Tenakh TAALGEBRUIK S
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - Tenakh A - Tenakh B - Tenakh C - Tenakh D - Tenakh E - Tenakh F - Tenakh G - Tenakh H - Tenakh I - Tenakh J - Tenakh K - Tenakh L - Tenakh M - Tenakh N - Tenakh O - Tenakh P - Tenakh Q - Tenakh R - Tenakh S - Tenakh T - Tenakh U - Tenakh V - Tenakh W - Tenakh X -Tenakh Y - Tenakh Z - Tenakh : commentaar ,
Zie ook bijbeloverzicht.
-- sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) -- sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) . - shâm (plaatsen, stellen) -- sjânâh (jaar) -- sjâthâh (drinken) --

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsh

eidsboeken , NT overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven van Paulus , Apostolische brieven .

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984   Targumim rubrieken (1)
bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel - bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/

  Gn 1 Gn 2 Gn 3 Gn 4 Gn 5 Gn 6 Gn 7 Gn 8 Gn 9 Gn 10 Gn 11 Gn 12 Gn 13 Gn 14 Gn 15 Gn 16 Gn 17 Gn 18 Gn 19 Gn 20 Gn 21 Gn 22 Gn 23 Gn 24 Gn 25
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   

 

  Gn 26 Gn 27 Gn 28 Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 32 Gn 33 Gn 34 Gn 35 Gn 36 Gn 37 Gn 38 Gn 39 Gn 40 Gn 41 Gn 42 Gn 43 Gn 44 Gn 45 Gn 46 Gn 47 Gn 48 Gn 49 Gn 50
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   
                                                   

 

- sjâ´âh (verwoest worden) . sjâ´âh (verwoest worden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´âh (verwoest worden) . .


- שָׁעָה = sjâ`âh (omzien, zich wenden tot)

- sj`h (omzien, zich wenden tot) . שָׁעָה = sjâ`âh (omzien, zich wenden tot) . Taalgebruik in Tenakh : sj`h (omzien, zich wenden tot) .

- וַיִּשַׁע = wajjisja` (en hij zag om naar) van het werkw. שָׁעָה = sjâ`âh (omzien, zich wenden tot) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ`âh (omzien, zich wenden tot) . Tenakh (1) : Gn 4,4 . wjjsj`: Tenakh (6) : (1) Gn 4,4 . (2) Re 3,31 . (3) 1 S 23,5 . (4) 2 S 8,6 . (5) Spr 20,22 . (6) Job 5,15 .


- sjal (verlangen, eisen, vragen) . שָׁאַל = sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (1) : 1 S 1,19 .

- wajjisjë`al (en hij vroeg) <

- וַתִּשְׁאַל = waththisjë`al (en zij vroeg) < prefix voegwoord wë + act. ind. imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. שָׁאַל = sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 . Niet in Tenakh . Hebreeuwse vertaling van het Griekse ηρωτα = èrôta (hij / zij vroeg) van het werkw. ερωταω = erôtaô (vragen) .

- wajjisjë´älû (en zij vroegen) < wë + act. qal 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (11) : (1) Gn 26,7 . (2) Ex 11,2 . (3) Ex 12,35 . (4) Ex 18,7 . (5) Re 1,1 . (6) Re 18,15 . (7) Re 20,18 . (8) Re 20,23 . (9) Re 20,27 . (10) 1 S 10,22 . (11) Jr 38,27 .


- sa`ar (storm) . סַעַר = sa`ar (storm) . Taalgebruik in Tenakh : sa`ar (storm) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 330 (2 X 3 X 5 X 11) . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (2) : (1) Jr 30,23 . (2) Jon 1,4 .

- וְסַעַר = wësa`ar (en een stormwind) < prefix verbindingswoord wë + het zelfst. naamw. . Tenakh (2) : (1) Jr 23,19 . (2) Jr 25,32 .

- סְעָרָה = sa`arah (storm) . Zie het zelfst. naamw. סַעַר = sa`ar (storm) . Taalgebruik in Tenakh : sa`ar (storm) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 51 (3 X 17) OF 330 (2 X 3 X 5 X 11) . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (6) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) .


- sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) . sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sâbhabh (draaien, omsingelen, terugkeren) , zie Ps 18,6 . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , beth = 2 ; totaal = 19 OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 6 - 2 - 2 .
--- sebhâbhûnî (zij omsingelden mij) . In 7 verzen in de bijbel : (1) Ps 17,11 . (2) Ps 18,6 . (3) Ps 22,13 . (4) Ps 22,17 . (5) Ps 109,3 . (6) Ps 118,3 . (7) Ps 118,11 . In al deze teksten vertaalt de Vulgaat door circumdederunt (circum-dare = om-geven).
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jissobh (hij keerde terug) van het werkw. Tenakh (6) : (1) 1 S 5,8 . (2) 2 S 14,24 . (3) 1 K 7,15 . (4) 1 K 7,23 . (5) Ps 114,3 . (6) 2 Kr 4,2 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thissob (jij keert terug) van het werkw. Tenakh (3) : (1) Nu 36,7 . (2) Nu 36,9 . (3) Ps 114,5 .


- schar (rondgaan, rondtrekken, verhandelen) . = sâchar (rondgaan, rondtrekken, verhandelen) .

- sal (mand, korf) . סַל = sal (mand, korf) . Taalgebruik in Tenakh : sal (mand, korf) . Getalswaarde : samèkh = 15 of 60 , lamèd = 12 of 30 ; totaal : 27 (3³) of 90 (2 X 3³ X 5) . Structuur : 6 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (3) .


- sâlach (vergeven) . סָלח = sâlach (vergeven) . Taalgebruik in Tenakh : slach (vergeven) .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. סְלַח = sëlach (vergeef) van het werkw. סָלח = sâlach (vergeven) . Taalgebruik in Tenakh : sâlach (vergeven) . Tenakh (2) : (1) Nu 14,19 . (2) Am 7,2 .


- smakh (leunen, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) . סָמַך = sâmakh (leunen, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) . Taalgebruik in Tenakh : smakh (leunen, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) .

- sn (haten) . שָׂנָא = sânâ´ (haten) . Taalgebruik in Tenakh : sn (haten) . Getalswaarde : sin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 .

- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. יִשְׂנָא = jisnâ´ (hij haat) van het werkw. שָׂנָא = sânâ´ (haten) . Taalgebruik in Tenakh : sânâ´ (haten) . Getalswaarde : sin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Spr 13,5 . (2) Spr 26,28 .


- sphar (schrijven, griften, cijferen) . סָפַר = sâphar (schrijven, griften, cijferen) . Taalgebruik in Tenakh : sphar (schrijven, griften, cijferen) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (20 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (120) .


- sphnh (schip) . סְפִטנָה = sëphînâh (schip) . Taalgebruik in Tenakh : sphnh (schip) .

- Ned. : schip . Grieks : nom. en acc. onz. enk. = skafos : het uitgeholde (ruium, romp of buik van het ), schip, schuit . Hebreeuws : סְפִטנָה = sëphînâh (schip) . Taalgebruik in Tenakh : sëphînâh (schip) .

- בַסְּפִינָה = bassëphînâh (in het schip) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. סְפִטנָה = sëphînâh (schip) . Taalgebruik in Tenakh : sëphînâh (schip) . Zie Mc 4,36 .

- sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) .
- לִשְׁבוּיִם = lisjëbhûjim (tot de krijgsgevangenen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm pass. qal part. mann. mv. van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Tenakh (1) : Js 61,1 .


- sjâbhar (breken, verpletteren) . שָׁבַר = sjâbhar (1) (breken, verpletteren) . (2) verkopen . (3) nauwkeurig onderzoeken . Zie : Taalgebruik in Tenakh : sjâbhar (breken, verpletteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
- act. qal perf. 1ste pers. enk. wësjâbharthî (en ik verpletter) . Tenakh (7) : (1) Lv 26,19 . (2) Ez 5,16 . (3) Ez 14,13 . (4) Ez 30,22 . (5) Ez 30,24 . (6) Hos 1,5 . (7) Am 1,5 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jisjëbôr (hij zal breken) van het werkw. Tenakh (1) Js 42,3 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תִשְׁבְּרוּ = thisjëbërû (jullie zullen verpletteren) : (1) Ex 12,46 . (2) Dt 2,6 ; תִשְׁב?ֹרוּ = thisjëborû (jullie zullen verpletteren) : ( 1) Lv 11,33 . OF act. piël 2de pers. mann. mv. תְּשַׁבְּרוּ = thësabberû (jullie zullen verpletteren) : (4) Dt 7,5 , van het werkw. שָׁבַר = sjâbhar (1) (breken, verpletteren) . (2) verkopen . (3) nauwkeurig onderzoeken . Zie : Taalgebruik in Tenakh : sjâbhar (breken, verpletteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .

- wësjèbhèr / wâsjèbhèr (en verplettering , vernietiging) . Tenakh (9) : (1) Js 1,28 . (2) Js 59,7 . (3) Js 60,18 . (4) Jr 4,6 . (5) Jr 6,1 . (6) Jr 48,3 . (7) Jr 50,22 . (8) Jr 51,54 . (9) Sef 1,10 .


- shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . שָׂבַע = shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Taalgebruik in Tenakh : shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Een vorm van שָׂבַע = shâbha` in Tenakh (93) .

- act. qal perf. 1ste pers. enk. shâbha`thî (ik heb genoeg van) . Tenakh (1) : Js 1,11 . lëshobha´ (tot volheid) .

- = sâbë`û (zij zullen verzadigd worden) van het werkw. Tenakh (1) : Hos 13,6 .

- וְשָׂבֵעוּ = wësâbhe`û (en zij zullen verzadigd worden) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שָׂבַע = shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Taalgebruik in Tenakh : shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Dt 14,29 . (2) Dt 26,12 . In deze 2 verzen lezen we וְשָׂבֵעוּ וְאָכְלוּ = wë´âkhëlû wësâbhe`û (en zij zullen eten en zij zullen verzadigd worden) ; in het Grieks telkens : φαγονται = fagontai (zij zullen eten) και = kai (en) εμπλησθησονται = emplèsthèsontai (zij zullen zich vullen) . In beide teksten gaat het om de tienden die om de 3 jaar aan de Levieten , vreemdelingen , weduwen en wezen moeten afgestaan worden .

- הִשְׂבִּיעַ = hishëbî`a (hij doet verzadigd worden , hij voedt) van het werkw. שָׂבַע = shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Taalgebruik in Tenakh : shâbha` (verzadigd worden, genoeg hebben van) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (1) : Ps 107,9 . Een vorm van שָׂבַע = shâbha` in Tenakh (93) .


- sj-b-th

- sj-b-th . sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (36) . Pentateuch (17) . Eerdere Profeten () . Latere Profeten () . 12 Kleine Profeten () . Geschriften () . Js (7) . שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Js (3) : (1) Js 56,2 . (2) Js 56,6 . (3) Js 66,23 .

- הַשַּׁבָּת = hasjsjabbâth (de sabbat) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjabbâth (sabbat) . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13 OF 26 X 27) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . h-sj-b-th : Tenakh (39) . Pentateuch (15) : (1) Ex 16,29 . (2) Ex 20,8 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 31,14 . (5) Ex 31,15 . (6) Ex 31,16 . (7) Ex 35,3 . (8) Lv 23,11 . (9) Lv 23,15 . (10) Lv 23,16 . (11) Lv 24,8 . (12) Nu 15,32 . (13) Nu 28,9 . (14) Dt 5,12 . (15) Dt 5,15 . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) .
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjabbâth (sabbat) . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (11) : (1) Ex 16,23 . (2) Ex 31,15 . (3) Ex 35,2 . (4) Lv 16,31 . (5) Lv 23,3 . (6) Lv 23,32 . (7) Lv 25,4 . (8) Lv 25,6 . (9) Nu 28,10 . (10) Neh 9,14 . (11) 1 Kr 9,32 .
- In Gn 2,1-4a wordt het werkw. שָׁבַת = sjâbath (ophouden , rusten , vieren) gebruikt . Hier wordt nog niet het woord sjabbât gebruikt .

- שַׁבַּת שַּבָּתוֹן = sjabbath sjabbâtôn (sjabbat van de sjabbatten) . Tenakh (6) : (1) Ex 31,15 . (2) Ex 35,2 . (3) Lv 16,31 . (4) Lv 23,3 . (5) Lv 23,32 . (6) Lv 25,4 .

- ?????? = sjbath (ophouden , rusten , vieren . שָׁבַת = sjâbath (ophouden , rusten , vieren) . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .

- וַיִּשְׁבֹּת = wajjisjëboth (en hij hield op) < prefix voegwoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁבַת = sjâbath (ophouden , rusten , vieren) . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .

- vr. mv. שַׁבָּתוֹת = sjabâthôth (sabatten) van het zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Tenakh (1) : Lv 23,15 . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .
- vr. mv. שַׁבְּתֹת = sjabâthôth (sabatten) . Tenakh (2) : (1) Lv 23,38 . (2) Lv 25,8 .
- wëhisjëbîth (en hij zal doen ophouden/ wegdoen/uitroeien) < wë + act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâbhat (ophouden, rusten, vieren) . Tenakh (3) : (1) 2 K 23,5 . (2) Jr 36,29 . (3) Da 11,18 .

- שַׁבְּתֹתַי = sjabbëthothaj (mijn sabatten) < stat. constr. vr. mv. + suffix 1ste pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Tenakh (1) : Lv 23,15 . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (6) : (1) Ex 31,13 . (2) Lv 19,3 . (3) Lv 19,30 . (4) Lv 26,2 . (5) Ez 20,18 . (6) Ez 22,8 .

- תִשְׁמֹרוּ שַׁבְּתֹתַי אֶת = ´èth sjabbëthothaj thisjëmoru (mijn sabbatten zullen zij onderhouden) . Tenakh (3) : (1) Ex 31,13 . (2) Lv 19,30 . (3) Lv 26,2 .
- תִשְׁמֹרוּ שַׁבְּתֹתַי וְאֶת = wë´èth sjabbëthothaj thisjëmoru (en mijn sabbatten zullen zij onderhouden) . Tenakh (1) : Lv 19,3 .


- shdh (veld) . שָׂדֶה = shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Getallenwaarde : shin = 21 of 300 , daleth = 4 , he = 5 ; totaal : 30 ( 2 X 3 X 5) OF 309 (3 X 103) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 .

- שָׂדְךָ / שָׂדֶךָ = shâdëkhâ / shâdèkhâ (je veld) < zelfst. naamw. vr. enk. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שָׂדֶה = shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Getallenwaarde : shin = 21 of 300 , daleth = 4 , he = 5 ; totaal : 30 ( 2 X 3 X 5) OF 309 (3 X 103) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (5) : (1) Lv 19,9 . (2) Lv 19,19 . (3) Lv 23,22 . (4) Lv 25,3 . (5) Lv 25,4 .
- Grieks . acc. mann. enk. αγρον = agron van het zelfst. naamw. αγρος = agros (akker, land, veld) . Zie : αγραυλεω = agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Taalgebruik in het NT : agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Bijbel (51) . NT (7) . Lv (7) : (1) Lv 25,3 . (2) Lv 25,4 . (3) Lv 25,31 . (4) Lv 27,17 . (5) Lv 27,18 . (6) Lv 27,19 . (7) Lv 27,20 . Een vorm van αγρος = agros in de LXX (246) , in het NT (35) .
- Latijn . acc. mann. enk. agrum van het zelfst. naamw. ager . Bijbel . OT () . NT () . Lv (8) . (1) Lv 14,7 . (2) Lv 14,53 . (3) Lv 19,19 . (4) Lv 25,3 . (5) Lv 25,4 . (6) Lv 27,16 . (7) Lv 27,17 . (8) Lv 27,19 . (landbouwer = agricola) .
- Ned. : akker . D. : Acker . E. : field . Fr. : champs . Grieks : αγρος = agros (akker, land, veld) . Hebreeuws : שָׂדֶה = shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Latijn : ager (akker) .


- sdn (onderkleed, linnen hemd) . סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd) . Taalgebruik in Tenakh : sdn (onderkleed, linnen hemd) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , daleth = 4 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 124 (2² X 31) . Structuur : 6 - 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1) : Spr 31,24 . Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24 .
- Ned. satijn , zijde . Fr. toile = weefsel van linnen , hennep of katoen , afkomstig uit : Lat. tela (tex-la) , texere = weven (Fr. tiser) . E. linen . D. Leinentuch . Ned. linnen . Lat. linum (vlas) . Gr. lineos . Fr. lin .

- shâgab (zich verheffen, machtig zijn) . shâgab (zich verheffen, machtig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : shâgab (zich verheffen, machtig zijn) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , gimel = 3 , beth = 2 ; totaal : 26 OF 305 (5 X 61) . Structuur : 3 - 3 - 2 .
- wënishëgab / wënishëgâb (en hij wordt verheven) < wë + pass. nifal 3de pers. mann. enk. . Tenakh (3) : (1) Js 2,11 . (2) Js 2,17 . (3) Spr 18,10 .


- sâgar (sluiten) . s-g-r . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. sâgar (sluiten) OF (2) act. qal part mann. enk. soger (sluitende) . OF (3) pass. pual perf. 3de pers. mann. enk. suggar (hij wordt gesloten) . Taalgebruik in Tenakh : sâgar (sluiten) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , gimel = 3 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 263 (priemgetal) . Structuur : 6 - 3 - 2 . s-g-r . Tenakh (10) : (1) Gn 19,6 . (2) Ex 14,3 . (3) 1 S 1,5 . (4) 1 S 1,6 . (5) 1 S 26,8 . (6) 2 S 18,28 . (7) 1 K 11,27 . (8) Js 22,22 . (9) Js 24,10 . (10) Job 3,10 .
De tegenpool van (sâgar (sluiten) is pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenakh : pâthach (openen) .
- wajjiphëthach èth rachëmâh (en Hij opende haar schoot) . Tenakh (2) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 30,22 .
Tegenpool : sâgar rachëmâh (Hij sloot haar schoot) . Tenakh (1) : 1 S 1,5 . Zie ook 1 S 1,6 : sâgar ... rachëmâh (Hij sloot ... haar schoot) .


- sjltn (heerschappij) . שָׁלְסָן = sjâlëtân/ sjoltan (heerschappij) . Taalgebruik in Tenakh : sjltn (heerschappij) . Tenakh (3) : (1) Da 4,31 . (2) Da 6,27 . (3) Da 7,14 .

- שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen)

- shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 .

- act. ind. perf. 3de pers. vr. enk. שָׂנְאָה = shânë´âh (zij haat) van het werkw. שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Js 1,14 . (2) Ps 11,5 .

- shënû´âh (niet bemind) = passief qal participium deelwoord vrouwelijk enkelvoud van het werkw. Tenakh (4) : (1) Gn 29,31 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 21,15 . (4) Spr 30,23 .

- מִשֹּׂנְאַי = mishshonë´aj (uit hen die mij haten) < prefix voorzetsel min (assimilatie van de nun in de sh) + werkwoordvorm act. part. stat. constr. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Zie : שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) 2 S 22,41 . (2) Ps 69,15 .

- שֹׂנְאֵינוּ = shonë´e(j)nû (hen die ons haten) < act. part. praes. mann. mv. stat. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. . Zie : שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (1) : Ex 1,10 . NBG Hebreeuws Lc 1,71 .


- sârach (zich uitspreiden) . . sârach (zich uitspreiden) . Taalgebruik in Tenakh : sârach (zich uitspreiden) .

- sappr (safier) . sappîr (safier) . Taalgebruik in Tenakh : sappr (safier) . Getallenwaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . Tenakh (7) .


- שַׂר = shar (vorst, prins)

- shar (vorst) . שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . Tenakh (89) .
- Zelfst. naamw. met oorspronkelijk 3 medeklinkers , waarvan de 2de verdubbeld is en een korte klinker : qall-vorm (Joüon 88Bg) .

- שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . sh-r-j : Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) .
- Zelfst. naamw. met oorspronkelijk 3 medeklinkers , waarvan de 2de verdubbeld is en een korte klinker : qall-vorm (Joüon 88Bg) .

- De vrouwelijke vorm is שָׂרָה = shârâh (vorstin, prinses) .
- De ר = r kan niet verdubbeld worden . Daardoor wordt het eerste lettergreep een open lettergreep en wordt de korte a voor de hoofdklemtoon â (Lettinga 13 i) . Het werd vervolgens een onveranderlijke klinker .

vr. mv.שָׂרוֹת = shârôth (prinsessen, vorstinnen) .
- zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. שָׂרוֹתַי = shârôthaj (mijn vorstinnen) .
- naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. שָׂרוֹתֶיךָ = hârôthè(j)khâ (jouw vorstinnen) , shârôthâ(j)w (jouw vorstinnen) .
- zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. vr. enk. שָׂרוֹתַיִךְ = shârôthajikh (jouw vorstinnen) .
- zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. שָׂרוֹתֵיכֶם = shârôthe(j))khèm (jullie vorstinnen) ,
- prefix voegwoord wë en zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. וְשָׂרוֹתֵיהֶם = wëshârôthe(j)hèm (en jullie vorstinnen) .


- שָׂרָה = shârâh (Sara)

- shârâh (Sara) . שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 (2) : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 .
- וְשָׂרָה = wëshârâh (en Sara) . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 .
- לְשָׂרָה = lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 .
- Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) .

- werkw. שָׂרָה = shârâh (strijden) . Zie שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) of 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . jishërâh (hij streed) . In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met mensen .
- act. qal perfect. 2de pers. mann. enk. shârîthâ (jij streed) . Tenakh (1) Gn 32,29 .

----------------------------------------------------------

- שָׂרַי = Shâraj (Sarai) . Zie : שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 11,31 . (4) Gn 12,5 . (5) Gn 12,11 . (6) Gn 12,17 . (7) Gn 16,2 . (8) Gn 16,3 . (9) Gn 16,5 . (10) Gn 16,6 . (11) Gn 16,8 . (12) Gn 17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sarah plaats) .
- Zie ook : שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. שַׂר = shar (vorst, prins) . Taalgebruik in Tenakh : shar (vorst) . sh-r-j : Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) . Tenakh o.a. Js 10,8 .
- וְשָׂרַי = wëshâraj (en Sarai) : Gn 16,1 .
- LXX . σαρα = Sara . Bijbel (12) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 12,11 . (4) Gn 16,1 . (5) Gn 16,2 . (6) Gn 16,3 . (7) Gn 16,5 . (8) Gn 16,6 . (9) Gn 17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 .
-- gen. vr. enk. σαρας = Saras (van Sara) . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar rechts . Bijbel : (1) Gn 12,17 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 16,8 .
-- acc. vr. enk. σαραν = Saran (Sara) . Bijbel (3) : (1) Gn 11,31 . (2) Gn 12,5 . (3) Gn 16,6 .
- Arabisch : سارة = sârah (Sara) . Taalgebruik in de Qoran : sârah (Sara) .
- Het onderwerp wëshâraj (en Saraj) staat aan het begin van de zin . Hierdoor wordt de klemtoon gelegd op het onderwerp : maar Saraj .


- shâphâh (lip, spraak, tongval) . שָׂפָה = shâphâh (lip, spraak, tongval) . Taalgebruik in Tenakh : shâphâh (lip, spraak, tongval) . Tenakh (9) . (1) Gn 11,1 . wëshâphâh (en de taal) . Slechts in Gn 11,6 . stat. constr. shëphath . Tenakh (38) . Gn (5) . Gn 11 (2) : (1) Gn 11,7 . (2) Gn 11,9 . shëphâthâm (stat. constr. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mv. : hun taal) . Slechts in Gn 11,7 . In Gn 11,1-9 wordt een vorm van shâphâh gebruikt in verband met de éénheid van taal : (1) Gn 11,1 . (2) Gn 11,6 of taalverwarring : (1) Gn 11,7 (2X) . (2) Gn 11,9 . Gr. glôssa . Lat. lingua . Fr. langue . E. tongue . Ned. taal, spraak . D. Sprache .


- שָׂטַם = shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen)

- shtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . שָׂטַם = shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Taalgebruik in Tenakh : shtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , tet = 9 , mem = 13 of 40 ; totaal : 43 OF 349 . Structuur : 3 - 9 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 .

- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּשְׂטֹם = wajjishtom (en hij haatte) van het werkw. שָׂטַם = shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Taalgebruik in Tenakh : shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , tet = 9 , mem = 13 of 40 ; totaal : 43 OF 349 . Structuur : 3 - 9 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1) Gn 27,41 .


- shtn (Satan) . shâtân (Satan) . Taalgebruik in Tenakh : shtn (Satan) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , thet = 9 , nun = 14 of 50 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 359 (priemgetal) . Tenakh (5) : (1) 1 K 5,18 . (2) 1 K 11,14 . (3) 1 K 11,23 . (4) 1 K 11,25 . (5) 1 Kr 21,1 . Gr. satanas (satan) . Taalgebruik in NT : satanas (satan) . 7 letters en getalswaarde : 753 (3 X 251) . Bijbel (17) : (1) Mt 12,26 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Lc 11,18 . (6) Lc 13,16 . (7) Lc 22,3 . (8) Lc 22,31 . (9) Joh 13,27 . (10) Hnd 5,3 . (11) 1 Kor 7,5 . (12) 2 Kor 11,14 . (13) 1 Tes 2,18 . (14) Apk 2,13 . (15) Apk 12,9 . (16) Apk 20,2 . (17) Apk 20,7 . ho satanas (de satan) . Bijbel (15) . Niet in (1) Mc 3,23 . (2) Apk 20,2 . Een vorm van satanas (satan) in de LXX (1) , in het NT (36) , in Lc (5) : (1) Lc 10,18 . (2) Lc 11,18 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 22,31 , in Hnd (2) : (1) Hnd 5,3 . (2) Hnd 26,18 . In de naam satanas kunnen we sa van Saffira , de vrouw van Anania , en ana van Anania herkennen . Gr. satan (1) : 1 K 11,14 . Synoniem : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in de LXX : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . L. diabolus . F. diable . E. devil . D. Teufel . Een vorm van diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) in de LXX (22) , in het NT (37) , in Hnd (2) : (1) Hnd 10,38 . (2) Hnd 13,10 . Arabisch : saitân (Satan) . Taalgebruik in de Qoran : saitân (Satan) .

- sephèr (boek) . sephèr (brief, geschrift, boek) . Taalgebruik in Tenakh : sephèr (boek) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (2² X 5 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . Gr. biblion (document, brief) . Taalgebruik in het NT : biblion (document, brief) . Lat. liber . Fr. livre . Ned. boek . E. book , D. Buch .
- bassëphârîm (in de boeken) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (3) : (1) 1 K 21,9 . (2) 1 K 21,11 . (3) Da 9,2 . LXX . datief mann. mv. bibliois ('in' de boeken) . Bijbel (4) : (1) 1 K 21,9 . (2) 1 K 21,11 . (3) 1 Mak 14,23 . (4) Apk 20,12 . biblois . Slechts 1X in de Bijbel : Da 9,2 .


- sja`ar (poort) .

ûbhësjë`ârè(j)khâ (en in jouw poorten) < prefix voegwoord wë + voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. constr. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk.

- שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren)

- = nisjëba` (hij zwoer) . Tenakh (45) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (6) . Gn (2) : (1) Gn 24,7 . (2) Gn 50,24 . Dt (22) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 4,31 . (4) Dt 6,10 . (5) Dt 6,18 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,12 . (9) Dt 7,13 . (10) Dt 8,1 . (11) Dt 8,18 . (12) Dt 9,5 . (13) Dt 11,9 . (14) Dt 11,21 . (15) Dt 13,18 . (16) Dt 19,8 . (17) Dt 26,3 . (18) Dt 28,9 . (19) Dt 28,11 . (20) Dt 29,12 . (21) Dt 30,20 . (22) Dt 31,7 .-

- sjâbhâ`(zweren) . שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 .

- pass. nifal imperf. 2de pers. mann. enk. תִּשָּׁבֵעַ = thisjsjäbhe`a (jij zult zweren) van het werkw. שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Dt 6,13 . (2) Dt 10,20 .

- nifal perf. 3de pers. mann. enk. nisjëba` (hij zwoer) van het werkw. sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Taalgebruik in Dt : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21X of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Tenakh (45) . Pentateuch (27) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (6) . Gn (2) : (1) Gn 24,7 . (2) Gn 50,24 . Ex (2) : (1) Ex 13,5 . (2) Ex 13,11 . Nu (1) : Nu 14,16 . Dt (22) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 4,31 . (4) Dt 6,10 . (5) Dt 6,18 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,12 . (9) Dt 7,13 . (10) Dt 8,1 . (11) Dt 8,18 . (12) Dt 9,5 . (13) Dt 11,9 . (14) Dt 11,21 . (15) Dt 13,18 . (16) Dt 19,8 . (17) Dt 26,3 . (18) Dt 28,9 . (19) Dt 28,11 . (20) Dt 29,12 . (21) Dt 30,20 . (22) Dt 31,7 . Eerdere Profeten (6) : (1) Joz 5,6 . (2) Joz 21,43 . (3) Joz 21,44 . (4) Re 2,15 . (5) Re 21,1 . (6) 2 S 3,2 .

nisjëba` JHWH ( JHWH zwoer) . Tenakh (21/45 en 21/5193) . Dt (11/22 en 11/413) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 6,18 . (4) Dt 8,1 . (5) Dt 9,5 . (6) Dt 11,9 . (7) Dt 11,21 . (8) Dt 26,3 . (9) Dt 28,11 . (10) Dt 30,20 . (11) Dt 31,7 .
- nisjebë`û (zij zwoeren) . sjâbhâ`(zweren) . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . sjb`: zeven , zweren , vervolledigen / vervullen . Nifal perfectum derde persoon mannelijk meervoud . In zeven verzen in de bijbel . Gn (1) . Verder niet in de Pentateuch . Gn 21,31 .
- ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothekhèm (dat JHWH heeft gezworen aan je vaders) . Tenakh (4) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 8,1 . (3) Dt 11,9 . (4) Dt 11,21 . Met JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon meervoud . ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothâm (die JHWH heeft gezworen aan hun vaders) : Dt 31,7 . ka´äsjèr nisjëba` JHWH lâhèm (zoals JHWH heeft gezworen aan hen) : Dt 2,14 .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothè(j)khâ (dat Hij zwoer aan je vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Ex 13,5 . (2) Dt 6,10 . (3) Dt 7,12 . (4) Dt 7,13 . (5) Dt 8,18 . ka´äsjèr ... (zoals ... ) . In Dt 13,18 . Dt 19,18 . wëka´äsjèr ... (en zoals...) : Dt 29,12 . ka´äsjèr nisjëba` lâkh (zoals Hij je heeft gezworen) : Dt 28,9 .
- ´äsjèr nisjëba` lâhèm (dat Hij heeft gezworen aan jullie) . In twee verzen in de bijbel : (1) Nu 14,16 . (2) Dt 4,31 . Zonder JHWH en persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothenû (dat Hij heeft gezworen aan onze vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord eerste persoon meervoud . In Dt 6,23 . Met JHWH : Dt 26,3 .

- nifal perf. 1ste pers enk נִשְׁבַּעְתִּי = nisjëba`ëthî (ik zweer) van het werkw. שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (26) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4) . Eerdere Profeten (5) : (1) Joz 1,6 . (2) Re 2,1 . (3) 1 S 3,14 . (4) 2 S 19,8 . (5) 1 K 1,30 .
- ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (14) : (1) Gn 26,3 . (2) Gn 33,1 . (3) Nu 14,23 . (4) Nu 32,11 . (5) Dt 1,35 . (6) Dt 10,11 . (7) Dt 31,20 . (8) Dt 31,23 . (9) Dt 34,4 . (10) Joz 1,6 . (11) Re 2,1 . (12) Ps 95,11 . (13) Js 54,9 . (14) Jr 11,5 . hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (7) : (1) Gn 33,1 . (2) Nu 14,23 . (3) Dt 10,11 . (4) Dt 31,23 . (5) Dt 34,4 . (6) Joz 1,6 . (7) Re 2,1 .
- ´èth hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba`ëthî (het land dat ik zwoer) . Tenakh (3) : (1) Nu 14,23 . (2) Dt 10,11 . (3) Joz 1,6 . .

nisjëba` JHWH . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . In eenentwintig verzen in de bijbel . In elf verzen in Dt (Deuteronomium) : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 2,14 . (3) Dt 6,18 . (4) Dt 8,1 . (5) Dt 9,5 . (6) Dt 11,9 . (7) Dt 11,21 . (8) Dt 26,3 . (9) Dt 28,11 . (10) Dt 30,20 . (11) Dt 31,7 .
- nisjebë`û (zij zwoeren) . sjâbhâ`(zweren) . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . sjb`: zeven , zweren , vervolledigen / vervullen . Nifal perfectum derde persoon mannelijk meervoud . In zeven verzen in de bijbel . Gn (1) . Verder niet in de Pentateuch . Gn 21,31 .
- ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothekhèm (dat JHWH heeft gezworen aan je vaders) . Verwijzing : sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 . In vier verzen in de bijbel : (1) Dt 1,8 . (2) Dt 8,1 . (3) Dt 11,9 . (4) Dt 11,21 . Met JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon meervoud . ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothâm (die JHWH heeft gezworen aan hun vaders) : Dt 31,7 .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothekhâ (dat Hij heeft gezworen aan je vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel : (1) Ex 13,5 . (2) Dt 6,10 . (3) Dt 7,12 . (4) Dt 7,13 . (5) Dt 8,18 . ka´äsjèr ... (zoals ... ) . In Dt 13,18 . Dt 19,18 . wëka´äsjèr ... (en zoals...) : Dt 29,12 . ka´äsjèr nisjëba` lâkh (zoals Hij je heeft gezworen) : Dt 28,9 .
- ´äsjèr nisjëba` lâhèm (dat Hij heeft gezworen aan jullie) . In twee verzen in de bijbel : (1) Nu 14,16 . (2) Dt 4,31 . Zonder JHWH en persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud .
- ´äsjèr nisjëba` la´äbhothenû (dat Hij heeft gezworen aan hun vaders) . Zonder JHWH en suffix persoonlijk voornaamwoord eerste persoon meervoud . In Dt 6,23 . Met JHWH : Dt 26,3 .


- שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven)

- sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjbh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , he = 5 ; totaal : 28 of 307 . Structuur : 3 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 .

- act. hifil imperat. 2de pers. vr. enk. שְׁבִי = sjëbhi (neem gevangen) van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) .

- act. hifil imperat. 2de pers. mann. mv. שְׁבוּ = sjëbhû (neemt gevangen) van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) .

- לִשְׁבוּיִם = lisjëbûjim (aan de gevangengenomenen) < prefix voorzetsel lë + pass. part. mann. mv. van het werkw. שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , he = 5 ; totaal : 28 of 307 . Structuur : 3 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (1) : Js 61,1 .


- sjbhu`h (eed) . sjëbhu`âh (eed) . Taalgebruik in Tenakh : sjbhu`h (eed) .

- sbhbh . sbhbh . Taalgebruik in Tenakh : sbhbh . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , beth = 2 ; totaal : 19 OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 6 - 2 - 2 .
- sëbhîbothâj (van mijn omgeving) < vr. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Tenakh (1) : Dt 17,14 .
- sëbhîbhôthe(j)hèm (rondom hen) < vr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. Tenakh (1) : Re 2,12 .

- sjbhar (breken, kwetsen) . = sjâbhar (breken, kwetsen) . Taalgebruik in Tenakh : sjbhar (breken, kwetsen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502

- sjächach (neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . sjächach (neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . Taalgebruik in Tenakh : sjächach (neerzinken, vernederd worden, zich neerbuigen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 ; totaal : 37 OF 316 (2² X 79) . Structuur : 3 - 8 - 8 .
- wësjach (en hij vernedert) < wë + act. qal 3de pers. mann. enk. . Tenakh (3) : (1) Js 2,11 . (2) Js 2,17 . (3) Job 22,29 .


- sjâchâh (neerbuigen) . שָׁחָה = sjâchâh (neerbuigen) (שָׁוַח = sjwach en שָׁחַח = sjchach) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchâh (neerbuigen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , he = 6 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 314 (2 X 157) . Structuur : 3 - 8 - 6 . De som van de elementen is telkens 8 .
- הִשְׁתַּחֲווּ = hisjëthachäwû (zij bogen zich neer, zij aanbaden) : (1) hitpaël perfec. 3de pers. mann. mv. : Tenakh (1) : Jr 8,2 . (2) hitpaël imperatief 2de pers. mann. mv. . Tenakh (4) : (1) Ps 29,2 . (2) Ps 96,9 . (3) Ps 97,7 . (4) 1 Kr 16,29 . Zie werkw.

- לְהִשְׁתַּחֲוֹת = lëhisjëthachäwoth (om zich neer te buigen) > voorzetsel lë + hitpaël inf. stat. construct. van het werkw. שָׁחָה = sjâchâh (neerbuigen) (שָׁוַח = sjâwach en שָׁחַח = sjâchach) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchâh (neerbuigen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , he = 6 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 314 (2 X 157) . Structuur : 3 - 8 - 6 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (14) : (1) Gn 37,10 . (2) Lv 26,1 . (3) 1 S 1,3 . (4) 1 S 2,36 . (5) 2 S 15,5 . (6) 2 K 5,18 . (7) Js 2,20 . (8) Js 66,23 . (9) Jr 7,2 . (10) Jr 26,2 . (11) Ez 46,9 . (12) Zach 14,16 . (13) Zach 14,17 . (14) 2 Kr 20,18 .


- sjachar (morgenrood, dageraad) . שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) . Taalgebruik in Tenakh : sjachar (morgenrood, dageraad) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , het = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 49 (7²) OF 508 (2² X 127) . Structuur : 3 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 .
- הַשָּׁחַר = hasjsjachar (het morgenrood, de dageraad) < prefix bepaald lidw. ha + שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) . Taalgebruik in Tenakh : sjachar (morgenrood, dageraad) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , het = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 49 (7²) OF 508 (2² X 127) . Structuur : 3 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) : (1) Gn 19,15 . (2) Gn 32,25 . (3) Gn 32,27 . (4) Joz 6,15 . (5) Joz 13,19 . (6) Joz 19,25 . (7) 1 S 9,26 . (8) Jon 4,7 . (9) Ps 22,1 . (10) Neh 4,15 .

- sjachaq (wolk) . sjachaq (wolk) . Taalgebruik in Tenakh : sjachaq (wolk) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 408 (2³ X 3 X 17) . Structuur : 3 - 8 - 1 .
- usjchâqîm (en wolken) . Tenakh (2) : (1) Js 45,8 . (2) Spr 3,20 .


- sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâchat (slachten, offeren,vermoorden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , chet = 8 , tet = 9 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 317 . Structuur : 3 - 8 - 9 .
- act. hifil part. mann. mv. masjëchîthîm (moordenaars) . Tenakh (4) : (1) Re 20,42 . (2) Js 1,4 . (3) Jr 6,28 . (4) 2 Kr 27,2 .
- act. qal part. mann. enk. sjôchet (slachtende) . Tenakh (2) : (1) Js 66,3 . (2) Jr 9,7 .


- שַד of שֹׁד = sjad of sjod (borst)

- sjad of sjod (borst) . שַד of שֹׁד = sjad of sjod (borst) . Taalgebruik in Tenakh : sjad of sjod (borst) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , daleth = 4 ; totaal : 25 of 304 (2² X 2²) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 (symbool van overvloed) . dualis : שָׁדַיִם = sjâdajim (2 borsten) .


 

- sjâkhabh (liggen, zich neerleggen) . שָׁכַב = sjâkhabh (liggen, zich neerleggen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhab (liggen, zich neerleggen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , beth = 2 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 313 (spiegelgetal; priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
-- bepaald lidw. ha + qal part. nom. mann. mv. hasjsjokhbîm (die zich neerleggen) van het werkw. sjâbhab (liggen, zich neerleggen) . Getalswaarde : he = 5 , sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , beth = 2 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 377 (13 X 29) . Slechts in Am 6,4 .


- sjâkhach (vergeten) . שָׁכַח = sjâkhach (vergeten) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhach (vergeten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , chet = 8 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41) . Structuur : 3 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 4 .
- wajjisjëkëchû (en zij vergaten) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (3) : (1) Re 3,7 . (2) 1 S 12,9 . (3) Ps 78,11 .


- Arabisch : sakana (wonen) = سكن . sakana (wonen) De eerste betekenis is “wonen” en afgeleid daarvan, als je een woonst hebt, dan ben je tot rust gekomen : vandaar ook “stilliggen, tot rust komen”.
- sakkana (met dubbele k) : ساك. : doen wonen , dus “huisvesten”, maar ook “kalmeren.
- ساكَنَ  (sâkana) : met alif na beginmedeklinker: “samenwonen, samenleven”.
En dan de deelwoorden: een “wonende”, bewoner, inwoner: ساكِن (sâkin), en dit woordje betekent ook “kalm, stil”. “Bewoond” is  مَسْكون (maskûn)
- سُكون   (sukûn) betekent “stilte, kalmte”, een  مُسَكِّن  (musakkan) (met sjadda) is een pijnstiller, tranquillizer”.
Het prefix ma- wijst op plaats: مَسْكَن   (maskan) is dus synoniem van دار   (dar) en    بَيْ ت
- سُكون (sukûn) betekent “stilte, kalmte”, een مُسَكِّن (musakkan) (met sjadda) is een pijnstiller, tranquillizer”. Het prefix ma- wijst op plaats: مَسْكَن (maskan) is dus synoniem van دار (dar) en بَيْ ت  (bajth) .
- Hebr. sjakan (wonen) . .

- hasjëkam babboqèr (ga vroeg in de morgen) . Tenakh (3) : (1) Ex 8,16 . (2) Ex 9,13 . (3) 1 S 29,10 . wëhithëjatstsebh liphëne(j) ´èl parë`oh (en treedt voor het aanschijn van de Farao). Tenakh (2) : (1) Ex 8,16 . (2) Ex 9,13 .


- שָׁכַל = sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden)

- sjkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) . שָׁכַל = sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) . Taalgebruik in Tenakh : sjkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) .

-


- sjâlach (zenden) . שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâlach (hij zond) . (2) act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. sallach (zend) .
- sallach èth `ammî (zend mijn volk) . Tenakh (5) : (1) Ex 5,1 . (2) Ex 7,16 . (3) Ex 7,26 . (4) Ex 9,1 . (5) Ex 9,13 .
- wëlo´ sjillach (en hij liet niet 'vertrekken') . Tenakh (5) : (1) Ex 8,28 . (2) Ex 9,7 . (3) Ex 9,7 . (4) Ex 10,20 . (5) Ex 11,10.
- wëlo´ sjillach ´èth hâ`âm (en hij liet volk niet 'vertrekken') . Tenakh (2) : (1) Ex 8,28 . (2) Ex 9,7 .
- wëlo´ sjillach ´èth bëne(j) jishërâ´el (en hij liet de Israëlieten niet 'vertrekken') . Tenakh (3) : (1) Ex 9,7 . (2) Ex 10,20 . (3) Ex 11,10 .

- שְׁלָחַנִי = sjëlâchanî (hij zendt mij) < werkwoordvorm act. qal perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. van het werkw. שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (40) . Js (3) : (1) Js 36,12 . (2) Js 48,16 . (3) Js 61,1 .


- (1) וַיִּשְׁךַח = wajjisjëlach < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) wajësjallach (en hij zond) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (212) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (128) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (35) . Joz (8) : (1) Joz 2,1 . (2) Joz 2,3 . (3) Joz 7,2 . (4) Joz 7,22 . (5) Joz 10,3 . (6) Joz 11,1 . (7) Joz 24,9 . (8) Joz 24,28 . Re (14) : (1) Re 2,6 . (2) Re 3,18 . (3) Re 3,21 . (4) Re 6,8 . (5) Re 6,21 . (6) Re 9,23 . (7) Re 9,31 . (8) Re 11,12 . (9) Re 11,14 . (10) Re 11,17 . (11) Re 11,19 . (12) Re 11,38 . (13) Re 15,5 . (14) Re 15,15 . 2 K (33) . 2 K 23 (2) : (1) 2 K 23,1 . (2) 2 K 23,16 .
- wajësjallach JHWH (en JHWH zond) . Tenakh (3) :

- sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . Taalgebruik in Tenakh : sjalëmanë´èsèr (Salmanassar) . Tenakh (2) : (1) 2 K 17,3 . (2) 2 K 18,9 .


- sjâlôm (vrede) . שָׁלוֹם = sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Jesaja : sjâlôm (vrede) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 376 (2³ X 47) . Structuur : 3 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (120) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (42) . Pentateuch (11) : (1) Gn 29,6 . (2) Gn 37,14 . (3) Gn 41,16 . (4) Gn 43,23 . (5) Gn 43,28 . (6) Lv 26,6 . (7) Nu 6,26 . (8) Nu 25,12 . (9) Dt 2,26 . (10) Dt 20,11 . (11) Dt 29,18 . Js (19) : (1) Js 9,5 . (2) Js 26,3 . (3) Js 26,12 . (4) Js 27,5 . (5) Js 32,17 . (6) Js 32,18 . (7) Js 33,7 . (8) Js 39,8 . (9) Js 41,3 . (10) Js 45,7 . (11) Js 48,22 . (12) Js 52,7 . (13) Js 54,13 . (14) Js 57,2 . (15) Js 57,19 . (16) Js 57,21 . (17) Js 59,8 . (18) Js 60,17 . (19) Js 66,12 . bisjâlôm (in vrede) . Tenakh (34) . lësjâlôm (tot vrede) . Tenakh (28) . Js (1) Js 38,17 . misjsjâlôm (vrede) . Tenakh (1) . wësjâlôm (in vrede) . Tenakh (9) .
- Gr. eirènè (vrede) . Taalgebruik in de LXX : eirènè (vrede) . Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede) . Lat. pax . Fr. paix . E. peace . Ned. vrede . D. Friede . Een vorm van eirènè (vrede) in de LXX (294) , in het NT (91) .

- ειρηνη ὑμιν = eirènè humin (vrede aan jullie) . NT (5) : (1) Lc 24,36 . (2) Joh 20,19 . (3) Joh 20,21 . (4) Joh 20,21 . (5) 1 Pe 5,14 .
- Hebreeuws . לָכֶמ שָׁלוֹם = sjâlôm lâkhèm (vrede zij jullie) . Tenakh (1) : Gn 43,23 .
- שָׁלוֹם לָךָ = lëkhâ sjâlôm (aan jou vrede) . Tenakh (2) : (1) Nu 6,26 . (2) 1 S 25,6 .
- לָךָ שָׁלוֹם = sjâlôm lëkhâ (vrede aan jou) . Tenakh (3) : (1) Re 6,23 . (2) 1 S 20,21 . (3) 1 Kr 12,19 .

- בְשָׁלוֹם = bësjâlôm (in vrede) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. שָׁלוֹם = sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlôm (vrede) . Taalgebruik in Jesaja : sjâlôm (vrede) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 376 (2³ X 47) . Structuur : 3 - 3 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (23) : (1) Gn 15,15 . (2) Gn 26,29 . (3) Gn 26,31 . (4) Joz 10,21 . (5) Re 11,13 . (6) 1 S 29,7 . (7) 2 S 3,21 . (8) 2 S 3,22 . (9) 2 S 3,23 . (10) 2 S 15,9 . (11) 2 S 15,27 . (12) 2 S 19,31 . (13) 1 K 22,17 . (14) 1 K 22,28 . (15) 2 K 22,20 . (16) Jr 34,5 . (17) Jr 43,12 . (18) Mal 2,6 . (19) Ps 4,9 . (20) 2 Kr 18,16 . (21) 2 Kr 18,27 . (22) 2 Kr 19,1 . (23) 2 Kr 34,28 .


- שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie)

- sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjlosj / sjlsj / sjlosj (drie) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 .
- = hasjsjëlîsjî (de derde) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (10) . Gn (7) : (1) Gn 2,14 . (2) Gn 22,4 . (3) Gn 31,22 . (4) Gn 32,20 . (5) Gn 34,25 . (6) Gn 40,20 . (7) Gn 42,18 .

- mann. mv. שְׁלֹשִׁים = sjëlosjîm (dertig) . Zie : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (111) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (32) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (25) . Gn (12) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 5,16 . (3) Gn 11,14 . (4) Gn 11,17 . (5) Gn 11,18 . (6) Gn 11,22 . (7) Gn 18,30 . (8) Gn 32,16 . (9) Gn 41,46 . (10) Gn 46,15 . (11) Gn 47,9 . (12) Gn 50,23 . Ex (7) : (1) Ex 12,40 . (2) Ex 12,41 . (3) Ex 20,5 . (4) Ex 21,32 . (5) Ex 26,8 . (6) Ex 34,7 . (7) Ex 36,15 .

- prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. mv. וּשְׁלֹשִׁים = ûsjëlosjîm (dertig) . Zie : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 .

- שְׁלֹשִׁים שָׁנָה = sjëlosjîm sjânâh (dertig jaar) . Tenakh (17) : (1) Gn 5,16 . (2) Gn 11,14 . (3) Gn 11,17 . (4) Gn 11,18 . (5) Gn 11,22 . (6) Gn 41,46 . (7) Ex 12,40 . (8) Ex 12,41 . (9) Nu 4,3 . (10) Nu 4,23 . (11) Nu 4,30 . (12) Nu 4,35 . (13) Nu 4,39 . (14) Nu 4,43 . (15) Nu 4,47 . (16) 2 S 5,4 . (17) 1 Kr 23,3 .

- sjëlosjîm wësjâlosj (33) . Tenakh (3) : (1) Gn 46,15 . (2) 2 S 5,5 . (3) 1 K 2,11 .
- sjëlosjîm ûmë´ath (30 + 100 = 130) . Tenakh (2) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 47,9 .


- שָׁכַן = sjâkhan (wonen)

- sjâkhan (wonen) . שָׁכַן = sjâkhan (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâkhan (wonen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 46 of 370 . De som van de elementen is telkens 1 . sj - k - n . Tenakh (22) : (1) Gn 14,13 . (2) Gn 26,2 . (3) Ex 40,35 . (4) Nu 5,3 . (5) Nu 24,2 . (6) Nu 35,34 . (7) Dt 33,12 . (8) Dt 33,20 . (9) Joz 22,19 . (10) Re 5,17 . (11) Js 33,5 . (12) Js 33,24 . (13) Js 57,15 . (14) Jr 6,21 . (15) Hos 10,5 . (16) Jl 4,17 . (17) Jl 4,21 . (18) Ps37,3 . (19) Ps 78,60 . (20) Ps 135,21 . (21) Spr 27,10 . (22) Ezr 6,12 . Vaak komt het act. qal participium mann. enk. sjokhen (wonend) voor . In de LXX wordt het vaak vertaald door . Katoikôn (nederzettend -> nederzetting / neerzetten) is vaak ook de vertaling van josjebh (wonend, zetelend) .

sjâkhan (wonen) . Verwijzing : sjâkhan (wonen) , zie Ex 40,35 . sj - k - n . Tenakh (22) : (1) Gn 14,13 . (2) Gn 26,2 . (3) Ex 40,35 . (4) Nu 5,3 . (5) Nu 24,2 . (6) Nu 35,34 . (7) Dt 33,12 . (8) Dt 33,20 . (9) Joz 22,19 . (10) Re 5,17 . (11) Js 33,5 . (12) Js 33,24 . (13) Js 57,15 . (14) Jr 6,21 . (15) Hos 10,5 . (16) Jl 4,17 . (17) Jl 4,21 . (18) Ps37,3 . (19) Ps 78,60 . (20) Ps 135,21 . (21) Spr 27,10 . (22) Ezr 6,12 . Vaak komt het qal participium perfectum sjokhen (wonend) voor . In de LXX wordt het vaak vertaald door . Katoikôn (nederzettend -> nederzetting / neerzetten) is vaak ook de vertaling van josjebh (wonend, zetelend) .
--- hammisjëkân (woning, tent) . Verwijzing : sjâkhan (wonen) , zie Ex 40,35 . sj - k - n . Bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord misjëkân . In zeventig verzen in de bijbel . In negenenzestig verzen in de Pentateuch . In drieënveertig verzen in Ex . In elf verzen in Ex 40 . In vier verzen in Ex 40,34-38 : (1) Ex 40,34 . (2) Ex 40,35 . (3) Ex 40,36 . (4) Ex 40,38 . ´ohèl mô`ed = de tent van de samenkomst komt voor in 1) Ex 40,34 . (2) Ex 40,35 . Samen : zeven .
- ´èth hammisjëkân (woning, tent) . Lijdend voorwerp . In vijftien verzen in de bijbel .
- episkiazô (een schaduw werpen op, overschaduwen) .
--- LXX : epeskiazen (overschaduwde) . Actief imperfectum derde persoon enkelvoud van het werkwoord episkiazô (over-schaduw-en) . Deze vorm komt slechts tweemaal voor : (1) Ex 40,35 . (2) Lc 9,34 .
--- Mc 9,7 : kai egeneto nefelè episkiazousa autois (en er was een wolk die overschaduwde hen) . episkiazousa (overschauwend) . Participium praesens nominatief vrouwelijk enkelvoud . Hapax . Gezegde bij egeneto...
--- Mt 17,5 : idou nefelè epeskiasen autous (zie een wolk overschaduwde hen) . Qal aorist derde persoon enkelvoud . Hapax .
--- Lc 1,35 : episkiasei (zal overschaduwen) . Qal futurum derde persoon enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Ps 91,4 . (2) Lc 1,35 .
- skia (schaduw) . In vierendertig verzen in de bijbel . In negenentwintig verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. .


- שָׂם = shâm (plaatsen, stellen) 

- shâm (plaatsen, stellen) . שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. act. qal perf. 3de pers. mann. enk.

- prefix waw consecutivum + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיָּשֶׂם = wajjâshèm (en hij plaatste) van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (87) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) . Gn (14) : (1) Gn 2,8 . (2) Gn 4,15 . (3) Gn 22,6 . (4) Gn 22,9 . (5) Gn 24,9 . (6) Gn 28,11 . (7) Gn 28,18 . (8) Gn 30,36 . (9) Gn 31,21 . (10) Gn 33,2 . (11) Gn 37,34 . (12) Gn 41,42 . (13) Gn 47,26 . (14) Gn 48,20 . Ex (13) : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 . 1 S 1 (7) : (1) 1 S 7,12 . (2) 1 S 8,1 . (3) 1 S 9,24 . (4) 1 S 11,11 . (5) 1 S 17,40 . (6) 1 S 19,5 . (7) 1 S 21,13 .

- וַשָׂמוּ = washâmû (en zij stellen) < prefix wa + qal perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 .

- וְשַׂמְתֶּם = wësamëthèm (en jullie zullen stellen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal perf. 2de pers. mann. mv. van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (4) : (1) Ex 3,22 . (2) Dt 11,18 . (3) Dt 31,26 . (4) Joz 6,18 .

- wajjâshèm ´èth (21) : (1) Gn 31,21 . (2) Gn 33,2 . (3) Gn 48,20 .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jâshîm (hij stelde) van het werkw. . Tenakh (22) . Js (3) : (1) Js 42,4 . (2) Js 42,25 . (3) Js 62,7 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 40,18 . (6) Ex 40,19 . (7) Ex 40,20 . (8) Ex 40,24 . (9) Ex 40,26 . (10) Ex 40,28 . (11) Ex 40,30 . (12) Lv 8,9 . (13) Re 1,21 . (14) Re 8,31 . (15) 1 S 8,1 . (16) 1 S 19,5 . (17) 1 K 12,29 . (18) 2 K 4,31 . (19) 2 K 21,7 . (20) 2 Kr 33,7 . (21) Est 3,1 .

shâm (plaatsen, stellen)  Tenakh Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. grote prof. hagiografen
qal imperf. 3de p. enk. wajjâshèm   87  33  36  2 14 

shâm (plaatsen, stellen)  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Joz   Re   1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Est  Job  Ps  Js  Da  Hab  Sef 
qal imperf. 3de p. mann. enk. wajjâshèm  87  14 13  2

In dertien verzen in Ex : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. thâshîm (jij stelt aan) van het werkw. Tenakh (13) : (1) Gn 6,16 . (2) Gn 44,2 . (3) Ex 21,1 . (4) Dt 17,15 . (5) Dt 22,8 . (6) 1 S 10,19 . (7) 1 K 20,34 . (8) Js 41,15 . (9) Js 53,10 . (10) Ez 21,25 . (11) Ez 24,17 . (12) Job 7,12 . (13) Job 38,33 .
- act. qal cohortat. 1ste pers. enk. (laat ik aanstellen; ik stel aan) van het werkw. Tenakh (1) : Dt 17,14 .
- act. qal inf. absol. shôm OF act. qal inf. construct. shûm (om aan te stellen) van het werkw. shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . Tenakh (4) : (1) Dt 17,15 . (2) 2 S 14,7 . (3) Jr 42,15 . (4) Hag 2,15 .

- שָׁם = sjâm (daar) . Zie het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . s-m : Tenakh (1424) .


- שָׂמַח = shâmach (zich verheugen)

- shâmach (zich verheugen) . שָׂמַח = shâmach (zich verheugen) . Taalgebruik in Tenakh : shâmach (zich verheugen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , chet = 8 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 248 (2² X 3 X 29) . Structuur : 3 - 4 - 8 . De som van de elementen is telkens 6 .

- וַיִּשְׂמַח = wajjishëmach (en hij verheugde zich) < prefix waw consecutivum + act. qal juqtol (imperfectum) 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׂמַח = shâmach (zich verheugen) . Taalgebruik in Tenakh : shâmach (zich verheugen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , chet = 8 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 348 (2² X 3 X 29) . Structuur : 3 - 4 - 8 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (10) . In 4 verzen is het vertaald in de LXX in εχαρη = echarè (en hij verheugde zich) : (1) 1 K 5,21 . (2) 2 K 11,20 . (3) Js 39,2 . (4) Jon 4,6 .
-
- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. shimëchî (verheug je) . Tenakh (1) : Sef 3,14 . ûshëmâchî / wëshimëchî (en verheug je) . Tenakh (3) : (1) Jl 2,21 . (2) Zach 2,14 . (3) Kl 4,21 .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. shimëchû (verheugt jullie) . Tenakh (4) : (1) Re 9,19 . (2) Js 66,10 . (3) Ps 32,11 . (4) Ps 97,12 . wëshimëchû (en verheugt jullie) . Tenakh (1) : Jl 2,23 .


- wajjäshèm (en hij plaatste) . Verwijzing : shâm (plaatsen, stellen) , zie Ex 2,14 . Qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In zevenentachtig verzen in de bijbel . In dertien verzen in Ex : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 .


- sjâm (daar) OF sjem


- שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen)

-sjâmajim (hemelen) . שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Taalgebruik in Jesaja : sjamaîm (hemelen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (92) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (49) .
- Grieks : ouranos (hemel) . Taalgebruik in de Septuaginta : ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Een vorm van ouranos (hemel) in de LXX (682) , in het NT (272) .
- Lat. coelum . Fr. ciel . Ned. hemel . D. Himmel . E. heaven . Arabisch : سَمَاة = samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Koran : samâ´ (hemel) .
- הַּשָׁמַיִם / הַּשָׁמָיִם = hasjsjâmajim / hasjsjâmâjim (de hemelen) < bepaald lidw. ha + שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . . Tenakh (223) . Pentateuch (69) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (41) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (63) . Gn (32) . Gn 1-11 (21) : (1) Gn 1,1 . (2) Gn 1,9 . (3) Gn 1,14 . (4) Gn 1,15 . (5) Gn 1,17 . (6) Gn 1,20 . (7) Gn 1,26 . (8) Gn 1,28 . (9) Gn 1,30 . (10) Gn 2,1 . (11) Gn 2,4 . (12) Gn 2,19 . (13) Gn 2,20 . (14) Gn 6,7 . (15) Gn 6,17 . (16) Gn 7,3 . (17) Gn 7,11 . (18) Gn 7,19 . (19) Gn 7,23 . (20) Gn 8,2 . (21) Gn 9,2 . 2 K (12) : (1) 2 K 1,10 . (2) 2 K 1,12 . (3) 2 K 1,14 . (4) 2 K 2,1 . (5) 2 K 2,11 . (6) 2 K 14,27 . (7) 2 K 17,16 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 K 21,3 . (10) 2 K 21,5 . (11) 2 K 23,4 . (12) 2 K 23,5 . Ps (15) : (1) Ps 8,2 . (2) Ps 19,2 . (3) Ps 19,7 . (4) Ps 50,4 . (5) Ps 57,6 . (6) Ps 79,2 . (7) Ps 96,11 . (8) Ps 97,6 . (9) Ps 104,12 . (10) Ps 113,4 . (11) Ps 115,16 . (12) Ps 136,5 . (13) Ps 136,26 . (14) Ps 148,1 . (15) Ps 148,4 .
- הַשָּׁמַיִמָה = hasjsjâmajëmâh (naar de hemel) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. stat. constr. mann. mv. + hâ van richting . Zie : Tenakh (11) : (1) Gn 15,5 . (2) Gn 28,12 . (3) Ex 9,8 . (4) Ex 9,10 . (5) Dt 4,19 . (6) Dt 30,12 . (7) Joz 8,20 . (8) Re 13,20 . (9) Re 20,40 . (10) Job 2,12 . (11) 2 Kr 6,13 .

- בַּשָּׁמַיִם = basjsjâmajim (in de hemelen) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. mann. mv. שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) . Taalgebruik in Jesaja : sjamaîm (hemelen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26) . Structuur : 3 - 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 3 .
- Tenakh (24) . Ex (1) : Ex 20,4 . Dt (3) : (1) Dt 3,24 . (2) Dt 4,39 . (3) Dt 5,8 .

Tenakh (48) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (24) . Ps (12) : (1) Ps 2,4 . (2) Ps 11,4 . (3) Ps 18,14 . (4) Ps 73,9 . (5) Ps 73,25 . (6) Ps 78,26 . (7) Ps 103,19 . (8) Ps 113,6 . (9) Ps 115,3 . (10) Ps 119,89 . (11) Ps 123,1 . (12) Ps 135,6 .
- basjsjâmajim ûbhâ´ârèts (in de hemelen en op de aarde) . Tenakh (6) : (1) Dt 3,24 . (2) 1 Kr 29,11 . (3) 2 Kr 6,14 . (4) Ps 113,6 . (5) Ps 135,6 . (6) Jl 3,3 .
-- ´èth hasjsjâmajim (de hemelen) . Tenakh (15) : (1) Ex 20,11 . (2) Ex 31,17 . (3) Dt 4,26 . (4) Dt 11,17 . (5) Dt 28,12 . (6) Dt 30,19 . (7) Dt 31,28 . (8) 2 K 19,15 . (9) 2 Kr 2,11 . (10) Neh 9,6 . (11) Js 37,16 . (12) Jr 23,24 . (13) Jr 32,17 . (14) Hag 2,6 . (15) Hag 2,21 .
-- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim (U hebt de hemelen gemaakt) . Tenakh (4) : (1) 2 K 19,15 . (2) Neh 9,6 . (3) Js 37,16 . (4) Jr 32,17 .
-- `âshîthâ ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts (U hebt de hemelen en de aarde gemaakt) . Tenakh (3) : (1) 2 K 19,15 . (2) Js 37,16 . (3) Jr 32,17 .
- sjâmajim wë´èrèts (hemel en aarde) . Tenakh (11) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 . (3) Ps 69,35 . (4) Ps 115,15 . (5) Ps 121,2 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 134,3 . (8) Ps 146,6 . (9) Jr 33,25 . (10) Jr 51,48 . (11) Jl 4,16 .
-- `osheh sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (makende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) . Tenakh (5) : (1) Ps 115,15 . (2) Ps 121,2 . (3) Ps 124,8 . (4) Ps 134,3 . (5) Ps 146,6 .
-- qoneh sjâmajim wë´èrèts (scheppende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft geschapen) . Tenakh (2) : (1) Gn 14,19 . (2) Gn 14,22 .
- Vaak komt een imperat. mv. met sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) :
- Js 1,2 : sjimë`û sjâmajim (luistert , hemelen) .
- Js 44,23 : rânnû sjâmajim (juicht , hemelen) .
- Js 45,8 : harë`îphû sjâmajim (dauwt , hemelen) .
- Js 49,13 : rânnû sjâmajim (juicht , hemelen) .


- שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren)

wajjisjëma` (en hij hoorde) . Nevenschikkend voegwoord waw + werkwoordvorm actief qal imperfectum derde persoon enkelvoud . LXX : akousas (gehoord , geluisterd , vernomen) . Verwijzing : akouô (horen, luisteren) , zie Mt 4,12 .
- sjâm`â (horen, luisteren) . שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Dt : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Amos : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Micha : sjâm`â (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Gr. akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Lat. audire . Ned. horen . E. to hear . D. höhren . Een vorm van akouô (horen) in het NT (427) , in de LXX (1069) . Horen veronderstelt een lijdend voorwerp . Horen kan verwijzen naar iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin . sj-m-` . Tenakh (169) . Pentateuch (42) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (55) . Gn (14) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,12 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 24,52 . (5) Gn 26,5 . (6) Gn 27,8 . (7) Gn 27,13 . (8) Gn 27,43 . (9) Gn 29,13 . (10) Gn 29,33 . (11) Gn 30,6 . (12) Gn 34,5 . (13) Gn 39,10 . (14) Gn 42,23 . kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (11) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .

- כִּי שָׁמַע = kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (13) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .

- יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH (JHWH hoorde / luisterde naar) . Tenakh (8) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 1,45 . (4) 2 K 19,4 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 6,10 . (7) Ps 78,21 . (8) Js 37,4 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma` ´èlohîm (God hoorde / luisterde) . Tenakh (3) : (1) : Gn 21,17 . (2) Ps 68,19 . (3) Ps 78,59 .

- כִּי שָׁמַע יהוה = kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,11 (bij de naamgeving van Ismaël) . (2) Gn 29,33 (bij de naamgeving van Simeon door Lea) . (3) Ps 6,9 .

- כִּי שָׁמַע אֱלֹהִים = kî sjâma ´èlohîm (want God hoorde) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .

- act. part. nom. mann. enk. שֹׁמֵעַ = sjome`a (luisterend) van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luister Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (30) .

- act. hifil imperatief 2de pers. mann. mv. hasjëmî`û (doet horen) . Tenakh (10) : (1) Js 48,20 . (2) Jr 4,5 . (3) Jr 4,16 . (4) Jr 31,7 . (5) Jr 48,4 . (6) Jr 50,2 . (7) Jr 50,29 . (8) Jr 51,27 . (9) Am 3,9 . (10) Am 4,5 .
- act. qal imperatief 2de pers. mann. enk. sjëma` (luister) . Tenakh (169) . Am (1) Am 7,16 .
-- sjëma` debhar JHWH (hoor het woord van JHWH) . Tenakh (7) : (1) 1 K 22,19 . (2) 2 K 20,16 . (3) Js 39,5 . (4) Jr 22,2 . (5) Jr 34,4 . (6) Ez 21,3 . (7) Am 7,16 .
- (1) שִׁמְעוּ = sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. OF (2) שָׁמְעוּ = sjâmë`û (zij horen) : act. qal perf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Tenakh (163) . Pentateuch (17) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (76) . 12 Kleine Profeten (18) . Geschriften (28) . Niet in Dt .
-- sjimë`û debhar JHWH (hoort het woord van JHWH) . Tenakh (12) : (1) 2 Kr 18,18 . (2) Js 1,10 . (3) Js 28,14 . (4) Jr 2,4 . (5) Jr 7,2 . (6) Jr 17,20 . (7) Jr 19,3 . (8) Jr 29,20 . (9) Jr 31,10 . (10) Jr 42,15 . (11) Jr 44,26 . (12) Hos 4,1 .
-- sjimë`û (hoort, luistert naar) ´èth haddâbhâr (het woord) . Tenakh (4) : (1) Jr 10,1 . (2) Am 3,1 . (3) Am 4,1 . (4) Am 5,1 .
-- sjimë`û (hoort, luistert naar) ´èth haddâbhâr hazzèh (dit woord) . Tenakh (3) : (1) Am 3,1 . (2) Am 4,1 .(3) Am 5,1 . Hiermee worden de drie pericopen van het tweede deel (Am 3-6) van Amos ingeleid .

--- sjimë`û (hoort, luistert) zo´th (dit) . Tenakh (8) : (1) Ps 49,2 . (2) Js 48,1 . (3) Js 48,16 . (4) Jr 5,21 . (5) Hos 5,1 . (6) Jl 1,2 . (7) Am 8,4 . (8) Mi 3,9 .
--- sj-m-` . Tenakh (169) . Gn : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,12 (imperatief) . (3) Gn 21,17 . sjâm`â (luisteren, horen) . Verwijzing : sjâm`â (horen, luisteren) , zie Ex 2,15 . In 169 verzen in de bijbel . In 14 verzen in Dt . ´e(j)nènnî sjome`a (ik ben niet luisterende = ik luister niet) . Tenakh (4) : (1) Js 1,15 . (2) Jr 7,16 . (3) Jr 11,14 . (4) Jr 14,12 .
- verbindingswoord wë + werkwoordvorm sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. OF sjâmë`û : act. qal perf. 3de pers. mann. mv. wësjimë`û OF wësjâmë`û / wasjâmë`û . Tenakh (13) : (1) Gn 49,2 . (2) Ex 3,18 . (3) Nu 14,13 . (4) Joz 3,9 . (5) Js 28,23 . (6) Js 29,18 . (7) Js 48,14 . (8) Jr 26,13 . (9) Ez 33,30 . (10) Ez 33,31 . (11) Ez 33,32 . (12) Ps 141,6 . (13) Est 9,4 .
- sjëmâ (luister, hoor) . act. qal imperatief 2de persoon mann. enkelvoud : (1) Dt 4,1 . (2) Dt 5,1 . (3) Dt 6,4 . (4) Dt 9,1 . (5) Dt 20,3 . (6) Dt 33,7 .
- wëlo´ sjâma` ´älehèm (en hij luisterde niet naar hen) . Tenakh (5) : (1) Ex 7,13 . (2) Ex 7,22 . (3) Ex 8,11 . (4) Ex 8,15 . (5) Ex 9,12 .

- act. qal inf. absolut. שָׁמֹעַ = sjâmo`a (te luisteren) . Zie : שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 .

lisjëmo`a (om te horen / luisteren) < lë + act. qal inf. van het werkw. Tenakh (44) . Js (2) : (1) Js 34,1 . (2) Js 50,4 .


- act. hifil imperatief 2de pers. mv. hasjëmî`û (doet horen) . Tenakh (10) : (1) Js 48,20 . (2) Jr 4,5 . (3) Jr 4,16 . (4) Jr 31,7 . (5) Jr 48,4 . (6) Jr 50,2 . (7) Jr 50,29 . (8) Jr 51,27 . (9) Am 3,9 . (10) Am 4,5 .

--- וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` (en hij hoorde) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (90) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (12) . Gn (11) : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 23,16 . (5) Gn 28,7 . (6) Gn 30,17 . (7) Gn 30,22 . (8) Gn 31,1 . (9) Gn 35,22 . (10) Gn 37,21 . (11) Gn 45,2 . Ex (6) : (1) Ex 2,15 . (2) Ex 2,24 . (3) Ex 18,1 . (4) Ex 18,24 . (5) Ex 32,17 . (6) Ex 33,4 . Lv (1) : Lv 10,20 . Nu (10) . Dt (5) : (1) Dt 1,34 . (2) Dt 5,28 . (3) Dt 9,19 . (4) Dt 10,10 . (5) Dt 26,7 . De constructie wajjisjëma` Parë`oh komt slechts éénmaal voor .
-- וַיִּשְׁמַע אַבְרָם = wajjisjëma` ábhërâm (en Abram hoorde) . In twee verzen in de bijbel : (1) Gn 14,14 . (2) Gn 16,2 .
--וַיִּשְׁמַע אַבְהָרָם = wajjisjëma` ábhërâhâm (en Abraham hoorde) . In één vers in de bijbel : Gn 23,16 .

- שָׁמַע כִּי = kî sjâma` (want hij luisterde) . Tenakh (13) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 21,17 . (3) Gn 29,33 . (4) Ex 16,9 . (5) 2 S 19,3 . (6) 1 K 5,15 . (7) 1 K 12,16 . (8) 2 K 19,8 . (9) 2 K 20,12 . (10) 2 Kr 10,16 . (11) Ps 6,9 . (12) Ps 28,6 . (13) Js 37,8 .

- יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH (JHWH hoorde / luisterde naar) . Tenakh (8) : (1) Gn 16,11 . (2) Gn 29,33 . (3) Dt 1,45 . (4) 2 K 19,4 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 6,10 . (7) Ps 78,21 . (8) Js 37,4 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma` ´èlohîm (God hoorde / luisterde) . Tenakh (3) : (1) : Gn 21,17 . (2) Ps 68,19 . (3) Ps 78,59 .
- יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH (en JHWH hoorde) . Tenakh (10) : (1) Nu 11,1 . (2) Nu 12,2 . (3) Nu 21,3 . (4) Dt 1,34 . (5) Dt 5,28 . (6) Dt 9,19 . (7) Dt 10,10 . (8) Dt 26,7 . (9) 1 K 17,22 . (10) 2 Kr 30,20 .
- אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm (en God hoorde) . Tenakh (3) :
(1) Gn 21,17 (en God luisterde naar - de stem van de zoon van Hagar -) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος = eisèkousen de ho theos (God echter luisterde naar) .
(2) Gn 30,17 (לֵאָה אֶל ... = ´èl Le´âh = En God luisterde naar Lea) . LXX : και επηκουσεν ὁ θεος λειας = kai epèkousen ho theos Leias (en God luisterde naar Lea)
(3) Ex 2,24 (נָאֲקָתָם אֶת ... = ´èth na´äqâthâm = en God luisterde naar het weeklagen - van de Hebreeën) . LXX : και εισηκουσεν ὁ θεος τον στεναγμον αυτων = kai eisèkousen ho theos ton stenagmon autôn (en God luisterde naar hun geweeklaag) .
Zie ook Gn 30,22 (אֱלֹהִים אֵלֶהָ וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´elêhâ ´èlohîm = en God luisterde naar haar / Rachel) . LXX : και επηκουσεν αυτης ὁ θεος = kai epèkousen autès ho theos .
God luisterde naar wie in een benarde en uitzichtloze situatie was gekomen . Hij luisterde naar Hagar , Lea , Rachel , de Hebreeën . LXX : Is de Hebreeuwse bepaling bij het werkwoord אֶת = ´èth , dan is de LXX εισηκουσεν = eisèkousen , is de Hebreeuwse bepaling אֶל = ´èl , dan is de LXX επηκουσεν = epèkousen .

- יהוה שָׁמַע כִּי = kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,11 (bij de naamgeving van Ismaël) . (2) Gn 29,33 (bij de naamgeving van Simeon door Lea) . (3) Ps 6,9 .
- אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm (want God hoorde) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .

- אֶל יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH ´èl (JHWH luisterde naar) . Tenakh (1) : Gn 16,11 .
-
- אֶל שָׁמַע = sjâma` ´èl (hij luisterde naar) . Tenakh (1) : 2 Kr 35,22 .
- אֵת שָׁמַע = ´eth sjâma` ´èth (hij hoorde de) . Tenakh (2) : (1) Ex 16,9 . (2) 2 S 13,21 .
- אֶל אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm ´èl (en God hoorde naar) . Tenakh (1) : Gn 30,17 .
- אֶל וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èl (en hoorde naar) . Tenakh (1) : 2 K 19,9 .
- אֶת אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm ´èth (en God hoorde de) . Tenakh (2) : (1) Gn 21,17 . (2) Ex 2,24 .
- אֶת וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` `èth (en hij hoorde de) . Tenakh (2) : (1) Gn 31,1 . (2) Nu 7,59 .

- קֹלֵנוּ אֵת = ´èth qolenû (onze stem) . Tenakh (1) : Dt 26,7 .

- קוֹל יהוה שָׁמַע = sjâma` JHWH qôl (JHWH hoorde de stem van) . Tenakh (1) : Ps 6,9 .
- קוֹל אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע = sjâma ´èlohîm ´èl qôl (God hoorde naar de stem van) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .
- קוֹל אֵת יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH ´èth qôl (en JHWH hoorde het geroep / de stem) . Tenakh (2) : (1) Dt 1,34 . (2) Dt 5,28 .
- קֹלֵנוּ אֵת יהוה וַיִּשְׁמַע

=
- אֵלַי יהוה וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` JHWH ´elaj (en JHWH luisterde naar mij) . Tenakh (2) : (1) Dt 9,19 . (2) Dt 10,10 .
-
- קוֹל אֶת אֱלֹהִים וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` ´èlohîm ´èth qôl (en God hoorde de stem van) . Tenakh (2) : (1) Gn 21,17 . (2) Ex 2,24 .

- עָנְיֵך אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm ´èl `ânëjekh (want God hoorde naar jouw vernedering) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .
- קוֹל אֶל אֱלֹהִים שָׁמַע כִּי = kî sjâma ´èlohîm ´èl qôl (want God hoorde naar de stem van) . Tenakh (1) : Gn 21,17 .
- קוֹל יהוה שָׁמַע כִּי = kî sjâma` JHWH qôl (want JHWH hoorde de stem van) . Tenakh (1) : Ps 6,9

--- -- wajjisjëma` mosjèh (en Mozes hoorde) . In vier verzen in de bijbel :(1) Ex 18,4 . (2) Lev 10,20 . (3) Nu 11, 10 . (4) Nu 16,4 .

- = jisjëmë`û (zij zullen horen / luisteren) : act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. of act.

- sjimë`û (hoort, luistert) : act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (163) . Js (23) . Js 1-39 (7) : (1) Js 1,2 . (2) Js 1,10 . (3) Js 6,9 . (4) Js 7,13 . (5) Js 28,14 . (6) Js 33,13 . (7) Js 36,13 .
-- sjimë`û debhar JHWH (hoort het woord van JHWH) . Tenakh (12) : (1) 2 Kr 18,18 . (2) Js 1,10 . (3) Js 28,14 . (4) Jr 2,4 . (5) Jr 7,2 . (6) Jr 17,20 . (7) Jr 19,3 . (8) Jr 29,20 . (9) Jr 31,10 . (10) Jr 42,15 . (11) Jr 44,26 . (12) Hos 4,1 .
- act. qal perf. 1ste pers. mv. sjâma`ënû (wij luisterden) . Tenakh (25) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (5) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (8) . Eerdere Profeten (5) : (1) Joz 1,17 . (2) Joz 2,10 . (3) Joz 9,9 . (4) 2 S 7,22 . (5) 1 K 20,31 .
- ´äsjèr (wat wij hoorden) . Tenakh (4) : (1) Joz 1,17 . (2) 2 S 7,22 . (3) 1 Kr 17,20 . (4) Ps 78,3 .
- këkol ´äsjèr (in alles wat wij hoorden) . Tenakh (4) : (1) Joz 1,17 . (2) 2 S 7,22 . (3) 1 Kr 17,20 .
- act. hifil 3de pers. mann. enk. jasjëmî`a (jij zal doen horen) van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js 42,2 . (2) Ps 106,2 .
- act. hifil 1ste pers. enk. ´asjëmî`a (ik zal doen horen) van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js 42,2 . (2) Ez 36,15 .
- kisjëmo`a (bij het horen) . Tenakh (31) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (3) . Eerdere Profeten (22) : (1) Joz 5,1 . (2) Joz 6,20 . (3) Joz 9,1 . (4) Joz 10,1 . (5) Joz 11,1 . (6) Re 7,15 . (7) 1 S 15,22 . (8) 1 K 5,21 . (9) 1 K 12,2 . (10) 1 K 12,20 . (11) 1 K 13,4 . (12) 1 K 14,6 . (13) 1 K 15,21 . (14) 1 K 19,13 . (15) 1 K 20,12 . (16) 1 K 21,15 . (17) 1 K 21,16 . (18) 1 K 21,27 . (19) 2 K 5,8 . (20) 2 K 6,30 . (21) 2 K 19,1 . (22) 2 K 22,11 .
- wajëhî kisjëmo`a (en het was bij het horen) . Tenakh (11) : (1) Gn 29,13 . (2) Gn 39,19 . (3) Joz 5,1 . (4) Joz 6,20 . (5) Joz 9,1 . (6) Joz 10,1 . (7) Re 7,15 . (8) 1 K 13,4 . (9) 1 K 14,6 . (10) 1 K 21,27 . (11) 2 K 6,30 .
-- wajëhî kisjëmo`a (en het was toen de koning hoorde) . Tenakh (2) : (1) 1 K 13,4 . (2) 2 K 6,30 .

- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תִשְׁמְעוּ = thisjëmë`û (jullie luisteren) van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâma` (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (28) . Pentateuch (9) . Dt (3) : (1) Dt 11,13 . (2) Dt 11,27 . (3) Dt 11,28 .

-

- wësjâma`thâ < wë + werkwoordvorm act. qal perf. 2de pers. mann. enk. sjâma`thâ van het werkw. sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren) . Taalgebruik in Dt : sjâm`â (horen, luisteren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 50 of 410 . Structuur : 3 - 4 - 7 . Gr. akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Lat. audire . Ned. horen . E. to hear . D. höhren . Een vorm van akouô (horen) in het NT (427) , in de LXX (1069) . Horen veronderstelt een lijdend voorwerp . Horen kan verwijzen naar iets dat voorafging of het kan gevolgd worden door een object of een objectzin . Tenakh (17) . Pentateuch , enkel in Dt (7) : (1) Dt 4,30 . (2) Dt 6,3 . (3) Dt 12,28 . (4) Dt 17,4 . (5) Dt 27,10 . (6) Dt 30,2 . (7) Dt 30,8 .


- sjmad (verwoesten, vernietigen, uitroeien) . sjâmad (verwoesten, vernietigen, uitroeien) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmad (verwoesten, vernietigen, uitroeien) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , daleth = 4 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 344 (2³ X 43) .
- wëhisjëmîdëkhâ (en hij zal je vernietigen) < wë + act. hifil perfect. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Dt 6,15 . (2) Dt 7,4 .
- ûlëhasjëmîd (en om te vernietigen) < wë + lë + act. hifil infin. van het werkw. Tenakh (4) : (1) Dt 28,63 . (2) Joz 9,24 . (3) 1 K 13,34 . (4) 2 Kr 20,23 .
-


- שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren)

sjâmar (behouden, bewaren) . שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 .

sj-m-r : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. שָׁמַר = sjâmar (hij behoudt) . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. שְׁמֹר = sjëmor (behoud) . (3) act. qal infin. שָׁמֹר = sjâmor (te behouden) . (4) act. qal part. nom. mann. enk. שֹׁמֵר = sjomer (behoudende) . Zie : שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (63) . Pentateuch (7) : (1) Gn 37,11 (sjämar) . (2) Ex 34,11 (sjëmâr) . (3) Dt 7,9 (sjomer) . (4) Dt 8,11 (sjëmor) . (5) Dt 11,22 (sjâmor) . (6) Dt 12,28 (sjëmor) . (7) Dt 27,1 (sjâmor) . Een vorm van het woord sj-m-r wordt in de LXX in 31 Griekse woorden vertaald . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in 9 verzen : (1) Js 7,4 . (2) Js 21,11 . (3) Js 21,12 . (4) Js 26,2 . (5) Js 42,20 . (6) Js 56,1 . (7) Js 56,2 . (8) Js 56,4 . (9) Js 56,6 .
- sj-m-r : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâmar (hij behoudt) . . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. sjëmor (behoud) . (3) act. qal infin. sjâmor (te behouden) . (4) act. qal part. nom. mann. enk. sjomer (behoudende) . sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 .Een vorm van het woord sj-m-r wordt in de LXX in 31 Griekse woorden vertaald . Tenakh (63) . Pentateuch (7) . Jesaja (sjomer = behoudende) (5) (1) Js 21,11 . (2) Js 21,12 . (3) Js 26,2 . (4) Js 56,2 . (5) Js 56,6 . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in 9 verzen : (1) Js 7,4 . (2) Js 21,11 . (3) Js 21,12 . (4) Js 26,2 . (5) Js 42,20 . (6) Js 56,1 . (7) Js 56,2 . (8) Js 56,4 . (9) Js 56,6 . sjômer (behouden, bewarend) . Participium praesens . In tien verzen in de bijbel . In drie verzen in de Psalmen : (1) Ps 121,4 .
- sj-m-r-u . Vormen : (1) act. qal perf. 3de pers. mann. mv. sjâmërû / sjâmârû (zij behouden) . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. mv. sjimërû (behoudt) . Tenakh (22) Js (1) : Js 56,1 . Een vorm van het werkw. sjâmar (behouden, bewaren) in Js in 7 verzen : (1) Js 7,4 . (2) Js 26,2 . (3) Js 42,20 . (4) Js 56,1 . (5) Js 56,2 . (6) Js 56,4 . (7) Js 56,6 .

- qal inf. absol. שׁמוֹר = sjamôr (te onderhouden) . Zie : שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (3) : (1) Dt 5,12 . (2) Dt 6,17 . (3) Dt 16,1 .

- act. qal imperf. 3de pers. mv. תִשְׁמֹרוּ = thisjëmonû (jullie zullen onderhouden) van het werkw. שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (7) : (1) Ex 31,13 . (2) Lv 19,3 . (3) Lv 19,19 . (4) Lv 19,30 . (5) Lv 26,2 . (6) Dt 13,5 . (7) Ez 20,18 .

- pass. nifal imperat. 2de pers. mann. enk. hisjsjâmer (wees behouden) . Tenakh (1) Js 7,4 .

- וַיִשְׁמְרֶךָ = wajisjëmërèkhâ (en hij zal je bewaren) < prefix voegwoord + act. qal imperf. (jiqtol) 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmar (behouden, bewaren) . Getalswaarde van sjâmar (behouden, bewaren) : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 ( 2 X 3³) of 540 (2² X 3³ X 5) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Getalswaarde van in Nu 6,24 is 572 (2³ X 2³ X 3²) .


- sjëmû´el (Samuël) . sjëmû´el (Samuël) . Taalgebruik in Tenakh : sjmel (Samul) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 + aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; 50 + 13 = 63 (3² X 7) OF of 410 + 31 = 441 (3² X 7²) . Structuur : 3 - 4 - 7 - 1 - 3 . Tenakh (108) . Pentateuch (1) . Eerdere Profeten (101) . 1 S (101) . 1 S 1 (1) : 1 S 1,20 . 1 S 8 (8) : (1) 1 S 8,1 . (2) 1 S 8,4 . (3) 1 S 8,6 . (4) 1 S 8,7 . (5) 1 S 8,10 . (6) 1 S 8,19 . (7) 1 S 8,21 . (8) 1 S 8,22 . 1 S 10 (9) : (1) 1 S 10,1 . (2) 1 S 10,9 . (3) 1 S 10,14 . (4) 1 S 10,15 . (5) 1 S 10,16 . (6) 1 S 10,17 . (7) 1 S 10,20 . (8) 1 S 10,24 . (9) 1 S 10,25 . 1 S 16 (8) : (1) 1 S 16,1 . (2) 1 S 16,2 . (3) 1 S 16,4 . (4) 1 S 16,7 . (5) 1 S 16,8 . (6) 1 S 16,10 . (7) 1 S 16,11 . (8) 1 S 16,13 .
- ´èl sjëmû´el (tot Samuël) . Tenakh (16) : (1) 1 S 3,4 . (2) 1 S 3,11 . (3) 1 S 3,21 . (4) 1 S 7,8 . (5) 1 S 8,4 . (6) 1 S 8,7 . (7) 1 S 8,22 . (8) 1 S 10,14 . (9) 1 S 11,12 . (10) 1 S 12,19 . (11) 1 S 15,10 . (12) 1 S 15,20 . (13) 1 S 15,24 . (14) 1 S 16,1 . (15) 1 S 16,7 . (16) 1 S 19,18 .
- ´èl sjëmû´el hârâmâthâh (tot Samuël, naar Rama) . Tenakh (2) : (1) 1 S 8,4 . (2) 1 S 19,18 .


- sjen (tand, spits) . שֵׁן= sjen (tand, spits) . Taalgebruik in Tenakh : sjen (tand, spits) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 ; 35 (5 X 7) of 350 (2 X 5² X 7) . Structuur : 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 .


- שָׁנָה = sjânâh (jaar)

- sjânâh (jaar) . שָׁנָה (= sjânâh: jaar; zn vr enk). Taalgebruik in Tenakh: sjânâh (jaar). Getalswaarde: sjin = 21 of 300, nun = 14 of 50, he = 5; totaal: 40 of 355 (5 X 71). Structuur: 3 - 5 - 5. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (270). Pentateuch (114). Eerdere Profeten (86). Latere Profeten (33). 12 Kleine Profeten (6). Geschriften (51). Gn (75). Gn 5 (29) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 5,4 . (3) Gn 5,5 . (4) Gn 5,6 . (5) Gn 5,7 . (6) Gn 5,8 . (7) Gn 5,9 . (8) Gn 5,10 . (9) Gn 5,11 . (10) Gn 5,12 . (11) Gn 5,13 . (12) Gn 5,14 . (13) Gn 5,15 . (14) Gn 5,16 . (15) Gn 5,17 . (16) Gn 5,18 . (17) Gn 5,19 . (18) Gn 5,20 . (19) Gn 5,21 . (20) Gn 5,22 . (21) Gn 5,23 . (22) Gn 5,24 . (23) Gn 5,25 . (24) Gn 5,26 . (25) Gn 5,27 . (26) Gn 5,28 . (27) Gn 5,30 . (28) Gn 5,31 . (29) Gn 5,32 . Gn 11 (18) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 11,11 . (3) Gn 11,12 . (4) Gn 11,13 . (5) Gn 11,14 . (6) Gn 11,15 . (7) Gn 11,16 . (8) Gn 11,17 . (9) Gn 11,18 . (10) Gn 11,19 . (11) Gn 11,20 . (12) Gn 11,21 . (13) Gn 11,22 . (14) Gn 11,23 . (15) Gn 11,24 . (16) Gn 11,25 . (17) Gn 11,26 . (18) Gn 11,32 . Gn 15 (1) : Gn 15,13 . Gn 25 (4): (1) Gn 25,7. (2) Gn 25,17. (3) Gn 25,20. (4) Gn 25,26. Ex (11) : (1) Ex 6,16 . (2) Ex 6,18 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 7,7 . (5) Ex 12,5 . (6) Ex 12,40 . (7) Ex 12,41 . (8) Ex 16,35 . (9) Ex 29,38 . (10) Ex 30,14 . (11) Ex 38,26 . Js (9) : (1) Js 7,8 . (2) Js 21,16 . (3) Js 23,15 . (4) Js 23,17 . (5) Js 29,1 . (6) Js 32,10 . (7) Js 36,1 . (8) Js 38,5 . (9) Js 39,3 .
- שָׁנָה = sjânâh < sjanat: een qal vorm vr; een zn met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijke korte klinker (Lettinga(6) 24c1). In open lettergreep onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de korte a verlengd tot â (Lettinga(6) 13i). De ה = h is de aanwijzing van de lange eindklinker (Lettinga(6) 3d) . Het vrouwelijke woord שָׁנָה = sjânâh krijgt een mann mv שָׁנִים = sjânîm. Eerder zeldzaam en poëtisch שָׁנוֹת = sjânôth. (Joüon 90b).
- Grieks: ετος = etos (jaar). Taalgebruik in het NT: etos (jaar). Taalgebruik in de LXX: etos (jaar). Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718), in het NT (49).
- N: jaar. D: Jahr. E: year. Latijn: annus (jaar). Fr: an of année.
- Arabisch: سَنَة = sanah (jaar). Aramees: שְׁנָה = sjënâh (jaar).

- אַרְבָּעִים שָׁנָה = ´arëbâ`îm sjânâh (40 jaar). Bijbel (31). Pentateuch (11): (1) Gn 5,13 (veertig in combinatie met 840). (2) Gn 25,20 (Isaak neemt Rebecca tot vrouw). (3) Gn 26,34 (Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was). (4) Ex 16,35 (Eten van het manna in de woestijn). In vijf verzen voor wat het verblijf van veertig jaren in de woestijn betreft. (5) Nu 14,33. (6) zie verder Nu 14,34 (Eén dag voor één jaar). (7) Nu 32,13 . (8) Dt 2,7. (9) Dt 8,2. (10) Dt 8,4. (11) Dt 29,4.
- בֶּן-אַרְבָּעִים שָׁנָה = bèn ´arëbâ`îm sjânâh (40 jaar oud). In vier verzen in de bijbel. Isaak neemt Rebecca tot vrouw (Gn 25,20). Esau nam twee vrouwen, toen hij veertig jaar was (Gn 26,34). (3) Joz 14,7 (Jozua). (4) 2 S 2,10 (Isboset, de zoon van Saul).


- מְאַת שָׁנָה = mëath sjânâh (100 jaar) . Tenakh (5) : (1) Gn 11,10 . (2) Gn 21,5 . (3) Gn 25,7 . (4) Gn 25,17 . (5) Gn 35,28 .
- שִׁבְעִים שָׁנָה = sjibhë`îm sjânâh (zeventig jaar, 70 jaar) . Tenakh (13) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,26 . (3) 2 Kr 36,21 . (4) Ps 90,10 . (5) Js 23,15 (2X) . (6) Js 23,17 . (7) Jr 25,11 . (8) Jr 25,12 . (9) Jr 29,10 . (10) Da 9,2 . (11) Zach 1,12 . (12) Zach 7,5 .
- In Gn komt 7X achthonderd , afzonderlijk of in samenstelling voor (b.v. 830) . In deze 7 verzen volgt שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Slechts in de verzen van Gn is dit het geval .
- וּשְׁמֹנֶה מֵאוֹד = ûsjëmonèh me´ôd (en achthonderd, en 800) . Tenakh (6) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,10 . (3) Gn 5,13 . (4) Gn 5,16 . (5) Gn 5,17 . (6) Neh 7,11 .
- שְׁמֹנֶה מֵאוֹד = sjëmonèh me´ôd (achthonderd, 800) . Tenakh (7) : (1) Gn 5,19 . (2) 2 S 23,8 . (3) 2 S 24,9 . (4) Ezr 2,6 . (5) Neh 7,13 . (6) Neh 11,12 . (7) Jr 52,29 .
- שְׁמֹנֶה מֵאֹת = sjëmonèh me´od (achthonderd, 800) . Tenakh (1) : Gn 5,4 .
- מֵאוֹד שְׁמֹנֶה = me´ôd sjânâh (honderd jaar, 100 jaar) . Tenakh (31) : (1) Gn 5,5 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,8 . (4) Gn 5,10 . (5) Gn 5,11 . (6) Gn 5,13 . (7) Gn 5,14 . (8) Gn 5,16 . (9) Gn 5,17 . (10) Gn 5,19 . (11) Gn 5,20 . (12) Gn 5,22 . (13) Gn 5,23 . (14) Gn 5,26 . (15) Gn 5,27 . (16) Gn 5,31 . (17) Gn 5,32 . (18) Gn 7,6 . (19) Gn 7,11 . (20) Gn 8,13 . (21) Gn 9,28 . (22) Gn 9,29 . (23) Gn 11,11 . (24) Gn 11,13 . (25) Gn 11,15 . (26) Gn 11,17 . (27) Gn 15,13 . (28) Ex 12,40 . (29) Ex 12,41 . (30) Re 11,26 . (31) 1 K 6,1 .
- Lat. gen. mann. mv. annorum (van de jaren) van het zelfst. naamw. annus (jaar) . Bijbel (107) . OT (99) . NT (8) . Lv (7) : (1) Lv 25,8 . (2) Lv 25,14 . (3) Lv 25,21 . (4) Lv 25,50 . (5) Lv 25,52 . (6) Lv 27,18 . (7) Lv 27,23 . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr .
- dat. + ablat. mann. mv. annis van het zelfst. naamw. annus (jaar) . Bijbel (205) . OT (186) . NT (19) . Gn (35) . Gn 5 (10) : Lv (2) : (1) Lv 25,3 (2X) . (2) Lv 25,50 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Taalgebruik in Lc : etos (jaar) . Bijbel (300) . OT (273) . NT (27) . Een vorm van etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .
- zie Lv 25,3.2. mann. mv. שָׁנִמ = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalswaarde van sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn (46) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,22 . (2) Gn 50,26 .
- Grieks: ετος = etos (jaar). Taalgebruik in het NT: etos (jaar). Taalgebruik in de LXX: etos (jaar). Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718), in het NT (49).
- N: jaar. D: Jahr. E: year. Latijn: annus (jaar). Fr: an of année.
- Arabisch: سَنَة = sanah (jaar). Aramees: שְׁנָה = sjënâh (jaar).

- stat. construct. vr. enk. = sjënath (jaar van) van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (37) . Gn (1) : Gn 41,50 . Lv (10) . Lv 25 (8) : (1) Lv 25,5 . (2) Lv 25,10 . (3) Lv 25,11 . (4) Lv 25,28 . (5) Lv 25,29 . (6) Lv 25,40 . (7) Lv 25,50 . (8) Lv 25,52 .

Lv 25,1 - Lv 25,2 - Lv 25,3 - Lv 25,4 - Lv 25,5 - Lv 25,6 - Lv 25,7 - Lv 25,8 - Lv 25,9 - Lv 25,10 - Lv 25,11 - Lv 25,12 - Lv 25,13 - Lv 25,14 - Lv 25,15 - Lv 25,16 - Lv 25,17 - Lv 25,18 - Lv 25,19 - Lv 25,20 - Lv 25,21 - Lv 25,22 - Lv 25,23 - Lv 25,24 - Lv 25,25 - Lv 25,26 - Lv 25,27 - Lv 25,28 - Lv 25,29 - Lv 25,30 - Lv 25,31 - Lv 25,32 - Lv 25,33 - Lv 25,34 - Lv 25,35 - Lv 25,36 - Lv 25,37 - Lv 25,38 - Lv 25,39 - Lv 25,40 - Lv 25,41 - Lv 25,42 - Lv 25,43 - Lv 25,44 - Lv 25,45 - Lv 25,46 - Lv 25,47 - Lv 25,48 - Lv 25,49 - Lv 25,50 - Lv 25,51 - Lv 25,52 - Lv 25,53 - Lv 25,54 - Lv 25,55 -

- vr. mv. (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) van het zelfstandig naamwoord שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . De getalswaarde van שָׁנָה = sjânâh (jaar) is : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (64) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (77) . Gn 50 (2) : (1) Gn 50,23 . (2) Gn 50,26 . Ex (8) : (1) Ex 21,2 . (2) Ex 22,3 . (3) Ex 22,6 . (4) Ex 22,8 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 25,18 . (7) Ex 29,1 . (8) Ex 29,38 . Lv (8) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,18 . (3) Lv 25,3 . (4) Lv 25,8 . (5) Lv 25,15 . (6) Lv 25,50 . (7) Lv 27,5 . (8) Lv 27,6 . Dt (4) : (1) Dt 15,12 . (2) Dt 15,18 . (3) Dt 28,63 . (4) Dt 30,9 . Re (13) : (1) Re 2,8 . (2) Re 3,8 . (3) Re 6,1 . (4) Re 6,25 . (5) Re 9,22 . (6) Re 11,37 . (7) Re 11,39 . (8) Re 12,7 . (9) Re 12,9 . (10) Re 12,11 . (11) Re 12,14 . (12) Re 20,21 . (13) Re 21,10 .
- שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) . Tenakh (32) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 11,21 . (3) Gn 29,18 . (4) Gn 29,20 . (5) Gn 29,27 . (6) Gn 29,30 . (7) Gn 41,26 (2X) . (8) Gn 41,27 . (9) Gn 41,29 . (10) Gn 41,48 . (11) Gn 47,28 . (12) Lv 25,8 . (13) Nu 13,22 . (14) Dt 15,1 . (15) Dt 31,10 . (16) Re 6,1 . (17) Re 6,25 . (18) Re 12,9 . (19) 2 S 2,11 . (20) 2 S 5,5 . (21) 2 S 24,13 . (22) 1 K 2,11 . (23) 1 K 6,38 . (24) 2 K 8,1 . (25) 2 K 8,2 . (26) 2 K 8,3 . (27) 2 K 12,1 . (28) 1 Kr 3,4 . (29) 1 Kr 29,27 . (30) 2 Kr 24,1 . (31) Jr 34,14 . (32) Ez 39,9 .
- basjsjânâh (in het jaar) < prefix voorzetsel bë (in) + bepaald lidw. ha + zelfst.naamw. Tenakh (65) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (13) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (10) . Lv (5) : (1) Lv 16,34 . (2) Lv 23,41 . (3) Lv 25,20 . (4) Lv 25,21 . (5) Lv 25,53 .

- בִּשְׁנַת

= bisjënath (in het jaar van) < bë + stat. constr. van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (76) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (20) . Js (3) : (1) Js 6,1 . (2) Js 14,28 . (3) Js 20,1 .

- וּבַשָּׁנָה = ûbhasjsjânâh (en in het jaar) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) . Lv (3) : (1) Lv 19,24 . (2) Lv 19,25 . (3) Lv 25,4 .

- וּבִּשְׁנַת = ûbisjënath (en in het jaar van) < prefix verbindingswoord wë + prefix voorzetsel bë + stat. constr. van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalswaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) : (1) 1 K 15,1 . (2) 1 K 15,9 . (3) 2 K 8,16 . (4) 2 K 9,29 . (5) Jr 17,8 . (6) Da 2,1 . (7) Ezr 1,1 . (8) 2 Kr 17,7 . (9) 2 Kr 34,8 . (10) 2 Kr 36,22 .

1. - 2. bisjënath môth (in het jaar van de dood) EN 1. - 3. bisjënath môth hammèlèkh (in het jaar van de dood van de koning) . Tenakh (2) : (1) Js 6,1 . (2) Js 14,28 .
- me´âh wâ`èshèr sjânîm (110 jaar) . Tenakh (4) : (1) . (2) . (3) . (4) .

- שְׁנֵי (= sjëne: jaren; zn vr mv met een mannelijke uitgang van het zn שָׁנָה = sjânâh: jaar). Taalgebruik in Tenakh: sjânâh (jaar). Getalswaarde): sjin = 21 of 300, nun = 14 of 50, he = 5; totaal: 40 of 355 (5 X 71). Structuur: 3 - 5 - 5. De som van de elementen is telkens 4.
- Grieks: ετος = etos (jaar). Taalgebruik in het NT: etos (jaar). Taalgebruik in de LXX: etos (jaar). Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718), in het NT (49).
- N: jaar. D: Jahr. E: year. Latijn: annus (jaar). Fr: an of année.
- Arabisch: سَنَة = sanah (jaar). Aramees: שְׁנָה = sjënâh (jaar).


- שָׁנַן = sjânan (een tweede maal zeggen, herhalen)

- sjnan (een tweede maal zeggen, herhalen) . שָׁנַן = sjânan (een tweede maal zeggen, herhalen) . Taalgebruik in Tenakh : sjnan (een tweede maal zeggen, herhalen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 ; totaal : 328 of 400 . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 .

- וְשִׁנַּנְתָּם = wësjinnanëthâm (en jij zult hen vertellen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act. piël perf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Tenakh (1) :

- sjâphakh (gieten, vergieten, uitstorten) . sjâphakh (gieten, vergieten, uitstorten) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphakh (gieten, vergieten, uitstorten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 49 (7²) OF 400 (2² X 2² X 5²) . Structuur : 3 - 8 - 2 .
- act. qal imperf. 1ste pers. enk. ´èsjëpôkh (ik stort uit) van het werkw. Tenah (4) : (1) Ez 7,8 . (2) Hos 5,10 . (3) Jl 3,1 . (4) Jl 3,2 .


- sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 8 - 3 . Cfr. Sjephela (laagte) .
- sj-ph-l . Tenakh (6) . act. qal 3de pers. mann. enk. sjâphel (hij vernedert) . Tenakh (1) : Js 2,11 .
- lidw. ha + act. hifil part. nom. mann.enk . hammasjëpîlî (degene die zich neerbuigt) van het werkw. sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 3 - 8 - 3 . Cfr. Sjephela (laagte) . Tenakh (1) Ps 113,6 .


- sj-ph-r / - sjâphar (schrijven) . סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphar (tellen, schrijven ) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (20 X 17) . De som van de elementen is telkens 7 . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen .
- Ned. : schrijven ( s - ch=g of k - p = b = f = v . Arabisch : كَتَبَ = kataba (schrijven) . Taalgebruik in de Qoran : kataba (schrijven) . Aramees : סְפַר = sephar (tellen, schrijven) . D. : schreiben . E. : write . Fr. : écrire . Grieks : γραφω = grafô (schrijven,griften) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Hebreeuws : סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sâphar (schrijven, griften, cijferen) EN כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Latijn : scribere .

- act. qal part. praes. mann. enk. סֹפֵר = sopher (schrijvend -> schrijver) . Zie het werkw. סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphar (tellen, schrijven ) .


- sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , tet = 9 ; totaal : 47 OF 389 (priemgetal) .

wajjisjëpot (en hij richtte) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , pe = 17 of 80 , tet = 9 ; totaal : 47 OF 389 (priemgetal) . Tenakh (14) : (1) Gn 19,9 . (2) Ex 5,21 . (3) Re 3,10 (Otniël) . (4) Re 10,2 (Tola) . (5) Re 10,3 (Jaïer) . (6) Re 12,7 (Jefta) . (7) Re 12,8 (1ste maal Ivtsan) . (8) Re 12,9 (2de maal Ivtsan) . (9) Re 12,11 (2X Elon) . (10) Re 12,13 (1ste maal Avdon) . (11) Re 12,14 (2de maal Avdon) . (12) Re 15,20 (1ste maal Simson) . (13) 1 S 7,6 (1ste maal Samuël) . (14) 1 S 7,15 (2de maal Samuël) . In 10 verzen in Re . In 7 verzen staat wajjisjëpot (hij richtte) op de 1ste plaats in het vers : (1) Re 10,2 . (2) Re 12,7 . (3) Re 12,8 . (4) Re 12,11 . (5) Re 12,13 . (6) Re 15,20 . (7) 1 S 7,15 .
Een vorm van sjâphat (richten, rechtspreken, beslissen) in Re in 13 verzen (14X) . (1) Re 4,4 : sjophëtâh (zij is richtende) ´èth jishërâ´el (Israël) nl. Debora . (2) Re 11,27 : jisjëpot JHWH (JHWH richtte) . (3) Re 16,31 : sjâphat ´èth jishërâ´el (hij richtte Israël) ; een eerste vermelding van Simson die richtte staat in Re 15,20 . Van de 13 verzen (14X) in Re gaat het in 12 verzen (13X) over een 'richter' .
In Re 12,11 wordt 2X gezegd dat Elon Israël richtte . 2X Avdon in Re 12,13 en Re 12,14 . Ook 2X Simson in Re 15,20 en Re 16,31 . In totaal wordt in Re over 9 personen gezegd dat zij richtten . In 1 S wordt wajjisjëpot (en hij richtte) 2X vermeld , maar het gaat telkens om Samuël . In Re en 1 S worden 10 personen genoemd die richtten . Over Ehud , Samgar , Gideon , ( Abimelek) wordt niet gezegd dat zij richtten .
- wajjisjëphot ´èth jishërâ´el (en hij richtte Israël) . Tenakh (7) : (1) Re 3,10 . (2) Re 10,2 . (3) Re 10,3 . (4) Re 12,9 . (5) Re 12,11 . (6) Re 12,14 . (7) Re 15,20 .
- act. qal part. vr. enk. sjophëtâh (recht sprekende) . Tenakh (1) : (1) Re 4,4 .
- lësjâphëtenû (om ons te richten) < voorzetsel lë + act. qal inf. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (2) : (1) 1 S 8,5 . (2) 1 S 8,6 .
- hasjsjophet (de rechter) < bepaald lidw. ha + act. qal partic. mann. enk. van het werkw. Tenakh (5) : (1) Dt 17,9 . (2) Dt 17,12 . (3) Dt 25,2 . (4) Re 2,18 . (5) Re 11,27 .
- act. qal part. mann. mv. sjophëtîm (rechtsprekenden) van het werkw. Tenakh (9) : (1) Dt 16,18 . (2) Re 2,16 . (3) Re 2,18 . (4) 1 S 8,1 . (5) 1 S 8,2 . (6) 2 S 7,11 . (7) Ps 58,12 . (8) 1 Kr 17,10 . (9) 2 Kr 19,5 .


 

- sjâqâh wajjasjëqë (en hij liet drinken) . Actief qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . In dertien verzen in de bijbel .
- sjâqâh (laten drinken, drenken) . sjâqâh (laten drinken, drenken) . Taalgebruik : sjâqâh (laten drinken, drenken) . Getallenwaarde : sjin = 21 of 300 , qoph = 19 of 90 , he = 5 ; totaal : 45 (3² X 5) OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 9 - 5 . De som van de elementen is 8 .
- lhasjqth (om te drenken) < prefix voorzetsel l + act. hifil inf. constructus van het werkw. Tenakh (5) : (1) Gn 2,10 . (2) Gn 2,16 . (3) Js 43,20 . (4) Ez 17,7 . (5) Pr 2,6 .


- shârâh (Sara) . שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (28) . Pentateuch (26) . Gn (26) . Gn 17 (4) : (1) Gn 17,15 . (2) Gn 17,17 . (3) Gn 17,19 . (4) Gn 17,21 . Gn 18 (5) : (1) Gn 18,6 . (2) Gn 18,9 . (3) Gn 18,12 . (4) Gn 18,13 . (5) Gn 18,15 . Gn 20 (3) : (1) Gn 20,2 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 20,18 . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,1. (2) Gn 21,2 . (3) Gn 21,3 . (4) Gn 21,6 . (5) Gn 21,7 . (6) Gn 21,9 . (7) Gn 21,12 . Gn 23 (3) : (1) Gn 23,1 . (2) Gn 23,2 . (3) Gn 23,19 . Gn 24 (2) : (1) Gn 24,36 . (2) Gn 24,67 . Gn 25 (1) : Gn 25,12 . Gn 49 (1) : Gn 49,31 . Verder : (1) Js 51,2 . (2) Hos 12,4 .

- וְשָׂרָה = wëshârâh (en Sara) < prefix wë + persoonsnaam שָׂרָה = shârâh (Sara) . Taalgebruik in Tenakh : shârâh (Sara) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 46 (2 X 23) , zie : 46 : lemniscaat , OF 505 (5 X 101) . Structuur : 3 - 2 - 5 . Som van de elementen : 10 -> 1 . Tenakh (3) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 25,10 .

- לְשָׂרָה = lëshârâh (voor Sara) . Tenakh (4) : (1) Gn 18,10 . (2) Gn 18,11 . (3) Gn 21,1 . (4) Gn 23,2 . In Gn 18 komt in 7 verzen en 9X de naam Sarah voor . Arabisch : sârah (Sara) . Taalgebruik in de Koran : sârah (Sara) .
- Shâraj (Sarai) . De getalswaarde is : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 51 (3 X 17) of 510 (2 X 3 X 5 X 17 OF 30 X 17) . Structuur : 3 - 2 - 1 . Eigennaam Sarai of zelfstandig naamwoord sar (heer) en suffix eerste persoon enkelvoud (mijn heer) . Abram (36 of 243) + Saraj (51 of 510) = 87 OF 753 (3 X 251) . Tenakh (134) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (46) . Gn (14) : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 11,31 . (4) Gn 12,5 . (5) Gn 12,11 : wajjo´mèr ´èl Shâraj (en - Abram - zei tot Sarai) . (6) Gn 12,17 . (7) Gn 16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn 16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (9) Gn 16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (10) Gn 16,6 (Abram tegen Sarai) . (11) Gn 16,8 . (12) Gn 17,15 (in dit vers heeft de naamsverandering van Sarai naar Sara plaats) . wëshâraj (en Sarai) : Gn 16,1 .
- LXX . In twaalf verzen in de bijbel : (1) Gn 11,29 . (2) Gn 11,30 . (3) Gn 12,11 : wajj´omèr ´èl Shâraj (en - Abram - zei tot Sarai) . (4) Gn 16,1 (Saraj , de vrouw van Abram) . (5) Gn 16,2 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (6) Gn 16,3 : driemaal , o.a. de vrouw van Abram . (7) Gn 16,5 : waththo´mèr shâraj ´èl ´abhërâm (en Sarai zei tot Abram) . (8) Gn 16,6 (Abram tegen Sarai) . (9) Gn 17,15 . (10) Gn 47,17 . (11) Nu 26,30 . (12) Joz 18,22 . - Saras (van Sara) . Genitief enkelvoud . Dezelfde lezing van rechts naar links of van links naar rechts . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 12,17 . (2) Gn 16,2 . (3) Gn 16,8 . - Saran . Accusatief enkelvoud . In drie verzen in de bijbel :


- shâraph (branden, verbranden) . shâraph (branden, verbranden) . Taalgebruik in Tenakh : shâraph (branden, verbranden) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , pe = 17 of 80 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 580 (2² X 5 X 29) . Structuur : 3 - 2 - 8 .
- wajjishëroph (en hij verbrandde) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (11) : (1) Ex 32,20 . (2) Joz 8,28 . (3) 1 K 15,13 . (4) 1 K 16,18 . (5) 2 K 23,6 . (6) 2 K 23,15 . (7) 2 K 23,16 . (8) 2 K 23,20 . (9) 2 K 25,9 . (10) Jr 52,13 . (11) 2 Kr 15,16 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thishërëphûn (jullie zullen verbranden) van het werkw. Tenakh (3) : (1) Dt 7,5 . (2) Dt 7,25 . (3) Dt 12,3 .


- sarëgôn (Sargon) . sarëgôn (Sargon) . Taalgebruik in Tenakh : sarëgôn (Sargon) . Tenakh (1) : Js 20,1 .


- sjârath (dienen, bedienen) . sjârath (dienen, bedienen) . Taalgebruik in Tenakh : sjârath (dienen, bedienen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 63 (3² X 7) OF 900 (2² X 3² X 5²) . Structuur : 3 - 2 - 4 .
- act. piël part. mann. enk. mësjâreth (dienendse, dienaar) . Tenakh (7) . (1) Nu 11,28 . (2) Joz 1,1 . (3) 1 S 2,11 . (4) 1 S 2,18 . (5) 1 S 3,1 . (6) 1 K 1,15 . (7) 2 K 6,15 . - mësjâreth mosjèh (dienaar van Mozes) . Tenakh (7) . (1) Nu 11,28 . (2) Joz 1,1


- sjrats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjrats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 59 OF 590 . Structuur : 3 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 .
- Grieks : act. subjonct. aor. 3de pers. enk. εξαγαγετω = exagagetô (dat uitga) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < εξ = ex (uit) + αγω = agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) .
- Ned. : wemelen . D. : wimmeln . Fr. : foisonner = verspreiden (lat. : fusio : verspreiding < fundere; foison est une action de répandre) . E. : to bring forth . Hebr. : שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Lat. : producere (voortbrengen) .

-

- act. qal imperf. jussief 3de pers. mv. יִשְׁרְצוּ = jisjërëtsû (dat zij wemelen) van het werkw. שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Taalgebruik in Tenakh : sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 59 OF 590 . Structuur : 3 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1) : Gn 1,20 .


- ss (mot) . סָס = sâs (mot, worm, houtworm) . Taalgebruik in Tenakh : ss (mot) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 120 (2³ X 3 X 5) . Structuur : 6 - 6 . De som van de elementen is telkens 3 . Hapax ( Js 51,8) . Aramees : סָס OF סָסָא (sâs of sâsâ´) .


- sjsh (plunderen) . sjâsâh (plunderen) . Taalgebruik in Tenakh : sjsh (plunderen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300, samekh = 15 of 60 , he = 5 ; totaal : 41 OF 365 (5 X 73) . Structuur : 3 - 6 - 5 .
- sjose(j)hèm (hun plunderaars) < act. qal part. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1) : Re 2,16 .

-

- sjl (Saul) . שָׁאוּל = sjâ´ûl (Saul) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´ûl (Saul) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , waw = 6 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 40 (2³ X 5) OF 337 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 6 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (344) . 1 S (221) .

- shebhèr (hoop, vertrouwen) . shebhèr (hoop, vertrouwen) . Taalgebruik in Tenakh : shebhr (hoop, vertrouwen) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 .

- sëdom (Sodom) . sëdom (Sodom) . Taalgebruik in Tenakh : sëdom (Sodom) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 104 (2³ X 13) . Tenakh (30) . Pentateuch (18) . Js (2) : (1) Js 1,10 . (2) Js 13,19 .
- kisëdom (als Sodom) . Tenakh (4) : (1) Js 1,9 . (2) Js 3,9 . (3) Jr 23,14 . (4) Sef 2,9 .

- shèh (kleinvee, schaap, geit) . shèh (kleinvee, schaap, geit) . Taalgebruik in Tenakh : shèh (kleinvee, schaap, geit) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 26 of 305 (5 X 61) . Structuur : 3 - 5 .
- sjôr wâshèh (het rund en het kleinvee) . Tenakh (3) : (1) Ex 34,19 . (2) Dt 17,1 . (3) Joz 6,21 .

- she`îr (Seïr) . she`îr (Seïr) . Taalgebruik in Tenakh : she`îr (Seïr) . Getalswaarde : shin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 (2 X 5 X 29) . Structuur : 3 - 7 - 1 - 2 ; Het betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) . Tenakh (50) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 . Dt (3) : (1) Dt 1,2 . (2) Dt 2,1 . (3) Dt 2,5 .
-- bëne(j) she`îr (zonen van Seïr) . Tenakh (4) : (1) Gn 36,20 . (2) Gn 36,21 . (3) 2 Kr 25,11 . (4) 2 Kr 25,14 .

Se`îr (Seïr)   O.T.  Gn   Lv   Nu   Dt   Joz   Ez  1 Kr  2 Kr 
  50 8 15 

- sjâlosj (drie) .
- שְׁלֹשִׁים וּמְאַת שָׁנָה = sjëlosjîm ûmë´ath sjânâh (30 + 100 = 130 jaar) . Tenach (2) : (1) Gn 5,3 . (2) Gn 47,9 .


- שָׁם = sjâm (daar) OF sjem (naam)

sjem (naam) . sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Gr. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Een vorm van onoma (naam) in de LXX (1045) , in het NT (228) . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Eerdere Profeten (190) . Latere Profeten (136) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (145) . Gn (89) . Arabisch : ism (naam) . Taalgebruik in de Qoran : ism (naam) . Gn 21 () : (1) Gn 21,3 . (2) Gn 21,14 . (3) Gn 21,17 . (4) Gn 21,31 . (5) Gn 21,33 . Gn 35 (5) : (1) Gn 35,1 . (2) Gn 35,3 . (3) Gn 35,7 . (4) Gn 35,15 . (5) Gn 35,27 . In Ps 113,5 is de getalswaarde van mî k (wie is als) eveneens 34 (OF 70) (mem =13 of 40 , jod = 10 , kaph = 11 of 20) . In Ps 113 zit zevenmaal sj / sh -m : (1) Ps 113,1 : sjem = naam . (2) Ps 113,2 : sjem = naam . (3) Ps 113,3 : sj-m in sjèmèsj (zon) . (4) Ps 113,3 : sjem = naam . (5) Ps 113,4 : sj-m in hasjsjâmaim (de hemelen) . (6) Ps 113,6 : sj-m in basjsjâmaim (in de hemelen) . (7) Ps 113,9 : shëmechâh (vreugdevol) . Voeg hierbij zesmaal de naam JHWH , wat dertien maakt . 2 K (33) . 2 K 23 (5) : (1) 2 K 23,7 . (2) 2 K 23,16 . (3) 2 K 23,20 . (4) 2 K 23,27 . (5) 2 K 23,34 .
- sjèm bënô (naam van zijn zoon) . Tenakh (3) : (1) Gn 16,5 . (2) Gn 21,3 . (3) 1 S 8,2 . sjem ´achath (naam van eerste) . Tenakh (1) : 1 S 1,2 . sjem hâ´achath (naam van de eerste) . Tenakh (4) : (1) Gn 4,19 . (2) Ex 1,15 . (3) Rt 1,4 . (4) Job 42,14 .
- שְׁמִי = sjëmî (mijn naam) < zelfst. naamw. sjem + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. van het zelfst. naamw. sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (63) . Js (7) : (1) Js 29,23 . (2) Js 42,8 . (3) Js 48,9 . (4) Js 49,1 . (5) Js 52,5 . (6) Js 52,6 . (7) Js 66,5 . Tenakh (684) . Pentateuch (190) . Ex (27) . Ex 24 (1) Ex 24,12 .
- שֵׁמוֹ = sjëmô (zijn naam) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . . Tenakh (163) . Pentateuch (60) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (27) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (44) . 1 S (6) : (1) 1 S 1,20 . (2) 1 S 12,22 . (3) 1 S 17,4 . (4) 1 S 17,23 . (5) 1 S 18,30 . (6) 1 S 25,25 .
- שֵׁם = sjem (naam) < zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 korte klinker (qil-vorm) . i is in gesloten lettergrepen met klemtoon e geworden (Lettinga 13m) .
- שֵׁמוֹ = sjëmô (zijn naam) < onmiddellijk voor de hoofdklemtoon is de i of de daaruit ontstane e in open lettergrepen deels vervluchtigd tot sëwa (Lettinga 13o) .

- וּשְׁמוֹ = ûsjëmô (en zijn naam) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. sjem + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (33) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (3) . 1 S (6) : (1) 1 S 1,1 . (2) 1 S 9,1 . (3) 1 S 9,2 . (4) 1 S 17,12 . (5) 1 S 21,8 . (6) 1 S 22,20 .

- wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde een naam) . Tenakh (13) : (1) Gn 4,17 . (2) Gn 26,20 . (3) Gn 28,19 . (4) Gn 32,3 . (5) Ex 17,7 . (6) Nu 11,3 . (7) Nu 11,34 . (8) Nu 21,3 . (9) Joz 5,9 . (10) Re 1,17 . (11) 1 K 16,24 . (12) 2 Kr 3,17 . (13) Job 42,14 . Gn 32,31 : wajjiqërâ´ ja`äqobh sjem (en Jakob noemde een naam) . Gn 35,15 : wajjiqërâ´ ja`äqobh ´èth sjem (en Jakob noemde een naam) .
- ´èth sjëmô (zijn naam) . Tenakh (33) . 1 S (1) : 1 S 1,20 .
- sjem hammâqôm ( naam van de plaats) . Tenakh (16) : (1) Gn 22,14 . (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (4) Gn 32,31 . (5) Gn 33,17 . (6) Gn 35,15 . (7) Ex 17,7 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (10) Nu 21,3 . (11) Joz 5,9 . (12) Joz 7,26 . (13) Re 2,5 . (14) 2 S 5,20 . (15) 1 Kr 14,11 . (16) 2 Kr 20,26 .
- wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´ (en de naam van die plaats heet) . In vijf verzen in de bijbel : (2) Gn 28,19 . (3) Gn 32,3 . (8) Nu 11,3 . (9) Nu 11,34 . (11) Joz 5,9 .

  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   Joz   Re   Rt  1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Neh  Tob  Jdt  Est  1 Mak  2 Mak     
                                                 
1.  sjem JHWH                                                
2.  ´èth sjem JHWH                                               
3.  bësjem JHWH                                               
4.  sjem hammâqôm                                               
5.  wajjiqërâ´sjem                                                
6.  wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´                                                
                                                 

  Tenakh   Job  Ps  Spr  Pr  Hl  W  Sir  Js  Jr  Kl  Bar   Ez  Da  Hos  Jl  Am  Ob  Jon  Mi  Nah  Hab  Sef  Hag  Zach  Mal     
                                                           
1.  sjem JHWH                                                          
2.  ´èth sjem JHWH                                                         
3.  bësjem JHWH                                                       
4.  sjem hammâqôm                                                         
5.  wajjiqërâ´sjem                                                          
6.  wajjiqërâ´sjem hammâqôm hahû´                                                          
                                                           

bësjem (in de naam van) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. . b-sj-m . Tenakh (68) .

- bësjem JHWH (in de naam JHWH) . In zevenendertig verzen in de bijbel . In vijf verzen in Gn : (1) Gn 4,26 . (2) Gn 12,8 . (3) Gn 13,4 . (4) Gn 21,33 . (5) Gn 26,25 . In vier verzen in Dt : (1) Dt 18,5 . (2) Dt 18,7 . (3) Dt 18,22 . (4) Dt 21,5 . In zeven verzen in de Ps : (1) Ps 20,8 . (2) Ps 118,10 . (3) Ps 118,11 . (4) Ps 118,12 . (5) Ps 118,26 . (6) Ps 124,8 . (7) Ps 1

-


lwaarde : sin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 67 of 580 . Hetzelfde getal komt voor in het geschenk van Jakob aan Esau (Gn 32,13-15) . Het woord Se`îr (Seïr) betekent ook geitje , bokje . Een ander woord is gëdî (E. goat , N. geit) .

Se`îr (Seïr)   O.T.  Gn   Lv   Nu   Dt   Joz   Ez  1 Kr  2 Kr 
  50 8 15 

In acht verzen in Gn : (1) Gn 14,6 . (2) Gn 32,4 . (3) Gn 36,8 . (4) Gn 36,9 . (5) Gn 36,20 . (6) Gn 36,21 . (7) Gn 36,30 . (8) Gn 37,31 .

- sjâchath (verdorven , bedorven , ontaard zijn) .
-- kî sjicheth (want bedorven / ontaard is) . Tenakh (2) : (1) Ex 32,7 . (2) Dt 9,12 .
-- sjicheth ammëkhâ (jouw volk is bedorven / ontaard) . Tenakh (2) : (1) Ex 32,7 . (2) Dt 9,12 .


- שָׁתָה = sjâthâh (drinken)

- sjâthâh (drinken) . שָׁתָה = sjâthâh (drinken) . Taalgebruik in Tenakh : sjâthâh (drinken) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , thaw = 22 of 400 , he = 5 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 705 (3 X 5 X 47) . De som van de elementen is telkens 3 .
- Gr. piô . Lat. bibere . Fr. boire . Ned. drinken . E. to drink . D. trinken . Denk aan jat / zjat (koffie) .

- act. ind. qal jiqtol (imperfect.) 2de pers. mann. mv. תִּשְׁתוּ = thisjëthû (jullie zullen drinken) van het werkw. שָׁתָה = sjâthâh (drinken) . Taalgebruik in Tenakh : sjâthâh (drinken) .

- act. ind. jiqtol (imperfectum) 3de pers. mann. mv. יִשְׁתּוּ = jisjëthû (zij zullen drinken) van het werkw. שָׁתָה = sjâthâh (drinken) . Taalgebruik in Tenakh : sjâthâh (drinken) . Tenakh (15) .


 


- sjwh (gelijk zijn, overeenkomen) . sjâwâh (gelijk zijn, overeenkomen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâwâh (gelijk zijn, overeenkomen) .


- שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven)

- sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Hebreeuws : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . 39 (zie 39) is de getalswaarde van ´èchad JHWH = één is JHWH . 13 en 31 zijn spiegelgetallen , zie 13 EN 31 . Het getal 13 is de getalswaarde van ´èchâd (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) en 31 is de getalswaarde van de korte godsnaam El . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . sj-bh-` . Tenakh (175 OF 7 X 25) . Pentateuch (70 OF 7 X 10) . Eerdere Profeten (61) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Alle prof. boeken (70 OF 7 X 10) . Geschriften (35 OF 7 X 5) . Gn (44) .
- Grieks : ἑπτα = hepta . Bijbel (334) . OT (272) . NT (62) . Een vorm van ἑπτα = hepta (zeven) in de LXX (377) , in het NT (87) .
- Lat. : septem . Bijbel (325) . OT (264) . NT (61) .

- Ned. : zeven . Arabisch : sab`ah (zeven) : سَبْعة. Taalgebruik in de Qoran : sab`ah (zeven) . D. : Sieben . E. : seven . Fr. : sept . Grieks : ἑπτα = hepta . Hebreeuws : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Italiaans : sette . Lat. : septem . Spaans : siete . Syrisch : sjabto .
- De eerste medeklinker : s ; in het Grieks werd het een aangeblazen ha ; in het Nederlands werd de s een z . De tweede medeklinker : b ; in het Arabisch en het Duits ; in het Hebreeuws is het een zachte b , uitgesproken als v ; zo ook in het E. en het Ned. ; in het Gr. , het Lat. en het Fr. werd het een p ; in het Fr. wordt de p niet uitgesproken . De derde medeklinker : de ajin in het Arabisch en het Hebreeuws ; in het Gr. en het Lat. door de letter t . Het Franse sept is afkorting van het Lat. septem ; de -en uitgang in het D. , E. en Ned. komt wellicht uit de Latijnse uitgang -em .
-- sjëbha` `èshreh (17) . Tenakh (5) : (1) Gn 37,2 . (2) Gn 47,28 . (3) 1 K 22,52 . (4) 2 K 13,1 . (5) 2 K 16,1 .

- הַשְּׁבִיעִי = (de zevende) . Zie : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Tenakh (69) . Ex (13) : Lv (16) : (1) Lv 13,5 . (2) Lv 13,6 . (3) Lv 13,27 . (4) Lv 13,32 . (5) Lv 13,34 . (6) Lv 13,51 . (7) Lv 14,9 . (8) Lv 14,39 . (9) Lv 16,29 . (10) Lv 23,3 . (11) Lv 23,8 . (12) Lv 23,24 . (13) Lv 23,27 . (14) Lv 23,34 . (15) Lv 23,39 . (16) Lv 23,41 .

- הַשְּׁבִיעִת

= hasjsjëbhî`ith (de zevende) < prefix bepaald lidw. + rangtelwoord vr. enk. stat. constr. . Zie : שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . Tenakh (4) :

- שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) . Zie : sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) . Gn (5) : (1) Gn 4,24 . (2) Gn 5,12 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 46,27 . (5) Gn 50,3 .
- וְשִׁבְעִים = wësjibhë`îm (en zeventig, 70) < prefix wë + sjibhë`îm . Tenakh (24) : (1) Gn 5,31 . (2) Gn 12,4 . (3) Gn 25,7 . (4) Ex 15,27 . (5) Ex 24,1 . (6) Ex 24,9 . (7) Ex 38,25 . (8) Ex 38,28 . (9) Nu 1,27 . (10) Nu 2,4 . (11) Nu 3,43 . (12) Nu 7,85 . (13) Nu 26,22 . (14) Nu 31,32 . (15) Nu 31,33 . (16) Nu 31,37 . (17) Nu 31,38 . (18) Nu 33,9 . (19) Ez 8,11 . (20) Est 9,16 . (21) Da 9,25 . (22) Ezr 2,5 . (23) Neh 7,8 . (24) 1 Kr 21,5 .
- Grieks . ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Bijbel (102) . OT (97) . NT (5) . Gn (8) : (1) Gn 5,12 . (2) Gn 11,17 . (3) Gn 11,24 . (4) Gn 11,26 . (5) Gn 12,4 . (6) Gn 25,7 . (7) Gn 46,27 . (8) Gn 50,3 . Een vorm van .ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) in de LXX (122) , in het NT (5) .
- Ned. : zeventig . Arabisch :سَبْعُونَ = sab`ûna (zeventig, 70) . Taalgebruik in de Qoran : sab`ûna (zeventig, 70) . Aramees : שִׁבְעִין= sjibhë`în (zeventig, 70) . D. : siebzig . E. : seventy . Fr. : soixante-dix . Grieks : ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Hebreeuws : שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) . Zie : sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Latijn . septuaginta (zeventig, 70) .

- = sjâbhû`a (zevental, week, zevental jaren) . Stat. constr. = sjëbhu`a .
- vr. mv. sjâbhu`ôth (zevental jaren) . Tenakh (6) : (1) Dt 16,9 . (2) Dt 16,10 . (3) Jr 5,24 . (4) E z 21,28 . (5) Ez 45,21 . (6) Hab 3,9 .


- sjebht (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . שֵׁבֶט = sjebhèt (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . Taalgebruik in Tenakh : sjebht (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , tet = 9 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 311 (priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 . Dit zelfst. naamw. behoort tot de 6de klasse zelfst. naamw. . Ze worden nomina segolata genoemd of m.a.w. zelfst. naamw. van het type qatl , qitl , qutl . Deze zelfst. naamw. eindigden oorspronkelijkk op 2 medeklinkers . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga 13m) , vandaar sebt . Tussen de 2 medeklinkers kwam een klinker tot ontwikkeling . Die klinker die geen klemtoon heeft , is meestal een segol . Uit sjebt is sjebhèt voortgekomen . Het meerv. was oorspronkelijk qitlîm . Tussen de 2de en de 3de stammedeklinker werd dan een korte a ingeschoven : qitalîm . Vervolgens werd het verbogen volgens de zelfst. naamw. van de 4de klasse (met 2 veranderlijke klinkers) , waardoor we = qëtâlîm kregen : zo : mann. mv. שְׁבָטִים= sjebhâtîm (stokken) , stat. constr. mann. mv. שִׁבְטֵי = sjjibh¨te(j) (uitspraak sjivte) (stokken van) (Lettinga 31 d en f) . sj-b-t . Tenakh (62) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (14) . Gn (1) : Gn 49,10 .


- sjibhë`îm (zeventig) . sjibhë`îm (zeventig) . Taalgebruik in Tenakh : sjibhë`îm (zeventig) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 422 (2 X 211) . Structuur : 3 - 2 - 7 - 1 - 4 . Tenakh (70) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (22) .


- שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon)

- sjèmèsj (zon) . שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) < sjamsj . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 .De som van de elementen is telkens 1 . Hoofdtelwoord 300 , rangtelwoord 13 , hoofdtelwoord 300 ; totaal : 613 . Tenakh (50) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (21) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (14) . Js (3) : (1) Js 41,25 . (2) Js 45,6 . (3) Js 59,19 . Ps (8) : (1) Ps 50,1 . (2) Ps 58,9 . (3) Ps 72,5 . (4) Ps 72,17 . (5) Ps 84,12 . (6) Ps 104,19 . (7) Ps 113,3 . (8) Ps 148,3 .
- Grieks : ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Taalgebruik in de LXX : hèlios (zon) . Een vorm van ἡλιος = hèlios (zon) in de LXX (211) , in het NT (32) .
- Ned : zon . Arabisch : شَمش = sams (zon) . Taalgebruik in de Qoran : sams (zon) . D. : Sonne . E. : sun . Fr. : soleil . Grieks : ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Hebr. : שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Latijn : sol .

- basjsjèmèsj (in / met de zon) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + . Tenakh (1) : Js 38,8 .
- הַשֶּׁמֶשׁ= hasjsjèmèsj (de zon) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 .De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (86) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (37) . Gn (6) : (1) Gn 15,12 . (2) Gn 15,17 . (3) Gn 19,23 . (4) Gn 28,11 . (5) Gn 32,32 . (6) Gn 37,9 . Pr (31) : (1) Pr 1,3 . (2) Pr 1,5 . (3) Pr 1,9 . (4) Pr 1,14 . (5) Pr 2,11 . (6) Pr 2,17 . (7) Pr 2,18 . (8) Pr 2,19 . (9) Pr 2,20 . (10) Pr 2,22 . (11) Pr 3,16 . (12) Pr 4,1 . (13) Pr 4,3 . (14) Pr 4,7 . (15) Pr 4,15 . (16) Pr 5,12 . (17) Pr 5,17 . (18) Pr 6,1 . (19) Pr 6,12 . (20) Pr 7,11 . (21) Pr 8,9 . (22) Pr 8,15 . (23) Pr 8,17 . (24) Pr 9,3 . (25) Pr 9,6 . (26) Pr 9,9 . (27) Pr 9,11 . (28) Pr 9,13 . (29) Pr 10,5 . (30) Pr 11,7 . (31) Pr 12,2 . Js (3) : (1) Js 13,10 . (2) Js 38,8 . (3) Js 60,19 .
-- thachath hasjsjèmèsj (de zon) . Tenakh = Pr (22) : (1) Pr 1,3 . (2) Pr 1,9 . (3) Pr 1,14 . (4) Pr 2,11 . (5) Pr 2,17 . (6) Pr 2,18 . (7) Pr 2,19 . (8) Pr 2,20 . (0) Pr 2,22 . (11) Pr 3,16 . (11) Pr 4,1 . (12) Pr 4,3 . (13) Pr 4,7 . (14) Pr 4,15 . (15) Pr 5,12 . (16) Pr 6,12 . (17) Pr 8,9 . (18) Pr 8,15 . (19) Pr 9,6 . (20) Pr 9,9 . (21) Pr 9,13 . (22) Pr 10,5 .
- lasjsjèmèsj / lasjsjâmèsj (aan de zon) < lë + bepaald lidw. ha + Tenakh (5) : (1) 2 K 23,5 . (2) 2 K 23,11 . (3) Jr 8,2 . (4) Ez 8,16 . (5) Ps 19,5 .
- sjimësjekh (je zon) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. vr. enk. . Tenakh (1) : Js 60,20 .
- wâsjâmèsj (en de zon) < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + . Tenakh (2) : (1) Js 49,10 . (2) Ps 74,16 .

- mizërâch sjèmèsj (zonsopgang) . Tenakh (1) : Dt 4,47 . mimmizërach sjèmesj (van het opkomen van de zon) . Tenakh (6) : (1) Re 11,18 . (2) Js 41,25 . (3) Js 45,6 . (4) Mal 1,11 . (5) Ps 50,1 . (6) Ps 113,3 . - ûmimmizërach sjèmèsj (en vanaf zonsopgang, en vanaf het oosten) . Tenakh (1) : Js 59,19 .


- sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . Taalgebruik in Tenakh : sjëmâmâh (ontzetting , verwoesting, woestenij) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 385 (5 X 7 X 11) . Structuur : 3 - 4 - 4 - 5 . Tenakh (41) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (1) . Js (5) : (1) Js 1,7 . (2) Js 6,11 . (3) Js 17,9 . (4) Js 62,4 . (5) Js 64,9 .


- שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf)

- sjmn (vet, olie, zalf) . zelfst. naamw. שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl. naamw. (= sjamen , vr. = sjëmenâh = vet, dik, sterk) . Taalgebruik in Tenakh : sjmn (vet, olie, zalf) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (60) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (11) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (8) . 1 S (1) : 1 S 16,1 . 1 K (5) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) .
- Ned. : olie . Arabisch : مَرهَم = marham (zalf) . Taalgebruik in de Qoran : marham (zalf) . D. : Salböl . E. : oil . Fr. : huile . Grieks : ελαιον = elaion (olie) . Taalgebruik in het NT : elaion (olie) . Hebreeuws : שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl. naamw. (= sjamen , vr. = sjëmenâh = vet, dik, sterk) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèn (vet, olie, zalf) . Lat. : oleum (olie) van olea (olijfboom) .

- כַּשֶּׁמֶן = kasjsjèmèn (als de olie) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèn (vet, olie, zalf) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2² X 3) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13) . Structuur : 3 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Ez 32,14 . (2) Ps 133,2 .

- הַשֶּׁמֶן = hasjsjèmèn (de olie) < bepaald lidw. ha + . Tenakh (27) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (10) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (2) . Eerdere Profeten (10) : (1) 1 S 10,1 . (2) 1 S 16,13 . (3) 1 K 1,39 . (4) 1 K 17,14 . (5) 1 K 17,16 . (6) 2 K 4,6 . (7) 2 K 4,7 . (8) 2 K 9,1 . (9) 2 K 9,3 . (10) 2 K 9,6 .
- bijvoegl. naamw. (sjamen , vr. sjëmenâh = vet, dik, sterk) OF telwoord sjëmonâh (acht) OF sjamënèh (haar olie) : zelfst. naamw. sjèmèn (vet, olie, zalf) + suffix 3de pers. vr. enk. . Tenakh (37) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (5) : (1) Gn 5,4 . (2) Gn 5,19 . (3) Gn 14,14 . (4) Gn 22,23 . (5) Gn 49,20 .

- מִשִֶּמֶן = misjsjèmèn (van de olie van) < prefix voorzetsel min + zelfst. naamw.


- שְֶמֹנֶה = sjëmonâh (acht)

- sjmonèh (acht) . שְׁמֹנֶה = sjëmonèh (acht) . Taalgebruik in Tenakh : sjmonh (acht) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; he = 5 ; totaal : 53 OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 4 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (24) . Een vorm van in Tenakh (105) . In het Oude Egypte werd de god Toth beschouwd als de beschermer van de stad Hermopolis magna . In die hoedanigheid ontving hij de naam Heer van de acht . De Egyptische naam van Hermopolis magna wordt gelezen als shmoun , de naam eveneens voor het getal acht . De Copten duiden Hermopolis magna aan als Ashmunein en de Arabieren noemen de stad eveneens Aschmunein .
- In Gn komt 7X achthonderd , afzonderlijk of in samenstelling voor (b.v. 830) . In deze 7 verzen volgt שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Slechts in de verzen van Gn is dit het geval .
- וּשְׁמֹנֶה מֵאוֹד = ûsjëmonèh me´ôd (en achthonderd, en 800) . Tenakh (6) : (1) Gn 5,7 . (2) Gn 5,10 . (3) Gn 5,13 . (4) Gn 5,16 . (5) Gn 5,17 . (6) Neh 7,11 .
- שְׁמֹנֶה מֵאוֹד = sjëmonèh me´ôd (achthonderd, 800) . Tenakh (7) : (1) Gn 5,19 . (2) 2 S 23,8 . (3) 2 S 24,9 . (4) Ezr 2,6 . (5) Neh 7,13 . (6) Neh 11,12 . (7) Jr 52,29 .
- שְׁמֹנֶה מֵאֹת = sjëmonèh me´od (achthonderd, 800) . Tenakh (1) : Gn 5,4 .
- Gr. οκτω = oktô (LXX : 77) . Lat. octo . N. acht . D. acht . E. eight . Fr. huit (avec un h pour éviter vit) . Arabisch : ثَمانِية = thamânijah (acht) . Taalgebruik in de Qoran : thamânijah (acht) .

- שְׁמֹנִים = sjëmonîm (tachtig) . Zie : שְׁמֹנֶה = sjëmonèh (acht) . Taalgebruik in Tenakh : sjëmonèh (acht) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; he = 5 ; totaal : 53 OF 395 (5 X 79) . Structuur : 3 - 4 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (14) . Pentateuch (2) : (1) Gn 16,16 . (2) Ex 7,7 .


- שְׂנַיִם = sjënajim (twee)

- sjnajim (twee) . שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjnajim (twee) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²) . De som van de elementen is telkens 4 (2²) . Tenakh (76) . Stat. constr. mann. mv. שְׂנֵי = sjëne(j) (twee) . Tenakh (19) .

 

- שְׁנֵיהֶם = sjëne(j)hèm (hun twee) < stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Zie שְׂנַיִם = sjënajim (twee) . Taalgebruik in Tenakh : sjënajim (twee) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²) . De som van de elementen is telkens 4 (2²) . Tenakh (60) . Gn (9) : (1) Gn 2,25 . (2) Gn 3,7 . (3) Gn 9,23 . (4) Gn 21,27 . (5) Gn 21,31 . (6) Gn 22,6 . (7) Gn 22,8 . (8) Gn 40,5 . (9) Gn 48,13 .


- שֵׁשׁ = sjesj (zes)

- sjesj (zes) . שֵׁשׁ = sjesj (zes) . Taalgebruik in Tenakh : sjesj (zes) . Getallenwaarde sjesj : = 2 X 21 of 2 X 300 = 42 (2 X 3 X 7 OF 6 X 7) OF 600 (2³ X 3 X 5²) . Structuur : 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (102) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (0) . Alle prof. boeken (34) . Geschriften (34) . Ex (14) : (1) Ex 14,7 . (2) Ex 21,2 . (3) Ex 26,1 . (4) Ex 26,9 . (5) Ex 27,9 . (6) Ex 27,18 . (7) Ex 28,39 . (8) Ex 36,8 . (9) Ex 36,16 . (10) Ex 38,9 . (11) Ex 38,16 . (12) Ex 39,27 . (13) Ex 39,28 . (14) Ex 39,29 . Lv (2) : (1) Lv 24,6 . (2) Lv 25,3 .
- וְשֵׁשׁ = wësjesj (en zes) < verbindingswoord wë + telwoord . Tenakh (60) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (9) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (18) . Ex (16) : (1) Ex 23,10 . (2) Ex 25,4 . (3) Ex 26,31 . (4) Ex 26,36 . (5) Ex 27,16 . (6) Ex 28,6 . (7) Ex 28,8 . (8) Ex 28,15 . (9) Ex 35,6 . (10) Ex 35,23 . (11) Ex 36,35 . (12) Ex 36,37 . (13) Ex 38,18 . (14) Ex 39,2 . (15) Ex 39,5 . (16) Ex 39,8 . Lv (1) : Lv 25,3 .
- vr. enk. שֵׁשֶׁת = sjesjèth (zes) . Zie . Tenakh (21) : (1) Ex 16,26 . (2) Ex 20,9 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 23,12 . (5) Ex 24,16 . (6) Ex 31,15 . (7) Ex 31,17 . (8) Ex 34,21 . (9) Ex 35,2 . (10) Lv 23,3 . (11) Nu 3,34 . (12) Dt 5,13 . (13) Dt 16,8 . (14) Joz 6,3 . (15) Joz 6,14 . (16) 1 K 11,16 . (17) Ez 46,1 . (18) Ezr 2,67 . (19) Neh 7,68 . (20) 1 Kr 12,25 . (21) 1 Kr 23,4 .
- sj-sj-j . sjesjî (zesde) . Tenakh (1) : Gn 30,19 . 4X de persoonsnaam sjesjai (Sisai) en 1X de persoonsnaam sjâsjai (= Sisai) .
- hasjsjisjsjî (de zesde) . Tenakh (17) : (1) Gn 1,31 . (2) Ex 16,5 . (3) Ex 16,22 . (4) Ex 16,29 . (5) Nu 7,42 . (6) Nu 29,29 . (7) Joz 19,32 . (8) Hag 1,1 . (9) Neh 3,30. (10) 1 K 2,15 . (11) 1 K 3,3 . (12) 1 K 12,12 . (13) 1 K 24,9 . (14) 1 K 25,13 . (15) 1 K 26,3 . (16) 1 K 26,5 . (17) 1 K 27,9 .
- hasjsjisjsjîth (de zesde) . Tenakh (3) : (1) Ex 26,9 . (2) Lv 25,21 . (3) Ez 8,1 .
- Grieks . ἑξ = hex (zes) . Zie : Taalgebruik in de Septuaginta : ek (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Lv 25 (1) : (1) Lv 25,3 . Een vorm van ἑξ = hex (zes) in de LXX (134) , in het NT (13) . : (1) Mt 17,1 . (2) Mc 9,2 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 13,14 . (5) Joh 2,6 . (6) Joh 2,20 . (7) Joh 12,1 . (8) Hnd 11,12 . (9) Hnd 18,11 . (10) Hnd 27,37 . (11) Jak 5,17 . (12) Apk 4,8 . (13) Apk 13,18 . dat. mann. + onz. enk. hectô(i) . Bijbel (8) : (1) Lv 25,21 . (2) 2 K 18,10 . (3) Ez 8,1 . (4) Hag 1,1 . (5) 2 Kr 16,1 . (6) 1 Mak 2,70 . (7) Lc 1,26 . (8) Apk 9,14 .
- Latijn . sex (zes) . Bijbel (120) . OT (109) . NT (11) . Ex (22) : (1) Ex 16,26 . (2) Ex 20,9 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 21,2 . (5) Ex 23,10 . (6) Ex 23,12 . (7) Ex 24,16 . (8) Ex 25,32 . (9) Ex 25,33 . (10) Ex 25,35 . (11) Ex 26,9 . (12) Ex 26,22 . (13) Ex 28,10 . (14) Ex 31,15 . (15) Ex 31,17 . (16) Ex 34,21 . (17) Ex 35,2 . (18) Ex 36,16 . (19) Ex 36,27 . (20) Ex 37,18 . (21) Ex 37,19 . (22) Ex 37,21 . Lv (3) : (1) Lv 12,5 . (2) Lv 23,3 . (3) Lv 25,3 . Fr. six . Ned. zes . D. sechs . E. six . Arabisch : sittah (zes) . Taalgebruik in de Qoran : sittah (zes) . dat. mann. + onz. enk. sexto . Bijbel (14) : (1) Ex 16,29 . (2) Lv 25,21 . (3) Nu 7,42 . (4) Nu 29,29 . (5) 1 K 16,8 . (6) 2 K 18,10 . (7) Ez 8,1 . (8) Hag 1,1 . (9) Hag 1,15 . (10) 1 Kr 27,9 . (11) 2 Kr 16,1 . (12) 1 Mak 2,70 . (13) Lc 1,26 . (14) Apk 9,14 .

Lv 25,3.1. - 2. = sjesj sjânîm (zes jaar) . Tenakh (9) :
(1) Ex 21,2 // Dt 15,12 (zes jaar dienen) .
(2) Lv 25,3 (tweemaal) (sabbatjaar) .
(3) Dt 15,12 // Ex 21,2 (zes jaar dienen) .
(4) Dt 15,18 (de kwijtschelding) .
(5) Re 12,7 (Jefta zes jaar rechter) .
(6) 1 K 16,23 (Omri zes jaar koning in Tirsa) .
(7) 2 K 11,3 // 2 Kr 22,12 (Joas zes jaar verborgen) .
(8) 2 Kr 22,12 // 2 K 11,3 (Joas zes jaar verborgen) .
(9) Jr 34,14 (verwijzing naar Ex 21,2 // Dt 15,12 : zes jaar dienen) .
- = wësjesj sjânîm (en zes jaren) . Tenakh (4) : (1) Gn 16,16 . (2) Gn 31,41 . (3) Ex 23,10 . (4) Lv 25,3 .


-

- sjë´ôl (Hades, onderwereld) . sj-´-w-l . Tenakh (344) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (280) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (46) . 1 S (221) . 2 S (1) : 1 S 2,6 .

- sjim`n (Simeon) . sjimë`ôn (Simeon) . Taalgebruik in Tenakh : sjimë`ôn (Simeon) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 70 (2 X 5 X 7) of 466 (2 X 233) . Structuur : 3 - 4 - 7 - 6 - 5 . Gr. sumeôn (Simeon) . Bijbel (55) . Tenakh (33) . Pentateuch (18) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) . Gn (7) : (1) Gn 29,33 . (2) Gn 34,25 . (3) Gn 34,30 . (4) Gn 42,24 . (5) Gn 43,23 . (6) Gn 46,10 . (7) Gn 49,5 . Ex (2) : (1) Ex 1,2 . (2) Ex 6,15 . Nu (8) . Dt (1) . De etymologische verklaring van Gn 29,33 is : kî sjâma` JHWH (want JHWH hoorde) . In shënû´ âh (passief qal part. vr. enk. (niet bemind wordend) zitten de letters een shin (geen sjin) , een nun en een waw . Simeon is de tweede zoon van Lea en Jakob , dochter van Laban en oudere zus van Rachel . Zijn broers (uit Lea en Jakob) zijn : Ruben , Levi , Juda , Issakar , Zebulon ; zijn halfbroers uit Zilpa , de bijvrouw van Lea , en Jakob zijn : Gad en Neftali .


- sjr (zingen) . שִׁיר = sjîr (zingen) . Taalgebruik in Tenakh : sjr (zingen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 510 (3 X 10 X 17) . Structuur : 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 .

- act. ind. imperf. (jiqtol) 1ste pers. enk. cohortatief אָשִׁירָה = ´âsjîrâh (moge ik zingen) van het werkw. שִׁיר = sjîr (zingen) . Taalgebruik in Tenakh : sjîr (zingen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , resj = 20 of 200 ; totaal : 510 (3 X 10 X 17) . Structuur : 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (12) . Pentateuch (1) : Ex 15,1 .

- sjth (zetten, stellen, plaatsen) . שִׁית = sjîth (zetten, stellen, plaatsen) . Taalgebruik in Tenakh : sjth (zetten, stellen, plaatsen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 710 (2 X 5 X 71) . Structuur : 3 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 .
- act. ind. imperf. 1ste pers. enk. אָשִׁית = ´âsjîth (ik zal stellen) van het werkw. שִׁית = sjîth (zetten, stellen, plaatsen) . Taalgebruik in Tenakh : sjîth (zetten, stellen, plaatsen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 710 (2 X 5 X 71) . Structuur : 3 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (9) : (1) Gn 3,15 . (2) Js 15,9 . (3) Jr 51,39 . (4) Ps 12,6 . (5) Ps 13,3 . (6) Ps 101,3 . (7) Ps 110,1 . (8) Ps 132,11 . (9) Spr 24,32 .

- sjomërôn (Samaria) . sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in Tenakh : sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in 2 K : sjomërôn (Samaria) . Taalgebruik in Amos : sjomërôn (Samaria) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 , waw = 6 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 596 (2² X 149) . 2 K (19) : (1) 2 K 1,3 . (2) 2 K 2,25 . (3) 2 K 6,20 . (4) 2 K 6,24 . (5) 2 K 7,1 . (6) 2 K 7,18 . (7) 2 K 10,1 . (8) 2 K 10,12 . (9) 2 K 10,17 . (10) 2 K 15,14 . (11) 2 K 17,5 . (12) 2 K 17,6 . (13) 2 K 17,24 . (14) 2 K 17,26 . (15) 2 K 18,9 . (16) 2 K 18,10 . (17) 2 K 18,34 . (18) 2 K 21,13 . (19) 2 K 23,19 . bësjomërôn (in Samaria) . Tenakh (23) : (1) 2 K 1,2 . (2) 2 K 3,1 . (3) 2 K 5,3 . (4) 2 K 6,25 . (5) 2 K 10,1 . (6) 2 K 10,17 . (7) 2 K 10,35 . (8) 2 K 13,1 . (9) 2 K 13,6 . (10) 2 K 13,9 . (11) 2 K 13,10 . (12) 2 K 13,13 . (13) 2 K 14,16 . (14) 2 K 14,23 . (15) 2 K 15,8 . (16) 2 K 15,13 . (17) 2 K 15,14 . (18) 2 K 15,17 . (19) 2 K 15,23 . (20) 2 K 15,25 . (21) 2 K 15,27 . (22) 2 K 17,1 .

- sjôr (rund, os) . sjôr (rund, os) . Taalgebruik in Tenakh : sjôr (rund, os) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 47 of 506 . Structuur : 3 - 6 - 2 . Tenakh (43) . Pentateuch (27) . Js (2) : (1) Js 1,3 . (2) Js 7,25 .
- hasjsjôr (het rund, de os) . Tenakh (12) . Pentateuch (9) . Js (2) : (1) Js 32,20 . (2) Js 66,3 .
- pârâh (koe) . par (stier) .
- sjôr wâshèh (het rund en het kleinvee) . Tenakh (3) : (1) Ex 34,19 . (2) Dt 17,1 . (3) Joz 6,21 .


- שׁוּב = sjûbh (terugkeren)

- sjûbh (terugkeren) . שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 .

- act. ind. perf. 3de pers. enk. שָׁב = sjabh (hij keerde terug) van het werkw. שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 .
-- lsjbhebh (om terug te brengen) , act. piel infinit. constr. van het werkw.
-- ûlësâbhe(j) (en tot de terukerenden) . < verbindingswoord wë + voorzetsel lë (tot, naar) + werkwoordvorm act. qal part. mann. mv. stat. constr. van het werkw. Tenakh (2) : (1) Js 59,20 . (2) Ezr 6,7 .
- wajjâsjâbh (en hij keerde terug) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 . Structuur : 3 - 6 - 2 OF wë + actief qal imperfectum derde persoon mann. enkelvoud wajjesjèbh (en hij verbleef) van het werkw. jâsjabh (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsjabh (wonen) . Getalswaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , beth = 2 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13) . Structuur : 1 - 3 - 2 . Tenakh (228) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (114) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (36) . 2 K (28) : (1) 2 K 1,11 . (2) 2 K 1,13 . (3) 2 K 2,13 . (4) 2 K 4,20 . (5) 2 K 4,31 . (6) 2 K 4,35 . (7) 2 K 5,10 . (8) 2 K 5,14 . (9) 2 K 5,15 . (10) 2 K 8,29 . (11) 2 K 9,15 . (12) 2 K 11,19 . (13) 2 K 13,25 . (14) 2 K 14,14 . (15) 2 K 15,5 . (16) 2 K 15,20 . (17) 2 K 17,3 . (18) 2 K 17,6 . (19) 2 K 17,24 . (20) 2 K 17,28 . (21) 2 K 19,8 . (22) 2 K 19,9 . (23) 2 K 19,36 . (24) 2 K 20,11 . (25) 2 K 21,3 . (26) 2 K 22,9 . (27) 2 K 23,20 . (28) 2 K 24,1 .
-- wajjâsjâbh mosjèh (en Mozes keerde terug) . Tenakh (2) : (1) Ex 5,22 . (2) Ex 32,31 .
-- wajjâsjâbh mosjèh ´èl JHWH (en Mozes keerde terug naar JHWH) . Tenakh (2) : (1) Ex 5,22 . (2) Ex 32,31 .
-- wësjâbhè(j)hâ < prefiw verbindingswoord wë + werkwoordvorm actief qal part. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. vr. 3de pers. vr. enk. (en de terugkerenden naar haar) . Tenakh (2) : (1) Dt 32,42 . (2) Js 1,27 .

- וַיָּשֻׁבוּ = wajjâsjubhû (en zij keerden terug) < prefix waw consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (136) .

- act. ind. imperf. 2de pers. mv. = thâsubhû (jullie zullen terugkeren) van het werkw. שׁוּב = sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 29 of 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 3 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (13) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) .


- sjph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . שׁוּף = sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Taalgebruik in Tenakh : sjph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , pe = 17 of 80 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 386 (2 X 193) . Structuur : 3 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 8 .
- יְשׁוּפְךָ = jësjûphëkhâ (hij zal jou verpletteren) < werkwoordvorm act. ind. imperf. 3de pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het werkw. שׁוּף = sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Taalgebruik in Tenakh : sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , pe = 17 of 80 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 386 (2 X 193) . Structuur : 3 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 3,15 .
- תְשׁוּפֶנּוּ = thësûphènnû (jij zult hem verpletteren) < werkwoordvorm act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שׁוּף = sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Taalgebruik in Tenakh : sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken,verbergen) . Getalswaarde : sjin = 21 of 300 , waw = 6 , pe = 17 of 80 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 386 (2 X 193) . Structuur : 3 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (1) : Gn 3,15 .


- סוּס = sûs (paard)

- ss (paard) . סוּס = sûs (paard) . Taalgebruik in Tenakh : ss (paard) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , waw = 6 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 126 (2 X 3² X 7) . De som van de elementen is telkens 9 .


- swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) . swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) . Taalgebruik in Tenakh : swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) . Getalswaarde : samech = 15 of 60 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 266 (2 X 7 X 19) . Structuur : 6 - 6 - 2 . Een vorm van swr (wijken, afwijken, afvallen, zich ver houden van) in Js (22) .
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jâsûr (hij zal wijken) van het werkw. Tenakh (13) : (1) Gn 49,10 . (2) Dt 17,17 . (3) 2 S 7,15 . (4) 2 K 4,10 . (5) Js 10,27 . (6) Js 14,25 . (7) Jr 15,5 . (8) Jr 17,5 . (9) Zach 10,11 . (10) Ps 101,4 . (11) Spr 22,6 . (12) Job 15,30 . (13) Job 40,2 .
-- sârû maher min haddèrèkh (zij weken vlug af van de weg) . Tenakh (3) : (1) Ex 32,4 . (2) Dt 9,12 . (3) Re 2,17 .
-- act. imperat. 2de pers. mann. mv. sûrû (wijkt) . Tenakh : (1) Gn 19,2 . (2) Nu 16,26 . (3) Js 30,11 . (4) Js 52,11 . (5) Ps 6,9 . (6) Ps 119,115 . (7) Ps 139,19 . (8) Kl 4,15 .
-- act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. hesîr (hij doet weg, hij verwijdert) . Tenakh (16) : (1) Joz 11,15 . (2) 1 S 28,3 . (3) 2 K 17,23 . (4) 2 K 18,4 . (5) 2 K 18,22 . (6) 2 K 23,19 . (7) Js 18,5 . (8) Js 31,2 . (9) Js 36,7 . (10) Sef 3,15 . (11) Ps 66,20 . (12) Job 27,2 . (13) Job 34,5 . (14) 1 Kr 13,13 . (15) 2 Kr 17,6 . (16) 2 Kr 32,12 .
- act. hifil imperatief 2de pers. mann. mv. hasîrû (doet weg, verwijder) .
-- act. hifil imperf. 2de pers. mann. enk. thâsîr (jij doet weg) van het werkw. . Tenakh (2) : (1) Js 59,9 . (2) Jr 4,1 .