Tenakh TAALGEBRUIK S

-- sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) -- sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) . - shâm (plaatsen, stellen) -- sjânâh (jaar) -- sjâthâh (drinken) --

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsh

eidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984   Targumim rubrieken (1)
bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel - bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/

  Gn 1 Gn 2 Gn 3 Gn 4 Gn 5 Gn 6 Gn 7 Gn 8 Gn 9 Gn 10 Gn 11 Gn 12 Gn 13 Gn 14 Gn 15 Gn 16 Gn 17 Gn 18 Gn 19 Gn 20 Gn 21 Gn 22 Gn 23 Gn 24 Gn 25
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   

 

  Gn 26 Gn 27 Gn 28 Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 32 Gn 33 Gn 34 Gn 35 Gn 36 Gn 37 Gn 38 Gn 39 Gn 40 Gn 41 Gn 42 Gn 43 Gn 44 Gn 45 Gn 46 Gn 47 Gn 48 Gn 49 Gn 50
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   

 

- sjâ´âh (verwoest worden) . sjâ´âh (verwoest worden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´âh (verwoest worden) . .


- שָׁעָה = sjâ`âh (omzien, zich wenden tot)

- sj`h (omzien, zich wenden tot) . שָׁעָה = sjâ`âh (omzien, zich wenden tot) . Taalgebruik in Tenakh : sj`h (omzien, zich wenden tot) .

- וַיִּשַׁע = wajjisja` (en hij zag om naar) van het werkw. שָׁעָה = sjâ`âh (omzien, zich wenden tot) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ`âh (omzien, zich wenden tot) . Tenakh (1) : Gn 4,4 . wjjsj`: Tenakh (6) : (1) Gn 4,4 . (2) Re 3,31 . (3) 1 S 23,5 . (4) 2 S 8,6 . (5) Spr 20,22 . (6) Job 5,15 .


- sjal (verlangen, eisen, vragen) . שָׁאַל = sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (1) : 1 S 1,19 .

- wajjisjë`al (en hij vroeg) <

- וַתִּשְׁאַל = waththisjë`al (en zij vroeg) < prefix voegwoord wë + act. ind. imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. שָׁאַל = sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 . Niet in Tenakh . Hebreeuwse vertaling van het Griekse ηρωτα = èrôta (hij / zij vroeg) van het werkw. ερωταω = erôtaô (vragen) .

- wajjisjë´älû (en zij vroegen) < wë + act. qal 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (11) : (1) Gn 26,7 . (2) Ex 11,2 . (3) Ex 12,35 . (4) Ex 18,7 . (5) Re 1,1 . (6) Re 18,15 . (7) Re 20,18 . (8) Re 20,23 . (9) Re 20,27 . (10) 1 S 10,22 . (11) Jr 38,27 .


- sa`ar (storm) . סַעַר = sa`ar (storm) . Taalgebruik in Tenakh : sa`ar (storm) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 330 (2 X 3 X 5 X 11) . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (2) : (1) Jr 30,23 . (2) Jon 1,4 .

- וְסַעַר = wësa`ar (en een stormwind) < prefix verbindingswoord wë + het zelfst. naamw. . Tenakh (2) : (1) Jr 23,19 . (2) Jr 25,32 .

- סְעָרָה = sa`arah (storm) . Zie het zelfst. naamw. סַעַר = sa`ar (storm) . Taalgebruik in Tenakh : sa`ar (storm) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 330 (2 X 3 X 5 X 11) . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (6) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) .


- sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) . sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) , zie Ps 18,6 . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , beth = 2 ; totaal = 19 OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 6 - 2 - 2 .
--- sebhâbhûnî (zij omsingelden mij) . In 7 verzen in de bijbel : (1) Ps 17,11 . (2) Ps 18,6 . (3) Ps 22,13 . (4) Ps 22,17 . (5) Ps 109,3 . (6) Ps 118,3 . (7) Ps 118,11 . In al deze teksten vertaalt de Vulgaat door circumdederunt (circum-dare = om-geven).
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jissobh (hij keerde terug) van het werkw. Tenakh (6) : (1) 1 S 5,8 . (2) 2 S 14,24 . (3) 1 K 7,15 . (4) 1 K 7,23 . (5) Ps 114,3 . (6) 2 Kr 4,2 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thissob (jij keert terug) van het werkw. Tenakh (3) : (1) Nu 36,7 . (2) Nu 36,9 . (3) Ps 114,5 .


- schar (rondgaan, rondtrekken, verhandelen) . = sâchar (rondgaan, rondtrekken, verhandelen) .

- sal (mand, korf) . סַל = sal (mand, korf) . Taalgebruik in Tenakh : sal (mand, korf) . Getalswaarde : samèkh = 15 of 60 , lamèd = 12 of 30 ; totaal : 27 (3³) of 90 (2 X 3³ X 5) . Structuur : 6 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (3) .


- sâlach (vergeven) . סָלח = sâlach (vergeven) . Taalgebruik in Tenakh : slach (vergeven) .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. סְלַח = sëlach (vergeef) van het werkw. סָלח = sâlach (vergeven) . Taalgebruik in Tenakh : sâlach (vergeven) . Tenakh (2) : (1) Nu 14,19 . (2) Am 7,2 .


- smakh (leunen, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) . סָמַך = sâmakh (leunen, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) . Taalgebruik in Tenakh : smakh (leunen, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) .

- sn (haten) . שָׂנָא = sânâ´ (haten) . Taalgebruik in Tenakh : sn (haten) . Getalswaarde : sin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 .

- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. יִשְׂנָא = jisnâ´ (hij haat) van het werkw. שָׂנָא = sânâ´ (haten) . Taalgebruik in Tenakh : sânâ´ (haten) . Getalswaarde : sin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Spr 13,5 . (2) Spr 26,28 .


- sphar (schrijven, griften, cijferen) . סָפַר = sâphar (schrijven, griften, cijferen) . Taalgebruik in Tenakh : sphar (schrijven, griften, cijferen) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (20 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (120) .


- sphnh (schip) . סְפִטנָה = sëphînâh (schip) . Taalgebruik in Tenakh : sphnh (schip) .

- Ned. : schip . Grieks : nom. en acc. onz. enk. = skafos : het uitgeholde (ruium, romp of buik van het ), schip, schuit . Hebreeuws : סְפִטנָה = sëphînâh (schip) . Taalgebruik in Tenakh : sëphînâh (schip) .

- בַסְּפִינָה = bassëphînâh (in het schip) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. סְפִטנָה = sëphînâh (schip) . Taalgebruik in Tenakh : sëphînâh (schip) . Zie Mc 4,36 .

- sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) .
- לִשְׁבוּיִם = lisjëbhûjim (tot de krijgsgevangenen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm pass. qal part. mann. mv. van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Tenakh (1) : Js 61,1 .


- sjâbhar (breken, verpletteren) . שָׁבַר = sjâbhar (1) (breken, verpletteren) . (2) verkopen . (3) nauwkeurig onderzoeken . Zie : Taalgebruik in Tenakh : sjâbhar (breken, verpletteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. wësjâbharthî (en ik verpletter) . Tenakh (7) : (1) Lv 26,19 . (2) Ez 5,16 . (3) Ez 14,13 . (4) Ez 30,22 . (5) Ez 30,24 . (6) Hos 1,5 . (7) Am 1,5 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jisjëbôr (hij zal breken) van het werkw. Tenakh (1) Js 42,3 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תִשְׁבְּרוּ = thisjëbërû (jullie zullen verpletteren) : (1) Ex 12,46 . (2) Dt 2,6 ; תִשְׁב?ֹרוּ = thisjëborû (jullie zullen verpletteren) : ( 1) Lv 11,33 . OF act. piël 2de pers. mann. mv. תְּשַׁבְּרוּ = thësabberû (jullie zullen verpletteren) : (4) Dt 7,5 , van het werkw. שָׁבַר = sjâbhar (1) (breken, verpletteren) . (2) verkopen . (3) nauwkeurig onderzoeken . Zie : Taalgebruik in Tenakh : sjâbhar (breken, verpletteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .

- wësjèbhèr / wâsjèbhèr (en verplettering , vernietiging) . Tenakh (9) : (1) Js 1,28 . (2) Js 59,7 . (3) Js 60,18 . (4) Jr 4,6 . (5) Jr 6,1 . (6) Jr 48,3 . (7) Jr 50,22 . (8) Jr 51,54 . (9) Sef 1,10 .


- shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . שָׂבַע = shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Taalgebruik in Tenakh : shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Een vorm van שָׂבַע = shâbha` in Tenakh (93) .

- act. qal perf. 1ste pers. enk. shâbha`thî (ik heb genoeg van) . Tenakh (1) : Js 1,11 . lëshobha´ (tot volheid) .

- = sâbë`û (zij zullen verzadigd worden) van het werkw. Tenakh (1) : Hos 13,6 .

- וְשָׂבֵעוּ = wësâbhe`û (en zij zullen verzadigd worden) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שָׂבַע = shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Taalgebruik in Tenakh : shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Dt 14,29 . (2) Dt 26,12 . In deze 2 verzen lezen we וְשָׂבֵעוּ וְאָכְלוּ = wë´âkhëlû wësâbhe`û (en zij zullen eten en zij zullen verzadigd worden) ; in het Grieks telkens : φαγονται = fagontai (zij zullen eten) και = kai (en) εμπλησθησονται = emplèsthèsontai (zij zullen zich vullen) . In beide teksten gaat het om de tienden die om de 3 jaar aan de Levieten , vreemdelingen , weduwen en wezen moeten afgestaan worden .

- הִשְׂבִּיעַ = hishëbî`a (hij doet verzadigd worden , hij voedt) van het werkw. שָׂבַע = shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Taalgebruik in Tenakh : shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (1) : Ps 107,9 . Een vorm van שָׂבַע = shâbha` in Tenakh (93) .


- sj-b-th

- sj-b-th . sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (36) . Pentateuch (17) . Eerdere Profeten () . Latere Profeten () . 12 Kleine Profeten () . Geschriften () . Js (7) . שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Js (3) : (1) Js 56,2 . (2) Js 56,6 . (3) Js 66,23 .

- הַשַּׁבָּת = hasjsjabbâth (de sabbat) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjabbâth (sabbat) . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13 OF 26 X 27) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . h-sj-b-th : Tenakh (39) . Pentateuch (15) : (1) Ex 16,29 . (2) Ex 20,8 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 31,14 . (5) Ex 31,15 . (6) Ex 31,16 . (7) Ex 35,3 . (8) Lv 23,11 . (9) Lv 23,15 . (10) Lv 23,16 . (11) Lv 24,8 . (12) Nu 15,32 . (13) Nu 28,9 . (14) Dt 5,12 . (15) Dt 5,15 . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) .
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjabbâth (sabbat) . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (11) : (1) Ex 16,23 . (2) Ex 31,15 . (3) Ex 35,2 . (4) Lv 16,31 . (5) Lv 23,3 . (6) Lv 23,32 . (7) Lv 25,4 . (8) Lv 25,6 . (9) Nu 28,10 . (10) Neh 9,14 . (11) 1 Kr 9,32 .
- In Gn 2,1-4a wordt het werkw. שָׁבַת = sjâbath (ophouden , rusten , vieren) gebruikt . Hier wordt nog niet het woord sjabbât gebruikt .

- שַׁבַּת שַּבָּתוֹן = sjabbath sjabbâtôn (sjabbat van de sjabbatten) . Tenakh (6) : (1) Ex 31,15 . (2) Ex 35,2 . (3) Lv 16,31 . (4) Lv 23,3 . (5) Lv 23,32 . (6) Lv 25,4 .

- ?????? = sjbath (ophouden , rusten , vieren . שָׁבַת = sjâbath (ophouden , rusten , vieren) . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .

- וַיִּשְׁבֹּת = wajjisjëboth (en hij hield op) < prefix voegwoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁבַת = sjâbath (ophouden , rusten , vieren) . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .

- vr. mv. שַׁבָּתוֹת = sjabâthôth (sabatten) van het zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Tenakh (1) : Lv 23,15 . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .
- vr. mv. שַׁבְּתֹת = sjabâthôth (sabatten) . Tenakh (2) : (1) Lv 23,38 . (2) Lv 25,8 .
- wëhisjëbîth (en hij zal doen ophouden/ wegdoen/uitroeien) < wë + act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâbhat (ophouden, rusten, vieren) . Tenakh (3) : (1) 2 K 23,5 . (2) Jr 36,29 . (3) Da 11,18 .

- שַׁבְּתֹתַי = sjabbëthothaj (mijn sabatten) < stat. constr. vr. mv. + suffix 1ste pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Tenakh (1) : Lv 23,15 . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Ex 31,13 . (2) Lv 19,3 . (3) Lv 19,30 . (4) Lv 26,2 . (5) Ez 20,18 . (6) Ez 22,8 .

- תִשְׁמֹרוּ שַׁבְּתֹתַי אֶת = ´èth sjabbëthothaj thisjëmoru (mijn sabbatten zullen zij onderhouden) . Tenakh (3) : (1) Ex 31,13 . (2) Lv 19,30 . (3) Lv 26,2 .
- תִשְׁמֹרוּ שַׁבְּתֹתַי וְאֶת = wë´èth sjabbëthothaj thisjëmoru (en mijn sabbatten zullen zij onderhouden) . Tenakh (1) : Lv 19,3 .


- shdh (veld) . שָׂדֶה = shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Getallenwaarde : shin = 21 of 300 , daleth = 4 , he = 5 ; totaal : 30 ( 2 X 3 X 5) OF 309 (3 X 103) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 .

- שָׂדְךָ / שָׂדֶךָ = shâdëkhâ / shâdèkhâ (je veld) < zelfst. naamw. vr. enk. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שָׂדֶה = shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Getallenwaarde : shin = 21 of 300 , daleth = 4 , he = 5 ; totaal : 30 ( 2 X 3 X 5) OF 309 (3 X 103) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (5) : (1) Lv 19,9 . (2) Lv 19,19 . (3) Lv 23,22 . (4) Lv 25,3 . (5) Lv 25,4 .
- Grieks . acc. mann. enk. αγρον = agron van het zelfst. naamw. αγρος = agros (akker, land, veld) . Zie : αγραυλεω = agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Taalgebruik in het NT : agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Bijbel (51) . NT (7) . Lv (7) : (1) Lv 25,3 . (2) Lv 25,4 . (3) Lv 25,31 . (4) Lv 27,17 . (5) Lv 27,18 . (6) Lv 27,19 . (7) Lv 27,20 . Een vorm van αγρος = agros in de LXX (246) , in het NT (35) .
- Latijn . acc. mann. enk. agrum van het zelfst. naamw. ager . Bijbel . OT () . NT () . Lv (8) . (1) Lv 14,7 . (2) Lv 14,53 . (3) Lv 19,19 . (4) Lv 25,3 . (5) Lv 25,4 . (6) Lv 27,16 . (7) Lv 27,17 . (8) Lv 27,19 . (landbouwer = agricola) .
- Ned. : akker . D. : Acker . E. : field . Fr. : champs . Grieks : αγρος = agros (akker, land, veld) . Hebreeuws : שָׂדֶה = shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Latijn : ager (akker) .


- sdn (onderkleed, linnen hemd) . סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd) . Taalgebruik in Tenakh : sdn (onderkleed, linnen hemd) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , daleth = 4 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 124 (2² X 31) . Structuur : 6 - 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1) : Spr 31,24 . Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24 .
- Ned. satijn , zijde . Fr. toile = weefsel van linnen , hennep of katoen , afkomstig uit : Lat. tela (tex-la) , texere = weven (Fr. tiser) . E. linen . D. Leinentuch . Ned. linnen . Lat. linum (vlas) . Gr. lineos . Fr. lin .

- shâgab (zich verheffen, machtig zijn) . shâgab (zich verheffen, machtig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : shâgab (zich verheffen, machtig zijn) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , gimel = 3 , beth = 2 ; totaal : 26 OF 305 (5 X 61) . Structuur : 3 - 3 - 2 .
- wënishëgab / wënishëgâb (en hij wordt verheven) < wë + pass. nifal 3de pers. mann. enk. . Tenakh (3) : (1) Js 2,11 . (2) Js 2,17 . (3) Spr 18,10 .


- sâgar (sluiten) . s-g-r . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. sâgar (sluiten) OF (2) act. qal part mann. enk. soger (sluitende) . OF (3) pass. pual perf. 3de pers. mann. enk. suggar (hij wordt gesloten) . Taalgebruik in Tenakh : sâgar (sluiten) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , gimel = 3 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 263 (priemgetal) . Structuur : 6 - 3 - 2 . s-g-r . Tenakh (10) : (1) Gn 19,6 . (2) Ex 14,3 . (3) 1 S 1,5 . (4) 1 S 1,6 . (5) 1 S 26,8 . (6) 2 S 18,28 . (7) 1 K 11,27 . (8) Js 22,22 . (9) Js 24,10 . (10) Job 3,10 .
De tegenpool van (sâgar (sluiten) is pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenakh : pâthach (openen) .
- wajjiphëthach èth rachëmâh (en Hij opende haar schoot) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 30,22 .
Tegenpool : sâgar rachëmâh (Hij sloot haar schoot) . Tenakh (1) : 1 S 1,5 . Zie ook 1 S 1,6 : sâgar ... rachëmâh (Hij sloot ... haar schoot) .


- sjltn (heerschappij) . שָׁלְסָן = sjâlëtân/ sjoltan (heerschappij) . Taalgebruik in Tenakh : sjltn (heerschappij) . Tenakh (3) : (1) Da 4,31 . (2) Da 6,27 . (3) Da 7,14 .

- שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen)

- shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 .

- act. ind. perf. 3de pers. vr. enk. שָׂנְאָה = shânë´âh (zij haat) van het werkw. שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Js 1,14 . (2) Ps 11,5 .

- shënû´âh (niet bemind) = passief qal participium deelwoord vrouwelijk enkelvoud van het werkw. Tenakh (4) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 21,15 . (4) Spr 30,23 .

- מִשֹּׂנְאַי = mishshonë´aj (uit hen die mij haten) < prefix voorzetsel min (assimilatie van de nun in de sh) + werkwoordvorm act. part. stat. constr. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Zie : שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) 2 S 22,41 . (2) Ps 69,15 .

- שֹׂנְאֵינוּ = shonë´e(j)nû (hen die ons haten) < act. part. praes. mann. mv. stat. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. . Zie : שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (1) : Ex 1,10 . NBG Hebreeuws Lc 1,71 .


- sârach (zich uitspreiden) . . sârach (zich uitspreiden) . Taalgebruik in Tenakh : sârach (zich uitspreiden) .

- sappr (safier) . sappîr (safier) . Taalgebruik in Tenakh : sappr (safier) . Getallenwaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . Tenakh (7) .


- שַׂר = shar (vorst, prins)

- shar (vorst) . שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . Tenakh (89) .
- Zelfst. naamw. met oorspronkelijk 3 medeklinkers , waarvan de 2de verdubbeld is en een korte klinker : qall-vorm (Joüon 88Bg) .

- שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . sh-r-j : Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) .
- Zelfst. naamw. met oorspronkelijk 3 medeklinkers , waarvan de 2de verdubbeld is en een korte klinker : qall-vorm (Joüon 88Bg) .

- De vrouwelijke vorm is שָׂרָה = shârâh (vorstin, prinses) .
- De ר = r kan niet verdubbeld worden . Daardoor wordt het eerste lettergreep een open lettergreep en wordt de korte a voor de hoofdklemtoon â (Lettinga 13 i) . Het werd vervolgens een onveranderlijke klinker .

vr. mv.שָׂרוֹת = shârôth (prinsessen, vorstinnen) .
- zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. שָׂרוֹתַי = shârôthaj (mijn vorstinnen) .
- naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. שָׂרוֹתֶיךָ = hârôthè(j)khâ (jouw vorstinnen) , shârôthâ(j)w (jouw vorstinnen) .
- zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. vr. enk. שָׂרוֹתַיִךְ = shârôthajikh (jouw vorstinnen) .
- zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. שָׂרוֹתֵיכֶם = shârôthe(j))khèm (jullie vorstinnen) ,
- prefix voegwoord wë en zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. וְשָׂרוֹתֵיהֶם = wëshârôthe(j)hèm (en jullie vorstinnen) .


- שָׂרָה = shârâh (Sara)

- shârâh (Sara) . שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 (2) : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 .
- וְשָׂרָה = wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 .
- לְשָׂרָה = lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .
- Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) .

- werkw. שָׂרָה = shârâh (strijden) . Zie שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . jishërâh (hij streed) . In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met mensen .
- act. qal perfect. 2de pers. mann. enk. shârîthâ (jij streed) . Tenakh (1) Gn 32,29 .

----------------------------------------------------------

- שָׂרַי = Shâraj (Sarai) . Zie : שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 11,31 . (4) Gn 12,5 . (5) Gn 12,11 . (6) Gn 12,17 . (7) Gn 16,2 . (8) Gn 16,3 . (9) Gn 16,5 . (10) Gn 16,6 . (11) Gn 16,8 . (12) Gn 17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sarah plaats) .
- Zie ook : שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . sh-r-j : Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) . Tenakh o.a. Js 10,8 .
- וְשָׂרַי = wëshâraj (en Sarai) : Gn 16,1 .
- LXX . σαρα = Sara . Bijbel (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 12,11 . (4) Gn 16,1 . (5) Gn 16,2 . (6) Gn 16,3 . (7) Gn 16,5 . (8) Gn 16,6 . (9) Gn 17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 .
-- gen. vr. enk. σαρας = Saras (van Sara) . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar rechts . Bijbel : (1) Gn 12,17 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 16,8 .
-- acc. vr. enk. σαραν = Saran (Sara) . Bijbel (3) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 16,6 .
- Arabisch : سارة = sârah (Sara) . Taalgebruik in de Qoran : sârah (Sara) .
- Het onderwerp wëshâraj (en Saraj) staat aan het begin van de zin . Hierdoor wordt de klemtoon gelegd op het onderwerp : maar Saraj .


- shâphâh (lip, spraak, tongval) . שָׂפָה = shâphâh (lip, spraak, tongval) . Taalgebruik in Tenakh : shâphâh (lip, spraak, tongval) . Tenakh (9) . (1) Gn 11,1 . wëshâphâh (en de taal) . Slechts in Gn 11,6 . stat. constr. shëphath . Tenakh (38) . Gn (5) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,7 . (2) Gn 11,9 . shëphâthâm (stat. constr. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mv. : hun taal) . Slechts in Gn 11,7 . In Gn 11,1-9 wordt een vorm van shâphâh gebruikt in verband met de éénheid van taal : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,6 of taalverwarring : (1) Gn 11,7 (2X) . (2) Gn 11,9 . Gr. glôssa . Lat. lingua . Fr. langue . E. tongue . Ned. taal, spraak . D. Sprache .


- שָׂטַם = shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen)

- shtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . שָׂטַם = shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Taalgebruik in Tenakh : shtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , tet = 9 , mem = 13 of 40 ; totaal : 43 OF 349 . Structuur : 3 - 9 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 .

- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּשְׂטֹם = wajjishtom (en hij haatte) van het werkw. שָׂטַם = shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Taalgebruik in Tenakh : shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , tet = 9 , mem = 13 of 40 ; totaal : 43 OF 349 . Structuur : 3 - 9 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1) Gn 27,41 .


- shtn (Satan) . shâtân (Satan) . Taalgebruik in Tenakh : shtn (Satan) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , thet = 9 , nun = 14 of 50 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 359 (priemgetal) . Tenakh (5) : (1) 1 K 5,18 . (2) 1 K 11,14 . (3) 1 K 11,23 . (4) 1 K 11,25 . (5) 1 Kr 21,1 . Gr. satanas (satan) . Taalgebruik in NT : satanas (satan) . 7 letters en getalswaarde : 753 (3 X 251) . Bijbel (17) : (1) Mt 12,26 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Lc 11,18 . (6) Lc 13,16 . (7) Lc 22,3 . (8) Lc 22,31 . (9) Joh 13,27 . (10) Hnd 5,3 . (11) 1 Kor 7,5 . (12) 2 Kor 11,14 . (13) 1 Tes 2,18 . (14) Apk 2,13 . (15) Apk 12,9 . (16) Apk 20,2 . (17) Apk 20,7 . ho satanas (de satan) . Bijbel (15) . Niet in (1) Mc 3,23 . (2) Apk 20,2 . Een vorm van satanas (satan) in de LXX (1) , in het NT (36) , in Lc (5) : (1) Lc 10,18 . (2) Lc 11,18 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 22,31 , in Hnd (2) : (1) Hnd 5,3 . (2) Hnd 26,18 . In de naam satanas kunnen we sa van Saffira , de vrouw van Anania , en ana van Anania herkennen . Gr. satan (1) : 1 K 11,14 . Synoniem : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in de LXX : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . L. diabolus . F. diable . E. devil . D. Teufel . Een vorm van diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) in de LXX (22) , in het NT (37) , in Hnd (2) : (1) Hnd 10,38 . (2) Hnd 13,10 . Arabisch : saitân (Satan) . Taalgebruik in de Qoran : saitân (Satan) .

- sephèr (boek) . sephèr (brief, geschrift, boek) . Taalgebruik in Tenakh : sephèr (boek) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . Gr. biblion (document, brief) . Taalgebruik in het NT : biblion (document, brief) . Lat. liber . Fr. livre . Ned. boek . E. book , D. Buch .
- bassëphârîm (in de boeken) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (3) : (1) 1 K 21,9 . (2) 1 K 21,11 . (3) Da 9,2 . LXX . datief mann. mv. bibliois ('in' de boeken) . Bijbel (4) : (1) 1 K 21,9 . (2) 1 K 21,11 . (3) 1 Mak 14,23 . (4) Apk 20,12 . biblois . Slechts 1X in de Bijbel : Da 9,2 .


- sja`ar (poort) .

ûbhësjë`ârè(j)khâ (en in jouw poorten) < prefix voegwoord wë + voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. constr. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk.

- שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren)

- = nisjëba` (hij zwoer) . Tenakh (45) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (6) . Gn (2) : (1) Gn 24,7 . (2) Gn 50,24 . Dt (22) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 4,31 . (4) Dt 6,10 . (5) Dt 6,18 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,12 . (9) Dt 7,13 . (10) Dt 8,1 . (11) Dt 8,18 . (12) Dt 9,5 . (13) Dt 11,9 . (14) Dt 11,21 . (15) Dt 13,18 . (16) Dt 19,8 . (17) Dt 26,3 . (18) Dt 28,9 . (19) Dt 28,11 . (20) Dt 29,12 . (21) Dt 30,20 . (22) Dt 31,7 .-

- sjâbhâ`(zweren) . שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 .

- pass. nifal imperf. 2de pers. mann. enk. תִּשָּׁבֵעַ = thisjsjäbhe`a (jij zult zweren) van het werkw. שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Dt 6,13 . (2) Dt 10,20 .

- nifal perf. 3de pers. mann. enk. nisjëba` (hij zwoer) van het werkw. sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21X of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Tenakh (45) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (6) . Gn (2) : (1) Gn 24,7 . (2) Gn 50,24 . Ex (2) : (1) Ex 13,5 . (2) Ex 13,11 . Nu (1) : Nu 14,16 . Dt (22) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 4,31 . (4) Dt 6,10 . (5) Dt 6,18 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,12 . (9) Dt 7,13 . (10) Dt 8,1 . (11) Dt 8,18 . (12) Dt 9,5 . (13) Dt 11,9 . (14) Dt 11,21 . (15) Dt 13,18 . (16) Dt 19,8 . (17) Dt 26,3 . (18) Dt 28,9 . (19) Dt 28,11 . (20) Dt 29,12 . (21) Dt 30,20 . (22) Dt 31,7 . Eerdere Profeten (6) : (1) Joz 5,6 . (2) Joz 21,43 . (3) Joz 21,44 . (4) Re 2,15 . (5) Re 21,1 . (6) 2 S 3,2 .

nisjëba` JHWH ( JHWH zwoer) . Tenakh (21/45 en 21/5193) . Dt (11/22 en 11/413) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 6,18 . (4) Dt 8,1 . (5) Dt 9,5 . (6) Dt 11,9 . (7) Dt 11,21 . (8) Dt 26,3 . (9) Dt 28,11 . (10) Dt 30,20 . (11) Dt 31,7 .
- nisjebë`û (zij zwoeren) . sjâbhâ`(zweren) . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . sjb`: zeven , zweren , vervolledigen / vervullen . Nifal perfectum derde persoon mannelijk meervoud . In zeven verzen in de bijbel . Gn (1) . Verder niet in de Pentateuch . Gn 21,31 .
- ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothekhèm (dat JHWH heeft gezworen aan je vaders) . Tenakh (4) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 8,1 . (3) Dt 11,9 . (4) Dt 11,21 . Met JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon meervoud . ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothâm (die JHWH heeft gezworen aan hun vaders) : Dt 31,7 . ka´äsjèr nisjëba` JHWH lâhèm (zoals JHWH heeft gezworen aan hen) : Dt 2,14 .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothè(j)khâ (dat Hij zwoer aan je vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Ex 13,5 . (2) Dt 6,10 . (3) Dt 7,12 . (4) Dt 7,13 . (5) Dt 8,18 . ka´äsjèr ... (zoals ... ) . In Dt 13,18 . Dt 19,18 . wëka´äsjèr ... (en zoals...) : Dt 29,12 . ka´äsjèr nisjëba` lâkh (zoals Hij je heeft gezworen) : Dt 28,9 .
- ´äsjèr nisjëba` lâhèm (dat Hij heeft gezworen aan jullie) . In twee verzen in de bijbel : (1) Nu 14,16 . (2) Dt 4,31 . Zonder JHWH en persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothenû (dat Hij heeft gezworen aan onze vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord eerste persoon meervoud . In Dt 6,23 . Met JHWH : Dt 26,3 .

- nifal perf. 1ste pers enk נִשְׁבַּעְתִּי = nisjëba`ëthî (ik zweer) van het werkw. שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (26) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Eerdere Profeten (5) : (1) Joz 1,6 . (2) Re 2,1 . (3) 1 S 3,14 . (4) 2 S 19,8 . (5) 1 K 1,30 .
- ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (14) : (1) Gn 26,3 . (2) Gn 33,1 . (3) Nu 14,23 . (4) Nu 32,11 . (5) Dt 1,35 . (6) Dt 10,11 . (7) Dt 31,20 . (8) Dt 31,23 . (9) Dt 34,4 . (10) Joz 1,6 . (11) Re 2,1 . (12) Ps 95,11 . (13) Js 54,9 . (14) Jr 11,5 . hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (7) : (1) Gn 33,1 . (2) Nu 14,23 . (3) Dt 10,11 . (4) Dt 31,23 . (5) Dt 34,4 . (6) Joz 1,6 . (7) Re 2,1 .
- ´èth hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (3) : (1) Nu 14,23 . (2) Dt 10,11 . (3) Joz 1,6 . .

nisjëba` JHWH . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . In eenentwintig verzen in de bijbel . In elf verzen in Dt (Deuteronomium) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 6,18 . (4) Dt 8,1 . (5) Dt 9,5 . (6) Dt 11,9 . (7) Dt 11,21 . (8) Dt 26,3 . (9) Dt 28,11 . (10) Dt 30,20 . (11) Dt 31,7 .
- nisjebë`û (zij zwoeren) . sjâbhâ`(zweren) . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . sjb`: zeven , zweren , vervolledigen / vervullen . Nifal perfectum derde persoon mannelijk meervoud . In zeven verzen in de bijbel . Gn (1) . Verder niet in de Pentateuch . Gn 21,31 .
- ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothekhèm (dat JHWH heeft gezworen aan je vaders) . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . In vier verzen in de bijbel : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 8,1 . (3) Dt 11,9 . (4) Dt 11,21 . Met JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon meervoud . ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothâm (die JHWH heeft gezworen aan hun vaders) : Dt 31,7 .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothekhâ (dat Hij heeft gezworen aan je vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Ex 13,5 . (2) Dt 6,10 . (3) Dt 7,12 . (4) Dt 7,13 . (5) Dt 8,18 . ka´äsjèr ... (zoals ... ) . In Dt 13,18 . Dt 19,18 . wëka´äsjèr ... (en zoals...) : Dt 29,12 . ka´äsjèr nisjëba` lâkh (zoals Hij je heeft gezworen) : Dt 28,9 .
- ´äsjèr nisjëba` lâhèm (dat Hij heeft gezworen aan jullie) . In twee verzen in de bijbel : (1) Nu 14,16 . (2) Dt 4,31 . Zonder JHWH en persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothenû (dat Hij heeft gezworen aan hun vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord eerste persoon meervoud . In Dt 6,23 . Met JHWH : Dt 26,3 .


- שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven)

- sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , he = 5 ; totaal : 28 of 307 . Structuur : 3 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 .

- act. hifil imperat. 2de pers. vr. enk. שְׁבִי = sjëbhi (neem gevangen) van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) .

- act. hifil imperat. 2de pers. mann. mv. שְׁבוּ = sjëbhû (neemt gevangen) van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) .

- לִשְׁבוּיִם = lisjëbûjim (aan de gevangengenomenen) < prefix voorzetsel lë + pass. part. mann. mv. van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , he = 5 ; totaal : 28 of 307 . Structuur : 3 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (1) : Js 61,1 .


- sjbhu`h (eed) . sjëbhu`âh (eed) . Taalgebruik in Tenakh : sjbhu`h (eed) .

- sbhbh . sbhbh . Taalgebruik in Tenakh : sbhbh . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , beth = 2 ; totaal : 19 OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 6 - 2 - 2 .
- sëbhîbothâj (van mijn omgeving) < vr. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Tenakh (1) : Dt 17,14 .
- sëbhîbhôthe(j)hèm (rondom hen) < vr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. Tenakh (1) : Re 2,12 .

- sjbhar (breken, kwetsen) . = sjâbhar (breken, kwetsen) . Taalgebruik in Tenakh : sjbhar (breken, kwetsen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502

- sjächach (neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . sjächach (neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . Taalgebruik in Tenakh : sjächach (neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 ; totaal : 37 OF 316 (2² X 79) . Structuur : 3 - 8 - 8 .
- wësjach (en hij vernedert) < wë + act. qal 3de pers. mann. enk. . Tenakh (3) : (1) Js 2,11 . (2) Js 2,17 . (3) Job 22,29 .


- sjâchâh (neerbuigen) . שָׁחָה = sjâchâh (neerbuigen) (שָׁוַח = sjwach en שָׁחַח = sjchach) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchâh (neerbuigen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , he = 6 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 314 (2 X 157) . Structuur : 3 - 8 - 6 . De som van de elementen is telkens 8 .
- הִשְׁתַּחֲווּ = hisjëthachäwû (zij bogen zich neer, zij aanbaden) : (1) hitpaël perfec. 3de pers. mann. mv. : Tenakh (1) : Jr 8,2 . (2) hitpaël imperatief 2de pers. mann. mv. . Tenakh (4) : (1) Ps 29,2 . (2) Ps 96,9 . (3) Ps 97,7 . (4) 1 Kr 16,29 . Zie werkw.

- לְהִשְׁתַּחֲוֹת = lëhisjëthachäwoth (om zich neer te buigen) > voorzetsel lë + hitpaël inf. stat. construct. van het werkw. שָׁחָה = sjâchâh (neerbuigen) (שָׁוַח = sjâwach en שָׁחַח = sjâchach) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchâh (neerbuigen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , he = 6 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 314 (2 X 157) . Structuur : 3 - 8 - 6 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (14) : (1) Gn 37,10 . (2) Lv 26,1 . (3) 1 S 1,3 . (4) 1 S 2,36 . (5) 2 S 15,5 . (6) 2 K 5,18 . (7) Js 2,20 . (8) Js 66,23 . (9) Jr 7,2 . (10) Jr 26,2 . (11) Ez 46,9 . (12) Zach 14,16 . (13) Zach 14,17 . (14) 2 Kr 20,18 .


- sjachar (morgenrood, dageraad) . שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) . Taalgebruik in Tenakh : sjachar (morgenrood, dageraad) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , het = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 49 (7²) OF 508 (2² X 127) . Structuur : 3 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 .
- הַשָּׁחַר = hasjsjachar (het morgenrood, de dageraad) < prefix bepaald lidw. ha + שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) . Taalgebruik in Tenakh : sjachar (morgenrood, dageraad) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , het = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 49 (7²) OF 508 (2² X 127) . Structuur : 3 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) : (1) Gn 19,15 . (2) Gn 32,25 . (3) Gn 32,27 . (4) Joz 6,15 . (5) Joz 13,19 . (6) Joz 19,25 . (7) 1 S 9,26 . (8) Jon 4,7 . (9) Ps 22,1 . (10) Neh 4,15 .

- sjachaq (wolk) . sjachaq (wolk) . Taalgebruik in Tenakh : sjachaq (wolk) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 408 (2³ X 3 X 17) . Structuur : 3 - 8 - 1 .
- usjchâqîm (en wolken) . Tenakh (2) : (1) Js 45,8 . (2) Spr 3,20 .


- sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , tet = 9 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 317 . Structuur : 3 - 8 - 9 .
- act. hifil part. mann. mv. masjëchîthîm (moordenaars) . Tenakh (4) : (1) Re 20,42 . (2) Js 1,4 . (3) Jr 6,28 . (4) 2 Kr 27,2 .
- act. qal part. mann. enk. sjôchet (slachtende) . Tenakh (2) : (1) Js 66,3 . (2) Jr 9,7 .


- שַד of שֹׁד = sjad of sjod (borst)

- sjad of sjod (borst) . שַד of שֹׁד = sjad of sjod (borst) . Taalgebruik in Tenakh : sjad of sjod (borst) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , daleth = 4 ; totaal : 25 of 304 (2² X 2²) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 (symbool van overvloed) . dualis : שָׁדַיִם = sjâdajim (2 borsten) .


 

- sjâkhabh (liggen, zich neerleggen) . שָׁכַב = sjâkhabh (liggen, zich neerleggen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhab (liggen, zich neerleggen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , beth = 2 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 313 (spiegelgetal; priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
-- bepaald lidw. ha + qal part. nom. mann. mv. hasjsjokhbîm (die zich neerleggen) van het werkw. sjâbhab (liggen, zich neerleggen) . Getalswaarde : he = 5 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , beth = 2 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 377 (13 X 29) . Slechts in Am 6,4 .


- sjâkhach (vergeten) . שָׁכַח = sjâkhach (vergeten) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhach (vergeten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , chet = 8 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 3 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 4 .
- wajjisjëkëchû (en zij vergaten) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (3) : (1) Re 3,7 . (2) 1 S 12,9 . (3) Ps 78,11 .


- Arabisch : sakana (wonen) = سكن . sakana (wonen) De eerste betekenis is “wonen” en afgeleid daarvan, als je een woonst hebt, dan ben je tot rust gekomen : vandaar ook “stilliggen, tot rust komen”.
- sakkana (met dubbele k) : ساك. : doen wonen , dus “huisvesten”, maar ook “kalmeren.
- ساكَنَ  (sâkana) : met alif na beginmedeklinker: “samenwonen, samenleven”.
En dan de deelwoorden: een “wonende”, bewoner, inwoner: ساكِن (sâkin), en dit woordje betekent ook “kalm, stil”. “Bewoond” is  مَسْكون (maskûn)
- سُكون   (sukûn) betekent “stilte, kalmte”, een  مُسَكِّن  (musakkan) (met sjadda) is een pijnstiller, tranquillizer”.
Het prefix ma- wijst op plaats: مَسْكَن   (maskan) is dus synoniem van دار   (dar) en    بَيْ ت
- سُكون (sukûn) betekent “stilte, kalmte”, een مُسَكِّن (musakkan) (met sjadda) is een pijnstiller, tranquillizer”. Het prefix ma- wijst op plaats: مَسْكَن (maskan) is dus synoniem van دار (dar) en بَيْ ت  (bajth) .
- Hebr. sjakan (wonen) . .

- hasjëkam babboqèr (ga vroeg in de morgen) . Tenakh (3) : (1) Ex 8,16 . (2) Ex 9,13 . (3) 1 S 29,10 . wëhithëjatstsebh liphëne(j) ´èl parë`oh (en treedt voor het aanschijn van de Farao). Tenakh (2) : (1) Ex 8,16 . (2) Ex 9,13 .


- שָׁכַל = sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden)

- sjkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) . שָׁכַל = sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) . Taalgebruik in Tenakh : sjkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) .

-


- sjâlach (zenden) . שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâlach (hij zond) . (2) act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. sallach (zend) .
- sallach èth `ammî (zend mijn volk) . Tenakh (5) : (1) Ex 5,1 . (2) Ex 7,16 . (3) Ex 7,26 . (4) Ex 9,1 . (5) Ex 9,13 .
- wëlo´ sjillach (en hij liet niet 'vertrekken') . Tenakh (5) : (1) Ex 8,28 . (2) Ex 9,7 . (3) Ex 9,7 . (4) Ex 10,20 . (5) Ex 11,10.
- wëlo´ sjillach ´èth hâ`âm (en hij liet volk niet 'vertrekken') . Tenakh (2) : (1) Ex 8,28 . (2) Ex 9,7 .
- wëlo´ sjillach ´èth bëne(j) jishërâ´el (en hij liet de Israëlieten niet 'vertrekken') . Tenakh (3) : (1) Ex 9,7 . (2) Ex 10,20 . (3) Ex 11,10 .

- שְׁלָחַנִי = sjëlâchanî (hij zendt mij) < werkwoordvorm act. qal perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. van het werkw. שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (40) . Js (3) : (1) Js 36,12 . (2) Js 48,16 . (3) Js 61,1 .


- (1) וַיִּשְׁךַח = wajjisjëlach < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) wajësjallach (en hij zond) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (212) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (128) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (35) . Joz (8) : (1) Joz 2,1 . (2) Joz 2,3 . (3) Joz 7,2 . (4) Joz 7,22 . (5) Joz 10,3 . (6) Joz 11,1 . (7) Joz 24,9 . (8) Joz 24,28 . Re (14) : (1) Re 2,6 . (2) Re 3,18 . (3) Re 3,21 . (4) Re 6,8 . (5) Re 6,21 . (6) Re 9,23 . (7) Re 9,31 . (8) Re 11,12 . (9) Re 11,14 . (10) Re 11,17 . (11) Re 11,19 . (12) Re 11,38 . (13) Re 15,5 . (14) Re 15,15 . 2 K (33) . 2 K 23 (2) : (1) 2 K 23,1 . (2) 2 K 23,16 .
- wajësjallach JHWH (en JHWH zond) . Tenakh (3) :

- sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . Taalgebruik in Tenakh : sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . Tenakh (2) : (1) 2 K 17,3 . (2) 2 K 18,9 .


- sjâlôm (vrede) . שָׁלוֹם = sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Jesaja : sjâlôm (vrede) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 376 (2³ X 47) . Structuur : 3 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (120) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (42) . Pentateuch (11) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 37,14 . (3) Gn 41,16 . (4) Gn 43,23 . (5) Gn 43,28 . (6) Lv 26,6 . (7) Nu 6,26 . (8) Nu 25,12 . (9) Dt 2,26 . (10) Dt 20,11 . (11) Dt 29,18 . Js (19) : (1) Js 9,5 . (2) Js 26,3 . (3) Js 26,12 . (4) Js 27,5 . (5) Js 32,17 . (6) Js 32,18 . (7) Js 33,7 . (8) Js 39,8 . (9) Js 41,3 . (10) Js 45,7 . (11) Js 48,22 . (12) Js 52,7 . (13) Js 54,13 . (14) Js 57,2 . (15) Js 57,19 . (16) Js 57,21 . (17) Js 59,8 . (18) Js 60,17 . (19) Js 66,12 . bisjâlôm (in vrede) . Tenakh (34) . lësjâlôm (tot vrede) . Tenakh (28) . Js (1) Js 38,17 . misjsjâlôm (vrede) . Tenakh (1) . wësjâlôm (in vrede) . Tenakh (9) .
- Gr. eirènè (vrede) . Taalgebruik in de LXX : eirènè (vrede) . Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede) . Lat. pax . Fr. paix . E. peace . Ned. vrede . D. Friede . Een vorm van eirènè (vrede) in de LXX (294) , in het NT (91) .

- ειρηνη ὑμιν = eirènè humin (vrede aan jullie) . NT (5) : (1) Lc 24,36 . (2) Joh 20,19 . (3) Joh 20,21 . (4) Joh 20,21 . (5) 1 Pe 5,14 .
- Hebreeuws . לָכֶמ שָׁלוֹם = sjâlôm lâkhèm (vrede zij jullie) . Tenakh (1) : Gn 43,23 .
- שָׁלוֹם לָךָ = lëkhâ sjâlôm (aan jou vrede) . Tenakh (2) : (1) Nu 6,26 . (2) 1 S 25,6 .
- לָךָ שָׁלוֹם = sjâlôm lëkhâ (vrede aan jou) . Tenakh (3) : (1) Re 6,23 . (2) 1 S 20,21 . (3) 1 Kr 12,19 .

- בְשָׁלוֹם = bësjâlôm (in vrede) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. שָׁלוֹם = sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Jesaja : sjâlôm (vrede) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 376 (2³ X 47) . Structuur : 3 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (23) : (1) Gn 15,15 . (2) Gn 26,29 . (3) Gn 26,31 . (4) Joz 10,21 . (5) Re 11,13 . (6) 1 S 29,7 . (7) 2 S 3,21 . (8) 2 S 3,22 . (9) 2 S 3,23 . (10) 2 S 15,9 . (11) 2 S 15,27 . (12) 2 S 19,31 . (13) 1 K 22,17 . (14) 1 K 22,28 . (15) 2 K 22,20 . (16) Jr 34,5 . (17) Jr 43,12 . (18) Mal 2,6 . (19) Ps 4,9 . (20) 2 Kr 18,16 . (21) 2 Kr 18,27 . (22) 2 Kr 19,1 . (23) 2 Kr 34,28 .


- שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie)

- sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjlosj / sjlsj / sjlosj (drie) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 .
- = hasjsjëlîsjî (de derde) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (10) . Gn (7) : (1) Gn 2,14 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 31,22 . (4) Gn 32,20 . (5) Gn 34,25 . (6) Gn 40,20 . (7) Gn 42,18 .

- mann. mv. שְׁלֹשִׁים = sjëlosjîm (dertig) . Zie : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (111) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (32) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (25) . Gn (12) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 5,16 . (3) Gn 11,14 . (4) Gn 11,17 . (5) Gn 11,18 . (6) Gn 11,22 . (7) Gn 18,30 . (8) Gn 32,16 . (9) Gn 41,46 . (10) Gn 46,15 . (11) Gn 47,9 . (12) Gn 50,23 . Ex (7) : (1) Ex 12,40 . (2) Ex 12,41 . (3) Ex 20,5 . (4) Ex 21,32 . (5) Ex 26,8 . (6) Ex 34,7 . (7) Ex 36,15 .

- prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. mv. וּשְׁלֹשִׁים = ûsjëlosjîm (dertig) . Zie : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 .

- שְׁלֹשִׁים שָׁנָה = sjëlosjîm sjânâh (dertig jaar) . Tenakh (17) : (1) Gn 5,16 . (2) Gn 11,14 . (3) Gn 11,17 . (4) Gn 11,18 . (5) Gn 11,22 . (6) Gn 41,46 . (7) Ex 12,40 . (8) Ex 12,41 . (9) Nu 4,3 . (10) Nu 4,23 . (11) Nu 4,30 . (12) Nu 4,35 . (13) Nu 4,39 . (14) Nu 4,43 . (15) Nu 4,47 . (16) 2 S 5,4 . (17) 1 Kr 23,3 .

- sjëlosjîm wësjâlosj (33) . Tenakh (3) : (1) Gn 46,15 . (2) 2 S 5,5 . (3) 1 K 2,11 .
- sjëlosjîm ûmë´ath (30 + 100 = 130) . Tenakh (2) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 47,9 .


- שָׁכַן = sjâkhan (wonen)

- sjâkhan (wonen) . שָׁכַן = sjâkhan (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhan (wonen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 46 of 370 . De som van de elementen is telkens 1 . sj - k - n . Tenakh (22) : (1) Gn 14,13 . (2) Gn 26,2 . (3) Ex 40,35 . (4) Nu 5,3 . (5) Nu 24,2 . (6) Nu 35,34 . (7) Dt 33,12 . (8) Dt 33,20 . (9) Joz 22,19 . (10) Re 5,17 . (11) Js 33,5 . (12) Js 33,24 . (13) Js 57,15 . (14) Jr 6,21 . (15) Hos 10,5 . (16) Jl 4,17 . (17) Jl 4,21 . (18) Ps37,3 . (19) Ps 78,60 . (20) Ps 135,21 . (21) Spr 27,10 . (22) Ezr 6,12 . Vaak komt het act. qal participium mann. enk. sjokhen (wonend) voor . In de LXX wordt het vaak vertaald door . Katoikôn (nederzettend -> nederzetting / neerzetten) is vaak ook de vertaling van josjebh (wonend, zetelend) .

sjâkhan (wonen) . Verwijzing : sjâkhan (wonen) , zie Ex 40,35 . sj - k - n . Tenakh (22) : (1) Gn 14,13 . (2) Gn 26,2 . (3) Ex 40,35 . (4) Nu 5,3 . (5) Nu 24,2 . (6) Nu 35,34 . (7) Dt 33,12 . (8) Dt 33,20 . (9) Joz 22,19 . (10) Re 5,17 . (11) Js 33,5 . (12) Js 33,24 . (13) Js 57,15 . (14) Jr 6,21 . (15) Hos 10,5 . (16) Jl 4,17 . (17) Jl 4,21 . (18) Ps37,3 . (19) Ps 78,60 . (20) Ps 135,21 . (21) Spr 27,10 . (22) Ezr 6,12 . Vaak komt het qal participium perfectum sjokhen (wonend) voor . In de LXX wordt het vaak vertaald door . Katoikôn (nederzettend -> nederzetting / neerzetten) is vaak ook de vertaling van josjebh (wonend, zetelend) .
--- hammisjëkân (woning, tent) . Verwijzing : sjâkhan (wonen) , zie Ex 40,35 . sj - k - n . Bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord misjëkân . In zeventig verzen in de bijbel . In negenenzestig verzen in de Pentateuch . In drieënveertig verzen in Ex . In elf verzen in Ex 40 . In vier verzen in Ex 40,34-38 : (1) Ex 40,34 . (2) Ex 40,35 . (3) Ex 40,36 . (4) Ex 40,38 . ´ohèl mô`ed = de tent van de samenkomst komt voor in 1) Ex 40,34 . (2) Ex 40,35 . Samen : zeven .
- ´èth hammisjëkân (woning, tent) . Lijdend voorwerp . In vijftien verzen in de bijbel .
- episkiazô (een schaduw werpen op, overschaduwen) .
--- LXX : epeskiazen (overschaduwde) . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud van het werkwoord episkiazô (over-schaduw-en) . Deze vorm komt slechts tweemaal voor : (1) Ex 40,35 . (2) Lc 9,34 .
--- Mc 9,7 : kai egeneto nefelè episkiazousa autois (en er was een wolk die overschaduwde hen) . episkiazousa (overschauwend) . Participium praesens nominatief vrouwelijk enkelvoud . Hapax . Gezegde bij egeneto...
--- Mt 17,5 : idou nefelè epeskiasen autous (zie een wolk overschaduwde hen) . Qal aorist derde persoon enkelvoud . Hapax .
--- Lc 1,35 : episkiasei (zal overschaduwen) . Qal futurum derde persoon enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Ps 91,4 . (2) Lc 1,35 .
- skia (schaduw) . In vierendertig verzen in de bijbel . In negenentwintig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. .


- שָׂם = shâm (plaatsen, stellen) 

- shâm (plaatsen, stellen) . שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . act. qal perf. 3de pers. mann. enk.

- prefix waw consecutivum + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיָּשֶׂם = wajjâshèm (en hij plaatste) van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (87) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) . Gn (14) : (1) Gn 2,8 . (2) Gn 4,15 . (3) Gn 22,6 . (4) Gn 22,9 . (5) Gn 24,9 . (6) Gn 28,11 . (7) Gn 28,18 . (8) Gn 30,36 . (9) Gn 31,21 . (10) Gn 33,2 . (11) Gn 37,34 . (12) Gn 41,42 . (13) Gn 47,26 . (14) Gn 48,20 . Ex (13) : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 . 1 S 1 (7) : (1) 1 S 7,12 . (2) 1 S 8,1 . (3) 1 S 9,24 . (4) 1 S 11,11 . (5) 1 S 17,40 . (6) 1 S 19,5 . (7) 1 S 21,13 .

- וַשָׂמוּ = washâmû (en zij stellen) < prefix wa + qal perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 .

- וְשַׂמְתֶּם = wësamëthèm (en jullie zullen stellen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal perf. 2de pers. mann. mv. van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (4) : (1) Ex 3,22 . (2) Dt 11,18 . (3) Dt 31,26 . (4) Joz 6,18 .

- wajjâshèm ´èth (21) : (1) Gn 31,21 . (2) Gn 33,2 . (3) Gn 48,20 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jâshîm (hij stelde) van het werkw. . Tenakh (22) . Js (3) : (1) Js 42,4 . (2) Js 42,25 . (3) Js 62,7 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 40,18 . (6) Ex 40,19 . (7) Ex 40,20 . (8) Ex 40,24 . (9) Ex 40,26 . (10) Ex 40,28 . (11) Ex 40,30 . (12) Lv 8,9 . (13) Re 1,21 . (14) Re 8,31 . (15) 1 S 8,1 . (16) 1 S 19,5 . (17) 1 K 12,29 . (18) 2 K 4,31 . (19) 2 K 21,7 . (20) 2 Kr 33,7 . (21) Est 3,1 .

shâm (plaatsen, stellen)  Tenakh Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. grote prof. hagiografen
qal imperf. 3de p. enk. wajjâshèm   87  33  36  2 14 

shâm (plaatsen, stellen)  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Joz   Re   1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Est  Job  Ps  Js  Da  Hab  Sef 
qal imperf. 3de p. mann. enk. wajjâshèm  87  14 13  2

In dertien verzen in Ex : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thâshîm (jij stelt aan) van het werkw. Tenakh (13) : (1) Gn 6,16 . (2) Gn 44,2 . (3) Ex 21,1 . (4) Dt 17,15 . (5) Dt 22,8 . (6) 1 S 10,19 . (7) 1 K 20,34 . (8) Js 41,15 . (9) Js 53,10 . (10) Ez 21,25 . (11) Ez 24,17 . (12) Job 7,12 . (13) Job 38,33 .
- act. qal cohortat. 1ste pers. enk. (laat ik aanstellen; ik stel aan) van het werkw. Tenakh (1) : Dt 17,14 .
- act. qal inf. absol. shôm OF act. qal inf. construct. shûm (om aan te stellen) van het werkw. shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . Tenakh (4) : (1) Dt 17,15 . (2) 2 S 14,7 . (3) Jr 42,15 . (4) Hag 2,15 .

- שָׁם = sjâm (daar) . Zie het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . s-m : Tenakh (1424) .


- שָׂמַח = shâmach (zich verheugen)

- shâmach (zich verheugen) . שָׂמַח = shâmach (zich verheugen) . Taalgebruik in Tenakh : shâmach (zich verheugen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , chet = 8 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 248 (2² X 3 X 29) . Structuur : 3 - 4 - 8 . De som van de elementen is telkens 6 .

- וַיִּשְׂמַח = wajjishëmach (en hij verheugde zich) < prefix waw consecutivum + act. qal juqtol (imperfectum) 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׂמַח = shâmach (zich verheugen) . Taalgebruik in Tenakh : shâmach (zich verheugen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , chet = 8 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 348 (2² X 3 X 29) . Structuur : 3 - 4 - 8 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (10) . In 4 verzen is het vertaald in de LXX in εχαρη = echarè (en hij verheugde zich) : (1) 1 K 5,21 . (2) 2 K 11,20 . (3) Js 39,2 . (4) Jon 4,6 .
-
- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. shimëchî (verheug je) . Tenakh (1) : Sef 3,14 . ûshëmâchî / wëshimëchî (en verheug je) . Tenakh (3) : (1) Jl 2,21 . (2) Zach 2,14 . (3) Kl 4,21 .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. shimëchû (verheugt jullie) . Tenakh (4) : (1) Re 9,19 . (2) Js 66,10 . (3) Ps 32,11 . (4) Ps 97,12 . wëshimëchû (en verheugt jullie) . Tenakh (1) : Jl 2,23 .


- wajjäshèm (en hij plaatste) . Verwijzing : shâm (plaatsen, stellen) , zie Ex 2,14 . Qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In zevenentachtig verzen in de bijbel . In dertien verzen in Ex : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 .


- sjâm (daar) OF sjem


- שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen)

-sjâmajim (hemelen) . שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Taalgebruik in Jesaja : sjamaîm (hemelen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (92) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (49) .
- Grieks : ouranos (hemel) . Taalgebruik in de Septuaginta : ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Een vorm van ouranos (hemel) in de LXX (682) , in het NT (272) .
- Lat. coelum . Fr. ciel . Ned. hemel . D. Himmel . E. heaven . Arabisch : سَمَاة = samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Koran : samâ´ (hemel) .
- הַּשָׁמַיִם / הַּשָׁמָיִם = hasjsjâmajim / hasjsjâmâjim (de hemelen) < bepaald lidw. ha + שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . . Tenakh (223) . Pentateuch (69) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (41) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (63) . Gn (32) . Gn 1-11 (21) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,26 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,30 . (10) Gn 2,1 . (11) Gn 2,4 . (12) Gn 2,19 . (13) Gn 2,20 . (14) Gn 6,7 . (15) Gn 6,17 . (16) Gn 7,3 . (17) Gn 7,11 . (18) Gn 7,19 . (19) Gn 7,23 . (20) Gn 8,2 . (21) Gn 9,2 . 2 K (12) : (1) 2 K 1,10 . (2) 2 K 1,12 . (3) 2 K 1,14 . (4) 2 K 2,1 . (5) 2 K 2,11 . (6) 2 K 14,27 . (7) 2 K 17,16 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 K 21,3 . (10) 2 K 21,5 . (11) 2 K 23,4 . (12) 2 K 23,5 . Ps (15) : (1) Ps 8,2 . (2) Ps 19,2 . (3) Ps 19,7 . (4) Ps 50,4 . (5) Ps 57,6 . (6) Ps 79,2 . (7) Ps 96,11 . (8) Ps 97,6 . (9) Ps 104,12 . (10) Ps 113,4 . (11) Ps 115,16 . (12) Ps 136,5 . (13) Ps 136,26 . (14) Ps 148,1 . (15) Ps 148,4 .
- הַשָּׁמַיִמָה = hasjsjâmajëmâh (naar de hemel) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. stat. constr. mann. mv. + hâ van richting . Zie : Tenakh (11) : (1) Gn 15,5 . (2) Gn 28,12 . (3) Ex 9,8 . (4) Ex 9,10 . (5) Dt 4,19 . (6) Dt 30,12 . (7) Joz 8,20 . (8) Re 13,20 . (9) Re 20,40 . (10) Job 2,12 . (11) 2 Kr 6,13 .

- בַּשָּׁמַיִם = basjsjâmajim (in de hemelen) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. mann. mv. שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Taalgebruik in Jesaja : sjamaîm (hemelen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 .
- Tenakh (24) . Ex (1) : Ex 20,4 . Dt (3) : (1) Dt 3,24 . (2) Dt 4,39 . (3) Dt 5,8 .

Tenakh (48) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (24) . Ps (12) : (1) Ps 2,4 . (2) Ps 11,4 . (3) Ps 18,14 . (4) Ps 73,9 . (5) Ps 73,25 . (6) Ps 78,26 . (7) Ps 103,19 . (8) Ps 113,6 . (9) Ps 115,3 . (10) Ps 119,89 . (11) Ps 123,1 . (12) Ps 135,6 .
- basjsjâmajim ûbhâ´ârèts (in de hemelen en op de aarde) . Tenakh (6) : (1) Dt 3,24 . (2) 1 Kr 29,11 . (3) 2 Kr 6,14 . (4) Ps 113,6 . (5) Ps 135,6 . (6) Jl 3,3 .
-- ´èth hasjsjâmajim (de hemelen) . Tenakh (15) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 . (3) Dt 4,26 . (4) Dt 11,17 . (5) Dt 28,12 . (6) Dt 30,19 . (7) Dt 31,28 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 Kr 2,11 . (10) Neh 9,6 . (11) Js 37,16 . (12) Jr 23,24 . (13) Jr 32,17 . (14) Hag 2,6 . (15) Hag 2,21 .
-- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim (U hebt de hemelen gemaakt) . Tenakh (4) : (1) 2 K 19,15 . (2) Neh 9,6 . (3) Js 37,16 . (4) Jr 32,17 .
-- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts (U hebt de hemelen en de aarde gemaakt) . Tenakh (3) : (1) 2 K 19,15 . (2) Js 37,16 . (3) Jr 32,17 .
- sjâmajim wë´èrèts (hemel en aarde) . Tenakh (11) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 . (3) Ps 69,35 . (4) Ps 115,15 . (5) Ps 121,2 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 134,3 . (8) Ps 146,6 . (9) Jr 33,25 . (10) Jr 51,48 . (11) Jl 4,16 .
-- `osheh sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (makende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) . Tenakh (5) : (1) Ps 115,15 . (2) Ps 121,2 . (3) Ps 124,8 . (4) Ps 134,3 . (5) Ps 146,6 .
-- qoneh sjâmajim wë´èrèts (scheppende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft geschapen) . Tenakh (2) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 .
- Vaak komt een imperat. mv. met sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) :
- Js 1,2 : sjimë`û sjâmajim (luistert , hemelen) .
- Js 44,23 : rânnû sjâmajim (juicht , hemelen) .
- Js 45,8 : harë`îphû sjâmajim (dauwt , hemelen) .
- Js 49,13 : rânnû sjâmajim (juicht , hemelen) .


- שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren)

wajjisjëma` (en hij hoorde) . Nevenschikkend voegwoord waw + werkwoordvorm actief qal imperfectum derde persoon enkelvoud . LXX : akousas (gehoord , geluisterd , vernomen) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 .
- sjâm`â (horen, luisteren) . שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Dt : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Amos : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Micha : sjâm`â (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Gr. akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Lat. audire . Ned. horen . E. to hear . D. höhren . Een vorm van akouô (horen) in het NT (427) , in de LXX (1069) . Horen veronderstelt een lijdend voorwerp . Horen kan verwijzen naar iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin . sj-m-` . Tenakh (169) . Pentateuch (42) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (55) . Gn (14) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,12 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 24,52 . (5) Gn 26,5 . (6) Gn 27,8 . (7) Gn 27,13 . (8) Gn 27,43 . (9) Gn 29,13 . (10) Gn 29,33 . (11) Gn 30,6 . (12) Gn 34,5 . (13) Gn 39,10 . (14) Gn 42,23 . kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (11) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .

- כִּי שָׁמַע = kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (13) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .

- יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH (JHWH hoorde / luisterde naar) . Tenakh (8) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 1,45 . (4) 2 K 19,4 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 6,10 . (7) Ps 78,21 . (8) Js 37,4 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma` ´èlohîm (God hoorde / luisterde) . Tenakh (3) : (1) : Gn 21,17 . (2) Ps 68,19 . (3) Ps 78,59 .

- כִּי שָׁמַע יהוה = kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,11 (bij de naamgeving van Ismaël) . (2) Gn 29,33 (bij de naamgeving van Simeon door Lea) . (3) Ps 6,9 .

- כִּי שָׁמַע אֱלֹהִים = kî sjâma ´èlohîm (want God hoorde) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .

- act. part. nom. mann. enk. שֹׁמֵעַ = sjome`a (luisterend) van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luister Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (30) .

- act. hifil imperatief 2de pers. mann. mv. hasjëmî`û (doet horen) . Tenakh (10) : (1) Js 48,20 . (2) Jr 4,5 . (3) Jr 4,16 . (4) Jr 31,7 . (5) Jr 48,4 . (6) Jr 50,2 . (7) Jr 50,29 . (8) Jr 51,27 . (9) Am 3,9 . (10) Am 4,5 .
- act. qal imperatief 2de pers. mann. enk. sjëma` (luister) . Tenakh (169) . Am (1) Am 7,16 .
-- sjëma` debhar JHWH (hoor het woord van JHWH) . Tenakh (7) : (1) 1 K 22,19 . (2) 2 K 20,16 . (3) Js 39,5 . (4) Jr 22,2 . (5) Jr 34,4 . (6) Ez 21,3 . (7) Am 7,16 .
- (1) שִׁמְעוּ = sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. OF (2) שָׁמְעוּ = sjâmë`û (zij horen) : act. qal perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Tenakh (163) . Pentateuch (17) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (76) . 12 Kleine Profeten (18) . Geschriften (28) . Niet in Dt .
-- sjimë`û debhar JHWH (hoort het woord van JHWH) . Tenakh (12) : (1) 2 Kr 18,18 . (2) Js 1,10 . (3) Js 28,14 . (4) Jr 2,4 . (5) Jr 7,2 . (6) Jr 17,20 . (7) Jr 19,3 . (8) Jr 29,20 . (9) Jr 31,10 . (10) Jr 42,15 . (11) Jr 44,26 . (12) Hos 4,1 .
-- sjimë`û (hoort, luistert naar) ´èth haddâbhâr (het woord) . Tenakh (4) : (1) Jr 10,1 . (2) Am 3,1 . (3) Am 4,1 . (4) Am 5,1 .
-- sjimë`û (hoort, luistert naar) ´èth haddâbhâr hazzèh (dit woord) . Tenakh (3) : (1) Am 3,1 . (2) Am 4,1 .(3) Am 5,1 . Hiermee worden de drie pericopen van het tweede deel (Am 3-6) van Amos ingeleid .

--- sjimë`û (hoort, luistert) zo´th (dit) . Tenakh (8) : (1) Ps 49,2 . (2) Js 48,1 . (3) Js 48,16 . (4) Jr 5,21 . (5) Hos 5,1 . (6) Jl 1,2 . (7) Am 8,4 . (8) Mi 3,9 .
--- sj-m-` . Tenakh (169) . Gn : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,12 (imperatief) . (3) Gn 21,17 . sjâm`â (luisteren, horen) . Verwijzing : sjâm`â (horen, luisteren) , zie Ex 2,15 . In 169 verzen in de bijbel . In 14 verzen in Dt . ´e(j)nènnî sjome`a (ik ben niet luisterende = ik luister niet) . Tenakh (4) : (1) Js 1,15 . (2) Jr 7,16 . (3) Jr 11,14 . (4) Jr 14,12 .
- verbindingswoord wë + werkwoordvorm sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. OF sjâmë`û : act. qal perf. 3de pers. mann. mv. wësjimë`û OF wësjâmë`û / wasjâmë`û . Tenakh (13) : (1) Gn 49,2 . (2) Ex 3,18 . (3) Nu 14,13 . (4) Joz 3,9 . (5) Js 28,23 . (6) Js 29,18 . (7) Js 48,14 . (8) Jr 26,13 . (9) Ez 33,30 . (10) Ez 33,31 . (11) Ez 33,32 . (12) Ps 141,6 . (13) Est 9,4 .
- sjëmâ (luister, hoor) . act. qal imperatief 2de persoon mann. enkelvoud : (1) Dt 4,1 . (2) Dt 5,1 . (3) Dt 6,4 . (4) Dt 9,1 . (5) Dt 20,3 . (6) Dt 33,7 .
- wëlo´ sjâma` ´älehèm (en hij luisterde niet naar hen) . Tenakh (5) : (1) Ex 7,13 . (2) Ex 7,22 . (3) Ex 8,11 . (4) Ex 8,15 . (5) Ex 9,12 .

- act. qal inf. absolut. שָׁמֹעַ = sjâmo`a (te luisteren) . Zie : שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 .

lisjëmo`a (om te horen / luisteren) < lë + act. qal inf. van het werkw. Tenakh (44) . Js (2) : (1) Js 34,1 . (2) Js 50,4 .


- act. hifil imperatief 2de pers. mv. hasjëmî`û (doet horen) . Tenakh (10) : (1) Js 48,20 . (2) Jr 4,5 . (3) Jr 4,16 . (4) Jr 31,7 . (5) Jr 48,4 . (6) Jr 50,2 . (7) Jr 50,29 . (8) Jr 51,27 . (9) Am 3,9 . (10) Am 4,5 .

--- וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` (en hij hoorde) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (90) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (12) . Gn (11) : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 23,16 . (5) Gn 28,7 . (6) Gn 30,17 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 31,1 . (9) Gn 35,22 . (10) Gn 37,21 . (11) Gn 45,2 . Ex (6) : (1) Ex 2,15 . (2) Ex 2,24 . (3) Ex 18,1 . (4) Ex 18,24 . (5) Ex 32,17 . (6) Ex 33,4 . Lv (1) : Lv 10,20 . Nu (10) . Dt (5) : (1) Dt 1,34 . (2) Dt 5,28 . (3) Dt 9,19 . (4) Dt 10,10 . (5) Dt 26,7 . De constructie wajjisjëma` Parë`oh komt slechts éénmaal voor .
-- וַיִּשְׁמַע אַבְרָם = wajjisjëma` ábhërâm (en Abram hoorde) . In twee verzen in de bijbel : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 16,2 .
--וַיִּשְׁמַע אַבְהָרָם = wajjisjëma` ábhërâhâm (en Abraham hoorde) . In één vers in de bijbel : Gn 23,16 .

- שָׁמַע כִּי = kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (13) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .

- יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH (JHWH hoorde / luisterde naar) . Tenakh (8) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 1,45 . (4) 2 K 19,4 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 6,10 . (7) Ps 78,21 . (8) Js 37,4 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma` ´èlohîm (God hoorde / luisterde) . Tenakh (3) : (1) : Gn 21,17 . (2) Ps 68,19 . (3) Ps 78,59 .
- יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH (en JHWH hoorde) . Tenakh (10) : (1) Nu 11,1 . (2) Nu 12,2 . (3) Nu 21,3 . (4) Dt 1,34 . (5) Dt 5,28 . (6) Dt 9,19 . (7) Dt 10,10 . (8) Dt 26,7 . (9) 1 K 17,22 . (10) 2 Kr 30,20 .
- אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) . Tenakh (3) :
(1) Gn 21,17 (en God luisterde naar - de stem van de zoon van Hagar -) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος = eisèkousen de ho theos (God echter luisterde naar) .
(2) Gn 30,17 (לֵאָה אֶל ... = ´èl Le´âh = En God luisterde naar Lea) . LXX : και επηκουσεν ὁ θεος λειας = kai epèkousen ho theos Leias (en God luisterde naar Lea)
(3) Ex 2,24 (נָאֲקָתָם אֶת ... = ´èth na´äqâthâm = en God luisterde naar het weeklagen - van de Hebreeën) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος τον στεναγμον αυτων = kai eisèkousen ho theos ton stenagmon autôn (en God luisterde naar hun geweeklaag) .
Zie ook Gn 30,22 (אֱלֹהִים אֵלֶהָ וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´elêhâ ´èlohîm = en God luisterde naar haar / Rachel) . LXX : και επηκουσεν αυτης ὁ θεος = kai epèkousen autès ho theos .
God luisterde naar wie in een benarde en uitzichtloze situatie was gekomen . Hij luisterde naar Hagar , Lea , Rachel , de Hebreeën . LXX : Is de Hebreeuwse bepaling bij het werkwoord אֶת = ´èth , dan is de LXX εισηκουσεν = eisèkousen , is de Hebreeuwse bepaling אֶל = ´èl , dan is de LXX επηκουσεν = epèkousen .

- יהוה שָׁמַע כִּי = kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,11 (bij de naamgeving van Ismaël) . (2) Gn 29,33 (bij de naamgeving van Simeon door Lea) . (3) Ps 6,9 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm (want God hoorde) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .

- אֶל יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH ´èl (JHWH luisterde naar) . Tenakh (1) : Gn 16,11 .
-
- אֶל שָׁמַע = sjâma` ´èl (hij luisterde naar) . Tenakh (1) : 2 Kr 35,22 .
- אֵת שָׁמַע = ´eth sjâma` ´èth (hij hoorde de) . Tenakh (2) : (1) Ex 16,9 . (2) 2 S 13,21 .
- אֶל אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm ´èl (en God hoorde naar) . Tenakh (1) : Gn 30,17 .
- אֶל וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èl (en hoorde naar) . Tenakh (1) : 2 K 19,9 .
- אֶת אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm ´èth (en God hoorde de) . Tenakh (2) : (1) Gn 21,17 . (2) Ex 2,24 .
- אֶת וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` `èth (en hij hoorde de) . Tenakh (2) : (1) Gn 31,1 . (2) Nu 7,59 .

- קֹלֵנוּ אֵת = ´èth qolenû (onze stem) . Tenakh (1) : Dt 26,7 .

- קוֹל יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH qôl (JHWH hoorde de stem van) . Tenakh (1) : Ps 6,9 .
- קוֹל אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma ´èlohîm ´èl qôl (God hoorde naar de stem van) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .
- קוֹל אֵת יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH ´èth qôl (en JHWH hoorde het geroep / de stem) . Tenakh (2) : (1) Dt 1,34 . (2) Dt 5,28 .
- קֹלֵנוּ אֵת יהוה וַיִּשְׁמַע

=
- אֵלַי יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH ´elaj (en JHWH luisterde naar mij) . Tenakh (2) : (1) Dt 9,19 . (2) Dt 10,10 .
-
- קוֹל אֶת אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm ´èth qôl (en God hoorde de stem van) . Tenakh (2) : (1) Gn 21,17 . (2) Ex 2,24 .

- עָנְיֵך אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm ´èl `ânëjekh (want God hoorde naar jouw vernedering) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .
- קוֹל אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm ´èl qôl (want God hoorde naar de stem van) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .
- קוֹל יהוה שָׁמַע כִּי = kî sjâma` JHWH qôl (want JHWH hoorde de stem van) . Tenakh (1) : Ps 6,9

--- -- wajjisjëma` mosjèh (en Mozes hoorde) . In vier verzen in de bijbel :(1) Ex 18,4 . (2) Lev 10,20 . (3) Nu 11, 10 . (4) Nu 16,4 .

- = jisjëmë`û (zij zullen horen / luisteren) : act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. of act.

- sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (163) . Js (23) . Js 1-39 (7) : (1) Js 1,2 . (2) Js 1,10 . (3) Js 6,9 . (4) Js 7,13 . (5) Js 28,14 . (6) Js 33,13 . (7) Js 36,13 .
-- sjimë`û debhar JHWH (hoort het woord van JHWH) . Tenakh (12) : (1) 2 Kr 18,18 . (2) Js 1,10 . (3) Js 28,14 . (4) Jr 2,4 . (5) Jr 7,2 . (6) Jr 17,20 . (7) Jr 19,3 . (8) Jr 29,20 . (9) Jr 31,10 . (10) Jr 42,15 . (11) Jr 44,26 . (12) Hos 4,1 .
- act. qal perf. 1ste pers. mv. sjâma`ënû (wij luisterden) . Tenakh (25) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (8) . Eerdere Profeten (5) : (1) Joz 1,17 . (2) Joz 2,10 . (3) Joz 9,9 . (4) 2 S 7,22 . (5) 1 K 20,31 .
- ´äsjèr (wat wij hoorden) . Tenakh (4) : (1) Joz 1,17 . (2) 2 S 7,22 . (3) 1 Kr 17,20 . (4) Ps 78,3 .
- këkol ´äsjèr (in alles wat wij hoorden) . Tenakh (4) : (1) Joz 1,17 . (2) 2 S 7,22 . (3) 1 Kr 17,20 .
- act. hifil 3de pers. mann. enk. jasjëmî`a (jij zal doen horen) van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js 42,2 . (2) Ps 106,2 .
- act. hifil 1ste pers. enk. ´asjëmî`a (ik zal doen horen) van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js 42,2 . (2) Ez 36,15 .
- kisjëmo`a (bij het horen) . Tenakh (31) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (3) . Eerdere Profeten (22) : (1) Joz 5,1 . (2) Joz 6,20 . (3) Joz 9,1 . (4) Joz 10,1 . (5) Joz 11,1 . (6) Re 7,15 . (7) 1 S 15,22 . (8) 1 K 5,21 . (9) 1 K 12,2 . (10) 1 K 12,20 . (11) 1 K 13,4 . (12) 1 K 14,6 . (13) 1 K 15,21 . (14) 1 K 19,13 . (15) 1 K 20,12 . (16) 1 K 21,15 . (17) 1 K 21,16 . (18) 1 K 21,27 . (19) 2 K 5,8 . (20) 2 K 6,30 . (21) 2 K 19,1 . (22) 2 K 22,11 .
- wajëhî kisjëmo`a (en het was bij het horen) . Tenakh (11) : (1) Gn 29,13 . (2) Gn 39,19 . (3) Joz 5,1 . (4) Joz 6,20 . (5) Joz 9,1 . (6) Joz 10,1 . (7) Re 7,15 . (8) 1 K 13,4 . (9) 1 K 14,6 . (10) 1 K 21,27 . (11) 2 K 6,30 .
-- wajëhî kisjëmo`a (en het was toen de koning hoorde) . Tenakh (2) : (1) 1 K 13,4 . (2) 2 K 6,30 .

- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תִשְׁמְעוּ = thisjëmë`û (jullie luisteren) van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (28) . Pentateuch (9) . Dt (3) : (1) Dt 11,13 . (2) Dt 11,27 . (3) Dt 11,28 .

-

- wësjâma`thâ < wë + werkwoordvorm act. qal perf. 2de pers. mann. enk. sjâma`thâ van het werkw. sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Dt : sjâm`â (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 50 of 410 . Structuur : 3 - 4 - 7 . Gr. akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Lat. audire . Ned. horen . E. to hear . D. höhren . Een vorm van akouô (horen) in het NT (427) , in de LXX (1069) . Horen veronderstelt een lijdend voorwerp . Horen kan verwijzen naar iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin . Tenakh (17) . Pentateuch , enkel in Dt (7) : (1) Dt 4,30 . (2) Dt 6,3 . (3) Dt 12,28 . (4) Dt 17,4 . (5) Dt 27,10 . (6) Dt 30,2 . (7) Dt 30,8 .


- sjmad (verwoesten, vernietigen, uitroeien) . sjâmad (verwoesten, vernietigen, uitroeien) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmad (verwoesten, vernietigen, uitroeien) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , daleth = 4 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 344 (2³ X 43) .
- wëhisjëmîdëkhâ (en hij zal je vernietigen) < wë + act. hifil perfect. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Dt 6,15 . (2) Dt 7,4 .
- ûlëhasjëmîd (en om te vernietigen) < wë + lë + act. hifil infin. van het werkw. Tenakh (4) : (1) Dt 28,63 . (2) Joz 9,24 . (3) 1 K 13,34 . (4) 2 Kr 20,23 .
-


- שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren)

sjâmar (behouden, bewaren) . שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 .

sj-m-r : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. שָׁמַר = sjâmar (hij behoudt) . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. שְׁמֹר = sjëmor (behoud) . (3) act. qal infin. שָׁמֹר = sjâmor (te behouden) . (4) act. qal part. nom. mann. enk. שֹׁמֵר = sjomer (behoudende) . Zie : שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (63) . Pentateuch (7) : (1) Gn 37,11 (sjämar) . (2) Ex 34,11 (sjëmâr) . (3) Dt 7,9 (sjomer) . (4) Dt 8,11 (sjëmor) . (5) Dt 11,22 (sjâmor) . (6) Dt 12,28 (sjëmor) . (7) Dt 27,1 (sjâmor) . Een vorm van het woord sj-m-r wordt in de LXX in 31 Griekse woorden vertaald . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in 9 verzen : (1) Js 7,4 . (2) Js 21,11 . (3) Js 21,12 . (4) Js 26,2 . (5) Js 42,20 . (6) Js 56,1 . (7) Js 56,2 . (8) Js 56,4 . (9) Js 56,6 .
- sj-m-r : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâmar (hij behoudt) . . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. sjëmor (behoud) . (3) act. qal infin. sjâmor (te behouden) . (4) act. qal part. nom. mann. enk. sjomer (behoudende) . sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 .Een vorm van het woord sj-m-r wordt in de LXX in 31 Griekse woorden vertaald . Tenakh (63) . Pentateuch (7) . Jesaja (sjomer = behoudende) (5) (1) Js 21,11 . (2) Js 21,12 . (3) Js 26,2 . (4) Js 56,2 . (5) Js 56,6 . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in 9 verzen : (1) Js 7,4 . (2) Js 21,11 . (3) Js 21,12 . (4) Js 26,2 . (5) Js 42,20 . (6) Js 56,1 . (7) Js 56,2 . (8) Js 56,4 . (9) Js 56,6 . sjômer (behouden, bewarend) . Participium praesens . In tien verzen in de bijbel . In drie verzen in de Psalmen : (1) Ps 121,4 .
- sj-m-r-u . Vormen : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. mv. sjâmërû / sjâmârû (zij behouden) . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. sjimërû (behoudt) . Tenakh (22) Js (1) : Js 56,1 . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in 7 verzen : (1) Js 7,4 . (2) Js 26,2 . (3) Js 42,20 . (4) Js 56,1 . (5) Js 56,2 . (6) Js 56,4 . (7) Js 56,6 .

- qal inf. absol. שׁמוֹר = sjamôr (te onderhouden) . Zie : שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (3) : (1) Dt 5,12 . (2) Dt 6,17 . (3) Dt 16,1 .

- act. qal imperf. 3de pers. mv. תִשְׁמֹרוּ = thisjëmonû (jullie zullen onderhouden) van het werkw. שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (7) : (1) Ex 31,13 . (2) Lv 19,3 . (3) Lv 19,19 . (4) Lv 19,30 . (5) Lv 26,2 . (6) Dt 13,5 . (7) Ez 20,18 .

- pass. nifal imperat. 2de pers. mann. enk. hisjsjâmer (wees behouden) . Tenakh (1) Js 7,4 .

- וַיִשְׁמְרֶךָ = wajisjëmërèkhâ (en hij zal je bewaren) < prefix voegwoord + act. qal imperf. (jiqtol) 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Getalswaarde van in Nu 6,24 is 572 (2³ X 2³ X 3²) .


- sjëmû´el (Samuël) . sjëmû´el (Samuël) . Taalgebruik in Tenakh : sjmel (Samul) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 + aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; 50 + 13 = 63 (3² X 7) OF of 410 + 31 = 441 (3² X 7²) . Structuur : 3 - 4 - 7 - 1 - 3 . Tenakh (108) . Pentateuch (1) . Eerdere Profeten (101) . 1 S (101) . 1 S 1 (1) : 1 S 1,20 . 1 S 8 (8) : (1) 1 S 8,1 . (2) 1 S 8,4 . (3) 1 S 8,6 . (4) 1 S 8,7 . (5) 1 S 8,10 . (6) 1 S 8,19 . (7) 1 S 8,21 . (8) 1 S 8,22 . 1 S 10 (9) : (1) 1 S 10,1 . (2) 1 S 10,9 . (3) 1 S 10,14 . (4) 1 S 10,15 . (5) 1 S 10,16 . (6) 1 S 10,17 . (7) 1 S 10,20 . (8) 1 S 10,24 . (9) 1 S 10,25 . 1 S 16 (8) : (1) 1 S 16,1 . (2) 1 S 16,2 . (3) 1 S 16,4 . (4) 1 S 16,7 . (5) 1 S 16,8 . (6) 1 S 16,10 . (7) 1 S 16,11 . (8) 1 S 16,13 .
- ´èl sjëmû´el (tot Samuël) . Tenakh (16) : (1) 1 S 3,4 . (2) 1 S 3,11 . (3) 1 S 3,21 . (4) 1 S 7,8 . (5) 1 S 8,4 . (6) 1 S 8,7 . (7) 1 S 8,22 . (8) 1 S 10,14 . (9) 1 S 11,12 . (10) 1 S 12,19 . (11) 1 S 15,10 . (12) 1 S 15,20 . (13) 1 S 15,24 . (14) 1 S 16,1 . (15) 1 S 16,7 . (16) 1 S 19,18 .
- ´èl sjëmû´el hârâmâthâh (tot Samuël, naar Rama) . Tenakh (2) : (1) 1 S 8,4 . (2) 1 S 19,18 .


- sjen (tand, spits) . שֵׁן= sjen (tand, spits) . Taalgebruik in Tenakh : sjen (tand, spits) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 ; 35 (5 X 7) of 350 (2 X 5² X 7) . Structuur : 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 .


- שָׁנָה = sjânâh (jaar)

- sjânâh (jaar) . שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) . Gn 5 (29) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 5,4 . (3) Gn 5,5 . (4) Gn 5,6 . (5) Gn 5,7 . (6) Gn 5,8 . (7) Gn 5,9 . (8) Gn 5,10 . (9) Gn 5,11 . (10) Gn 5,12 . (11) Gn 5,13 . (12) Gn 5,14 . (13) Gn 5,15 . (14) Gn 5,16 . (15) Gn 5,17 . (16) Gn 5,18 . (17) Gn 5,19 . (18) Gn 5,20 . (19) Gn 5,21 . (20) Gn 5,22 . (21) Gn 5,23 . (22) Gn 5,24 . (23) Gn 5,25 . (24) Gn 5,26 . (25) Gn 5,27 . (26) Gn 5,28 . (27) Gn 5,30 . (28) Gn 5,31 . (29) Gn 5,32 . Gn 11 (18) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 11,11 . (3) Gn 11,12 . (4) Gn 11,13 . (5) Gn 11,14 . (6) Gn 11,15 . (7) Gn 11,16 . (8) Gn 11,17 . (9) Gn 11,18 . (10) Gn 11,19 . (11) Gn 11,20 . (12) Gn 11,21 . (13) Gn 11,22 . (14) Gn 11,23 . (15) Gn 11,24 . (16) Gn 11,25 . (17) Gn 11,26 . (18) Gn 11,32 . Gn 15 (1) : Gn 15,13 . Gn 25 (4) : (1) Gn 25,7 . (2) Gn 25,17 . (3) Gn 25,20 . (4) Gn 25,26 . Ex (11) : (1) Ex 6,16 . (2) Ex 6,18 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 7,7 . (5) Ex 12,5 . (6) Ex 12,40 . (7) Ex 12,41 . (8) Ex 16,35 . (9) Ex 29,38 . (10) Ex 30,14 . (11) Ex 38,26 . Js (9) : (1) Js 7,8 . (2) Js 21,16 . (3) Js 23,15 . (4) Js 23,17 . (5) Js 29,1 . (6) Js 32,10 . (7) Js 36,1 . (8) Js 38,5 . (9) Js 39,3 .
- שָׁנָה = sjânâh < sjanat : een qal vorm vr. : een naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijke korte klinker (Lettinga(6) 24c1) . In open lettergreep onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de korte a verlengd tot â (Lettinga(6) 13i) . De ה = h is de aanwijzing van de lange eindklinker (Lettinga(6) 3d) . Het vrouwelijke woord שָׁנָה = sjânâh krijgt een mann. mv. שָׁנִים = sjânîm . Eerder zeldzaam en poëtisch שָׁנוֹת = sjânôth . (Joüon 90b) .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Ned. : jaar . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . D. : Jahr . E. : year . Fr. : an of année . Grieks : ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Hebreeuws : שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Latijn : annus (jaar) .

- מְאַת שָׁנָה = mëath sjânâh (100 jaar) . Tenakh (5) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 21,5 . (3) Gn 25,7 . (4) Gn 25,17 . (5) Gn 35,28 .
- שִׁבְעִים שָׁנָה = sjibhë`îm sjânâh (zeventig jaar, 70 jaar) . Tenakh (13) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,26 . (3) 2 Kr 36,21 . (4) Ps 90,10 . (5) Js 23,15 (2X) . (6) Js 23,17 . (7) Jr 25,11 . (8) Jr 25,12 . (9) Jr 29,10 . (10) Da 9,2 . (11) Zach 1,12 . (12) Zach 7,5 .
- In Gn komt 7X achthonderd , afzonderlijk of in samenstelling voor (b.v. 830) . In deze 7 verzen volgt שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Slechts in de verzen van Gn is dit het geval .
- וּשְׁמֹנֶה מֵאוֹד = ûsjëmonèh me´ôd (en achthonderd, en 800) . Tenakh (6) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,10 . (3) Gn 5,13 . (4) Gn 5,16 . (5) Gn 5,17 . (6) Neh 7,11 .
- שְׁמֹנֶה מֵאוֹד = sjëmonèh me´ôd (achthonderd, 800) . Tenakh (7) : (1) Gn 5,19 . (2) 2 S 23,8 . (3) 2 S 24,9 . (4) Ezr 2,6 . (5) Neh 7,13 . (6) Neh 11,12 . (7) Jr 52,29 .
- שְׁמֹנֶה מֵאֹת = sjëmonèh me´od (achthonderd, 800) . Tenakh (1) : Gn 5,4 .
- מֵאוֹד שְׁמֹנֶה = me´ôd sjânâh (honderd jaar, 100 jaar) . Tenakh (31) : (1) Gn 5,5 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,8 . (4) Gn 5,10 . (5) Gn 5,11 . (6) Gn 5,13 . (7) Gn 5,14 . (8) Gn 5,16 . (9) Gn 5,17 . (10) Gn 5,19 . (11) Gn 5,20 . (12) Gn 5,22 . (13) Gn 5,23 . (14) Gn 5,26 . (15) Gn 5,27 . (16) Gn 5,31 . (17) Gn 5,32 . (18) Gn 7,6 . (19) Gn 7,11 . (20) Gn 8,13 . (21) Gn 9,28 . (22) Gn 9,29 . (23) Gn 11,11 . (24) Gn 11,13 . (25) Gn 11,15 . (26) Gn 11,17 . (27) Gn 15,13 . (28) Ex 12,40 . (29) Ex 12,41 . (30) Re 11,26 . (31) 1 K 6,1 .
- Lat. gen. mann. mv. annorum (van de jaren) van het zelfst. naamw. annus (jaar) . Bijbel (107) . OT (99) . NT (8) . Lv (7) : (1) Lv 25,8 . (2) Lv 25,14 . (3) Lv 25,21 . (4) Lv 25,50 . (5) Lv 25,52 . (6) Lv 27,18 . (7) Lv 27,23 . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr .
- dat. + ablat. mann. mv. annis van het zelfst. naamw. annus (jaar) . Bijbel (205) . OT (186) . NT (19) . Gn (35) . Gn 5 (10) : Lv (2) : (1) Lv 25,3 (2X) . (2) Lv 25,50 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Taalgebruik in Lc : etos (jaar) . Bijbel (300) . OT (273) . NT (27) . Een vorm van etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .
- zie Lv 25,3.2. mann. mv. שָׁנִמ = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalswaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Ned. : jaar . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . D. : Jahr . E. : year . Fr. : an of année . Grieks : ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Latijn : annus (jaar) .

- stat. construct. vr. enk. = sjënath (jaar van) van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (37) . Gn (1) : Gn 41,50 . Lv (10) . Lv 25 (8) : (1) Lv 25,5 . (2) Lv 25,10 . (3) Lv 25,11 . (4) Lv 25,28 . (5) Lv 25,29 . (6) Lv 25,40 . (7) Lv 25,50 . (8) Lv 25,52 .

Lv 25,1 - Lv 25,2 - Lv 25,3 - Lv 25,4 - Lv 25,5 - Lv 25,6 - Lv 25,7 - Lv 25,8 - Lv 25,9 - Lv 25,10 - Lv 25,11 - Lv 25,12 - Lv 25,13 - Lv 25,14 - Lv 25,15 - Lv 25,16 - Lv 25,17 - Lv 25,18 - Lv 25,19 - Lv 25,20 - Lv 25,21 - Lv 25,22 - Lv 25,23 - Lv 25,24 - Lv 25,25 - Lv 25,26 - Lv 25,27 - Lv 25,28 - Lv 25,29 - Lv 25,30 - Lv 25,31 - Lv 25,32 - Lv 25,33 - Lv 25,34 - Lv 25,35 - Lv 25,36 - Lv 25,37 - Lv 25,38 - Lv 25,39 - Lv 25,40 - Lv 25,41 - Lv 25,42 - Lv 25,43 - Lv 25,44 - Lv 25,45 - Lv 25,46 - Lv 25,47 - Lv 25,48 - Lv 25,49 - Lv 25,50 - Lv 25,51 - Lv 25,52 - Lv 25,53 - Lv 25,54 - Lv 25,55 -

- vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalswaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,26 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 . Re (13) : (1) Re 2,8 . (2) Re 3,8 . (3) Re 6,1 . (4) Re 6,25 . (5) Re 9,22 . (6) Re 11,37 . (7) Re 11,39 . (8) Re 12,7 . (9) Re 12,9 . (10) Re 12,11 . (11) Re 12,14 . (12) Re 20,21 . (13) Re 21,10 .
- שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) . Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .
- basjsjânâh (in het jaar) < prefix voorzetsel bë (in) + bepaald lidw. ha + zelfst.naamw. Tenakh (65) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (10) . Lv (5) : (1) Lv 16,34 . (2) Lv 23,41 . (3) Lv 25,20 . (4) Lv 25,21 . (5) Lv 25,53 .

- בִּשְׁנַת

= bisjënath (in het jaar van) < bë + stat. constr. van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (76) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (20) . Js (3) : (1) Js 6,1 . (2) Js 14,28 . (3) Js 20,1 .

- וּבַשָּׁנָה = ûbhasjsjânâh (en in het jaar) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) . Lv (3) : (1) Lv 19,24 . (2) Lv 19,25 . (3) Lv 25,4 .

- וּבִּשְׁנַת = ûbisjënath (en in het jaar van) < prefix verbindingswoord wë + prefix voorzetsel bë + stat. constr. van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) : (1) 1 K 15,1 . (2) 1 K 15,9 . (3) 2 K 8,16 . (4) 2 K 9,29 . (5) Jr 17,8 . (6) Da 2,1 . (7) Ezr 1,1 . (8) 2 Kr 17,7 . (9) 2 Kr 34,8 . (10) 2 Kr 36,22 .

1. - 2. bisjënath môth (in het jaar van de dood) EN 1. - 3. bisjënath môth hammèlèkh (in het jaar van de dood van de koning) . Tenakh (2) : (1) Js 6,1 . (2) Js 14,28 .
- me´âh wâ`èshèr sjânîm (110 jaar) . Tenakh (4) : (1) . (2) . (3) . (4) .


- שָׁנַן = sjânan (een tweede maal zeggen, herhalen)

- sjnan (een tweede maal zeggen, herhalen) . שָׁנַן = sjânan (een tweede maal zeggen, herhalen) . Taalgebruik in Tenakh : sjnan (een tweede maal zeggen, herhalen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 ; totaal : 328 of 400 . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 .

- וְשִׁנַּנְתָּם = wësjinnanëthâm (en jij zult hen vertellen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act. piël perf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Tenakh (1) :

- sjâphakh (gieten, vergieten, uitstorten) . sjâphakh (gieten, vergieten, uitstorten) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphakh (gieten, vergieten, uitstorten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 49 (7²) OF 400 (2² X 2² X 5²) . Structuur : 3 - 8 - 2 .
- act. qal imperf. 1ste pers. enk. ´èsjëpôkh (ik stort uit) van het werkw. Tenah (4) : (1) Ez 7,8 . (2) Hos 5,10 . (3) Jl 3,1 . (4) Jl 3,2 .


- sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 8 - 3 . Cfr. Sjephela (laagte) .
- sj-ph-l . Tenakh (6) . act. qal 3de pers. mann. enk. sjâphel (hij vernedert) . Tenakh (1) : Js 2,11 .
- lidw. ha + act. hifil part. nom. mann.enk . hammasjëpîlî (degene die zich neerbuigt) van het werkw. sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 8 - 3 . Cfr. Sjephela (laagte) . Tenakh (1) Ps 113,6 .


- sj-ph-r / - sjâphar (schrijven) . סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphar (tellen, schrijven ) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (20 X 17) . De som van de elementen is telkens 7 . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen .
- Ned. : schrijven ( s - ch=g of k - p = b = f = v . Arabisch : كَتَبَ = kataba (schrijven) . Taalgebruik in de Qoran : kataba (schrijven) . Aramees : סְפַר = sephar (tellen, schrijven) . D. : schreiben . E. : write . Fr. : écrire . Grieks : γραφω = grafô (schrijven,griften) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Hebreeuws : סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sâphar (schrijven, griften, cijferen) EN כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Latijn : scribere .

- act. qal part. praes. mann. enk. סֹפֵר = sopher (schrijvend -> schrijver) . Zie het werkw. סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphar (tellen, schrijven ) .


- sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , tet = 9 ; totaal : 47 OF 389 (priemgetal) .

wajjisjëpot (en hij richtte) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , tet = 9 ; totaal : 47 OF 389 (priemgetal) . Tenakh (14) : (1) Gn 19,9 . (2) Ex 5,21 . (3) Re 3,10 (Otniël) . (4) Re 10,2 (Tola) . (5) Re 10,3 (Jaïer) . (6) Re 12,7 (Jefta) . (7) Re 12,8 (1ste maal Ivtsan) . (8) Re 12,9 (2de maal Ivtsan) . (9) Re 12,11 (2X Elon) . (10) Re 12,13 (1ste maal Avdon) . (11) Re 12,14 (2de maal Avdon) . (12) Re 15,20 (1ste maal Simson) . (13) 1 S 7,6 (1ste maal Samuël) . (14) 1 S 7,15 (2de maal Samuël) . In 10 verzen in Re . In 7 verzen staat wajjisjëpot (hij richtte) op de 1ste plaats in het vers : (1) Re 10,2 . (2) Re 12,7 . (3) Re 12,8 . (4) Re 12,11 . (5) Re 12,13 . (6) Re 15,20 . (7) 1 S 7,15 .
Een vorm van sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) in Re in 13 verzen (14X) . (1) Re 4,4 : sjophëtâh (zij is richtende) ´èth jishërâ´el (Israël) nl. Debora . (2) Re 11,27 : jisjëpot JHWH (JHWH richtte) . (3) Re 16,31 : sjâphat ´èth jishërâ´el (hij richtte Israël) ; een eerste vermelding van Simson die richtte staat in Re 15,20 . Van de 13 verzen (14X) in Re gaat het in 12 verzen (13X) over een 'richter' .
In Re 12,11 wordt 2X gezegd dat Elon Israël richtte . 2X Avdon in Re 12,13 en Re 12,14 . Ook 2X Simson in Re 15,20 en Re 16,31 . In totaal wordt in Re over 9 personen gezegd dat zij richtten . In 1 S wordt wajjisjëpot (en hij richtte) 2X vermeld , maar het gaat telkens om Samuël . In Re en 1 S worden 10 personen genoemd die richtten . Over Ehud , Samgar , Gideon , ( Abimelek) wordt niet gezegd dat zij richtten .
- wajjisjëphot ´èth jishërâ´el (en hij richtte Israël) . Tenakh (7) : (1) Re 3,10 . (2) Re 10,2 . (3) Re 10,3 . (4) Re 12,9 . (5) Re 12,11 . (6) Re 12,14 . (7) Re 15,20 .
- act. qal part. vr. enk. sjophëtâh (recht sprekende) . Tenakh (1) : (1) Re 4,4 .
- lësjâphëtenû (om ons te richten) < voorzetsel lë + act. qal inf. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (2) : (1) 1 S 8,5 . (2) 1 S 8,6 .
- hasjsjophet (de rechter) < bepaald lidw. ha + act. qal partic. mann. enk. van het werkw. Tenakh (5) : (1) Dt 17,9 . (2) Dt 17,12 . (3) Dt 25,2 . (4) Re 2,18 . (5) Re 11,27 .
- act. qal part. mann. mv. sjophëtîm (rechtsprekenden) van het werkw. Tenakh (9) : (1) Dt 16,18 . (2) Re 2,16 . (3) Re 2,18 . (4) 1 S 8,1 . (5) 1 S 8,2 . (6) 2 S 7,11 . (7) Ps 58,12 . (8) 1 Kr 17,10 . (9) 2 Kr 19,5 .


 

- sjâqâh wajjasjëqë (en hij liet drinken) . Actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In dertien verzen in de bijbel .
- sjâqâh (laten drinken, drenken) . sjâqâh (laten drinken, drenken) . Taalgebruik : sjâqâh (laten drinken, drenken) . Getallenwaarde : sjin = 21 of 300 , qoph = 19 of 90 , he = 5 ; totaal : 45 (3² X 5) OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 9 - 5 . De som van de elementen is 8 .
- lhasjqth (om te drenken) < prefix voorzetsel l + act. hifil inf. constructus van het werkw. Tenakh (5) : (1) Gn 2,10 . (2) Gn 2,16 . (3) Js 43,20 . (4) Ez 17,7 . (5) Pr 2,6 .


- shârâh (Sara) . שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 (2) : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 .

- וְשָׂרָה = wëshârâh (en Sara) < prefix wë + persoonsnaam שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 .

- לְשָׂרָה = lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 . In Gn 18 komt in 7 verzen en 9X de naam Sarah voor . Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) .
- Shâraj (Sarai) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17 OF 30 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . Eigennaam Sarai of zelfstandig naamwoord sar (heer) en suffix eerste persoon enkelvoud (mijn heer) . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 OF 753 (3 X 251) . Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) . Gn (14) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 11,31 . (4) Gn 12,5 . (5) Gn 12,11 : wajjo´mèr ´èl Shâraj (en - Abram - zei tot Sarai) . (6) Gn 12,17 . (7) Gn 16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn 16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (9) Gn 16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (10) Gn 16,6 (Abram tegen Sarai) . (11) Gn 16,8 . (12) Gn 17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sara plaats) . wëshâraj (en Sarai) : Gn 16,1 .
- LXX . In twaalf verzen in de bijbel : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 12,11 : wajj´omèr ´èl Shâraj (en - Abram - zei tot Sarai) . (4) Gn 16,1 (Saraj , de vrouw van Abram) . (5) Gn 16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (6) Gn 16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (7) Gn 16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn 16,6 (Abram tegen Sarai) . (9) Gn 17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 . - Saras (van Sara) . Genitief enkelvoud . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar rechts . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 12,17 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 16,8 . - Saran . Accusatief enkelvoud . In drie verzen in de bijbel :


- shâraph (branden, verbranden) . shâraph (branden, verbranden) . Taalgebruik in Tenakh : shâraph (branden, verbranden) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , pe = 17 of 80 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 580 (2² X 5 X 29) . Structuur : 3 - 2 - 8 .
- wajjishëroph (en hij verbrandde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (11) : (1) Ex 32,20 . (2) Joz 8,28 . (3) 1 K 15,13 . (4) 1 K 16,18 . (5) 2 K 23,6 . (6) 2 K 23,15 . (7) 2 K 23,16 . (8) 2 K 23,20 . (9) 2 K 25,9 . (10) Jr 52,13 . (11) 2 Kr 15,16 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thishërëphûn (jullie zullen verbranden) van het werkw. Tenakh (3) : (1) Dt 7,5 . (2) Dt 7,25 . (3) Dt 12,3 .


- sarëgôn (Sargon) . sarëgôn (Sargon) . Taalgebruik in Tenakh : sarëgôn (Sargon) . Tenakh (1) : Js 20,1 .


- sjârath (dienen, bedienen) . sjârath (dienen, bedienen) . Taalgebruik in Tenakh : sjârath (dienen, bedienen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 63 (3² X 7) OF 900 (2² X 3² X 5²) . Structuur : 3 - 2 - 4 .
- act. piël part. mann. enk. mësjâreth (dienendse, dienaar) . Tenakh (7) . (1) Nu 11,28 . (2) Joz 1,1 . (3) 1 S 2,11 . (4) 1 S 2,18 . (5) 1 S 3,1 . (6) 1 K 1,15 . (7) 2 K 6,15 . - mësjâreth mosjèh (dienaar van Mozes) . Tenakh (7) . (1) Nu 11,28 . (2) Joz 1,1


- sjrats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjrats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 59 OF 590 . Structuur : 3 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 .
- Grieks : act. subjonct. aor. 3de pers. enk. εξαγαγετω = exagagetô (dat uitga) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < εξ = ex (uit) + αγω = agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) .
- Ned. : wemelen . D. : wimmeln . Fr. : foisonner = verspreiden (lat. : fusio : verspreiding < fundere; foison est une action de répandre) . E. : to bring forth . Hebr. : שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Lat. : producere (voortbrengen) .

-

- act. qal imperf. jussief 3de pers. mv. יִשְׁרְצוּ = jisjërëtsû (dat zij wemelen) van het werkw. שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 59 OF 590 . Structuur : 3 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1) : Gn 1,20 .


- ss (mot) . סָס = sâs (mot, worm, houtworm) . Taalgebruik in Tenakh : ss (mot) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 120 (2³ X 3 X 5) . Structuur : 6 - 6 . De som van de elementen is telkens 3 . Hapax ( Js 51,8) . Aramees : סָס OF סָסָא (sâs of sâsâ´) .


- sjsh (plunderen) . sjâsâh (plunderen) . Taalgebruik in Tenakh : sjsh (plunderen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300, samekh = 15 of 60 , he = 5 ; totaal : 41 OF 365 (5 X 73) . Structuur : 3 - 6 - 5 .
- sjose(j)hèm (hun plunderaars) < act. qal part. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1) : Re 2,16 .

-

- sjl (Saul) . שָׁאוּל = sjâ´ûl (Saul) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´ûl (Saul) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , waw = 6 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 337 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 6 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (344) . 1 S (221) .

- shebhèr (hoop, vertrouwen) . shebhèr (hoop, vertrouwen) . Taalgebruik in Tenakh : shebhr (hoop, vertrouwen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 .

- sëdom (Sodom) . sëdom (Sodom) . Taalgebruik in Tenakh : sëdom (Sodom) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 104 (2³ X 13) . Tenakh (30) . Pentateuch (18) . Js (2) : (1) Js 1,10 . (2) Js 13,19 .
- kisëdom (als Sodom) . Tenakh (4) : (1) Js 1,9 . (2) Js 3,9 . (3) Jr 23,14 . (4) Sef 2,9 .

- shèh (kleinvee, schaap, geit) . shèh (kleinvee, schaap, geit) . Taalgebruik in Tenakh : shèh (kleinvee, schaap, geit) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 26 of 305 (5 X 61) . Structuur : 3 - 5 .
- sjôr wâshèh (het rund en het kleinvee) . Tenakh (3) : (1) Ex 34,19 . (2) Dt 17,1 . (3) Joz 6,21 .

- she`îr (Seïr) . she`îr (Seïr) . Taalgebruik in Tenakh : she`îr (Seïr) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 (2 X 5 X 29) . Structuur : 3 - 7 - 1 - 2 ; Het betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) . Tenakh (50) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 . Dt (3) : (1) Dt 1,2 . (2) Dt 2,1 . (3) Dt 2,5 .
-- bëne(j) she`îr (zonen van Seïr) . Tenakh (4) : (1) Gn 36,20 . (2) Gn 36,21 . (3) 2 Kr 25,11 . (4) 2 Kr 25,14 .

Se`îr (Seïr)   O.T.  Gn   Lv   Nu   Dt   Joz   Ez  1 Kr  2 Kr 
  50 8 15 

- sjâlosj (drie) .
- שְׁלֹשִׁים וּמְאַת שָׁנָה = sjëlosjîm ûmë´ath sjânâh (30 + 100 = 130 jaar) . Tenach (2) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 47,9 .


- שָׁם = sjâm (daar) OF sjem (naam)

sjem (naam) . sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Arabisch : ism (naam) . Taalgebruik in de Qoran : ism (naam) . Gn 21 () : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 21,31 . (5) Gn 21,33 . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 . In Ps 113,5 is de getalswaarde van mî k (wie is als) eveneens 34 (OF 70) (mem =13 of 40 , jod = 10 , kaph = 11 of 20) . In Ps 113 zit zevenmaal sj / sh -m : (1) Ps 113,1 : sjem = naam . (2) Ps 113,2 : sjem = naam . (3) Ps 113,3 : sj-m in sjèmèsj (zon) . (4) Ps 113,3 : sjem = naam . (5) Ps 113,4 : sj-m in hasjsjâmaim (de hemelen) . (6) Ps 113,6 : sj-m in basjsjâmaim (in de hemelen) . (7) Ps 113,9 : shëmechâh (vreugdevol) . Voeg hierbij zesmaal de naam JHWH , wat dertien maakt . 2 K (33) . 2 K 23 (5) : (1) 2 K 23,7 . (2) 2 K 23,16 . (3) 2 K 23,20 . (4) 2 K 23,27 . (5) 2 K 23,34 .
- sjèm bënô (naam van zijn zoon) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,5 . (2) Gn 21,3 . (3) 1 S 8,2 . sjem ´achath (naam van eerste) . Tenakh (1) : 1 S 1,2 . sjem hâ´achath (naam van de eerste) . Tenakh (4) : (1) Gn 4,19 . (2) Ex 1,15 . (3) Rt 1,4 . (4) Job 42,14 .
- שְׁמִי = sjëmî (mijn naam) < zelfst. naamw. sjem + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (63) . Js (7) : (1) Js 29,23 . (2) Js 42,8 . (3) Js 48,9 . (4) Js 49,1 . (5) Js 52,5 . (6) Js 52,6 . (7) Js 66,5 . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Ex (27) . Ex 24 (1) Ex 24,12 .
- שֵׁמוֹ = sjëmô (zijn naam) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . . Tenakh (163) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (27) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (44) . 1 S (6) : (1) 1 S 1,20 . (2) 1 S 12,22 . (3) 1 S 17,4 . (4) 1 S 17,23 . (5) 1 S 18,30 . (6) 1 S 25,25 .
- שֵׁם = sjem (naam) < zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 korte klinker (qil-vorm) . i is in gesloten lettergrepen met klemtoon e geworden (Lettinga 13m) .
- שֵׁמוֹ = sjëmô (zijn naam) < onmiddellijk voor de hoofdklemtoon is de i of de daaruit ontstane e in open lettergrepen deels vervluchtigd tot sëwa (Lettinga 13o) .

- וּשְׁמוֹ = ûsjëmô (en zijn naam) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. sjem + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (33) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (3) . 1 S (6) : (1) 1 S 1,1 . (2) 1 S 9,1 . (3) 1 S 9,2 . (4) 1 S 17,12 . (5) 1 S 21,8 . (6) 1 S 22,20 .

- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 . Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- ´èth sjëmô (zijn naam) . Tenakh (33) . 1 S (1) : 1 S 1,20 .
- sjem hammâqôm ( naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .
- wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´ (en de naam van die plaats heet) . In vijf verzen in de bijbel : (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (11) Joz 5,9 .

  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   Joz   Re   Rt  1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Neh  Tob  Jdt  Est  1 Mak  2 Mak     
                                                 
1.  sjem JHWH                                                
2.  ´èth sjem JHWH                                               
3.  bësjem JHWH                                               
4.  sjem hammâqôm                                               
5.  wajjiqërâ´sjem                                                
6.  wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´                                                
                                                 

  Tenakh   Job  Ps  Spr  Pr  Hl  W  Sir  Js  Jr  Kl  Bar   Ez  Da  Hos  Jl  Am  Ob  Jon  Mi  Nah  Hab  Sef  Hag  Zach  Mal     
                                                           
1.  sjem JHWH                                                          
2.  ´èth sjem JHWH                                                         
3.  bësjem JHWH                                                       
4.  sjem hammâqôm                                                         
5.  wajjiqërâ´sjem                                                          
6.  wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´                                                          
                                                           

bësjem (in de naam van) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. . b-sj-m . Tenakh (68) .

- bësjem JHWH (in de naam JHWH) . In zevenendertig verzen in de bijbel . In vijf verzen in Gn : (1) Gn 4,26 . (2) Gn 12,8 . (3) Gn 13,4 . (4) Gn 21,33 . (5) Gn 26,25 . In vier verzen in Dt : (1) Dt 18,5 . (2) Dt 18,7 . (3) Dt 18,22 . (4) Dt 21,5 . In zeven verzen in de Ps : (1) Ps 20,8 . (2) Ps 118,10 . (3) Ps 118,11 . (4) Ps 118,12 . (5) Ps 118,26 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 1

-


lwaarde : sin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 . Hetzelfde getal komt voor in het geschenk van Jakob aan Esau (Gn 32,13-15) . Het woord Se`îr (Seïr) betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) .

Se`îr (Seïr)   O.T.  Gn   Lv   Nu   Dt   Joz   Ez  1 Kr  2 Kr 
  50 8 15 

In acht verzen in Gn : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 .

- sjâchath (verdorven , bedorven , ontaard zijn) .
-- kî sjicheth (want bedorven / ontaard is) . Tenakh (2) : (1) Ex 32,7 . (2) Dt 9,12 .
-- sjicheth ammëkhâ (jouw volk is bedorven / ontaard) . Tenakh (2) : (1) Ex 32,7 . (2) Dt 9,12 .


- שָׁתָה = sjâthâh (drinken)

- sjâthâh (drinken) . שָׁתָה = sjâthâh (drinken) . Taalgebruik in Tenakh : sjâthâh (drinken) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , thaw = 22 of 400 , he = 5 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 705 (3 X 5 X 47) . De som van de elementen is telkens 3 .
- Gr. piô . Lat. bibere . Fr. boire . Ned. drinken . E. to drink . D. trinken . Denk aan jat / zjat (koffie) .

- act. ind. qal jiqtol (imperfect.) 2de pers. mann. mv. תִּשְׁתוּ = thisjëthû (jullie zullen drinken) van het werkw. שָׁתָה = sjâthâh (drinken) . Taalgebruik in Tenakh : sjâthâh (drinken) .

- act. ind. jiqtol (imperfectum) 3de pers. mann. mv. יִשְׁתּוּ = jisjëthû (zij zullen drinken) van het werkw. שָׁתָה = sjâthâh (drinken) . Taalgebruik in Tenakh : sjâthâh (drinken) . Tenakh (15) .


 


- sjwh (gelijk zijn, overeenkomen) . sjâwâh (gelijk zijn, overeenkomen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâwâh (gelijk zijn, overeenkomen) .


- שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven)

- sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Hebreeuws : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . 39 (zie 39) is de getalswaarde van ´èchad JHWH = één is JHWH . 13 en 31 zijn spiegelgetallen , zie 13 EN 31 . Het getal 13 is de getalswaarde van ´èchâd (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) en 31 is de getalswaarde van de korte godsnaam El . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . sj-bh-` . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Gn (44) .
- Grieks : ἑπτα = hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van ἑπτα = hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. : septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) .

- Ned. : zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Qoran : sab`ah (zeven) . D. : Sieben . E. : seven . Fr. : sept . Grieks : ἑπτα = hepta . Hebreeuws : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Italiaans : sette . Lat. : septem . Spaans : siete . Syrisch : sjabto .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .
-- sjëbha` `èshreh (17) . Tenakh (5) : (1) Gn 37,2 . (2) Gn 47,28 . (3) 1 K 22,52 . (4) 2 K 13,1 . (5) 2 K 16,1 .

- הַשְּׁבִיעִי = (de zevende) . Zie : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Tenakh (69) . Ex (13) : Lv (16) : (1) Lv 13,5 . (2) Lv 13,6 . (3) Lv 13,27 . (4) Lv 13,32 . (5) Lv 13,34 . (6) Lv 13,51 . (7) Lv 14,9 . (8) Lv 14,39 . (9) Lv 16,29 . (10) Lv 23,3 . (11) Lv 23,8 . (12) Lv 23,24 . (13) Lv 23,27 . (14) Lv 23,34 . (15) Lv 23,39 . (16) Lv 23,41 .

- הַשְּׁבִיעִת

= hasjsjëbhî`ith (de zevende) < prefix bepaald lidw. + rangtelwoord vr. enk. stat. constr. . Zie : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Tenakh (4) :

- שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) . Zie : sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) . Gn (5) : (1) Gn 4,24 . (2) Gn 5,12 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 46,27 . (5) Gn 50,3 .
- וְשִׁבְעִים = wësjibhë`îm (en zeventig, 70) < prefix wë + sjibhë`îm . Tenakh (24) : (1) Gn 5,31 . (2) Gn 12,4 . (3) Gn 25,7 . (4) Ex 15,27 . (5) Ex 24,1 . (6) Ex 24,9 . (7) Ex 38,25 . (8) Ex 38,28 . (9) Nu 1,27 . (10) Nu 2,4 . (11) Nu 3,43 . (12) Nu 7,85 . (13) Nu 26,22 . (14) Nu 31,32 . (15) Nu 31,33 . (16) Nu 31,37 . (17) Nu 31,38 . (18) Nu 33,9 . (19) Ez 8,11 . (20) Est 9,16 . (21) Da 9,25 . (22) Ezr 2,5 . (23) Neh 7,8 . (24) 1 Kr 21,5 .
- Grieks . ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Bijbel (102) . OT (97) . NT (5) . Gn (8) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,17 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,26 . (5) Gn 12,4 . (6) Gn 25,7 . (7) Gn 46,27 . (8) Gn 50,3 . Een vorm van .ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) in de LXX (122) , in het NT (5) .
- Ned. : zeventig . Arabisch :سَبْعُونَ = sab`ûna (zeventig, 70) . Taalgebruik in de Qoran : sab`ûna (zeventig, 70) . Aramees : שִׁבְעִין= sjibhë`în (zeventig, 70) . D. : siebzig . E. : seventy . Fr. : soixante-dix . Grieks : ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Hebreeuws : שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) . Zie : sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Latijn . septuaginta (zeventig, 70) .

- = sjâbhû`a (zevental, week, zevental jaren) . Stat. constr. = sjëbhu`a .
- vr. mv. sjâbhu`ôth (zevental jaren) . Tenakh (6) : (1) Dt 16,9 . (2) Dt 16,10 . (3) Jr 5,24 . (4) E z 21,28 . (5) Ez 45,21 . (6) Hab 3,9 .


- sjebht (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . שֵׁבֶט = sjebhèt (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . Taalgebruik in Tenakh : sjebht (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , tet = 9 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 311 (priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 . Dit zelfst. naamw. behoort tot de 6de klasse zelfst. naamw. . Ze worden nomina segolata genoemd of m.a.w. zelfst. naamw. van het type qatl , qitl , qutl . Deze zelfst. naamw. eindigden oorspronkelijkk op 2 medeklinkers . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga 13m) , vandaar sebt . Tussen de 2 medeklinkers kwam een klinker tot ontwikkeling . Die klinker die geen klemtoon heeft , is meestal een segol . Uit sjebt is sjebhèt voortgekomen . Het meerv. was oorspronkelijk qitlîm . Tussen de 2de en de 3de stammedeklinker werd dan een korte a ingeschoven : qitalîm . Vervolgens werd het verbogen volgens de zelfst. naamw. van de 4de klasse (met 2 veranderlijke klinkers) , waardoor we = qëtâlîm kregen : zo : mann. mv. שְׁבָטִים= sjebhâtîm (stokken) , stat. constr. mann. mv. שִׁבְטֵי = sjjibh¨te(j) (uitspraak sjivte) (stokken van) (Lettinga 31 d en f) . sj-b-t . Tenakh (62) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (14) . Gn (1) : Gn 49,10 .


- sjibhë`îm (zeventig) . sjibhë`îm (zeventig) . Taalgebruik in Tenakh : sjibhë`îm (zeventig) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Structuur : 3 - 2 - 7 - 1 - 4 . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) .


- שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon)

- sjèmèsj (zon) . שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) < sjamsj . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 .De som van de elementen is telkens 1 . Hoofdtelwoord 300 , rangtelwoord 13 , hoofdtelwoord 300 ; totaal : 613 . Tenakh (50) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (21) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (14) . Js (3) : (1) Js 41,25 . (2) Js 45,6 . (3) Js 59,19 . Ps (8) : (1) Ps 50,1 . (2) Ps 58,9 . (3) Ps 72,5 . (4) Ps 72,17 . (5) Ps 84,12 . (6) Ps 104,19 . (7) Ps 113,3 . (8) Ps 148,3 .
- Grieks : ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Taalgebruik in de LXX : hèlios (zon) . Een vorm van ἡλιος = hèlios (zon) in de LXX (211) , in het NT (32) .
- Ned : zon . Arabisch : شَمش = sams (zon) . Taalgebruik in de Qoran : sams (zon) . D. : Sonne . E. : sun . Fr. : soleil . Grieks : ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Hebr. : שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Latijn : sol .

- basjsjèmèsj (in / met de zon) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + . Tenakh (1) : Js 38,8 .
- הַשֶּׁמֶשׁ= hasjsjèmèsj (de zon) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 .De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (86) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (37) . Gn (6) : (1) Gn 15,12 . (2) Gn 15,17 . (3) Gn 19,23 . (4) Gn 28,11 . (5) Gn 32,32 . (6) Gn 37,9 . Pr (31) : (1) Pr 1,3 . (2) Pr 1,5 . (3) Pr 1,9 . (4) Pr 1,14 . (5) Pr 2,11 . (6) Pr 2,17 . (7) Pr 2,18 . (8) Pr 2,19 . (9) Pr 2,20 . (10) Pr 2,22 . (11) Pr 3,16 . (12) Pr 4,1 . (13) Pr 4,3 . (14) Pr 4,7 . (15) Pr 4,15 . (16) Pr 5,12 . (17) Pr 5,17 . (18) Pr 6,1 . (19) Pr 6,12 . (20) Pr 7,11 . (21) Pr 8,9 . (22) Pr 8,15 . (23) Pr 8,17 . (24) Pr 9,3 . (25) Pr 9,6 . (26) Pr 9,9 . (27) Pr 9,11 . (28) Pr 9,13 . (29) Pr 10,5 . (30) Pr 11,7 . (31) Pr 12,2 . Js (3) : (1) Js 13,10 . (2) Js 38,8 . (3) Js 60,19 .
-- thachath hasjsjèmèsj (de zon) . Tenakh = Pr (22) : (1) Pr 1,3 . (2) Pr 1,9 . (3) Pr 1,14 . (4) Pr 2,11 . (5) Pr 2,17 . (6) Pr 2,18 . (7) Pr 2,19 . (8) Pr 2,20 . (0) Pr 2,22 . (11) Pr 3,16 . (11) Pr 4,1 . (12) Pr 4,3 . (13) Pr 4,7 . (14) Pr 4,15 . (15) Pr 5,12 . (16) Pr 6,12 . (17) Pr 8,9 . (18) Pr 8,15 . (19) Pr 9,6 . (20) Pr 9,9 . (21) Pr 9,13 . (22) Pr 10,5 .
- lasjsjèmèsj / lasjsjâmèsj (aan de zon) < lë + bepaald lidw. ha + Tenakh (5) : (1) 2 K 23,5 . (2) 2 K 23,11 . (3) Jr 8,2 . (4) Ez 8,16 . (5) Ps 19,5 .
- sjimësjekh (je zon) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. vr. enk. . Tenakh (1) : Js 60,20 .
- wâsjâmèsj (en de zon) < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + . Tenakh (2) : (1) Js 49,10 . (2) Ps 74,16 .

- mizërâch sjèmèsj (zonsopgang) . Tenakh (1) : Dt 4,47 . mimmizërach sjèmesj (van het opkomen van de zon) . Tenakh (6) : (1) Re 11,18 . (2) Js 41,25 . (3) Js 45,6 . (4) Mal 1,11 . (5) Ps 50,1 . (6) Ps 113,3 . - ûmimmizërach sjèmèsj (en vanaf zonsopgang, en vanaf het oosten) . Tenakh (1) : Js 59,19 .


- sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . Taalgebruik in Tenakh : sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 385 (5 X 7 X 11) . Structuur : 3 - 4 - 4 - 5 . Tenakh (41) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (1) . Js (5) : (1) Js 1,7 . (2) Js 6,11 . (3) Js 17,9 . (4) Js 62,4 . (5) Js 64,9 .


- שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf)

- sjmn (vet, olie, zalf) . zelfst. naamw. שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl. naamw. (= sjamen , vr. = sjëmenâh = vet, dik, sterk) . Taalgebruik in Tenakh : sjmn (vet, olie, zalf) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (60) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (8) . 1 S (1) : 1 S 16,1 . 1 K (5) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) .
- Ned. : olie . Arabisch : مَرهَم = marham (zalf) . Taalgebruik in de Qoran : marham (zalf) . D. : Salböl . E. : oil . Fr. : huile . Grieks : ελαιον = elaion (olie) . Taalgebruik in het NT : elaion (olie) . Hebreeuws : שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl. naamw. (= sjamen , vr. = sjëmenâh = vet, dik, sterk) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèn (vet, olie, zalf) . Lat. : oleum (olie) van olea (olijfboom) .

- כַּשֶּׁמֶן = kasjsjèmèn (als de olie) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèn (vet, olie, zalf) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Ez 32,14 . (2) Ps 133,2 .

- הַשֶּׁמֶן = hasjsjèmèn (de olie) < bepaald lidw. ha + . Tenakh (27) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (2) . Eerdere Profeten (10) : (1) 1 S 10,1 . (2) 1 S 16,13 . (3) 1 K 1,39 . (4) 1 K 17,14 . (5) 1 K 17,16 . (6) 2 K 4,6 . (7) 2 K 4,7 . (8) 2 K 9,1 . (9) 2 K 9,3 . (10) 2 K 9,6 .
- bijvoegl. naamw. (sjamen , vr. sjëmenâh = vet, dik, sterk) OF telwoord sjëmonâh (acht) OF sjamënèh (haar olie) : zelfst. naamw. sjèmèn (vet, olie, zalf) + suffix 3de pers. vr. enk. . Tenakh (37) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (5) : (1) Gn 5,4 . (2) Gn 5,19 . (3) Gn 14,14 . (4) Gn 22,23 . (5) Gn 49,20 .

- מִשִֶּמֶן = misjsjèmèn (van de olie van) < prefix voorzetsel min + zelfst. naamw.


- שְֶמֹנֶה = sjëmonâh (acht)

- sjmonèh (acht) . שְׁמֹנֶה = sjëmonèh (acht) . Taalgebruik in Tenakh : sjmonh (acht) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; he = 5 ; totaal : 53 OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 4 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (24) . Een vorm van in Tenakh (105) . In het Oude Egypte werd de god Toth beschouwd als de beschermer van de stad Hermopolis magna . In die hoedanigheid ontving hij de naam Heer van de acht . De Egyptische naam van Hermopolis magna wordt gelezen als shmoun , de naam eveneens voor het getal acht . De Copten duiden Hermopolis magna aan als Ashmunein en de Arabieren noemen de stad eveneens Aschmunein .
- In Gn komt 7X achthonderd , afzonderlijk of in samenstelling voor (b.v. 830) . In deze 7 verzen volgt שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Slechts in de verzen van Gn is dit het geval .
- וּשְׁמֹנֶה מֵאוֹד = ûsjëmonèh me´ôd (en achthonderd, en 800) . Tenakh (6) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,10 . (3) Gn 5,13 . (4) Gn 5,16 . (5) Gn 5,17 . (6) Neh 7,11 .
- שְׁמֹנֶה מֵאוֹד = sjëmonèh me´ôd (achthonderd, 800) . Tenakh (7) : (1) Gn 5,19 . (2) 2 S 23,8 . (3) 2 S 24,9 . (4) Ezr 2,6 . (5) Neh 7,13 . (6) Neh 11,12 . (7) Jr 52,29 .
- שְׁמֹנֶה מֵאֹת = sjëmonèh me´od (achthonderd, 800) . Tenakh (1) : Gn 5,4 .
- Gr. οκτω = oktô (LXX : 77) . Lat. octo . N. acht . D. acht . E. eight . Fr. huit (avec un h pour éviter vit) . Arabisch : ثَمانِية = thamânijah (acht) . Taalgebruik in de Qoran : thamânijah (acht) .

- שְׁמֹנִים = sjëmonîm (tachtig) . Zie : שְׁמֹנֶה = sjëmonèh (acht) . Taalgebruik in Tenakh : sjëmonèh (acht) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; he = 5 ; totaal : 53 OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 4 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (14) . Pentateuch (2) : (1) Gn 16,16 . (2) Ex 7,7 .


- שְׂנַיִם = sjënajim (twee)

- sjnajim (twee) . שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjnajim (twee) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²) . De som van de elementen is telkens 4 (2²) . Tenakh (76) . Stat. constr. mann. mv. שְׂנֵי = sjëne(j) (twee) . Tenakh (19) .

 

- שְׁנֵיהֶם = sjëne(j)hèm (hun twee) < stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Zie שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjënajim (twee) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²) . De som van de elementen is telkens 4 (2²) . Tenakh (60) . Gn (9) : (1) Gn 2,25 . (2) Gn 3,7 . (3) Gn 9,23 . (4) Gn 21,27 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,6 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 40,5 . (9) Gn 48,13 .


- שֵׁשׁ = sjesj (zes)

- sjesj (zes) . שֵׁשׁ = sjesj (zes) . Taalgebruik in Tenakh : sjesj (zes) . Getallenwaarde sjesj : = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7 OF 6 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²) . Structuur : 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (102) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (0) . Alle prof. boeken (34) . Geschriften (34) . Ex (14) : (1) Ex 14,7 . (2) Ex 21,2 . (3) Ex 26,1 . (4) Ex 26,9 . (5) Ex 27,9 . (6) Ex 27,18 . (7) Ex 28,39 . (8) Ex 36,8 . (9) Ex 36,16 . (10) Ex 38,9 . (11) Ex 38,16 . (12) Ex 39,27 . (13) Ex 39,28 . (14) Ex 39,29 . Lv (2) : (1) Lv 24,6 . (2) Lv 25,3 .
- וְשֵׁשׁ = wësjesj (en zes) < verbindingswoord wë + telwoord . Tenakh (60) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (18) . Ex (16) : (1) Ex 23,10 . (2) Ex 25,4 . (3) Ex 26,31 . (4) Ex 26,36 . (5) Ex 27,16 . (6) Ex 28,6 . (7) Ex 28,8 . (8) Ex 28,15 . (9) Ex 35,6 . (10) Ex 35,23 . (11) Ex 36,35 . (12) Ex 36,37 . (13) Ex 38,18 . (14) Ex 39,2 . (15) Ex 39,5 . (16) Ex 39,8 . Lv (1) : Lv 25,3 .
- vr. enk. שֵׁשֶׁת = sjesjèth (zes) . Zie . Tenakh (21) : (1) Ex 16,26 . (2) Ex 20,9 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 23,12 . (5) Ex 24,16 . (6) Ex 31,15 . (7) Ex 31,17 . (8) Ex 34,21 . (9) Ex 35,2 . (10) Lv 23,3 . (11) Nu 3,34 . (12) Dt 5,13 . (13) Dt 16,8 . (14) Joz 6,3 . (15) Joz 6,14 . (16) 1 K 11,16 . (17) Ez 46,1 . (18) Ezr 2,67 . (19) Neh 7,68 . (20) 1 Kr 12,25 . (21) 1 Kr 23,4 .
- sj-sj-j . sjesjî (zesde) . Tenakh (1) : Gn 30,19 . 4X de persoonsnaam sjesjai (Sisai) en 1X de persoonsnaam sjâsjai (= Sisai) .
- hasjsjisjsjî (de zesde) . Tenakh (17) : (1) Gn 1,31 . (2) Ex 16,5 . (3) Ex 16,22 . (4) Ex 16,29 . (5) Nu 7,42 . (6) Nu 29,29 . (7) Joz 19,32 . (8) Hag 1,1 . (9) Neh 3,30. (10) 1 K 2,15 . (11) 1 K 3,3 . (12) 1 K 12,12 . (13) 1 K 24,9 . (14) 1 K 25,13 . (15) 1 K 26,3 . (16) 1 K 26,5 . (17) 1 K 27,9 .
- hasjsjisjsjîth (de zesde) . Tenakh (3) : (1) Ex 26,9 . (2) Lv 25,21 . (3) Ez 8,1 .
- Grieks . ἑξ = hex (zes) . Zie : Taalgebruik in de Septuaginta : ek (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Lv 25 (1) : (1) Lv 25,3 . Een vorm van ἑξ = hex (zes) in de LXX (134) , in het NT (13) . : (1) Mt 17,1 . (2) Mc 9,2 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 13,14 . (5) Joh 2,6 . (6) Joh 2,20 . (7) Joh 12,1 . (8) Hnd 11,12 . (9) Hnd 18,11 . (10) Hnd 27,37 . (11) Jak 5,17 . (12) Apk 4,8 . (13) Apk 13,18 . dat. mann. + onz. enk. hectô(i) . Bijbel (8) : (1) Lv 25,21 . (2) 2 K 18,10 . (3) Ez 8,1 . (4) Hag 1,1 . (5) 2 Kr 16,1 . (6) 1 Mak 2,70 . (7) Lc 1,26 . (8) Apk 9,14 .
- Latijn . sex (zes) . Bijbel (120) . OT (109) . NT (11) . Ex (22) : (1) Ex 16,26 . (2) Ex 20,9 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 21,2 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 23,12 . (7) Ex 24,16 . (8) Ex 25,32 . (9) Ex 25,33 . (10) Ex 25,35 . (11) Ex 26,9 . (12) Ex 26,22 . (13) Ex 28,10 . (14) Ex 31,15 . (15) Ex 31,17 . (16) Ex 34,21 . (17) Ex 35,2 . (18) Ex 36,16 . (19) Ex 36,27 . (20) Ex 37,18 . (21) Ex 37,19 . (22) Ex 37,21 . Lv (3) : (1) Lv 12,5 . (2) Lv 23,3 . (3) Lv 25,3 . Fr. six . Ned. zes . D. sechs . E. six . Arabisch : sittah (zes) . Taalgebruik in de Qoran : sittah (zes) . dat. mann. + onz. enk. sexto . Bijbel (14) : (1) Ex 16,29 . (2) Lv 25,21 . (3) Nu 7,42 . (4) Nu 29,29 . (5) 1 K 16,8 . (6) 2 K 18,10 . (7) Ez 8,1 . (8) Hag 1,1 . (9) Hag 1,15 . (10) 1 Kr 27,9 . (11) 2 Kr 16,1 . (12) 1 Mak 2,70 . (13) Lc 1,26 . (14) Apk 9,14 .

Lv 25,3.1. - 2. = sjesj sjânîm (zes jaar) . Tenakh (9) :
(1) Ex 21,2 // Dt 15,12 (zes jaar dienen) .
(2) Lv 25,3 (tweemaal) (sabbatjaar) .
(3) Dt 15,12 // Ex 21,2 (zes jaar dienen) .
(4) Dt 15,18 (de kwijtschelding) .
(5) Re 12,7 (Jefta zes jaar rechter) .
(6) 1 K 16,23 (Omri zes jaar koning in Tirsa) .
(7) 2 K 11,3 // 2 Kr 22,12 (Joas zes jaar verborgen) .
(8) 2 Kr 22,12 // 2 K 11,3 (Joas zes jaar verborgen) .
(9) Jr 34,14 (verwijzing naar Ex 21,2 // Dt 15,12 : zes jaar dienen) .
- = wësjesj sjânîm (en zes jaren) . Tenakh (4) : (1) Gn 16,16 . (2) Gn 31,41 . (3) Ex 23,10 . (4) Lv 25,3 .


-

- sjë´ôl (Hades, onderwereld) . sj-´-w-l . Tenakh (344) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (280) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (46) . 1 S (221) . 2 S (1) : 1 S 2,6 .

- sjim`n (Simeon) . sjimë`ôn (Simeon) . Taalgebruik in Tenakh : sjimë`ôn (Simeon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 70 (2 X 5 X 7) of 466 (2 X 233) . Structuur : 3 - 4 - 7 - 6 - 5 . Gr. sumeôn (Simeon) . Bijbel (55) . Tenakh (33) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (7) : (1) Gn 29,33 . (2) Gn 34,25 . (3) Gn 34,30 . (4) Gn 42,24 . (5) Gn 43,23 . (6) Gn 46,10 . (7) Gn 49,5 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,15 . Nu (8) . Dt (1) . De etymologische verklaring van Gn 29,33 is : kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . In shënû´ âh (passief qal part. vr. enk. (niet bemind wordend) zitten de letters een shin (geen sjin) , een nun en een waw . Simeon is de tweede zoon van Lea en Jakob , dochter van Laban en oudere zus van Rachel . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Ruben , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali .


- sjr (zingen) . שִׁיר = sjîr (zingen) . Taalgebruik in Tenakh : sjr (zingen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 510 (3 X 10 X 17) . Structuur : 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 .

- act. ind. imperf. (jiqtol) 1ste pers. enk. cohortatief אָשִׁירָה = ´âsjîrâh (moge ik zingen) van het werkw. שִׁיר = sjîr (zingen) . Taalgebruik in Tenakh : sjîr (zingen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 510 (3 X 10 X 17) . Structuur : 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) . Pentateuch (1) : Ex 15,1 .

- sjth (zetten, stellen, plaatsen) . שִׁית = sjîth (zetten, stellen, plaatsen) . Taalgebruik in Tenakh : sjth (zetten, stellen, plaatsen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 710 (2 X 5 X 71) . Structuur : 3 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 .
- act. ind. imperf. 1ste pers. enk. אָשִׁית = ´âsjîth (ik zal stellen) van het werkw. שִׁית = sjîth (zetten, stellen, plaatsen) . Taalgebruik in Tenakh : sjîth (zetten, stellen, plaatsen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 710 (2 X 5 X 71) . Structuur : 3 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (9) : (1) Gn 3,15 . (2) Js 15,9 . (3) Jr 51,39 . (4) Ps 12,6 . (5) Ps 13,3 . (6) Ps 101,3 . (7) Ps 110,1 . (8) Ps 132,11 . (9) Spr 24,32 .

- sjomërôn (Samaria) . sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in Tenakh : sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in 2 K : sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in Amos : sjomërôn (Samaria) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 , waw = 6 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 596 (2² X 149) . 2 K (19) : (1) 2 K 1,3 . (2) 2 K 2,25 . (3) 2 K 6,20 . (4) 2 K 6,24 . (5) 2 K 7,1 . (6) 2 K 7,18 . (7) 2 K 10,1 . (8) 2 K 10,12 . (9) 2 K 10,17 . (10) 2 K 15,14 . (11) 2 K 17,5 . (12) 2 K 17,6 . (13) 2 K 17,24 . (14) 2 K 17,26 . (15) 2 K 18,9 . (16) 2 K 18,10 . (17) 2 K 18,34 . (18) 2 K 21,13 . (19) 2 K 23,19 . bësjomërôn (in Samaria) . Tenakh (23) : (1) 2 K 1,2 . (2) 2 K 3,1 . (3) 2 K 5,3 . (4) 2 K 6,25 . (5) 2 K 10,1 . (6) 2 K 10,17 . (7) 2 K 10,35 . (8) 2 K 13,1 . (9) 2 K 13,6 . (10) 2 K 13,9 . (11) 2 K 13,10 . (12) 2 K 13,13 . (13) 2 K 14,16 . (14) 2 K 14,23 . (15) 2 K 15,8 . (16) 2 K 15,13 . (17) 2 K 15,14 . (18) 2 K 15,17 . (19) 2 K 15,23 . (20) 2 K 15,25 . (21) 2 K 15,27 . (22) 2 K 17,1 .

- sjôr (rund, os) . sjôr (rund, os) . Taalgebruik in Tenakh : sjôr (rund, os) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 47 of 506 . Structuur : 3 - 6 - 2 . Tenakh (43) . Pentateuch (27) . Js (2) : (1) Js 1,3 . (2) Js 7,25 .
- hasjsjôr (het rund, de os) . Tenakh (12) . Pentateuch (9) . Js (2) : (1) Js 32,20 . (2) Js 66,3 .
- pârâh (koe) . par (stier) .
- sjôr wâshèh (het rund en het kleinvee) . Tenakh (3) : (1) Ex 34,19 . (2) Dt 17,1 . (3) Joz 6,21 .


- שׁוּב = sjûbh (terugkeren)

- sjûbh (terugkeren) . שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 .

- act. ind. perf. 3de pers. enk. שָׁב = sjabh (hij keerde terug) van het werkw. שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 .
-- lsjbhebh (om terug te brengen) , act. piel infinit. constr. van het werkw.
-- ûlësâbhe(j) (en tot de terukerenden) . < verbindingswoord wë + voorzetsel lë (tot, naar) + werkwoordvorm act. qal part. mann. mv. stat. constr. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js 59,20 . (2) Ezr 6,7 .
- wajjâsjâbh (en hij keerde terug) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 . Structuur : 3 - 6 - 2 OF wë + actief qal imperfectum derde persoon mann. enkelvoud wajjesjèbh (en hij verbleef) van het werkw. jâsjabh (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsjabh (wonen) . Getalswaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , beth = 2 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (228) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (114) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (36) . 2 K (28) : (1) 2 K 1,11 . (2) 2 K 1,13 . (3) 2 K 2,13 . (4) 2 K 4,20 . (5) 2 K 4,31 . (6) 2 K 4,35 . (7) 2 K 5,10 . (8) 2 K 5,14 . (9) 2 K 5,15 . (10) 2 K 8,29 . (11) 2 K 9,15 . (12) 2 K 11,19 . (13) 2 K 13,25 . (14) 2 K 14,14 . (15) 2 K 15,5 . (16) 2 K 15,20 . (17) 2 K 17,3 . (18) 2 K 17,6 . (19) 2 K 17,24 . (20) 2 K 17,28 . (21) 2 K 19,8 . (22) 2 K 19,9 . (23) 2 K 19,36 . (24) 2 K 20,11 . (25) 2 K 21,3 . (26) 2 K 22,9 . (27) 2 K 23,20 . (28) 2 K 24,1 .
-- wajjâsjâbh mosjèh (en Mozes keerde terug) . Tenakh (2) : (1) Ex 5,22 . (2) Ex 32,31 .
-- wajjâsjâbh mosjèh ´èl JHWH (en Mozes keerde terug naar JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 5,22 . (2) Ex 32,31 .
-- wësjâbhè(j)hâ < prefiw verbindingswoord wë + werkwoordvorm actief qal part. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. vr. 3de pers. vr. enk. (en de terugkerenden naar haar) . Tenakh (2) : (1) Dt 32,42 . (2) Js 1,27 .

- וַיָּשֻׁבוּ = wajjâsjubhû (en zij keerden terug) < prefix waw consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (136) .

- act. ind. imperf. 2de pers. mv. = thâsubhû (jullie zullen terugkeren) van het werkw. שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (13) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) .


- sjph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . שׁוּף = sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Taalgebruik in Tenakh : sjph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , pe = 17 of 80 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 386 (2 X 193) . Structuur : 3 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 8 .
- יְשׁוּפְךָ = jësjûphëkhâ (hij zal jou verpletteren) < werkwoordvorm act. ind. imperf. 3de pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het werkw. שׁוּף = sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Taalgebruik in Tenakh : sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , pe = 17 of 80 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 386 (2 X 193) . Structuur : 3 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 3,15 .
- תְשׁוּפֶנּוּ = thësûphènnû (jij zult hem verpletteren) < werkwoordvorm act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שׁוּף = sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Taalgebruik in Tenakh : sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , pe = 17 of 80 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 386 (2 X 193) . Structuur : 3 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 3,15 .


- סוּס = sûs (paard)

- ss (paard) . סוּס = sûs (paard) . Taalgebruik in Tenakh : ss (paard) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , waw = 6 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 126 (2 X 3² X 7) . De som van de elementen is telkens 9 .


- swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) . swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) . Taalgebruik in Tenakh : swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 266 (2 X 7 X 19) . Structuur : 6 - 6 - 2 . Een vorm van swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) in Js (22) .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jâsûr (hij zal wijken) van het werkw. Tenakh (13) : (1) Gn 49,10 . (2) Dt 17,17 . (3) 2 S 7,15 . (4) 2 K 4,10 . (5) Js 10,27 . (6) Js 14,25 . (7) Jr 15,5 . (8) Jr 17,5 . (9) Zach 10,11 . (10) Ps 101,4 . (11) Spr 22,6 . (12) Job 15,30 . (13) Job 40,2 .
-- sârû maher min haddèrèkh (zij weken vlug af van de weg) . Tenakh (3) : (1) Ex 32,4 . (2) Dt 9,12 . (3) Re 2,17 .
-- act. imperat. 2de pers. mann. mv. sûrû (wijkt) . Tenakh : (1) Gn 19,2 . (2) Nu 16,26 . (3) Js 30,11 . (4) Js 52,11 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 119,115 . (7) Ps 139,19 . (8) Kl 4,15 .
-- act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. hesîr (hij doet weg, hij verwijdert) . Tenakh (16) : (1) Joz 11,15 . (2) 1 S 28,3 . (3) 2 K 17,23 . (4) 2 K 18,4 . (5) 2 K 18,22 . (6) 2 K 23,19 . (7) Js 18,5 . (8) Js 31,2 . (9) Js 36,7 . (10) Sef 3,15 . (11) Ps 66,20 . (12) Job 27,2 . (13) Job 34,5 . (14) 1 Kr 13,13 . (15) 2 Kr 17,6 . (16) 2 Kr 32,12 .
- act. hifil imperatief 2de pers. mann. mv. hasîrû (doet weg, verwijder) .
-- act. hifil imperf. 2de pers. mann. enk. thâsîr (jij doet weg) van het werkw. . Tenakh (2) : (1) Js 59,9 . (2) Jr 4,1 .