Tenakh TAALGEBRUIK R
- râchel (Rachel) -- râgasj (onrustig zijn, tobben) -- re´sjîth (begin) .
Overzicht van Tenakh : Tenakh
: overzicht , Tenakh
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenakh
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
ALGEMEEN OVERZICHT
- bijbeloverzicht
, bijbelverwijzingen
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
van Paulus , Apostolische
brieven .
Overzicht van het NT : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth)
, 1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1
Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh
(Nehemia) , Tob
(Tobia) , Jdt
(Judith) , Est
(Esther) , 1 Mak
(1 Makkabeeën) , 2
Mak (2 Makkabeeën) , Job
, Ps (Psalmen
) , Spr (Spreuken)
, Pr (Prediker)
, Hl (Hooglied)
, W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja)
, Jr (Jeremia)
, Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos)
, Ob (Obadja)
, Jon (Jona)
, Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2
Kor (Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1
Tes (Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
| 1. LXX , Griekse tekst NT | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 | Targumim | rubrieken (1) |
| bijbelvertalingen Lexilogos | De Griekse bijbel - | bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
- ra` (slecht, kwaad, boos, misdadig)
. ra` (slecht, kwaad, boos, misdadig) . Taalgebruik in Tenakh : ra`
(slecht, kwaad, boos, misdadig) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , ajin
= 16 of 70 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 270 (2 X 3³ X 5) . Structuur
: 2 - 7 . ra` is het tegenoversgestelde van goed . Goed - slecht ; goed - kwaad
. Kwaad in de betekenis van boos worden om iets dat gedaan werd . We zouden
kunnen spreken van goed-doener en slecht-doener , maar we gebruiken evenwel
wel-doener . We spreken niet van slecht-doener of kwaad- doener , maar wel van
een mis-dadiger (mis -doen) of een boos-doener .
- hâra` (het slechte) < bepaald lidw. + zelfst. naamw. Tenakh (101)
. Pentateuch (22) . Eerdere Profeten (44) . Latere Profeten (15) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (19) . Joz (1) . Re (7) : (1) Re
2,11 . (2) Re
3,7 . (3) Re
3,12 . (4) Re
4,1 . (5) Re
6,1 . (6) Re
10,6 . (7) Re
13,1 . 1 S (2) . 2 S (1) . 1 K (10) . 2 K (23) : (1) 2
K 3,2 . (2) 2
K 8,18 . (3) 2
K 8,27 . (4) 2
K 13,2 . (5) 2
K 13,11 . (6) 2
K 14,24 . (7) 2
K 15,9 . (8) 2
K 15,18 . (9) 2
K 15,24 . (10) 2
K 15,28 . (11) 2
K 17,2 . (12) 2
K 17,17 . (13) 2
K 21,2 . (14) 2
K 21,6 . (15) 2 K 21,9 . (16) 2 K 21,11 . (17) 2
K 21,15 . (18) 2
K 21,16 . (19) 2
K 21,20 . (20) 2
K 23,32 . (21) 2
K 23,37 . (22) 2
K 24,9 . (23) 2
K 24,19 .
- ´èth hâra` (het slechte) . Tenakh (6) : (1) Dt
17,2 . (2) Dt
31,29 . (3) Re
2,11 . (4) Re
3,7 . (5) Re
3,12 . (6) 2
K 21,15 .
-- hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte in de ogen van JHWH) . Tenakh
(54) . Pentateuch (5) . Nu (1) . Dt (4) . Eerdere Profeten (40) . Re (7) . 1
S (1) . 1 K (10) . 2 K (22) .
-- ´èth hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte in de ogen
van JHWH) . Tenakh (5) : (1) Dt
17,2 . (2) Dt
31,29 . (3) Re
2,11 . (4) Re
3,7 . (5) Re
3,12 .
- râ`a` (kwaad,
slecht, verdrietig, ontevreden zijn) . râ`a` (kwaad, slecht, verdrietig,
ontevreden zijn) . Taalgebruik in Tenakh : râ`a`
(kwaad, slecht, verdrietig, ontevreden zijn) . Getalwaarde : resj = 20 of
200 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 52 (2 X OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur
: 2 - 7 - 7 .
- act. qal imperf. consecut. 3de pers. mann. enk. wajjera` (en het was slecht) van het werkw. Tenakh (13) : (1) Gn 21,11 . (2) Gn 38,10 . (3) Gn 48,17 . (4) 1 S 8,6 . (5) 1 S 18,8 . (6) 2 S 11,27 . (7) 1 K 16,25 . (8) Js 59,15 . (9) Jon 4,1 . (10) Ps 106,32 . (11) Neh 2,10 . (12) Neh 13,8 .
(13) 1 Kr 21,7 .
- wajjera` haddâbâr (en het woord/gebeuren) was slecht) . Tenakh
(3) : (1) Gn
21,11 . (2) 1
S 8,6 . (3) 2
S 11,27 .
- act. hifil part. mann. mv. mëre`îm (boosdoeners) . Tenakh (15)
. Js (3) : (1) Js
1,4 . (2) Js
14,20 . (3) Js
31,2 .
- râ`âb (hongeren, honger voelen) . râ`âb (hongeren, honger voelen) . Taalgebruik in Tenakh : râ`âb (hongeren, honger voelen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17 Of 16 X 17) . Structuur : 2 - 7 - 2 . E. hungry . D. hungrig Fr. affamé . Honger . Lat. fames . Fr. faim .
- mann. mv. rë`ebhîm (hongerigen) van het bijvoegl. naamw. râ`eb (hongerig) .
- râ´âh (zien) . râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) . r-´- h . Tenakh (121) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (42) . Ps (11) : (1) Ps 9,14 . (2) Ps 10,11 . (3) Ps 25,18 . (4) Ps 25,19 . (5) Ps 33,13 . (6) Ps 37,13 . (7) Ps 64,9 . (8) Ps 84,10 . (9) Ps 114,3 . (10) Ps 119,153 . (11) Ps 119,159 .
w-j-r` . (1) qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjarë´ (en hij zag) ; (2) nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) van het werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass. Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen . Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX (1539) . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . Gn (50) . Gn (50) . Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . Gn 22 (2) : (1) Gn 22,4 . (2) Gn 22,13 . wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) . Tenakh (9) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 6,12 . (9) Ex 2,25 .
- kî râ´âh JHWH (want JHWH zag) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,32 . (2) 2 K 14,26 .
ro´èh (qal participium) .
act. qal imperatief tweede persoon mann. enkelvoud rë´eh van het
werkw. râ´âh (zien, verschijnen) . rë´eh `ânëjî
(zie mijn armoede) . Tenakh : (1)
Ps 9,14 . (2) Ps
25,18 . (3) Ps
119,153 . . râ´âh (qal perfectum derde persoon enkelvoud)
. râ´oh (qal infinitief absolutus) . In 121 verzen in de bijbel
.
--- râ´îthî (ik zag, ik heb gezien) act. qal perf. 1ste
pers. enk. van het werkw. . Tenakh (86) . In zes verzen in Gn :
(1) Gn 7,1
(JHWH tot Noach : Ik heb gezien dat je rechtvaardig zijt) .
(2) Gn 16,13
(Hagar noemt God EL Roï) .
(3) Gn 31,12
(De engel van JHWH tot Jakob) .
(4) Gn 32,31
(Jakob over de plaats Penuël : omdat ik God heb gezien van aangezicht tot
aangezicht) .
(5) Gn 33,10
(Jakob tot Esau) .
(6) Gn 41,19
.
In drie verzen in Ex : (1) Ex
3,7 . (2) Ex
3,9 . (3) Ex
32,9 . In één vers in Dt : Dt
9,13 . In twee verzen in Rechters : (1) Re 6,22 . (2) Re 19,2 . In zeven verzen in 1 S : (1) 1 S 9,16 . (2) 1
S 13,11 . (3) 1 S 16,1 . (4) 1 S 16,18 . (5) 1 S 22,9 . (6) 1 S 25,25 . (7) 1 S 28,13 .
--- -- râ´oh râ´îthî (ik zag) .
Slechts éénm&In Ex
3,7 .
--- jire´èh (hij zag) : Gn
22,14
--- nirë´ah (hij zal zien) . Gn 48,3 .
--- wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich
zien - hij verscheen) . Het eerste is een actief qal imperfectum derde persoon
mannelijk enkelvoud . Het tweede is een passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk
enkelvoud . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine
Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn (50) . Gn 1 (7) : wajjerâ´
(en hij liet zich zien - hij verscheen) : (1) Gn
12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn
17,1 . (3) Gn
18,1 . (4) Gn 26,2 . (5) Gn 26,24 . Dt (4) : (1) Dt
26,7 . (2) Dt
31,15 . (3) Dt
32,19 . (4) Dt
33,21 . wajjarë´ (en hij zag) wëhinneh (en zie) : zie Gn
29,2 .
Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Ex (17) : (1) Ex
2,11 . (2) Ex
2,12 . (3) Ex
2,25 . (4) Ex
3,2 . (5) Ex
3,4 . (6) Ex
8,11 . (7) Ex
9,34 . (8) Ex
14,30 . (9) Ex
14,31 . (10) Ex
18,14. (11) Ex
20,18 . (12) Ex
32,1 . (13) Ex
32,5 . (14) Ex
32,19 . (15) Ex
32,25 . (16) Ex
34,30 . (17) Ex
39,43 .
--- -- wajjarë´ JHWH (en JHWH zag) . In vijf verzen in de bijbel
: (1) Gn 6,5
(JHWH zag de slechtheid van de mensen) . (2) Gn
29,31 (JHWH zag Lea) . (3) Ex
3,4 (JHWH zag Mozes de doornstruik naderen . (4) Dt
32,19 (JHWH zag de afdwaling van het volk) . (5) Js 59,15 .
--- -- wajjarë´ Jôseph (en Jozef zag) . In vier verzen in de
bijbel : (1) Gn 42,7 . (2) Gn 43,16 . (3) Gn 48,17 . (4) Gn
50,23 .
--- wëtherâ´èh (en zij verscheen) . Nifal imperfectum
derde persoon vrouwelijk enkelvoud : (1) Gn
1,9 .
--- wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen) . waw consecutivum + nifal
imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel
: (1) Gn 12,7
(bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn
17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham) . (3) Dt
31,15 (bij de aanstelling van Jozua) . (4) 1 K 9,2 (aan Salomo) . (5) 2
Kr 7,12 (aan Salomo) .
--- -- wajjerâ´ ´elâ(j)w JHWH (en JHWH verscheen aan
hem) . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn
18,1 (JHWH aan Abraham) . (2) Gn
26,2 (JHWH aan Isaak) . (3) Gn
26,24 (JHWH aan Isaak) .
--- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH
verscheen) . Tenakh (4) : (1) Lv
16,19 . (2) Nu
16,19 . (3) Nu
17,7 . (4) Nu
20,6 .
--- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen)
. Tenakh (2) : (1) Ex
3,2 (aan Mozes in de doornstruik) . (2) Re
13,3 (aan de moeder van Simson) .
--- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) . Enkel
in Gn 35,9
. In Hnd
7,2 : ho theos tès doxès ôfthè tôi patri
hèmôn Abraam (De God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader
Abraham) .
--- thirë´èh (jij zult zien) . Qal imperfectum tweede persoon
mannelijk enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel : (1) Ex
6,1 . (2) Ex
23,5 . (3) Lv 13,57 . (4) Lv
20,17 . (5) Nu
11, 23 . (6) Nu 23,13 . (7) Dt
3,28 . (8) Dt
12,13 . (9)
- act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. râ´û (zij zien) van het werkw. Tenakh (69) . Js (8) : (1) Js 5,12 . (2) Js 6,5 . (3) Js 6,9 . (4) Js 9,1 . (5) Js 39,4 . (6) Js 41,5 . (7) Js 52,15 . (8) Js 66,19 .
- wërâ´û (en zij zullen zien) . Verwijzing : râ´âh
(zien) , zie Ex
3,7 . Getalwaarde : waw = 6 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 33
(26 + 7) of 213 (200 + 13) . Waw + qal perfectum derde persoon meervoud . ûre´û
(en ziet) . Waw + qal imperatief tweede persoon meervoud . In negenendertig
verzen in de bijbel (3 X 13 of 26 + 13) . In zeven verzen in Js : (1) Js
6,9 . (2) Js
40,5 . (3) Js
40,26 . (4) Js
52,10 . (5) Js
62,2 . (6) Js 66,18 . (7) Js 66,24 .
- wajjirë`û (en zij zagen) : nevenschikkend voegw. wë en werkw.vorm
act. ind. imperf. (jiqtol) 3de pers. mann. mv. jirë`û
- wë´èrë´èh / wâ´èrë´èh
(en ik zag) < wë + act. qal imperf. 1ste pers. enk. . Tenakh (25) .
Js (1) : Js
6,1 .
3. rä´âh (zien) . râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in
Tenakh : râ´âh
(zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26
of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . r-´-h . (1) râ´âh (qal perfectum derde persoon
enkelvoud) . (2) râ´oh (qal infinitief absolutus) . (3) ro´èh (qal participium) . (4) rë´eh (qal imperatief
tweede persoon enkelvoud) . râ´âh (qal perfectum derde persoon
enkelvoud) . râ´oh (qal infinitief absolutus) . Tenakh (121) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine
Profeten (8) . Geschriften (42) . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik
in het NT : horaô
(zien) . Taalgebruik in de Septuaginta : horaô
(zien) . Taalgebruik in Mc : horaô
(zien) . Taalgebruik in Lc : horaô
(zien) . Taalgebruik in Hnd : horaô
(zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass.
Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen
. Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX
(1539) . Arabisch : ra´â (zien) . Taalgebruik in de Koran : ra´â (zien) . Gn (12) : (1) Gn 13,15 . (2) Gn 27,27 . (3) Gn 29,10 . (4) Gn 29,32 . (5) Gn
31,5 . (6) Gn
31,42 . (7) Gn
31,43 . (8) Gn
31,50 . (9) Gn 37,14 . (10) Gn 39,23 . (11) Gn 41,41 . (12) Gn 48,11 . rë´eh `ânëjî (zie mijn
armoede) : Ps 9,14 . Ps
25,18 . Ps 119,53 . kî râ´âh (want hij zag) . Tenakh (6) : (1) Gn 29,32 . (2) Re 20,41 . (3) 2 K 13,4 . (4) K 14,26 . (5) Est 7,7 . (6) Ps 37,13 .
--- râ´îthî (ik zag, ik heb gezien) . In zesentachtig
verzen in de bijbel .
In zes verzen in Gn :
(1) Gn 7,1
(JHWH tot Noach : Ik heb gezien dat je rechtvaardig zijt) .
(2) Gn 16,13
(Hagar noemt God EL Roï) .
(3) Gn 31,12
(De engel van JHWH tot Jakob) .
(4) Gn 32,31
(Jakob over de plaats Penuël : omdat ik God heb gezien van aangezicht tot
aangezicht) .
(5) Gn 33,10
(Jakob tot Esau) .
In drie verzen in Ex : (1) Ex
3,7 . (2) Ex
3,9 . (3) Ex
32,9 . In één vers in Dt : Dt
9,13 . In twee verzen in Rechters : (1) Re 6,22 . (2) Re 19,2 . In zeven verzen in 1 S : (1) 1 S 9,16 . (2) 1
S 13,11 . (3) 1 S 16,1 . (4) 1 S 16,18 . (5) 1 S 22,9 . (6) 1 S 25,25 . (7) 1 S 28,13 .
--- -- râ´oh râ´îthî (ik zag) .
Slechts éénm&In Ex
3,7 .
--- jire´èh (hij zag) : Gn
22,14
--- nirë´ah (hij zal zien) . Gn 48,3 .
--- r-´-w . Tenakh (69) . Pentateuch (15) . Js (8) : (1) Js
5,12 . (2) Js
6,5 . (3) Js
6,9 . (4) Js
9,1 . (5) Js
39,4 . (6) Js
41,5 . (7) Js
52,15 . (8) Js
66,19 .
- act. qal perf. 3de pers. mann. mv. râ´û (zij zien) .
--- wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich
zien - hij verscheen) < wë + (1) qal actief imperfectum derde persoon
mannelijk enkelvoud OF (2) nifal imperfectum derde persoon mannelijk
enkelvoud . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine
Profeten (2) . Geschriften (19) . Gn 1 (7) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . Gn (50) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,11 . (2) Gn 50,23 . In 162 verzen in de bijbel . wajjerâ´ (en hij liet zich
zien - hij verscheen) : (1) Gn
12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn
17,1 . (3) Gn
18,1 . (4) Gn 26,2 . (5) Gn 26,24 . wajjarë´ (en hij zag) wëhinneh
(en zie) : zie Gn
29,2 .
--- -- wajjarë´ JHWH (en JHWH zag) . In vijf verzen in de bijbel
: (1) Gn 6,5
(JHWH zag de slechtheid van de mensen) . (2) Gn
29,31 (JHWH zag Lea) . (3) Ex
3,4 (JHWH zag Mozes de doornstruik naderen . (4) Dt
32,19 (JHWH zag de afdwaling van het volk) . (5) Js 59,15 .
--- -- wajjarë´ Jôseph (en Jozef zag) . In vier verzen in de
bijbel : (1) Gn 42,7 . (2) Gn 43,16 . (3) Gn 48,17 . (4) Gn
50,23 .
--- wëtherâ´èh (en zij verscheen) . Nifal imperfectum
derde persoon vrouwelijk enkelvoud : (1) Gn
1,9 .
--- wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen) . waw consecutivum + nifal
imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel
: (1) Gn 12,7
(bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän) . (2) Gn
17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham) . (3) Dt
31,15 (bij de aanstelling van Jozua) . (4) 1 K 9,2 (aan Salomo) . (5) 2
Kr 7,12 (aan Salomo) .
--- -- wajjerâ´ ´elâ(j)w JHWH (en JHWH verscheen aan
hem) . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn
18,1 (JHWH aan Abraham) . (2) Gn
26,2 (JHWH aan Isaak) . (3) Gn
26,24 (JHWH aan Isaak) .
--- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH
verscheen) . In vier verzen in de bijbel : (1) Lv 16,19 . (2) Nu
16,19 . (3) Nu
17,7 . (4) Nu
20,6 .
--- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen)
. In twee verzen in de bijbel : (1) Ex
3,2 (aan Mozes in de doornstruik) . (2) Re
13,3 (aan de moeder van Simson) .
--- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) . Enkel
in Gn 35,9
. In Hnd
7,2 : ho theos tès doxès ôfthè tôi patri
hèmôn Abraam (De God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader
Abraham) .
--- thirë´èh (jij zult zien) . Qal imperfectum tweede persoon
mannelijk enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel : (1) Ex
6,1 . (2) Ex
23,5 . (3) Lv 13,57 . (4) Lv
20,17 . (5) Nu
11, 23 . (6) Nu 23,13 . (7) Dt
3,28 . (8) Dt
12,13 . (9)
- wërâ´û (en zij zullen zien) . râ´âh
(zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh
(zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal :
26 of 206 . Structuur : 2 - 1 - 5 . Gr. horaô (zien) . Taalgebruik in
de Septuaginta : horaô
(zien) . Taalgebruik in het NT : horaô
(zien) . Lat. videre . Fr. voir . Ned. zien . E. to see . D. sehen . pass.
Lat. apparere . Fr. apparaître . E. appear . Ned. verschijnen . D. erscheinen
. Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114) , in de LXX
(1539) . w-r-´-w . (1) wë + qal perfectum derde persoon mann. meervoud
wërâ´û (en zij zullen zien) . (2) wë + qal imperatief
tweede persoon mann. meervoud ûrë´û (en ziet) . Tenakh
39) . Js (7) : (1) Js
6,9 . (2) Js
40,5 . (3) Js
40,26 . (4) Js
52,10 . (5) Js
62,2 . (6) Js 66,18 . (7) Js 66,24 .
- râ`âh (herderen, weiden OF het kwade, slechtheid) . rä`âh (herderen, weiden OF het kwade, slechtheid) . Taalgebruik in Tenakh : râ`âh . Tenakh (159) .
ro`èh (weidend) . Verwijzing : râ`âh
(herderen, weiden) , zie Jr
23,1 . Participium praesens .
- ro`èh ´èth tso´n (weidend de kudde) . In twee verzen
in de bijbel : (1) Gn
30,36 (Jakob bij Laban) . (2) Ex
3,1 (Mozes) .
- ro`èh tso´n (weidend een kudde) . In drie verzen in de bijbel
: (1) Gn 4,2
. (2) Gn 46,34 . (3) Gn 47,3 .
ro`îm (herders) . Qal participium praesens nominatief mannelijk meervoud
. râ`îm (slechten) . Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord
nominatief mannelijk meervoud van ra`(slecht, boos, kwaad) . In zevenenveertig
verzen in de bijbel .
- râ`âh (herderen, weiden)
. Verwijzing : râ`âh
(herderen, weiden) , zie Jr
23,1 . Qal actief praesens derde persoon mannelijk enkelvoud . ro`eh (herderend,
herder) : qal participium nominatief mannelijk enkelvoud . Tenakh (159) . l
: (1) Gn 13,13 . (2) Gn 37,13 .
--- ro`eh tso´n (de kudde weidend, de herder van de kudde) . In drie verzen
in de bijbel : (1) Gn
4,2 . (2) Gn
46,34 . (3) Gn
47,3 .
--- ´ên lâhèm ro`èh (er is voor hen geen herder)
. In twee verzen in de bijbel : (1) Nu
27,17 . (2) 1 K 22,17 . ´ên ro`èh (er is geen herder) : Zach
10,2 .
--- këro`èh (als een herder) . In twee verzen in de bijbel : (1)
Js 40,11
(LXX : hôs poimèn = zoals een herder) . (2) Jr
31,10 (LXX : hôs ho boskôn = zoals de herder) .
--- mar`îthî (mijn kudde) . In twee verzen in de bijbel : (1) Jr
23,1 . (2) Ez 34,31 . mar`îth (kudde) .
--- poimainei (hij weidt) . In zeven verzen in de bijbel .
--- poimanei (hij weidde) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In negen
verzen in de bijbel : (1) Js
40,11 (MT : jirë`èh = hij zal weiden) . (2) Jr
22,22 (LXX : poimanei anemos = de wind zal leiden ; MT : thirë`èh
rûach = de wind zal leiden) . (3) Ez
34,23 (MT : wërâ`âh = en hij zal weiden) . (4) Mi
5,3 (MT : wërâ`âh = en hij zal weiden) . (5) Ps
48,15 (jënahägenû) . (6) Mt
2,6 . In drie verzen in Apk : (1) Apk 2,27 . (2) Apk
7,17 . (3) Apk 19,15 .
--- poimèn (herder) . In vierentwintig verzen in de bijbel .
--- poimenes (herders) . Zelfstandig naamwoord . Nominatief meervoud . In drieëntwintig
verzen in de bijbel . In twintig verzen in het O.T. . In drie verzen in het
NT : (1) Lc
2,8 .
- râ`am (razen, bruisen, donderen) . râ`am (razen, bruisen, donderen) . Taalgebruik in Tenakh : râ`am (razen, bruisen, donderen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 49 (7²) OF 310 (2 X 5 X 31) . Structuur : 2 - 7 - 4 .
- act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. jar`em (hij dondert) . j-r-`-m . Tenakh (10) . jar`em (hij dondert) . Tenakh (3) : (1) 1 S 2,10 . (2) Job 37,4 . (3) Job 37,5 .
- râ`âph (druppelen) . râ`âph
(druppelen) . Taalgebruik in Tenakh : râ`âph
(druppelen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 , pe = 17
of 80 ; totaal : 53 OF 350 . Structuur : 2 - 7 - 8 .
- act. hifil imperat. 2de pers. mann. mv. harë`îphû (druppelt)
van het werkw. Tenakh (1) : Js
45,8 .
- rabh (veel, talrijk, groot) . rabh (veel,
talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rabh
(veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Jesaja : rab
(veel, talrijk, groot) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal
: 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) ; structuur : 2 - 2 . Gr. polus (veel) . Taalgebruik
in de Septuaginta : polus
(veel) . Taalgebruik in het NT : polus
(veel) . Een vorm van polus (veel) in de Septuaginta (822) , in het NT
(353) . Tenakh (180) . 12 kl. Prof. (6) : (1) Hos
9,7 . (2) Jl
2,2 . (3) Jl
2,11 . (4) Am
6,2 . (5) Am
8,3 . (6) Jon
1,6 .
- `ammîm rabbîm (vele volkeren) . Tenakh (15) : (1) Js
2,3 . (2) Js
17,12 . (3) Ez
3,6 . (4) Ez
27,33 . (5) Ez
32,3 . (6) Ez
32,9 . (7) Ez
32,10 . (8) Ez
38,6 . (9) Ez
38,22 . (10) Mi
4,3 . (11) Mi
4,13 . (12) Mi
5,6 . (13) Mi
5,7 . (14) Hab
2,10 . (15) Zach
8,22 .
râ´û (zij zullen zien) . Perfectum derde persoon meervoud
van râ´a . LXX : idete fôs mega : gij zaagt een groot licht
of ziet ... Mt 4,16 fôs eiden mega . De woordorde is gewijzigd, wellicht
onder invloed van het tweede gedeelte van de tweede zin : fôs aneteilen
autois : licht ging op over hen .
- râ´û (zij zullen zien) ´ôr (licht) komt in drie
verzen in de bijbel voor : (1) Job 3,16 . (2) Job 37, 12 . (3) Js
9,1 .
- ribhëqâh (Rebekka) . ribhëqâh
(Rebekka) . Taalgebruik in Tenakh : ribhëqâh
(Rebekka) . Getalwaarde : resj = 30 of 200 , beth = 2 , qoph = 19 of 100
, he = 5 ; totaal : 56 (2³ X 7) OF 307 (priemgetal) . Structuur : 2 - 2
- 1 - 5 . Tenakh (21) : (1) Gn
22,23 . (2) Gn
24,15 . (3) Gn
24,30 . (4) Gn
24,45 . (5) Gn
24,51 . (6) Gn
24,59 . (7) Gn
24,60 . (8) Gn
24,61 . (9) Gn
24,64 . (10) Gn
24,67 . (11) Gn
25,20 . (12) Gn
25,21 . (13) Gn
26,7 . (14) Gn
26,8 . (15) Gn
27,11 . (16) Gn
27,15 . (17) Gn
27,46 . (18) Gn
28,5 . (19) Gn
29,12 . (20) Gn
35,8 . (21) Gn
49,31 . Rebekka was de kleindochter van Milka en Nachor (broer van Abram
/ Abraham) , de dochter van Betuël (de jongste zoon van Milka en Nachor)
. We weten niet wie de moeder van Rebekka is . Ze was de broer van Laban . Zij
was de echtgenote van Isaak en de moeder van Esau en Jakob .
- ´ächôth lâbhân (de zuster van Laban) . Tenakh
(1) Gn 25,20
. lâbhân ´ächî (Laban, mijn broer) . Tenakh (2)
: (1) Gn
27,43 . (2) Gn
28,2 . ´ächî lâbhân (de broer van Rebekka)
. Tenakh (1) Gn
28,5 . ´ächî ´immô (de broer van zijn moeder)
. Tenakh (1) Gn
29,10 . bên ´ächothô (de zoon van zijn zuster) .
Tenakh (1) Gn
29,13 .
- ´em ja`äqoph wë`eshâw (de moeder van Jakob en Esau)
. Tenakh (1) Gn
28,5 .
- bath bëthû´el (dochter van Betuël) . Tenakh (3) : (1)
Gn 24,24
. (2) Gn
24,47 . (3) Gn
25,20 .
- ´èth ribhëqâh (Rebekka) . Tenakh (6) : (1) Gn
22,23 . (2) Gn
24,59 . (3) Gn
24,60 . (4) Gn
24,61 . (5) Gn
24,67 . (6) Gn
25,20 .
- lëribhëqâh (tot Rebekka) . Tenakh (3) : (1) Gn
24,53 . (2) Gn
24,58 . (3) Gn
27,42 .
-- ûlëribhëqâh (en tot Rebekka) . Tenakh (2) : (1) Gn
24,29 . (2) Gn
26,35 .
- wëribhëqâh (en Rebekka) .Tenakh (3) : (1) Gn
25,28 . (2) Gn
27,5 . (3) Gn
27,6 .
- râchab (zich wijd openen) . râchab (zich wijd openen) . Taalgebruik in Tenakh : râchab (zich wijd openen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , beth = 2 ; totaal : 30 OF 210 . Structuur : 2 - 8 - 2 . r-ch-b : Tenakh (44) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) .
- râchel (Rachel) . râchel (Rachel) . Taalgebruik in Tenakh : râchel (Rachel) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , lamed = 12 of 20 ; totaal : 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19) . Structuur : 2 - 8 - 2 . In verschillende vormen . In Tenakh : 42 X (41 verzen) . In LXX + NT : 48 (45 X , 44 verzen) + 1 = 49 . râchel (Rachel) . Tenakh (30) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (0) . Gn (30) . In zes verzen in Gn 29 : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . Gn 30 (8) : (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6 . (3) Ex 30,7 . (4) Ex 30,8 . (5) Ex 30,14 . (6) Ex 30,15 . (7) Ex 30,22 . (8) Ex 30,25 . Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban , de broer van Rebekka . Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak . Rachel is de tweede vrouw van Jakob . Samen krijgen zij 2 kinderen : Jozef en Benjamin .
| Gn 29 | Gn 30 | Gn 31 | Gn 33 | Gn 35 | Gn 46 | Gn 48 | |
| râchel (Rachel) Hebr. (28) | (6) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . | (8) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,14 . (6) Gn 30,15 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,25 . | (4) : (1) Gn 31,14 . (2) Gn 31,19 . (3) Gn 31,32 . (4) Gn 31,33 . | (2) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . | (5) : (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 35,20 . (4) Gn 35,24 . (5) Gn 35,25 . | (2) : (1) Gn 46,19 . (2) Gn 46,22 . | 1 : Gn 48,7 . |
| wërâchel (en...) (5) | 3 : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . | 1 : Gn 31,34 . | 1 : Gn 33,7 . | ||||
| bërâchel (over...) (4) | 3 : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25 . | (1) Gn 30,2 . | |||||
| lërâchel (tot...) (5) | 3 : (1) Gn 29,11 . (2) Gn 29,12 . (3) Gn 29,29 . | 1 : Gn 31,4 . | 1 : Gn 46,25 . | ||||
| 42 X (41 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
| rachèl (Rachel) Gr. (45 X , 44 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 + 3 = 12 : + (1) Gn 30,3 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,23 . | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
- râchaph (trillen, pi. zweven) . râchaph (trillen, pi. zweven) . Taalgebruik in Tenakh : râchaph (trillen, pi. zweven) . Ned. zweven . D. sweben . E. to move .
- râchaq (ver zijn, zich verwijderen)
. râchaq (ver zijn, zich verwijderen) . Taalgebruik in Tenakh : râchaq
(ver zijn, zich verwijderen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , qof = 19 of 100 ; totaal : 47 OF 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 2 - 8 - 1 .
--- thirchâq (wees niet ver) . Yiqtol 2de pers. enk . In 7 verzen in de
bijbel . In 5 verzen in de Psalmen: (1) Ps
22,12 . (2) Ps
22,20 . (3) Ps
35,22 . (4) Ps
38,22 . (5) Ps
71,12 .
--- râchôq (ver). Bijvoeglijk naamwoord. In 8 verzen in de bijbel.
In 2 verzen in de Psalmen: Ps
22,2 . Ps
119,115 .
--- bërâchôq (in het verre, veraf). In deze vorm slechts 1X
in de bijbel.
--- merâchoq (van verre) . (apo) makrothen . Tenakh (14) :
(1) Gn 22,4 . (2) Gn 37,18 . (3) Ex 2,4 . (4) Ex 20,18 . (5) Ex 20,21 . (6) Ex 24,1 . (7) 1 S 26,13 . (8) Js 13,5 . (9) Js 46,11 . (10) Js 57,9 . (11) Jr 6,20 . (12) Jr 23,23 . (13) Ps 38,12 . (14) Spr 25,25 .
| Gn 29 | Gn 30 | Gn 31 | Gn 33 | Gn 35 | Gn 46 | Gn 48 | |
| râchel (Rachel) Hebr. (28) | (6) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 29,10 . (3) Gn 29,16 . (4) Gn 29,18 . (5) Gn 29,28 . (6) Gn 29,30 . | (8) : (1) Gn 30,1 . (2) Gn 30,6 . (3) Gn 30,7 . (4) Gn 30,8 . (5) Gn 30,14 . (6) Gn 30,15 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 30,25 . | (4) : (1) Gn 31,14 . (2) Gn 31,19 . (3) Gn 31,32 . (4) Gn 31,33 . | (2) : (1) Gn 33,1 . (2) Gn 33,2 . | (5) : (1) Gn 35,16 . (2) Gn 35,19 . (3) Gn 35,20 . (4) Gn 35,24 . (5) Gn 35,25 . | (2) : (1) Gn 46,19 . (2) Gn 46,22 . | 1 : Gn 48,7 . |
| wërâchel (en...) (5) | 3 : (1) Gn 29,9 . (2) Gn 29,17 . (3) Gn 29,31 . | 1 : Gn 31,34 . | 1 : Gn 33,7 . | ||||
| bërâchel (over...) (4) | 3 : (1) Gn 29,18 . (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25 . | (1) Gn 30,2 . | |||||
| lërâchel (tot...) (5) | 3 : (1) Gn 29,11 . (2) Gn 29,12 . (3) Gn 29,29 . | 1 : Gn 31,4 . | 1 : Gn 46,25 . | ||||
| 42 X (41 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
| rachèl (Rachel) Gr. (45 X , 44 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 + 3 = 12 : + (1) Gn 30,3 . (2) Gn 30,5 . (3) Gn 30,23 . | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
In Gn 48,7
. (29) 1 S 10,2 . (30) Jr
31,15 .
De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn
29,17 . (3) Gn
29,31 is frappant : Lea is flets maar vruchtbaar , Rachel is mooi maar onvruchtbaar
.
- LXX . rachèl (Rachel) . In achtenveertig verzen in de bijbel . In zevenenveertig
verzen in het O.T. . In één vers in het NT : Mt
2,18 .
- rachûm (barmhartig). In 12 verzen in de bijbel. (1) Ex 34,6 . (2) Dt 4,31 . (3) Ps 78,38 . (4) Ps 86,15 . (5) Ps 103,8 . In Ezra - Nehemia is het de eigennaam Rehum. (6) Ezr 2,2 . (7) Ezr 4,8 . (8) Ezr 4,9 . (9) Ezr 4,17 . (10) Ezr 4,23 . (11) Ne 3,17 . (12) Neh 10,26 . Verwijzing : râcham (beminnen, zich ontfermen), zie Ps 111,5 .
- râphad (uitspreiden,
een bed uitspreiden, verkwikken) . râphad (uitspreiden, een bed uitspreiden,
verkwikken) . Taalgebruik in Tenakh : râphad
(uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken) . rëphîdâh
(ruggesteun) .
-- birëphîdim (in Refidim) . Tenakh (2) : (1) Ex
17,1 . (2) Ex
17,8 . (3) Nu
33,14 . merëphîdim (van Refidim) . Tenakh (2) : (1) Ex
19,2 . (2) Nu
33,15 . Zie : râphad (uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken)
. Taalgebruik in Tenakh : râphad
(uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken) . rëphîdâh
(ruggesteun) . Getalwaarde van rëphîdim (Refidim) : resj = 20 of
200 , pe = 17 of 80 , jod = 10 , daled = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 64 (2³
X 2³) OF 334 (2 X 167) . In Ex
17,1 slaan de Israëlieten hun tenten in Refidim op , in Ex
19,2 breken ze op . Het is de 4de halte van de Israëlieten na de uittocht
uit Egypte op weg naar de Sinaï (Mara : Ex
15,23 - Elim : Ex
15,27 - de woestijn van Sin : Ex
16,1 - Refidim : Ex
17,1 - Sinaï : Ex
19,2) . Behalve bij de halte te Elim morren de Israëlieten omwille
van gebrek aan water of voedsel (Mara - woestijn van Sin - Refidim) . Bij de
3de halte te Refidim stellen de Israëlieten de vraag of JHWH wel in hun
midden is . Tot overmaat van ramp valt Amalek hen in Refidim aan . 'Komen' heeft
hierin een bijzondere betekenis . Wat komt er niet allemaal op Mozes af . Sommige
commentatoren wijzen op de samenstelling van de naam uit het werkw. raphâh
(slap zijn , moedeloos worden) en jâdim (handen) : verslappende handen
(verwijzing naar Mozes) . +
râgasj (onrustig zijn, tobben)
. Zich roeren , woelen . Verwijzing : râgasj
(onrustig zijn, tobben) .
--- râgësjû + efruaxan (zij roerden zich) . Qal perfectum derde
persoon meervoud . Hapax . LXX : fruattô (briesen, ongeduldig zijn) .
In twee verzen in de bijbel : (1) Ps
2,1 . (2) Hnd
4,25 . In Hnd
4,25 wordt Ps
gevangenneming , de ondervraging en de vrijlating van Petrus en Johannes .
- râmâh (Rama) . râmâh (Rama) . Taalgebruiik in Tenakh : râmâh (Rama) . Tenakh (8) : (1) 1 S 1,19 . (2) 1 S 2,11 . (3) 1 S 7,17 . (4) 1 S 8,4 . (5) 1 S 15,34 . (6) 1 S 16,13 . (7) 1 S 19,18 . (8) 1 S 19,22 . hârâmâthâh (naar Rama / Armathaïm) < ha + stat. constructus van râmâh + richting -âh . Plaatsnaam .
- rânan (roepen, jubelen, jammeren)
. rânan (roepen, jubelen, jammeren) . Taalgebruik in Tenakh : rânan
(roepen, jubelen, jammeren) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , nun = 14
of 50 ; totaal : 48 OF 300 . Structuur : 2 - 5 - 5 .
- act. qal imperatief 2de pers. vr. enk. rânnî van het werkw. Tenakh
(5) : (1) Js
54,1 . (2) Sef
3,14 . (3) Zach
2,14 . (4) Ps
32,7 . (5) Kl
2,19 . wâronnî (en roept) . Tenakh (1) : Js
12,6 .
- act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. rânnû van het werkw. Tenakh
(3) : (1) Js
44,23 . (2) Js
49,13 . (3) Jr
31,7 .
- râtsab (doden, moorden) . râtsab (doden, moorden)
- hannirëtsâchâh (de vermoorde) < bepaald lidw. ha + passief nifal part. vr. enk. . Tenakh (1) : Re 20,4 .
- râtsâh (welgevallen)
. râtsâh (welgevallen) . Taalgebruik in Tenakh : râtsâh
(welgevallen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 , he =
5 ; totaal : 43 of 295 (5 X 29) . Structuur : 2 - 9 - 5 .
- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. râtsëthâh (zij welgevalt)
. Tenakh (3) : (1) Js
42,1 . (2) Jr
12,5 . (3) 2
Kr 36,21 .
- râtsats (knakken, verbreken,
verdrukken) . râtsats (knakken, verbreken, verdrukken) . Taalgebruik
in Tenakh : râtsats
(knakken, verbreken, verdrukken) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , tsade
= 18 of 90 ; totaal : 56 (2³ X 7) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur
: 2 - 9 - 9 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jârûts (hij zal breken)
van het werkw.
- passief qal part. mann. enk. ratsûts (geknakt) . Tenakh (2) : (1) Js
42,3 . (2) Hos
5,11 . Een vorm van râtsats (knakken, verbreken, verdrukken) in Jesaja
(4) : (1) Js
36,6 . (2) Js
42,3 . (3) Js
42,4 . (4) Js
58,6 .
- re´sjîth (begin) . re´sjîth (begin) . Taalgebruik in Tenakh : re´sjîth
(begin) . Getalwaarde re´sjîth : resj = 20 of 200 , aleph =
1 , sjin = 21 of 300 , jod = 10 , taw = 22 of 400 . Totaal : 74 (= 2 X 37) of
911 . Structuur : 2 - 1 - 3 - 1 - 4 .
-- bëre´sjîth (bij aanvang , aanvankelijk)
<. voorzetsel bë + zelfstandig naamwoord . Tenakh (5) : (1) Gn
1,1 . (2) Jr 26,1 . (3) Jr 27,1 . (4) Jr 28,1 . (5) Jr 49,34 . NT : Joh
1,1 .
| re´sjîth (begin) | bijbel | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | 1 S | 2 Kr | Neh | Job | Ps | Spr | Jr | Ez | Am | Mi |
| re´sjîth | 28 | 1 | 2 | 2 | 2 | 4 | 1 | 1 | 1 | 1 | 3 | 4 | 2 | 2 | 1 | 1 |
| bëre´sjîth | 5 | 1 | 4 |
- règèl (voet, voetstap) . règèl (voet, voetstap) . Taalgebruik in Tenakh : règèl (voet, voetstap) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , ghimel = 3 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 233 (priemgetal) . Structuur : 2 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 8 .
- ragëlâ(j)w (zijn voeten) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3e pers. mann. enk. . Tenakh (34) .
- rë´ûbhen (Ruben) . rë´ûbhen (Ruben) . Taalgebruik in Tenakh : rë´ûbhen (Ruben) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , waw = 6 , ben = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 259 (7 X 37) . Structuur : 2 - 1 - 6 - 2 - 5 . Tenakh (65) . Pentateuch (34) . Eerdere
Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6)
. Gn (12) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 30,14 . (3) Gn 35,22 . (4) Gn 35,23 . (5) Gn 37,21 . (6) Gn 37,22 . (7) Gn 37,29 . (8) Gn 42,22 . (9) Gn 42,37 . (10) Gn 46,8 . (11) Gn 46,9 . (12) Gn 49,3 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,14 . rë´ûbhen < act. imper. 2de pers. mann. mv. rë´û (ziet) en ben (zoon) -> ziet een zoon . De etymologische verklaring van Gn 29,32 is : kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH keek naar mijn vernedering) . In râ´âh (hij keek) zit de resj en de aleph ; in bë`ônëjî (naar mijn vernedering) de beth , de o-klank (`ânë) , de nun . Hij is de oudste zoon van Lea , dochter van Laban en de oudere zus van Rachel en Jakob (zoon van Izaak) . Hij is Jakobs eerstgeborene . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Simeon , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali . In Nu 32 spreken de Rubenieten tot Mozes hun wens uit om zich in het Overjordaanse te vestigen . In Joz 22 hebben zij zich er gevestigd .
- bhëne(j) rë´ûbhen (zonen van Ruben) . Tenakh (4) : (1) Nu 1,20 . (2) Joz 13,15 . (3) Joz 22,10 . (4) Joz 22,11 . Verder Tenakh (18) . ûbhëne(j) rë´ûbhen (en zonen van Ruben) . Tenakh (7) : (1) Gn 46,9 . (2) Nu 32,2 . (3) Nu 32,25 . (4) Nu 32,29 . (5) Nu 32,31 Nu 32,31 . (6) Nu 32,37 . (7) 1 Kr 5,1 .
- ri´sjonâh (de eerste,
de vroegere) . ri´sjonâh (de eerste, de vroegere) . Taalgebruik
in Tenakh : ri´sjonâh
(de eerste, de vroegere) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 ,
sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 61 of 556 . Structuur
: 2 - 1 - 3 - 5 - 5 .
- bepaald lidwaard ha + zelfst. naamw. vr. m v. hâri´sjonôth
(de eerste, vroegere dingen) . Tenakh (6) : (1) Gn
41,20 . (2) Js
41,22 . (3) Js
42,9 . (4) Js
48,3. (5) Js
65,16 . (6) Js
65,17 .
- ro´sj (hoofd, top, begin) . ro´sj (hoofd, top, begin) . Taalgebruik in Tenakh : ro´sj (hoofd, top, begin) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 501 (3 X 167) .
- rîq (leeg, ledigheid,
ijdelheid, nietigheid) . rîq (leeg, ledigheid, ijdelheid, nietigheid)
. Taalgebruik in Tenakh : rîq
(leeg, ledigheid, ijdelheid, nietigheid) . Getalwaarde : resj = 20 of 200
, jod = 10 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 OF 319 . Structuur : 2 - 1 - 1 .
lërîq / lârîq (vergeefs, tot niets) < voorzetsel lë
+ . Tenakh (5) : (1) Lv
26,16 . (2) Lv
26,20 . (3) Js
49,4 . (4) Js
65,23 . (5) Job
39,16 .
- rw` (luid schreeuwen, juichen) . rw`
(luid schreeuwen, juichen) . Taalgebruik in Tenakh : rw`
(luid schreeuwen, juichen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 ; waw = 6 ,
ajin = 16 of 70 ; totaal : 42 OF 276 . Structuur : 2 - 6 - 7 .
- act. hifil imperat. 2de pers. mann. mv. hârî`û (verheugt
jullie) . Tenakh (12) : (1) Joz
6,10 . (2) Joz
6,16 . (3) Js
44,23 . (4) Jr
50,15 . (5) Hos
5,8 . (6) Sef
3,14 . (7) Ps
47,2 . (8) Ps
66,1 . (9) Ps
81,2 . (10) Ps
98,4 . (11) Ps
98,6 . (12) Ps
100,1 . wëhârî`û (en verheugt jullie). Tenakh : Jl
2,1 .
- act. hifil imperat. 2de pers. vr. enk. hârî`î (verheug je)
. Tenakh (1) : Zach
9,9 .
- rûach (geest) . w-r-û-ch
(wërûach = en een geest OF wërèwach = en ruimte, verademing)
. wërûach(en geest) : nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw.
rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach
(geest) . Taalgebruik in Rechters : rûach
(geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal :
34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . LXX : pneuma (geest)
. Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma
(geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist
. wërûach (en geest) in Tenakh (39) . Pentateuch (4) : Gn (2) : (1)
Gn 1,2
. (2) Gn
32,17 (wërèwach : en ruimte) . (3) Ex
10,13 . (4) Nu
11,31 . rûach (geest) in Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten () . Latere Profeten () . 12 Kleine
Profeten () . Geschriften () . Gn (7) :
(1) Gn 6,17
. (2) Gn
7,15 . (3) Gn
7,22 . (4) Gn
8,1 . (5) Gn
26,35. (6) Gn
41,38 . (7) Gn
45,27 . rûchî (mijn geest) < zelfst. naamw. + suffix persoonl.
voornaamw. 1ste pers. enk. . Tenakh (31) . Pentateuch (1) . Eerdere Profeten
(0) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (17) . 12
Kleine Profeten (3) : (1) Jl
3,1 . (2) Jl
3,2 . (3) Zach
6,8 . Pentateuch (1) Gn
6,3 . Een vorm van pneuma (geest) in het NT (379) , in de LXX (382) ,
in de Pentateuch (26) , Gn (7) : (1) Gn
1,2 . (2) Gn
6,3 . (3) Gn
6,17 . (4) Gn
7,15 . (5) Gn
8,1 . (6) Gn
41,38 . (7) Gn
45,27 .
- bô rûach (in hem een geest) . Tenakh (4) : (1) Gn
6,17 . (2) Gn
7,15 . (3) 2
K 19,7 . (4) Js
37,7 .
- liphëne(j) rûach (voor het aanschijn van de wind) . Tenakh (4)
: (1) Job
21,18 . (2) Ps
35,5 . (3) Ps
83,14 . (4) Js
17,13 .
- rûach chôkëmâh (geest van wijsheid) . Tenakh (3) :
(1) Ex 28,3
(LXX : pneumatos aisthèseôs . Vulgaat : spiritu prudentiae) . (2)
Dt 34,9
(LXX : pneumatos suneseôs . Vulgaat : spiritu sapientiae) . (3) Js
11,2 (LXX : pneuma sofias . Vulgaat : spiritus sapientiae) .0
- rûach ´ädonî (de geest van mijn Heer) . Slechts in
Js 61,1
.
- rûach JHWH (de geest van JHWH) . Tenakh (23) (niet in de Pentateuch)
: (1) Re
3,10 . (2) Re
11,29 . (3) Re
13,25 . (4) Re
14,6 . (5) Re
14,19 . (6) Re
15,14 . (7) 1
S 10,6 . (8) 1
S 16,13 . (9) 1
S 19,9 . (10) 2 S 23,2 . (11) 1
K 22,24 . (12) 2
K 2,15 . (13) 2
Kr 18,23 . (14) 2
Kr 20,14 . (15) Js
11,2 . (16) Js
40,7 . (17) Js
40,13 . (18) Js
59,19 . (19) Js
63,14 . (20) Ez
11,5 . (21) Hos
13,15 . (22) Mi
2,7 . (23) Mi
3,8 .
- wërûach JHWH (en de geest van JHWH) . Tenakh (3) : (1) Re
6,34 . (2) 1
S 16,14 . (3) 1
K 18,12 .
- waththitsëlach `âlâ(j)w rûach JHWH (en
de geest van JHWH werd vaardig / kwam over hem) . Tenakh (3) : (1) Re
14,6 . (2) Re
14,19 . (3) Re
15,14 .
- waththitsëlach rûach JHWH ´èl dâwid (en de geest
van JHWH werd vaardig / kwam over David) . Tenakh (1) 1
S 16,13 .
- waththitsëlach rûach JHWH `al sjâ´ûl (en de geest
van JHWH werd vaardig / kwam over Saul) . Tenakh (1) 1
S 11,6 .
- waththitsëlach rûach ´èlohîm râ`âh
´èl sjâ´ûl (en een slechte geest van JHWH werd
vaardig / kwam bij Saul) . Tenakh (1) 1
S 18,10 .
- waththitsëlach `âlâ(j)w rûach ´èlohîm
(en de geest van God werd vaardig / kwam over hem) . Tenakh (1) 1
S 10,10 .
- wëtsâlëchâh `âlè(j)khâ rûach
JHWH (en de geest van JHWH zal vaardig worden / komen over jou) . Tenakh (1)
1 S 10,6
.
- rûach ´èlohîm (de geest van God) .
Tenakh (13) . Pentateuch (4) : (1) Gn
41,38 . (2) Ex
31,3 . (3) Ex
35,31 . (4) Nu 24,2 . (5) 1
S 10,10 . (6) 1
S 11,6 . (7) 1
S 16,15 . (8) 1
S 16,16 . (9) 1
S 16,23 . (10) 1
S 18,10 . (11) 1
S 19,20 . (12) 1
S 19,23 . (13) 2
Kr 15,1 .
- wërûach ´èlohîm (en de geest van
God) . Tenakh (2): (1) Gn
1,2 . (2) 2
Kr 24,20 .
- ûlërûach (en tot een geest) . Tenakh (2) : (1) Js
28,6 . (2) Job
6,26 .
- waththëhî `âlâ(j)w rûach ´èlohîm
(en de geest van God was over / op hem) . Tenakh (2) : (1) Nu
24,2 . (2) 1
S 19,23 : waththëhî `âlâ(j)w gâm hû´
rûach ´èlohîm (en de geest van God was over / op hem,
ook op hem) .
- waththëhî `al ... rûach ´èlohîm (en de
geest van God was op de mannen van Saul) . Tenakh (1) 1
S 19,20 .
- waththëhî `âlâ(j)w rûach JHWH (en de geest van
JHWH was over / op hem) . Tenakh (1) Re
3,10 .
-- waththëhî rûach JHWH râ`âh ´èl
sjâ´ûl (en een slechte geest van JHWH was over / op Saul)
. Tenakh (1) 1
S 19,9 .
-- waththëhî `al jiphëthâch rûach JHWH (en de geest
van JHWH was over / op Jefta) . Tenakh (1) Re
11,29 .
-- hâjëthâh `âlâ(j)w rûach JHWH (en de geest
van JHWH zal zijn over / op hem) . Tenakh : (12) 2
K 2,15 . (14) 2
Kr 20,14 (rûach ´èlohîm = de geest van God) .
- bihëjôth `âlè(j)khâ rûach ´èlohîm
(in het zijn over jou de geest van God) . Tenakh (1) (8) 1
S 16,16 .
- wëhâjâh bihëjôth rûach ´èlohîm´èl
sjâ´ûl (en het was in het zijn tot Saul de geest van God)
. Tenakh (1) 1
S 16,23 .
- waththëhî `âlâ(j)w jâd JHWH (en de hand van JHWH
was op hem) . Tenakh (2) : (1) 2
K 3,15 . (2) Ez
1,3 : waththëhî `âlâ(j)w sjâm jâd JHWH
(en de hand van JHWH was daar op hem) .
- wëlo´rûach (en niet een geest) . Tenakh (3) : (1) Js
31,3 . (2) Jr
10,14 . (3) Jr
51,17 .
- rûm (zich verheffen, opstaan)
. rûm (zich verheffen, opstaan) . Taalgebruik in Tenakh : rûm
(zich verheffen, opstaan) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , waw = 6 , mem
= 13 of 40 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41) . Structuur : 2 - 6 -
4 .
-- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. râmâh (zij verheft zich) .
r-m-h : Tenakh (19) : (1) Ex 14,8 . (2) Ex 15,1 . (3) Ex 15,21 . (4) Nu 15,30 . (5) Nu 33,3 . (6) Dt 32,27 . (7) 1 S 2,1 . (8) Js 14,11 . (9) Js 26,11 . (10) Ez 6,13 . (11) Ez 16,24 . (12) Ez 20,28 . (13) Ez 34,6 . (14) Spr 26,19 . (15) Job 7,5 . (16) Job 24,20 . (17) Job 25,6 . (18) Job 38,15 . (19) Neh 11,33 .
-- act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. jârîm (ik zal verheffen)
van het werkw. rûm (zich verheffen, opstaan) . Taalgebruik in Tenakh :
rûm
(zich verheffen, opstaan) . Tenakh (9) : (1) Gn
41,44 . (2) Ex
17,11 . (3) Lv
4,8 . (4) Lv
4,19 . (5) 1
S 2,8 . (6) Ps
75,8 . (7) Ps
110,7 . (8) Ps
113,7 . (9) Job
39,27 .
- wëjârem (hij verheft) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm
act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. . w-j-r-m : Tenakh (18) : : (1) Ex 7,20 . (2) Ex 16,20 . (3) Nu 17,2 . (4) Nu 20,11 . (5) Nu 24,7 . (6) 1 S 2,10 . (7) 1 S 9,24 . (8) 2 S 22,47 . (9) 1 K 11,26 . (10) 2 K 2,13 . (11) 2 K 17,27 . (12) Ez 10,4 . (13) Hos 13,6 . (14) Ps 64,8 . (15) Ps 148,14 . (16) Da 12,7 . (17) 1
Kr 26,25 . (18) 2 Kr 35,7 . wëjârem
, o.a. 1
S 2,10
- wërômamëthî (ik doe opstaan , ik voed op) < wë
+ act. piël 1ste pers. enk. . Tenakh (1) : Js
1,2 .
- act. piel part. mann. enk. mërômem (doen opstaande) . Tenakh (1) : 1
S 2,7 .
´ärômimëkhâ (ik zal je verheffen) . Getalwaarde
van ´ärômimëkhâ (ik zal je verheffen) : aleph =
1 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , mem = 13 of 40 , kaph = 11 of 20 ; totaal :
64 of 267 . Polal imperfectum eerste persoon enkelvoud . aleph van de eerste
persoon . Verdubbeling van de mem . In Js
25,1 . In drie verzen in de Psalmen: (1) Ps
30,2 . (2) Ps
118,28 . (3) Ps
145,1 . Verwijzing : rwm
(zich verheffen, verheven zijn) , zie Ps
145,1 . Getalwaarde van rwm (zich verheffen, verheven zijn) : resj = 20
of 200 , waw = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 38 of 245 . Exaltare = uitheffen
, opheffen . In vier verzen in de bijbel .
- râmâh (hoogte, offerhoogte) . In negentien verzen in de bijbel
.
- bârâmâh (in Rama) . In twaalf verzen in de bijbel : (1)
Re 19,13 . (2)
- rûm / rum (hoogte, hoogmoed,
trots) . rûm / rum (hoogte, hoogmoed, trots) . Taalgebruik in Tenakh
: rûm
/ rum (hoogte, hoogmoed, trots) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , waw =
6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41) . Structuur :
2 - 6 - 4 .
- r-w-m . Tenakh (6) . Js (3) : (1) Js
2,11 . (2) Js
2,17 . (3) Js
10,12 .