Tenakh TAALGEBRUIK N
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel: http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html -

- bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - Overzicht van Tenakh: Tenakh: overzicht , Tenakh: taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- n (toch). nâ´ (toch). Taalgebruik in Tenakh: n (toch).


- na`ämân (Naäman). na`ämân (Naäman). Taalgebruik in Tenakh: na`ämân (Naäman). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal: 57 (3 X 19) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7). Tenakh (9): (1) 2 K 5,2. (2) 2 K 5,6. (3) 2 K 5,9. (4) 2 K 5,11. (5) 2 K 5,17. (6) 2 K 5,20. (7) 2 K 5,21. (8) 2 K 5,23. (9) 2 K 5,27. wëna`ämân (en Naäman). Tenakh (5): (1) Gn 46,21 (5de zoon van Benjamin). (2) Nu 26,40. (3) 2 K 5,1. (4) 1 Kr 8,4. (5) 1 Kr 8,7. lëna`ämân (aan Naäman). Tenakh (1) Nu 26,40. LXX: Naiman. In veertien verzen in 2 K 5. In Lc 4,27.


- nâ´aq (weeklagen, kermen). נָאַק = nâ´aq (weeklagen, kermen). Taalgebruik in Tenakh: nâ´aq (weeklagen, kermen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , aleph = 1 , qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 151 (priemgetal). Structuur: 5 - 1 - 1. De som van de elementen is 7.
- נָאֲקָתָם = na´äqâthâm (hun geweeklaag) < vr. enk. stat. construct. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het zelfst. naamw. נְאָקָה = në´âqâh (geweeklaag, weeklacht, gejammer). Zie het werkw. נָאַק = nâ´aq (weeklagen, kermen). Taalgebruik in Tenakh: nâ´aq (weeklagen, kermen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , aleph = 1 , qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 151 (priemgetal). Structuur: 5 - 1 - 1. De som van de elementen is 7. Tenakh (1): Ex 2,24. Een vorm van in Tenakh (4): (1) Ex 2,24. (2) Ex 6,5. (3) Re 2,18. (4) Ez 30,24.


- נַעֲרָה = na`ärâh (meisje).

- nâ´ats (honen, verwerpen, versmaden). nâ´ats (honen, verwerpen, versmaden). Taalgebruik in Tenakh: nâ´ats (honen, verwerpen, versmaden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; tsade = 18 of 90 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 141 (3 X 47). Structuur: 5 - 1 - 9.
- n-´- ts-u. Tenakh (7). act. piël 3de pers. mann. mv. ni´ätsû (zij versmaden). Tenakh (4): (1) Nu 16,30. (2) 1 S 2,17. (3) Js 1,4. (4) Ps 74,18.


- nâbhî´(profeet). נָבִיא = nâbhî´(profeet). Taalgebruik in Tenakh: nâbhî´(profeet). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , beth = 2 , jod = 10 , aleph = 1 ; totaal: 27 (3³) OF 63 (3² X 7). Structuur: 5 - 2 - 1 - 1. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (28). Pentateuch (5). Eerdere Profeten (8). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (6). Dt (4): (1) Dt 13,2. (2) Dt 18,15. (3) Dt 18,18. (4) Dt 34,10. Eerdere Profeten. Re (1): Re 6,8. 1 S (1): 1 S 9,7. In Koningen (6): (1) 1 K 13,18. (2) 1 K 18,22. (3) 1 K 20,13. (4) 1 K 22,7. (5) 2 K 3,11. (6) 2 K 5,8. Js (0).

- הַנָּבִיא = hannâbhî´(de profeet). Tenakh (111). Pentateuch (3): (1) Dt 13,4. (2) Dt 18,20. (3) Dt 18,22. Eerdere Profeten (38). Re (2). 1 S (4). 1 K (21). 2 K (11). 2 K (11): (1) 2 K 5,3. (2) 2 K 5,13. (3) 2 K 6,12. (4) 2 K 9,1. (5) 2 K 9,4. (6) 2 K 14- ,25. (7) 2 K 19,2. (8) 2 K 20,1. (9) 2 K 20,11. (10) 2 K 20,14. (11) 2 K 23,18. Latere Profeten (44). Js (3): (1) Js 37,2. (2) Js 38,1. (3) Js 39,3.

Taalgebruik in de Septuaginta: profètès (profeet). Taalgebruik in het N.T.: profètès (profeet). Gr. profètès < pro - fè - tès (fèmi: spreken).


- nbhjoth (nëbhâjoth). נְבָיֹת = nëbhâjoth (Nebajot). Taalgebruik in Tenakh: nbhjoth (Nebajot). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , beth = 2 , jod = 10 , taw = 22 of 400 ; totaal: 48 (2² X 2² X 3) OF 462 (2 X 3 X 7 X 11). Structuur: 5 - 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (1): Gn 25,13. La racine sémitique nbt (surgir, apparaître) pourrait avoir donné le mot nbtw, nabatéen (http://www.cliolamuse.com/spip.php?rubrique36). Nebajot is de oudste van de twaalf zonen van Ismaël.
- = nëbhâjôth (Nebajoth). Tenakh (4): (1) Gn 28,9. (2) Gn 36,3. (3) Js 60,7. (4) 1 Kr 1,29.
- Grieks. Ναβαιωθ = nabaiôth (Nebajot). Bijbel (5) , zie hierboven.
- Les Nabatéens forment une tribu arabe dont l’origine géographique est imprécise. Leur nom est à rapprocher de l’hébreu « nabata » qui désigne d’abord les Araméens au temps de Teglat-Phalasar III, puis les tribus arabes nomades qui paient tribut à Assurbanipal. La racine sémitique nbt (surgir, apparaître) pourrait avoir donné le mot nbtw, nabatéen ((http://www.cliolamuse.com/spip.php?rubrique36).
- Jerobeam wordt getypeerd als de zoon van Nabat. נְבָט = Tenakh (24). 1K (8). 2 K (12). Samen (20). 1 K (8): (1) 1 K 12,2. (2) 1 K 12,15. (3) 1 K 15,1. (4) 1 K 16,3. (5) 1 K 16,26. (6) 1 K 16,31. (7) 1 K 21,22. (8) 1 K 22,53. 2 K (12): (1) 2 K 3,3. (2) 2 K 9,9. (3) 2 K 10,29. (4) 2 K 13,2. (5) 2 K 13,11. (6) 2 K 14,24. (7) 2 K 15,9. (8) 2 K 15,18. (9) 2 K 15,24. (10) 2 K 15,28. (11) 2 K 17,21. (12) 2 K 23,15. + Tenakh (1): 1 K 11,26. Grieks: ναβατ = Nabat (Nabat).
- Hebreeuws: נָבַט = nâbhat (openspringen, schijnen; hifil: verlichten). Aramees: נְבַט = nëbhat. 1. zie Hebreeuws. 2. ontspruiten , groeien. Arabisch: نَبَتَ = nabata (kiemen, ontspruiten, groeien).


- nchh (voeren, leiden). נָחָה = nâchâh (voeren, leiden). Taalgebruik in Tenakh: nchh (voeren, leiden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , chet = 8 , he = 5 ; totaal: 27 of 63 (7 X 9). Structuur: 5 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 9.

- act. ind. perf. 2de pers. mann. enk. נָחִיתָ = nâchîthâ (jij leidde) van het werkw. נָחָה = nâchâh (voeren, leiden). Taalgebruik in Tenakh: nâchâh (voeren, leiden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , chet = 8 , he = 5 ; totaal: 27 of 63 (7 X 9). Structuur: 5 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (2): (1) Ex 15,13. (2) Ps 77,21.


- nâchal (bezitten, erven, verwerven). nâchal (bezitten, erven, verwerven). Taalgebruik in Tenakh: nchal (bezitten, erven, verwerven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 88 (2³ X 11). Structuur: 5 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 7.
- act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. janëchil (hij zal doen erven). Tenakh (2): (1) Dt 3,28. (2) Spr 13,22.
- janëchilènnâh (hij zal het doen erven) < act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix pers. voornaaw. 3de pers. vr. enk.. Tenakh (1): Dt 1,38.


- lënachälâthô (naar zijn erfgoed) < voorzetsel lë + vr. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. enk.. Zelfstandig naamw. nachälâh (bezit, eigendom, erfdeel, lot). Zie: nâchal (bezitten, erven, verwerven). Taalgebruik in Tenakh: nâchal (bezitten, erven, verwerven). Tenakh (4): (1) Joz 24,28. (2) Re 2,6. (3) Re 21,24. (4) Jr 12,15. n-ch-l-h. Tenakh (44). Pentateuch (18). Eerdere Profeten (10). Latere Profeten (6). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (9).

- nachal (dal, beek, stroom). nachal (dal, beek, stroom). Taalgebruik in Tenakh: nachal (dal, beek, stroom). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 88 (2³ X 11). Structuur: 5 - 8 - 3.

- nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten). נָחַם = nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten). Taalgebruik in Tenakh: nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40: totaal: 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²). Structuur: 5 - 8 - 4. De som van de elementen is telkens 8.
- w-j-n-ch-m. Tenakh (19). act. pil imperf. 3de pers. mann. enk. wajnchem (en hij troostte). Tenakh (2): (1) Gn 50,21. (2) 2 S 12,24.
- act. piël imperat. 2de pers. mann. mv. nahämû (troost). Tenakh (1): Js 40,1.
- mënahem (troostende) < act. piël part. mann. enk. van het werkw. (1) De persoonsnaam Menachem. (2) deelw. Tenakh (6): (1) Kl 1,2. (2) Kl 1,9. (3) Kl 1,16. (4) Kl 1,17. (5) Kl 1,21. (6) Pr 4,1. Zie ook Kl 2,13.
- וַיַּנְחֵם = wajjanëchem (en hij liet troosten) < prefiw waw consecut. + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָחַם = nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten). Taalgebruik in Tenakh: nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40: totaal: 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²). Structuur: 5 - 8 - 4. De som van de elementen is telkens 8.


- nchr (Nachor). nâchôr (Nachor). Taalgebruik in Tenakh: nchr (Nachor). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , chet = 8 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal: 48 (2² X 2² X 3) OF 264 (2³ X 3 X 11). Structuur: 5 - 8 - 6 - 2. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (14): (1) Gn 11,22. (2) Gn 11,23. (3) Gn 11,24. (4) Gn 11,25. (5) Gn 11,26. (6) Gn 11,27. (7) Gn 11,29. (8) Gn 24,10. (9) Gn 24,15. (10) Gn 24,47. (11) Gn 29,5. (12) Gn 31,53. (13) Joz 24,2. (14) 1 Kr 1,26.
- Vooreerst is Nachor de zoon van Serug. Vervolgens had Nachor een kleinzoon die ook Nachor heette. Er is ook een stad die Nachor heet.


- נָחָשׁ = nâchâsj (slang)

- nâchâsj (slang). נָחָשׁ = nâchâsj (slang). Taalgebruik in Tenakh: nâchâsj (slang). Getalswaarde: nun = 14 of 50 ; chet = 8 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 43 of 358. Structuur: 50 - 8 - 300 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7.
-- een woord met dezelfde structuur is נָפַל = n-ph-l (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 42 of 160. Structuur: 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7.
-- Evenzo = nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430. Structuur: 50 - 80 - 300 (5 - 8 - 3).


- nâdach (verdreven, verleid worden, dwalen). nâdach (verdreven, verleid worden, dwalen). Taalgebruik in Tenakh: nâdach (verdreven, verleid worden, dwalen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , daled = 4 , het = 8 ; totaal: 26 OF 62 (2 X 31). Structuur: 5 - 4 - 8.
- passief nifal mann. mv. stat. constr. nidëre(j) (verstrooiden). Tenakh (5): (1) Js 11,12. (2) Js 16,4. (3) Js 56,8. (4) Jr 49,36. (5) Ps 147,2.

- nâdâh (dwalen, zich laten verleiden). nâdâh (dwalen, zich laten verleiden). Taalgebruik in Tenakh: nâdâh (dwalen, zich laten verleiden).
-- hamënaddîm < bepaald lidw. ha + part. piel nom. mann. mv. van het werkw. nâdâh (dwalen, zich laten verleiden). Getalswaarde: he = 5 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 , daleth = 4 , jod = 10 ; totaal: 59. Slechts in Am 6,3.


- נָגַע = nâga` (aanraken, stoten, slaan)

- nga` (aanraken, stoten, slaan). נָגַע = nâga` (aanraken, stoten, slaan). Taalgebruik in Tenakh: nga` (aanraken, stoten, slaan). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , ajin = 16 of 70 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 123. Structuur: 5 - 3 - 7. De som van de elementen is telkens 8.

- prefix verbindingsgwoord wë consecutivum + act. ind. jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. וַיִּגַּע = wajjigga` (en hij stootte) van het werkw. נָגַע = nâga` (aanraken, stoten, slaan). Taalgebruik in Tenakh: nâga` (aanraken, stoten, slaan).

- act. ind. imperf. 3de pers. vr. enk. תִגַּעַ = thigga` ((zij zal aanraken) van het werkw. נָגַע = nâga` (aanraken, stoten, slaan). Taalgebruik in Tenakh: nâga` (aanraken, stoten, slaan). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , ajin = 16 of 70 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 123. Structuur: 5 - 3 - 7. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (6): (1) Gn 19,13. (2) Lv 5,2. (3) Lv 7,21. (4) Lv 12,4. (5) Lv 22,6. (6) Job 4,5.


- נָגַהּ = nâgah (stralen, verlichten)

- ngah (stralen, verlichten) . נָגַהּ = nâgah (stralen, verlichten). Taalgebruik in Tenakh: ngah (stralen, verlichten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , he = 5 ; totaal: 22 of 58 (2 X 29). Structuur: 5 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 4. n-g-h. Tenakh (6): (1) Js 9,1. (2) Js 50,10. (3) Ez 10,7. (4) Am 5,20. (5) Spr 4,18. (6) Job 22,28.

- נֹגַהּ = nogah (glans, schijnsel). Zie het werkw. נָגַהּ = nâgah (stralen, verlichten). Taalgebruik in Tenakh: nâgah (stralen, verlichten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , he = 5 ; totaal: 22 of 58 (2 X 29). Structuur: 5 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 4.

- כַנֹּגַהּ = kannogah (als glans, als straling) < prefix voorzetsel kë + bepaald lidwoord ha + zelfst. naamw. נֹגַהּ = nogah (glans, schijnsel). Zie het werkw. נָגַהּ = nâgah (stralen, verlichten). Taalgebruik in Tenakh: nâgah (stralen, verlichten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , he = 5 ; totaal: 22 of 58 (2 X 29). Structuur: 5 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (1): Js 62,1.


- ngad (vertellen, verkondigen, bekend maken). נָגַד = nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken). Taalgebruik in Tenakh: ngad (vertellen, verkondigen, bekend maken). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , daleth = 4 ; totaal: 21 (3 X 7) OF 57 (3 X 19). Structuur: 5 - 3 - 4. De som van de elementen is telkens 3.
--- jaggîdû (zij zullen verkondigen). In zes verzen in de bijbel. In één vers in de Psalmen: Ps 145,4.
- וַיַּגִדוּ = wajjaggidû (en zij vertelden) < waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָגַד = nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken). Taalgebruik in Tenakh: nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , daleth = 4 ; totaal: 21 (3 X 7) OF 57 (3 X 19). Structuur: 5 - 3 - 4. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (21): (1) Gn 26,32. (2) Gn 45,26. (3) Re 4,12. (4) Re 9,7. (5) Re 9,42. (6) 1 S 17,31. (7) 1 S 18,20. (8) 1 S 18,24. (9) 1 S 18,26. (10) 1 S 19,21. (11) 1 S 23,1. (12) 1 S 23,25. (13) 1 S 24,2. (14) 1 S 25,12. (15) 2 S 2,4. (16) 2 S 3,23. (17) 2 S 10,5. (18) 2 S 11,10. (19) 2 S 17,21. (20) 2 K 7,15. (21) 2 K 18,37.
- וַיַּגִדוּ לְדָוִד = wajjaggidû lëdäwid (en zij vertelden aan David). Tenakh (5): (1) 1 S 23,1. (2) 1 S 23,25. (3) 2 S 2,4. (4) 2 S 10,5. (5) 2 S 11,10.
- וַיַּגִדוּ לְדָוִד לֵאמֹר = wajjaggidû lëdäwid le´mor ((en zij vertelden aan David om te zeggen / zeggende). Tenakh (3): (1) 1 S 23,1. (2) 2 S 2,4. (3) 2 S 11,10.

וַיַּגִּידוּ = wajjaggîdû (en zij vertelden) (en zij vertelden) < waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָגַד = nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken). Taalgebruik in Tenakh: nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , ghimel = 3 , daleth = 4 ; totaal: 21 (3 X 7) OF 57 (3 X 19). Structuur: 5 - 3 - 4. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (23). Pentateuch (2): (1) Gn 42,29. (2) Ex 16,22.


- nâgaph (aanraken, slaan).


- נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden)

- nâgasj (naderen, nader treden). נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj (naderen, nader treden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , gimel = 3 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2.

- וְנִגַּשׁ = wëniggasj (en hij trad nader, hij kwam naderbij) < prefix voegwoord wë + pass. ind. perf. 3de pers. enk. van het werkw. נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj (naderen, nader treden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , gimel = 3 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (5): (1) Ex 24,2. (2) Dt 20,2. (3) Js 3,5. (4) Jr 30,21. (5) Am 9,13.

- act. qal piel perf. 3de pers. mv. נִגְּשׁוּ = niggësjû (zij traden naderbij) van het werkw. נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj (naderen, nader treden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , gimel = 3 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (3): (1) Ex 34,32. (2) 1 S 7,10. (3) Ezr 9,1.

- וַיִּגְּשׁוּ = wajjiggasjû (en zij naderden) < wa-consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj (naderen, nader treden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , gimel = 3 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (13): (1) Gn 19,9. (2) Gn 43,19. (3) Gn 45,4. (4) Ex 32,6. (5) Nu 32,16. (6) Joz 8,11. (7) Joz 14,6. (8) Joz 21,1. (9) 1 K 18,20. (10) 2 K 2,5. (11) 2 K 5,13. (12) Jr 42,1. (13) Ezr 4,2. Een vorm van נגשׁ (n-g-sj) in Tenakh (111).


- nhh (weeklagen). nâhâh (weeklagen). Taalgebruik in Tenakh: nhh (weeklagen). Getalswaarde:

- nâhâr (stromen). nâhâr (stromen). Taalgebruik in Tenakh: nâhâr (stromen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , he = 5 , resj = 20 of 200 ; totaal: 39 (3 X 13) OF 255 (5 X 51). wënâhärû (en zij zullen stromen) < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw.. Tenakh (4): (1) Js 2,2. (2) Jr 31,12. (3) Mi 4,1. (4) Ps 34,6.


- נָעִים = nâ`îm (lieflijk, bekoorlijk, aangenaam). Tenakh (6): (1). (2). (3). (4). (5). (6).

- = ûnnâ`îm (en lieflijk, bekoorlijk, aangenaam) < prefix voegwoord wë + bijvoegl. naamw.


- נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden)

- nkhh (slaan, treffen, verslaan, doden). נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Taalgebruik in Tenakh: nkhh (slaan, treffen, verslaan, doden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal: 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²). Structuur: 5 - 2 - 5. De som van de elementen is telkens 3.
- וְהִכִּיתָ = wëhikkîthâ (en jij zult slaan) < wë + act. hifil perf. 2de pers. mann. enk. van het werkw. נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Taalgebruik in Tenakh: nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal: 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²). Structuur: 5 - 2 - 5. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (5): (1) Ex 17,6. (2) Dt 20,13. (3) Re 6,16. (4) 1 S 23,2. (5) 2 K 13,7.
- act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. וַיַּך= wajjakh (en hij sneed) van het werkw. נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Taalgebruik in Tenakh: nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal: 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²). Structuur: 5 - 2 - 5. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (14): (1) 1 S 5,6. (2) 1 S 5,9. (3) 1 S 6,19. (4) 1 S 13,3. (5) 1 S 14,48. (6) 1 S 15,7. (7) 1 S 17,49. (8) 1 S 17,50. (9) 1 S 18,27. (10) 1 S 19,5. (11) 1 S 19,8. (12) 1 S 19,10. (13) 1 S 23,5. (14) 1 S 24,6.

- act. hifil jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. jussief יַךְ = jakh (dat hij treffe) van het werkw. נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Taalgebruik in Tenakh: nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , he = 5 ; totaal: 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²). Structuur: 5 - 2 - 5. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (2): (1) 1 S 4,13. (2) Hos 6,1.

- act. hifil jiqtol 1ste pers.enk. אַכֶּה = ´akkèh (ik dood) van het werkw. נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Taalgebruik in Tenakh: nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden).

- act. hifil imperat. 2de pers. mann. enk. הַךְ = hâkh (dood) van het werkw. נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Taalgebruik in Tenakh: nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden). Lettinga 12 , 2012 , 60b2.

- act. hifil part. mann. enk. מַכֶּה = makkèh (slaande) van het werkw. OF zelfst. naamw. makkâh (slag, plaag, wonde, nederlaag). m-k-h. Tenakh (34). Pentateuch (11). Eerdere Profeten (15). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (3). Ex (3): (1) Ex 2,11. (2) Ex 7,17. (3) Ex 21,12.
- makkâh (slag, plaag, wonde, nederlaag).

- pass. hofal part. mann. enk. מֻכֶּה = mukkèh (gedode, vermoorde).


- nkh. r (vreemd, bevreemd). nâkhërî (vreemd, bevreemd). Taalgebruik in Tenakh: nkhr (vreemd, bevreemd). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 300 , jod = 10 ; totaal: 55 (5 X 11) OF 380 ( 2² X 5 X 19). Structuur: 5 - 2 - 3 - 1. Tenakh (9): (1) Ex 21,8. (2) Dt 17,15. (3) Re 19,12. (4) 2 S 15,19. (5) Sef 1,8. (6) Spr 5,10. (7) Spr 27,2. (8) Job 19,15. (9) Pr 6,2.


- נָפַל = nâphal (vallen)

- nâphal (vallen). נָפַל = nâphal (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 43 of 160. Structuur: 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. De nun is een 'zwakke' medeklinker. Zo krijgen we dan ?-ph-l. Ned.: v < ph - l: vallen (verdubbeling van de l , stam: drie medeklinklers).

Gr. piptô (vallen). Taalgebruik in de Septuaginta: piptô (vallen). Taalgebruik in het NT: piptô (vallen). Eng. to fall. Lat. cadere. Fr. tomber. D. fallen.

- Ned.: vallen. Arabisch: naffala. D.: fallen. E.: to fall. Fr.: tomber. Grieks: πιπτω = piptô (vallen). Taalgebruik in het NT: piptô (vallen). Hebreeuws: נָפַל = nâphal (vallen) פָלַל = pâlal of. Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Latijn: cadere.

- prefix waw consecutivum wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּפֹל = wajjippol (en hij viel) van het werkw. נָפַל = nâphal (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 43 of 160. Structuur: 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. wjjpl: Tenakh (50). Pentateuch (12). Eerdere Profeten (25). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (11).
-- een woord met dezelfde structuur is nâchâsj (slang). Taalgebruik in Tenakh: nâchâsj (slang). Getalswaarde: nun = 14 of 50 ; chet = 8 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 43 (16 + 23) of 358 (2 X 179). Structuur: 50 - 8 - 300 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. Evenzo nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 10 X 43). Structuur: 50 - 80 - 300 (5 - 8 - 3).

- prefix waw consecutivum wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. וַתִּפֹל = wajjippol (en hij viel) van het werkw. נָפַל = nâphal (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 43 of 160. Structuur: 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (18).

- וַיִּפְּלוּ = wajjiphphëlû (en zij vielen) < prefix voegwoord waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. נָפַל = nâphal (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 43 of 160. Structuur: 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (4): (1) Gn 4,5. (2) Gn 14,10. (3) Gn 44,14. (4) Gn 50,18.
- een woord met dezelfde structuur is nâchâsj (slang). Taalgebruik in Tenakh: nâchâsj (slang). Getalswaarde: nun = 14 of 50 ; chet = 8 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 43 (16 + 23) of 358 (2 X 179). Structuur: 50 - 8 - 300 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. Evenzo nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 10 X 43). Structuur: 50 - 80 - 300 (5 - 8 - 3).

-- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. nâphëlâh (zij is gevallen) van het werkw. nâphal (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Gr. piptô (vallen). Taalgebruik in de Septuaginta: piptô (vallen). Taalgebruik in het N.T.: piptô (vallen). Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall. Lat. cadere. Fr. tomber. Tenakh (14). 12 kl. Prof. (1) Am 5,2.
-- act. qal perf. 1ste pers. enk. nâphalëthî (ik ben gevallen) van het werkw. nâphal (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Gr. piptô (vallen). Taalgebruik in de Septuaginta: piptô (vallen). Taalgebruik in het N.T.: piptô (vallen). Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall. Lat. cadere. Fr. tomber. Tenakh (1) Mi 7,8.

- act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. = nâphëlû (zij vallen) van het werkw. נָפַל = nâphal (vallen). Taalgebruik in Tenakh: nâphal (vallen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 43 of 160. Structuur: 50 - 80 - 30 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1): Gn 4,6.
- een woord met dezelfde structuur is nâchâsj (slang). Taalgebruik in Tenakh: nâchâsj (slang). Getalswaarde: nun = 14 of 50 ; chet = 8 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 43 (16 + 23) of 358 (2 X 179). Structuur: 50 - 8 - 300 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7. Evenzo nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 10 X 43). Structuur: 50 - 80 - 300 (5 - 8 - 3). De som van de elementen is telkens 7.


- naphthl (Neftali). naphëthâlî (Neftali). Taalgebruik in Tenakh: naphthl (Neftali). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , pe = 17 of 80 , thaw = 22 of 400 , lamed = 12 of 30 , jod = 10 ; totaal: 75 (5³) OF 570 (2 X 3 X 5 X 19 X 57). Structuur: 5 - 8 - 4 - 3 - 1. Tenakh (36). Pentateuch (14). Eerdere Profeten (11). Latere Profeten (4). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (7). Gn (3): (1) Gn 30,8. (2) Gn 46,24. (3) Gn 49,21. Ex (0). Neftali is de 2de zoon van Bilha , de bijvrouw van Rachel. Hij is de 6de zoon van Jakob.
- wënaphëthâlî (en Neftali) < verbindingswoord wë +. Tenakh (5): (1) Gn 35,25. (2) Ex 1,4. (3) Dt 27,13. (4) Re 5,18. (5) 1 Kr 12,41.
- dân wënaphëthâlî (Dan en Neftali). Tenakh (3): (1) Gn 35,25. (2) Ex 1,4. (3) Dt 27,13.


- nsh (beproeven, op de proef stellen). נָסָה = nâsâh (beproeven, op de proef stellen). Taalgebruik in Tenakh: nsh (beproeven, op de proef stellen).

- zelfst.naamw. vr. enk. מַסָּה = massâh (beproeving, verzoeking). Zie het werkw. נָסָה = nâsâh (beproeven, op de proef stellen). Taalgebruik in Tenakh: nâsâh (beproeven, op de proef stellen). Tenakh (2): (1) Ex 17,7. (2) Ps 95,8.


- nâsach (wegsleuren, neerhalen). en de ENE zei tot Jozua, zoon van Nun, helper van Mozes


- נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen)

1. nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). act. qal perf. 3de pers. mann. enk. נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Taalgebruik in Tenakh: nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13). Structuur: 5 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 9. נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen. Tenakh (68). Pentateuch (8). Eerdere Profeten (22). Latere Profeten (13). 12 Kleine Profeten (8). Geschriften (17).
- passief nifal perf. 3de pers. mann. enk. נִשָּא = nishshâ´ (Hij werd opgenomen). Niet in Tenakh.

- pass. qal part. vr. mv. נְשֻׂוֹת = nëshu´ôth (ogen opgeslagen) van het werkw. נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Taalgebruik in Tenakh: nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13). Structuur: 5 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 9. נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen. Niet in Tenakh. NBG vertaling van ατενιζοντες = atenizontes (gespannen kijkend) in Lc 4,20.

- w-n-sh-´. (1) wënâshâ´ (en hij droeg) < wë + act. ind. perf. 3de pers. mann. enk.. (2) וְנִשָּׂא = wënishshâ´ (en hij werd gedragen) < wë + pass. nifal perf. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (5): (1) Ex 25,28. (2) 2 K 20,17. (3) Js 39,6. (4) Js 52,13. (5) Da 11,12. (2) wënishshâ´ (en verheven) < wë + pass. nifal part. mann. enk.. Zie het werkw. נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Taalgebruik in Tenakh: nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13). nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen. w-n-sh-´. Tenakh (39). Pentateuch (11). Eerdere Profeten (10). Latere Profeten (11). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (3). Js (8): (1) Js 2,2. (2) Js 5,26. (3) Js 6,1. (4) Js 11,12. (5) Js 39,6. (6) Js 52,13. (7) Js 57,7. (8) Js 57,15.
- וַיִּנַּשֵּׂא = wajjinnashe´ (en hij werd gedragen) < verbindingsprefix wë (en) en act. nifal imperf. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (1): 2 Kr 32,23.

-- verbindingsprefix waw (en) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּשָּׂא = wajjishshâ´ (en hij hief op) van het werkw. נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Taalgebruik in Tenakh: nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13). Structuur: 5 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 9. נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de tenten opbreken , een rijdier bestijgen , de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan). Tenakh (42). Pentateuch (25). Eerdere Profeten (11). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (5). Gn (14): (1) Gn 13,10. (2) Gn 18,2. (3) Gn 22,4. (4) Gn 22,13. (5) Gn 24,63. (6) Gn 27,38. (7) Gn 29,1. (8) Gn 29,11. (9) Gn 31,17. (10) Gn 33,1. (11) Gn 33,5. (12) Gn 40,20. (13) Gn 43,29. (14) Gn 43,34. Ex (2): (1) Ex 10,19. (2) Ex 12,34. Lv (1) Lv 9,22.

- qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. יִשָּׂא = jishshâ´ (hij zal verheffen) van het werkw.. Tenakh (38). Js (6): (1) Js 2,4. (2) Js 3,7. (3) Js 8,4. (4) Js 10,24. (5) Js 36,14. (6) Js 40,11. (7) Js 42,2. (8) Js 57,13.
--- ´èshshâ´ (ik zal dragen). Ik til mezelf op naar U. Ik richt me tot U. Ik concentreer me op U. Qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen). Taalgebruik in Tenakh: nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen. Tenakh (24). Ps (7): (1) Ps 16,4. (2) Ps 25,1 (´elè(j)khâ. JHWH naphësjî ´èshshâ´ = tot U JHWH verhef ik mijn ziel). (3) Ps 63,5. (4) (kî ´elè(j)khâ ´ädonâj naphësjî ´èshshâ´ = tot U mijn Heer verhef ik mijn ziel). (5) Ps 116,13. (6) Ps 121,1 (Ik licht mijn ogen op). (7) Ps 139,9.

- act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. שָׂא = shâ´ (neem, draag, vergeef, sla op) van het werkw. נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Taalgebruik in Tenakh: nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13). Structuur: 5 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 9. נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen. Tenakh (17).
- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. shë´î (hef op). Tenakh (9): (1) Gn 21,18. (2) 2 K 4,36. (3) Js 49,18. (4) Js 60,4. (5) Jr 3,2. (6) Jr 13,20. (7) Ez 16,52. (8) Ez 23,35. (9) Kl 2,18.


- nsja (lenen, woekeren). נָשַׁא = nâsja´ (lenen, woekeren). Taalgebruik in Tenakh: nâsja´ (lenen, woekeren). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13). Structuur: 5 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 9.
- act. qal part. mann. enk. נֹשֶׁא = nosjè´ (lenende) van het werkw. נָשַׁא = nâsja´ (lenen, woekeren). Taalgebruik in Tenakh: nâsja´ (lenen, woekeren). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13). Structuur: 5 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 9.


- nâsâ` (opbreken, reizen). נָסָע = nâsâ`(opbreken, reizen). Taalgebruik in Tenakh: nâsâ` (opbreken, reizen).

- nevensch. voegw. wë (en) + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיִּסְעוּ = wajjisë`û (en zij braken op) , pausavorm jussief וְיִסָּעוּ = wëjissâ`û (en dat zij optrekken) van het werkw. נָסָע = nâsâ`(opbreken, reizen. Taalgebruik in Tenakh: nâsâ` (opbreken, reizen). Tenakh (64). Gn (2). Ex (6): (1) Ex 12,37 (van Raämses tot Sukkoth). (2) Ex 13,20 (van Sukkoth naar Etham). (3) Ex 14,15. (4) Ex 16,1 (Van Elim naar de Sin-woestijn). (5) Ex 17,1 (Van de Sin-woestijn naar Rephidim). (6) Ex 19,2 (van Rephidim naar de Sinaïwoestijn). Nu (51): (1) Nu 10,12 (van de Sinaïwoestijn naar Paran). (2) Nu 10,13. (3) Nu 10,28. (4) Nu 10,33. (5) Nu 20,22 (van Kades naar de berg Hor). (6) Nu 21,4. (van de berg Hor richting Rietzee). (7) Nu 21,10 (in Obot). (9) Nu 21,11 (van Obot. (10).

In 42 verzen in Nu. Gr. exairô (uit-breken, opbreken). Taalgebruik in Septuaginta: exairô (uit-breken, opbreken). LXX (226).
- jisë`û (zij trokken op). Actief qal imperfectum derde persoon mannelijk meervoud. In twee verzen in de bijbel: (1) Ex 40,36. (2) Ex 40,37.
- וַיִּסַּע = wajjishshâ` (en hij brak op) < prefix verbindingspartikel waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkw.. Tenakh (42). Gn (14).
- wënâsô`a (en op te breken). In één vers in de bijbel. waw consecutivum en qal infinitief constructus: Gn 12,9.
- mase`êhèm (hun trektochten). Zelfstandig naamwoord status constructus mannelijk meervoud + persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud. In drie verzen in de bijbel: (1) Ex 40,36. (2) Ex 40,38. (3) Nu 33,2

nâsh´â  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   Joz   Re   Rt  1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Neh  Tob  Jdt  Est  1 Mak  2 Mak     
                                                 
                                                 
wajjishshâ´   42  14                                              
                                                 
                                                 

  Job  Ps  Spr  Pr  Hl  W  Sir  Js  Jr  Kl  Bar   Ez  Da  Hos  Jl  Am  Ob  Jon  Mi  Nah  Hab  Sef  Hag  Zach  Mal     
                                                       
                                                       
                                                       

- nshag (bereiken, achterhalen, inhalen, treffen) . נָשַׂג = nâshag (bereiken, achterhalen, inhalen, treffen). Taalgebruik in Tenakh: nshag (bereiken, achterhalen, inhalen, treffen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , gimel = 3 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2. Vergelijk het werkw. נָגַשׁ = nâghasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj (naderen, nader treden). Beide werkw. hebben dezelfde medeklinkers , maar in verschillende volgorde.

- וַיַּשִׂגֵם = wajjashshigem (en wij haalde hen in) < wa-consecutivum + werkwoordvorm act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. נָשַׂג = nâsag (bereiken, achterhalen, inhalen, treffen). Taalgebruik in Tenakh: nâsag (bereiken, achterhalen, inhalen, treffen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , gimel = 3 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (1): Gn 44,6. In de LXX werd deze vorm vertaald in: εὑρων δε αυτους = heurôn de autous (ingehaald echter hen). Vergelijk het werkw. נָשַׂג = nâsag met het werkw. נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj (naderen, nader treden). Beide werkw. hebben dezelfde medeklinkers , maar in verschillende volgorde.


- nsjakh (bijten, kwellen, rente geven). נָשַׁך = nâsjakh (bijten, kwellen, rente geven). Taalgebruik in Tenakh: nsjakh (bijten, kwellen, rente geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 OF 20 ; totaal: 46 OF 370. Structuur: 5 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 1.


- nâsjal (uittrekken, verdrijven). nâsjal (uittrekken, verdrijven). Taalgebruik in Tenakh: nâsjal (uittrekken, verdrijven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 47 OF 380 (2² X 5 X 19). Structuur: 5 - 3 - 3.
- wënâsjal < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (3): (1) Dt 7,1. (2) Dt 7,22. (3) Dt 19,5.


- nt` (planten, beplanten)nt` (planten, beplanten). nâtâ` (planten, beplanten). Taalgebruik in Tenakh: nt` (planten, beplanten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tet = 9 , ajin = 16 of 70 ; totaal: 39 (3 X 13) of 134 (2 X 67). Structuur: 5 - 9 - 7.
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. mathitta` (jij plant). Tenakh (3): (1) Dt 16,21. (2) Dt 28,30. (3) Dt 28,39.


- נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden)

- nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) . נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden). Taalgebruik in Tenakh: nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal: 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 9 - 5. De som van de elementen is telkens 1. n-t-h: Tenakh (35). 1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (hij strekte uit). 2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. נְטֵה = nëteh (strek uit).

- וַיֵּט = wajjet (en hij spande) < prefix waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden). Taalgebruik in Tenakh: nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal: 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 9 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Lettinga 12, 2012, 60b1).

- act. imperat. aor. 2de pers. enk. εκτεινον = ekteinon (strek uit) van het werkw. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken). Taalgebruik in het NT: ekteinô (strekken, uitstrekken). Taalgebruik in de LXX: ekteinô (strekken, uitstrekken). Taalgebruik in Mc: exteinô (uitstrekken). Bijbel (15). LXX (12): (1) Ex 4,4. (2) Ex 7,19. (3) Ex 8,1. (4) Ex 8,12. (5) Ex 9,22. (6) Ex 10,12. (7) Ex 10,21. (8) Ex 14,16. (9) Ex 14,26. (10) Joz 8,18. (11) Sir 7,32. (12) Sir 14,13. NT (3): (1) Mt 12,13. (2) Mc 3,5. (3) Lc 6,10. De hand uitstrekken komt in het NT voor in: (1) Mc 1,41. (2) Mc 3,5.
- n-t-h: Tenakh (35). 1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (hij strekte uit). 2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. נְטֵה = nëteh (strek uit) van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden). Taalgebruik in Tenakh: nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal: 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 9 - 5. De som van de elementen is telkens 1.
- Ned.: uitstrekken. Fr.: étendre. L'action d'étendre se dit extension: lat. extendere , part. passé extensus. Grieks: εκτεινω = ekteinô (uitstrekken). Taalgebruik in het NT: ekteinô (strekken, uitstrekken) ; ek- t-n. Lat.: extendere.

- εκτεινον την χειρα = ekteinon tèn cheira (strek de hand uit). LXX (9): (1) Ex 4,4. (2) Ex 7,19. (3) Ex 9,22. (4) Ex 10,12. (5) Ex 10,21. (6) Ex 14,16. (7) Ex 14,26. (8) Joz 8,18. (9) Sir 7,32. NT (3): (1) Mt 12,13. (2) Mc 3,5. (3) Lc 6,10.
- εκτεινον την χειρα σου = ekteinon tèn cheira sou (strek je hand uit). LXX (7): (1) Ex 7,19. (2) Ex 9,22. (3) Ex 10,21. (4) Ex 14,16. (5) Ex 14,26. (6) Joz 8,18. (7) Sir 7,32. NT (3): (1) Mt 12,13. (2) Mc 3,5. (3) Lc 6,10.
- נְטֵה אֶת יָדְךָ = nëteh ´èth jâdëkhâ (strek je hand uit). Tenakh (3): (1) Ex 8,1. (2) Ex 9,22. (3) Ex 14,26.
- וּנְטֵה אֶת יָדְךָ = ûnëteh ´èth jâdëkhâ (en strek je hand uit). Tenakh (1): Ex 14,16.
- נְטֵה יָדְךָ = nëteh jâdëkhâ (strek je hand uit). Tenakh (2): (1) Ex 10,8. (2) Ex 10,21.
- וּנְטֵה יָדְךָ = ûnëteh jâdëkhâ (en strek je hand uit). Tenakh (1): Ex 7,19.

- act. hifil imperat. 2de pers. mann. enk. הַטֵּה = hatteh (neig) van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden). Taalgebruik in Tenakh: nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal: 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 9 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (10): (1) 2 K 19,16. (2) Js 37,17. (3) Ps 31,3. (4) Ps 71,2. (5) Ps 86,1. (6) Ps 88,3. (7) Ps 102,3. (8) Ps 116,2. (9) Da 9,18. (10) Ezr 7,28.

- matteh (stok, staf, stam, rank). Tenakh (75). Ex (3): (1) Ex 4,2. (2) Ex 4,20. (3) Ex 7,12. ûmatteh (en de stok, staf...). Tenakh (8). Ex (1) Ex 17,9.
--- hatteh (neig). In 10 verzen in de bijbel. Da 9,18. (1) Ps 31,3. (2) Ps 71,2. (3) Ps 86,1. (4) Ps 88,3. (5) Ps 102,3. (6) Ps 116,2. (7)

- passief qal part. praes. vr. enk. nëtûjah (uitgestrekte). Zie het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden). Taalgebruik in Tenakh: nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal: 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 9 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (16): (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12). (13). (14). (15). (16).


- נָתַן = nâthan (geven)

- nthan (geven). נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. n-th-n. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. = nâthan (hij geeft). (2) act. qal part. nom. mann. enk. = nothen (gevende). Tenakh (319). Pentateuch (107). Eerdere Profeten (92). Latere Profeten (30). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (86). Dt (59). Dt 17 (2): (1) Dt 17,2. (2) Dt 17,14.
- Grieks. διδωμι = didômi (geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi (geven).
- Ned.: geven. D.: geben. E.: to give. Fr.: donner - don: geven - gave. Grieks: διδωμι = didômi (geven). נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Lat. dare / donare - donum.


- ´äsjèr ´ânokhî nothen (dat ik gevende). Tenakh (4): (1) Dt 4,8. (2) Dt 5,31. (3) Dt 11,32. (4) Joz 1,2.
- ´äsjèr ´ânokhî nothen lâhèm (dat ik gevende aan hen). Tenakh (4): (1) Dt 5,31. (2) Joz 1,2.
- ´äsjèr ´änî nothen lâhèm (dat ik gevende aan hen). Tenakh (4): (1) Lv 14,34. (2) Lv 23,10. (3) Lv 25,2. (4) Nu 15,2.

Tenakh (10): (1) Gn 9,12. (2) Lv 14,34. (3) Lv 23,10. (4) Lv 25,2. (5). (6). (7). (8). (9). (10).
- ´êlohe(j)khâ nothen (jouw God gevende). Tenakh (31): (1) Ex 20,12. (2) Dt 4,21. (3) Dt 4,40. (4) Dt 5,16. (5) Dt 7,16. (6) Dt 9,6. (7) Dt 12,9. (8) Dt 13,13. (9) Dt 15,4. (10) Dt 15,7. (11) Dt 16,5. (12) Dt 16,18. (13) Dt 16,20. (14) Dt 17,2. (15) Dt 17,14. (16) Dt 18,9. (17) Dt 19,1. (18) Dt 19,2. (19) Dt 19,10. (20) Dt 19,14. (21) Dt 20,16. (22) Dt 21,1. (23) Dt 21,23. (24) Dt 24,4. (25) Dt 25,15. (26) Dt 25,19. (27) Dt 26,1. (28) Dt 26,2. (29) Dt 27,2. (30) Dt 27,3. (31) Dt 28,8.
- nothen lâkh (je gevende). Tenakh (14): (1) Ex 20,12. (2) Dt 5,16. (3) Dt 7,16. (4) Dt 12,9. (5) Dt 15,7. (6) Dt 16,5. (7) Dt 16,20. (8) Dt 17,2. (9) Dt 17,14. (10) Dt 18,9. (11) Dt 25,15. (12) Dt 26,2. (13) Dt 27,2. (14) Dt 28,8.
- = JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende). Tenakh (14): (1) Ex 20,12. (2) Dt 5,16. (3) Dt 7,16. (4) Dt 12,9. (5) Dt 15,7. (6) Dt 16,5. (7) Dt 16,20. (8) Dt 17,2. (9) Dt 17,14. (10) Dt 18,9. (11) Dt 25,15. (12) Dt 26,2. (13) Dt 27,2. (14) Dt 28,8.
- JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lëkhâ (JHWH je God je gevende). Tenakh (17): (1) Dt 4,21. (2) Dt 4,40. (3) Dt 9,6. (4) Dt 13,13. (5) Dt 15,4. (6) Dt 16,18. (7) Dt 19,1. (8) Dt 19,2. (9) Dt 19,10. (10) Dt 19,14. (11) Dt 20,16. (12) Dt 21,1. (13) Dt 21,23. (14) Dt 24,4. (15) Dt 25,19. (16) Dt 26,1. (17) Dt 27,3.

- act. qal perf. 1ste pers.enkelv. נָתַתִּי = nâthaththî (ik zal geven) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (114). Pentateuch (43). Eerdere Profeten (10). Latere Profeten (44). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (12). Gn (14): (1) Gn 1,29. (2) Gn 9,3. (3) Gn 9,13. (4) Gn 15,18. (5) Gn 16,5. (6) Gn 17,16. (7) Gn 20,16. (8) Gn 23,11. (9) Gn 23,13. (10) Gn 27,37. (11) Gn 30,18. (12) Gn 35,12. (13) Gn 41,41. (14) Gn 48,22. Ex (1): Ex 31,6. Lv (1): Lv 6,10. Nu (10): (1) Nu 18,8. (2) Nu 18,19. (3) Nu 18,21. (4) Nu 18,24. (5) Nu 18,26. (6) Nu 20,12. (7) Nu 20,24. (8) Nu 21,34. (9) Nu 27,12. (10) Nu 33,53. Eerdere Profeten (10): (1) Joz 6,2. (2) Joz 8,1. (3) Re 1,2. (4) 1 S 9,23. (5) 2 S 9,9. (6) 1 K 3,12. (7) 1 K 3,13. (8) 1 K 9,6. (9) 1 K 9,7. (10) 2 K 21,8.
- Grieks. act. ind. fut. 1ste pers. enk. δωσω = dôsô ( ik zal geven) van het werkw. διδωμι = didômi (geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi (geven). Bijbel (209). OT (188). NT (21). Gn (20): (1) Gn 12,7. (2) Gn 13,15. (3) Gn 13,17. (4) Gn 15,18. (5) Gn 17,8. (6) Gn 17,16. (7) Gn 17,20. (8) Gn 24,7. (9) Gn 26,3. (10) Gn 26,4. (11) Gn 28,13. (12) Gn 29,27. (13) Gn 30,28. (14) Gn 30,31. (15) Gn 34,12. (16) Gn 35,12. (17) Gn 38,18. (18) Gn 45,18. (19) Gn 47,16. (20) Gn 48,4. Een vorm van διδωμι = didômi (geven) in de LXX (2131) , in het NT (416).

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. fut. 1ste pers. enk. dôsô   209 188 21 3 2 2 3 2 0 9 7 10 0 0

- Latijn. act. ind. fut. 1ste pers. enk. dabo (ik zal geven) van het werkw. dare / donare - donum: geven - gave , gift. Fr. donner - don: geven - gave. D. geben. E. to give.
- Aramees: act. peal perf. 1ste pers. enk. יְהַבִית = jëhabîth (ik zal geven) van het werkw. יְהַב = jëhabh (geven). Pentateuch (28).
- נָתַתִּי אֶת הָאָרֶץ = nâthaththî ´èth hâ´ârèts (ik zal geven het land). Tenakh (3): (1) Gn 15,18. (2) Nu 33,53. (3) Re 1,2.
nâthaththî lâkhèm (ik zal geven aan jullie). Tenakh (11): (1) Gn 1,29. (2) Gn 9,3. (3) Nu 18, 26. (4) Dt 3,19. (5) Dt 3,20. (6) Dt 9,23. (7) Spr 4, 2. (8) Jr 7,14. (9) Jr 23,39. (10) Jr 35, 15. (11) Am 4,6. lâkhèm nâthaththî (aan jullie geef ik). Tenakh (1): Nu 33,53.
´äsjèr nâthaththî lâkhèm (dat ik zal geven aan jullie). In zeven verzen: (1) Nu 18, 26. (2) Dt 3,19. (3) Dt 3,20. (4) Dt 9,23. (5) Jr 7,14. (6) Jr 23,39. (7) Jr 35, 15.
hinneh nâthaththî (zie, ik zal geven). In vijf verzen in de bijbel: (1) Gn 1,29. (2) Nu 18, 8. (3) Re 1, 2. (4) Jr 1,9. (5) Ez 3, 8.

--- wenâthaththî (en ik zal geven). Verbindend voegwoord waw + werkwoordvorm qal perfectum eerste persoon enkelvoud. Tenach (102). Pentateuch (21). Eerdere Profeten (15). Latere Profeten (61). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (2). Dt (3): (1) Dt 11,14. (2) Dt 11,15. (3) Dt 18,18.
--- nëthaththîkhâ (ik heb je gegeven , ik heb je gesteld). In zestien verzen in de bijbel.
- w-n-th-n-h. (1) prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. perf. 3de pers. vr. enk. wënâthënâh (en zij zal geven). (2) prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. vr. enk. ûnëthânâh / ûnathânâh (en hij zal haar geven). (3) prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. ind. imperf. 1ste pers. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. vr. enk. wanniththënâh (en wij zullen haar geven). (4) prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. ind. imperf. cohortatief 1ste pers. mv. wëniththënâh (en laten we geven). (5) prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm passief nifal perf. 3de pers. vr. enk. wëniththenâh (en zij / het zal gegeven worden). Tenakh (11): (1) Gn 29,27. (2) Ex 13,11. (3) Lv 25,19. (4) Lv 26,4. (5) Nu 14,8. (6) Dt 20,13. (7) Dt 29,7. (8) Joz 8,7. (9) 1 S 15,28. (10) 1 S 25,27. (11) Jr 38,18.

- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. תּתֶּן = thiththèn (jij geeft) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (63). Pentateuch (30). Eerdere Profeten (7). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (20). Gn (5): (1) Gn 15,2. (2) Gn 28,22. (3) Gn 30,31. (4) Gn 38,16. (5) Gn 38,17.

- act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. תֵן / תֶן = then / thèn (geef) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (12).

- act. qal imperf. 2de pers. vr. enk. תְנִי = thënî (geef) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (7).

- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. תְנוּ = thënû (geeft) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (23): (1) Gn 23,4. (2) Gn 34,8. (3) Ex 7,9. (4) Ex 17,2. (5) Joz 20,2. (6) Re 8,5. (7) Re 20,13. (8) 1 S 11,12. (9) 1 S 17,10. (10) 2 S 20,21. (11) 1 K 3,26. (12) 1 K 3,27. (13) Jr 13,16. (14) Jr 22,3. (15) Jr 29,6. (16) Jr 48,9. (17) Ps 68,35. (18) Spr 31,6. (19) Spr 31,31. (20) Ezr 10,11. (21) 2 Kr 22,19. (22) 2 Kr 30,8. (23) 2 Kr 35,3.

- לָתֵת (= lâtheth: om te geven; de letter lamed als prefix en de werkwoordvorm theth: qal inf constructus van het wkw נָתַן = nâthan: geven). Ps 111,6. Tenakh (91). Pentateuch (36). Eerdere Profeten (20). Latere Profeten (13). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (21). Dt (19): (1) Dt 1,8. (2) Dt 1,27. (3) Dt 1,35. (4) Dt 4,38. (5) Dt 6,10. (6) Dt 6,23. (7) Dt 7,13. (8) Dt 10,11. (9) Dt 10,18. (10) Dt 11,9. (11) Dt 11,21. (12) Dt 17,15. (13) Dt 19,8. (14) Dt 21,17. (15) Dt 26,3. (16) Dt 28,11. (17) Dt 28,12. (18) Dt 30,20. (19) Dt 31,7. --- -- tetheika (ik heb gesteld). Actief perfectum eerste persoon enkelvoud van het werkwoord tithèmi (stellen). In acht verzen in de bijbel.
In zes verzen in het O.T.: (1) Gn 17,5. (2) Js 49,6. (3) Jr 1,5. (4) Jr 1,18. (5) Ez 4,6. (6) Ez 5,5. (7) Hnd 13,47. (8) Rom 4,17.
(1) Gn 17,5: hoti patera pollôn ethnôn te theika se = want tot vader van vele volkeren heb ik u gesteld. Zie Rom 4,17 (citeert Gn 17,5): patera pollôn ethnôn te theika se = tot vader van vele volkeren heb ik u gesteld.
(2) Js 49,6: idou tetheika se... eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren. Zie Hnd 13,47 (citeert Js 49,6): idou tetheika se eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren.
(3) Jr 1,5: profètèn eis ethnè tetheika se: tot profeet voor de volkeren heb ik u gesteld.
(4) Jr 1,18.
(5) Ez 4,6. (6) Ez 5,5.
In twee verzen in het N.T.:
(1) Hnd 13,47 (citeert Js 49,6): idou tetheika se eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren. Zie Js 49,6: idou tetheika se... eis fôs ethnôn = zie ik heb u gesteld tot licht voor de volkeren.(2) Rom 4,17 (citeert Gn 17,5): patera pollôn ethnôn te theika se = tot vader van vele volkeren heb ik u gesteld. Zie Gn 17,5: hoti patera pollôn ethnôn te theika se = want tot vader van vele volkeren heb ik u gesteld. tetheika is viermaal de vertaling van het Hebreeuwse nëthaththîkhâ (ik heb u gegeven / gesteld).
- parethèken (hij stelde voor, bij) van het werkwoord paratithèmi. In Gn 18,8 is parethèken autois de vertaling van het Hebreeuwe wajjiteen lifn(j)eehèm (wajjiteen van het werkwoord ntn: nemen). In 3 verzen in het N.T.: Mt 13,24 , Mt 13,31 en Hnd 16,34. In 7 verzen in het O.T.
--- jiththen (hij zal geven). Qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud. Tenakh (125). Ps (16): (1) Ps 1,3. jiththen JHWH (JHWH zal geven). Tenakh (12): (1) Ex 12,25. (2) Nu 5,21. (3) Nu 11,29. (4) Dt 11,25. (5) Dt 28,7. (6) Dt 28,24. (7) Rt 1,9. (8) Rt 4,11. (9) Rt 4,12. (10) 1 S 28,19. (11) Ps 29,11. (12) Ps 84,12.
- wajjiththen (en hij zal geven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw.. Tenakh (185). Pentateuch (73). Eerdere Profeten (62). Latere Profeten (8). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (41). Ex (11): (1) Ex 2,21. (2) Ex 11,3. (3) Ex 18,25. (4) Ex 31,18. (5) Ex 34,33. (6) Ex 37,13. (7) Ex 40,18. (8) Ex 40,20. (9) Ex 40,22. (10) Ex 40,30. (11) Ex 40,33. Joz (10): (1) Joz 10,30. (2) Joz 10,32. (3) Joz 13,15. (4) Joz 13,24. (5) Joz 13,29. (6) Joz 14,13. (7) Joz 15,17. (8) Joz 15,19. (9) Joz 17,4. (10) Joz 21,43. Re (8): (1) Re 1,4. (2) Re 1,13. (3) Re 1,15. (4) Re 3,10. (5) Re 7,16. (6) Re 11,21. (7) Re 14,9. (8) Re 14,19. 1 S (11): (1) 1 S 1,27. (2) 1 S 2,10. (3) 1 S 9,22. (4) 1 S 12,17. (5) 1 S 12,18. (6) 1 S 18,27. (7) 1 S 20,40. (8) 1 S 21,7. (9) 1 S 27,6. (10) 1 S 28,19. (11) 1 S 30,23.
- wajjiththen JHWH (en JHWH geeft). Tenakh (18): (1) Ex 11,3. (2) Dt 3,3. (3) Dt 6,22. (4) Dt 9,10. (5) Joz 10,30. (6) Joz 10,32. (7) Joz 21,43. (8) Re 1,4. (9) Re 3,10. (10) Re 11,21. (11) Rt 4,13. (12) 1 S 1,27. (13) 1 S 12,18. (14) 2 S 4,8. (15) 2 S 16,8. (16) 2 S 24,15. (17) 2 K 13,5. (18) 2 Kr 212,14.
- wajjiththen JHWH bëjâdô (en JHWH geeft in zijn hand). Tenakh (1): Re 3,10.
- wajjiththënem JHWH bëjâdô (en JHWH geeft hen in zijn hand). Tenakh (1): Re 11,32.
- wajjiththënem (en hij geeft hen) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (26). Pentateuch (4). Eerdere Profeten (14). Latere Profeten (0). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (8). Re (). (1) Re 2,14. (2) Re 6,1. (3) Re 11,32. (4) Re 12,3. (5) Re 13,1.
-- wajjiththënem JHWH (en JHWH geeft hen). Tenakh (6): (1) Dt 10,4. (2) Joz 11,8. (3) Re 6,1. (4) Re 11,32. (5) Re 12,3. (6) Re 13,1.

- wajjiththënem bëjad (en hij gaf hen in de hand van). Tenakh (6): (1) Re 2,14. (2) 2 S 21,9. (3) 1 K 15,18. (4) 2 K 13,3. (5) 2 K 17,20. (6) Ps 106,41.
- act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֶתֵּן = ´èththen (ik geef). ´-n-th. Tenakh (81). Pentateuch (21). Eerdere Profeten (13). Latere Profeten (32). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (10). Gn (8): (1) Gn 12,7. (2) Gn 24,7. (3) Gn 26,3. (4) Gn 30,31. (5) Gn 34,11. (6) Gn 35,12. (7) Gn 38,18. (8) Gn 42,34.
- ´èththen ´èth hâ´ârèts (ik geef dit land). Tenakh (4): (1) Gn 12,7. (2) Gn 24,7. (3) Gn 35,12. (4) Dt 1,36.
- וְאֶתֵּן = wë´èththen (en ik zal geven) < prefix wë + act. qal imperf. 1ste pers. enk.. Zie het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (2): (1) Js 43,4. (2) Jr 42,12.
- wë´èththënâh () < wë + act. qal imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. van het werkw.. Tenakh (31). Pentateuch (9): (1) Gn 17,2. (2) Gn 30,28. (3) Gn 31,6. (4) Gn 34,12. (5) Gn 45,18. (6) Gn 47,16. (7) Ex 24,12. (8) Nu 8,19. (9) Nu 21,16.
--- lâtheth (om te geven). l als prefix en theth: qal infinitief constructus. In 91 verzen in de bijbel.
- jehabh (geven). Aramees.
--- jehîbh (er werd gegeven). Passief participium perfectum derde persoon enkelvoud. In drie verzen in de bijbel: (1) Da 7,4. (2) Da 7,6. (3) Da 7,14.

nevensch. voegwoord waw + act. ind. imperf. 3de pers. enk. (jiqtal) wajjiqqach (en hij nam) van het werkw. Tenakh (199). Ex (15). Ex 24 (3). Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met wajjiqqach (en hij nam).


- act.qal imperf. 3de pers. mann. mv. jittëphû (zij druipen) van het werkw. nâtaph (druipen, druppelen). nâtaph (druipen, druppelen). Taalgebruik in Tenakh: nâtaph (druipen, druppelen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tet = 9 , pe = 17 of 80 ; totaal: 40 of 139 (priemgetal). Structuur: 5 - 9 - 8.


- nthaq (afsnijden, losrukken, wegrukken, weglokken). נָתַק = nâthaq (afsnijden, losrukken, wegrukken, weglokken). Taalgebruik in Tenakh: nthaq (afsnijden, losrukken, wegrukken, weglokken). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 , qoph = 19 of 100 ; totaal: 55 OF 550. Structuur: 5 - 4 - 1. De som van de elementen is telkens 1.


- nthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven). nâthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven). Taalgebruik in Tenakh: nthasj (uitroeien, verwoesten, verdrijven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 57 (3 X 19) OF 750 (2 X 3 X 5³). Structuur: 5 - 4 - 3.
- wënâthasj (en hij verdrijft) < wë + act. qal perfect. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (1): 1 K 14,15.
- wajjiththesjem (en hij zal hen verdrijven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1) Dt 29,27.


- nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten). nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten). Taalgebruik in Tenakh: nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 , tsade = 18 of 90 ; totaal: 540 (2² X 3³ X 5). Structuur: 5 - 4 - 9. Tenakh (6): (1). (2). (3). (4). (5). (6).
- wënâthats (en hij haalde neer) < wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (2): (1) Lv 14,45. (2) 2 K 23,8. Een vorm van nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten) in 2 K 23 (4): (1) 2 K 23,7. (2) 2 K 23,8. (3) 2 K 23,12. (4) 2 K 23,15.
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajjiththots (en hij haalde neer) van het werkw. Tenakh (2): (1) Re 9,45. (2) 2 K 23,7.
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thiththots (jullie zullen neerhalen) van het werkw. Tenakh (1): Dt 7,5.
- wëniththatsëthèm (en jullie zullen neerhalen) < wë + act. piël perf. 2de pers. mann. mv. Tenakh (1) Dt 12,3. Hetzelfde gebod om de altaren neer te halen wordt gegeven in Ex 34,13 en Dt 7,5 , zij het onder verschillende vormen van het werkw. nâthats (neerhalen, omverhalen, verwoesten).


- nâtsab (zich stellen, staan). nâtsab (zich stellen, staan). Taalgebruik in Tenakh: nâtsab (zich stellen, staan).


- נָצַל = nâtsal (redden, bevrijden)

- ntsal (redden, bevrijden). נָצַל = nâtsal (redden, bevrijden). Taalgebruik in Tenakh: ntsal (redden, bevrijden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tsade = 18 of 90 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 44 (2² X 11) OF 170 (2 X 5 X 17). De som van de elementen is telkens 8.

- act. hifil imperf. 3de pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. יַצִּילֵנוּ = jatstsilenû (hij bevrijdt ons). Zie het werkw. נָצַל = nâtsal (redden, bevrijden). Taalgebruik in Tenakh: nâtsal (redden, bevrijden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tsade = 18 of 90 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 44 (2² X 11) OF 170 (2 X 5 X 17). De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (6): (1) 1 S 4,8. (2) 2 K 18,30. (3) 2 K 18,32. (4) Js 36,15. (5) Js 36,18. (6) 2 Kr 32,11.

- הַצִּילֵנוּ = hatstsîlenû (bevrijd ons) < act. hifil imperat. 2de pers. mann. enk. + suffix bezitt. voornaamw. 1ste pers. mv. van het werkw. נָצַל = nâtsal (redden, bevrijden). Taalgebruik in Tenakh: nâtsal (redden, bevrijden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tsade = 18 of 90 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 44 (2² X 11) OF 170 (2 X 5 X 17). De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (2): (1) Re 10,15. (2) 1 S 12,10.


- נָצַר = nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren, bespieden)

- nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren, bespieden). נָצַר = nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren, bespieden). Taalgebruik in Tenakh: nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren, bespieden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal: 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17). Structuur: 5 - 9 - 2. De som van de elementen is telkens 7. n-ts-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. נָצַר = nâtsar. (2) act. qal part. mann. enk. נֹצֵר = notser (bewarende, bewaker, wachter). (3) act. qal imperatief 2de pers. enk. נְצֹר = nëtsor (bewaar). (4) zelfst.naamw. enk. נֵצֶר = netsèr (tak, twijg). Tenakh (12): (1) Ex 34,7 (notser = bewarende). (2) Js 60,21 (netsèr (twijg, stek). (3) Ps 31,24. (4) Ps 34,14. (5) Spr 3,21. (6) Spr 4,23. (7) Spr 6,20. (8) Spr 13,3. (9) Spr 16,17. (10) Spr 27,18. (11) Job 7,20 (notser = bewarende). (12) Job 27,18 (notser = bewarende).


- nzal (vloeien, doen vloeien). nâzal (vloeien, doen vloeien). Taalgebruik in Tenakh: nzal (vloeien, doen vloeien). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , zajin = 7 , lamed = 12 of 30 ; 33 (3 X 11) OF 87 (3 X 29). Structuur: 5 - 7 - 3.
- act. qal imperf. (jussief) 3de pers. mv. jizzëlû (mogen zij vloeien) van het werkw. Tenakh (5): (1) Js 45,8. (2) Jr 9,17. (3) Ps 147,18. (4) Job 36,28. (5) Hl 4,16.


- nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden). נָזַר = nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden). Taalgebruik in Tenakh: nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , zajin = 7 , resj = 20 of 200 ; totaal: 41 of 257 (priemgetal). n z r: Tenakh (7). Tenakh (7). nezèr (kroon, krans, diadeem, wijding).
--- = nâzîr (Nazireeër, gewijde). Zie het werkw. נָזַר = nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden). Taalgebruik in Tenakh: nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , zajin = 7 , resj = 20 of 200 ; totaal: 41 of 257 (priemgetal). Status constructus nëzîr. n z î r: Tenakh (6): (1) Gn 49,26. (2) Nu 6,2 (Nu 6,1-21 over het nazireaat). (3) Dt 33,16. (4) Re 13,5. (5) Re 13,7. (6) Re 16,17.
- nazaraios (Nazireër, gewijde). Re 16,17. nazaraion. Accusatief enkelvoud. In twee verzen in de bijbel: (1) Re 13,5. (1) Re 13,7.

- = nizarô (zijn nazireaat) < zelfst. naamw. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie het werkw. נָזַר = nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden). Taalgebruik in Tenakh: nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , zajin = 7 , resj = 20 of 200 ; totaal: 41 of 257 (priemgetal).


- נֵדֶר / נֶדֶר = nedèr / nèdèr (gelofte, gelofteoffer)

- ndr (gelofte, gelofteoffer). נֵדֶר / נֶדֶר = nedèr / nèdèr (gelofte, gelofteoffer). Taalgebruik van Tenakh: nèdèr (gelofte, gelofteoffer). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , daleth = 4 , resj = 20 of 200 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 218 (2 X 109). Structuur: 5 - 4 - 2.
- nidërô (zijn belofte) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (4): (1) Nu 6,21. (2) Re 11,39. (3) 1 S 1,21. (4) Ps 76,12.
- wë´èth nidërô (en zijn belofte). Tenakh (1): 1 S 1,21. ´èth nidërô (zijn belofte). Tenakh (1): Re 11,39.


- = nègèb (Negev).
- hannègëbbâh (naar de Negeb). Lettinga 12, 2012, 25Cg).


- נֶכֶד = nèkhèd (kleinzoon, afstammeling)

- nkhd (kleinzoon, afstammeling). נֶכֶד = nèkhèd (kleinzoon, afstammeling). Taalgebruik in Tenakh: nkhd (kleinzoon, afstammeling). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , daleth = 4 ; totaal: 29 OF 74. Structuur: 5 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 2.

- vr. enk. נֶכְדָּה = nèkhëdâh (kleindochter, afstammelinge). Zie: נֶכֶד = nèkhèd (kleinzoon, afstammeling). Taalgebruik in Tenakh: nèkhèd (kleinzoon, afstammeling). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , kaph = 11 of 20 , daleth = 4 ; totaal: 29 OF 74. Structuur: 5 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 2.


- נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest)

- nèphèsj (geest). נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43). Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17). 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77. 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen). Structuur: 5 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (131). Pentateuch (62). Eerdere Profeten (18). Latere Profeten (17). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (32). Gn (17). Gn 1 (4): (1) Gn 1,20. (2) Gn 1,21. (3) Gn 1,24. (4) Gn 1,30.
- Arabisch: = nafs (ziel). Taalgebruik in de Qoran: nafs (ziel).

- Gn 1,1 - Gn 1,2 - Gn 1,3 - Gn 1,4 - Gn 1,5 - Gn 1,6 - Gn 1,7 - Gn 1,8 - Gn 1,9 - Gn 1,10 - Gn 1,11 - Gn 1,12 - Gn 1,13 - Gn 1,14 - Gn 1,15 - Gn 1,16 - Gn 1,17 - Gn 1,18 - Gn 1,19 - Gn 1,20 - Gn 1,21 - Gn 1,22 - Gn 1,23 - Gn 1,24 - Gn 1,25 - Gn 1,26 - Gn 1,27 - Gn 1,28 - Gn 1,29 - Gn 1,30 - Gn 1,31 -

- נַפְשִׁי = naphësjî (mijn geest) < zelfst. naamw. + suffix bezitt. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43). Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17). 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77. 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen). Structuur: 5 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (170). Pentateuch (11). Eerdere Profeten (20). Latere Profeten (18). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (116). Js (6): (1) Js 1,14. (2) Js 26,9. (3) Js 38,15. (4) Js 38,17. (5) Js 42,1. (6) Js 61,10. Ps (89). In 7 verzen in Ps 42-43: (1) Ps 42,2. (2) Ps 42,3. (3) Ps 42,5. (4) Ps 42,6. (5) Ps 42,7. (6) Ps 42,12. (7) Ps 43,5.

- נַפְשְׁךָ = naphësjëkhâ (je ziel) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Zie נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43). Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17). 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77. 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen). Structuur: 5 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (66). Pentateuch (16). Dt (12). Dt 6 (1): Dt 6,5.

- נַפְשְׁכֶם = naphësjëkhèm (jullie ziel) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv.. Zie נֶפֶשׁ = nèphèsj (geest). Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj (geest). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43). Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17). 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77. 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen). Structuur: 5 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (13). Pentateuch (5): (1) Gn 23,8. (2) Lv 26,15. (3) Dt 11,13. (4) Dt 11,18. (5) Dt 13,4.

- nèphèsj (geest) , zie Ps 104,1.


- נִר = ner (licht, lamp)

- ner (licht, lamp). נִר = ner (licht, lamp). Taalgebruik in Tenakh: ner (licht, lamp). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 250. Structuur: 5 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (23)
- אֲבִינֵ֔ר בֶּן־נֵ֖ר = ´äbhîner , bèn ner (Abiner , zoon van Ner). Tenakh (1): 1 S 14,50.


- נֶשֶׁר = nèsjèr (arend, adelaar, gier)

- nsjr (arend, adelaar, gier). נֶשֶׁר = nèsjèr (arend, adelaar, gier). Taalgebruik in Tenakh: nsjr (arend, adelaar, gier). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal: 55 OF 550. Structuur: 5 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 1.


- nesjèq / nèsjèq (wapenrusting, arsenaal). נֵשֶׁק / נֶשֶׁק = nesjèq / nèsjèq (wapenrusting, arsenaal). Taalgebruik in Tenakh: nesjèq / nèsjèq (wapenrusting, arsenaal). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , sjin = 21 of 300 , qoph = 19 of 100 ; totaal: 54 OF 450. Structuur: 5 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 9.


- netsach (eeuwigheid, roem). netsach (eeuwigheid, roem). Taalgebruik in Tenakh: netsach (eeuwigheid, roem). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 ; totaal: 40 OF 148 (4 X 37). Structuur: 5 - 9 - 8. De som van de elementen is telkens 4. Het suffix ach betekent licht in het Egyptisch hiëroglyfenschrift. Het Hebreeuwse woord netsach wordt vergeleken met het Egyptische Nétcher , dat wil zeggen "God". (Sabbah , 2000 , p.232).

- lënètsar (voor eeuwig, altijd).


- në´um (godsspraak). në´um (godsspraak). Taalgebruik in Tenakh: në´um (godsspraak). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; mem = 13 of 40 ; totaal: 28 (4 X 7) OF 91 (7 X 13). Tenakh (357). Pentateuch (6). Eerdere Profeten (5. Latere Profeten (277). 12 Kleine Profeten (55). Geschriften (4). Js (23). Js 1-39 (11). Js 40-55 (7). Js 56-66 (5): (1) Js 56,8. (2) Js 59,20. (3) Js 66,2. (4) Js 66,17. (5) Js 66,22. 12 kl. Prof. (65). Sef (5): (1) Sef 1,2. (2) Sef 1,3. (3) Sef 1,10. (4) Sef 2,9. (5) Sef 3,8.

- në´um ´ädonâj JHWH. Tenakh (92). Am (5): (1) Am 3,13. (2) Am 4,5. (3) Am 8,3. (4) Am 8,9. (5) Am 8,11. Sef (5): (1) Sef 1,2. (2) Sef 1,3. (3) Sef 1,10. (4) Sef 2,9. (5) Sef 3,8.

- nîtsôts (vonk). nîtsôts (vonk). Taalgebruik in Tenakh: nîtsôts (vonk). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , jod = 10 , tsade = 18 of 90 , waw = 6 ; totaal: 66 (2 X 3 X 11) OF 246 (2 X 3 X 41). Structuur: 5 - 1 - 9 - 6 - 9.
- lënîtsôts (tot een vonk) < lë +. Tenakh (1): Js 1,31.


- noach (Noach).

- נוח = nwh (achter- , verlaten)

- nwh (achter- , verlaten). נוח = nwh (rusten, achter- , verlaten). Taalgebruik in Tenakh: nwh (achter- , verlaten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , chet = 8 ; totaal: 28 (2³ X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 6 - 8. De som van de elementen is telkens 1.

- act. hifil perf. 1ste pers. mv. הִנַּחְנוּ = hinnachnû (wij lieten achter) נוח = nwh (achter- , verlaten). Taalgebruik in Tenakh: nwh (achter- , verlaten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , chet = 8 ; totaal: 28 (2³ X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 6 - 8. De som van de elementen is telkens 1.. Van Cangh , 2005 , 290: Mc 10,28. Niet in Tenakh.

- וַיַּנִּיחוּ = wajjanni(j)chû (en zij lieten achter) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. נוח = nwh (achter- , verlaten). Taalgebruik in Tenakh: nwh (achter- , verlaten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , chet = 8 ; totaal: 28 (2³ X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 6 - 8. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (4): (1) Ex 16,24. (2) Nu 15,34. (3) 2 K 17,29. (4) Ez 40,42. Zie ook: Mc 4,36.

- וַיָּנַח = wajjânach (en hij rustte) < prefix voegwoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. Zie: נוח = nwh (rusten, achter- , verlaten). Taalgebruik in Tenakh: nwh (achter- , verlaten). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , chet = 8 ; totaal: 28 (2³ X 7) OF 64 (2³ X 2³). Structuur: 5 - 6 - 8. De som van de elementen is telkens 1.


- נוּם= nûm (sluimeren)

- nûm (sluimeren). נוּם= nûm (sluimeren). Taalgebruik in Tenakh: nûm (sluimeren). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal: 33 OF 96. Structuur: 5 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 6.

- act. ind. qal (perfectum) 3de pers. mann. enk. נָם= nâm (hij sluimerde) van het werkw. נוּם= nûm (sluimeren). Taalgebruik in Tenakh: nûm (sluimeren).


- nûs (vluchten, wegsnellen). Taalgebruik in Tenakh: ns (vluchten, wegsnellen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal: 35 (5 X 7) OF 116 (2² X 29). wajjânos (en hij week) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. w-j-n-s. Tenakh (21): (1) Gn 39,12. (2) Gn 39,13. (3) Gn 39,15. (4) Gn 39,18. (5) Ex 4,3. (6) Re 1,6. (7) Re 4,15. (8) Re 7,22. (9) Re 9,21. (10) Re 9,40. (11) 2 S 10,18. (12) 1 K 2,28. (13) 2 K 8,21. (14) 2 K 9,10. (15) 2 K 9,23. (16) 2 K 9,27. (17) 2 K 14,19. (18) Ps 114,3. (19) 1 K 10,1. (20) 1 K 19,18. (21) 2 K 25,27.

- nûn (Nun). נוּן= nûn (Nun). Taalgebruik in Tenakh: nûn (Nun). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6. Totaal: 34 (2 X 17) OF 106 (2 X 53). Tenakh (30). Pentateuch (16). Eerdere Profeten (12). Latere Profeten (0). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (2). Ex (1): Ex 33,11. Nu (11): (1) Nu 11,28. (2) Nu 13,8. (3) Nu 13,16. (4) Nu 14,6. (5) Nu 14,30. (6) Nu 14,38. (7) Nu 26,65. (8) Nu 27,18. (9) Nu 32,12. (10) Nu 32,28. (11) Nu 34,17. Dt (4): (1) Dt 1,38. (2) Dt 31,23. (3) Dt 32,44. (4) Dt 34,9. Joz (10): (1) Joz 1,1. (2) Joz 2,1. (3) Joz 2,23. (4) Joz 6,6. (5) Joz 14,1. (6) Joz 17,4. (7) Joz 19,49. (8) Joz 19,51. (9) Joz 21,1. (10) Joz 24,29. Re (1) Re 2,8. 1 K (1) 1 K 16,34. Neh (1) Neh 8,17. 1 Kr (1): 1 Kr 7,27.
- בִן נוּן = bin nûn (zoon van Nun). Tenakh (29/30). Ex (1): Ex 33,11. Nu (11): (1) Nu 11,28. (2) Nu 13,8. (3) Nu 13,16. (4) Nu 14,6. (5) Nu 14,30. (6) Nu 14,38. (7) Nu 26,65. (8) Nu 27,18. (9) Nu 32,12. (10) Nu 32,28. (11) Nu 34,17. Dt (4): (1) Dt 1,38. (2) Dt 31,23. (3) Dt 32,44. (4) Dt 34,9. Joz (10): (1) Joz 1,1. (2) Joz 2,1. (3) Joz 2,23. (4) Joz 6,6. (5) Joz 14,1. (6) Joz 17,4. (7) Joz 19,49. (8) Joz 19,51. (9) Joz 21,1. (10) Joz 24,29. Re (1) Re 2,8. 1 K (1) 1 K 16,34. Neh (1) Neh 8,17. Niet in 1 Kr 7,27 (genealogielijst).
- jëhôsju`a bin nûn (Jozua, zoon van Nun). Tenakh (15/177 en 15/29). Ex (1/1): Ex 33,11. Nu (3/11): (1) Nu 11,28. (2) Nu 27,18. (3) Nu 32,28. Dt (2): (1) Dt 1,38. (2) Dt 31,23. Joz (10/10): (1) Joz 1,1. (2) Joz 2,1. (3) Joz 2,23. (4) Joz 6,6. (5) Joz 14,1. (6) Joz 17,4. (7) Joz 19,49. (8) Joz 19,51. (9) Joz 21,1. (10) Joz 24,29. (14) Joz 24,29. Re (1/1) Re 2,8.


- ns (vluchten, wegsnellen). wajjânos (en hij week) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. nûs (vluchten, wegsnellen). Taalgebruik in Tenakh: nûs (vluchten, wegsnellen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal: 35 (5 X 7) OF 116 (2² X 29). Structuur: 5 - 6 - 6. De som van de elementen is telkens 8. Gr. feugô. Lat. fugere. Fr. fuir. E. to flew. D. fliehen. w-j-n-s. Tenakh (21): (1) Gn 39,12. (2) Gn 39,13. (3) Gn 39,15. (4) Gn 39,18. (5) Ex 4,3. (6) Re 1,6. (7) Re 4,15. (8) Re 7,22. (9) Re 9,21. (10) Re 9,40. (11) 2 S 10,18. (12) 1 K 2,28. (13) 2 K 8,21. (14) 2 K 9,10. (15) 2 K 9,23. (16) 2 K 9,27. (17) 2 K 14,19. (18) Ps 114,3. (19) 1 K 10,1. (20) 1 K 19,18. (21) 2 K 25,27. Een vorm van nûs (vluchten, wegsnellen) in Ex (5): (1) Ex 4,3. (2) Ex 9,20. (3) Ex 14,25. (4) Ex 14,27. (5) Ex 21,13.
- act. qal cofortatief , 1ste pers. enk. ´ânûsâh (laat ik vluchten) van het werkw. Tenakh (1): Ex 14,25.

- נוּס = nûs (vluchten, wegsnellen). Taalgebruik in Tenakh: nûs (vluchten, wegsnellen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal: 35 (5 X 7) OF 116 (2² X 29)

- act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. en act. qal inf. stat. construct. נוּס = nûs (vlucht, om te vluchten / wegsnellen). Taalgebruik in Tenakh: nûs (vluchten, wegsnellen). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal: 35 (5 X 7) OF 116 (2² X 29). Structuur: 5 - 6 - 6. De som van de elementen is telkens 8.

wajjânos (en hij week) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. w-j-n-s. Tenakh (21): (1) Gn 39,12. (2) Gn 39,13. (3) Gn 39,15. (4) Gn 39,18. (5) Ex 4,3. (6) Re 1,6. (7) Re 4,15. (8) Re 7,22. (9) Re 9,21. (10) Re 9,40. (11) 2 S 10,18. (12) 1 K 2,28. (13) 2 K 8,21. (14) 2 K 9,10. (15) 2 K 9,23. (16) 2 K 9,27. (17) 2 K 14,19. (18) Ps 114,3. (19) 1 K 10,1. (20) 1 K 19,18. (21) 2 K 25,27.

- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thânûs (jij keert terug) van het werkw. Tenakh (2): (1) Dt 28,25. (2) Ps 114,5.