Tenakh TAALGEBRUIK Q - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
Overzicht van Tenakh : Tenakh
: overzicht , Tenakh
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenakh
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
ALGEMEEN OVERZICHT
- bijbelverwijzingen
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
Overzicht van het NT : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth)
, 1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1
Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh
(Nehemia) , Tob
(Tobia) , Jdt
(Judith) , Est
(Esther) , 1 Mak
(1 Makkabeeën) , 2
Mak (2 Makkabeeën) , Job
, Ps (Psalmen
) , Spr (Spreuken)
, Pr (Prediker)
, Hl (Hooglied)
, W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja)
, Jr (Jeremia)
, Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos)
, Ob (Obadja)
, Jon (Jona)
, Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2
Kor (Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1
Tes (Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
| 1. LXX , Griekse tekst NT | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 | Targumim | rubrieken (1) |
| bijbelvertalingen Lexilogos | De Griekse bijbel - | bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
De Hebeeuwse letter qoph kopt overeen met de Arabische letter qâf .
- qâbhar (begraven) . qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 .
- wajjiqëbërû (en zij begroeven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. . Tenakh (23) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (15) . 1 K (3) : (1) 1 K 14,18 . (2) 1 K 15,8 . (3) 1 K 22,37 .
- qâbhats (verzamelen) . qâbhats
(verzamelen) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhats
(verzamelen) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , tsade = 18 of
90 ; totaal : 39 (26 + 13) OF 192 . Structuur : 1 - 2 - 9 . Gr. sunagô
(samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in NT : sunagô
(samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in de LXX : sunagô
(samendrijven, verzamelen) . Een vorm van sunagô is 127 X vertaling
van ´âsaph , 73 X van qâbhats , 8 X van qâhal . Nog
47 andere Hebreeuwse woorden worden met sunagô weergegeven . Een vorm
van qâbhats (verzamelen) wordt in 18 verschillende Griekse woorden vertaald
.
- act. piël 1ste pers. enk. ´äqabbets (ik verzamel) . Tenakh
(6) : (1) Js
56,8 . (2) Jr
23,3 . (3) Ez
22,20 . (4) Ez
29,13 . (5) Mi
2,12 . (6) Sef
3,19 .
- prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm passief nifal part. mann. mv. +
suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. lëniqëbâtsâ(j)w
( bij de hem verzamelden) . Tenakh (1) : Js
56,8 .
- lëqabbets (om te verzamelen) > voorzetsel lë + werkw. act. piël
inf. . Tenakh (1) : Js
66,18 .
- act. piël part. mann. enk. mëqabbets (verzamelend) . Tenakh (5)
: (1) Js
13,14 . (2) Js
56,8 . (3) Jr
49,5 . (4) Ez
16,37 . (5) Nah
3,18 .
weqibbatsëthîm (en ik zal hen verzamelen) . Piel
perfectum eerste persoon enkelvoud , voorafgegaan door het koppelwoord waw en
gevolgd door het suffix derde persoon meervoud .
--- weqibètsëkhâ (en hij zal je verzamelen) . Piel perfectum
, prefix waw en suffix -khâ . Slechts in 1 vers in de bijbel , nl. Dt
30,3 .
--- weqibbatsëthîm (en ik zal hen verzamelen) .
In twee verzen in de bijbel. (1) Jr
31,8 . (2) Ez
34,13 .
--- weqibbatsëthî (en ik zal verzam elen) . Piel
perfectum eerste persoon enkelvoud, voorafgegaan door het koppelwoord waw .
In negen verzen in de bijbel . In zeven verzen in Ez .
--- jëqabbets (hij zal verzamelen) . Piel imperfectum . In drie verzen
in de bijbel .
- qâdasj (heiligen) . qâdasj (heiligen)
. Taalgebruik in Tenakh : qâdasj
(heiligen) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , daleth = 4 , sjin = 21 of
300 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 404 (2² X 101) . Structuur : 1 - 4
- 3 . Een vorm van qâdasj (heiligen) in Jl (4) : (1) Jl
1,14 . (2) Jl
2,15 . (3) Jl
2,16 . (4) Jl
4,9 .
- act. piel imperat. 2de pers. mann. mv. qaddîsjû (heiligt) . q-d-sj-w
. Tenakh (40) . Pentateuch (1) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (9)
. 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (21) . Jl (4) : (1) Jl
1,14 . (2) Jl
2,15 . (3) Jl
2,16 . (4) Jl
4,9 .
- act. hifil perf. 1ste pers. enk. hiqëdasjëthî (ik heiligde)
. Tenakh (6) : (1) Nu
3,13 (LXX : hègiasa = ik heiligde) . (2) Nu
8,17 (LXX : hègiasa = ik heiligde) . (3) Re
17,3 (LXX : hègiasa
= ik heiligde) . (4) 1 K 9,3 (LXX : hègiaka = ik heb geheiligd) . (5) 1 K 9,7 (LXX : hègiasa = ik heiligde) . (6) 2
Kr 7,20 (LXX : hègiasa
= ik heiligde) .
- qâdôsj (heilig) . qâdôsj
(heilig) . Stat. constr. qëdôsj . Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj
(heilig) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , daleth = 4 , waw = 6 , sjin
= 21 of 300 ; totaal : 50 OF 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 1 - 4 - 6 - 3 .
Gr. hagios (heilig) . Taalgebruik
in het NT : hagios
(heilig) . Taalgebruik in de Septuaginta : hagios
(heilig) . Hebr. qâdôsj (heilig) . Taalgebruik in Tenach : qâdôsj
(heilig) . Lat. sanctus . Fr. saint . Ned. heilig . D. heilig . E. holy
. Arabisch : muqaddas (heilig) < stam q-d-s . Taalgebruik in de Koran : muqaddas (heilig) . Tenakh (53) . Pentateuch (13) . Js (23) . Js 1-39 (14) . Js 40-55 (8) . Js 56-66
(1) . Js 1-39 (14) : (1) Js
1,4 . (2) Js
4,3 . (3) Js
5,19 . (4) Js
5,24 . (5) Js
6,3 . (6) Js
10,20 . (7) Js
12,6 . (8) Js
17,7 . (9) Js
29,23 . (10) Js
30,11 . (11) Js
30,12 . (12) Js
30,15 . (13) Js
31,1 . (14) Js
37,23 . Js 40-55 (8) : (1)Js 40,25 . (2) Js
41,14 . (3) Js
43,3 . (4) Js
43,14 . (5) Js 45,11 . (6) Js 47,4 . (7) Js 48,17 . (8) Js 54,5 .
- qâdôsj JHWH (heilig is JHWH) . Tenakh (2) : (1) Js
6,3 . (2) Ps
99,9 .
- qëdôsj jishërâ´el (Heilige
van Israël) . Tenakh (22) . Js (19 / 23) . Js 1-39 (11 / 14) . Js 40-55 (7 / 8) . Js 56-66
(1 / 1) . Js 1-39 (11 / 14) : (1) Js
1,4 . (2) Js
5,19 . (3) Js
5,24 . (4) Js
10,20 . (5) Js
12,6 . (6) Js
17,7 . (7) Js
30,11 . (8) Js
30,12 . (9) Js
30,15 . (10) Js
31,1 . (11) Js
37,23 . Js 40-55 (7 / 8) : (1) Js
41,14 . (2) Js
43,3 . (3) Js
43,14 . (4) Js 45,11 . (5) Js 47,4 . (6) Js 48,17 . (7) Js 54,5 . Js 56-66
(1 / 1) : Js
60,14 .
- ´èth qëdôsj ja`äqobh (de heilige van Jakob) .
Tenakh (1) : Js
29,23 .
- ´èth qëdôsj jishërâ´el (de Heilige
van Israël) . Tenakh (2) : (1) Js
1,4 . (2) Js
30,11 .
- kî `am qâdôsj aththâh laJHWH êlohèjkhâ
(want gij zijt een heilig volk voor JHWH uw God) . In drie verzen in de bijbel
: (1) Dt 7,6
. (2) Dt 14,2
. (3) Dt
14,21 . - lëqâdësjô (voor zijn heiligheid) < voorzetsel lë + zelfst. naamw. qâdèsj (heiligheid, heiligdom) + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. Tenakh (1) : Ps 114,2 .
- qânâh (verwerven,
bezitten, kopen) . qânâh (verwerven, bezitten, kopen) . Taalgebruik
in Tenakh : qânâh
(verwerven, bezitten, kopen) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , nun = 14
of 50 , he = 5 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 155 (5 X 31) . Structuur : 1 - 5 -
5 .
- qonehû (verwervende hem) < act. qal part. nom. mann. enk. + suffix persoonl.
voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Lv
25,50 . (2) Js
1,3 .
- liqënôth (om te verwerven) < lë + qal inf. stat. constr.
van het werkw. qânâh (verwerven, bezitten, kopen) . Tenakh (6) :
(1) 2 S 24,21
. (2) Js
11,11 . (3) Js
32,7 . (4) Am
8,6 . (5) Spr
17,16 . (6) 2
Kr 34,11 .
-- liqënôth (om te verwerven) bëkèsèph (met zilver,
met geld) . Slechts in Am
8,6 .
- qânèh (riet, maatstaf) . qânèh (stat. constr. qëneh ; mv. qânîm) . (riet, meetstok , maatstaf, norm, regel) . Taalgebruik in Tenakh : qânèh (riet, maatstaf) . Gr. kanôn . Lat. canon . Gr. kalamos (riet) . Lat. calamus . Een vorm van qânèh in Jesaja (3) : (1) Js 19,6 . (2) Js 42,3 . (3) Js 43,24 ..
11-14. wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´ (en de naam van die plaats heet) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Nu 11,3 . (4) Nu 11,34 (+ ´èth) . (5) Joz 5,9 .
11. wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde
persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen,
heten) . Taalgebruik
in Tenakh : qârâ´
(roepen, heten) . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 32 (2) : (1) Gn
32,3 . (2) Gn
32,31 . Gn (55) . Gn 35 (4) : (1) Gn 35,7 . (2) Gn 35,8 . (3) Gn 35,10 . (4) Gn 35,15 . Gn 41 (4) : (1) Gn 41,8 . (2) Gn 41,14 . (3) Gn 41,45 . (4) Gn 41,51 . Gn 49 (1) : Gn
49,1 . In tweeëntwintig
verzen in Ex : (1) Ex
1,18 .
- qârâ´ (roepen, heten)
. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´
(roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph
= 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen,
noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô
(roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô
(roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare
- pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen
. Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148)
. qr´. Tenakh (86) . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. qârâ
(hij roept) OF (2) act. qal infin. stat. constr. qëro´ (te roepen)
OF (3) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. qërâ (roep) OF (4)
act. part. nom. mann. enk. qore´ (roepende) OF (5) pass. pual 3de pers.
mann. enk. .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. qirë´û (roept) . q-r-´-w
. Tenakh (36) . Jl (3) : (1) Jl
1,14 . (2) Jl
2,15 . (3) Jl
4,9 . Een vorm van qârâ´ (roepen, heten) in Jl (5) : (1)
Jl 1,14
. (2) Jl
1,19 . (3) Jl
2,15 . (4) Jl
3,5 . (5) Jl
4,9 .
-- act. qal perf. 1ste pers. enk. qârâ´thî (ik riep)
van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh
: qârâ´
(roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph
= 1 ; totaal : 40 (2³ X 5) of 301 . Tenakh (25) . Js (6) : (1) Js
13,3 . (2) Js
30,7 . (3) Js
43,1 . (4) Js
50,2 . (5) Js
65,12 . (6)
Js 66,4 .
--- qërâ´thîkhâ < act. qal perf. 1ste pers.
enk + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. , van het werkw. Tenakh
(9) : (1) Nu
24,10 . (2) Js
41,9 . (3) Js
42,6 . (4) Ps
17,6 . (5) Ps
31,18 . (6) Ps
88,10 . (7) Ps
119,146 . (8) Ps
130,1 . (9) Ps
141,1 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thiqërâ´ (jij roept)
van het werkw. . Tenakh (12) : (1) Gn
17,5 . (2) Dt
31,11 . (3) Js
55,5 . (4) Js
58,5 . (5) Js
58,9 . (6) Spr
1,21 . (7) Spr
2,3 . (8) Spr
7,4 . (9) Spr
6,1 . (10) Spr
9,3 . (11) Job
14,15 . (12) Kl
2,22 .
- wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde
persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord qârâ´ (roepen,
heten) . Taalgebruik
in Tenakh : qârâ´
(roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph
= 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . Gr. kaleô (roepen,
noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô
(roepen) . Taalgebruik in de Septuaginta : kaleô
(roepen) . E. to call . Lat. vocare (vox = stem) . Fr. appeler (Lat. appellare
- pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Ned. roepen . D. rufen
. Arabisch : qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Koran : qâla (zeggen) . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in de LXX (512) , in het NT (148)
. Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (25) . Gn (55) . Gn 21 (3) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 21,33 . Gn 32 (2) : (1) Gn
32,3 . (2) Gn
32,31 .
--- wajjiqërâ´ JHWH (en JHWH riep) . In vier verzen in de bijbel
.
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde de naam) . In
dertien verzen in de bijbel : (1) Gn
4,17 . (2) Gn
26,20 . (3) Gn
28,19 . (4) Gn
32,3 .
-- wajjiqërâ´ (èth) sjem hammaqôm (en hij noemde
de naam van de plaats) . In zeven verzen in de bijbel : (1) Gn
28,19 (´èth) . (2) Gn
32,3 . (3) Ex
17,7 . (4) Nu
11,3 . (5) Nu
11,34 (´èth) . (6) Nu
21,3 . 7. Joz
5,9 .
--- wajjiqërâ´ èth sjëmô (en hij noemde zijn
naam) . In elf verzen in de bijbel . In vijf verzen in Gn : (1) Gn
4,26 . (2) Gn
5,3 . (3) Gn
5,29 . (4) Gn
35,10 . (5) Gn
38,3 . In Ex
2,22 .
--- wajjiqërâ´ ´abhërâm sjèm bënô
. wajjiqërâ´ ´abhërâhâm (en Abraham riep / noemde) . Tenakh (2) : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 22,14 .
--- wajjiqërâ´ Ja`äqobh (en Jakob noemde) . In drie verzen
in de bijbel : (1) Gn
32,31 . (2) Gn
35,15 . (3) Gn
49,1 .
- watthiqërâ´ (en zij noemde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. Tenakh (32) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine
Profeten (0) . Gn (18) . Gn 30 (7) : (1) Gn 30,8 . (2) Gn 30,11 . (3) Gn 30,13 . (4) Gn 30,18 . (5) Gn 30,20 . (6) Gn 30,21 . (7) Gn 30,24 . Geschriften (2) . Eerdere Profeten (9) : (1) Re 4,6 . (2) Re 13,24 . (3) Re 16,18 . (4) Re 16,19 . (5) 1 S 1,20 . (6) 1 S 4,21 . (7) 2 S 20,16 . (8) 2 K 4,22 . (9) 2 K 11,14 .
--- waththiqërâ´ (èth) sjëmô (en zij noemde
zijn naam) . Tenakh (18) : (1) Gn
4,25 (Eva geeft aan Seth zijn naam) . (2) Gn
19,37 (de oudste dochter van Lot geeft aan Moab zijn naam) . (3) Gn
19,38 (de jongste dochter van Lot geeft aan Ben-Ammi zijn naam) . (4) Gn
29,32 (Lea geeft aan Ruben zijn naam) . (5) Gn
29,33 (Lea geeft aan Simeon zijn naam) . (6) Gn
30,8 (Rachel geeft aan Naftali zijn naam) . (7) Gn
30,11 (Lea geeft aan Gad , de zoon van Zilpa, zijn naam) . (8) Gn
30,13 (Lea geeft aan Aser, de tweede zoon van Zilpa, zijn naam) . (9) Gn
30,18 (Lea geeft aan Issakar, haar vijfde zoon , zijn naam) . (10) Gn
30,20 (Lea geeft aan Issakar, haar zesde zoon , zijn naam) . (11) Gn
30,24 (Rachel geeft aan Jozef , haar oudste zoon , zijn naam) . (12) Gn
35,18 (Rachel geeft aan Ben-Omi , haar jongste zoon , zijn naam ; Jakob
geeft hem de naam Benjamin) . (13) Gn
38,4 (Sua geeft aan Onan zijn naam) . (14) Gn
38,5 (Sua geeft aan Sela zijn naam) . (15) Ex
2,10 (de dochter van de farao geeft aan Mozes zijn naam) .(16) Re
13,24 (de vrouw van Manoach geeft aan Simson zijn naam) . (17) 1 S 1,20 (Hanna geeft aan Samuël zijn naam) . (18) 1
Kr 7,16 (Maäka geeft aan
Peres zijn naam) .
--- qârâ´h sjëmô (zij gaf - aan hem - zijn naam)
. In drie verzen in de bijbel : (1) Gn
29,35 (Lea gaf aan Juda , haar vierde zoon , zijn naam) . (2) Gn
30,6 (Rachel geeft aan Dan , de oudste zoon van Bilha , zijn naam ) . (3)
1 Kr 4,9 (De moeder van Jabes geeft aan haar zoon Jabes zijn naam) .
--- wëqârâ´th sjëmô (en zij zal noemde zijn
naam) . In twee verzen in de bijbel : (1) Gn
16,11 (in opdracht van de engel geeft Sara aan Ismaël zijn naam) .
(2) Jr 7,14
(zij zal aan Immanuël zijn naam geven) .
wajjiqërâ´ ´èl JHWH (en hij riep tot JHWH) .
Tenakh (4) : (1) Re
15,18 . (2) 1
K 17,20 . (3) 1
K 17,21 . (4) 1
Kr 21,26 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. jiqërâ´û (zij
riepen) van het werkw. qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik
in Tenakh : qârâ´
(roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph
= 1 ; totaal : 40 of 301 . Tenakh (17) . Js (4) : (1) Js
34,12 . (2) Js
47,1 . (3) Js
47,5 . (4) Js
65,24 .
12. Verwijzing : sjem (de naam) , zie Ps 113,2 .
11. - 13 . wajjiqërâ´ (èth) sjem hammaqôm (en hij noemde de naam van de plaats) . Verwijzing : qârâ´ (roepen, heten) , zie Joz 5,9 . In zeven verzen in de bijbel : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Ex 17,7 . (4) Nu 11,3 . (5) Nu 11,34 (´èth) . (6) Nu 21,3 . (7). Joz 5,9 .
11-14. wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´ (en de naam van die plaats heet) . Verwijzing : qârâ´ (roepen, heten) , zie Joz 5,9 . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 28,19 (´èth) . (2) Gn 32,3 . (3) Nu 11,3 . (4) Nu 11,34 (+ ´èth) . (5) Joz 5,9 .
- qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden) . qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden) . Taalgebruik in Tenakh : qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 370 (2 X 5 X 37) . Structuur : 1 - 2 - 7 .
- qârabh (naderen, nabij zijn)
. qârabh (naderen, nabij zijn) . Taalgebruik in Tenakh : qârabh
(naderen, nabij zijn) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200
, beth = 2 ; totaal : 41 OF 302 . Structuur : 1 - 2 - 2 .
- qärobh jôm (nabij een dag) . Tenakh (9) : (1) Dt
32,35 . (2) Js
13,6 . (3) Jl
1,15 . (4) Jl
2,1 . (5) Jl
4,14 . (6) Ob
15 . (7) Sef
1,7 . (8) Sef
1,14 . (9) Ez
30,3 .
- qärobh jôm JHWH (nabij een dag van JHWH) . Tenakh (6) : (1) Js
13,6 . (2) Jl
1,15 . (3) Jl
4,14 . (4) Ob
15 . (5) Sef
1,7 . (6) Sef
1,14 .
- kî qärobh (want nabij) . Tenakh (11) : (1) Ex
13,17 . (2) Dt
30,14 . (3) Dt
32,35 . (4) 2
S 19,43 . (5) Js
13,6 . (6) Ez
30,3 . (7) Jl
1,15 . (8) Jl
2,1 . (9) Jl
4,14 . (10) Ob
15 . (11) Sef
1,7 .
- kî qärobh jôm JHWH (want nabij een dag van JHWH) . Tenakh
(6) : (1) Js
13,6 . (2) Jl
1,15 . (3) Jl
2,1 . (4) Jl
4,14 . (5) Ob
15 . (6) Sef
1,7 .
- qârôbh (nabij, dichtbij) . Bijvoegl. naamw. . Zie het werkw.
qârabh (naderen, nabij zijn) . Taalgebruik in Tenakh : qârabh
(naderen, nabij zijn) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200
, beth = 2 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . Tenakh (31)
. Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Prof.
(6) . Geschriften (9) . Js (4) : (1) Js
13,6 . (2) Js
50,8 . (3) Js
51,5 . (4) Js
55,6 . 12 kl. Prof. (6) : (1) Jl
1,15 . (2) Jl
2,1 . (3) Jl
4,14 . (4) Ob
15 . (5) Sef
1,7 . (6) Sef
1,14 .
- bëqèrèbh (in het midden van) . Tenakh (53) . Pentateuch (14) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine
Profeten (6) . Geschriften (13) . Re (4) : (1) Re 1,32 . (2) Re 1,33 . (3) Re 3,5 . (4) Re 18,20 .
- bëqirëbëkhâ (in je midden) < bë + qèrèbh
+ pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. qèrèbh
(lichaam, binnenste, ingewanden) . Tenakh (26) . Pentateuch (14) . Eerdere Profeten
(1) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (1) .
- bëqirabëkhèm (in jullie midden) < bë + qèrèbh
+ pers. voornaamw. 2de pers. mann. mv. van het zelfst. naamw. qèrèbh
(lichaam, binnenste, ingewanden) . Tenakh (12) : (1) Nu
11,20 . (2) Nu
14,42 . (3) Dt
1,42 . (4) Joz
3,5 . (5) Joz
3,10 . (6) Joz
4,6 . (7) Joz
18,7 . (8) Joz
24,23 . (9) Jr
29,8 . (10) Ez
11,19 . (11) Ez
36,26 . (12) Ez
36,27 .
- miqqèrèbh (uit het midden van) . Tenakh (23) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (2) . Dt (8) : (1) Dt 2,14 . (2) Dt 2,15 . (3) Dt 2,16 . (4) Dt 4,34 . (5) Dt 15,11 . (6) Dt 17,15 . (7) Dt 18,18 . (8) Dt 32,17 .
- miqqirëbëkhèm (uit jullie midden) < min + qèrèbh
+ pers. voornaamw. 2de pers. mann. mv. van het zelfst. naamw. qèrèbh
(lichaam, binnenste, ingewanden) . Tenakh (2) : (1) Joz
7,12 . (2) Joz
7,13 .
- miqqirëbèkhâ (uit je midden) < min + qèrèbh
+ pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. qèrèbh
(lichaam, binnenste, ingewanden) . Tenakh (16) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten
(0) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (0) .
- bqrbk . Tenakh (26) . bëqirëbekh < prefix voorzetsel bë
(in) + zelfst. naamw. qèrèbh (midden) + suffix persoonl. voornaamw.
2de pers. vr. enk. . Zie . Tenakh (8) : (1) Js
12,6 . (2) Jr
4,14 . (3) Nah
3,13 . (4) Sef
3,12 . (5) Sef
3,15 . (6) Sef
3,17 . (7) Zach
14,1 . (8) Ps
147,13 .
- qërôbhâh , vr. enk. van Tenakh (4) : (1) 1
K 8,46 . (2) Js
56,1 . (3) Ps
22,12 . (4) 2
Kr 6,36 .
- zelfst. naamw. stat. constr. qirëbhath (nabijheid van) van qirëbhâh (nabijheid) . Tenakh (1) Js 58,2 . Zie werkw. qârabh (naderen, nabij zijn) . Taalgebruik in Tenakh : qârabh (naderen, nabij zijn) .
- qâsjabh (zijn oren
neigen tot, aandacht geven) . qâsjabh (zijn oren neigen tot, aandacht
geven) . Taalgebruik in Tenakh : qâsjabh
(zijn oren neigen tot, aandacht geven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100
, sjin = 21 of 300 , beth = 2 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 402 (2 X 201) . Structuur
: 1 - 3 - 2 .
- actief hifil imperatief 2de pers. mv. haqësjîbhû (luistert,
leent jullie oren) . Tenakh (6) : (1) Js
28,23 . (2) Js
34,1 . (3) Js
51,4 . (4) Jr
6,17 . (5) Job
13,6 . (6) 2
Kr 20,15 .
- OF actief hifil perf. 3de pers. mv. hiqësjîbhû (jullie luisteren,
jullie lenen jullie oren) van het werkw. Tenakh (4) : (1) Jr
6,19 . (2) Zach
1,4 . (3) Neh
9,34 . (4) 2
Kr 33,10 .
- verbindingswoord wë + actief hifil imperatief 2de pers. mv. wëhaqësjîbhû
(en luistert, en leent jullie oren) . Tenakh (4) : (1) Js
49,1 . (2) Hos
5,1 . (3) Spr
4,1 . (4) Spr
7,24 .
- actief qal hifil imperatief 2de pers. mv. qësjîbû (luistert,
weest opmerkzaam) OF actief hifil perf. 3de pers. mv. hè´èzînû
(jullie luisteren, jullie lenen jullie oren) van het werkw.
Het is ook de vertaling van haqsjibhâh van het werkwoord qsjb (zijn oren
neigen tot, aandacht geven); in 9 verzen in de bijbel : (1) Jr 18,19 . (2) Ps
5,3 . (3) Ps
17,1 . (4) Ps
55,3 . (5) Ps
61,2 . (6) Ps
142,7 . (7) Spr 4,20 . (8) Spr 5,1 . (9) Da 9,19 .
- qâtar (roken, in rook doen opgaan, wieroken) . Een vorm van qâtar (roken, in rook doen opgaan, wieroken) in 2 K (12) .
- Qênân = Qenan . Qenan . Verwijzing : Qênân = Qenan (Kenan) , zie Gn 5,9 . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 ; jod = 10 ; nun = 14 of 50 ; totaal : 57 of 210 (3 X 70) . Structuur : 1 - 1 - 5 . Hij staat op de vierde plaats in de reeks van tien generaties van de geslachtslijst van Adam . Qênân = Qenan komt in zes verzen in de bijbel voor : (1) Gn 5,9 . (2) Gn 5,10 . (3) Gn 5,12 . (4) Gn 5,13 . (5) Gn 5,14 . (6) 1 Kr 1,2 . Toen Qenan 70 jaar was , verwekte hij Mahalalel . 70 = 210 : 3 ; 840 = 70 X 12 of 21 X 40 ; 910 = 70 X 13 .Het grondgetal van de drie leeftijden is 70 . Zie ook 70 . Verhouding : getalwaarde Qênân - leeftijd van Qênân na de geboorte van Mahalalel : 1 - 4 .
- qënaz (Kenaz) . qënaz (Kenaz) Taalgebruik in Tenakh : qënaz (Kenaz) . Getalwaarde = qoph = 19 of 100 , nun = 14 of 50 , zajin = 9 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 159 (3 X 53) . Structuur : 1 - 5 - 9 . Tenakh (9) : (1) Gn 36,15 . (2) Gn 36,42 . (3) Joz 15,17 . (4) Re 1,13 . (5) Re 3,9 . (6) Re 3,11 . (7) 1 Kr 1,36 . (8) 1 Kr 1,53 . (9) 1 Kr 4,13 . ûqënaz (en Kenaz) . Tenakh (2) : (1) Gn 36,11 . (2) 1 Kr 4,15 .
- qèrèn (hoorn) . qèrèn
(hoorn) . Taalgebruik in Tenakh : qèrèn
(hoorn) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , nun = 14 of
50 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 350 (2 X 5² X 7) . 53 en 35 zijn spiegelgetallen . Structuur : 1 - 2 - 5 . Gr. keras
(hoorn) . Taalgebruik in de LXX : keras
(hoorn) . Taalgebruik in het NT : keras
(hoorn) . Lat. cornu . N. hoorn . Fr. corne . E. horn . D. Horn . Een vorm
van keras (hoorn) in de LXX (123) , in het NT (11) . Verwant met qâran (stralen schieten) . Fr. rayonnement (straling) < Lat. radius (straal) . Ook verwant met corne en couronne , of hoorn met kroon . Zie de Souzenelle , p. 30 . q-r-n : Tenakh (19) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (10) . Pentateuch (3) : (1) Ex 34,29 . (2) Ex 34,30 . (3) Ex 34,35 . Eerdere Profeten (3) : (1) 1 S 2,10 . (2) 1 S 16,13 . (3) 1 K 1,39 . In 1 S 16,13 en 1 K 1,39 volgt op qèrèn
(hoorn) de inhoud van de hoorn nl. hasjsjèmèn (de olie) , waardoor de hoorn een bepaald 'gebruiksvoorwerp' of cultusvoorwerp wordt . In 1 S 2,10 wordt de functie van de inhoud van de hoorn gegeven nl. zalven en verwijst naar de persoon die werd gezalfd . 1 S 16,13 en 1 K 1,39 zijn zeer parallel opgebouwd en verwijzen naar de zalving van David en Salomo tot koning .
- qarënî (mijn hoorn) . Tenakh (6) : (1) 1 S 2,1 . (2) 1 K 22,11 . (3) Ps 75,11 . (4) Ps 92,11 . (5) Job 16,15 . (6) 2 Kr
18,10 .
- qets (einde, uiterste, ophouden) . qets (einde, uiterste, ophouden) . Taalgebruik in Tenakh : qets (einde, uiterste, ophouden) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 37 OF 190 ( 2 X 5 X 19) . Structuur : 1 - 9 .
- qëtseh (uiterste, laatste) . qëtseh
(uiterste, laatste) . Taalgebruik in Tenakh : qëtseh
(uiterste, laatste) . Getalwaarde : Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , tsade
= 18 of 90 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 195 (3 X 5 X 13) . Structuur
: 1 - 9 - 5 . Tenakh (30) . Js (5) : (1) Js
2,7 . (2) Js
7,3 . (3) Js
48,20 . (4) Js
49,6 . (5)Js
62,11 .
- vr. mv. qëtsôth (uiteinden) van het zelfst. naamw. . Tenakh (17)
. Js (2) : (1) Js
40,28 . (2) Js
41,5 .
-- qëtsôth hâ´ârèts (uiteinden van de aarde)
. Tenakh (2) : (1) Js
40,28 . (2) Js
41,5 .
- miqëtsôth (van uiteinden) < voorzetsel min + vr. mv. qëtsôth
(uiteinden) van het zelfst. naamw. . Tenakh (4) : (1) 1
K 6,24 . (2) 1
K 12,13 . (3) 1
K 13,33 . (4) Js
41,9 .
-- miqëtsôth hâ´ârèts (van uiteinden van
de aarde) . Tenakh (1) : Js
41,9 .
- miqëtseh (van het einde) . Tenakh (39) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten
(11) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Js
(4) : (1) Js
5,26 . (2) Js
13,5 . (3) Js
42,10 . (4) Js
43,6 .
-- miqëtseh hâ´ârèts (vanaf het uiteinde van de
aarde) . Tenakh (9) : (1) Dt
13,8 . (2) Dt
28,49 . (3) Dt
28,64 . (4) Ps
61,3 . (5) Ps
135,7 . (6) Js
5,26 . (7) Js
42,10 . (8) Js
43,6 . (9) Jr
25,33 .
- qôl (stem) . qôl (stem) . Taalgebruik
in Tenakh : qôl
(stem) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 5 , lamed = 12 of 30 ; totaal
: 36 (2² X 3² OF 6²) OF 135 (3 X 5 X 9) . Structuur : 1 - 5 -
3 . Taalgebruik in de Septuaginta : fônè
(stem, roep) . Taalgebruik in het NT : fônè
(stem, roep) . Gr. fônè (stem, roep) . Hebr. p´
(mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen)
, fè-mi = spreken . Lat for - fari . Fr. la voix . E. voice . Verwant
met de indogerm. stam bha . Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm
(aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . Fr. la face . E. face
. Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. qôlô
van het zelfst. naamw. . Tenakh (15) . Js (2) : (1) Js
30,30 . (2) Js
42,2 .
- qûm (opstaan) . qûm (opstaan) .
(1) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. (2) act. qal inf. constr. (3) passief qal part. Taalgebruik in Tenakh : qûm
(opstaan) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ;
totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73) . Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4
. Tenakh (46) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine
Profeten (5) . Geschriften (7) . Jos (1) : Joz 1,2 . 12 kl. Prof. (5) : (1) Am
5,2 . (2) Jon
1,2 . (3) Jon
1,6 . (4) Jon
3,2 . (5) Mi
6,1 . Dezelfde structuur : ´ûd (brandend hout) .
-- act. hifil part. nom. mann. enk. meqîm (die doet opstaan) van het
werkw. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenakh : qûm
(opstaan) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ;
totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73) . Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4
. Tenakh (8) : (1) Gn
9,9 . (2) 1
S 2,8 . (3) 2
S 12,11 . (4) Js
44,26 . (5) Jr
50,32 . (6) Am
6,14 . (7) Hab
1,6 . (8) Zach
11,16 . meqîmî (die doet opstaan) . Tenakh (1) Ps
113,7 . Volgens Jouön heeft de eind jod slechts een ritmische waarde
.
--- hinënî meqîm (zie ik die doet opstaan) . Tenakh (4) : (1)
Gn 9,9
. (2) 2 S
12,11 . (3) Am
6,14 . (4) Hab
1,6 . hinneh ´ânokhî meqîm (zie ik die doet opstaan)
. Tenakh (1) Zach
11,16 . wa´änî hinënî meqîm (en ik zie
ik die doet opstaan) . Tenakh (1) Gn
9,9 .
--- kî hinënî meqîm (want zie ik die doet opstaan) .
Tenakh (2) (1) Am
6,14 . (2) Hab
1,6 . kî hinneh ´ânokhî meqîm (want zie ik
die doet opstaan) . Tenakh (1) Zach
11,16 .
- w-j-q-m . (1) wajjâqâm (en hij stond op) < wë + act.
qal imperf. 3de pers. mann. enk. (2) wajjaqèm (en hij deed opstaan) <
wë + act. hiufil 3de pers. mann. enk. . Tenakh (125) . Pentateuch (26)
. Eerdere Profeten (76) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften
(19) . Ex (5) : (1) Ex
1,8 . (2) Ex
2,17 . (3) Ex
12,30 . (4) Ex
24,13 . (5) Ex
40,18 (wajjâqèm hij deed opstaan ; hifil) . (6) Ex
40,33 . Re (21) : (1) Re
2,10 . (2) Re
2,16 . (3) Re
3,9 . (4) Re
3,15 Re
3,15 . (5) Re
3,20 . (6) Re
8,21 . (7) Re
9,34 . (8) Re
9,35 . (9) Re
9,43 . (10) Re
10,1 . (11) Re
10,3 . (12) Re
13,11 . (13) Re
16,3 . (14) Re
19,3 . (15) Re
19,5 . (16) Re
19,7 . (17) Re
19,9 . (18) Re
19,10 . (19) Re
19,27 . (20) Re
19,28 . (21) Re
20,8 .
-- wajjâqâm mosjèh (en Mozes stond op) . In drie verzen in
de bijbel : (1) Ex
2,17 . (2) Ex
24,13 . (3) Nu
16,25 .
- wajjâqumû (en zij stonden op) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. Tenakh (27) . Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (14) . Latere Profeten ( 1) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (6) . Eerdere Profeten (14) : (1) Joz 18,4 . (2) Joz 18,8 . (3) Re 20,5 . (4) Re 20,18 . (5) 1 S 17,52 . (6) 1 S 28,25 . (7) 2 S 2,15 . (8) 2 S 12,17 . (9) 2 S 13,29 . (10) 1 K 1,49 . (11) 1 K 11,18 . (12) 2 K 3,24 .
(13) 2 K 12,21 . (14) 2 K 25,26 .
- act. hifil inf. constr. hâqîm (te doen opstaan) OF act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. heqîm (hij doet opstaan) OF act. hifil imperat. 2de pers. mann. enk. heqîm (doe opstaan) van het werkw. Tenakh (23) . Re (1) Re 2,18 .
--- hâqem en huqam . In zes verzen in de bijbel .
--- actief qal imperat. aorist tweede persoon vrouwelijk enkelvoud qûmi
(sta op) . Tenakh (16) . Js (4) : (1) Js
23,12 . (2) Js
51,17 . (3) Js
52,2 . (4) Js
60,1 .
--- wahäqîmothî (ik doe opstaan) . Hifil aorist eerste persoon
enkelvoud . In vier verzen in de bijbel : (1) Lv 26,9 . (2) 1 S 2,35 . (3) 2
S 7,12 . (4) Js 29,3 .
--- ´âqîm (ik zal doen opstaan) . Hifil imperfectum eerste
persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 17,21 . (2) Dt
18,18 . (3) 1 S 3,12 . (4) Jr 30,9 . (5) Am 9,11 (tweemaal) .