>Overzicht van Tenakh: Tenakh: overzicht, Tenakh: taalgebruik - Tenakh
A - Tenakh
B - Tenakh
C - Tenakh
D - Tenakh
E - Tenakh
F - Tenakh
G - Tenakh
H - Tenakh
I - Tenakh
J - Tenakh
K - Tenakh
L - Tenakh
M - Tenakh
N - Tenakh
O - Tenakh
P - Tenakh
Q - Tenakh
R - Tenakh
S - Tenakh
T - Tenakh
U - Tenakh
V - Tenakh
W - Tenakh
Z - Tenakh: commentaar,
Zie ook bijbeloverzicht.
- ra` (slecht, kwaad, boos, misdadig). רַע = ra` (slecht, kwaad, boos, misdadig). Taalgebruik in Tenakh: ra`
(slecht, kwaad, boos, misdadig). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin
= 16 of 70 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 270 (2 X 3³ X 5). Structuur: 2 - 7. De som van de elementen is telkens 9. ra` is het tegenoversgestelde van goed. Goed - slecht ; goed - kwaad. Kwaad in de betekenis van boos worden om iets dat gedaan werd. We zouden
kunnen spreken van goed-doener en slecht-doener, maar we gebruiken evenwel
wel-doener. We spreken niet van slecht-doener of kwaad- doener, maar wel van
een mis-dadiger (mis -doen) of een boos-doener.
- הָרַע = hâra` (het slechte) < bepaald lidw. + zelfst. naamw. רַע = ra` (slecht, kwaad, boos, misdadig). Taalgebruik in Tenakh: ra`
(slecht, kwaad, boos, misdadig). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin
= 16 of 70 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 270 (2 X 3³ X 5). Structuur: 2 - 7. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (101). Pentateuch (22). Eerdere Profeten (44). Latere Profeten (15). 12 Kleine
Profeten (1). Geschriften (19). Joz (1). Re (7): (1) Re
2,11. (2) Re
3,7. (3) Re
3,12. (4) Re
4,1. (5) Re
6,1. (6) Re
10,6. (7) Re
13,1. 1 S (2). 2 S (1). 1 K (10). 2 K (23): (1) 2
K 3,2. (2) 2
K 8,18. (3) 2
K 8,27. (4) 2
K 13,2. (5) 2
K 13,11. (6) 2
K 14,24. (7) 2
K 15,9. (8) 2
K 15,18. (9) 2
K 15,24. (10) 2
K 15,28. (11) 2
K 17,2. (12) 2
K 17,17. (13) 2
K 21,2. (14) 2
K 21,6. (15) 2 K 21,9. (16) 2 K 21,11. (17) 2
K 21,15. (18) 2
K 21,16. (19) 2
K 21,20. (20) 2
K 23,32. (21) 2
K 23,37. (22) 2
K 24,9. (23) 2
K 24,19.
- ´èth hâra` (het slechte). Tenakh (6): (1) Dt
17,2. (2) Dt
31,29. (3) Re
2,11. (4) Re
3,7. (5) Re
3,12. (6) 2
K 21,15.
-- hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte in de ogen van JHWH). Tenakh
(54). Pentateuch (5). Nu (1). Dt (4). Eerdere Profeten (40). Re (7). 1
S (1). 1 K (10). 2 K (22).
-- ´èth hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte in de ogen
van JHWH). Tenakh (5): (1) Dt
17,2. (2) Dt
31,29. (3) Re
2,11. (4) Re
3,7. (5) Re
3,12.
- râ`a` (kwaad, slecht, verdrietig, ontevreden zijn). רָעַע = râ`a` (kwaad, slecht, verdrietig, ontevreden zijn). Taalgebruik in Tenakh: râ`a` (kwaad, slecht, verdrietig, ontevreden zijn). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70 ; totaal: 52 (2 X OF 340 (2² X 5 X 17). Structuur: 2 - 7 - 7. De som van de elementen is telkens 7.
- וַיָּרֵעוֹ = wajjâre`û (en zij deden kwaad) < prefix consecut. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. רָעַע = râ`a` (kwaad, slecht, verdrietig, ontevreden zijn). Taalgebruik in Tenakh: râ`a` (kwaad, slecht, verdrietig, ontevreden zijn). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70 ; totaal: 52 (2 X OF 340 (2² X 5 X 17). Structuur: 2 - 7 - 7. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (2): (1): Nu 20,15. (2) Dt 26,6.
- prefix consecut. wë + act. qal imperf. consecut. 3de pers. mann. enk. wajjera` (en het was slecht) van het werkw. רָעַע = râ`a` (kwaad, slecht, verdrietig,
ontevreden zijn). Taalgebruik in Tenakh: râ`a`
(kwaad, slecht, verdrietig, ontevreden zijn). Getalswaarde: resj = 20 of
200, ajin = 16 of 70 ; totaal: 52 (2 X OF 340 (2² X 5 X 17). Structuur: 2 - 7 - 7. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (13): (1) Gn 21,11 . (2) Gn 38,10 . (3) Gn 48,17 . (4) 1 S 8,6 . (5) 1 S 18,8. (6) 2 S 11,27. (7) 1 K 16,25. (8) Js 59,15. (9) Jon 4,1. (10) Ps 106,32. (11) Neh 2,10. (12) Neh 13,8. (13) 1 Kr 21,7.
- wajjera` haddâbâr (en het woord/gebeuren) was slecht). Tenakh
(3): (1) Gn
21,11. (2) 1
S 8,6. (3) 2
S 11,27.
- act. hifil part. mann. mv. mëre`îm (boosdoeners). Tenakh (15). Js (3): (1) Js
1,4. (2) Js
14,20. (3) Js
31,2.
- râ`âb (hongeren, honger voelen). רָעַב = râ`abh (hongeren, honger voelen). Taalgebruik in Tenakh: râ`âb (hongeren, honger voelen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, beth = 2 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17 Of 16 X 17). Structuur: 2 - 7 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Een vorm van רָעַב = râ`abh (hongeren, honger voelen) in Tenakh (13): (1) Gn 41,55. (2) Dt 8,3. (3) Js 8,21. (4) Js 9,19. (5) Js 44,12. (6) Js 49,10. (7) Js 65,13. (8) Jr 42,14. (9) Ps 34,11. (10) Ps 50,12. (11) Spr 6,30. (12) Spr 10,3. (13) Spr 19,15.
- mann. mv. רְעֵבִים = rë`ebhîm (hongerigen) van het bijvoegl. naamw. רָעֵב = râ`eb (hongerig). Zie het werkw. רָעַב = râ`abh (hongeren, honger voelen). Taalgebruik in Tenakh: râ`âb (hongeren, honger voelen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, beth = 2 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17 Of 16 X 17). Structuur: 2 - 7 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (3): (1) 2 K 7,12. (2) Ps 107,5. (3) Ps 107,36. Een vorm van רָעַב = râ`abh in Tenakh (20).
- וּרְעֵבִים = ûrë`ebhîm (en hongerigen) < prefix verbindingswoord û (wë) + mann. mv. van het het bijvoegl. naamw. רָעֵב = râ`eb (hongerig) .Tenakh (2): (1) 1 S 2,5. (2) Job 24,10.
- E. hungry. D. hungrig Fr. affamé. Honger. Lat. fames. Fr. faim.
- וַתִּרְעַב = waththiràb (en de hele aarde leed honger) < wa consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. enk. van het werkw. רָעַב = râ`abh (hongeren, honger voelen). Taalgebruik in Tenakh: râ`âb (hongeren, honger voelen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, beth = 2 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17 Of 16 X 17). Structuur: 2 - 7 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (1): Gn 41,55. Een vorm van רָעַב = râ`abh (hongeren, honger voelen) in Tenakh (13): (1) Gn 41,55. (2) Dt 8,3. (3) Js 8,21. (4) Js 9,19. (5) Js 44,12. (6) Js 49,10. (7) Js 65,13. (8) Jr 42,14. (9) Ps 34,11. (10) Ps 50,12. (11) Spr 6,30. (12) Spr 10,3. (13) Spr 19,15.
- râ´âh (zien). רָאָה = râ´âh
(= ra-ah: zien, verschijnen; wkw). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5; totaal:
26 (dezelfde getalswaarde als JHWH) of 206. Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Een vorm van רָאָה = râ´âh in Tenakh (1188). r-´- h. Tenakh (121). Pentateuch (29). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (14). 12 Kleine
Profeten (8). Geschriften (42). Ps (11): (1) Ps 9,14. (2) Ps 10,11. (3) Ps 25,18. (4) Ps 25,19. (5) Ps 33,13. (6) Ps 37,13. (7) Ps 64,9. (8) Ps 84,10. (9) Ps 114,3. (10) Ps 119,153. (11) Ps 119,159.
- Gr. horaô (zien). Taalgebruik in
de Septuaginta: horaô
(zien). Taalgebruik in het NT: horaô
(zien). Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114), in de LXX
(1539).
- Lat. videre. Fr. voir. Ned. zien. E. to see. D. sehen. pass.
Lat. apparere. Fr. apparaître. E. appear. Ned. verschijnen. D. erscheinen. Arabisch: ra´â (zien).
- רָאָה כִּי = kî râ´âh (omdat hij zag). Tenakh (6): (1) Gn 29,32. (2) Re 20,41. (3) 2 K 13,4. (4) 2 K 14,26. (5) Est 7,7. (6) Ps 37,13.
- אֱלֹהִים רָאָה = râ´âh ´èlohîm (God zag). Tenakh (1): Gn 31,42.
- יהוה רָאָה = râ´âh JHWH (JHWH zag). Tenakh (3): (1) Gn 29,32. (2) 2 K 14,26. (3) 1 Kr 21,15 .
-
= râ´âh ´èth (hij zag de). Tenakh (6):
- יהוה רָאָה כִּי = kî râ´âh JHWH (want JHWH zag). Tenakh (2): (1) Gn 29,32. (2) 2 K 14,26.
w-j-r-´: (1) prefix verbindingswoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´
(en hij zag). (2) prefix verbindingswoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´
(en hij liet zich zien - hij verscheen). (3) prefix verbindingswoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh
(zien, verschijnen). Het is een verkorte vorm, zie Joüon 79i. Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien). Taalgebruik in Genesis: râ´âh
(zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal:
26 of 206 (2 X 103). Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (162). Pentateuch (85). Eerdere Profeten (49). Latere Profeten (7). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (19). Gn (50). Gn 1 (7): (1) Gn 1,4. (2) Gn 1,10. (3) Gn 1,12. (4) Gn 1,18. (5) Gn 1,21. (6) Gn 1,25. (7) Gn 1,31. Gn 12 (1) Gn 12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän). Gn 18 (2): (1) Gn 18,1. (2) Gn 18,2. Gn 22 (2): (1) Gn 22,4. (2) Gn 22,13. Gn 26 (3): (1) Gn
26,2: wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen). (2) Gn 26,8: wajjarë´ (en hij zag). (3) Gn
26,24: wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen). Ex (17): (1) Ex 2,11. (2) Ex 2,12. (3) Ex 2,25. (4) Ex 3,2. (5) Ex 3,4. (6) Ex 8,11. (7) Ex 9,34. (8) Ex 14,30. (9) Ex 14,31. (10) Ex 18,14. (11) Ex 20,18. (12) Ex 32,1. (13) Ex 32,5. (14) Ex 32,19. (15) Ex 32,25. (16) Ex 34,30. (17) Ex 39,43.
- Gr. horaô (zien). Taalgebruik
in de Septuaginta: horaô
(zien). Taalgebruik in het NT: horaô
(zien). Lat. videre. Fr. voir. Ned. zien. E. to see. D. sehen. pass.
Lat. apparere. Fr. apparaître. E. appear. Ned. verschijnen. D. erscheinen. Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114), in de LXX (1539).
- wajjarë´ ´èlohîm (en God zag). Tenakh (9):
(1) Gn 1,4. (2) Gn 1,10. (3) Gn 1,12. (4) Gn 1,18. (5) Gn 1,21. (6) Gn 1,25. (7) Gn 1,31. (8) Gn 6,12. (9) Ex 2,25.
- Hiëroglyfen: ra wordt weergegeven door een mond (r) en een onderarm met hand en vingers (ajin; Gr: χειρ = cheir: hand; grijpen) en het determinatief: een cirkel met een punt erin (de zon). Zie: https://nlwikipediaorg/wiki/Ra_(god). Ned: st-ra-len. Lat: radiare: stralen, deelwoord radians: de stralende, de zon. Waarschoots: strauwn.
- Ned: schijnen. D: scheinen. E: to shine. Hebben schijnen (sjijnen) en zon (s/z - n) met elkaar te maken ? Schijnen is een activiteit van de zon.
ro´èh (qal participium).
act. qal imperatief tweede persoon mann. enkelvoud rë´eh van het
werkw. râ´âh (zien, verschijnen). rë´eh `ânëjî
(zie mijn armoede). Tenakh: (1)
Ps 9,14. (2) Ps
25,18. (3) Ps
119,153. . râ´âh (qal perfectum derde persoon enkelvoud). râ´oh (qal infinitief absolutus). In 121 verzen in de bijbel.
--- râ´îthî (ik zag, ik heb gezien) act. qal perf. 1ste
pers. enk. van het werkw.. Tenakh (86). In zes verzen in Gn:
(1) Gn 7,1
(JHWH tot Noach: Ik heb gezien dat je rechtvaardig zijt).
(2) Gn 16,13
(Hagar noemt God EL Roï) .
(3) Gn 31,12
(De engel van JHWH tot Jakob).
(4) Gn 32,31
(Jakob over de plaats Penuël: omdat ik God heb gezien van aangezicht tot
aangezicht).
(5) Gn 33,10
(Jakob tot Esau).
(6) Gn 41,19.
In drie verzen in Ex: (1) Ex
3,7. (2) Ex
3,9. (3) Ex
32,9. In één vers in Dt: Dt
9,13. In twee verzen in Rechters: (1) Re 6,22. (2) Re 19,2. In zeven verzen in 1 S: (1) 1 S 9,16. (2) 1
S 13,11. (3) 1 S 16,1. (4) 1 S 16,18. (5) 1 S 22,9. (6) 1 S 25,25. (7) 1 S 28,13.
--- -- râ´oh râ´îthî (ik zag) .
Slechts éénm&In Ex
3,7.
---act. qal jiqtol (imperfectum) 3de pers. mann. enk. יִרְאֶה = jire´èh (hij zal zien / ziet) van het wkw. רָאָה= râ´âh
(zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien). Taalgebruik in Genesis: râ´âh
(zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal:
26 of 206 (2 X 103). Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (63). Gn (3): (1) Gn 18,15. (2) Gn 22,8. (3) Gn
22,14.
--- nirë´ah (hij zal zien). Gn 48,3.
--- wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich
zien - hij verscheen). Het eerste is een actief qal imperfectum derde persoon
mannelijk enkelvoud. Het tweede is een passief nifal imperfectum derde persoon mannelijk
enkelvoud. Tenakh (162). Pentateuch (85). Eerdere Profeten (49). Latere Profeten (7). 12 Kleine
Profeten (2). Geschriften (19). Gn (50). Gn 1 (7): wajjerâ´
(en hij liet zich zien - hij verscheen): (1) Gn
12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän). (2) Gn
17,1. (3) Gn
18,1. (4) Gn 26,2. (5) Gn 26,24. Dt (4): (1) Dt
26,7. (2) Dt
31,15. (3) Dt
32,19. (4) Dt
33,21. wajjarë´ (en hij zag) wëhinneh (en zie): zie Gn
29,2.
Tenakh (162). Pentateuch (85). Ex (17): (1) Ex
2,11. (2) Ex
2,12. (3) Ex
2,25. (4) Ex
3,2. (5) Ex
3,4. (6) Ex
8,11. (7) Ex
9,34. (8) Ex
14,30. (9) Ex
14,31. (10) Ex
18,14. (11) Ex
20,18. (12) Ex
32,1. (13) Ex
32,5. (14) Ex
32,19. (15) Ex
32,25. (16) Ex
34,30. (17) Ex
39,43.
--- -- wajjarë´ JHWH (en JHWH zag). In vijf verzen in de bijbel: (1) Gn 6,5
(JHWH zag de slechtheid van de mensen). (2) Gn
29,31 (JHWH zag Lea). (3) Ex
3,4 (JHWH zag Mozes de doornstruik naderen. (4) Dt
32,19 (JHWH zag de afdwaling van het volk). (5) Js 59,15.
--- -- wajjarë´ Jôseph (en Jozef zag). In vier verzen in de
bijbel: (1) Gn 42,7. (2) Gn 43,16. (3) Gn 48,17. (4) Gn
50,23.
--- wëtherâ´èh (en zij verscheen). Nifal imperfectum
derde persoon vrouwelijk enkelvoud: (1) Gn
1,9.
--- wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen). waw consecutivum + nifal
imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud. In vijf verzen in de bijbel: (1) Gn 12,7
(bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän). (2) Gn
17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham). (3) Dt
31,15 (bij de aanstelling van Jozua). (4) 1 K 9,2 (aan Salomo). (5) 2
Kr 7,12 (aan Salomo).
--- -- wajjerâ´ ´elâ(j)w JHWH (en JHWH verscheen aan
hem). Tenakh (3): (1) Gn
18,1 (JHWH aan Abraham). (2) Gn
26,2 (JHWH aan Isaak). (3) Gn
26,24 (JHWH aan Isaak).
--- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH
verscheen). Tenakh (4): (1) Lv
16,19. (2) Nu
16,19. (3) Nu
17,7. (4) Nu
20,6.
--- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen). Tenakh (2): (1) Ex
3,2 (aan Mozes in de doornstruik). (2) Re
13,3 (aan de moeder van Simson).
--- = wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen). Enkel
in Gn 35,9. In Hnd
7,2: = ho theos tès doxès ôfthè tôi patri
hèmôn Abraam (De God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader
Abraham).
--- thirë´èh (jij zult zien). Qal imperfectum tweede persoon
mannelijk enkelvoud. In drieëndertig verzen in de bijbel: (1) Ex
6,1. (2) Ex
23,5. (3) Lv 13,57. (4) Lv
20,17. (5) Nu
11, 23. (6) Nu 23,13. (7) Dt
3,28. (8) Dt
12,13. (9)
- act. qal perf. 3de pers. mann. mv. râ´û (zij zien) van het werkw. Tenakh (69). Js (8): (1) Js 5,12. (2) Js 6,5. (3) Js 6,9. (4) Js 9,1. (5) Js 39,4. (6) Js 41,5. (7) Js 52,15. (8) Js 66,19.
- wërâ´û (en zij zullen zien). Verwijzing: râ´âh
(zien), zie Ex
3,7. Getalswaarde: waw = 6, resj = 20 of 200, aleph = 1 ; totaal: 33
(26 + 7) of 213 (200 + 13). Waw + qal perfectum derde persoon meervoud. ûre´û
(en ziet). Waw + qal imperatief tweede persoon meervoud. In negenendertig
verzen in de bijbel (3 X 13 of 26 + 13). In zeven verzen in Js: (1) Js
6,9. (2) Js
40,5. (3) Js
40,26. (4) Js
52,10. (5) Js
62,2. (6) Js 66,18. (7) Js 66,24.
- וְתִרָאֶה = wëtherâ´èh (en dat gezien worde) < prefix voegwoord wë + passief nifal imperf. jussief 3de pers. vr. enk. van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal: 26 of 206. Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Lettinga 12, 2012, 58no. Tenakh (1): Gn 1,9.
- וַיִּרְאוּ = wajjirë`û (en zij zagen) < prefix nevenschikkend voegw. wë en werkw.vorm
act. ind. imperf. (jiqtol) 3de pers. mann. mv. van het werkw. רָאָה = râ´âh
(zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal:
26 of 206. Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (47). Een vorm van רָאָה = râ´âh in Tenakh (1188).
- וָאֶרְאֶ֥ה (= wâ´èrë´èh / wâ´èrë´èh (en ik zag) < voegwoord wë + act qal imperf 1ste pers enk van het wkw. רָאָה = râ´âh: zien, verschijnen). Tenakh (25). Js (1) Js 6,1. Pr (2): (1) Pr 4,1. (2) Pr 4,7.
3. rä´âh (zien). râ´âh (zien, verschijnen). Taalgebruik in
Tenakh: râ´âh
(zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal: 26
of 206 (2 X 103). Structuur: 2 - 1 - 5. r-´-h. (1) râ´âh (qal perfectum derde persoon
enkelvoud). (2) râ´oh (qal infinitief absolutus). (3) ro´èh (qal participium). (4) rë´eh (qal imperatief
tweede persoon enkelvoud). râ´âh (qal perfectum derde persoon
enkelvoud). râ´oh (qal infinitief absolutus). Tenakh (121). Pentateuch (29). Eerdere Profeten (28). Latere Profeten (14). 12 Kleine
Profeten (8). Geschriften (42). Gr. horaô (zien). Taalgebruik
in het NT: horaô
(zien). Taalgebruik in de Septuaginta: horaô
(zien). Taalgebruik in Mc: horaô
(zien). Taalgebruik in Lc: horaô
(zien). Taalgebruik in Hnd: horaô
(zien). Lat. videre. Fr. voir. Ned. zien. E. to see. D. sehen. pass.
Lat. apparere. Fr. apparaître. E. appear. Ned. verschijnen. D. erscheinen. Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114), in de LXX
(1539). Arabisch: ra´â (zien). Taalgebruik in de Koran: ra´â (zien). Gn (12): (1) Gn 13,15. (2) Gn 27,27. (3) Gn 29,10. (4) Gn 29,32. (5) Gn
31,5. (6) Gn
31,42. (7) Gn
31,43. (8) Gn
31,50. (9) Gn 37,14. (10) Gn 39,23. (11) Gn 41,41. (12) Gn 48,11. rë´eh `ânëjî (zie mijn
armoede): Ps 9,14. Ps
25,18. Ps 119,53. kî râ´âh (want hij zag). Tenakh (6): (1) Gn 29,32. (2) Re 20,41. (3) 2 K 13,4. (4) K 14,26. (5) Est 7,7. (6) Ps 37,13.
- רָאִיתִי (= râ´îthî: ik zag, ik heb gezien, wkw act qal perf 1ste pers enk van het wkw רָאָה = râ´âh: zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal:
26 of 206. Structuur: 2 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (86). Pentateuch (10). Eerdere Profeten (15). Latere Profeten (22). 12 Kleine
Profeten (8). Geschriften (31). Pentateuch (10): (1) Gn 7,1. (2) Gn 16,13. (3) Gn
31,12. (4) Gn
32,31. (5) Gn 33,10. (6) Gn 41,19. (7) Ex 3,7. (8) Ex 3,9. (9) Ex 32,9. (10) Dt 9,13. 1 S (7): (1) 1 S 9,16. (2) 1
S 13,11. (3) 1 S 16,1. (4) 1 S 16,18. (5) 1 S 22,9. (6) 1 S 25,25. (7) 1 S 28,13. Pr (14): (1) Pr 1,14. (2) Pr 2,24. (3) Pr 3,10. (4) Pr 3,16. (5) Pr 4,15. (6) Pr 5,12. (7) Pr 5,17. (8) Pr 6,1. (9) Pr 7,15. (10) Pr 8,9. (11) Pr 8,10. (12) Pr 9,13. (13) Pr 10,5. (14) Pr 10,7.
-
In zes verzen in Gn:
(1) Gn 7,1
(JHWH tot Noach: Ik heb gezien dat je rechtvaardig zijt).
(2) Gn 16,13
(Hagar noemt God EL Roï) .
(3) Gn 31,12
(De engel van JHWH tot Jakob).
(4) Gn 32,31
(Jakob over de plaats Penuël: omdat ik God heb gezien van aangezicht tot
aangezicht).
(5) Gn 33,10
(Jakob tot Esau).
In drie verzen in Ex: (1) Ex
3,7. (2) Ex
3,9. (3) Ex
32,9. In één vers in Dt: Dt
9,13. In twee verzen in Rechters: (1) Re 6,22. (2) Re 19,2. In zeven verzen in 1 S: (1) 1 S 9,16. (2) 1
S 13,11. (3) 1 S 16,1. (4) 1 S 16,18. (5) 1 S 22,9. (6) 1 S 25,25. (7) 1 S 28,13.
- wërâ´îthî (en ik zag) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 1ste pers. enk. van het werkw. Tenakh (11). Pr (4): (1) Pr 2,13. (2) Pr 3,22. (3) Pr 4,4. (4) Pr 8,17.
--- -- râ´oh râ´îthî (ik zag) .
Slechts éénm&In Ex
3,7.
--- = jire´èh (hij zag): Gn
22,14
--- nirë´ah (hij zal zien). Gn 48,3.
--- r-´-w. Tenakh (69). Pentateuch (15). Js (8): (1) Js
5,12. (2) Js
6,5. (3) Js
6,9. (4) Js
9,1. (5) Js
39,4. (6) Js
41,5. (7) Js
52,15. (8) Js
66,19.
- act. qal perf. 3de pers. mann. mv. râ´û (zij zien).
--- וַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) - wajjerâ´ (en hij liet zich
zien - hij verscheen) < wë + (1) qal actief imperfectum derde persoon
mannelijk enkelvoud (130) OF (2) nifal imperfectum derde persoon mannelijk
enkelvoud. Tenakh (162). Pentateuch (85). Eerdere Profeten (49). Latere Profeten (7). 12 Kleine
Profeten (2). Geschriften (19). Gn 1 (7): (1) Gn 1,4. (2) Gn 1,10. (3) Gn 1,12. (4) Gn 1,18. (5) Gn 1,21. (6) Gn 1,25. (7) Gn 1,31. Gn (50). Gn 50 (2): (1) Gn 50,11. (2) Gn 50,23.
- אֱלֹהִים וַיַּרְא = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag). Tenakh (9): (1) Gn 1,4. (2) Gn 1,10. (3) Gn 1,12. (4) Gn 1,18. (5) Gn 1,21. (6) Gn 1,25. (7) Gn 1,31. (8) Gn 6,5. (9) Ex 2,25.
- יהוה וַיַּרְא = wajjarë´ JHWH (en JHWH zag). Tenakh (5): (1) Gn 6,5 (JHWH zag de slechtheid van de mensen). (2) Gn 29,31 (JHWH zag Lea). (3) Ex 3,4 (JHWH zag Mozes de doornstruik naderen. (4) Dt 32,19 (JHWH zag de afdwaling van het volk). (5) Js 59,15.
- = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - en hij verscheen) < wë consecutivum + pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (20): (1) Gn 12,7. (2) Gn 17,1. (3) Gn 18,1. (4) Gn 26,2. (5) Gn 26,24. (6) Gn 35,9. (7) Gn 46,29. (8) Ex 3,2. (9) Lv 9,23. (10) Nu 16,19. (11) Nu 17,7. (12) Nu 20,6. (13) Dt 31,15. (14) Re 6,12. (15) Re 13,3. (16) 2 S 22,11. (17) 1 K 9,2. (18) Ez 10,8. (19) Ez 19,11. (20) 2 Kr 7,12.
In 162 verzen in de bijbel. wajjerâ´ (en hij liet zich
zien - hij verscheen): (1) Gn
12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän). (2) Gn
17,1. (3) Gn
18,1. (4) Gn 26,2. (5) Gn 26,24. wajjarë´ (en hij zag) wëhinneh
(en zie): zie Gn
29,2.
--- -- wajjarë´ Jôseph (en Jozef zag). In vier verzen in de
bijbel: (1) Gn 42,7. (2) Gn 43,16. (3) Gn 48,17. (4) Gn
50,23.
--- wëtherâ´èh (en zij verscheen). Nifal imperfectum
derde persoon vrouwelijk enkelvoud: (1) Gn
1,9.
--- wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen). waw consecutivum + nifal
imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud. In vijf verzen in de bijbel: (1) Gn 12,7
(bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän). (2) Gn
17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham). (3) Dt
31,15 (bij de aanstelling van Jozua). (4) 1 K 9,2 (aan Salomo). (5) 2
Kr 7,12 (aan Salomo).
--- -- wajjerâ´ ´elâ(j)w JHWH (en JHWH verscheen aan
hem). In drie verzen in de bijbel: (1) Gn
18,1 (JHWH aan Abraham). (2) Gn
26,2 (JHWH aan Isaak). (3) Gn
26,24 (JHWH aan Isaak).
--- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH
verscheen). In vier verzen in de bijbel: (1) Lv 16,19. (2) Nu
16,19. (3) Nu
17,7. (4) Nu
20,6.
--- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen). In twee verzen in de bijbel: (1) Ex
3,2 (aan Mozes in de doornstruik). (2) Re
13,3 (aan de moeder van Simson).
--- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen). Enkel
in Gn 35,9. In Hnd
7,2: ho theos tès doxès ôfthè tôi patri
hèmôn Abraam (De God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader
Abraham).
--- thirë´èh (jij zult zien). Qal imperfectum tweede persoon
mannelijk enkelvoud. In drieëndertig verzen in de bijbel: (1) Ex
6,1. (2) Ex
23,5. (3) Lv 13,57. (4) Lv
20,17. (5) Nu
11, 23. (6) Nu 23,13. (7) Dt
3,28. (8) Dt
12,13. (9)
- wërâ´û (en zij zullen zien). râ´âh
(zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, he = 5 ; totaal:
26 of 206. Structuur: 2 - 1 - 5. Gr. horaô (zien). Taalgebruik in
de Septuaginta: horaô
(zien). Taalgebruik in het NT: horaô
(zien). Lat. videre. Fr. voir. Ned. zien. E. to see. D. sehen. pass.
Lat. apparere. Fr. apparaître. E. appear. Ned. verschijnen. D. erscheinen. Een vorm van horaô (zien, verschijnen) in het NT (114), in de LXX
(1539). w-r-´-w. (1) wë + qal perfectum derde persoon mann. meervoud
wërâ´û (en zij zullen zien). (2) wë + qal imperatief
tweede persoon mann. meervoud ûrë´û (en ziet). Tenakh
39). Js (7): (1) Js
6,9. (2) Js
40,5. (3) Js
40,26. (4) Js
52,10. (5) Js
62,2. (6) Js 66,18. (7) Js 66,24.
wajjerâ´ JHWH (en JHWH verscheen). Tenakh (5): (1) Gn
12,7 (bij de eerste halte van Abram in het land Kanaän). (2) Gn
17,1 (bij de verbondssluiting met Abraham). (3) Dt
31,15 (bij de aanstelling van Jozua). (4) 1
K 9,2 (aan Salomo). (5) 2
Kr 7,12 (aan Salomo).
- wajjerâ´ ´elâjw JHWH (en JHWH verscheen aan hem). Tenakh (3): (1) Gn
18,1 (JHWH aan Abraham). (2) Gn
26,2 (JHWH aan Isaak). (3) Gn
26,24 (JHWH aan Isaak).
- wajjerâ´ khëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH
verscheen). Tenakh (4): (1) Lv
9,23. (2) Nu
16,19. (3) Nu
17,7. (4) Nu
20,6.
- wajjerâ´ malë´akh JHWH (en de engel van JHWH verscheen). Tenakh (2): (1) Ex
3,2 (aan Mozes in de doornstruik). (2) Re
13,3 (aan de moeder van Simson).
- wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen). Enkel
in Gn 35,9 (aan Jakob).
- wajjerâ´ (en Hij verscheen aan Abraham... ). Tenakh (1): Ex
6,3 (aan Mozes).
Volgens deze gegevens zou JHWH driemaal aan Abram / Abraham verschenen zijn: (1) Gn 12,7. (2) Gn 17,1. (3) Gn 18,1.
Tweemaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat JHWH verscheen aan Abram (wajjerâ´
JHWH ´èl ´abhërâm: (1) Gn
12,7. (2) Gn
17,1). In Gn
18,1 wordt de naam van Abraham niet vermeld. Het kan betekenen dat het
vers in het verlengde ligt van het vorige hoofdstuk waar de belofte van Isaak
werd aangekondigd. Dit is een belangrijk verschijnen van JHWH, want in Gn
18 wordt de geboorte van Isaak aangekondigd.
- רָעָה = râ`âh (herderen, weiden OF het kwade, slechtheid)
- râ`âh (herderen, weiden OF het kwade, slechtheid). רָעָה = râ`âh (herderen, weiden OF het kwade, slechtheid). Taalgebruik in Tenakh: râ`âh . Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, he = 5 ; totaal: 41 OF 275 (11 X 25). Structuur: 2 - 7 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (159) .
- act. qal part. nom. mann. enk. רֹעֶה = ro`èh (weidend) van het werkw. רָעָה = râ`âh (herderen, weiden OF het kwade,
slechtheid). Taalgebruik in Tenakh: râ`âh . Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, he = 5 ; totaal: 41 OF 275 (11 X 25). Structuur: 2 - 7 - 5. De som van de elementen is telkens 5.
- רֹעֶה אֶת צֹאן = ro`èh ´èth tso´n (weidend de kudde). Bijbel (2): (1) Gn
30,36 (Jakob bij Laban). (2) Ex
3,1 (Mozes).
- רֹעֶה צֹאן = ro`èh tso´n (weidend een kudde). Bijbel (3): (1) Gn 4,2. (2) Gn 46,34. (3) Gn 47,3.
- act. part. praes. mann. mv. רֹעִים = ro`îm (herders) van het werkw. רָעָה = râ`âh (herderen, weiden OF het kwade, slechtheid). Taalgebruik in Tenakh: râ`âh . Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, he = 5 ; totaal: 41 OF 275 (11 X 25). Structuur: 2 - 7 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (16): (1) Gn 37,13. (2) Gn 37,16. (3) Nu 14,33. (4) 1 S 25,16. (5) Js 31,4. (6) Js 56,11. (7) Jr 3,15. (8) Jr 6,3. (9) Jr 12,10. (10) Jr 23,1. (11) Jr 23,4. (12) Jr 33,12. (13) Ez 34,2. (14) Ez 34,7. (15) Mi 5,4. (16) Sef 2,6.
râ`îm (slechten). Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord
nominatief mannelijk meervoud van ra`(slecht, boos, kwaad). In zevenenveertig
verzen in de bijbel .
- râ`âh (herderen, weiden). Verwijzing: râ`âh
(herderen, weiden), zie Jr
23,1. Qal actief praesens derde persoon mannelijk enkelvoud. ro`eh (herderend,
herder): qal participium nominatief mannelijk enkelvoud. Tenakh (159). l: (1) Gn 13,13. (2) Gn 37,13.
--- ´ên lâhèm ro`èh (er is voor hen geen herder). In twee verzen in de bijbel: (1) Nu
27,17. (2) 1 K 22,17. ´ên ro`èh (er is geen herder): Zach
10,2.
--- këro`èh (als een herder). In twee verzen in de bijbel: (1)
Js 40,11
(LXX: hôs poimèn = zoals een herder). (2) Jr
31,10 (LXX: hôs ho boskôn = zoals de herder).
--- mar`îthî (mijn kudde). In twee verzen in de bijbel: (1) Jr
23,1. (2) Ez 34,31. mar`îth (kudde).
--- poimainei (hij weidt). In zeven verzen in de bijbel.
--- poimanei (hij weidde). Actief aorist derde persoon enkelvoud. In negen
verzen in de bijbel: (1) Js
40,11 (MT: jirë`èh = hij zal weiden). (2) Jr
22,22 (LXX: poimanei anemos = de wind zal leiden ; MT: thirë`èh
rûach = de wind zal leiden). (3) Ez
34,23 (MT: wërâ`âh = en hij zal weiden). (4) Mi
5,3 (MT: wërâ`âh = en hij zal weiden). (5) Ps
48,15 (jënahägenû). (6) Mt
2,6. In drie verzen in Apk: (1) Apk 2,27. (2) Apk
7,17. (3) Apk 19,15.
--- poimèn (herder). In vierentwintig verzen in de bijbel.
--- poimenes (herders). Zelfstandig naamwoord. Nominatief meervoud. In drieëntwintig
verzen in de bijbel. In twintig verzen in het O.T.. In drie verzen in het
NT: (1) Lc
2,8.
- râ`âbh (honger, hongersnood). רָעָב = râ`âbh (honger, hongersnood). Taalgebruik in Tenakh: râ`âbh (honger, hongersnood). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, beth = 2 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 272. Structuur: 2 - 7 - 2. De som van de elementen is telkens 2.
- râ`am (razen, bruisen, donderen). râ`am (razen, bruisen, donderen). Taalgebruik in Tenakh: râ`am (razen, bruisen, donderen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, mem = 13 of 40 ; totaal: 49 (7²) OF 310 (2 X 5 X 31). Structuur: 2 - 7 - 4.
- act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. jar`em (hij dondert). j-r-`-m. Tenakh (10). jar`em (hij dondert). Tenakh (3): (1) 1 S 2,10. (2) Job 37,4. (3) Job 37,5.
- râ`âph (druppelen). הַרְעִיפוּ (= harë`îphû: druppelt; wkw act hifil imperat 2de pers mann mv
van het wkw רָעָף (= râ`âph: druppelen). Taalgebruik in Tenakh: râ`âph
(druppelen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, pe = 17
of 80; totaal: 53 OF 350. Structuur: 2 - 7 - 8. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (1): Js
45:8.
- De LXX vertaalt met εὐφρανθήτω (= eufranthètô: wees blij, verheug je; wkw pass imperat aor 3de pers enk van het wkw ευφραινω: = eufrainô: verheugen, blij maken). LXX (7): (6) Ps 149,2. (7) Js
45:8. In Js
44:23 en Js
49:13 is het de vertaling van het Hebreeuws wkw רָנַן = rânan: roepen, jubelen, jammeren).
- Ned: druppelen, sijpelen, vloeien, druipen, dauwen. E: to trickle, to drip. D: träufeln. Arabisch: رَعَفَ (= ra`afa: druppelen, sijpelen, vloeien, druipen).
- De Vulgaat vertaalt: rorate ( = dauwt). In het Latijn is dauw "ros, gen roris". In het Hebreeuws is het טַל = tal. Rorate is klanknabootsend aan het wkw רָעָף (= râ`âph: druppelen). Zowel in het Hebreeuws als in de Vulgaat komt de respectievelijke vorm slechts 1X voor in de Bijbel.
- Dauw en regen komen in de bijbel vaak gezamenlijk voor. Ze vallen uit de hemel, laten zaden ontkiemen en planten groeien. Ze zorgen voor water voor planten, dieren en mensen. Door dauw en regen is er kiemkracht en vruchtbaarheid. Dauw en regen worden in de bijbel vaak als symbool, als beeld gebruikt. Zoals we over dauw en regen geen macht hebben, maar ons overkomen, zo ervaart de gewone mens rechtvaardigheid en vrede vaak als iets dat hem overkomt zonder zelf daaraan veel te kunnen doen. In een maatschappij waarin een mens onrecht en onrechtvaardigheid aan den lijve ervaart, zingt hij zijn verlangen uit in een lied als het Rorate caeli (= dauwt hemelen).
- Ik heb de indruk dat de LXX vaak een vreugdelied, hymne, begint of eindigt met een vorm van het wkw ευφραινω (= eufrainô: verheugen, blij maken).
- r-b. bijvoegl. naamw. רַב = rabh (veel, talrijk, groot)
- rabh (veel, talrijk, groot). r-b. bijvoegl. naamw. רַב = rabh (veel, talrijk, groot). zelfst. naamw. robh. Zie: Taalgebruik in Tenakh: rabh (veel, talrijk, groot). Taalgebruik in Jesaja: rab (veel, talrijk, groot). Getalswaarde: resj = 20 of 200, beth = 2 ; totaal: 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) ; structuur: 2 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Gr. polus (veel). Taalgebruik in de Septuaginta: polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Een vorm van polus (veel) in de Septuaginta (822), in het NT (353). rb. bijvoegl. naamw. rabh en zelfst. naamw. robh. Tenakh (180). Pentateuch (). Eerdere Profeten (). Latere Profeten (). 12 kl. Prof. (6). Geschriften (). 12 kl. Prof. (6): (1) Hos 9,7. (2) Jl 2,2. (3) Jl 2,11. (4) Am 6,2. (5) Am 8,3. (6) Jon 1,6.
- וְרַב = wërab (en veel) < prefix voegwoord wë + bijvoegl. naamw. רַב = rabh (veel,
talrijk, groot). Zie: Taalgebruik in Tenakh: rabh
(veel, talrijk, groot). Taalgebruik in Jesaja: rab
(veel, talrijk, groot). Getalswaarde: resj = 20 of 200, beth = 2 ; totaal: 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) ; structuur: 2 - 2. De som van de elementen is telkens 4.
-- kërobh (als een veelheid) < prefix voorzetsel kë + zelfst. naamw. Tenakh (7): (1) Hos 10,1. (2) Ps 51,3. (3) Ps 69,17. (4) Ps 106,45. (5) Ps 150,2. (6) Kl 3,32. (7) Neh 13,22.
- mann. en onzijd. mv. רַבִּים = rabbîm (vele) van bijvoegl. naamw. רַב = rabh (veel,
talrijk, groot). Zie: Taalgebruik in Tenakh: rabh
(veel, talrijk, groot). Getalswaarde: resj = 20 of 200, beth = 2 ; totaal: 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) ; structuur: 2 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (170).
- וְרַבִּים = wërabbîm (en velen) < prefix voegwoord wë + mann. mv. van het bijvoegl. naamw. רַב = rabh (veel,
talrijk, groot). Zie: Taalgebruik in Tenakh: rabh
(veel, talrijk, groot). Getalswaarde: resj = 20 of 200, beth = 2 ; totaal: 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) ; structuur: 2 - 2. De som van de elementen is telkens 4.
- `ammîm rabbîm (vele volkeren). Tenakh (15): (1) Js 2,3. (2) Js 17,12. (3) Ez 3,6. (4) Ez 27,33. (5) Ez 32,3. (6) Ez 32,9. (7) Ez 32,10. (8) Ez 38,6. (9) Ez 38,22. (10) Mi 4,3. (11) Mi 4,13. (12) Mi 5,6. (13) Mi 5,7. (14) Hab 2,10. (15) Zach 8,22.
- = rôbh / robh
râ´û (zij zullen zien). Perfectum derde persoon meervoud
van râ´a. LXX: idete fôs mega: gij zaagt een groot licht
of ziet ... Mt 4,16 fôs eiden mega. De woordorde is gewijzigd, wellicht
onder invloed van het tweede gedeelte van de tweede zin: fôs aneteilen
autois: licht ging op over hen.
- râ´û (zij zullen zien) ´ôr (licht) komt in drie
verzen in de bijbel voor: (1) Job 3,16. (2) Job 37, 12. (3) Js
9,1.
- רָבָה = râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien)
- râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). רָבָה = râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Taalgebruik in Tenakh: râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien).
- act. ind. qal jiqtol (imperfect.) 3de pers. mann. mv. יִרְבּוּ = jirëbû (zij worden talrijk) van het werkw. רָבָה = râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Taalgebruik in Tenakh: râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Tenakh (6).
- act. hifil jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. mv. = jarëbû (zij zullen hen talrijk doen worden) van het werkw. רָבָה = râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Taalgebruik in Tenakh: râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien).
- act. ind. qap jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. jussief יִרְבֶּה = jirëbèh (hij zal talrijk worden) en act. hifil jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. יַרְבֶּה = jarëbèh (hij zal doen talrijk worden) van het werkw. erkw. רָבָה = râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Taalgebruik in Tenakh: râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Tenakh (17).
- וּרְבוּ = ûrëbhû (en weest talrijk) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act. qal imperat. 2de pers. mv. van het werkw. רָבָה = râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Taalgebruik in Tenakh: râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien). Tenakh (15). Gn (): (1) Gn 1,22. (2) Gn 1,28. (3) Gn 8,17. (4) Gn 9,1. (5) Gn 9,7. (6) Gn 49,23.
- râchab (zich wijd openen). râchab (zich wijd openen). Taalgebruik in Tenakh: râchab (zich wijd openen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, chet = 8, beth = 2 ; totaal: 30 OF 210. Structuur: 2 - 8 - 2. r-ch-b: Tenakh (44). Pentateuch (5). Eerdere Profeten (12). Latere Profeten (21). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (6) .
- râchel (Rachel). רָחֵל = râchel (Rachel). Taalgebruik in Tenakh: râchel (Rachel). Getalswaarde: resj = 20 of 200, chet = 8, lamed = 12 of 20 ; totaal: 40 of 228 (2 X 2 X 3 X 19). Structuur: 2 - 8 - 2. In verschillende vormen. In Tenakh: 42 X (41 verzen). In LXX + NT: 48 (45 X, 44 verzen) + 1 = 49. râchel (Rachel). Tenakh (30). Pentateuch (28). Eerdere Profeten (1). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (0). Gn (30). In zes verzen in Gn 29: (1) Gn 29,6. (2) Gn 29,10. (3) Gn 29,16. (4) Gn 29,18. (5) Gn 29,28. (6) Gn 29,30. Gn 30 (8): (1) Ex 30,1. (2) Ex 30,6. (3) Ex 30,7. (4) Ex 30,8. (5) Ex 30,14. (6) Ex 30,15. (7) Ex 30,22. (8) Ex 30,25. Rachel is de tweede en jongste dochter van Laban, de broer van Rebekka. Jakob is de zoon van Rebekka en Isaak. Rachel is de tweede vrouw van Jakob. Samen krijgen zij 2 kinderen: Jozef en Benjamin.
| Gn 29 | Gn 30 | Gn 31 | Gn 33 | Gn 35 | Gn 46 | Gn 48 | |
| râchel (Rachel) Hebr. (28) | (6) : (1) Gn 29,6. (2) Gn 29,10. (3) Gn 29,16. (4) Gn 29,18. (5) Gn 29,28. (6) Gn 29,30. | (8) : (1) Gn 30,1. (2) Gn 30,6. (3) Gn 30,7. (4) Gn 30,8. (5) Gn 30,14. (6) Gn 30,15. (7) Gn 30,22. (8) Gn 30,25. | (4) : (1) Gn 31,14. (2) Gn 31,19. (3) Gn 31,32. (4) Gn 31,33. | (2) : (1) Gn 33,1. (2) Gn 33,2. | (5): (1) Gn 35,16. (2) Gn 35,19. (3) Gn 35,20. (4) Gn 35,24. (5) Gn 35,25. | (2) : (1) Gn 46,19. (2) Gn 46,22 . | 1: Gn 48,7 . |
| wërâchel (en...) (5) | 3: (1) Gn 29,9. (2) Gn 29,17. (3) Gn 29,31. | 1: Gn 31,34 . | 1: Gn 33,7 . | ||||
| bërâchel (over...) (4) | 3 : (1) Gn 29,18. (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25. | (1) Gn 30,2. | |||||
| lërâchel (tot...) (5) | 3: (1) Gn 29,11. (2) Gn 29,12. (3) Gn 29,29. | 1: Gn 31,4. | 1: Gn 46,25 . | ||||
| 42 X (41 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
| rachèl (Rachel) Gr. (45 X, 44 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 + 3 = 12: + (1) Gn 30,3. (2) Gn 30,5. (3) Gn 30,23. | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
- râchaph (trillen, piël. zweven). רָחַף= râchaph (trillen, piël. zweven). Taalgebruik in Tenakh: râchaph (trillen, pi. zweven). Ned. zweven. D. sweben. E. to move.
- רָחַק = râchaq (ver zijn, zich verwijderen)
- râchaq (ver zijn, zich verwijderen). רָחַק = râchaq (ver zijn, zich verwijderen). Taalgebruik in Tenakh: râchaq (ver zijn, zich verwijderen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, chet = 8, qof = 19 of 100 ; totaal: 47 OF 308 (2² X 7 X 11). Structuur: 2 - 8 - 1. De som van de elementen is telkens 4.
Van Cangh (2005, 108): hithpaël perf. 3de pers. mann. enk. הִתְרַחֵק = hithëracheq (hij week uit, hij trok zich terug) van het werkw. רָחַק = râchaq (ver zijn, zich verwijderen). Taalgebruik in Tenakh: râchaq
(ver zijn, zich verwijderen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, chet = 8, qof = 19 of 100 ; totaal: 47 OF 308 (2² X 7 X 11). Structuur: 2 - 8 - 1. De som van de elementen is telkens 4.
--- thirchâq (wees niet ver). Yiqtol 2de pers. enk. In 7 verzen in de
bijbel. In 5 verzen in de Psalmen: (1) Ps
22,12. (2) Ps
22,20. (3) Ps
35,22. (4) Ps
38,22. (5) Ps
71,12.
--- râchôq (ver). Bijvoeglijk naamwoord. In 8 verzen in de bijbel.
In 2 verzen in de Psalmen: Ps
22,2. Ps
119,115.
--- bërâchôq (in het verre, veraf). In deze vorm slechts 1X
in de bijbel.
--- merâchoq (van verre). (apo) makrothen. Tenakh (14):
(1) Gn 22,4. (2) Gn 37,18. (3) Ex 2,4. (4) Ex 20,18. (5) Ex 20,21. (6) Ex 24,1. (7) 1 S 26,13. (8) Js 13,5. (9) Js 46,11. (10) Js 57,9. (11) Jr 6,20. (12) Jr 23,23. (13) Ps 38,12. (14) Spr 25,25.
| Gn 29 | Gn 30 | Gn 31 | Gn 33 | Gn 35 | Gn 46 | Gn 48 | |
| râchel (Rachel) Hebr. (28) | (6) : (1) Gn 29,6. (2) Gn 29,10. (3) Gn 29,16. (4) Gn 29,18. (5) Gn 29,28. (6) Gn 29,30. | (8) : (1) Gn 30,1. (2) Gn 30,6. (3) Gn 30,7. (4) Gn 30,8. (5) Gn 30,14. (6) Gn 30,15. (7) Gn 30,22. (8) Gn 30,25. | (4) : (1) Gn 31,14. (2) Gn 31,19. (3) Gn 31,32. (4) Gn 31,33. | (2) : (1) Gn 33,1. (2) Gn 33,2. | (5): (1) Gn 35,16. (2) Gn 35,19. (3) Gn 35,20. (4) Gn 35,24. (5) Gn 35,25. | (2) : (1) Gn 46,19. (2) Gn 46,22 . | 1: Gn 48,7 . |
| wërâchel (en...) (5) | 3: (1) Gn 29,9. (2) Gn 29,17. (3) Gn 29,31. | 1: Gn 31,34 . | 1: Gn 33,7 . | ||||
| bërâchel (over...) (4) | 3 : (1) Gn 29,18. (2) Gn 29,20 . (3) Gn 29,25. | (1) Gn 30,2. | |||||
| lërâchel (tot...) (5) | 3: (1) Gn 29,11. (2) Gn 29,12. (3) Gn 29,29. | 1: Gn 31,4. | 1: Gn 46,25 . | ||||
| 42 X (41 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
| rachèl (Rachel) Gr. (45 X, 44 verzen) | 15 X (14 verzen) | 9 + 3 = 12: + (1) Gn 30,3. (2) Gn 30,5. (3) Gn 30,23. | 6 | 3 | 5 | 3 | 1 |
In Gn 48,7. (29) 1 S 10,2. (30) Jr
31,15.
De tegenstelling tussen Lea en Rachel in (2) Gn
29,17. (3) Gn
29,31 is frappant: Lea is flets maar vruchtbaar, Rachel is mooi maar onvruchtbaar.
- LXX. rachèl (Rachel). In achtenveertig verzen in de bijbel. In zevenenveertig
verzen in het O.T.. In één vers in het NT: Mt
2,18.
- rachûm (barmhartig). In 12 verzen in de bijbel. (1) Ex 34,6. (2) Dt 4,31. (3) Ps 78,38. (4) Ps 86,15. (5) Ps 103,8. In Ezra - Nehemia is het de eigennaam Rehum. (6) Ezr 2,2. (7) Ezr 4,8. (8) Ezr 4,9. (9) Ezr 4,17. (10) Ezr 4,23. (11) Ne 3,17. (12) Neh 10,26. Verwijzing: râcham (beminnen, zich ontfermen), zie Ps 111,5.
- רָדָה = râdâh (vertreden, innemen, heersen)
- râdâh (vertreden, innemen, heersen). רָדָה = râdâh (vertreden, innemen, heersen). Taalgebruik in Tenakh: râdâh (vertreden, innemen, heersen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, daleth = 4, he = 5 ; totaal:. 29 OF 209. Structuur: 2 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 2.
- act. qal jiqtol (imperfectum) 2de pers. mann. mv. יִרְדּוּ = jirëdû (zij heersen) van het werkw. רָדָה = râdâh (vertreden, innemen, heersen). Taalgebruik in Tenakh: râdâh (vertreden, innemen, heersen)
- וְיִרְדוּ = wëjirdû (en dat zij heersen) < prefix voegwoord wë + qal act. imperf. 3de pers. mv. jussief van het werkw. רָדָה = râdâh (vertreden, innemen, heersen). Taalgebruik in Tenakh: râdâh (vertreden, innemen, heersen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, daleth = 4, he = 5 ; totaal:. 29 OF 209. Structuur: 2 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (29). Pentateuch (7). Gn (3): (1) Gn 1,26. (2) Gn 42,3. (3) Gn 43,15.
- râphâh (zich neigen, slap zijn, moedeloos zijn). רָפָה = râphâh (zich neigen, slap zijn, moedeloos zijn). Taalgebruik in Tenakh: râphâh (zich neigen, slap zijn, moedeloos zijn). Getalswaarde: resj = 20 of 200: pe = 17 of 80 ; he = 5 ; totaal: 42 ( 2² X 7) OF 285 (3 X 5 X 19). Structuur: 2 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 6.
- act. qal perf. 3de pers. mann. enk. רָפָה = râphâh (zich neigen, slap zijn, moedeloos zijn). Taalgebruik in Tenakh: râphâh (zich neigen, slap zijn, moedeloos zijn). Getalswaarde: resj = 20 of 200: pe = 17 of 80 ; he = 5 ; totaal: 42 ( 2² X 7) OF 285 (3 X 5 X 19). Structuur: 2 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (1): Re 19,9.
- râphad (uitspreiden,
een bed uitspreiden, verkwikken). râphad (uitspreiden, een bed uitspreiden,
verkwikken). Taalgebruik in Tenakh: râphad
(uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken). rëphîdâh
(ruggesteun).
-- birëphîdim (in Refidim). Tenakh (2): (1) Ex
17,1. (2) Ex
17,8. (3) Nu
33,14. merëphîdim (van Refidim). Tenakh (2): (1) Ex
19,2. (2) Nu
33,15. Zie: râphad (uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken). Taalgebruik in Tenakh: râphad
(uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken). rëphîdâh
(ruggesteun). Getalswaarde van rëphîdim (Refidim): resj = 20 of
200, pe = 17 of 80, jod = 10, daled = 4, mem = 13 of 40 ; totaal: 64 (2³
X 2³) OF 334 (2 X 167). In Ex
17,1 slaan de Israëlieten hun tenten in Refidim op, in Ex
19,2 breken ze op. Het is de 4de halte van de Israëlieten na de uittocht
uit Egypte op weg naar de Sinaï (Mara: Ex
15,23 - Elim: Ex
15,27 - de woestijn van Sin: Ex
16,1 - Refidim: Ex
17,1 - Sinaï: Ex
19,2). Behalve bij de halte te Elim morren de Israëlieten omwille
van gebrek aan water of voedsel (Mara - woestijn van Sin - Refidim). Bij de
3de halte te Refidim stellen de Israëlieten de vraag of JHWH wel in hun
midden is. Tot overmaat van ramp valt Amalek hen in Refidim aan. 'Komen' heeft
hierin een bijzondere betekenis. Wat komt er niet allemaal op Mozes af. Sommige
commentatoren wijzen op de samenstelling van de naam uit het werkw. raphâh
(slap zijn, moedeloos worden) en jâdim (handen): verslappende handen
(verwijzing naar Mozes). +
râgasj (onrustig zijn, tobben). Zich roeren, woelen. Verwijzing: râgasj
(onrustig zijn, tobben) .
--- râgësjû + efruaxan (zij roerden zich). Qal perfectum derde
persoon meervoud. Hapax. LXX: fruattô (briesen, ongeduldig zijn). In twee verzen in de bijbel: (1) Ps
2,1. (2) Hnd
4,25. In Hnd
4,25 wordt Ps
gevangenneming, de ondervraging en de vrijlating van Petrus en Johannes.
- râqabh (rotten). רָקַב = râqabh (rotten). Taalgebruik in Tenakh: râqabh (rotten). Getalswaarde: resj = 20 of 200, qoph = 19 of 100, beth = 2 ; totaal: 41 OF 302 (2 X 151). Structuur: 2 - 1 - 2. De som van de elementen is telkens 5.
- רָקָב = râqâbh (verrotting, wormsteek, beeneter). Zie het werkw. רָקַב = râqabh (rotten). Taalgebruik in Tenakh: râqabh (rotten). Getalswaarde: resj = 20 of 200, qoph = 19 of 100, beth = 2 ; totaal: 41 OF 302 (2 X 151). Structuur: 2 - 1 - 2. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (1): Hab 3,16. וּרְקַב - ûrëqab (en een worm) < prefix verbindingswoord wë +. Tenakh (1) Spr 14,30. Een vorm van רָקָב = râqâbh: (1) Hos
5,12. (2) Job 13,28. (3) Spr 12,4. (4) Spr 14,30. (5) Hab 3,16.
- כְרָקָב = këqârâbh (als een worm). Tenakh (1): Job 13,28. וְכָרָקָב = wëkhârâqâbh (en als de worm) < prefix verbindingswoord wë en vergelijkingsletter kë en bepaald lidw. ha +. Tenakh (1): Hos
5,12. וּכְרָקָב = ûkhërâqâbh (en als een worm) < prefix verbindingswoord wë en vergelijkingsletter kë +. Tenakh (1): Spr 12,4.
- rëkhûs / rëkhusj (have, goederen, bezit, buit). rëkhûs / rëkhusj (have, goederen, bezit, buit). Taalgebruik in Tenakh: rëkhûs / rëkhusj (have, goederen, bezit, buit). Getalswaarde: resj = 20 of 200, kaph = 11 of 20, sjin = 21 of 300 ; totaal: 52 (2 X 26) OF 520 (52 X 10).
- rëkhûsjâm (hun bezittingen) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Tenakh (4): (1) Gn 12,5. (2) Gn 13,6. (3) Gn 36,7. (4) Gn 46,6. In al deze verzen wordt rëkhûsjâm (hun bezittingen) in de LXX vertaald door ta huparchonta autôn (het onderhorige aan hen).
- râmâh (Rama) . râmâh (Rama). Taalgebruiik in Tenakh: râmâh (Rama). Tenakh (8): (1) 1 S 1,19. (2) 1 S 2,11. (3) 1 S 7,17. (4) 1 S 8,4. (5) 1 S 15,34. (6) 1 S 16,13. (7) 1 S 19,18. (8) 1 S 19,22. hârâmâthâh (naar Rama / Armathaïm) < ha + stat. constructus van râmâh + richting -âh. Plaatsnaam.
- râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen). רָמַשׂ = râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen). Taalgebruik in Tenakh: râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen).
- הָרֹמֶשֶׂת = hâromèsjèth (de zich bewegende) < prefix bepaald lidw. + werkwoordvorm qal part. stat. absol. vr. enk. van het werkw. רָמַשׂ = râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen). Taalgebruik in Tenakh: râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen).
- וָרֶמֶשׂ = wârèmès (en het kruipend gedierte) < prefix wë + prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw.. Zie: רָמַשׂ = râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen). Taalgebruik in Tenakh: râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen).
- rânan (roepen, jubelen, jammeren). רָנַן = rânan (roepen, jubelen, jammeren).
- רָנּו (= rânnû: jubelt; wkw act qal imperat 2de pers mann mv van het wkw רָנַן = rânan: roepen, jubelen, jammeren). Taalgebruik in Tenach: rânan
(roepen, jubelen, jammeren). Getalwaarde: resj = 20 of 200, nun = 14
of 50; totaal: 48 OF 300. Structuur: 2 - 5 - 5. Tenach (3): (1) Js
44,23. (2) Js
49,13. (3) Jr
31,7.
- רָנִּי (= rânnî: jubel; wkw act qal imperatief 2de pers vr enk van het wkw רָנַן = rânan: roepen, jubelen, jammeren). Js
54,1. Tenach (5): (1) Js
54,1. (2) Sef
3,14. (3) Zach
2,14. (4) Ps
32,7. (5) Kl
2,19.
- wâronnî (en roept). Tenach (1): Js
12,6.
Taalgebruik in Tenakh: rânan
(roepen, jubelen, jammeren). Getalswaarde: resj = 20 of 200, nun = 14
of 50 ; totaal: 48 OF 300. Structuur: 2 - 5 - 5. De som van de elementen is telkens 3.
- act. qal imperatief 2de pers. vr. enk. rânnî van het werkw. Tenakh
(5): (1) Js
54,1. (2) Sef
3,14. (3) Zach
2,14. (4) Ps
32,7. (5) Kl
2,19. wâronnî (en roept). Tenakh (1): Js
12,6.
- act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. rânnû van het werkw. Tenakh
(3): (1) Js
44,23. (2) Js
49,13. (3) Jr
31,7.
Ps
145,7.
--- jërannenû (zij zullen bejubelen). Piel imperfectum derde persoon
meervoud. In elf verzen in de bijbel. In negen verzen in de Psalmen: (1) Ps 5,12. (2)
--- rânnû (jubelt). LXX: eufranthète ( eu - fra: goed spreken) eveneens in slechts één
vers in de bijbel. Vulgaat: exultate ; in twee verzen in de bijbel: (1) Jr
31,7. (2) Jr 46,9.
- רַק = raq (dun, mager; bijw.: slechts, alleen, maar)
- raq (dun, mager; bijw.: slechts, alleen, maar). רַק = raq (dun, mager; bijw.: slechts, alleen, maar). Taalgebruik in Tenakh: raq (dun, mager; bijw.: slechts, alleen, maar). Getalswaarde: resj = 20 of 200, qoph = 19 of 300 ; totaal: 39 (JHWH is één) OF 500. Structuur: 2 - 3. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (107). Pentateuch (41). Eerdere Profeten (43). Latere Profeten (2). 12 Kleine Profeten (1). Prof. (46). Geschriften (20).
- רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel)
- râqîa` (uitspansel). רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel). Taalgebruik in Tenakh: râqîa` (uitspansel). Tenakh (3): (1) Gn 1,6. (2) Gn 1,20. (3) Ez 1,22.
- הָרָקִיעַ = hârâqîa` (het uitspansel) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel). Taalgebruik in Tenakh: râqîa` (uitspansel).
- râsjâh (goddeloos, schuldig zijn). רָשָׁע = râsjâh (goddeloos, schuldig zijn). Taalgebruik in Tenakh: râsjâh (goddeloos, schuldig zijn). Getalswaarde: resj = 20 of 200, sjin = 21 of 300, ajin = 16 of 70
; totaal: 57 of 516. Structuur: 2 - 3 - 7. De som van de elementen is telkens 3.
--- râsj`â (goddeloos, slecht) .
--- rësjâ`îm (goddelozen). In 103 verzen in de bijbel. In
veertig verzen in de Psalmen: (1) Ps
1,1. (2) Ps
1,5. (3) Ps
1,6.
--- Met lidwoord härësjâ`îm (de goddelozen). In acht
verzen in de bijbel. In drie verzen in de Psalmen: (1) Ps
1,4. Ps
145,20.
- râtsab (doden, moorden). râtsab (doden, moorden)
- hannirëtsâchâh (de vermoorde) < bepaald lidw. ha + passief nifal part. vr. enk.. Tenakh (1): Re 20,4.
- râtsâh (welgevallen). r-ts-h. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. râtsâh (hij heeft welgevallen). (2) act. imperat. 2de pers. mann. enk. rëtseh (wees genadig). רָצָה = râtsâh (welgevallen). Taalgebruik in Tenakh: râtsâh
(welgevallen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, tsade = 18 of 90, he =
5 ; totaal: 43 of 295 (5 X 29). Structuur: 2 - 9 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (4): (1) Ps
40,14. (2) Ps
119,108. (3) Pr 9,7. (4) 1 Kr 28,4. In twee verzen vertaalt de LXX de
imperatief aorist tweede persoon enkelvoud: eudokèson.
- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. râtsëthâh (zij welgevalt). Tenakh (3): (1) Js
42,1. (2) Jr
12,5. (3) 2
Kr 36,21 .
- רָצַץ = râtsats (knakken, verbreken, verdrukken)
- râtsats (knokken, verbreken,
verdrukken). רָצַץ = râtsats (knakken, verbreken, verdrukken). Taalgebruik
in Tenakh: râtsats
(knakken, verbreken, verdrukken). Getalswaarde: resj = 20 of 200, tsade
= 18 of 90 ; totaal: 56 (2³ X 7) OF 380 (2² X 5 X 19). Structuur: 2 - 9 - 9. De som van de elementen is telkens 2.
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jârûts (hij zal breken)
van het werkw.
- passief qal part. mann. enk. ratsûts (geknakt). Tenakh (2): (1) Js
42,3. (2) Hos
5,11. Een vorm van râtsats (knakken, verbreken, verdrukken) in Jesaja
(4): (1) Js
36,6. (2) Js
42,3. (3) Js
42,4. (4) Js
58,6.
- = râtsôn (welgevallen, gunst, genade). Zie het werkw. r-ts-h. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. râtsâh (hij heeft welgevallen). (2) act. imperat. 2de pers. mann. enk. rëtseh (wees genadig). רָצָה = râtsâh (welgevallen). Taalgebruik in Tenakh: râtsâh (welgevallen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, tsade = 18 of 90, he = 5 ; totaal: 43 of 295 (5 X 29). Structuur: 2 - 9 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (18). Pentateuch (1): Dt 33,23. Js (4): (1) Js 49,8. (2) Js 58,5. (3) Js 60,7. (4) Js 61,2.
- δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar). Zie het werkw. δεχομαι = dechomai (ontvangen, aanvaarden). Taalgebruik in het NT: dechomai (ontvangen). Taalgebruik in de LXX: dechomai (ontvangen). Bijbel (5): (1) Dt 33,24. (2) Spr 12,22. (3) Spr 14,35. (4) Lc 4,24. (5) Hnd 10,35. Een vorm van δεκτος = dektos in de LXX (34), in het NT (5): (1) Lc 4,19. (2) Lc 4,24. (3) Hnd 10,35. (4) 2 Kor 6,2. (5) Fil 4,18.
- acc. mann. enk. δεκτον = dekton van het bijvoegl. naamw. δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar). Zie het werkw. δεχομαι = dechomai (ontvangen, aanvaarden). Taalgebruik in het NT: dechomai (ontvangen). Taalgebruik in de LXX: dechomai (ontvangen). Bijbel (12): (1) Ex 28,38. (2) Lv 1,3. (3) Lv 1,4. (4) Lv 17,4. (5) Lv 22,20. (6) Lv 22,21. (7) Lv 22,29. (8) Lv 23,11. (9) Js 61,2. (10) Mal 2,13. (11) Spr 11,1. (12) Lc 4,19. Een vorm van δεκτος = dektos in de LXX (34), in het NT (5): (1) Lc 4,19. (2) Lc 4,24. (3) Hnd 10,35. (4) 2 Kor 6,2. (5) Fil 4,1 .
- ενδεκτος = endektos (aanvaardbaar, aannemelijk) < en - dektos. Een vorm van ενδεκτος = endektos in de LXX (0), in het NT (0). Lett. aan-vaardbaar (en-dektos).
- ενδεχομαι = endechomai (aanvaarden, aannemen, ontvangen). Een vorm van ενδεχομαι = endechomai in de LXX (2): (1) Da 2,11. (2) 2 Mac 11,18, in het NT (1): Lc 13,33.
- Bijwoord ενδεχομενως = endechomenôs (aannemelijk, aanvaardbaar). Een vorm van ενδεχομενως = endechomenôs in de LXX (1): 2 Mac 13,26, in het NT (0).
- acc. onz. enk. ανενδεκτον = anendektos (onaannemelijk, onontvankelijk) van het bijvoegl. naamw. ανενδεκτος = anendektos < an - en - dektos. In de Bijbel slechts in Lc 17,1.
- De keuze voor het hapax ανενδεκτον = anendektos (onaannemelijk, onontvankelijk) werd misschien bepaald door δεκτον = dekton (ontvankelijk, aanvaardbaar) van Lc 4,19, waar de messiaanse tijd wordt aangekondigd. Zo zouden de 'kleinen ' misschien de blinden, de lammen enz. zijn. Lv 19 bevat eveneens een aantal voorschriften voor gedragingen onder elkaar .
- Waar brengt ons dit heen ? In Js 61,2 lezen we dat een genadejaar wordt aangekondigd ; daar vinden we δεκτον = dekton (aannemelijk, aanvaardbaar, ontvankelijk). Bij het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret wordt Js 61,2 geciteerd. Aldus vinden we δεκτον = dekton (aannemelijk, aanvaardbaar, ontvankelijk) in Lc 4,19. En verwijzend naar Lc 4,19 zegt Jezus dat niemand een aannemelijke profeet in zijn vaderstad is (Lc 4,24). Wat houdt dat genadejaar in ? Blinden zien, doven horen en aan armen wordt de blijde boodschap verkondigd. Het programma van de messiaanse profeet en de aankondiging van de messiaanse tijden. Dat programma wordt nog eens herhaald aan de boden van Johannes de Doper (Lc 7,22). Verband is er ook met ευδοκια = eudokia (welwillendheid, goedgunstigheid) o.a. van Lc 2,14 (kerstverhaal) en met ευδοκεω = eudokeô (instemmen, een welbehagen vinden in) o.a. van Lc 3,22 (verhaal van de doop van Jezus).
- rèchèm (moederschoot, barmhartigheid, genade). rèchèm (moederschoot, barmhartigheid, genade). Taalgebruik in Tenakh: rèchèm (moederschoot, barmhartigheid, genade). Getalswaarde: resj = 20 of 200, chet = 8, mem = 13 of 40 ; totaal: 41 OF 248 (2³ X 31). Structuur: 2 - 8 - 4.
- rachämâ(j)w (zijn genaden) < zelfst. naamw. mann. mv. stat. constr. + prefix waw van het zelfst. naamw. Tenakh (5): (1) Gn 43,30. (2) Am 1,11. (3) Ps 77,10. (4) Kl
3,22. (5) 1 Kr 21,13.
רֵאשִׁית (= re´sjîth: begin). Taalgebruik in Tenakh: re´sjîth (begin). Getalswaarde re´sjîth: resj = 20 of 200, aleph = 1, sjin = 21 of 300, jod = 10, taw = 22 of 400. Totaal: 74 (2 X 37, zie 37) OF 911 (priemgetal). Structuur: 2 - 1 - 3 - 1 - 4. Som van de elementen is telkens 11 -> 2. Ps (3): (1) Ps 78,51. (2) Ps 105,36. (3) Ps 111,10.
| re´sjîth (begin) | bijbel | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | 1 S | 2 Kr | Neh | Job | Ps | Spr | Jr | Ez | Am | Mi |
| re´sjîth | 28 | 1 | 2 | 2 | 2 | 4 | 1 | 1 | 1 | 1 | 3 | 4 | 2 | 2 | 1 | 1 |
| bëre´sjîth | 5 | 1 | 4 |
- רֶגֶל = règèl (voet, voetstap)
- règèl (voet, voetstap). רֶגֶל = règèl (voet, voetstap). Taalgebruik in Tenakh: règèl (voet, voetstap). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ghimel = 3, lamed = 12 of 30 ; totaal: 35 (5 X 7) OF 233 (priemgetal). Structuur: 2 - 3 - 3. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (22). Pentateuch (5).
- רַגְלָיו = ragëlâ(j)w (zijn voeten) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3e pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. רֶגֶל = règèl (voet, voetstap). Taalgebruik in Tenakh: règèl (voet, voetstap). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ghimel = 3, lamed = 12 of 30 ; totaal: 35 (5 X 7) OF 233 (priemgetal). Structuur: 2 - 3 - 3. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (34).
- Ned.: voet, poot. Arabisch: رِجْل - أرْجُل = rigl / ´rgûl. Aramees: רִגְלָא of רַגְלָא (rigëlâ' of ragëlâ'). D.: Fuss. E.: foot. Fr.: pied. Grieks: πους = pous, ποδος = podos (voet). Taalgebruik in het NT: pous, podos (voet). Hebreeuws: רֶגֶל = règèl (voet, voetstap). Taalgebruik in Tenakh: règèl (voet, voetstap). Latijn: pes, -dis. (p - f - v ; d - t). Het Latijnse regula betekent: lat, liniaal, maatstaf, richtsnoer, regel. Een lengtemaat was b.v. zoveel voet. Zie website: https://nl.wikipedia.org/wiki/Voet_(lengtemaat) .
- עַל רַגְלָיו = `al ragëlâ(j)w (bij zijn voeten). Tenakh (6): (1). (2). (3). (4). (5). (6).
-
- rë´ûbhen (Ruben). רְאוּבֵן = rë´ûbhen (Ruben). Taalgebruik in Tenakh: rë´ûbhen (Ruben). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, waw = 6, ben = 2, nun = 14 of 50 ; totaal: 43 OF 259 (7 X 37). Structuur: 2 - 1 - 6 - 2 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (65). Pentateuch (34). Eerdere
Profeten (22). Latere Profeten (3). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (6). Gn (12): (1) Gn 29,32. (2) Gn 30,14. (3) Gn 35,22. (4) Gn 35,23. (5) Gn 37,21. (6) Gn 37,22. (7) Gn 37,29. (8) Gn 42,22. (9) Gn 42,37. (10) Gn 46,8. (11) Gn 46,9. (12) Gn 49,3. Ex (2): (1) Ex 1,2. (2) Ex 6,14. רְאוּבֵן = rë´ûbhen < act. imper. 2de pers. mann. mv. רְאוּ = rë´û (ziet) en בֵן = ben (zoon) -> ziet een zoon.
- De etymologische verklaring van Gn 29,32 is: kî râ´âh JHWH bë`ânëjî (want JHWH keek naar mijn vernedering). In râ´âh (hij keek) zit de resj en de aleph ; in bë`ânëjî (naar mijn vernedering) de beth, de o-klank (`ânë), de nun. Hij is de oudste zoon van Lea, dochter van Laban en de oudere zus van Rachel en Jakob (zoon van Izaak). Hij is Jakobs eerstgeborene. Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn: Simeon, Levi, Juda, Issakar, Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa, de bijvrouw van Lea, en Jakob zijn: Gad en Neftali. In Nu 32 spreken de Rubenieten tot Mozes hun wens uit om zich in het Overjordaanse te vestigen. In Joz 22 hebben zij zich er gevestigd.
- bhëne(j) rë´ûbhen (zonen van Ruben). Tenakh (4): (1) Nu 1,20. (2) Joz 13,15. (3) Joz 22,10. (4) Joz 22,11. Verder Tenakh (18). ûbhëne(j) rë´ûbhen (en zonen van Ruben). Tenakh (7): (1) Gn 46,9. (2) Nu 32,2. (3) Nu 32,25. (4) Nu 32,29. (5) Nu 32,31 Nu 32,31. (6) Nu 32,37. (7) 1 Kr 5,1.
- rë`ûth (streven). rë`ûth (streven). Taalgebruik in Tenakh: rë`ûth (streven). Getalswaarde: resj = 20 of 200, ajin = 16 of 70, thaw = 22 of 400 ; totaal: 58 (2 X 29) OF 670 (2 X 5 X 67). Structuur: 2 - 7 - 4.
- ûrë`ûth (en het streven) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. Tenakh (8): (1) Pr 1,14. (2) Pr 2,11. (3) Pr 2,17. (4) Pr 2,26. (5) Pr 4,4. (6) Pr 4,6. (7) Pr 4,16. (8) Ezr 5,17.
- ribhëqâh (Rebekka). רִבְקָה = ribhëqâh (Rebekka). Taalgebruik in Tenakh: ribhëqâh (Rebekka). Getalswaarde: resj = 30 of 200, beth = 2, qoph = 19 of 100, he = 5; totaal: 56 (2³ X 7) OF 307 (priemgetal). Structuur: 2 - 2 - 1 - 5. Tenakh (21): (1) Gn 22,23. (2) Gn 24,15. (3) Gn 24,30. (4) Gn 24,45. (5) Gn 24,51. (6) Gn 24,59. (7) Gn 24,60. (8) Gn 24,61. (9) Gn 24,64. (10) Gn 24,67. (11) Gn 25,20. (12) Gn 25,21. (13) Gn 26,7. (14) Gn 26,8. (15) Gn 27,11. (16) Gn 27,15. (17) Gn 27,46. (18) Gn 28,5. (19) Gn 29,12. (20) Gn 35,8. (21) Gn 49,31. Rebekka was de kleindochter van Milka en Nachor (broer van Abram / Abraham), de dochter van Betuël (de jongste zoon van Milka en Nachor). We weten niet wie de moeder van Rebekka is. Ze was de broer van Laban. Zij was de echtgenote van Isaak en de moeder van Esau en Jakob.
- ´ächôth lâbhân (de zuster van Laban). Tenakh
(1) Gn 25,20. lâbhân ´ächî (Laban, mijn broer). Tenakh (2): (1) Gn
27,43. (2) Gn
28,2. ´ächî lâbhân (de broer van Rebekka). Tenakh (1) Gn
28,5. ´ächî ´immô (de broer van zijn moeder). Tenakh (1) Gn
29,10. bên ´ächothô (de zoon van zijn zuster). Tenakh (1) Gn
29,13.
- ´em ja`äqoph wë`eshâw (de moeder van Jakob en Esau). Tenakh (1) Gn
28,5.
- bath bëthû´el (dochter van Betuël). Tenakh (3): (1) Gn 24,24. (2) Gn
24,47. (3) Gn
25,20.
- ´èth ribhëqâh (Rebekka). Tenakh (6): (1) Gn
22,23. (2) Gn
24,59. (3) Gn
24,60. (4) Gn
24,61. (5) Gn
24,67. (6) Gn
25,20.
- lëribhëqâh (tot Rebekka). Tenakh (3): (1) Gn
24,53. (2) Gn
24,58. (3) Gn
27,42.
-- ûlëribhëqâh (en tot Rebekka). Tenakh (2): (1) Gn
24,29. (2) Gn
26,35.
- wëribhëqâh (en Rebekka) .Tenakh (3): (1) Gn
25,28. (2) Gn
27,5. (3) Gn
27,6.
- ri´sjonâh (de eerste,
de vroegere). ri´sjonâh (de eerste, de vroegere). Taalgebruik
in Tenakh: ri´sjonâh
(de eerste, de vroegere). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1,
sjin = 21 of 300, nun = 14 of 50, he = 5 ; totaal: 61 of 556. Structuur: 2 - 1 - 3 - 5 - 5.
- bepaald lidwaard ha + zelfst. naamw. vr. m v. hâri´sjonôth
(de eerste, vroegere dingen). Tenakh (6): (1) Gn
41,20. (2) Js
41,22. (3) Js
42,9. (4) Js
48,3. (5) Js
65,16. (6) Js
65,17.
- ro´sj (hoofd, top, begin). רֹאשׁ = ro´sj (hoofd, top, begin). Taalgebruik in Tenakh: ro´sj (hoofd, top, begin). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, sjin = 21 of 300 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 501 (3 X 167). Structuur: 2 - 1 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (148). Pentateuch (51). Eerdere Profeten (32). Latere Profeten (26). 12 Kleine Profeten (6). Geschriften (33). Gn (5): (1) Gn 3,15. (2) Gn 40,20. (3) Gn 47,31. (4) Gn 48,14. (5) Gn 48,17.
- הָרֹאשׁ = hâro´sj (het hoofd) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. mann. enk. רֹאשׁ = ro´sj (hoofd, top, begin). Taalgebruik in Tenakh: ro´sj (hoofd, top, begin). Getalswaarde: resj = 20 of 200, aleph = 1, sjin = 21 of 300 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 501 (3 X 167). Structuur: 2 - 1 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (39). Ps (1).
- rîq (leeg, ledigheid,
ijdelheid, nietigheid). rîq (leeg, ledigheid, ijdelheid, nietigheid). Taalgebruik in Tenakh: rîq
(leeg, ledigheid, ijdelheid, nietigheid). Getalswaarde: resj = 20 of 200, jod = 10, qoph = 19 of 100 ; totaal: 49 OF 319. Structuur: 2 - 1 - 1.
lërîq / lârîq (vergeefs, tot niets) < voorzetsel lë
+. Tenakh (5): (1) Lv
26,16. (2) Lv
26,20. (3) Js
49,4. (4) Js
65,23. (5) Job
39,16.
- רוּע = rw` (luid schreeuwen, juichen)
- rw` (luid schreeuwen, juichen). רוּע = rw` (luid schreeuwen, juichen). Taalgebruik in Tenakh: rw` (luid schreeuwen, juichen). Getalswaarde: resj = 20 of 200 ; waw = 6, ajin = 16 of 70 ; totaal: 42 OF 276. Structuur: 2 - 6 - 7. De som van de elementen is telkens 7.
- act. hifil jiqtol (imlperf.) 2de pers. mann. mv. תּרִימוּ = thârîmû (jullie zullen juichen) van het werkw. רוּע = rw` (luid schreeuwen, juichen). Taalgebruik in Tenakh: rw` (luid schreeuwen, juichen). Tenakh (2): (1) Nu 10,7. (2) Joz 6,10.
- act. hifil imperat. 2de pers. mann. mv. hârî`û (verheugt
jullie). Tenakh (12): (1) Joz
6,10. (2) Joz
6,16. (3) Js
44,23. (4) Jr
50,15. (5) Hos
5,8. (6) Sef
3,14. (7) Ps
47,2. (8) Ps
66,1. (9) Ps
81,2. (10) Ps
98,4. (11) Ps
98,6. (12) Ps
100,1. wëhârî`û (en verheugt jullie). Tenakh: Jl
2,1.
- act. hifil imperat. 2de pers. vr. enk. hârî`î (verheug je). Tenakh (1): Zach
9,9.
- vr. enk. תְרוּעָה = thërû`âh (gejuich, krijgsgeschreeuw). Zie:
- רוַח = rûach (geest)
- rûach (geest). Pentateuch (19). Eerdere Profeten (33). Latere Profeten (65). 12 Kleine Profeten (19). Geschriften (68). Pentateuch (19): (1) Gn 6,17. (2) Gn 7,15. (3) Gn 7,22. (4) Gn 8,1. (5) Gn 26,35. (6) Gn 41,38. (7) Gn 45,27. (8) Ex 6,9. (9) Ex 10,13. (10) Ex 10,19. (11) Ex 28,3. (12) Ex 31,3. (13) Ex 35,31. (14) Nu 5,14. (15) Nu 5,30. (16) Nu 14,24. (17) Nu 24,2. (18) Nu 27,18. (19) Dt 34,9. Js (28). Js 1-39 (13): (1) Js 7,2. (2) Js 11,2. (3) Js 17,13. (4) Js 19,3. (5) Js 19,14. (6) Js 25,4. (7) Js 26,18. (8) Js 29,10. (9) Js 29,24. (10) Js 31,3. (11) Js 32,2. (12) Js 32,15. (13) Js 37,7. Js 40-66 (15): (1) Js 40,7. (2) Js 40,13. (3) Js 41,29. (4) Js 54,6. (5) Js 57,13. (6) Js 57,15. (7) Js 57,16. (8) Js 59,19. (9) Js 61,1. (10) Js 61,3. (11) Js 63,10. (12) Js 63,11. (13) Js 63,14. (14) Js 65,14. (15) Js 66,2.
- בָרוּחַ / בְרוּחַ= bërûach / bârûach (in een geest van / in de geest van) < prefix voorzetsel bë + eventeel het bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest). Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest). Getalswaarde: resj = 20 of 200. waw = 6. chet = 8. Totaal: 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107). Structuur: 2 - 6 - 8. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (204). Pentateuch (19). Eerdere Profeten (33). Latere Profeten (65). 12 Kleine Profeten (19). Geschriften (68). Tenakh (10): (1) Ex 14,21. (2) 1 K 19,11. (3) Js 4,4. (4) Ez 11,24. (5) Ez 37,1. (6) Ps 48,8. (7) Spr 15,4. (8) Job 15,30. (9) Pr 8,8. (10) 1 Kr 28,12.
- הָרוּחַ = hârûach (de wind, de geest) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest). Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest). Getalswaarde: resj = 20 of 200. waw = 6. chet = 8. Totaal: 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107). Structuur: 2 - 6 - 8. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (14): (1) Nu 11,17. (2) Nu 11,25. (3) Nu 11,26. (4) 1 K 19,11. (5) 1 K 22,21. (6) Ez 1,12. (7) Ez 1,20. (8) Ez 37,9. (9) Ez 37,10. (10) Hos 9,7. (11) Pr 1,6. (12) Pr 8,8. (13) Pr 11,5. (14) 2 Kr 18,20.
- w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach
= en ruimte, verademing). wërûach(en geest): nevenschikkend voegw.
wë + zelfst. naamw. rûach (geest). Tenakh (39). Js (2): (1) Js
41,16. (2) Js
42,5.
- rûchî (mijn geest). Tenakh (31). Js (5): (1) Js
26,9. (2) Js
30,1. (3) Js
38,16. (4) Js
42,1. (5) Js
44,3. (6) Js
59,21.
- rûchô (zijn geest). Tenakh (15). Js (1): Js
11,15.
w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach = en ruimte, verademing). = wërûach (en geest) < prefix nevenschikkend voegw. wë + zelfst. naamw. rûach (geest). Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest). Taalgebruik in Rechters: rûach (geest). Getalswaarde: resj = 20 of 200. waw = 6. chet = 8. Totaal: 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107). Structuur: 2 - 6 - 8.
LXX: pneuma (geest). Taalgebruik in de Septuaginta: pneuma (geest). Taalgebruik in het NT: pneuma (geest). Lat. spiritus. Fr. esprit. E. spirit. Ned. geest. D. Geist. wërûach (en geest) in Tenakh (39). Pentateuch (4): Gn (2): (1) Gn 1,2. (2) Gn 32,17 (wërèwach: en ruimte). (3) Ex 10,13. (4) Nu 11,31.
rûchî (mijn geest) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk.. Tenakh (31). Pentateuch (1). Eerdere Profeten (0). Latere Profeten (10). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (17). 12 Kleine Profeten (3): (1) Jl 3,1. (2) Jl 3,2. (3) Zach 6,8. Pentateuch (1) Gn 6,3. Pr (13): (1) Pr 1,14. (2) Pr 1,17. (3) Pr 2,11. (4) Pr 2,17. (5) Pr 2,26. (6) Pr 3,21. (7) Pr 4,4. (8) Pr 4,6. (9) Pr 4,16. (10) Pr 6,9. (11) Pr 7,8. (12) Pr 10,4. (13) Pr 11,4. Een vorm van pneuma (geest) in het NT (379), in de LXX (382), in de Pentateuch (26), Gn (7): (1) Gn 1,2. (2) Gn 6,3. (3) Gn 6,17. (4) Gn 7,15. (5) Gn 8,1. (6) Gn 41,38. (7) Gn 45,27 .
- bô rûach (in hem een geest). Tenakh (4): (1) Gn
6,17. (2) Gn
7,15. (3) 2
K 19,7. (4) Js
37,7.
- liphëne(j) rûach (voor het aanschijn van de wind). Tenakh (4): (1) Job
21,18. (2) Ps
35,5. (3) Ps
83,14. (4) Js
17,13.
- rûach chôkëmâh (geest van wijsheid). Tenakh (3):
(1) Ex 28,3
(LXX: pneumatos aisthèseôs. Vulgaat: spiritu prudentiae). (2)
Dt 34,9
(LXX: pneumatos suneseôs. Vulgaat: spiritu sapientiae). (3) Js
11,2 (LXX: pneuma sofias. Vulgaat: spiritus sapientiae) .0
- אֲדֹנָי רוַח = rûach ´ädonâj (de geest van mijn Heer). Slechts in
Js 61,1.
- יהוה רוַח = rûach JHWH (de geest van JHWH). Tenakh (23) (niet in de Pentateuch): (1) Re
3,10. (2) Re
11,29. (3) Re
13,25. (4) Re
14,6. (5) Re
14,19. (6) Re
15,14. (7) 1
S 10,6. (8) 1
S 16,13. (9) 1
S 19,9. (10) 2 S 23,2. (11) 1
K 22,24. (12) 2
K 2,15. (13) 2
Kr 18,23. (14) 2
Kr 20,14. (15) Js
11,2. (16) Js
40,7. (17) Js
40,13. (18) Js
59,19. (19) Js
63,14. (20) Ez
11,5. (21) Hos
13,15. (22) Mi
2,7. (23) Mi
3,8.
- יהוה וְרוַח = wërûach JHWH (en de geest van JHWH). Tenakh (3): (1) Re
6,34. (2) 1
S 16,14. (3) 1
K 18,12.
- waththitsëlach `âlâ(j)w rûach JHWH (en
de geest van JHWH werd vaardig / kwam over hem). Tenakh (3): (1) Re
14,6. (2) Re
14,19. (3) Re
15,14.
- waththitsëlach rûach JHWH ´èl dâwid (en de geest
van JHWH werd vaardig / kwam over David). Tenakh (1) 1
S 16,13.
- waththitsëlach rûach JHWH `al sjâ´ûl (en de geest
van JHWH werd vaardig / kwam over Saul). Tenakh (1) 1
S 11,6.
- waththitsëlach rûach ´èlohîm râ`âh
´èl sjâ´ûl (en een slechte geest van JHWH werd
vaardig / kwam bij Saul). Tenakh (1) 1
S 18,10.
- waththitsëlach `âlâ(j)w rûach ´èlohîm
(en de geest van God werd vaardig / kwam over hem). Tenakh (1) 1
S 10,10.
- wëtsâlëchâh `âlè(j)khâ rûach
JHWH (en de geest van JHWH zal vaardig worden / komen over jou). Tenakh (1)
1 S 10,6.
- יהוה רוַח = rûach ´èlohîm (de geest van God). Tenakh (13). Pentateuch (4): (1) Gn
41,38. (2) Ex
31,3. (3) Ex
35,31. (4) Nu 24,2. (5) 1
S 10,10. (6) 1
S 11,6. (7) 1
S 16,15. (8) 1
S 16,16. (9) 1
S 16,23. (10) 1
S 18,10. (11) 1
S 19,20. (12) 1
S 19,23. (13) 2
Kr 15,1.
- יהוה וְרוַח = wërûach ´èlohîm (en de geest van
God). Tenakh (2): (1) Gn
1,2. (2) 2
Kr 24,20 .
Js (23). Js 1-39 (11). Js 40-66 (12): (1) Js 40,10. (2) Js 48,16. (3) Js 49,22. (4) Js 50,4. (5) Js 50,5. (6) Js 50,9. (7) Js 52,4. (8) Js 56,8. (9) Js 61,1. (10) Js 61,11. (11) Js 65,11. (12) Js 65,11.
- ûlërûach (en tot een geest). Tenakh (2): (1) Js 28,6. (2) Job 6,26.
- waththëhî `âlâ(j)w rûach ´èlohîm
(en de geest van God was over / op hem). Tenakh (2): (1) Nu
24,2. (2) 1
S 19,23: waththëhî `âlâ(j)w gâm hû´
rûach ´èlohîm (en de geest van God was over / op hem,
ook op hem).
- waththëhî `al ... rûach ´èlohîm (en de
geest van God was op de mannen van Saul). Tenakh (1) 1
S 19,20.
- waththëhî `âlâ(j)w rûach JHWH (en de geest van
JHWH was over / op hem). Tenakh (1) Re
3,10.
-- waththëhî rûach JHWH râ`âh ´èl
sjâ´ûl (en een slechte geest van JHWH was over / op Saul). Tenakh (1) 1
S 19,9.
-- waththëhî `al jiphëthâch rûach JHWH (en de geest
van JHWH was over / op Jefta). Tenakh (1) Re
11,29 .
-- hâjëthâh `âlâ(j)w rûach JHWH (en de geest
van JHWH zal zijn over / op hem). Tenakh: (12) 2
K 2,15. (14) 2
Kr 20,14 (rûach ´èlohîm = de geest van God) .
- bihëjôth `âlè(j)khâ rûach ´èlohîm
(in het zijn over jou de geest van God). Tenakh (1) (8) 1
S 16,16.
- wëhâjâh bihëjôth rûach ´èlohîm´èl
sjâ´ûl (en het was in het zijn tot Saul de geest van God). Tenakh (1) 1
S 16,23.
- waththëhî `âlâ(j)w jâd JHWH (en de hand van JHWH
was op hem). Tenakh (2): (1) 2
K 3,15. (2) Ez
1,3: waththëhî `âlâ(j)w sjâm jâd JHWH
(en de hand van JHWH was daar op hem).
- wëlo´rûach (en niet een geest). Tenakh (3): (1) Js
31,3. (2) Jr
10,14. (3) Jr
51,17.
rûach (geest). Taalgebruik in Tenach: rûach
(geest). Taalgebruik in Jesaja: rûach
(geest). Getalwaarde: resj = 20 of 200. waw = 6. chet = 8. Totaal:
34 (2 X 17) of 214 (2 X 107). Structuur: 2 - 6 - 8. Gr. pneuma (geest). Taalgebruik in de Septuaginta: pneuma
(geest). Taalgebruik in het N.T.: pneuma
(geest). Lat. spiritus. Fr. esprit. E. spirit. Ned. geest. D. Geist. Een vorm van pneuma (geest) in de LXX (382), in het N.T. (379). Tenach (204). Pentateuch (19). Js (28). Js 1-39 (13): (1) Js
7,2. (2) Js
11,2. (3) Js
17,13. (4) Js
19,3. (5) Js
19,14. (6) Js
25,4. (7) Js
26,18. (8) Js
29,10. (9) Js
29,24. (10) Js
31,3. (11) Js
32,2. (12) Js
32,15. (13) Js
37,7. Js 40-66 (15): (1) Js
40,7. (2) Js
40,13. (3) Js
41,29. (4) Js
54,6. (5) Js
57,13. (6) Js
57,15. (7) Js
57,16. (8) Js
59,19. (9) Js
61,1. (10) Js
61,3. (11) Js
63,10. (12) Js
63,11. (13) Js
63,14. (14) Js
65,14. (15) Js
66,2.
- w-r-û-ch (wërûach = en een geest OF wërèwach
= en ruimte, verademing). wërûach(en geest): nevenschikkend voegw.
wë + zelfst. naamw. rûach (geest). Tenach (2): (1) Js
41,16. (2) Js
42,5.
- rûchî (mijn geest). Tenach (31). Js (5): (1) Js
26,9. (2) Js
30,1. (3) Js
38,16. (4) Js
42,1. (5) Js
44,3. (6) Js
59,21.
- rûchô (zijn geest). Tenach (15). Js (1): Js
11,15.
- רוּם = rûm (zich verheffen, opstaan)
- rûm (zich verheffen, opstaan). רוּם = rûm (zich verheffen, opstaan). Taalgebruik in Tenakh: rûm (zich verheffen, opstaan). Getalswaarde: resj = 20 of 200, waw = 6, mem = 13 of 40 ; totaal: 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41). Structuur: 2 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 3.
-- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. = râmâh (zij verheft zich). r-m-h: Tenakh (19): (1) Ex 14,8. (2) Ex 15,1. (3) Ex 15,21. (4) Nu 15,30. (5) Nu 33,3. (6) Dt 32,27. (7) 1 S 2,1. (8) Js 14,11. (9) Js 26,11. (10) Ez 6,13. (11) Ez 16,24. (12) Ez 20,28. (13) Ez 34,6. (14) Spr 26,19. (15) Job 7,5. (16) Job 24,20. (17) Job 25,6. (18) Job 38,15. (19) Neh 11,33.
-- act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. jârîm (ik zal verheffen) van het werkw. rûm (zich verheffen, opstaan). Taalgebruik in Tenakh: rûm (zich verheffen, opstaan). Tenakh (9): (1) Gn 41,44. (2) Ex 17,11. (3) Lv 4,8. (4) Lv 4,19. (5) 1 S 2,8. (6) Ps 75,8. (7) Ps 110,7. (8) Ps 113,7. (9) Job 39,27.
- wëjârem (hij verheft) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk.. w-j-r-m: Tenakh (18):: (1) Ex 7,20. (2) Ex 16,20. (3) Nu 17,2. (4) Nu 20,11. (5) Nu 24,7. (6) 1 S 2,10. (7) 1 S 9,24. (8) 2 S 22,47. (9) 1 K 11,26. (10) 2 K 2,13. (11) 2 K 17,27. (12) Ez 10,4. (13) Hos 13,6. (14) Ps 64,8. (15) Ps 148,14. (16) Da 12,7. (17) 1 Kr 26,25. (18) 2 Kr 35,7. wëjârem, o.a. 1 S 2,10.
- act. hifil iqtol (imperf.) 2de pers. mann. enk. en 3de pers. vr. enk. תָּרִים = thârîm (jij /zij zal heffen) van het werkw. רוּם = rûm (zich verheffen, opstaan). Taalgebruik in Tenakh: rûm
(zich verheffen, opstaan). Getalswaarde: resj = 20 of 200, waw = 6, mem
= 13 of 40 ; totaal: 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41). Structuur: 2 - 6 -
4. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (1): Ps 89,18.
- תָּרִים קַרְנֵֽנוּ׃ (jij zult mijn hoorn verheffen). Tenakh (1): Ps 89,18.
- act. hifil imperf. 2de pers. mann. mv. תָּרִימוּ = thârîmû (jullie zullen heffen) van het werkw. רוּם = rûm (zich verheffen, opstaan). Taalgebruik in Tenakh: rûm
(zich verheffen, opstaan). Getalswaarde: resj = 20 of 200, waw = 6, mem
= 13 of 40 ; totaal: 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41). Structuur: 2 - 6 -
4. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (11).
- תָּרִימוּ תְרוּמָה = thârîmû thërûmâh (jullie zullen heffen een heffing). Tenakh (3): (1) Nu 15,19. (2) Nu 15,20. (3) Ez 45,1.
- wërômamëthî (ik doe opstaan, ik voed op) < wë
+ act. piël 1ste pers. enk.. Tenakh (1): Js
1,2 .
- act. piel part. mann. enk. mërômem (doen opstaande). Tenakh (1): 1
S 2,7.
´ärômimëkhâ (ik zal je verheffen). Getalswaarde
van ´ärômimëkhâ (ik zal je verheffen): aleph =
1, resj = 20 of 200, waw = 6, mem = 13 of 40, kaph = 11 of 20 ; totaal:
64 of 267. Polal imperfectum eerste persoon enkelvoud. aleph van de eerste
persoon. Verdubbeling van de mem. In Js
25,1. In drie verzen in de Psalmen: (1) Ps
30,2. (2) Ps
118,28. (3) Ps
145,1. Verwijzing: rwm
(zich verheffen, verheven zijn), zie Ps
145,1. Getalswaarde van rwm (zich verheffen, verheven zijn): resj = 20
of 200, waw = 5, mem = 13 of 40 ; totaal: 38 of 245. Exaltare = uitheffen, opheffen. In vier verzen in de bijbel .
- râmâh (hoogte, offerhoogte). In negentien verzen in de bijbel.
- bârâmâh (in Rama). In twaalf verzen in de bijbel: (1)
Re 19,13. (2)
- rûm / rum (hoogte, hoogmoed,
trots). rûm / rum (hoogte, hoogmoed, trots). Taalgebruik in Tenakh: rûm
/ rum (hoogte, hoogmoed, trots). Getalswaarde: resj = 20 of 200, waw =
6, mem = 13 of 40 ; totaal: 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41). Structuur:
2 - 6 - 4.
- r-w-m. Tenakh (6). Js (3): (1) Js
2,11. (2) Js
2,17. (3) Js
10,12.
- תְרוּמָה = thërûmâh (heffing, afzondering, gave). Zie het werkw. רוּם = rûm (zich verheffen, opstaan). Taalgebruik in Tenakh: rûm (zich verheffen, opstaan).
- רוּן= rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen)
- rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen). רוּן= rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen). Taalgebruik in Tenakh: rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen). Getalswaarde: resj = 20 of 200, waw = 6, nun = 14 of 50 ; totaal: 40 OF 256. Structuur: 2 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 4.
- act. qal ind. jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. רָן = rân (hij juichte) van het werkw. רוּן= rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen). Taalgebruik in Tenakh: rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen).
- rûth (Ruth). רוּת = rûth (Ruth). Taalgebruik in Tenakh: rûth (Ruth). Getalswaarde: resj = 20 of 200, waw = 6, thaw = 22 of 400 ; totaal: 48 ( 2² X 2² X 3) OF 606 (2 X 3 X 101). De som van de elementen is telkens 3.
נָּרוּצָה (= narûtsâh: laten wij rennen; wkw act 1ste pers mv cohort van het wkw רוץ = rûts: snel gaan, lopen, rennen). Tenach (1): Hl 1,4.