Tenakh TAALGEBRUIK S
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
Overzicht van Tenakh : Tenakh
: overzicht , Tenakh
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenakh
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar ,
ALGEMEEN OVERZICHT
- bijbeloverzicht
, bijbelTaalgebruiken
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsh
eidsboeken
, NT overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
van Paulus , Apostolische
brieven .
Overzicht van het NT : NT
: overzicht , NT
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y
- Z - ,
NT : commentaar
,
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth)
, 1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1
Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh
(Nehemia) , Tob
(Tobia) , Jdt
(Judith) , Est
(Esther) , 1 Mak
(1 Makkabeeën) , 2
Mak (2 Makkabeeën) , Job
, Ps (Psalmen
) , Spr (Spreuken)
, Pr (Prediker)
, Hl (Hooglied)
, W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja)
, Jr (Jeremia)
, Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos)
, Ob (Obadja)
, Jon (Jona)
, Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2
Kor (Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1
Tes (Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
| 1. LXX , Griekse tekst NT | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 | Targumim | rubrieken (1) |
| bijbelvertalingen Lexilogos | De Griekse bijbel - | bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
| Gn 1 | Gn 2 | Gn 3 | Gn 4 | Gn 5 | Gn 6 | Gn 7 | Gn 8 | Gn 9 | Gn 10 | Gn 11 | Gn 12 | Gn 13 | Gn 14 | Gn 15 | Gn 16 | Gn 17 | Gn 18 | Gn 19 | Gn 20 | Gn 21 | Gn 22 | Gn 23 | Gn 24 | Gn 25 | |
| Gn 26 | Gn 27 | Gn 28 | Gn 29 | Gn 30 | Gn 31 | Gn 32 | Gn 33 | Gn 34 | Gn 35 | Gn 36 | Gn 37 | Gn 38 | Gn 39 | Gn 40 | Gn 41 | Gn 42 | Gn 43 | Gn 44 | Gn 45 | Gn 46 | Gn 47 | Gn 48 | Gn 49 | Gn 50 | |
- sjâ´âh (verwoest worden) . sjâ´âh (verwoest worden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´âh (verwoest worden) .
- sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (1) : 1 S 1,19 .
- wajjisjë´älû (en zij vroegen) < wë + act. qal 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (11) : (1) Gn 26,7 . (2) Ex 11,2 . (3) Ex 12,35 . (4) Ex 18,7 . (5) Re 1,1 . (6) Re 18,15 . (7) Re 20,18 . (8) Re 20,23 . (9) Re 20,27 . (10) 1 S 10,22 . (11) Jr 38,27 .
- sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) . sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sâbhabh
(draaien, omsingelen, terugkeren) , zie Ps
18,6 . Getalwaarde : samekh = 15 of 60 , beth = 2 ; totaal = 19 OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 6 - 2 - 2 .
--- sebhâbhûnî (zij omsingelden mij) . In 7 verzen in de bijbel
: (1) Ps
17,11 . (2) Ps
18,6 . (3) Ps
22,13 . (4) Ps
22,17 . (5) Ps
109,3 . (6) Ps
118,3 . (7) Ps
118,11 . In al deze teksten vertaalt de Vulgaat door circumdederunt (circum-dare
= om-geven).
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jissobh (hij keerde terug) van het werkw. Tenakh (6) : (1) 1 S 5,8 . (2) 2 S 14,24 . (3) 1 K 7,15 . (4) 1 K 7,23 . (5) Ps 114,3 . (6) 2 Kr 4,2 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thissob (jij keert terug) van het werkw. Tenakh (3) : (1) Nu 36,7 . (2) Nu 36,9 . (3) Ps 114,5 .
- sjâbhar (breken, verpletteren)
. sjâbhar (breken, verpletteren) Taalgebruik in Tenakh : sjâbhar
(breken, verpletteren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj
= 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. wësjâbharthî (en ik verpletter)
. Tenakh (7) : (1) Lv
26,19 . (2) Ez
5,16 . (3) Ez
14,13 . (4) Ez
30,22 . (5) Ez
30,24 . (6) Hos
1,5 . (7) Am
1,5 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jisjëbôr (hij zal braken)
van het werkw. Tenakh (1) Js
42,3 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thisjëbërû (jullie zullen
verpletteren) OF act. piël 2de pers. mann. mv. thësabberû (jullie
zullen verpletteren) van het werkw. Tenakh (4) : (1) Ex
12,46 . (2) Lv 11,33 . (3) Dt
2,6 . (4) Dt
7,5 .
- wësjèbhèr / wâsjèbhèr (en verplettering , vernietiging) . Tenakh (9) : (1) Js 1,28 . (2) Js 59,7 . (3) Js 60,18 . (4) Jr 4,6 . (5) Jr 6,1 . (6) Jr 48,3 . (7) Jr 50,22 . (8) Jr 51,54 . (9) Sef 1,10 .
- shâbha` (verzadigd
worden, genoeg hebben van) . shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben
van) . Taalgebruik in Tenakh : shâbha`
(verzadigd worden, genoeg hebben van) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 ,
beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31)
. Structuur : 3 - 2 - 7 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. shâbha`thî (ik heb genoeg van)
. Tenakh (1) : Js
1,11 .
- sj-b-th . sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th
. Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45
(5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Tenakh 36) . Pentateuch (17) . Js (7) .
sjabbâth (sabbat) . Js (3) : (1) Js
56,2 . (2) Js
56,6 . (3) Js
66,23 .
- wëhisjëbîth (en hij zal doen ophouden/ wegdoen/uitroeien) < wë + act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâbhat (ophouden, rusten, vieren) . Tenakh (3) : (1) 2 K 23,5 . (2) Jr 36,29 . (3) Da 11,18 .
- shâdèh (veld) . shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Getallenwaarde : shin = 21 of 300 , daleth = 4 , he = 5 ; totaal : 30 ( 2 X 3 X 5) OF 309 (3 X 103) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . - zelfst. naamw. vr. enk. stat. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. (je veld) van het zelfst. naamw. Tenakh (5) : (1) Lv 19,9 . (2) Lv 19,19 . (3) Lv 23,22 . (4) Lv 25,3 . (5) Lv 25,4 . Gr. agros (akker, land, veld) . Zie : agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Taalgebruik in het NT : agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Een vorm van agros in de LXX (246) , in het NT (35) . L. ager ( landbouwer = agricola) . Ned. akker . D. Acker . E. field . Fr. champs .
- shâgab (zich verheffen,
machtig zijn) . shâgab (zich verheffen, machtig zijn) . Taalgebruik
in Tenakh : shâgab
(zich verheffen, machtig zijn) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , gimel
= 3 , beth = 2 ; totaal : 26 OF 305 (5 X 61) . Structuur : 3 - 3 - 2 .
- wënishëgab / wënishëgâb (en hij wordt verheven)
< wë + pass. nifal 3de pers. mann. enk. . Tenakh (3) : (1) Js
2,11 . (2) Js
2,17 . (3) Spr
18,10 .
- sâgar (sluiten) . s-g-r . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. sâgar (sluiten)
OF (2) act. qal part mann. enk. soger (sluitende) . OF (3) pass. pual perf. 3de pers. mann. enk. suggar (hij wordt gesloten) . Taalgebruik in Tenakh : sâgar
(sluiten) . Getalwaarde : samech = 15 of 60 , gimel = 3 , resj = 20 of 200
; totaal : 38 (2 X 19) OF 263 (priemgetal) . Structuur : 6 - 3 - 2 . s-g-r . Tenakh (10) : (1) Gn
19,6 . (2) Ex
14,3 . (3) 1
S 1,5 . (4) 1
S 1,6 . (5) 1 S 26,8 . (6) 2 S 18,28 . (7) 1 K 11,27 . (8) Js
22,22 . (9) Js 24,10 . (10) Job
3,10 .
De tegenpool van (sâgar (sluiten) is pâthach (openen)
. Taalgebruik in Tenakh : pâthach
(openen) .
- wajjiphëthach èth rachëmâh (en Hij opende haar schoot) . Tenakh (2) : (1) Gn
29,31 . (2) Gn
30,22 .
Tegenpool : sâgar rachëmâh (Hij sloot haar schoot) . Tenakh (1) : 1
S 1,5 . Zie ook 1 S 1,6 : sâgar ... rachëmâh (Hij sloot ... haar schoot) .
- shânâ´(haten,
met tegenzin hebben, niet beminnen) . shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten,
met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 .
- shënû´âh (niet bemind) = passief qal participium deelwoord
vrouwelijk enkelvoud van het werkw. Tenakh (4) : (1) Gn
29,31 . (2) Gn
29,33 . (3) Dt 21,15 . (4) Spr 30,23 .
- sârach (zich uitspreiden) . . sârach (zich uitspreiden) . Taalgebruik in Tenakh : sârach (zich uitspreiden) .
- sappîr (safier) . sappîr (safier) . Taalgebruik in Tenakh : sappîr (safier) . Getallenwaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . Tenakh (7) .
- shârâh (Sara) . shârâh
(Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh
(Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he =
5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Tenakh (28)
: (1) Gn
17,15 . (2) Gn
17,17 . (3) Gn
17,19 . (4) Gn
17,21 . (5) Gn
18,6 . (6) Gn
18,9 . (7) Gn
18,12 . (8) Gn
18,13 . (9) Gn
18,15 . (10) Gn
20,2 . (11) Gn
20,14 . (12) Gn
20,18 . (13) Gn
21,1 . (14) Gn
21,2 . (15) Gn
21,3 . (16) Gn
21,6 . (17) Gn
21,7 . (18) Gn
21,9 . (19) Gn
21,12 . (20) Gn
23,1 . (21) Gn
23,2 . (22) Gn
23,19 . (23) Gn
24,36. (24) Gn
24,67 . (25) Gn
25,12 . (26) Gn
49,31 . (27) Js
51,2 . (28) Hos
12,4 .
- lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn
18,10 . (2) Gn
18,11 . (3) Gn
21,1 . (4) Gn
23,2 .
- wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn
18,10 . (2) Gn
18,11 . (3) Gn
25,10 .
- werkw. shârâh (strijden) . Zie shârâh (Sara) . Taalgebruik
in Tenakh : shârâh
(Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he =
5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . jishërâh
(hij streed) . In Gn
32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met
mensen .
- act. qal perfect. 2de pers. mann. enk. shârîthâ (jij streed)
. Tenakh (1) Gn
32,29 .
- Shâraj (Sarai) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20
of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 of 510 . Eigennaam Sarai of zelfstandig naamwoord
sar (heer) en suffix eerste persoon enkelvoud (mijn heer) . In 134 verzen in
de bijbel . Eigennaam Saraj (Sarai ; LXX : Sara) : (1) Gn
11,29 . (2) Gn
11,30 . (3) Gn
11,31 . (4) Gn
12,5 . (5) Gn
12,11 : wajj´omèr ´èl Shâraj (en - Abram
- zei tot Sarai) . (6) Gn
12,17 . (7) Gn
16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn
16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (9) Gn
16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (10) Gn
16,6 (Abram tegen Sarai) . (11) Gn
16,8 . (12) Gn
17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sara plaats)
. wëshâraj (en Sarai) : Gn
16,1 .
- LXX . In twaalf verzen in de bijbel : (1) Gn
11,29 . (2) Gn
11,30 . (3) Gn
12,11 : wajj´omèr ´èl Shâraj (en - Abram
- zei tot Sarai) . (4) Gn
16,1 (Saraj , de vrouw van Abram) . (5) Gn
16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (6) Gn
16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (7) Gn
16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn
16,6 (Abram tegen Sarai) . (9) Gn
17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 . - Saras (van Sara)
. Genitief enkelvoud . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar
rechts . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn
12,17 . (2) Gn
16,2 . (3) Gn
16,8 . - Saran . Accusatief enkelvoud . In drie verzen in de bijbel :
- shâphâh (lip, spraak, tongval) . shâphâh (lip, spraak, tongval) . Taalgebruik in Tenakh : shâphâh (lip, spraak, tongval) . Tenakh (9) . (1) Gn 11,1 . wëshâphâh (en de taal) . Slechts in Gn 11,6 . stat. constr. shëphath . Tenakh (38) . Gn (5) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,7 . (2) Gn 11,9 . shëphâthâm (stat. constr. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mv. : hun taal) . Slechts in Gn 11,7 . In Gn 11,1-9 wordt een vorm van shâphâh gebruikt in verband met de éénheid van taal : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,6 of taalverwarring : (1) Gn 11,7 (2X) . (2) Gn 11,9 . Gr. glôssa . Lat. lingua . Fr. langue . E. tongue . Ned. taal, spraak . D. Sprache .
- shâtân (Satan) . shâtân (Satan) . Taalgebruik in Tenakh : shâtân (Satan) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , thet = 9 , nun = 14 of 50 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 359 (priemgetal) . Tenakh (5) : (1) 1 K 5,18 . (2) 1 K 11,14 . (3) 1 K 11,23 . (4) 1 K 11,25 . (5) 1 Kr 21,1 . Gr. satanas (satan) . Taalgebruik in NT : satanas (satan) . 7 letters en getalswaarde : 753 (3 X 251) . Bijbel (17) : (1) Mt 12,26 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Lc 11,18 . (6) Lc 13,16 . (7) Lc 22,3 . (8) Lc 22,31 . (9) Joh 13,27 . (10) Hnd 5,3 . (11) 1 Kor 7,5 . (12) 2 Kor 11,14 . (13) 1 Tes 2,18 . (14) Apk 2,13 . (15) Apk 12,9 . (16) Apk 20,2 . (17) Apk 20,7 . ho satanas (de satan) . Bijbel (15) . Niet in (1) Mc 3,23 . (2) Apk 20,2 . Een vorm van satanas (satan) in de LXX (1) , in het NT (36) , in Lc (5) : (1) Lc 10,18 . (2) Lc 11,18 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 22,31 , in Hnd (2) : (1) Hnd 5,3 . (2) Hnd 26,18 . In de naam satanas kunnen we sa van Saffira , de vrouw van Anania , en ana van Anania herkennen . Gr. satan (1) : 1 K 11,14 . Synoniem : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in de LXX : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . L. diabolus . F. diable . E. devil . D. Teufel . Een vorm van diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) in de LXX (22) , in het NT (37) , in Hnd (2) : (1) Hnd 10,38 . (2) Hnd 13,10 . Arabisch : saitân (Satan) . Taalgebruik in de Qoran : saitân (Satan) .
- sephèr (boek) . sephèr (brief, geschrift, boek) . Taalgebruik in Tenakh : sephèr
(boek) . Getalwaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . Gr. biblion (document,
brief) . Taalgebruik in het NT : biblion
(document, brief) . Lat. liber . Fr. livre . Ned. boek . E. book , D. Buch .
- bassëphârîm (in de boeken) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (3) : (1) 1 K 21,9 . (2) 1 K 21,11 . (3) Da 9,2 . LXX . datief mann. mv. bibliois ('in' de boeken) . Bijbel (4) : (1) 1 K 21,9 . (2) 1 K 21,11 . (3) 1 Mak 14,23 . (4) Apk 20,12 . biblois . Slechts 1X in de Bijbel : Da 9,2 .
nisjëba` (hij zwoer) . Tenakh (45) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine
Profeten (3) . Geschriften (6) . Gn (2) : (1) Gn
24,7 . (2) Gn
50,24 . Dt (22) : (1) Dt
1,8 . (2) Dt
2,14 . (3) Dt
4,31 . (4) Dt
6,10 . (5) Dt
6,18 . (6) Dt
6,23 . (7) Dt
7,8 . (8) Dt
7,12 . (9) Dt
7,13 . (10) Dt
8,1 . (11) Dt
8,18 . (12) Dt
9,5 . (13) Dt
11,9 . (14) Dt
11,21 . (15) Dt
13,18 . (16) Dt
19,8 . (17) Dt
26,3 . (18) Dt
28,9 . (19) Dt
28,11 . (20) Dt
29,12 . (21) Dt
30,20 . (22) Dt
31,7 .
- sjâbhâ`(zweren) . sjâbhâ`
(zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren)
. Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren)
. Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39
( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .
nifal perf. 3de pers. mann. enk. nisjëba` (hij zwoer) van het werkw. sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21X of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Tenakh (45) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (6) . Gn (2) : (1) Gn 24,7 . (2) Gn 50,24 . Ex (2) : (1) Ex 13,5 . (2) Ex 13,11 . Nu (1) : Nu 14,16 . Dt (22) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 4,31 . (4) Dt 6,10 . (5) Dt 6,18 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,12 . (9) Dt 7,13 . (10) Dt 8,1 . (11) Dt 8,18 . (12) Dt 9,5 . (13) Dt 11,9 . (14) Dt 11,21 . (15) Dt 13,18 . (16) Dt 19,8 . (17) Dt 26,3 . (18) Dt 28,9 . (19) Dt 28,11 . (20) Dt 29,12 . (21) Dt 30,20 . (22) Dt 31,7 . Eerdere Profeten (6) : (1) Joz 5,6 . (2) Joz 21,43 . (3) Joz 21,44 . (4) Re 2,15 . (5) Re 21,1 . (6) 2 S 3,2 .
nisjëba` JHWH ( JHWH zwoer) . Tenakh (21/45 en 21/5193) . Dt (11/22 en
11/413) : (1) Dt
1,8 . (2) Dt
2,14 . (3) Dt
6,18 . (4) Dt
8,1 . (5) Dt
9,5 . (6) Dt
11,9 . (7) Dt
11,21 . (8) Dt
26,3 . (9) Dt
28,11 . (10) Dt
30,20 . (11) Dt
31,7 .
- nisjebë`û (zij zwoeren) . sjâbhâ`(zweren)
. Verwijzing : sjâbhâ`(zweren)
, zie Ps
110,4 . sjb`: zeven , zweren , vervolledigen / vervullen . Nifal perfectum
derde persoon mannelijk meervoud . In zeven verzen in de bijbel . Gn (1) . Verder
niet in de Pentateuch . Gn
21,31 .
- ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothekhèm
(dat JHWH heeft gezworen aan je vaders) . Tenakh (4) : (1) Dt
1,8 . (2) Dt
8,1 . (3) Dt
11,9 . (4) Dt
11,21 . Met JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon meervoud
. ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothâm (die
JHWH heeft gezworen aan hun vaders) : Dt
31,7 . ka´äsjèr nisjëba` JHWH lâhèm
(zoals JHWH heeft gezworen aan hen) : Dt
2,14 .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothè(j)khâ
(dat Hij zwoer aan je vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord
tweede persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Ex
13,5 . (2) Dt
6,10 . (3) Dt
7,12 . (4) Dt
7,13 . (5) Dt
8,18 . ka´äsjèr ... (zoals ... ) . In Dt
13,18 . Dt 19,18 . wëka´äsjèr ... (en zoals...)
: Dt 29,12
. ka´äsjèr nisjëba` lâkh (zoals Hij je heeft gezworen)
: Dt 28,9
.
- ´äsjèr nisjëba` lâhèm (dat Hij heeft gezworen
aan jullie) . In twee verzen in de bijbel : (1) Nu
14,16 . (2) Dt
4,31 . Zonder JHWH en persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothenû (dat
Hij heeft gezworen aan onze vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord
eerste persoon meervoud . In Dt
6,23 . Met JHWH : Dt
26,3 .
- nifal perf. 1ste pers enk nisjëba`ëthî (ik zweer) van het
werkw. Tenakh (26) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten
(6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Eerdere Profeten (5) : (1)
Joz 1,6
. (2) Re 2,1
. (3) 1 S 3,14
. (4) 2 S
19,8 . (5) 1
K 1,30 .
- ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer)
. Tenakh (14) : (1) Gn
26,3 . (2) Gn
33,1 . (3) Nu
14,23 . (4) Nu 32,11 . (5) Dt
1,35 . (6) Dt
10,11 . (7) Dt
31,20 . (8) Dt
31,23 . (9) Dt
34,4 . (10) Joz
1,6 . (11) Re
2,1 . (12) Ps
95,11 . (13) Js
54,9 . (14) Jr
11,5 . hâ´ârèts ´äsjèr
nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (7) : (1) Gn
33,1 . (2) Nu
14,23 . (3) Dt
10,11 . (4) Dt
31,23 . (5) Dt
34,4 . (6) Joz
1,6 . (7) Re
2,1 .
- ´èth hâ´ârèts ´äsjèr
nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (3) : (1) Nu
14,23 . (2) Dt
10,11 . (3) Joz
1,6 . .
- sjëbhu`âh (eed) . sjëbhu`âh (eed) . Taalgebruik in Tenakh : sjëbhu`âh (eed) .
- sâbhîbh . sâbhîbh . Taalgebruik in Tenakh : sâbhîbh . Getalwaarde : samekh = 15 of 60 , beth = 2 ; totaal : 19 OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 6 - 2 - 2 .
- sëbhîbothâj (van mijn omgeving) < vr. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Tenakh (1) : Dt 17,14 .
- sëbhîbhôthe(j)hèm (rondom hen) < vr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. Tenakh (1) : Re 2,12 .
- sjächach
(neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . sjächach (neerzinken,
vernederd worden, zich neerbuigen) . Taalgebruik in Tenakh : sjächach
(neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . Getalwaarde : sjin = 21
of 300 , chet = 8 ; totaal : 37 OF 316 (2² X 79) . Structuur : 3 - 8 -
8 .
- wësjach (en hij vernedert) < wë + act. qal 3de pers. mann. enk.
. Tenakh (3) : (1) Js
2,11 . (2) Js
2,17 . (3) Job
22,29 .
- sjâchâh (neerbuigen) . sjâchâh (neerbuigen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchâh (neerbuigen) .
- sjachaq (wolk) . sjachaq (wolk) . Taalgebruik in Tenakh : sjachaq (wolk) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 408 (2³ X 3 X 17) . Structuur : 3 - 8 - 1 .
- usjchâqîm (en wolken) . Tenakh (2) : (1) Js 45,8 . (2) Spr 3,20 .
- sjâchat (slachten, offeren,vermoorden)
. sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchat
(slachten, offeren,vermoorden) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , chet =
8 , tet = 9 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 317 . Structuur : 3 - 8 - 9 .
- act. hifil part. mann. mv. masjëchîthîm (moordenaars) . Tenakh
(4) : (1) Re
20,42 . (2) Js
1,4 . (3) Jr
6,28 . (4) 2
Kr 27,2 .
- act. qal part. mann. enk. sjôchet (slachtende) . Tenakh (2) : (1) Js
66,3 . (2) Jr
9,7 .
- sjâkhabh (liggen, zich neerleggen)
. sjâkhabh (liggen, zich neerleggen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhab
(liggen, zich neerleggen) .
-- bepaald lidw. ha + qal part. nom. mann. mv. hasjsjokhbîm (die zich
neerleggen) van het werkw. sjâbhab (liggen, zich neerleggen) . Getalwaarde
: he = 5 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , beth = 2 , jod = 10 , mem =
13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 377 (13 X 29) . Slechts in Am
6,4 .
- sjâkhach (vergeten) . sjâkhach
(vergeten) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhach
(vergeten) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , chet = 8
; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 3 - 2 - 8 .
- wajjisjëkëchû (en zij vergaten) < wë + act. qal imperf.
3de pers. mann. mv. van het werkw. Tena kh (3) : (1) Re
3,7 . (2) 1
S 12,9 . (3) Ps
78,11 .
-
- hasjëkam babboqèr (ga vroeg in de morgen) . Tenakh (3) : (1) Ex 8,16 . (2) Ex 9,13 . (3) 1 S 29,10 . wëhithëjatstsebh liphëne(j) ´èl parë`oh (en treedt voor het aanschijn van de Farao). Tenakh (2) : (1) Ex 8,16 . (2) Ex 9,13 .
- sjâlach (zenden) . sjâlach (zenden)
. Taalgebruik in Tenakh : sjâlach
(zenden) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâlach (hij zond) . (2) act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. sallach (zend) .
- sallach èth `ammî (zend mijn volk) . Tenakh (5) : (1) Ex 5,1 . (2) Ex 7,16 . (3) Ex 7,26 . (4) Ex 9,1 . (5) Ex 9,13 .
- wëlo´ sjillach (en hij liet niet 'vertrekken') . Tenakh (5) : (1) Ex 8,28 . (2) Ex 9,7 . (3) Ex 9,7 . (4) Ex 10,20 . (5) Ex 11,10.
- wëlo´ sjillach ´èth hâ`âm (en hij liet volk niet 'vertrekken') . Tenakh (2) : (1) Ex 8,28 . (2) Ex 9,7 .
- wëlo´ sjillach ´èth bëne(j) jishërâ´el (en hij liet de Israëlieten niet 'vertrekken') . Tenakh (3) : (1) Ex 9,7 . (2) Ex 10,20 . (3) Ex 11,10 .
- (1) wajjisjëlach < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) wajësjallach (en hij zond) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (212) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (128) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine
Profeten (3) . Geschriften (35) . Joz (8) : (1) Joz 2,1 . (2) Joz 2,3 . (3) Joz 7,2 . (4) Joz 7,22 . (5) Joz 10,3 . (6) Joz 11,1 . (7) Joz 24,9 . (8) Joz 24,28 . Re (14) : (1) Re 2,6 . (2) Re 3,18 . (3) Re 3,21 . (4) Re 6,8 . (5) Re 6,21 . (6) Re 9,23 . (7) Re 9,31 . (8) Re 11,12 . (9) Re 11,14 . (10) Re 11,17 . (11) Re 11,19 . (12) Re 11,38 .
(13) Re 15,5 . (14) Re 15,15 . 2 K (33) . 2 K 23 (2) : (1) 2 K 23,1 . (2) 2 K 23,16 .
- wajësjallach JHWH (en JHWH zond) . Tenakh (3) :
- sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . Taalgebruik in Tenakh : sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . Tenakh (2) : (1) 2 K 17,3 . (2) 2 K 18,9 .
- sjâlôm (vrede) . sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Jesaja : sjâlôm (vrede) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 376 (2³ X 47) . Structuur : 3 - 3 - 6 - 4 . Gr. eirènè (vrede) . Taalgebruik in de LXX : eirènè (vrede) . Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede) . Lat. pax . Fr. paix . E. peace . Ned. vrede . D. Friede . Een vorm van eirènè (vrede) in de LXX (294) , in het NT (91) . Tenakh (120) . Js (19) : (1) Js 9,5 . (2) Js 26,3 . (3) Js 26,12 . (4) Js 27,5 . (5) Js 32,17 . (6) Js 32,18 . (7) Js 33,7 . (8) Js 39,8 . (9) Js 41,3 . (10) Js 45,7 . (11) Js 48,22 . (12) Js 52,7 . (13) Js 54,13 . (14) Js 57,2 . (15) Js 57,19 . (16) Js 57,21 . (17) Js 59,8 . (18) Js 60,17 . (19) Js 66,12 . bisjâlôm (in vrede) . Tenakh (34) . lësjâlôm (tot vrede) . Tenakh (28) . Js (1) Js 38,17 . misjsjâlôm (vrede) . Tenakh (1) . wësjâlôm (in vrede) . Tenakh (9) .
- sjâlosj
/ sjâlôsj / sjëlosj (drie) . sjâlosj
/ sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Srtructuur : 3 - 3 - 3 .
- hasjsjëlîsjî (de derde) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (10) . Gn (7) : (1) Gn 2,14 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn
31,22 . (4) Gn
32,20 . (5) Gn 34,25 . (6) Gn
40,20 . (7) Gn 42,18 .
- sjëlosjîm (dertig) . sjëlosjîm (dertig) . Taalgebruik
in Tenakh : sjëlosjîm (dertig) .
- sjëlosjîm wësjâlosj (33) . Tenakh (3) : (1) Gn 46,15 . (2) 2 S 5,5 . (3) 1 K 2,11 .
- sjëlosjîm ûmë´ath (30 + 100 = 130) . Tenakh (2)
: (1) Gn 5,3
. (2) Gn 47,9
.
- sjâkhan (wonen) . sjâkhan (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhan (wonen) . sj - k - n . Tenakh (22) : (1) Gn 14,13 . (2) Gn 26,2 . (3) Ex 40,35 . (4) Nu 5,3 . (5) Nu 24,2 . (6) Nu 35,34 . (7) Dt 33,12 . (8) Dt 33,20 . (9) Joz 22,19 . (10) Re 5,17 . (11) Js 33,5 . (12) Js 33,24 . (13) Js 57,15 . (14) Jr 6,21 . (15) Hos 10,5 . (16) Jl 4,17 . (17) Jl 4,21 . (18) Ps37,3 . (19) Ps 78,60 . (20) Ps 135,21 . (21) Spr 27,10 . (22) Ezr 6,12 . Vaak komt het act. qal participium mann. enk. sjokhen (wonend) voor . In de LXX wordt het vaak vertaald door . Katoikôn (nederzettend -> nederzetting / neerzetten) is vaak ook de vertaling van josjebh (wonend, zetelend) .
- shâm (plaatsen, stellen) . shâm
(plaatsen, stellen) . Taalgebruik in Tenakh : shâm
(plaatsen, stellen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ;
totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . act. qal perf. 3de
pers. mann. enk.
- wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud wajjâshèm
(en hij plaatste) van het werkw. shâm (plaatsen, stellen) . Taalgebruik
in Tenakh : shâm
(plaatsen, stellen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ;
totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . Tenakh (87) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine
Profeten (2) . Geschriften (14) . Gn (14) : (1) Gn 2,8 . (2) Gn 4,15 . (3) Gn 22,6 . (4) Gn 22,9 . (5) Gn 24,9 . (6) Gn 28,11 . (7) Gn 28,18 . (8) Gn 30,36 . (9) Gn
31,21 . (10) Gn 33,2 . (11) Gn 37,34 . (12) Gn 41,42 .
(13) Gn 47,26 . (14) Gn 48,20 . Ex
(13) : (1) Ex
9,5 . (2) Ex
14,21 . (3) Ex
19,7 . (4) Ex
24,6 . (5) Ex
39,7 . In acht verzen in Ex
40 : (1) Ex
40,18 . (2) Ex
40,19 . (3) Ex
40,20 . (4) Ex
40,21 . (5) Ex
40,24 . (6) Ex
40,26 . (7) Ex
40,28 . (8) Ex
40,30 . 1 S 1 (7) : (1) 1 S 7,12 . (2) 1 S 8,1 . (3) 1 S 9,24 . (4) 1 S 11,11 . (5) 1 S 17,40 . (6) 1 S 19,5 . (7) 1 S 21,13 .
- wajjâshèm ´èth (21) : (1) Gn
31,21 . (2) Gn 33,2 . (3) Gn 48,20 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jâshîm (hij stelde) van
het werkw. . Tenakh (22) . Js (3) : (1) Js
42,4 . (2) Js
42,25 . (3) Js
62,7 . (4) Ex
14,21 . (5) Ex
40,18 . (6) Ex
40,19 . (7) Ex
40,20 . (8) Ex
40,24 . (9) Ex
40,26 . (10) Ex
40,28 . (11) Ex
40,30 . (12) Lv 8,9 . (13) Re 1,21 . (14) Re 8,31 . (15) 1 S 8,1 . (16) 1 S 19,5 . (17) 1 K 12,29 . (18) 2 K 4,31 . (19) 2 K 21,7 . (20) 2 Kr 33,7 . (21) Est 3,1 .
| shâm (plaatsen, stellen) | Tenakh | Pentateuch | Vroege prof. | 12 kl. prof. | grote prof. | hagiografen |
| qal imperf. 3de p. enk. wajjâshèm | 87 | 33 | 36 | 2 | 2 | 14 |
| shâm (plaatsen, stellen) | Tenakh | Gn | Ex | Lv | Nu | Joz | Re | 1 S | 2 S | 1 K | 2 K | 1 Kr | 2 Kr | Est | Job | Ps | Js | Da | Hab | Sef |
| qal imperf. 3de p. mann. enk. wajjâshèm | 87 | 14 | 13 | 3 | 3 | 3 | 7 | 7 | 5 | 6 | 8 | 2 | 3 | 3 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 |
In dertien verzen in Ex : (1) Ex
9,5 . (2) Ex
14,21 . (3) Ex
19,7 . (4) Ex
24,6 . (5) Ex
39,7 . In acht verzen in Ex
40 : (1) Ex
40,18 . (2) Ex
40,19 . (3) Ex
40,20 . (4) Ex
40,21 . (5) Ex
40,24 . (6) Ex
40,26 . (7) Ex
40,28 . (8) Ex
40,30 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thâshîm (jij stelt aan) van het werkw. Tenakh (13) : (1) Gn 6,16 . (2) Gn 44,2 . (3) Ex 21,1 . (4) Dt 17,15 . (5) Dt 22,8 . (6) 1 S 10,19 . (7) 1 K 20,34 . (8) Js 41,15 . (9) Js 53,10 . (10) Ez 21,25 . (11) Ez 24,17 .
(12) Job 7,12 . (13) Job 38,33 .
- act. qal cohortat. 1ste pers. enk. (laat ik aanstellen; ik stel aan) van het werkw. Tenakh (1) : Dt 17,14 .
- act. qal inf. absol. shôm OF act. qal inf. construct. shûm (om aan te stellen) van het werkw. shâm
(plaatsen, stellen) . Taalgebruik in Tenakh : shâm
(plaatsen, stellen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ;
totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . Tenakh (4) : (1) Dt 17,15 . (2) 2 S 14,7 . (3) Jr 42,15 . (4) Hag 2,15 .
- shâmach (zich verheugen) . shâmach
(zich verheugen) . Taalgebruik in Tenakh : shâmach
(zich verheugen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , chet
= 8 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 348 (é² X 3 X 29) . Structuur :
3 - 4 - 8 .
- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. shimëchî (verheug je) . Tenakh
(1) : Sef
3,14 . ûshëmâchî / wëshimëchî (en
verheug je) . Tenakh (3) : (1) Jl
2,21 . (2) Zach
2,14 . (3) Kl
4,21 .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. shimëchû (verheugt jullie)
. Tenakh (4) : (1) Re
9,19 . (2)
Js 66,10 . (3) Ps
32,11 . (4) Ps
97,12 . wëshimëchû (en verheugt jullie) . Tenakh (1) : Jl
2,23 .
- wajjäshèm (en hij plaatste) . Verwijzing : shâm (plaatsen, stellen) , zie Ex 2,14 . Qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In zevenentachtig verzen in de bijbel . In dertien verzen in Ex : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 .
- sjâm (daar) OF sjem
-sjâmajim (hemelen) . sjâmajim
/ sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim
(hemelen) . Taalgebruik in Jesaja : sjamaîm
(hemelen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 ,
mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur
: 3 - 4 - 1 - 4 . Taalgebruik in de Septuaginta : ouranos
(hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos
(hemel) . Lat. coelum . Fr. ciel . Ned. hemel . D. Himmel . E. heaven .
Arabisch : samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Koran : samâ´ (hemel) . Een vorm van ouranos (hemel) in de LXX (682) , in het NT (272) . Tenakh (92)
. Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine
Profeten (6) . Geschriften (49) .
- hasjsjâmajim / hasjsjâmâjim (de hemelen) < bepaald lidw.
ha + . Tenakh (223) . Pentateuch (69) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (41) . 12 Kleine
Profeten (15) . Geschriften (63) . Gn (32) . Gn 1-11
(21) : (1) Gn
1,1 . (2) Gn
1,9 . (3) Gn
1,14 . (4) Gn
1,15 . (5) Gn
1,17 . (6) Gn
1,20 . (7) Gn
1,26 . (8) Gn
1,28 . (9) Gn
1,30 . (10) Gn
2,1 . (11) Gn
2,4 . (12) Gn
2,19 . (13) Gn
2,20 . (14) Gn
6,7 . (15) Gn
6,17 . (16) Gn
7,3 . (17) Gn
7,11 . (18) Gn
7,19 . (19) Gn
7,23 . (20) Gn
8,2 . (21) Gn
9,2 . 2 K (12) : (1) 2 K 1,10 . (2) 2 K 1,12 . (3) 2 K 1,14 . (4) 2 K 2,1 . (5) 2 K 2,11 . (6) 2 K 14,27 . (7) 2 K 17,16 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 K 21,3 . (10) 2 K 21,5 . (11) 2 K 23,4 . (12) 2 K 23,5 .
Ps (15) : (1) Ps
8,2 . (2) Ps
19,2 . (3) Ps
19,7 . (4) Ps
50,4 . (5) Ps
57,6 . (6) Ps
79,2 . (7) Ps
96,11 . (8) Ps
97,6 . (9) Ps
104,12 . (10) Ps
113,4 . (11) Ps
115,16 . (12) Ps
136,5 . (13) Ps
136,26 . (14) Ps
148,1 . (15) Ps
148,4 . basjsjâmajim (in de hemelen) < voorzetsel bë + bepaald
lidw. ha + zelfst. naamw. mann. mv. . Tenakh (48) . Pentateuch () . Eerdere
Profeten () . Latere Profeten () . 12 Kleine Profeten () . Geschriften () .
Ps (12) : (1) Ps
2,4 . (2) Ps
11,4 . (3) Ps
18,14 . (4) Ps
73,9 . (5) Ps
73,25 . (6) Ps
78,26 . (7) Ps
103,19 . (8) Ps
113,6 . (9) Ps
115,3 . (10) Ps
119,89 . (11) Ps
123,1 . (12) Ps
135,6 .
- basjsjâmajim ûbhâ´ârèts (in de hemelen
en op de aarde) . Tenakh (6) : (1) Dt
3,24 . (2) 1
Kr 29,11 . (3) 2
Kr 6,14 . (4) Ps
113,6 . (5) Ps
135,6 . (6) Jl
3,3 .
-- ´èth hasjsjâmajim (de hemelen) . Tenakh (15) : (1) Ex
20,11 . (2) Ex
31,17 . (3) Dt
4,26 . (4) Dt
11,17 . (5) Dt
28,12 . (6) Dt
30,19 . (7) Dt
31,28 . (8) 2
K 19,15 . (9) 2
Kr 2,11 . (10) Neh
9,6 . (11) Js
37,16 . (12) Jr
23,24 . (13) Jr
32,17 . (14) Hag
2,6 . (15) Hag
2,21 .
-- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim (U hebt de
hemelen gemaakt) . Tenakh (4) : (1) 2
K 19,15 . (2) Neh
9,6 . (3) Js
37,16 . (4) Jr
32,17 .
-- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim wë´èth
hâ´ârèts (U hebt de hemelen en de aarde gemaakt) .
Tenakh (3) : (1) 2
K 19,15 . (2) Js
37,16 . (3) Jr
32,17 .
- sjâmajim wë´èrèts (hemel en aarde) . Tenakh
(11) : (1) Gn
14,19 . (2) Gn
14,22 . (3) Ps
69,35 . (4) Ps
115,15 . (5) Ps
121,2 . (6) Ps
124,8 . (7) Ps
134,3 . (8) Ps
146,6 . (9) Jr
33,25 . (10) Jr
51,48 . (11) Jl
4,16 .
-- `osheh sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts
(makende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) . Tenakh (5) : (1)
Ps 115,15
. (2) Ps
121,2 . (3) Ps
124,8 . (4) Ps
134,3 . (5) Ps
146,6 .
-- qoneh sjâmajim wë´èrèts (scheppende hemel
en aarde = die hemel en aarde heeft geschapen) . Tenakh (2) : (1) Gn
14,19 . (2) Gn
14,22 .
- Vaak komt een imperat. mv. met sjâmajim / sjâmâjim (hemelen)
:
- Js 1,2
: sjimë`û sjâmajim (luistert , hemelen) .
- Js 44,23
: rânnû sjâmajim (juicht , hemelen) .
- Js 45,8
: harë`îphû sjâmajim (dauwt , hemelen) .
- Js 49,13
: rânnû sjâmajim (juicht , hemelen) .
wajjisjëma` (en hij hoorde) . Nevenschikkend voegwoord waw + werkwoordvorm
actief qal imperfectum derde persoon enkelvoud . LXX : akousas (gehoord , geluisterd
, vernomen) . Verwijzing : akouô
(horen, luisteren) , zie Mt
4,12 .
- sjâm`â (horen, luisteren)
. sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmâ`
(horen, luisteren) . Taalgebruik in Dt : sjâm`â
(horen, luisteren) . Taalgebruik in Amos : sjâm`â
(horen, luisteren) . Taalgebruik in Micha : sjâm`â
(horen, luisteren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin
= 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 .
Gr. akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô
(horen) . Taalgebruik in het NT : akouô
(horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie
Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren ,
aanhoren) -> écouter . Lat. audire . Ned. horen . E. to hear . D.
höhren . Een vorm van akouô (horen) in het NT (427) , in de LXX
(1069) . Horen veronderstelt een lijdend voorwerp . Horen kan verwijzen naar
iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin
. sj-m-` . Tenakh (169) . Pentateuch (42) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten
(36) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (55) . Gn (14) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,12 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 24,52 . (5) Gn 26,5 . (6) Gn 27,8 . (7) Gn 27,13 . (8) Gn 27,43 . (9) Gn 29,13 . (10) Gn 29,33 . (11) Gn 30,6 . (12) Gn 34,5 . (13) Gn 39,10 . (14) Gn 42,23 . kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (11) : (1) Gn
16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn
29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2
Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .
- act. hifil imperatief 2de pers. mann. mv. hasjëmî`û (doet
horen) . Tenakh (10) : (1) Js
48,20 . (2) Jr
4,5 . (3) Jr
4,16 . (4) Jr
31,7 . (5) Jr
48,4 . (6) Jr
50,2 . (7) Jr
50,29 . (8) Jr
51,27 . (9) Am
3,9 . (10) Am
4,5 .
- act. qal imperatief 2de pers. mann. enk. sjëma` (luister) . Tenakh (169)
. Am (1) Am
7,16 .
-- sjëma` debhar JHWH (hoor het woord van JHWH) . Tenakh (7) : (1) 1
K 22,19 . (2) 2
K 20,16 . (3) Js
39,5 . (4) Jr
22,2 . (5) Jr
34,4 . (6) Ez
21,3 . (7) Am
7,16 .
- (1) sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann.
mv. OF (2) sjâmë`û (zij horen) : act. qal perf. 3de pers. mann.
mv. van het werkw. sjâmâ` (horen, luisteren) . Tenakh (163) . Pentateuch
(17) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (76) . 12 Kleine Profeten (18)
. Geschriften (28) .
-- sjimë`û debhar JHWH (hoort het woord van JHWH) . Tenakh (12) :
(1) 2 Kr
18,18 . (2) Js
1,10 . (3) Js
28,14 . (4) Jr
2,4 . (5) Jr
7,2 . (6) Jr
17,20 . (7) Jr
19,3 . (8) Jr
29,20 . (9) Jr
31,10 . (10) Jr
42,15 . (11) Jr
44,26 . (12) Hos
4,1 .
-- sjimë`û (hoort, luistert naar) ´èth haddâbhâr
(het woord) . Tenakh (4) : (1) Jr
10,1 . (2) Am
3,1 . (3) Am
4,1 . (4) Am
5,1 .
-- sjimë`û (hoort, luistert naar) ´èth haddâbhâr
hazzèh (dit woord) . Tenakh (3) : (1) Am
3,1 . (2) Am
4,1 .(3) Am
5,1 . Hiermee worden de drie pericopen van het tweede deel (Am 3-6) van
Amos ingeleid .
--- sjimë`û (hoort, luistert) zo´th (dit) . Tenakh (8) :
(1) Ps 49,2
. (2) Js 48,1
. (3) Js
48,16 . (4) Jr
5,21 . (5) Hos
5,1 . (6) Jl
1,2 . (7) Am
8,4 . (8) Mi
3,9 .
--- sj-m-` . Tenakh (169) . Gn : (1) Gn
16,11 . (2) Gn
21,12 (imperatief) . (3) Gn
21,17 . sjâm`â (luisteren, horen) . Verwijzing : sjâm`â
(horen, luisteren) , zie Ex
2,15 . In 169 verzen in de bijbel . In 14 verzen in Dt . ´e(j)nènnî
sjome`a (ik ben niet luisterende = ik luister niet) . Tenakh (4) : (1) Js
1,15 . (2) Jr
7,16 . (3) Jr
11,14 . (4) Jr
14,12 .
- verbindingswoord wë + werkwoordvorm sjimë`û (hoort, luistert)
: act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. OF sjâmë`û : act.
qal perf. 3de pers. mann. mv. wësjimë`û OF wësjâmë`û
/ wasjâmë`û . Tenakh (13) : (1) Gn
49,2 . (2) Ex
3,18 . (3) Nu
14,13 . (4) Joz
3,9 . (5) Js
28,23 . (6) Js
29,18 . (7) Js
48,14 . (8) Jr
26,13 . (9) Ez
33,30 . (10) Ez
33,31 . (11) Ez
33,32 . (12) Ps
141,6 . (13) Est
9,4 .
- sjëmâ (luister, hoor) . act. qal imperatief 2de persoon mann. enkelvoud
: (1) Dt 4,1
. (2) Dt 5,1
. (3) Dt 6,4
. (4) Dt 9,1
. (5) Dt 20,3
. (6) Dt 33,7
.
- wëlo´ sjâma` ´älehèm (en hij luisterde niet naar hen) . Tenakh (5) : (1) Ex 7,13 . (2) Ex 7,22 . (3) Ex 8,11 . (4) Ex 8,15 . (5) Ex 9,12 .
- lisjëmo`a (om te horen / luisteren) < lë + act. qal inf. van
het werkw. Tenakh (44) . Js (2) : (1)
Js 34,1 . (2) Js
50,4 .
--- -- kî sjâma JHWH (want JHWH hoorde) . In drie verzen in de bijbel
: (1) Gn
16,11 (bij de naamgeving van Ismaël) . (2) Gn
29,33 (bij de naamgeving van Simeon door Lea) . (3) Ps
6,9 .
--- -- kî sjâma ´èlohîm (want God hoorde) . In
één vers in de bijbel , nl. Gn
21,17 .
- act. hifil imperatief 2de pers. mv. hasjëmî`û (doet horen)
. Tenakh (10) : (1) Js
48,20 . (2) Jr
4,5 . (3) Jr
4,16 . (4) Jr
31,7 . (5) Jr
48,4 . (6) Jr
50,2 . (7) Jr
50,29 . (8) Jr
51,27 . (9) Am
3,9 . (10) Am
4,5 .
--- wajjisjëma` (en hij hoorde) < wë + act. ind. imperf. 3de pers. enk. van het werkw. Tenakh (90) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine
Profeten (2) . Geschriften (12) . De
constructie wajjisjëma` Parë`oh komt slechts éénmaal
voor .
--- -- wajjisjëma` ábhërâm (en Abram hoorde) . In twee
verzen in de bijbel : (1) Gn
14,14 . (2) Gn
16,2 .
--- -- wajjisjëma` ábhërâhâm (en Abraham hoorde)
. In één vers in de bijbel : Gn
23,16 .
--- -- wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) . In drie
verzen in de bijbel : (1) Gn
21,17 (en God luisterde naar Hagar) . (2) Gn
30,17 (En God luisterde naar Lea) . (3) Ex
2,24 (en God luisterde naar het weeklagen van de Hebreeën) . Zie ook
Gn 30,22
(en God luisterde naar haar / Rachel) . God luisterde naar wie in een benarde
en uitzichtloze situatie was gekomen . Hij luisterde naar Hagar , Lea , Rachel
, de Hebreeën .
--- -- wajjisjëma` JHWH (en JHWH hoorde) . In tien verzen in de bijbel
: (1) Nu
11,1 . (2) Nu 12,2 . (3) Nu
21,3 . (4) Dt
1,34 . (5) Dt
5,28 . (6) Dt
9,19 . (7) Dt
10,10 . (8) Dt
26,7 . (9) 1
K 17,22 . (10) 2 Kr 30,20 .
--- -- wajjisjëma` mosjèh (en Mozes hoorde) . In vier verzen in
de bijbel :(1) Ex
18,4 . (2) Lev 10,20 . (3) Nu
11, 10 . (4) Nu
16,4 .
- jisjëmë`û (zij zullen horen / luisteren) : act. qal imperf.
3de pers. mann. mv. of act.
- sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann.
mv. van het werkw. Tenakh (163) . Js (23) . Js 1-39 (7) : (1) Js
1,2 . (2) Js
1,10 . (3) Js
6,9 . (4) Js
7,13 . (5) Js
28,14 . (6) Js
33,13 . (7) Js
36,13 .
-- sjimë`û debhar JHWH (hoort het woord van JHWH) . Tenakh (12) :
(1) 2 Kr
18,18 . (2) Js
1,10 . (3) Js
28,14 . (4) Jr
2,4 . (5) Jr
7,2 . (6) Jr
17,20 . (7) Jr
19,3 . (8) Jr
29,20 . (9) Jr
31,10 . (10) Jr
42,15 . (11) Jr
44,26 . (12) Hos
4,1 .
- act. qal perf. 1ste pers. mv. sjâma`ënû (wij luisterden)
. Tenakh (25) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (7)
. 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (8) . Eerdere Profeten (5) : (1) Joz
1,17 . (2) Joz
2,10 . (3) Joz
9,9 . (4) 2
S 7,22 . (5) 1
K 20,31 .
- ´äsjèr (wat wij hoorden) . Tenakh (4) : (1) Joz
1,17 . (2) 2
S 7,22 . (3) 1
Kr 17,20 . (4) Ps
78,3 .
- këkol ´äsjèr (in alles wat wij hoorden) . Tenakh (4)
: (1) Joz
1,17 . (2) 2
S 7,22 . (3) 1
Kr 17,20 .
- act. hifil 3de pers. mann. enk. jasjëmî`a (jij zal doen horen)
van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js
42,2 . (2) Ps
106,2 .
- act. hifil 1ste pers. enk. ´asjëmî`a (ik zal doen horen)
van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js
42,2 . (2) Ez
36,15 .
- kisjëmo`a (bij het horen) . Tenakh (31) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten
(22) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (3) . Eerdere
Profeten (22) : (1) Joz
5,1 . (2) Joz
6,20 . (3) Joz
9,1 . (4) Joz
10,1 . (5) Joz
11,1 . (6) Re
7,15 . (7) 1
S 15,22 . (8) 1
K 5,21 . (9) 1
K 12,2 . (10) 1
K 12,20 . (11) 1
K 13,4 . (12) 1
K 14,6 . (13) 1
K 15,21 . (14) 1
K 19,13 . (15) 1
K 20,12 . (16) 1
K 21,15 . (17) 1
K 21,16 . (18) 1
K 21,27 . (19) 2
K 5,8 . (20) 2
K 6,30 . (21) 2
K 19,1 . (22) 2
K 22,11 .
- wajëhî kisjëmo`a (en het was bij het horen) . Tenakh (11)
: (1) Gn
29,13 . (2) Gn
39,19 . (3) Joz
5,1 . (4) Joz
6,20 . (5) Joz
9,1 . (6) Joz
10,1 . (7) Re
7,15 . (8) 1
K 13,4 . (9) 1
K 14,6 . (10) 1
K 21,27 . (11) 2
K 6,30 .
-- wajëhî kisjëmo`a (en het was toen de koning hoorde) . Tenakh
(2) : (1) 1
K 13,4 . (2) 2
K 6,30 .
- sjâmad (verwoesten, vernietigen,
uitroeien) . sjâmad (verwoesten, vernietigen, uitroeien) . Taalgebruik
in Tenakh : sjâmad
(verwoesten, vernietigen, uitroeien) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ,
mem = 13 of 40 , daleth = 4 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 344 (2³ X 43) .
- wëhisjëmîdëkhâ (en hij zal je vernietigen) <
wë + act. hifil perfect. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw.
2de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Dt
6,15 . (2) Dt
7,4 .
- ûlëhasjëmîd (en om te vernietigen) < wë + lë
+ act. hifil infin. van het werkw. Tenakh (4) : (1) Dt
28,63 . (2) Joz
9,24 . (3) 1
K 13,34 . (4) 2
Kr 20,23 .
-
sjâmar (behouden, bewaren) . sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalwaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 .
sj-m-r : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâmar (hij behoudt)
. . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. sjëmor (behoud) . (3) act.
qal infin. sjâmor (te behouden) . (4) act. qal part. nom. mann. enk. sjomer
(behoudende) . Tenakh (63) . Pentateuch (7) : (1) Gn
37,11 (sjämar) . (2) Ex
34,11 (sjëmâr) . (3) Dt
7,9 (sjomer) . (4) Dt
8,11 (sjëmor) . (5) Dt
11,22 (sjâmor) . (6) Dt
12,28 (sjëmor) . (7) Dt
27,1 (sjâmor) . Een vorm van het woord sj-m-r wordt in de LXX in 31
Griekse woorden vertaald . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren)
in Js in 9 verzen : (1) Js
7,4 . (2) Js
21,11 . (3) Js
21,12 . (4) Js
26,2 . (5) Js
42,20 . (6) Js
56,1 . (7) Js
56,2 . (8) Js
56,4 . (9) Js
56,6 .
- sj-m-r : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâmar (hij behoudt)
. . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. sjëmor (behoud) . (3) act.
qal infin. sjâmor (te behouden) . (4) act. qal part. nom. mann. enk. sjomer
(behoudende) . sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar
(behouden, bewaren) . Getalwaarde van sjâmar (behouden, bewaren) :
sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³)
of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 .Een vorm van het woord
sj-m-r wordt in de LXX in 31 Griekse woorden vertaald . Tenakh (63) . Pentateuch
(7) . Jesaja (sjomer = behoudende) (5) (1) Js
21,11 . (2) Js
21,12 . (3) Js
26,2 . (4) Js
56,2 . (5) Js
56,6 . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in
9 verzen : (1) Js
7,4 . (2) Js
21,11 . (3) Js
21,12 . (4) Js
26,2 . (5) Js
42,20 . (6) Js
56,1 . (7) Js
56,2 . (8) Js
56,4 . (9) Js
56,6 . sjômer (behouden, bewarend) . Participium praesens . In tien
verzen in de bijbel . In drie verzen in de Psalmen : (1) Ps
121,4 .
- sj-m-r-u . Vormen : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. mv. sjâmërû
/ sjâmârû (zij behouden) . (2) act. qal imperat. 2de pers.
mann. mv. sjimërû (behoudt) . Tenakh (22) Js (1) : Js
56,1 . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in
7 verzen : (1) Js
7,4 . (2) Js
26,2 . (3) Js
42,20 . (4) Js
56,1 . (5) Js
56,2 . (6) Js
56,4 . (7) Js
56,6 .
- pass. nifal imperat. 2de pers. mann. enk. hisjsjâmer (wees behouden)
. Tenakh (1) Js
7,4 .
- sjëmû´el (Samuël)
. sjëmû´el (Samuël) . Taalgebruik in Tenakh : sjëmû´el
(Samuël) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of
70 + aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; 50 + 13 = 63 (3² X 7) OF of 410 + 31
= 441 (3² X 7²) . Structuur : 3 - 4 - 7 - 1 - 3 . Tenakh (108) . Pentateuch
(1) . Eerdere Profeten (101) . 1 S (101) . 1 S 1 (1) : 1
S 1,20 . 1 S 8 (8) : (1) 1
S 8,1 . (2) 1
S 8,4 . (3) 1
S 8,6 . (4) 1
S 8,7 . (5) 1
S 8,10 . (6) 1
S 8,19 . (7) 1
S 8,21 . (8) 1
S 8,22 . 1 S 10 (9) : (1) 1 S 10,1 . (2) 1 S 10,9 . (3) 1 S 10,14 . (4) 1 S 10,15 . (5) 1 S 10,16 . (6) 1 S 10,17 . (7) 1 S 10,20 . (8) 1 S 10,24 . (9) 1 S 10,25 . 1 S 16 (8) : (1) 1 S 16,1 . (2) 1 S 16,2 . (3) 1 S 16,4 . (4) 1 S 16,7 . (5) 1 S 16,8 . (6) 1 S 16,10 . (7) 1 S 16,11 . (8) 1 S 16,13 .
- ´èl sjëmû´el (tot Samuël) . Tenakh (16)
: (1) 1 S 3,4
. (2) 1 S 3,11
. (3) 1 S 3,21
. (4) 1 S
7,8 . (5) 1
S 8,4 . (6) 1
S 8,7 . (7) 1
S 8,22 . (8) 1
S 10,14 . (9) 1
S 11,12 . (10) 1
S 12,19 . (11) 1
S 15,10 . (12) 1
S 15,20 . (13) 1
S 15,24 . (14) 1
S 16,1 . (15) 1
S 16,7 . (16) 1
S 19,18 .
- ´èl sjëmû´el hârâmâthâh
(tot Samuël, naar Rama) . Tenakh (2) : (1) 1
S 8,4 . (2) 1
S 19,18 .
- sjâphakh (gieten, vergieten,
uitstorten) . sjâphakh (gieten, vergieten, uitstorten) . Taalgebruik
in Tenakh : sjâphakh
(gieten, vergieten, uitstorten) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , pe =
17 of 80 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 49 (7²) OF 400 (2² X 2²
X 5²) . Structuur : 3 - 8 - 2 .
- act. qal imperf. 1ste pers. enk. ´èsjëpôkh (ik stort
uit) van het werkw. Tenah (4) : (1) Ez
7,8 . (2) Hos
5,10 . (3) Jl
3,1 . (4) Jl
3,2 .
- sjâphal (nederig,
laag zijn, zich vernederen) . sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen)
. Taalgebruik in Tenakh : sjâphal
(nederig, laag zijn, zich vernederen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ,
pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 410 (2 X 5 X
41) . Structuur : 3 - 8 - 3 . Cfr. Sjephela (laagte) .
- sj-ph-l . Tenakh (6) . act. qal 3de pers. mann. enk. sjâphel (hij vernedert)
. Tenakh (1) : Js
2,11 .
- lidw. ha + act. hifil part. nom. mann.enk . hammasjëpîlî
(degene die zich neerbuigt) van het werkw. sjâphal (nederig, laag zijn,
zich vernederen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphal
(nederig, laag zijn, zich vernederen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ,
pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 410 (2 X 5 X
41) . Structuur : 3 - 8 - 3 . Cfr. Sjephela (laagte) . Tenakh (1) Ps
113,6 .
- sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , tet = 9 ; totaal : 47 OF 389 (priemgetal) .
wajjisjëpot (en hij richtte) < verbindingswoord wë + act. qal imperf.
3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen)
. Taalgebruik in Tenakh : sjâphat
(richten, rechtspreken, beslissen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , pe
= 17 of 80 , tet = 9 ; totaal : 47 OF 389 (priemgetal) . Tenakh (14) : (1) Gn
19,9 . (2) Ex
5,21 . (3) Re
3,10 (Otniël) . (4) Re
10,2 (Tola) . (5) Re
10,3 (Jaïer) . (6) Re
12,7 (Jefta) . (7) Re
12,8 (1ste maal Ivtsan) . (8) Re
12,9 (2de maal Ivtsan) . (9) Re
12,11 (2X Elon) . (10) Re
12,13 (1ste maal Avdon) . (11) Re
12,14 (2de maal Avdon) . (12) Re
15,20 (1ste maal Simson) . (13) 1
S 7,6 (1ste maal Samuël) . (14) 1
S 7,15 (2de maal Samuël) . In 10 verzen in Re . In 7 verzen staat wajjisjëpot (hij richtte) op de 1ste plaats in het vers : (1) Re
10,2 . (2) Re
12,7 . (3) Re
12,8 . (4) Re
12,11 . (5) Re
12,13 . (6) Re
15,20 . (7) 1
S 7,15 .
Een vorm van sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) in Re in 13 verzen (14X) . (1) Re 4,4 : sjophëtâh (zij is richtende) ´èth jishërâ´el (Israël) nl. Debora . (2) Re 11,27 : jisjëpot JHWH (JHWH richtte) . (3) Re 16,31 : sjâphat ´èth jishërâ´el (hij richtte Israël) ; een eerste vermelding van Simson die richtte staat in Re
15,20 . Van de 13 verzen (14X) in Re gaat het in 12 verzen (13X) over een 'richter' .
In Re
12,11 wordt 2X gezegd dat Elon Israël richtte . 2X Avdon in Re
12,13 en Re
12,14 . Ook 2X Simson in Re
15,20 en Re 16,31 . In totaal wordt in Re over 9 personen gezegd dat zij richtten . In 1 S wordt wajjisjëpot (en hij richtte) 2X vermeld , maar het gaat telkens om Samuël . In Re en 1 S worden 10 personen genoemd die richtten . Over Ehud , Samgar , Gideon , ( Abimelek) wordt niet gezegd dat zij richtten .
- wajjisjëphot ´èth jishërâ´el (en hij richtte
Israël) . Tenakh (7) : (1) Re
3,10 . (2) Re
10,2 . (3) Re
10,3 . (4) Re
12,9 . (5) Re
12,11 . (6) Re
12,14 . (7) Re
15,20 .
- act. qal part. vr. enk. sjophëtâh (recht sprekende) . Tenakh (1)
: (1) Re 4,4
.
- lësjâphëtenû (om ons te richten) < voorzetsel lë
+ act. qal inf. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. mv. van
het werkw. Tenakh (2) : (1) 1
S 8,5 . (2) 1
S 8,6 .
- hasjsjophet (de rechter) < bepaald lidw. ha + act. qal partic. mann. enk. van het werkw. Tenakh (5) : (1) Dt 17,9 . (2) Dt 17,12 . (3) Dt 25,2 . (4) Re 2,18 . (5) Re 11,27 .
- act. qal part. mann. mv. sjophëtîm (rechtsprekenden) van het werkw. Tenakh (9) : (1) Dt 16,18 . (2) Re 2,16 . (3) Re 2,18 . (4) 1 S 8,1 . (5) 1 S 8,2 . (6) 2 S 7,11 . (7) Ps 58,12 . (8) 1 Kr
17,10 . (9) 2 Kr 19,5 .
- sjâqâh wajjasjëqë (en hij liet drinken) . Actief qal imperfectum derde
persoon mannelijk enkelvoud . In dertien verzen in de bijbel .
- sjâqâh (laten drinken,
drenken) . sjâqâh (laten drinken, drenken) . Taalgebruik : sjâqâh
(laten drinken, drenken) . Getallenwaarde : sjin = 21 of 300 , qoph = 19 of 90 , he = 5 ; totaal : 45 (3² X 5) OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 9 - 5 . De som van de elementen is 8 .
- lëhasjëqôth (om te drenken) < prefix voorzetsel lë + act. hifil inf. constructus van het werkw. Tenakh (5) : (1) Gn 2,10 . (2) Gn 2,16 . (3) Js 43,20 . (4) Ez 17,7 . (5) Pr 2,6 .
- shârâh (Sara) . shârâh
(Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh
(Sara) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he =
5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn
17,15 . (2) Gn
17,17 . (3) Gn
17,19 . (4) Gn
17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn
18,6 . (2) Gn
18,9 . (3) Gn
18,12 . (4) Gn
18,13 . (5) Gn
18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 () : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 . wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn
18,10 . (2) Gn
18,11 . (3) Gn
25,10 . lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn
18,10 . (2) Gn
18,11 . (3) Gn
21,1 . (4) Gn
23,2 . In Gn 18 komt in 7 verzen en 9X de naam Sarah voor .
- Shâraj (Sarai) . De getalwaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of
200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17 OF 30 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . Eigennaam Sarai of zelfstandig naamwoord
sar (heer) en suffix eerste persoon enkelvoud (mijn heer) . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 OF 753 (3 X 251) . Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine
Profeten (1) . Geschriften (46) . Gn (14) : (1) Gn
11,29 . (2) Gn
11,30 . (3) Gn
11,31 . (4) Gn
12,5 . (5) Gn
12,11 : wajjo´mèr ´èl Shâraj (en - Abram
- zei tot Sarai) . (6) Gn
12,17 . (7) Gn
16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn
16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (9) Gn
16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (10) Gn
16,6 (Abram tegen Sarai) . (11) Gn
16,8 . (12) Gn
17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sara plaats)
. wëshâraj (en Sarai) : Gn
16,1 .
- LXX . In twaalf verzen in de bijbel : (1) Gn
11,29 . (2) Gn
11,30 . (3) Gn
12,11 : wajj´omèr ´èl Shâraj (en - Abram
- zei tot Sarai) . (4) Gn
16,1 (Saraj , de vrouw van Abram) . (5) Gn
16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (6) Gn
16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (7) Gn
16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm
(en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn
16,6 (Abram tegen Sarai) . (9) Gn
17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 . - Saras (van Sara)
. Genitief enkelvoud . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar
rechts . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn
12,17 . (2) Gn
16,2 . (3) Gn
16,8 . - Saran . Accusatief enkelvoud . In drie verzen in de bijbel :
- shâraph (branden, verbranden)
. shâraph (branden, verbranden) . Taalgebruik in Tenakh : shâraph
(branden, verbranden) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200
, pe = 17 of 80 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 580 (2² X 5 X 29) . Structuur
: 3 - 2 - 8 .
- wajjishëroph (en hij verbrandde) < wë + act. qal imperf. 3de
pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (11) : (1) Ex
32,20 . (2) Joz
8,28 . (3) 1
K 15,13 . (4) 1
K 16,18 . (5) 2
K 23,6 . (6) 2
K 23,15 . (7) 2
K 23,16 . (8) 2
K 23,20 . (9) 2
K 25,9 . (10) Jr
52,13 . (11) 2
Kr 15,16 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thishërëphûn (jullie
zullen verbranden) van het werkw. Tenakh (3) : (1) Dt
7,5 . (2) Dt
7,25 . (3) Dt
12,3 .
- sarëgôn (Sargon) . sarëgôn (Sargon) . Taalgebruik in Tenakh : sarëgôn (Sargon) . Tenakh (1) : Js 20,1 .
- sjârath (dienen, bedienen)
. sjârath (dienen, bedienen) . Taalgebruik in Tenakh : sjârath
(dienen, bedienen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ,
thaw = 22 of 400 ; totaal : 63 (3² X 7) OF 900 (2² X 3² X 5²)
. Structuur : 3 - 2 - 4 .
- act. piël part. mann. enk. mësjâreth (dienendse, dienaar)
. Tenakh (7) . (1) Nu
11,28 . (2) Joz
1,1 . (3) 1
S 2,11 . (4) 1
S 2,18 . (5) 1
S 3,1 . (6) 1
K 1,15 . (7) 2
K 6,15 . - mësjâreth mosjèh (dienaar van Mozes) . Tenakh
(7) . (1) Nu
11,28 . (2) Joz
1,1 .
- sjâsâh (plunderen) . sjâsâh (plunderen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâsâh (plunderen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300, samekh = 15 of 60 , he = 5 ; totaal : 41 OF 365 (5 X 73) . Structuur : 3 - 6 - 5 .
- sjose(j)hèm (hun plunderaars) < act. qal part. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1) : Re 2,16 .
- shebhèr (hoop, vertrouwen) . shebhèr (hoop, vertrouwen) . Taalgebruik in Tenakh : shebhèr (hoop, vertrouwen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 .
- sëdom (Sodom) . sëdom (Sodom) . Taalgebruik
in Tenakh : sëdom
(Sodom) . Getalwaarde : samech = 15 of 60 , daleth = 4 , mem = 13 of 40
; totaal : 32 (2² X 2³) OF 104 (2³ X 13) . Tenakh (30) . Pentateuch
(18) . Js (2) : (1) Js
1,10 . (2) Js
13,19 .
- kisëdom (als Sodom) . Tenakh (4) : (1) Js
1,9 . (2) Js
3,9 . (3) Jr
23,14 . (4) Sef
2,9 .
- shèh (kleinvee, schaap, geit)
. shèh (kleinvee, schaap, geit) . Taalgebruik in Tenakh : shèh
(kleinvee, schaap, geit) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal
: 26 of 305 (5 X 61) . Structuur : 3 - 5 .
- sjôr wâshèh (het rund en het kleinvee) . Tenakh (3) : (1)
Ex 34,19
. (2) Dt 17,1
. (3) Joz
6,21 .
- she`îr (Seïr) . she`îr (Seïr)
. Taalgebruik in Tenakh : she`îr
(Seïr) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10
, resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 (2 X 5 X 29) . Structuur : 3 - 7 - 1
- 2 ; Het betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E.
goat , N. geit) . Tenakh (50) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (3) . Latere
Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn
14,6 . (2) Gn
32,4 . (3) Gn
36,8 . (4) Gn
36,9 . (5) Gn
36,20 . (6) Gn
36,21 . (7) Gn
36,30 . (8) Gn
37,31 . Dt (3) : (1) Dt
1,2 . (2) Dt
2,1 . (3) Dt
2,5 .
-- bëne(j) she`îr (zonen van Seïr) . Tenakh (4) : (1) Gn
36,20 . (2) Gn
36,21 . (3) 2
Kr 25,11 . (4) 2
Kr 25,14 .
| Se`îr (Seïr) | O.T. | Gn | Lv | Nu | Dt | Joz | Ez | 1 Kr | 2 Kr |
| 50 | 8 | 7 | 15 | 3 | 3 | 7 | 2 | 5 |
- sjâlosj (drie) .
sjem (naam) . sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem
(naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2
X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik
in het NT : onoma
(naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma
(naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng.
name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine
Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Arabisch : ism (naam) . Taalgebruik in de Qoran : ism (naam) . Gn 21 () : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 21,31 . (5) Gn 21,33 . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 . In Ps
113,5 is de getalwaarde van mî k (wie is als) eveneens 34 (OF 70)
(mem =13 of 40 , jod = 10 , kaph = 11 of 20) . In Ps
113 zit zevenmaal sj / sh -m : (1) Ps
113,1 : sjem = naam . (2) Ps
113,2 : sjem = naam . (3) Ps
113,3 : sj-m in sjèmèsj (zon) . (4) Ps
113,3 : sjem = naam . (5) Ps
113,4 : sj-m in hasjsjâmaim (de hemelen) . (6) Ps
113,6 : sj-m in basjsjâmaim (in de hemelen) . (7) Ps
113,9 : shëmechâh (vreugdevol) . Voeg hierbij zesmaal de naam
JHWH , wat dertien maakt . 2 K (33) . 2 K 23 (5) : (1) 2 K 23,7 . (2) 2 K 23,16 . (3) 2 K 23,20 . (4) 2 K 23,27 . (5) 2 K 23,34 .
- sjèm bënô (naam van zijn zoon) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,5 . (2) Gn 21,3 . (3) 1 S 8,2 . sjem ´achath (naam van eerste) . Tenakh (1) : 1 S 1,2 . sjem hâ´achath (naam van de eerste) . Tenakh (4) : (1) Gn 4,19 . (2) Ex 1,15 . (3) Rt 1,4 . (4) Job 42,14 .
- sjëmî (mijn naam) < zelfst. naamw. sjem + suffix pers. voornaamw.
1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. Tenakh (63) . Js (7) : (1) Js
29,23 . (2) Js
42,8 . (3) Js
48,9 . (4) Js
49,1 . (5) Js
52,5 . (6) Js
52,6 . (7) Js
66,5 . Tenakh (684) . Pentateuch (190)
. Ex (27) . Ex 24 (1) Ex
24,12 .
- sjëmô (zijn naam) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (163) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (27) . 12 Kleine
Profeten (9) . Geschriften (44) . 1 S (6) : (1) 1 S 1,20 . (2) 1 S 12,22 . (3) 1 S 17,4 . (4) 1 S 17,23 . (5) 1 S 18,30 . (6) 1 S 25,25 .
- ûsjëmô (en zijn naam) < wë + sjem + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (33) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine
Profeten (2) . Geschriften (3) . 1 S (6) : (1) 1 S 1,1 . (2) 1 S 9,1 . (3) 1 S 9,2 . (4) 1 S 17,12 . (5) 1 S 21,8 . (6) 1 S 22,20 .
- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn
4,17 . (2) Gn
26,20 . (3) Gn
28,19 . (4) Gn
32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2
Kr 3,17 . (13) Job 42,14 . Gn
32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn
35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- ´èth sjëmô (zijn naam) . Tenakh (33) . 1 S (1) : 1 S 1,20 .
- sjem hammâqôm ( naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn
22,14 . (2) Gn
28,19 . (3) Gn
32,3 . (4) Gn
32,31 . (5) Gn
33,17 . (6) Gn
35,15 . (7) Ex
17,7 . (8) Nu
11,3 . (9) Nu
11,34 . (10) Nu
21,3 . (11) Joz
5,9 . (12) Joz
7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2
Kr 20,26 .
- wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´ (en
de naam van die plaats heet) . In vijf verzen in de bijbel : (2) Gn
28,19 . (3) Gn
32,3 . (8) Nu
11,3 . (9) Nu
11,34 . (11) Joz
5,9 .
| Tenakh | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Joz | Re | Rt | 1 S | 2 S | 1 K | 2 K | 1 Kr | 2 Kr | Ezr | Neh | Tob | Jdt | Est | 1 Mak | 2 Mak | |||
| 1. | sjem JHWH | |||||||||||||||||||||||
| 2. | ´èth sjem JHWH | |||||||||||||||||||||||
| 3. | bësjem JHWH | |||||||||||||||||||||||
| 4. | sjem hammâqôm | |||||||||||||||||||||||
| 5. | wajjiqërâ´sjem | |||||||||||||||||||||||
| 6. | wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´ | |||||||||||||||||||||||
| Tenakh | Job | Ps | Spr | Pr | Hl | W | Sir | Js | Jr | Kl | Bar | Ez | Da | Hos | Jl | Am | Ob | Jon | Mi | Nah | Hab | Sef | Hag | Zach | Mal | ||||
| 1. | sjem JHWH | ||||||||||||||||||||||||||||
| 2. | ´èth sjem JHWH | ||||||||||||||||||||||||||||
| 3. | bësjem JHWH | 7 | |||||||||||||||||||||||||||
| 4. | sjem hammâqôm | ||||||||||||||||||||||||||||
| 5. | wajjiqërâ´sjem | ||||||||||||||||||||||||||||
| 6. | wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´ | ||||||||||||||||||||||||||||
bësjem (in de naam van) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. . b-sj-m . Tenakh (68) .
- bësjem JHWH (in de naam JHWH) . In zevenendertig verzen in de bijbel . In vijf verzen in Gn : (1) Gn 4,26 . (2) Gn 12,8 . (3) Gn 13,4 . (4) Gn 21,33 . (5) Gn 26,25 . In vier verzen in Dt : (1) Dt 18,5 . (2) Dt 18,7 . (3) Dt 18,22 . (4) Dt 21,5 . In zeven verzen in de Ps : (1) Ps 20,8 . (2) Ps 118,10 . (3) Ps 118,11 . (4) Ps 118,12 . (5) Ps 118,26 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 1lwaarde : sin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 . Hetzelfde getal komt voor in het geschenk van Jakob aan Esau (Gn 32,13-15) . Het woord Se`îr (Seïr) betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) .
| Se`îr (Seïr) | O.T. | Gn | Lv | Nu | Dt | Joz | Ez | 1 Kr | 2 Kr |
| 50 | 8 | 7 | 15 | 3 | 3 | 7 | 2 | 5 |
In acht verzen in Gn : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 .
- sjâchath (verdorven , bedorven , ontaard zijn) .
-- kî sjicheth (want bedorven / ontaard is) . Tenakh (2) : (1) Ex
32,7 . (2) Dt
9,12 .
-- sjicheth ammëkhâ (jouw volk is bedorven / ontaard) . Tenakh (2)
: (1) Ex 32,7
. (2) Dt
9,12 .
- sjânâh (jaar) . sjânâh
(jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh
(jaar) . De getalwaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of
300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3
- 5 - 5 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Js (9) : (1) Js
7,8 . (2) Js
21,16 . (3) Js
23,15 . (4) Js
23,17 . (5) Js
29,1 . (6) Js
32,10 . (7) Js
36,1 . (8) Js
38,5 . (9) Js
39,3 . Lat. annus . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Gr. etos (jaar) . Taalgebruik in het NT
: etos
(jaar) . Taalgebruik in de LXX
: etos
(jaar) . Taalgebruik in Lc : etos
(jaar) . Bijbel (300) . OT (273) . NT (27) . Een vorm van etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) . Arabisch : sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .
- zie Lv
25,3.2. mann. mv. sjânîm (jaren) . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine
Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 50 (2) : (1) Gn
50,23 . (2) Gn
50,26 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv
25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 . Re (13) : (1) Re 2,8 . (2) Re 3,8 . (3) Re 6,1 . (4) Re 6,25 . (5) Re 9,22 . (6) Re 11,37 . (7) Re 11,39 . (8) Re 12,7 . (9) Re 12,9 . (10) Re 12,11 . (11) Re 12,14 . (12) Re 20,21 .
(13) Re 21,10 .
- bisjënath (in het jaar van) < bë + stat. constr. . Tenakh (76)
. Pentateuch (5) . Js (3) : (1) Js
6,1 . (2) Js
14,28 . (3) Js 20,1 .
1. - 2. bisjënath môth (in het jaar van de dood) EN 1. - 3. bisjënath
môth hammèlèkh (in het jaar van de dood van de koning) .
Tenakh (2) : (1) Js
6,1 . (2) Js
14,28 .
- me´âh wâ`èshèr sjânîm (110 jaar)
. Tenakh (4) : (1) . (2) . (3) . (4) .
- sjâthâh (drinken) . sjâthâh (drinken) . Taalgebruik in Tenakh : sjâthâh (drinken) . Gr. piô . Lat. bibere . Fr. boire . Ned. drinken . E. to drink . D. trinken .
- sj-ph- / - sjâphar (schrijven) . sjâphar (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphar (schrijven) . cijfer . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen .
- sjâwâh (gelijk zijn, overeenkomen) . sjâwâh (gelijk zijn, overeenkomen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâwâh (gelijk zijn, overeenkomen) .
- sjèbha` / sjëbha` (zeven)
. sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie
7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Gr. hepta
. Lat. septem . Fr. sept . D. Sieben . E. seven . Ned. zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) . Taalgebruik in de Koran : sab`ah (zeven) . Getalwaarde :
sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 +
13) OF 372 (2 X 3 X 31) . 39 (zie 39) is de getalwaarde van ´èchad
JHWH = één is JHWH . 13 en 31 zijn spiegelgetallen , zie 13 en star13.gif EN 31 . Het getal 13 is de getalwaarde van ´èchâd (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd
(één) en 31 is de getalwaarde van de korte godsnaam El . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Structuur : 3 - 2 - 7 . sj-bh-` . De som van de elementen is telkens 12 . Tenakh (175) .
Pentateuch (70) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten
(2) . Geschriften (35) . Gn (44) .
-- sjëbha` `èshreh (17) . Tenakh (5) : (1) Gn
37,2 . (2) Gn
47,28 . (3) 1
K 22,52 . (4) 2
K 13,1 . (5) 2
K 16,1 .
- sjebhèt (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . sjebhèt (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . Taalgebruik in Tenakh : sjebhèt (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , tet = 9 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 311 (priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 9 . sj-b-t . Tenakh (62) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (14) . Gn (1) : Gn 49,10 .
- sjibhë`îm (zeventig) . sjibhë`îm (zeventig) . Taalgebruik in Tenakh : sjibhë`îm (zeventig) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Structuur : 3 - 2 - 7 - 1 - 4 . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) .
- sjèmèsj (zon) . sjèmèsj
(zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj
(zon) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5
X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 . Gr. (h)èlios
(zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios
(zon) . Lat. sol , -is . Fr. le soleil . E. sun . D. Sonne . Ned. zon . Tenakh (50) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (231) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine
Profeten (6) . Geschriften (14) . Js (3)
: (1) Js
41,25 . (2) Js
45,6 . (3) Js
59,19 . Ps (8) : (1) Ps
50,1 . (2) Ps
58,9 . (3) Ps
72,5 . (4) Ps
72,17 . (5) Ps
84,12 . (6) Ps
104,19 . (7) Ps
113,3 . (8) Ps
148,3 .
- basjsjèmèsj (in / met de zon) < prefix voorzetsel bë
+ bepaald lidw. ha + . Tenakh (1) : Js
38,8 .
- hasjsjèmèsj (de zon) . Tenakh (86) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine
Profeten (5) . Geschriften (37) . Js (3)
: (1) Js
13,10 . (2) Js
38,8 . (3) Js
60,19 .
- lasjsjèmèsj / lasjsjâmèsj (aan de zon) < lë + bepaald lidw. ha + Tenakh (5) : (1) 2 K 23,5 . (2) 2 K 23,11 . (3) Jr 8,2 . (4) Ez 8,16 . (5) Ps 19,5 .
- sjimësjekh (je zon) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 2de
pers. vr. enk. . Tenakh (1) : Js
60,20 .
- wâsjâmèsj (en de zon) < prefix verbindingswoord wë
+ bepaald lidw. ha + . Tenakh (2) : (1) Js
49,10 . (2) Ps
74,16 .
- mizërâch sjèmèsj (zonsopgang) . Tenakh (1) : Dt 4,47 . mimmizërach sjèmesj (van het opkomen van de zon) . Tenakh (6) : (1) Re 11,18 . (2) Js 41,25 . (3) Js 45,6 . (4) Mal 1,11 . (5) Ps 50,1 . (6) Ps 113,3 . - ûmimmizërach sjèmèsj (en vanaf zonsopgang, en vanaf het oosten) . Tenakh (1) : Js 59,19 .
- sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . Taalgebruik in Tenakh : sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 385 (5 X 7 X 11) . Structuur : 3 - 4 - 4 - 5 . Tenakh (41) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (1) . Js (5) : (1) Js 1,7 . (2) Js 6,11 . (3) Js 17,9 . (4) Js 62,4 . (5) Js 64,9 .
- sjèmèn (vet, olie, zalf) . zelfst. naamw. sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl. naamw. (sjamen , vr. sjëmenâh = vet, dik, sterk) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèn (vet, olie, zalf) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ,
mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13) . Structuur : 3 - 4 - 5 . Lat. oleum (olie) van olea (olijfboom) . Fr. huile . Ned. olie . E. oil . Tenakh (60) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine
Profeten (4) . Geschriften (8) . 1 S (1) : 1 S 16,1 . 1 K (5) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) .
- hasjsjèmèn (de olie) < bepaald lidw. ha + . Tenakh (27) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (2) . Eerdere Profeten (10) : (1) 1 S 10,1 . (2) 1 S 16,13 . (3) 1 K 1,39 . (4) 1 K 17,14 . (5) 1 K 17,16 . (6) 2 K 4,6 . (7) 2 K 4,7 . (8) 2 K 9,1 . (9) 2 K 9,3 . (10) 2 K 9,6 .
- bijvoegl. naamw. (sjamen , vr. sjëmenâh = vet, dik, sterk) OF telwoord sjëmonâh (achtste) OF sjamënèh (haar olie) : zelfst. naamw. sjèmèn (vet, olie, zalf) + suffix 3de pers. vr. enk. . Tenakh (37) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (5) : (1) Gn 5,4 . (2) Gn 5,19 . (3) Gn 14,14 . (4) Gn 22,23 . (5) Gn 49,20 .
- sjesj (zes) . sjesj (zes) . Taalgebruik in Tenakh : sjesj
(zes) . Getallenwaarde sjesj = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²) . Structuur : 3 - 3 . De som van de elementen is telekens 6 . Tenakh (102) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine
Profeten (0) . Geschriften (34) . Ex (14) : (1) Ex 14,7 . (2) Ex 21,2 . (3) Ex 26,1 . (4) Ex 26,9 . (5) Ex 27,9 . (6) Ex 27,18 . (7) Ex 28,39 . (8) Ex 36,8 . (9) Ex 36,16 . (10) Ex 38,9 . (11) Ex 38,16 . (12) Ex 39,27 . (13) Ex 39,28 . (14) Ex 39,29 . Lv (2) : (1) Lv 24,6 . (2) Lv
25,3 . Lat. sex . Fr. six . Ned. zes . D. sechs . E. six . Gr. hex . Een vorm van hex (zes) in de LXX (134) , in het NT (13) : (1) Mt 17,1 . (2) Mc 9,2 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 13,14 . (5) Joh
2,6 . (6) Joh
2,20 . (7) Joh
12,1 . (8) Hnd 11,12 . (9) Hnd 18,11 . (10) Hnd 27,37 . (11) Jak 5,17 . (12) Apk 4,8 . (13) Apk 13,18 . Arabisch : sittah (zes) . Taalgebruik in de Qoran : sittah (zes) .
- vr. enk. sjesjèth (zes) . Zie . Tenakh (21) : (1) Ex 16,26 . (2) Ex 20,9 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 23,12 . (5) Ex 24,16 . (6) Ex 31,15 . (7) Ex 31,17 . (8) Ex 34,21 . (9) Ex 35,2 . (10) Lv 23,3 . (11) Nu 3,34 . (12) Dt 5,13 . (13) Dt 16,8 . (14) Joz 6,3 . (15) Joz 6,14 . (16) 1 K 11,16 . (17) Ez 46,1 . (18) Ezr 2,67 . (19) Neh 7,68 . (20) 1
Kr 12,25 . (21) 1 Kr 23,4 .
In 102 verzen in de bijbel . In vierendertig verzen in de Pentateuch .
- sjë´ôl (Hades, onderwereld) . sj-´-w-l . Tenakh (344) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (280) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (46) . 1 S (221) . 2 S (1) : 1 S 2,6 .
- sjimë`ôn (Simeon) . sjimë`ôn (Simeon) . Taalgebruik in Tenakh : sjimë`ôn (Simeon) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 70 (2 X 5 X 7) of 466 (2 X 233) . Structuur : 3 - 4 - 7 - 6 - 5 . Gr. sumeôn (Simeon) . Bijbel (55) . Tenakh (33) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (7) : (1) Gn 29,33 . (2) Gn 34,25 . (3) Gn 34,30 . (4) Gn 42,24 . (5) Gn 43,23 . (6) Gn 46,10 . (7) Gn 49,5 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,15 . Nu (8) . Dt (1) . De etymologische verklaring van Gn 29,33 is : kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . In shënû´ âh (passief qal part. vr. enk. (niet bemind wordend) zitten de letters een shin (geen sjin) , een nun en een waw . Simeon is de tweede zoon van Lea en Jakob , dochter van Laban en oudere zus van Rachel . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Ruben , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali .
- sjomërôn (Samaria) . sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in Tenakh : sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in 2 K : sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in Amos : sjomërôn (Samaria) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 , waw = 6 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 596 (2² X 149) . 2 K (19) : (1) 2 K 1,3 . (2) 2 K 2,25 . (3) 2 K 6,20 . (4) 2 K 6,24 . (5) 2 K 7,1 . (6) 2 K 7,18 . (7) 2 K 10,1 . (8) 2 K 10,12 . (9) 2 K 10,17 . (10) 2 K 15,14 . (11) 2 K 17,5 . (12) 2 K 17,6 . (13) 2 K 17,24 . (14) 2 K 17,26 . (15) 2 K 18,9 . (16) 2 K 18,10 . (17) 2 K 18,34 . (18) 2 K 21,13 . (19) 2 K 23,19 . bësjomërôn (in Samaria) . Tenakh (23) : (1) 2 K 1,2 . (2) 2 K 3,1 . (3) 2 K 5,3 . (4) 2 K 6,25 . (5) 2 K 10,1 . (6) 2 K 10,17 . (7) 2 K 10,35 . (8) 2 K 13,1 . (9) 2 K 13,6 . (10) 2 K 13,9 . (11) 2 K 13,10 . (12) 2 K 13,13 . (13) 2 K 14,16 . (14) 2 K 14,23 . (15) 2 K 15,8 . (16) 2 K 15,13 . (17) 2 K 15,14 . (18) 2 K 15,17 . (19) 2 K 15,23 . (20) 2 K 15,25 . (21) 2 K 15,27 . (22) 2 K 17,1 .
- sjôr (rund, os) . sjôr (rund, os)
. Taalgebruik in Tenakh : sjôr
(rund, os) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , resj = 20 of 200
; totaal : 47 of 506 . Structuur : 3 - 6 - 2 . Tenakh (43) . Pentateuch (27)
. Js (2) : (1) Js
1,3 . (2) Js
7,25 .
- hasjsjôr (het rund, de os) . Tenakh (12) . Pentateuch (9) . Js (2) :
(1) Js 32,20
. (2) Js 66,3
.
- pârâh (koe) . par (stier) .
- sjôr wâshèh (het rund en het kleinvee) . Tenakh (3) : (1)
Ex 34,19
. (2) Dt 17,1
. (3) Joz
6,21 .
- sjûbh (terugkeren) . sjûbh
(terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh
(terugkeren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal
: 29 of 308 . Structuur : 3 - 6 - 2 .
-- lësjôbhebh (om terug te brengen) , act. piel infinit. constr. van het werkw.
-- ûlësâbhe(j) (en tot de terukerenden) . < verbindingswoord
wë + voorzetsel lë (tot, naar) + werkwoordvorm act. qal part. mann.
mv. stat. constr. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js
59,20 . (2) Ezr
6,7 .
- wajjâsjâbh (en hij keerde terug) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjûbh
(terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh
(terugkeren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal
: 29 of 308 . Structuur : 3 - 6 - 2 OF wë + actief qal imperfectum derde persoon mann. enkelvoud wajjesjèbh
(en hij verbleef) van het werkw. jâsjabh (wonen)
. Taalgebruik in Tenakh : jâsjabh
(wonen) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , beth = 2 ; totaal
: 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (228) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten
(114) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (36) . 2 K (28) : (1) 2 K 1,11 . (2) 2 K 1,13 . (3) 2 K 2,13 . (4) 2 K 4,20 . (5) 2 K 4,31 . (6) 2 K 4,35 . (7) 2 K 5,10 . (8) 2 K 5,14 . (9) 2 K 5,15 . (10) 2 K 8,29 . (11) 2 K 9,15 . (12) 2 K 11,19 . (13) 2 K 13,25 . (14) 2 K 14,14 . (15) 2 K 15,5 . (16) 2 K 15,20 . (17) 2 K 17,3 . (18) 2 K 17,6 . (19) 2 K 17,24 . (20) 2 K 17,28 . (21) 2 K 19,8 . (22) 2 K 19,9 . (23) 2 K 19,36 .
(24) 2 K 20,11 . (25) 2 K 21,3 . (26) 2 K 22,9 . (27) 2 K 23,20 . (28) 2 K 24,1 .
-- wajjâsjâbh mosjèh (en Mozes keerde terug) . Tenakh (2)
: (1) Ex
5,22 . (2) Ex
32,31 .
-- wajjâsjâbh mosjèh ´èl JHWH (en Mozes keerde
terug naar JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex
5,22 . (2) Ex
32,31 .
-- wësjâbhè(j)hâ < prefiw verbindingswoord wë
+ werkwoordvorm actief qal part. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. vr.
3de pers. vr. enk. (en de terugkerenden naar haar) . Tenakh (2) : (1) Dt
32,42 . (2) Js
1,27 .
- swr (wijken, afwijken,
afvallen, zich ver houden van) . swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver
houden van) . Taalgebruik in Tenakh : swr
(wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) . Getalwaarde : samech
= 15 of 60 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 266 (2 X 7 X 19) . Structuur : 6
- 6 - 2 . Een vorm van swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van)
in Js (22) .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jâsûr (hij zal wijken) van het werkw. Tenakh (13) : (1) Gn 49,10 . (2) Dt 17,17 . (3) 2 S 7,15 . (4) 2 K 4,10 . (5) Js 10,27 . (6) Js 14,25 . (7) Jr 15,5 . (8) Jr 17,5 . (9) Zach
10,11 . (10) Ps 101,4 . (11) Spr 22,6 . (12) Job 15,30 . (13) Job 40,2 .
-- sârû maher min haddèrèkh (zij weken vlug af van
de weg) . Tenakh (3) : (1) Ex
32,4 . (2) Dt
9,12 . (3) Re 2,17 .
-- act. imperat. 2de pers. mann. mv. sûrû (wijkt) . Tenakh : (1) Gn 19,2 . (2) Nu 16,26 . (3) Js 30,11 . (4) Js 52,11 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 119,115 . (7) Ps 139,19 . (8) Kl 4,15 .
-- act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. hesîr (hij doet weg, hij verwijdert)
. Tenakh (16) : (1) Joz
11,15 . (2) 1
S 28,3 . (3) 2
K 17,23 . (4) 2
K 18,4 . (5) 2
K 18,22 . (6) 2
K 23,19 . (7) Js
18,5 . (8) Js
31,2 . (9) Js
36,7 . (10) Sef
3,15 . (11) Ps
66,20 . (12) Job
27,2 . (13) Job
34,5 . (14) 1
Kr 13,13 . (15) 2
Kr 17,6 . (16) 2
Kr 32,12 .
- act. hifil imperatief 2de pers. mann. mv. hasîrû (doet weg, verwijder) .
-- act. hifil imperf. 2de pers. mann. enk. thâsîr (jij doet weg)
van het werkw. . Tenakh (2) : (1) Js
59,9 . (2) Jr
4,1 .