n-´- ts-u . Tenakh (7) . act. piël 3de pers. mann. mv. ni´ätsû
(zij versmaden) . Tenakh (4) : (1) Nu
16,30 . (2) 1
S 2,17 . (3) Js
1,4 . (4) Ps
74,18 .
- nâbhî´(profeet) . nâbhî´(profeet) . Taalgebruik in Tenakh : nâbhî´(profeet) . Taalgebruik in de Septuaginta : profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Gr. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken) . Tenakh (28) . Eerdere Profeten . Re (1) : Re 6,8 . 1 S (1) : 1 S 9,7 . In Koningen (6) : (1) 1 K 13,18 . (2) 1 K 18,22 . (3) 1 K 20,13 . (4) 1 K 22,7 . (5) 2 K 3,11 . (6) 2 K 5,8 . hannâbhî´(de profeet) . Tenakh (111) . Eerdere Profeten (38) . Re (2) . 1 S (4) . 1 K (21) . 2 K (11) . 2 K (11) : (1) 2 K 5,3 . (2) 2 K 5,13 . (3) 2 K 6,12 . (4) 2 K 9,1 . (5) 2 K 9,4 . (6) 2 K 14- ,25 . (7) 2 K 19,2 . (8) 2 K 20,1. (9) 2 K 20,11 . (10) 2 K 20,14 . (11) 2 K 23,18 .
- nâchal (bezitten, erven, verwerven) . nâchal (bezitten, erven, verwerven) . Taalgebruik in Tenakh : nâchal (bezitten, erven, verwerven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 88 (2³ X 11) . Structuur : 5 - 8 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 .
- act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. janëchil (hij zal doen erven) . Tenakh (2) : (1) Dt 3,28 . (2) Spr 13,22 .
- janëchilènnâh (hij zal het doen erven) < act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix pers. voornaaw. 3de pers. vr. enk. . Tenakh (1) : Dt 1,38 .
- lënachälâthô (naar zijn erfgoed) < voorzetsel lë + vr. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. enk. . Zelfstandig naamw. nachälâh (bezit, eigendom, erfdeel, lot) . Zie : nâchal (bezitten, erven, verwerven) . Taalgebruik in Tenakh : nâchal (bezitten, erven, verwerven) . Tenakh (4) : (1) Joz 24,28 . (2) Re 2,6 . (3) Re 21,24 . (4) Jr 12,15 . n-ch-l-h . Tenakh (44) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (9) .
- nachal (dal, beek, stroom) . nachal (dal, beek, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : nachal (dal, beek, stroom) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 88 (2³ X 11) . Structuur : 5 - 8 - 3 .
- nâcham
(berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . nâcham (berouw,
verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham
(berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun
= 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²)
.
- w-j-n-ch-m . Tenakh (19) . act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. wajënächem
(en hij troostte) . Tenakh (2) : (1) Gn
50,21 . (2) 2
S 12,24 .
- act. piël imperat. 2de pers. mann. mv. nahämû (troost) . Tenakh
(1) : Js 40,1
.
- nâchâsj (slang) . nâchâsj
(slang) . Taalgebruik in Tenakh : nâchâsj
(slang) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 ; chet = 8 , sjin = 21 of 300 ; totaal
: 43 of 358 . Structuur : 50 - 8 - 300 (5 - 8 - 3) .
-- een woord met dezelfde structuur is nphl (vallen) . Taalgebruik in Tenakh
: nâphal
(vallen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of
30 ; totaal : 42 of 160 . Structuur : 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3) .
-- Evenzo nèphèsj (geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj
(geest) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300
; totaal : 52 (2 X 26) of 430 . Structuur : 50 - 80 - 300 (5 - 8 - 3) .
- nâdach (verdreven,
verleid worden, dwalen) . nâdach (verdreven, verleid worden, dwalen)
. Taalgebruik in Tenakh : nâdach
(verdreven, verleid worden, dwalen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , daled
= 4 , het = 8 ; totaal : 26 OF 62 (2 X 31) . Structuur : 5 - 4 - 8 .
- passief nifal mann. mv. stat. constr. nidëre(j) (verstrooiden) . Tenakh
(5) : (1) Js
11,12 . (2) Js
16,4 . (3) Js
56,8 . (4) Jr
49,36 . (5) Ps
147,2 .
- nâdâh (dwalen,
zich laten verleiden) . nâdâh (dwalen, zich laten verleiden)
. Taalgebruik in Tenakh : nâdâh
(dwalen, zich laten verleiden) .
-- hamënaddîm < bepaald lidw. ha + part. piel nom. mann. mv. van
het werkw. nâdâh (dwalen, zich laten verleiden) . Getalwaarde :
he = 5 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 , daleth = 4 , jod = 10 ; totaal :
59 . Slechts in Am
6,3 .
- nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) . Verwijzing : nâgad
(vertellen, verkondigen, bekend maken) , zie Ps 145,4 .
--- jaggîdû (zij zullen verkondigen) . In zes verzen in de bijbel
. In één vers in de Psalmen : Ps 145,4 .
- nâgaph (aanraken, slaan) .
- nâgasj (naderen, nader treden) . nâgasj (naderen, nader treden) . Taalgebruik in Tenakh : nâgasj (naderen, nader treden) .
- nâhâh (weeklagen) . nâhâh (weeklagen) . Taalgebruik in Tenakh : nâhâh (weeklagen) . Getalwaarde :
- nâhâr (stromen) . nâhâr (stromen) . Taalgebruik in Tenakh : nâhâr (stromen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , he = 5 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 255 (5 X 51) . wënâhärû (en zij zullen stromen) < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. . Tenakh (4) : (1) Js 2,2 . (2) Jr 31,12 . (3) Mi 4,1 . (4) Ps 34,6 .
- nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden) . nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden) . Taalgebruik in Tenakh : nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²) . Structuur : 5 - 2 - 5 .
- wëhikkîthâ (en jij zult slaan) < wë + act. hifil perf. 2de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (5) : (1) Ex 17,6 . (2) Dt 20,13 . (3) Re 6,16 . (4) 1 S 23,2 . (5) 2 K 13,7 .
- act. hifil part. mann. enk. makkèh (slaande) van het werkw. OF zelfst. naamw. makkâh (slag, plaag, wonde, nederlaag) . m-k-h . Tenakh (34) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (3) . Ex (3) : (1) Ex 2,11 . (2) Ex 7,17 . (3) Ex 21,12 .
- makkâh (slag, plaag, wonde, nederlaag) .
- nâkhërî (vreemd, bevreemd) . nâkhërî (vreemd, bevreemd) . Taalgebruik in Tenakh : nâkhërî (vreemd, bevreemd) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 300 , jod = 10 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 380 ( 2² X 5 X 19) . Structuur : 5 - 2 - 3 - 1 . Tenakh (9) : (1) Ex 21,8 . (2) Dt 17,15 . (3) Re 19,12 . (4) 2 S 15,19 . (5) Sef 1,8 . (6) Spr 5,10 . (7) Spr 27,2 . (8) Job 19,15 . (9) Pr 6,2 .
- nâphal (vallen) . nâphal (vallen)
. Taalgebruik in Tenakh : nâphal
(vallen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of
30 ; totaal : 42 of 160 . Structuur : 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3) . Gr. piptô
(vallen) . Taalgebruik in de Septuaginta : piptô
(vallen) . Taalgebruik in het NT : piptô
(vallen) . Eng. to fall . Lat. cadere . Fr. tomber . D. fallen . - act. qal imperf. 3de pers. enk. wajjippol (en hij viel) . Tenakh (50) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (11) .
-- een woord met dezelfde structuur is nâchâsj (slang) . Taalgebruik
in Tenakh : nâchâsj
(slang) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 ; chet = 8 , sjin = 21 of 300 ; totaal
: 43 (16 + 23) of 358 (2 X 179) . Structuur : 50 - 8 - 300 (5 - 8 - 3) . De som van de elementen is telkens 7 . Evenzo nèphèsj
(geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj
(geest) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300
; totaal : 52 (2 X 26) of 430 10 X 43) . Structuur : 50 - 80 - 300 (5 - 8 - 3) .
-- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. nâphëlâh (zij is gevallen)
van het werkw. nâphal (vallen) . Taalgebruik in Tenakh : nâphal
(vallen) . Gr. piptô (vallen) . Taalgebruik in de Septuaginta : piptô
(vallen) . Taalgebruik in het N.T. : piptô
(vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Lat. cadere . Fr.
tomber . Tenakh (14) . 12 kl. Prof. (1) Am
5,2 .
-- act. qal perf. 1ste pers. enk. nâphalëthî (ik ben gevallen)
van het werkw. nâphal (vallen) . Taalgebruik in Tenakh : nâphal
(vallen) . Gr. piptô (vallen) . Taalgebruik in de Septuaginta : piptô
(vallen) . Taalgebruik in het N.T. : piptô
(vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Lat. cadere . Fr.
tomber . Tenakh (1) Mi
7,8 .
- naphëthâlî (Neftali) . naphëthâlî (Neftali) . Taalgebruik in Tenakh : naphëthâlî (Neftali) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , thaw = 22 of 400 , lamed = 12 of 30 , jod = 10 ; totaal : 75 (5³) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19 X 57) . Structuur : 5 - 8 - 4 - 3 - 1 . Tenakh (36) . Pentateuch (14) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (7) . Gn (3) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 46,24 . (3) Gn 49,21 . Ex (0) . Neftali is de 2de zoon van Bilha , de bijvrouw van Rachel . Hij is de 6de zoon van Jakob .
- wënaphëthâlî (en Neftali) < verbindingswoord wë + . Tenakh (5) : (1) Gn 35,25 . (2) Ex 1,4 . (3) Dt 27,13 . (4) Re 5,18 . (5) 1 Kr 12,41 .
- dân wënaphëthâlî (Dan en Neftali) . Tenakh (3) : (1) Gn 35,25 . (2) Ex 1,4 . (3) Dt 27,13 .
- nâsach (wegsleuren, neerhalen) . en de ENE zei tot Jozua, zoon van Nun, helper van Mozes
1. nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen .
-- verbindingsprefix waw (en) en qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. wajjishshâ´
(en hij hief op) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´
(dragen, opnemen, verheffen) . nâshâ´ wordt gebruikt in
uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen
(= voortgaan) . Tenakh (42) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (5) . Gn (14) : (1) Gn
13,10 . (2) Gn
18,2 . (3) Gn
22,4 . (4) Gn
22,13 . (5) Gn 24,63
. (6) Gn
27,38 . (7) Gn
29,1 . (8) Gn
29,11 . (9) Gn
31,17 . (10) Gn
33,1 . (11) Gn
33,5 . (12) Gn
40,20 . (13) Gn 43,29 . (14) Gn 43,34 . Lv (1) Lv
9,22 .
- qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. jishshâ´ (hij zal verheffen)
van het werkw. . Tenakh (38) . Js (6) : (1) Js
2,4 . (2) Js
3,7 . (3) Js
8,4 . (4) Js
10,24 . (5) Js
36,14 . (6) Js
40,11 . (7) Js
42,2 . (8) Js
57,13 .
--- ´èshshâ´ (ik zal dragen) . Ik til mezelf op naar
U . Ik richt me tot U . Ik concentreer me op U . Qal imperf. 3de pers. mann.
enk. van het werkw. nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik
in Tenakh : nâshâ´
(dragen, opnemen, verheffen) . nâshâ´ wordt gebruikt in
uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen
(= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen . Tenakh (24) . Ps (7) : (1) Ps
16,4 . (2) Ps
25,1 (´elè(j)khâ. JHWH naphësjî ´èshshâ´
= tot U JHWH verhef ik mijn ziel) . (3) Ps
63,5 . (4) (kî ´elè(j)khâ ´ädonâj
naphësjî ´èshshâ´ = tot U mijn Heer verhef
ik mijn ziel) . (5) Ps
116,13 . (6) Ps
121,1 (Ik licht mijn ogen op) . (7) Ps
139,9 .
- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. shë´î (hef op) . Tenakh
(9) : (1) Gn
21,18 . (2) 2
K 4,36 . (3) Js
49,18 . (4) Js
60,4 . (5) Jr
3,2 . (6) Jr
13,20 . (7) Ez
16,52 . (8) Ez
23,35 . (9) Kl
2,18 .
- nâsâ` (opbreken, reizen) . nâsâ`(opbreken, reizen . Taalgebruik in Tenakh : nâsâ` (opbreken, reizen) .
nevensch. voegw. waw (en) en qal act. imperf. 3de pers. mann. mv. wajjisë`û
(en zij braken op) van het werkw. nâsâ`(opbreken, reizen . Taalgebruik
in Tenakh : nâsâ`
(opbreken, reizen) . Tenakh (64) . Gn (2) . Ex (6) : (1) Ex
12,37 (van Raämses tot Sukkoth) . (2) Ex
13,20 (van Sukkoth naar Etham) . (3) Ex
14,15 . (4) Ex
16,1 (Van Elim naar de Sin-woestijn) . (5) Ex
17,1 (Van de Sin-woestijn naar Rephidim) . (6) Ex
19,2 (van Rephidim naar de Sinaïwoestijn) . In eenenvijftig verzen
in Nu : (1) Nu
10,12 (van de Sinaïwoestijn naar Paran) . (2) Nu
10,13 . (3) Nu
10,28 . (4) Nu
10,33 . (5) Nu
20,22 (van Kades naar de berg Hor) . (6) Nu
21,4 . (van de berg Hor richting Rietzee) . (7) Nu
21,10 (in Obot) . (9) Nu
21,11 (van Obot. (10) . In 42 verzen in Nu . Gr. exairô (uit-breken,
opbreken) . Taalgebruik in Septuaginta : exairô
(uit-breken, opbreken) . LXX (226) .
- jisë`û (zij trokken op) . Actief qal imperfectum derde persoon
mannelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Ex
40,36 . (2) Ex
40,37 .
- wajjishshâ` (en hij brak op) . Verbindingsprefix waw (en) en qal actief
imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In tweeënveertig verzen
in de bijbel . In veertien verzen in Genesis (zie Gn
29,1) .
- wënâsô`a (en op te breken) . In één vers in
de bijbel . waw consecutivum en qal infinitief constructus : Gn
12,9 .
- mase`êhèm (hun trektochten) . Zelfstandig naamwoord status constructus
mannelijk meervoud + persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud . In drie
verzen in de bijbel : (1) Ex
40,36 . (2) Ex
40,38 . (3) Nu
33,2
| nâsh´â | Tenakh | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Joz | Re | Rt | 1 S | 2 S | 1 K | 2 K | 1 Kr | 2 Kr | Ezr | Neh | Tob | Jdt | Est | 1 Mak | 2 Mak | ||
| wajjishshâ´ | 42 | 14 | ||||||||||||||||||||||
| Job | Ps | Spr | Pr | Hl | W | Sir | Js | Jr | Kl | Bar | Ez | Da | Hos | Jl | Am | Ob | Jon | Mi | Nah | Hab | Sef | Hag | Zach | Mal | |||
- nâsjal (uittrekken, verdrijven)
. nâsjal (uittrekken, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : nâsjal
(uittrekken, verdrijven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300
, lamed = 12 of 30 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 5 -
3 - 3 .
- wënâsjal < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van
het werkw. Tenakh (3) : (1) Dt
7,1 . (2) Dt
7,22 . (3) Dt
19,5 .
- nâtâ` (planten, beplanten)nâtâ` (planten, beplanten) . nâtâ` (planten, beplanten) . Taalgebruik in Tenakh : nâtâ` (planten, beplanten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet = 9 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13) of 134 (2 X 67) . Structuur : 5 - 9 - 7 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. mathitta` (jij plant) . Tenakh (3) : (1) Dt 16,21 . (2) Dt 28,30 . (3) Dt 28,39 .
- - nâtâh (uitstrekken,
neigen, zich wenden) . nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden)
. Taalgebruik in Tenakh : nâtâh
(uitstrekken, neigen, zich wenden) Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet =
9, he = 5; totaal : 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³) . matteh (stok,
staf, stam, rank) . Tenakh (75) . Ex (3) : (1) Ex
4,2 . (2) Ex
4,20 . (3) Ex
7,12 . ûmatteh (en de stok, staf...) . Tenakh (8) . Ex (1) Ex
17,9 .
--- hatteh (neig). In 10 verzen in de bijbel. Da 9,18 . (1) Ps
31,3 . (2) Ps
71,2 . (3) Ps
86,1 . (4) Ps
88,3 . (5) Ps
102,3 . (6) Ps
116,2 . (7)
- nâthan (geven) . nâthan (geven) . Taalgebruik
in Tenakh : nâthan
(geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50
of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . act. qal perf. 3de pers. mann. enk. nâthan (hij geeft) OF act. qal part; nom. mann. enk. nothen (gevende) . Tenakh (319) . Pentateuch (107) . Eerdere Profeten (92) . Latere Profeten (30) . 12 Kleine
Profeten (4) . Geschriften (86) . Gr. didômi (geven) . Taalgebruik in de
Septuaginta : didômi
(geven) . Taalgebruik in het NT : didômi
(geven) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner
- don : geven - gave . D. geben . E. to give . Dt (59) . Dt 17 (2) : (1) Dt 17,2 . (2) Dt 17,14 .
- ´äsjèr ´ânokhî nothen (dat ik gevende)
. Tenakh (4) : (1) Dt
4,8 . (2) Dt
5,31 . (3) Dt
11,32 . (4) Joz
1,2 .
- ´äsjèr ´ânokhî nothen lâhèm
(dat ik gevende aan hen) . Tenakh (4) : (1) Dt
5,31 . (2) Joz
1,2 .
- ´êlohe(j)khâ nothen (jouw God gevende) . Tenakh (31) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 4,21 . (3) Dt 4,40 . (4) Dt 5,16 . (5) Dt 7,16 . (6) Dt 9,6 . (7) Dt 12,9 . (8) Dt 13,13 . (9) Dt 15,4 . (10) Dt 15,7 . (11) Dt 16,5 . (12) Dt 16,18 . (13) Dt 16,20 . (14) Dt 17,2 . (15) Dt 17,14 . (16) Dt 18,9 . (17) Dt 19,1 . (18) Dt 19,2 . (19) Dt 19,10 . (20) Dt 19,14 . (21) Dt 20,16 . (22) Dt 21,1 .
(23) Dt 21,23 . (24) Dt 24,4 . (25) Dt 25,15 . (26) Dt 25,19 . (27) Dt 26,1 . (28) Dt 26,2 .
(29) Dt 27,2 . (30) Dt 27,3 . (31) Dt 28,8 .
- nothen lâkh (je gevende) . Tenakh (14) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 5,16 . (3) Dt 7,16 . (4) Dt 12,9 . (5) Dt 15,7 . (6) Dt 16,5 . (7) Dt 16,20 . (8) Dt 17,2 . (9) Dt 17,14 . (10) Dt 18,9 . (11) Dt 25,15 . (12) Dt 26,2 .
(13) Dt 27,2 . (14) Dt 28,8 .
- JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende) . Tenakh (14) : (1) Ex 20,12 . (2) Dt 5,16 . (3) Dt 7,16 . (4) Dt 12,9 . (5) Dt 15,7 . (6) Dt 16,5 . (7) Dt 16,20 . (8) Dt 17,2 . (9) Dt 17,14 . (10) Dt 18,9 . (11) Dt 25,15 . (12) Dt 26,2 .
(13) Dt 27,2 . (14) Dt 28,8 .
- JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lëkhâ (JHWH je God je gevende) . Tenakh (17) : (1) Dt 4,21 . (2) Dt 4,40 . (3) Dt 9,6 . (4) Dt 13,13 . (5) Dt 15,4 . (6) Dt 16,18 . (7) Dt 19,1 . (8) Dt 19,2 . (9) Dt 19,10 . (10) Dt 19,14 . (11) Dt 20,16 . (12) Dt 21,1 .
(13) Dt 21,23 . (14) Dt 24,4 . (15) Dt 25,19 . (16) Dt 26,1 . (17) Dt 27,3 .
- actief qal perfectum 1ste persoon enkelvoud nâthaththî (ik zal
geven) . Tenakh (114) . Pentateuch (453) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten
(44) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (12) . Gn (14) : (1) Gn
1,29 . (2) Gn
9,3 . (3) Gn
9,13 . (4) Gn
15,18 . (5) Gn
16,5 . (6) Gn
17,16 . (7) Gn
20,16 . (8) Gn
23,11 . (9) Gn
23,13 . (10) Gn
27,37 . (11) Gn
30,18 . (12) Gn
35,12 . (13) Gn
41,41 . (14) Gn
48,22 . Eerdere Profeten (10) : (1) Joz
6,2 . (2) Joz
8,1 . (3) Re
1,2 . (4) 1
S 9,23 . (5) 2
S 9,9 . (6) 1
K 3,12 . (7) 1
K 3,13 . (8) 1
K 9,6 . (9) 1
K 9,7 . (10) 2
K 21,8 . Js (4) : (1) Js
42,1 . (2) Js
43,3 . (3) Js
43,20 . (4) Js
50,6 .
- nâthaththî ´èth hâ´ârèts
(ik zal geven het land) . Tenakh (3) : (1) Gn
15,18 . (2) Nu
33,53 . (3) Re
1,2 .
nâthaththî lâkhèm (ik zal geven aan jullie) . Tenakh
(11) : (1) Gn
1,29 . (2) Gn
9,3 . (3) Nu
18, 26 . (4) Dt
3,19 . (5) Dt
3,20 . (6) Dt
9,23 . (7) Spr
4, 2 . (8) Jr
7,14 . (9) Jr
23,39 . (10) Jr
35, 15 . (11) Am
4,6 . lâkhèm nâthaththî (aan jullie geef ik) .
Tenakh (1) : Nu
33,53 .
´äsjèr nâthaththî lâkhèm (dat ik
zal geven aan jullie) . In zeven verzen : (1) Nu
18, 26 . (2) Dt
3,19 . (3) Dt
3,20 . (4) Dt
9,23 . (5) Jr
7,14 . (6) Jr
23,39 . (7) Jr
35, 15 .
hinneh nâthaththî (zie, ik zal geven) . In vijf verzen in de bijbel
: (1) Gn
1,29 . (2) Nu 18, 8 . (3) Re 1, 2 . (4) Jr
1,9 . (5) Ez 3, 8 .
--- wenâthaththî (en ik gaf) . Verbindend voegwoord waw + werkwoordvorm
qal perfectum eerste persoon enkelvoud . In 102 verzen in de bijbel .
--- nëthaththîkhâ (ik heb je gegeven , ik heb je gesteld) .
In zestien verzen in de bijbel .
lâtheth (om te geven) . De letter lamed als prefix en de werkwoordvorm
theth (qal infinitief constructus) . Tenakh (91) . Pentateuch (36) . Eerdere
Profeten (20) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften
(21) . Dt (19) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 1,27 . (3) Dt 1,35 . (4) Dt 4,38 . (5) Dt 6,10 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,13 . (8) Dt 10,11 . (9) Dt 10,18 . (10)
Dt 11,9 . (11) Dt 11,21 . (12) Dt 17,15 . (13) Dt 19,8 . (14) Dt 21,17 . (15) Dt 26,3 . (16) Dt 28,11 . (17) Dt 28,12 . (18) Dt 30,20 . (19) Dt 31,7 . --- -- tetheika
(ik heb gesteld) . Actief perfectum eerste persoon enkelvoud van het werkwoord
tithèmi (stellen) . In acht verzen in de bijbel .
In zes verzen in het O.T. : (1) Gn
17,5 . (2) Js
49,6 . (3) Jr
1,5 . (4) Jr
1,18 . (5) Ez 4,6 . (6) Ez 5,5 . (7) Hnd
13,47 . (8) Rom
4,17 .
(1) Gn 17,5
: hoti patera pollôn ethnôn te theika se = want tot vader van vele
volkeren heb ik u gesteld . Zie Rom
4,17 (citeert Gn
17,5) : patera pollôn ethnôn te theika se = tot vader van vele
volkeren heb ik u gesteld .
(2) Js 49,6
: idou tetheika se ... eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld tot
licht voor de volkeren . Zie Hnd
13,47 (citeert Js
49,6) : idou tetheika se eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld
tot licht voor de volkeren .
(3) Jr 1,5
: profètèn eis ethnè tetheika se : tot profeet voor de
volkeren heb ik u gesteld .
(4) Jr 1,18
.
(5) Ez 4,6 . (6) Ez 5,5 .
In twee verzen in het N.T. :
(1) Hnd
13,47 (citeert Js
49,6) : idou tetheika se eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld
tot licht voor de volkeren . Zie Js
49,6 : idou tetheika se ... eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld
tot licht voor de volkeren .(2) Rom
4,17 (citeert Gn
17,5) : patera pollôn ethnôn te theika se = tot vader van vele
volkeren heb ik u gesteld . Zie Gn
17,5 : hoti patera pollôn ethnôn te theika se = want tot vader
van vele volkeren heb ik u gesteld . tetheika is viermaal de vertaling van het
Hebreeuwse nëthaththîkhâ (ik heb u gegeven / gesteld) .
- parethèken (hij stelde voor, bij) van het werkwoord paratithèmi
. In Gn 18,8 is parethèken autois de vertaling van het Hebreeuwe wajjiteen
lifn(j)eehèm (wajjiteen van het werkwoord ntn : nemen). In 3 verzen in
het N.T. : Mt
13,24 , Mt
13,31 en Hnd 16,34. In 7 verzen in het O.T.
--- jiththen (hij zal geven) . Qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud
. Tenakh (125) . Ps (16) : (1) Ps
1,3 . jiththen JHWH (JHWH zal geven) . Tenakh (12) : (1) Ex
12,25 . (2) Nu
5,21. (3) Nu
11,29 . (4) Dt
11,25 . (5) Dt
28,7 . (6) Dt
28,24 . (7) Rt
1,9 . (8) Rt 4,11 . (9) Rt 4,12 . (10) 1
S 28,19 . (11) Ps
29,11 . (12) Ps
84,12 .
- wajjiththen (en hij zal geven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann.
enk. van het werkw. . Tenakh (185) . Pentateuch (73) . Eerdere Profeten (62)
. Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (41) . Ex (11)
: (1) Ex
2,21 . (2) Ex
11,3 . (3) Ex
18,25 . (4) Ex
31,18 . (5) Ex
34,33 . (6) Ex
37,13 . (7) Ex
40,18 . (8) Ex
40,20 . (9) Ex
40,22 . (10) Ex
40,30 . (11) Ex
40,33 . Joz (10) : (1) Joz
10,30 . (2) Joz
10,32 . (3) Joz
13,15 . (4) Joz
13,24 . (5) Joz
13,29 . (6) Joz
14,13 . (7) Joz
15,17 . (8) Joz
15,19 . (9) Joz
17,4 . (10) Joz
21,43 . Re (8) : (1) Re
1,4 . (2) Re
1,13 . (3) Re
1,15 . (4) Re
3,10 . (5) Re
7,16 . (6) Re
11,21 . (7) Re
14,9 . (8) Re
14,19 . 1 S (11) : (1) 1
S 1,27 . (2) 1 S 2,10 . (3) 1 S 9,22 . (4) 1 S 12,17 . (5) 1
S 12,18 . (6) 1 S 18,27 . (7) 1 S 20,40 . (8) 1 S 21,7 . (9) 1 S 27,6 . (10) 1 S 28,19 . (11) 1 S 30,23 .
- wajjiththen JHWH (en JHWH geeft) . Tenakh (18) : (1) Ex
11,3 . (2) Dt
3,3 . (3) Dt
6,22 . (4) Dt
9,10 . (5) Joz
10,30 . (6) Joz
10,32 . (7) Joz
21,43 . (8) Re
1,4 . (9) Re
3,10 . (10) Re
11,21 . (11) Rt
4,13 . (12) 1
S 1,27 . (13) 1
S 12,18 . (14) 2
S 4,8 . (15) 2
S 16,8 . (16) 2
S 24,15 . (17) 2
K 13,5 . (18) 2
Kr 212,14 .
- wajjiththen JHWH bëjâdô (en JHWH geeft in zijn hand) . Tenakh
(1) : Re
3,10 .
- wajjiththënem JHWH bëjâdô (en JHWH geeft hen in zijn
hand) . Tenakh (1) : Re
11,32 .
- wajjiththënem (en hij geeft hen) < wë + act. qal imperf. 3de
pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw.
Tenakh (26) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (14) . Latere Profeten (0) .
12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (8) . Re () . (1) Re
2,14 . (2) Re
6,1 . (3) Re
11,32 . (4) Re
12,3 . (5) Re
13,1 .
-- wajjiththënem JHWH (en JHWH geeft hen) . Tenakh (6) : (1) Dt
10,4 . (2) Joz
11,8 . (3) Re
6,1 . (4) Re
11,32 . (5) Re
12,3 . (6) Re
13,1 .
- wajjiththënem bëjad (en hij gaf hen in de hand van) . Tenakh (6)
: (1) Re
2,14 . (2) 2
S 21,9 . (3) 1
K 15,18 . (4) 2
K 13,3 . (5) 2
K 17,20 . (6) Ps
106,41 .
- act. qal imperf. 1ste pers. enk. ´èththen (ik geef) . ´-n-th
. Tenakh (81) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (32)
. 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (10) . Gn (8) : (1) Gn
12,7 . (2) Gn
24,7 . (3) Gn
26,3 . (4) Gn
30,31 . (5) Gn
34,11 . (6) Gn
35,12 . (7) Gn
38,18 . (8) Gn
42,34 .
- ´èththen ´èth hâ´ârèts
(ik geef dit land) . Tenakh (4) : (1) Gn
12,7 . (2) Gn
24,7 . (3) Gn
35,12 . (4) Dt
1,36 .
- wë´èththënâh () < wë + act. qal imperf.
(cohortatief) 1ste pers. enk. van het werkw. . Tenakh (31) . Pentateuch (9)
: (1) Gn 17,2
. (2) Gn
30,28 . (3) Gn
31,6 . (4) Gn
34,12 . (5) Gn
45,18 . (6) Gn
47,16 . (7) Ex
24,12 . (8) Nu
8,19 . (9) Nu
21,16 .
--- lâtheth (om te geven). l als prefix en theth : qal infinitief constructus
. In 91 verzen in de bijbel.
- jehabh (geven) . Aramees .
--- jehîbh (er werd gegeven) . Passief participium perfectum derde persoon
enkelvoud . In drie verzen in de bijbel : (1) Da
7,4 . (2) Da
7,6 . (3) Da
7,14 .
nevensch. voegwoord waw + act. ind. imperf. 3de pers. enk. (jiqtal) wajjiqqach (en hij nam) van het werkw. Tenakh (199) . Ex (15) . Ex 24 (3) . Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met wajjiqqach (en hij nam) .
- act.qal imperf. 3de pers. mann. mv. jittëphû (zij druipen) van het werkw. nâtaph (druipen, druppelen) . nâtaph (druipen, druppelen) . Taalgebruik in Tenakh : nâtaph (druipen, druppelen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet = 9 , pe = 17 of 80 ; totaal : 40 of 139 (priemgetal) . Structuur : 5 - 9 - 8 .
- nâthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven) . nâthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw
= 22 of 400 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 750 (2 X 3 X 5³) . Structuur : 5 - 4 - 3 .
- wënâthasj (en hij verdrijft) < wë + act. qal perfect. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (1) : 1 K 14,15 .
- wajjiththesjem (en hij zal hen verdrijven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1) Dt 29,27 .
- nâthats (neerhalen,
omverhalen, verwoesten) . nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten)
. Taalgebruik in Tenakh : nâthats
(neerhalen, omverhalen, verwoesten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw
= 22 of 400 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur
: 5 - 4 - 9 . Tenakh (6) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) .
- wënâthats (en hij haalde neer) < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Lv 14,45 . (2) 2 K 23,8 . Een vorm van nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten) in 2 K 23 (4) : (1) 2
K 23,7 . (2) 2 K 23,8 . (3) 2 K 23,12 . (4) 2 K 23,15 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajjiththots (en hij haalde neer) van het werkw. Tenakh (2) : (1) Re 9,45 . (2) 2
K 23,7 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thiththotsû (jullie zullen neerhalen)
van het werkw. Tenakh (1) : Dt
7,5 .
- wëniththatsëthèm (en jullie zullen neerhalen) < wë + act. piël perf. 2de pers. mann. mv. Tenakh (1) Dt 12,3 . Hetzelfde gebod om de altaren neer te halen wordt gegeven in Ex 34,13 en Dt
7,5 , zij het onder verschillende vormen van het werkw. nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten) .
- nâtsab (zich stellen, staan) . nâtsab (zich stellen, staan) . Taalgebruik in Tenakh : nâtsab (zich stellen, staan) .
- nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren, bespieden) . nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren, bespieden) . Taalgebruik in Tenakh : nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren, bespieden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur : 5 - 9 - 2 . n-ts-r . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. nâtsar . (2) act. qal part. nom. mann. enk. notser (bewarende, bewaker, wachter) . (3) act. qal imperatief 2de pers. enk. nëtsor (bewaar) . (4) zelfst.naamw. enk. netsèr (tak, twijg) . Tenakh (12) : (1) Ex 34,7 (notser = bewarende) . (2) Js 60,21 (netsèr (twijg, stek) . (3) Ps 31,24 . (4) Ps 34,14 . (5) Spr 3,21 . (6) Spr 4,23 . (7) Spr 6,20 . (8) Spr 13,3 . (9) Spr 16,17 . (10) Spr 27,18 . (11) Job 7,20 (notser = bewarende) . (12) Job 27,18 (notser = bewarende) .
- nâzal (vloeien, doen vloeien) . nâzal (vloeien, doen vloeien) . Taalgebruik in Tenakh : nâzal (vloeien, doen vloeien) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , zajin = 7 , lamed = 12 of 30 ; 33 (3 X 11) OF 87 (3 X 29) . Structuur : 5 - 7 - 3 .
- act. qal imperf. (jussief) 3de pers. mv. jizzëlû (mogen zij vloeien) van het werkw. Tenakh (5) : (1) Js 45,8 . (2) Jr 9,17 . (3) Ps 147,18 . (4) Job
36,28 . (5) Hl 4,16 .
- nâzar (zich afzonderen,
onthouden, wijden) . nâzar (zich afzonderen,
onthouden, wijden) . Taalgebruik in Tenakh : Verwijzing : nâzar
(zich afzonderen, onthouden, wijden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , zajin = 7 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 of 257 (priemgetal) . n z r : Tenakh (7) . In zeven verzen in de bijbel . nezèr (kroon, krans,
diadeem, wijding) .
--- nâzîr (Nazireeër, gewijde) . Status constructus nëzîr
. n z î r : Tenakh (6) : (1) Gn
49,26 . (2) Nu
6,2 (Nu 6,1-21 over het nzireaat) . (3) Dt
33,16 . (4) Re 13,5 . (5) Re 13,7 . (6) Re 16,17 .
- nazaraios (Nazireër, gewijde) . Re 16,17 . nazaraion . Accusatief enkelvoud
. In twee verzen in de bijbel : (1) Re 13,5 . (1) Re 13,7 .
- nèdèr (gelofte, gelofteoffer) . nèdèr (gelofte, gelofteoffer) . Taalgebruik van Tenakh : nèdèr (gelofte, gelofteoffer) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , daleth = 4 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 218 (2 X 109) . Structuur : 5 - 4 - 2 .
- nidërô (zijn belofte) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (4) : (1) Nu 6,21 . (2) Re 11,39 . (3) 1 S 1,21 . (4) Ps 76,12 .
- wë´èth nidërô (en zijn belofte) . Tenakh (1) : 1 S 1,21 . ´èth nidërô (zijn belofte) . Tenakh (1) : Re 11,39 .
- nèphèsj (geest) . nèphèsj
(geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj
(geest) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300
; totaal : 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43) . Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17) . 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 =
77 .
43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen) . Structuur : 5 - 8 - 3 . Tenakh (131) . Pentateuch (62) . Eerdere Profeten (18) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine
Profeten (2) . Geschriften (32) . Arabisch : nafs (ziel) . Taalgebruik in de Koran : nafs (ziel) .
--- naphësjî (mijn geest) < zelfst. naamw. + suffix bezitt. voornaamw. 1ste pers. enk . Tenakh (170) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (18) . 12 Kleine
Profeten (5) . Geschriften (116) . Ps (89) . In 7 verzen in Ps 42-43 : (1) Ps
42,2 . (2) Ps
42,3 . (3) Ps
42,5 . (4) Ps
42,6 . (5) Ps
42,7 . (6) Ps
42,12 . (7) Ps
43,5 .
- në´um (godsspraak) . në´um (godsspraak) . Taalgebruik in Tenakh : në´um (godsspraak) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 28 (4 X 7) OF 91 (7 X 13) . Tenakh (357) . Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (5 . Latere Profeten (277) . 12 Kleine Profeten (55) . Geschriften (4) . Js (23) . Js 1-39 (11) . Js 40-55 (7) . Js 56-66 (5) : (1) Js 56,8 . (2) Js 59,20 . (3) Js 66,2 . (4) Js 66,17 . (5) Js 66,22 . 12 kl. Prof. (65) . Sef (5) : (1) Sef 1,2 . (2) Sef 1,3 . (3) Sef 1,10 . (4) Sef 2,9 . (5) Sef 3,8 .
- në´um ´ädonâj JHWH . Tenakh (92) . Am (5) : (1) Am 3,13 . (2) Am 4,5 . (3) Am 8,3 . (4) Am 8,9 . (5) Am 8,11 . Sef (5) : (1) Sef 1,2 . (2) Sef 1,3 . (3) Sef 1,10 . (4) Sef 2,9 . (5) Sef 3,8 .
- nîtsôts (vonk) . nîtsôts
(vonk) . Taalgebruik in Tenakh : nîtsôts
(vonk) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , jod = 10 , tsade = 18 of 90 , waw
= 6 ; totaal : 66 (2 X 3 X 11) OF 246 (2 X 3 X 41) . Structuur : 5 - 1 - 9 -
6 - 9 .
- lënîtsôts (tot een vonk) < lë + . Tenakh (1) : Js
1,31 .
- nwh (achter- , verlaten) . nûs (vluchten, wegsnellen) . Taalgebruik in Tenakh : nûs (vluchten, wegsnellen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 116 (2² X 29) . wajjânos (en hij week) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . w-j-n-s . Tenakh (21) : (1) Gn 39,12 . (2) Gn 39,13 . (3) Gn 39,15 . (4) Gn 39,18 . (5) Ex 4,3 . (6) Re 1,6 . (7) Re 4,15 . (8) Re 7,22 . (9) Re 9,21 . (10) Re 9,40 . (11) 2 S 10,18 . (12) 1 K 2,28 . (13) 2 K 8,21 . (14) 2 K 9,10 . (15) 2 K 9,23 . (16) 2 K 9,27 . (17) 2 K 14,19 . (18) Ps 114,3 . (19) 1 K 10,1 . (20) 1 K 19,18 . (21) 2 K 25,27 .
- nûn (Nun) . nûn (Nun) . Taalgebruik
in Tenakh : nûn
(Nun) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , waw = 6 . Totaal : 34 (2 X 17) OF
106 (2 X 53) . Tenakh (30) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (12) . Latere
Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (2) . Ex (1) : Ex
33,11 . Nu (11) : (1) Nu
11,28 . (2)
Nu 13,8 . (3) Nu
13,16 . (4) Nu
14,6 . (5) Nu
14,30 . (6) Nu
14,38 . (7) Nu
26,65 . (8) Nu
27,18 . (9) Nu
32,12 . (10) Nu
32,28 . (11) Nu
34,17 . Dt (4) : (1) Dt
1,38 . (2) Dt
31,23 . (3) Dt
32,44 . (4) Dt
34,9 . Joz (10) : (1) Joz
1,1 . (2) Joz
2,1 . (3) Joz
2,23 . (4) Joz
6,6 . (5) Joz
14,1 . (6) Joz
17,4 . (7) Joz
19,49 . (8) Joz
19,51 . (9) Joz
21,1 . (10) Joz
24,29 . Re (1) Re
2,8 . 1 K (1) 1
K 16,34 . Neh (1) Neh
8,17 . 1 Kr (1) : 1
Kr 7,27 .
- bin nûn (zoon van Nun) . Tenakh (29/30) . Ex (1) : Ex
33,11 . Nu (11) : (1) Nu
11,28 . (2)
Nu 13,8 . (3) Nu
13,16 . (4) Nu
14,6 . (5) Nu
14,30 . (6) Nu
14,38 . (7) Nu
26,65 . (8) Nu
27,18 . (9) Nu
32,12 . (10) Nu
32,28 . (11) Nu
34,17 . Dt (4) : (1) Dt
1,38 . (2) Dt
31,23 . (3) Dt
32,44 . (4) Dt
34,9 . Joz (10) : (1) Joz
1,1 . (2) Joz
2,1 . (3) Joz
2,23 . (4) Joz
6,6 . (5) Joz
14,1 . (6) Joz
17,4 . (7) Joz
19,49 . (8) Joz
19,51 . (9) Joz
21,1 . (10) Joz
24,29 . Re (1) Re
2,8 . 1 K (1) 1
K 16,34 . Neh (1) Neh
8,17 . Niet in 1
Kr 7,27 (genealogielijst) .
- jëhôsju`a bin nûn (Jozua, zoon van Nun) . Tenakh (15/177
en 15/29) . Ex (1/1) : Ex
33,11 . Nu (3/11) : (1) Nu
11,28 . (2) Nu
27,18 . (3) Nu
32,28 . Dt (2) : (1) Dt
1,38 . (2) Dt
31,23 . Joz (10/10) : (1) Joz
1,1 . (2) Joz
2,1 . (3) Joz
2,23 . (4) Joz
6,6 . (5) Joz
14,1 . (6) Joz
17,4 . (7) Joz
19,49 . (8) Joz
19,51 . (9) Joz
21,1 . (10) Joz
24,29 . (14) Joz
24,29 . Re (1/1) Re
2,8 .
- nûs (vluchten, wegsnellen) . wajjânos (en hij week) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. nûs (vluchten, wegsnellen) . Taalgebruik in Tenakh : nûs (vluchten, wegsnellen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 116 (2² X 29) . Gr. feugô . Lat. fugere . Fr. fuir . E. to flew . D. fliehen . w-j-n-s . Tenakh (21) : (1) Gn 39,12 . (2) Gn 39,13 . (3) Gn 39,15 . (4) Gn 39,18 . (5) Ex 4,3 . (6) Re 1,6 . (7) Re 4,15 . (8) Re 7,22 . (9) Re 9,21 . (10) Re 9,40 . (11) 2 S 10,18 . (12) 1 K 2,28 . (13) 2 K 8,21 . (14) 2 K 9,10 . (15) 2 K 9,23 . (16) 2 K 9,27 . (17) 2 K 14,19 . (18) Ps 114,3 . (19) 1 K 10,1 . (20) 1 K 19,18 . (21) 2 K 25,27 . Een vorm van nûs (vluchten, wegsnellen) in Ex (5) : (1) Ex 4,3 . (2) Ex 9,20 . (3) Ex 14,25 . (4) Ex 14,27 . (5) Ex 21,13 .
- act. qal cofortatief , 1ste pers. enk. ´ânûsâh (laat ik vluchten) van het werkw. Tenakh (1) : Ex
14,25 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thânûs (jij keert terug) van het werkw. Tenakh (2) : (1) Dt 28,25 . (2) Ps 114,5 .