- WEBSITEWEGWIJZER - Tenakh TAALGEBRUIK T

-- thâ`âh (dolen, ronddwalen, duizelen, waggelen) -- tôbh (goed) --


ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 

De getalwaarde van de letter thaw is 22 of 400 . Het is de tweeëntwintigste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Het is het symbool van volledigheid . Thaw wordt vergeleken met het Egyptische "Tep" hemel . De taw vindt zijn analogie met de hiëroglyfennaam en hieratische naam van de godin Hathor , gesymboliseerd door de heilige koe, voedster van Egypte , beeld van de volmaaktheid . Hathor bracht het goddelijke voedsel voort voor het Egyptische volk , voedselmelk dat de overvloed symboliseert . De getalwaarde van thaw is : th = 22 of 400 ; waw = 6 . Totaal : 28 of 406 .

- th`h (dolen, ronddwalen, duizelen,waggelen) . תָעָה = thâ`âh (dolen, ronddwalen, duizelen, waggelen) . Taalgebruik in Tenakh : th`h (dolen, ronddwalen, duizelen,waggelen) .

- tâbhal (dopen, zich dompelen) . טָבַל = tâbhal (dopen, zich dompelen) . Taalgebruik in Tenakh : tâbhal (dopen, zich dompelen) . wajjîtëbol < Wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. (hij dompelde zich onder) . Tenakh (4) : (1) Lv 9,9 . (2) 2 S 14,27 . (3) 2 K 5,14 . (4) 2 K 8,15 . Gr. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me . ebaptisa (hij dompelde zich onder) . Bijbel (1) 2 K 5,14 . ebaptisonto en tè(i) Iordanè (i) potamô(i) (en zij werden gedoopt in de Jordaanstroom) . 2X : (1) Mt 3,6 . (2) Mc 1,5 .


- tâhâr (rein zijn, rein worden) . טָהַר = tâhar (rein zijn, rein worden) . Taalgebruik in Tenakh : tâhar (rein zijn, rein worden) . Getalwaarde : tet = 9 , he = 5 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 214 (2 X 107) . Structuur : 9 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajjitëhâr (en hij werd rein) van het werkw. tâhâr (rein zijn, rein worden) . Taalgebruik in Tenakh : tâhâr (rein zijn, rein worden) . Getalwaarde : tet = 9 , he = 5 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 214 (2 X 107) . Tenakh (2) : (1) 2 K 5,14 . (2) 2 Kr 34,5 . In 2 K 5,14 heeft het betrekking op de reiniging van melaatsheid , in 2 Kr 34,5 op de reiniging van het volk .
- Gr. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εκαθαρισθη = ekatharisthè (hij werd gereinigd) van het werkw. καθαριζω = katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in het NT : katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in de LXX : katharizô (schoon maken, reinigen) . LXX (3) : (1) Nu 12,15 (een vorm van ´âsaph = verzamelen, terugtrekken) . (2) 2 K 5,14 . (3) Jdt 16,18 (reiniging van het volk) . NT (3) : (1) Mt 8,3 . (2) Mc 1,42 . (3) Lc 4,27 . In de 3 verzen van het NT heeft het betrekking op de reiniging van melaatsheid . In Lc 4,27 is er sprake van de genezing van Naäman door de profeet Elisja . De meervoudsvorm εκαθαρισθησαν = ekatharisthèsan (zij werden gereinigd) komt in de bijbel 4X voor : (1) Ezr 6,20 . (2) Neh 12,30. (3) Lc 17,14 . (4) Lc 17,17 ; met betrekking tot de reiniging van melaatsen 2X : (1) Lc 17,14 . (4) Lc 17,17 . Een vorm van katharizô (schoon maken, reinigen) in de LXX (125) , in het NT (31) . Ned. katharsis (proces van zuivering) . Katharen < katharoi (zuiveren) .

- bijvoegl. naamw. mann. enk. טָהוֹר = tâhor (rein, zuiver) . Zie het werkw. Tenakh (58) . Pentateuch (45) . Ex (26) . Ex 25 (8) . Ex 28 (3) . Ex 30 (2) . Ex 37 (10) . Ex 39 (3) . Lv (12) . Nu (5) . Dt (2) .
- = hattëhôrâh < bepaald lidw. ha + bijvoegl. naamw. vr. enk. van het bijvoegl. naamw. Tenakh (3) : (1) Gn 7,2 . (2) Gn 7,8 . (3) Gn 8,20 .


- tal (dauw) . טַל = tal (dauw) . Taalgebruik in Tenakh : tal (dauw) . Getalwaarde : tet = 9 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 21 (3 X 7) OF 39 (3 X 13) . Structuur : 9 - 3 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (13) : (1) Dt 33,28 . (2) Re 6,37 . (3) Re 6,38 . (4) Re 6,39 . (5) Re 6,40 . (6) 2 S 1,21 . (7) 1 K 17,1 . (8) Js 18,4 . (9) Js 26,19 . (10) Ps 110,3 . (11) Spr 3,20 . (12) Job 38,28 . (13) Hl 5,2 .

- הַטַּל = hattal (de dauw) < prefix bepaald lidw. + . Tenakh (4) : (1) Ex 16,13 . (2) Ex 16,14 . (3) Nu 11,9 . (4) 2 S 17,12 .

- כַּטַּל = kattal (als dauw) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + . Tenakh (4) : (1) Dt 32,2 . (2) Hos 14,6 . (3) Mi 5,6 . (4) Ps 133,3 .

- וְכַטַּל = wëkhattal (en als dauw) < prefix verbindingswoord wë + prefix voorzetsel van vergelijking kë + . Tenakh (3) : (1) Hos 6,4 . (2) Hos 13,3 . (3) Spr 19,12 .

- וְטַל = wëtal (en dauw) < prefix verbindingswoord wë + . Tenakh (1) : Job 29,19 .


- thâmakh (grijpen, ondersteunen) . thâmakh (grijpen, ondersteunen) . Taalgebruik in Tenakh : thâmakh (grijpen, ondersteunen) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , mem = 13 of 40 , koph = 11 of 20 ; totaal : 46 (2 X 23) of 460 (2² X 5 X 23) . Structuur : 4 - 3 - 3 . In 3 verzen in Js : (1) Js 33,15 . (2) Js 41,10 . (3) Js 42,1 .
- act. qal imperf. 1ste pers. enk. ´èthëmâkh (ik ondersteun) . Tenakh (1) Js 42,1 .
Merkwaardig is het gebruik van het werkw. in Gn 48,17 (de keuze van Jakob voor Efraïm) en in Ex 17,12 (de ondersteuning van de armen van Mozes in de strijd tegen Amalek) .


- thmam (voltooid zijn, ophouden, ten einde gaan, vergaan) . thâmam (voltooid zijn, ophouden, ten einde gaan, vergaan) . Taalgebruik in Tenakh : thmam (voltooid zijn, ophouden, ten einde gaan, vergaan) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 490 (10 X 7 X 7) .
- act. qal perf. 3de pers. mann. enk. tham (het houdt op) van het werkw. . Tenakh (28) . Kl (1) : Kl 4,22 .
- act. qal perf. 1ste pers. mv. thâmënû (zij houden op) van het werkw. Tenakh (4) : (1) Nu 17,28 . (2) Jr 44,18 . (3) Ps 64,7 . (4) Kl 3,22 .


- = thâmâr (palmboom) . Fr. : le palmier .


- tâma´ (onrein zijn) . טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . t-m-´ . Tenakh (49) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (2) . Js (3) : (1) Js 6,5 . (2) Js 35,8 . (3) Js 52,11 .
- Bijvoegl. naamw. mann. enk. טָמֵא = tâme´ (onrein, bevlekt) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (39) . stat. constr. tëme´ .

- bijvoegl. naamw. vr. enk. טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (8) : (1) Lv 5,2 . (2) Lv 7,21 . (3) Lv 11,6 . (4) Lv 15,25 . (5) Lv 15,33 . (6) Lv 27,11 . (7) Joz 22,19 . (8) Am 7,17 .

- טֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (3) : (1) Nu 5,19 . (2) Re 13,7 . (3) Re 13,14 .

- הַטֻּמְאָה = hattumë´âh (de onreinheid, de verontreiniging) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naam. . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2) : (1) Zach 13,2 . (2) 2 Kr 29,16 .

- הַטְּמֵאָה = hattëme´âh (de onreine) < prefix bepaald lidw. ha + vr. enk. טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) van het bijvoegl. naamw. mann. enk. טָמֵא = tâme´ (onrein, bevlekt) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2) : (1) Lv 27,27 . (2) Nu 18,15 .

- Tegengesteld aan : tâhâr (rein zijn, rein worden) . Zie het werkw. Taalgebruik in Tenakh : tâhâr (rein zijn, rein worden) . Getalwaarde : tet = 9 , he = 5 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 214 (2 X 107) . Structuur : 9 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .


- thannn (grote zeevis, slang, draak) . תַּנִּין = thannîn (grote zeevis, slang, draak) . Taalgebruik in Tenakh : thannn (grote zeevis, slang, draak) .


- תַנּוּר = thannûr (oven)

- thannr (oven) . תַנּוּר = thannûr (oven) . Taalgebruik in Tenakh : thannr (oven) . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , nun = 14 of 50 , resj = 20 of 200 ; totaal : 56 (2³ X 7 OF 7 X 8) OF 650 (5 X 13 X 100 OF 2² X 5³ X 13) . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (4) : (1) Gn 15,17 . (2) Lv 2,4 . (3) Lv 11,35 . (4) Hos 7,4 .


- taraph (verscheuren, vernietigen) . טָרַף= taraph (verscheuren, vernietigen) . Taalgebruik in Tenakh : taraph (verscheuren, vernietigen) . Getalswaarde : tet = 9 , resj = 20 of 200 , pe = 17 of 80 ; totaal : 46 (2 X 23) OF 289 . Structuur : 9 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 1 .

- vr. enk. טְרֵפָה = tërephâh (het verscheurde) van het bijvoegl. naamw. טָרָף= târâph (verscheurd) . Zie het werkw טָרַף= taraph (verscheuren, vernietigen) . Taalgebruik in Tenakh : taraph (verscheuren, vernietigen) . Getalswaarde : tet = 9 , resj = 20 of 200 , pe = 17 of 80 ; totaal : 46 (2 X 23) OF 289 . Structuur : 9 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (4) : (1) Gn 31,39 . (2) Ex 22,30 . (3) Lv 7,24 . (4) Nah 2,13 . Een vorm van טְרֵפָה = tërephâh (het verscheurde) in 9 verzen .
- Jiddisch : treife < טְרֵפָה = tërephâh (het verscheurde) : ritueel ongeoorloofd , onrein .


- כַתַּנּוּר = khaththannûr (als de oven) < prefix voorzetsel kë + zelfst. naamw. תַנּוּר = thannûr (oven) . Taalgebruik in Tenakh : thannûr (oven) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , nun = 14 of 50 , resj = 20 of 200 ; totaal : 56 (2³ X 7) OF 650 (5 X 13 X 100 OF 2² X 5³ X 13) . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (5) : (1) Hos 7,6 . (2) Hos 7,7 . (3) Mal 3,19 . (4) Ps 21,10 . (5) Kl 5,10 .


- trach (Terach) . תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach) . Taalgebruik in Tenakh : trach (Terach) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 50 (2 X 5²) OF 608 (2² X 2³ X 19) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (9) : (1) Gn 11,24 . (2) Gn 11,25 . (3) Gn 11,26 . (4) Gn 11,27 . (5) Gn 11,28 . (6) Gn 11,31 . (7) Gn 11,32 . (8) Joz 24,2 . (9) 1 Kr 1,26 .
- θαρα = thara (Terach) . Bijbel (10) : zie hoger + Lc 3,34 .


- thâwèkh (stat. constr. thôkh) : het midden, het inwendige . תָוֶך = thâwèkh (stat. constr. תּוֹך = thôkh) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenakh : thâwèkh (stat. constr. thôkh) : het midden, het inwendige . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , waw = 6 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 39 (13 + 26) OF 426 . Structuur : 4 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 .

- בְתוֹךְ = bëthôkh (in het midden van) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. construct. van het zelfst. naamw. תָוֶך = thâwèkh (stat. constr. תּוֹך = thôkh) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenakh : thâwèkh (stat. constr. thôkh) : het midden, het inwendige . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , waw = 6 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 39 (13 + 26) OF 426 . Structuur : 4 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (179) .


- thbhh (gewin, inkomsten, oogst, opbrengst) . thëbhû´âh (gewin, inkomsten, oogst, opbrengst) . Taalgebruik in Tenakh : thbhh (gewin, inkomsten, oogst, opbrengst) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , beth = 2 , waw = 6 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 414 (2 X 3² X 23) .

-- haththëbhû´âh < bepaald lidw. + zelfst. naamw. Tenakh (2) : (1) Lv 25,21 . (2) Lv 25,22 .


- תְּחִלָּה = thëchillâh (begin)

- thchillh (begin) . תְּחִלָּה = thëchillâh (begin) . Taalgebruik in Tenakh : thchillh (begin) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 47 OF 443 (priemgetal) . Structuur : 4 - 8 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Afgeleid van de hifil van het werkw. חָלַל = châlal (beginnen) . Taalgebruik in Tenakh : châlal (beginnen) . Getalswaarde : chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17) . Structuur : 8 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 3 . Jouön , 88o .

- בַּתְּחִלָּה = baththëchillâh (in het begin) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. תְּחִלָּה = thëchillâh (begin) . Taalgebruik in Tenakh : thëchillâh (begin) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , chet = 8 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 47 OF 443 (priemgetal) . Structuur : 4 - 8 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Afgeleid van de hifil van het werkw. חָלַל = châlal (beginnen) . Taalgebruik in Tenakh : châlal (beginnen) . Getalswaarde : chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17) . Structuur : 8 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 3 . Jouön , 88o . Tenakh (9) : (1) Gn 13,3 . (2) Gn 41,21 . (3) Gn 43,18 . (4) Gn 43,20 . (5) Re 1,1 . (6) Re 20,18 . (7) 2 S 17,9 . (8) Da 8,1 . (9) Da 9,21 .

Zie ook de hifil הִתְחִיל = hitchîl (beginnen, aanvangen) van het werkw. תָחַל = thâchal .


- thhm (afgrond, oerwater) . תְהוֹם = thëhôm (afgrond, oerwater) . Taalgebruik in Tenakh : thhm (afgrond, oerwater) . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , he = 5 , mem = 13 of 40 ; totaal : 40 OF 445 (5 X 89) . Structuur : 4 - 5 - 4 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (20) . Gn (4) : (1) Gn 1,2 . (2) Gn 7,11 . (3) Gn 8,2 . (4) Gn 49,25 .

- thëphillâh (gebed) . thëphillâh (gebed) . Taalgebruik in Tenakh : thëphillâh (gebed) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , pe = 17 of 80 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 56 (2³ X 7) OF 515 (5 X 103) . < pâlal (bidden) .


- thrmh (heffing, afzondering, gave) . תְרוּמָה = thërûmâh (heffing, afzondering, gave) . Taalgebruik in Tenakh : thrmh (heffing, afzondering, gave) . Zie ook het werkw. רוּם = rûm (zich verheffen, opstaan) . Taalgebruik in Tenakh : rûm (zich verheffen, opstaan) . Een verbaal zelfst. naamw. gevormd met de ת (thaw) als prefix , gevormd uit een werkw. ו"ע (de middelste medeklinker van het werkw. is een waw -> û) (zie Joüon 88 Ls) en suffix âh , de vrouwelijke uitgang . .


- thesjbhh (terugkeer, antwoord, weerlegging) . תְשׁוּבָה = thesjûbhâh (terugkeer, antwoord, weerlegging) . Taalgebruik in Tenakh : thesjbhh (terugkeer, antwoord, weerlegging) .
- Een zelfst. naamw. gevormd uit een afleiding van een werkw. en de letter thaw (Lettinga 12 , 2012 , 22Bi4) .

- thigëlath pile´èsèr (Tiglat Pileser) . thigëlath pile´èsèr (Tiglat Pileser) . Taalgebruik in Tenakh : thigëlath pile´èsèr (Tiglat Pileser) . Tenakh (3) : (1) 2 K 15,29 . (2) 2 K 16,7 . (3) 2 K 16,10 . Koning van Assur (750-735) .

- thrsj / thtosj (most) . / = thîrôsj / thîtosj (most) . Taalgebruik in Tenakh : thrsj / thtosj (most) .

- th`bhh (gruweldaad) . thô`äbhâh (gruweldaad) . Taalgebruik in Tenakh : th`bhh (gruweldaad) . - kth`bhoth (als de gruweldaden) < k + vr. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (2) : (1) Dt 18,9 . (2) 2 K 21,2 . këtho`äbhôth . Tenakh (2) : (1) 2 K 16,3 . (2) 2 Kr 28,3 . stat. constr. vr. enk. thô`äbhath (gruweldaad van) OF vr. mv. thô`äbhoth (gruweldaden) . Tenakh (25) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (1) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Eerdere Profeten (1) : 2 K 23,13 .

- thohû (woestenij, leegheid) . thohû (woestenij, leegheid) . Taalgebruik in Tenakh : thohû (woestenij, leegheid) . Getalwaarde : thaw = 22 of 400 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 33 (3 X 11) OF 411 (3 X 137) . Structuur : 4 - 5 - 6 . Tenakh (10) : (1) Gn 1,2 . (2) 1 S 12,21 . (3) Js 24,10 . (4) Js 34,11 . (5) Js 44,9 . (6) Js 45,18 . (7) Js 45,19 . (8) Js 59,4 . (9) Jr 4,23 . (10) Job 26,7 .
- lëthohû (vergeefs) < lë + . Tenakh (1) Js 49,4 .


- טוֹב = tôbh (goed)

- tôbh (goed) . טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Getalwaarde : tet = 9 , waw = 6 , beth = 2 ; totaal : 17 . Structuur : 9 - 6 - 2 . De som van de elementen is 8 . Tenakh (290) . Pentateuch (38) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (23) . 12 Kleine Profeten (14) . Alle profeten (86) . Geschriften (166) . Gn (23) : (1) Gn 1,4 . (2) Gn 1,10 . (3) Gn 1,12 . (4) Gn 1,18 . (5) Gn 1,21 . (6) Gn 1,25 . (7) Gn 1,31 . (8) Gn 2,9 . (9) Gn 2,12 . (10) Gn 2,17 . (11) Gn 2,18 . (12) Gn 3,5 . (13) Gn 3,6 . (14) Gn 3,22 . (15) Gn 24,10 . (16) Gn 24,50 . (17) Gn 26,29 . (18) Gn 29,19 . (19) Gn 30,20 . (20) Gn 40,16 . (21) Gn 45,18 . (22) Gn 45,20 . (23) Gn 49,15 . Kl (3) : (1) Kl 3,25 . (2) Kl 3,26 . (3) Kl 3,27 .
- טוֹב = tôbh (goed) < naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk lange klinker (qâl-vorm) (Lettinga 12, 2012 , 22Bc3) . De lange a is in lettergrepen met klemtoon overgegaan tot ô (Lettinga , 12 , 2012 , 14c) . Het is dus niet ontstaan uit een samentrekking van tawb .
- Gr. αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) . Een vorm van αγαθος = agathos in de LXX (599) , in het NT (104) .
- Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .

-

- vr. enk. טוֹבָה = tôbhâh (goed) .
- zelfst. naamw. vr. enk met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijke lange klinker â (qâlath) (Lettinga(6) 24c2) . De lange a is in lettergrepen met klemtoon overgegaan tot ô (Lettinga(6) 13b) .
- hattôbhâh < bepaald lidw. ha + vr. enk. van het bijvoegl. naamw. Tenakh (36) . Pentateuch (7) . Eerdere Profeten (15) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (11) .


- thrh (wet) . תוֹרָה = thôrâh (wet) . Taalgebruik in Tenakh : thrh (wet) . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , waw = 6 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 611 (13 X 47) .
- stat. constr. vr. enk. תוֹרַת = thôrath (de wet van) van het zelfst. naamw. תוֹרָה = thôrâh (wet) . Taalgebruik in Tenakh : thôrâh (wet) . Tenakh (47) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (15) . Eerdere Profeten (7) : (1) Joz 8,31 . (2) Joz 8,32 . (3) Joz 23,6 . (4) Joz 24,26 . (5) 2 S 7,19 . (6) 2 K 14,6 . (7) 2 K 23,25 . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 70 (7 X 10) OF 1006 (2 X 503) .
- הַתּוֹרָה = haththôrâh (de wet, Pentateuch, chûmasj) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. תוֹרָה = thôrâh (wet) . Taalgebruik in Tenakh : thôrâh (wet) . Getalswaarde : 53 + 5 = 58 (2 X 29) OF 616 (2³ X 3 X 11) .

  bijbel   O.T.  NT Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   Joz   Re   Rt  1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Neh  Tob  Jdt  Est  1 Mak  2 Mak     
thôrâh  22                                                   
thôrath 47                                                  
baththôrâh                                                   
bëthôrath  15                                                   

  Job  Ps  Spr  Pr  Hl  W  Sir  Js  Jr  Kl  Bar   Ez  Da  Hos  Jl  Am  Ob  Jon  Mi  Nah  Hab  Sef  Hag  Zach  Mal     
thôrâh                                                       
thôrath   3                                                  
baththôrâh                                                       
bëthôrath                                                     

- תוֹרַת = thôrath (de wet van) . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 70 (7 X 10) OF 1006 (2 X 503) .
-- תוֹרַת מֹשֶׁה = thorath mosjèh (de wet van Mozes) (7) : (1) Joz 8,31 . (2) Joz 8,32 . (3) Joz 23,6 . (4) 2 K 14,6 . (5) 2 K 23,25 . (6) Neh 8,1 . (7) Mal 3,22 . Getalswaarde : 70 (7 X 10) OF 1006 (2 X 503) + 39 (3 X 13) of 345 (3 X 5 X 23) = 109 (priemgetal) OF 1351 (7 X 193) .
-- תוֹרַת מָשִׁיחַ = thôrath mâsjîach (de wet van de messias , gezalfde) .Getalswaarde : 70 (7 X 10) OF 1006 (2 X 503) + 52 (2 X 26) OF 358 (2 X 179) = 122 OF 1364 . De som van deze twee getalswaarden (rangtalwoorden en hoofdtelwoorden) : 122 + 1364 = 1486 .


- = tôtâphoth

- thr (rondreizen, opsporen,doorvorsen, verspieden) . תּוּר = thûr (rondreizen, opsporen,doorvorsen, verspieden) . Taalgebruik in Tenakh : thr (rondreizen, opsporen,doorvorsen, verspieden) .

-


- tsâ`âq (schreeuwen, roepen) . צָעַק = tsâ`aq (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâ`âq (schreeuwen, roepen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 53 of 260 (2² X 5 X 13 OF 10 X 26) . Structuur : 9 - 7 - 1 . De som van de elementen is telkens 8 . Een vorm van צָעַק = tsâ`âq (schreeuwen, roepen) in Jesaja (5) : (1) Js 19,20 . (2) Js 33,7 . (3) Js 42,2 . (4) Js 46,7 . (5) Js 65,14 .

- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jitsë`aq (hij zal roepen) . Tenakh (4) : (1) Ex 22,22 . (2) Ex 22,26 . (3) Js 42,2 . (4) Js 46,7 .

- וַנַנִּצְעַק = wanannitsë`aq (en wij riepen) < prefix wë + act. qal imperf. 1ste pers. mv. van het werkw. צָעַק = tsâ`aq (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâ`âq (schreeuwen, roepen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 53 of 260 (2² X 5 X 13 OF 10 X 26) . Structuur : 9 - 7 - 1 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (2) : (1) Nu 20,16 . (2) Dt 26,7 .
- וַיִּצְעֲקוּ = wajjitsë`äqû (en zij riepen) < prefix wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. צָעַק = tsâ`aq (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâ`âq (schreeuwen, roepen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 53 of 260 (2² X 5 X 13 OF 10 X 26) . Structuur : 9 - 7 - 1 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (10) : (1) Ex 5,15 . (2) Ex 14,10 . (3) Joz 24,7 . (4) Re 4,3 . (5) Ps 107,6 . (6) Ps 107,28 . (7) 2 Kr 13,14 .
- וַיִֹזְעָקוּ = wajjizë`âqû (en zij klaagden) < prefix wë + act. ind. imperf. 3de pers. mv. van het werkw. זָעַק = zâ`aq (schreien, klagen) . Taalgebruik in Tenakh : zâ`aq (schreigen, klagen) . Getalwaarde : zajin = 7 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 177 (3 X 59) . Structuur : 7 - 7 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1) : Ex 2,23 .


- tsbh (leger, krijgsmacht, hemelheir) . tsâbhâ´ (leger, krijgsmacht, hemelheir) . Stat. constr. tsëbhâ´ . Taalgebruik in Tenakh : tsâbhâ´ (leger, krijgsmacht, hemelheir) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 21 (3 X 7) OF 93 (3 X 31) . Structuur : 9 - 2 - 1 . Tenakh (74) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (16) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (23) . 2 K (5) : (1) 2 K 5,1 . (2) 2 K 17,16 . (3) 2 K 21,3 . (4) 2 K 21,5 . (5) 2 K 23,4 . (6) 2 K 23,5 .
- mv. tsëbhâ´ôth (machten) van het zelfst. naamw. . ts-b-´-w-th . Tenakh (274) . Pentateuch (2) . Js (60) .


- צָבַר = tsâbhar (ophopen)

- tsbhar (ophopen) . צָבַר = tsâbhar (ophopen) . Taalgebruik in Tenakh : tsbhar (ophopen) .
- act. ind. imperf. 3de pers. enk. יִצְבֹּר = jitsëbor (hij hoopt op) van het werkw. צָבַר = tsâbhar (ophopen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâbhar (ophopen) . Tenakh (2) : (1) Ps 39,7 . (2) Job 27,16 .


- צָחַק = tsâchaq (lachen)

- tsâchaq (lachen) . צָחַק = tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Getalswaarde : tsade = 19 of 100 , chet = 8 , qoph =18 of 90 ; totaal : 45 (3² X 5) OF 198 (2 X 3² X 11) . Structuur : 1 - 8 - 9 . De som van de elementen is telkens 9 .

- וַיִּצְחָק = wajjitsëchâq (en hij lachte) van het werkw. צָחַק = tsâchaq (lachen) . Taalgebruik in Tenakh : tsâchaq (lachen) . Tenakh (1) Gn 17,17 .


- tsâdâh (beloeren, lagen leggen) .

- tsä`îr (klein, jong, nederig) . tsä`îr (klein, jong, nederig) . Taalgebruik in Tenakh : tsä`îr (klein, jong, nederig) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 360 (2³ X 3² X 5) .

- tsâmâ´ (dorst hebben, dorsten) . tsâmâ´ (dorst hebben, dorsten) . Taalgebruik in Tenakh : tsâm´â (dorst hebben, dorsten) . Het Nederlandse werkwoord "smachten" benadert het Hebreeuwe werkwoord tsâmâ´ . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 131 (priemgetal) . Structuur : 9 - 4 - 1 .

- ts-m-´ ; (1) actief qal perf 3de persoon mannelijk enkelvoud tsâmâ´ (hij smacht) (2) act. qal part. mann. enk. tsâme´ (smachtende) . Tenakh (7) : (1) Js 5,13 . (2) Js 21,14 . (3) Js 32,6 . (4) Js 44,3 . (5) Js 55,1 . (6) Am 8,11 . (7) Spr 25,21 .
--- tsâmë´âh (zij heeft dorst) . Actief qal derde persoon vrouwelijk enkelvoud . Het komt in twee verzen in de bijbel voor : (1) Ps 42,3 . (2) Ps 63,2 .
--- wajîtsëma (en hij smachtte) . In twee verzen in de bijbel . In de LXX vertaald door edipsèsen . (1) Ex 17,3 . (2)
--- edipsèsen . (hij / zij had dorst) . Actief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord dipsaô (dorsten , dorst hebben) . In vier verzen in de bijbel (1) Ps 42,3 . (2) Ps 63,2 .(LXX) .

- tsâmach (ontspruiten, groeien) . tsâmach (ontspruiten, groeien) . Taalgebruik in Tenakh : tsâmach (ontspruiten, groeien) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , mem = 13 of 40 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 11) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 9 - 4 - 8 .
- act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. (zij groeit) . Tenakh (4) : (1) Dt 29,22 . (2) Js 43,19 . (3) Js 58,8 . (4) Ps 85,12 .

- tsmad (nifal l : aanhangen, dienen) . tsâmad (nifal lë : aanhangen, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : tsmad (nifal l : aanhangen, dienen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , mem = 13 of 40 , daleth = 4 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 134 (2 X 67) . Structuur : 9 - 4 - 4 .
- passief nifal imperf. 3de pers. mann. enk. wajjitstsâmèd (en hij hing aan) . Ternakh (1) : Nu 25,3 .


- tsâphan (verbergen, bewaren) . צָפַן = tsâphan (verbergen, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : tsâphan (verbergen, bewaren) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 ; totaal : 49 OF 220 . Structuur : 9 - 8 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 .
- tsëphanëjâh (Sefanja) < act. qal perf. 3de pers. mann. enk. tsâphan + jah (verkorte naam van JHWH) . Persoonsnaam . Tenakh (8) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) .

- וְצָפוּן = wëtsâphûn (en bewaard wordende) < prefix verbindingswoord wë + pass. part. praes. nom. mann. enk. van het werkw. צָפַן = tsâphan (verbergen, bewaren) . Taalgebruik in Tenakh : tsâphan (verbergen, bewaren) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 ; totaal : 49 OF 220 . Structuur : 9 - 8 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (1) : Spr 13,22 .


- צַר = tsar (vijand, verdrukker)

- tsar (vijand, verdrukker) . צַר = tsar (vijand, verdrukker) . Taalgebruik in Tenakh : tsar (vijand, verdrukker) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 290 (2 X 5 X 29) . Structuur : 9 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 .
- stat. constr. mann. mv. צָרֵי = tsâre(j) (verdrukkers van...) van het zelfst. naamw. צַר = tsar (vijand, verdrukker) . Taalgebruik in Tenakh : tsar (vijand, verdrukker) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 290 (2 X 5 X 29) . Structuur : 9 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 .
- tsâre(j)hèm (hun verdrukkers) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. .

- ֵ : twee punten onder de regel duidt de צֵרֵי = tsere(j) (tsere) = e aan . Het is een tussenklinker , een klinker tussen de lange i (chireq) en de korte i (chireq) evenals de korte è (sëgôl) . Bij deze klinker e kan de medeklinker jod een leesmoeder zijn .

- De י ֵ = e - j (uitspraak e) kan de status constructus mannelijk meervoud van het zelfstandig naamwoord aanduiden . Het mannelijk meervoud status absolutus eindigt meestal op מ י ִ .


- tsra`ath (melaatsheid) . צָרָעַת = tsâra`ath (melaatsheid) . Taalgebruik in Tenakh : tsra`ath (melaatsheid) . Bijbel (20) : (1) Lv 13,2 . (2) Lv 13,3 . (3) Lv 13,8 . (4) Lv 13,9 . (5) Lv 13,11 . (6) Lv 13,15 . (7) Lv 13,20 . (8) Lv 13,25 . (9) Lv 13,27 . (10) Lv 13,30 . (11) Lv 13,42 . (12) Lv 13,43 . (13) Lv 13,47 . (14) Lv 13,49 . (15) Lv 13,51 . (16) Lv 13,52 . (17) Lv 13,59 . (18) Lv 14,32 . (19) Lv 14,34 . (20) Lv 14,44 .


- צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen )

- tsâwâh (opdragen) . צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) . Taalgebruik in Tenakh : tsâwâh (opdragen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 29 OF 101 (priemgetal) . Structuur : 9 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .

- act. piël perf. 3de pers. mann. enk. צִוָּה = tsiwwâh (hij beval) van het werkw. צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) . Taalgebruik in Tenakh : tsâwâh (opdragen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 29 OF 101 (priemgetal) . Structuur : 9 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (192) . Pentateuch (110) . Eerdere Profeten (45) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (27) . Ex (35) . Lv (22) : (1) Lv 7,36 . (2) Lv 7,38 . (3) Lv 8,4 . (4) Lv 8,5 . (5) Lv 8,9 . (6) Lv 8,13 . (7) Lv 8,17 . (8) Lv 8,21 . (9) Lv 8,29 . (10) Lv 8,34 . (11) Lv 8,36 . (12) Lv 9,5 . (13) Lv 9,6 . (14) Lv 9,7 . (15) Lv 9,10 . (16) Lv 9,21 . (17) Lv 10,1 . (18) Lv 10,15 . (19) Lv 16,34 . (20) Lv 17,2 . (21) Lv 24,23 . (22) Lv 27,34 .

 

- act. piël imperf. 3de pers. enk. יְצַוֶּה = jëtsawwèh (hij beveelt) van het werkw. צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) . Taalgebruik in Tenakh : tsâwâh (opdragen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 29 OF 101 (priemgetal) . Structuur : 9 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (5) : (1) Gn 18,19 . (2) Nu 9,8 . (3) 2 S 9,11 . (4) Ps 42,9 . (5) Ps 91,11 . NBG : Lc 8,25 .

- tsiwwâh JHWH (JHWH beval) . In 122 verzen in de bijbel . In vierendertig (2 X 17) verzen in Ex . In tien verzen in

- act. piël part. mann. enk. מְצַוֶּה = mëtsawwèh (bevelende) van het werkw. צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) . Taalgebruik in Tenakh : tsâwâh (opdragen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 29 OF 101 (priemgetal) . Structuur : 9 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (14) : (1) Nu 32,25 . (2) Dt 4,2 (2X) . (3) Dt 11,13 . (4) Dt 11,22 . (5) Dt 11,27 . (6) Dt 11,28 . (7) Dt 12,11 . (8) Dt 13,1 . (9) Dt 27,1 . (10) Dt 27,4 . (11) Dt 28,14 . (12) Jr 34,22 . (13) Am 6,11 . (14) Am 9,9 . UBS : Mc 1,27 . Een vorm van צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) in Tenakh (471) .

- act. piël part. vr. enk. מְצַוָּה = mëtsawwâh (bevelende) van het werkw. צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) . Taalgebruik in Tenakh : tsâwâh (opdragen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 29 OF 101 (priemgetal) . Structuur : 9 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (1) : Gn 27,8 . Een vorm van צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) in Tenakh (471

--- mëtsawwâh . In 19 verzen in de bijbel . ´äsjèr ´ânokhî mëtsawwèh ´èthkhèm ¨hajjôm (die ik jullie heb opgedragen vandaag ) . Tenakh (10) : (1) Dt 4,2 (tweemaal) . (2) Dt 11,13 . (3) Dt 11,22 . (4) Dt 11,27 . (5) Dt 11,28 . (6) Dt 12,11 . (7) Dt 13,1 . (8) Dt 27,1 . (9) Dt 27,4 . (10) Dt 28,14 .
- wajëtsaw (en hij beval) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (48) . Pentateuch (22) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (1) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (1) . 2 K (5) : (1) 2 K 11,15 . (2) 2 K 17,27 . (3) 2 K 22,12 . (4) 2 K 23,4 . (5) 2 K 23,21 . wajëtsaw hammèlèkh (en de koning beval) . Tenakh (7) : (1) 2 S 18,5 . (2) 1 K 2,46 . (3) 1 K 5,31 . (4) 2 K 22,12 . (5) 2 K 23,4 . (6) 2 K 23,21 . (7) 2 Kr 34,20 .
--- wajatsawwehû of wëjatsawwehû (en hij stelde aan) . Piel imperfectum derde persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel .
--- ´äsjèr tsiwwîthèm (die ik jullie beval) . Tenakh (2) : (1) Ex 32,4 . (2) Dt 9,12 .

- מְצַוְּךָ = mëtsawwëkhâ (jou opdragende) < act. piël part. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. mann. enk. van het werkw. צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) . Taalgebruik in Tenakh : tsâwâh (opdragen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 29 OF 101 (priemgetal) . Structuur : 9 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (28) . (1) Ex 34,11 . (2) Dt 4,40 . (3) Dt 6,2 . (4) Dt 6,6 . (5) Dt 7,11 . (6) Dt 8,1 . (7) Dt 8,11 . (8) Dt 10,13 . (9) Dt 11,8 . (10) Dt 12,14 . (11) Dt 12,28 . (12) Dt 13,19 . (13) Dt 15,5 . (14) Dt 15,11 . (15) Dt 15,15 . (16) Dt 19,7 . (17) Dt 19,9 . (18) Dt 24,18 . (19) Dt 24,22 . (20) Dt 26,16 . (21) Dt 27,10 . (22) Dt 28,1 . (23) Dt 28,13 . (24) Dt 28,15 . (25) Dt 30,2 . (26) Dt 30,8 . (27) Dt 30,11 . (28) Dt 30,16 .


- tsèdèq (rechtvaardig) . צֶדֶק = tsèdèq (rechtvaardig) . Taalgebruik : tsèdèq (rechtvaardig) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , daleth = 4 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 41 OF 194 (2 X 97) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (64) . Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (37) . Js (12) : (1) Js 1,21 . (2) Js 11,5 . (3) Js 16,5 . (4) Js 26,9 . (5) Js 26,10 . (6) Js 41,2 . (7) Js 45,8 . (8) Js 45,19 . (9) Js 51,1 . (10) Js 51,7 . (11) Js 58,2 . (12) Js 64,4 . Ps () : (1) Ps 4,6 . (2) Ps 9,5 . (3) Ps 15,2 . (4) Ps 17,1 . (5) Ps 23,3 . (6) Ps 40,10 . (7) Ps 45,5 . (8) Ps 45,8 . (9) Ps 48,11 . (10) Ps 51,21 . (11) Ps 52,5 . (12) Ps 58,2 . (13) Ps 85,11 . (14) Ps 85,14 . (15) Ps 89,15 . (16) Ps 94,15 . (17) Ps 97,2 . (18) Ps 110,4 . (19) Ps 118,19 . (20)

- צַדִּיק = tsaddîq (rechtvaardige) . Zie : צֶדֶק = tsèdèq (rechtvaardig) . Taalgebruik in Tenakh : tsèdèq (rechtvaardig) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , daleth = 4 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 41 OF 194 (2 X 97) . Structuur : 9 - 4 - 1 . ts-d-q . Tenakh (108) . Pentateuch (6) : (1) Gn 6,9 . (2) Gn 7,1 . (3) Gn 18,23 . (4) Gn 18,25 . (5) Gn 20,4 . (6) Dt 32,4 . 12 kl. Prof. (6) : (1) Am 2,6 . (2) Am 5,12 . (3) Hab 1,13 . (4) Sef 3,5 . (5) Zach 9,9 . (6) Mal 3,18 .

- mann. mv. צַדִּיקִם = tsaddîqim (rechtvaardigen) van het zelfst. naamw. צַדִּיק = tsaddîq (rechtvaardige) . Zie : צֶדֶק = tsèdèq (rechtvaardig) . Taalgebruik in Tenakh : tsèdèq (rechtvaardig) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , daleth = 4 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 41 OF 194 (2 X 97) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (5) : (1) Gn 18,24 . (2) Gn 18,26 . (3) Dt 4,8 . (4) Dt 16,19 . (5) Ez 23,45 .

- mann. mv. צַדִּיקִים = tsaddîqîm (rechtvaardigen). Tenakh (43) . Pentateuch (1) : Ex 23,8 .
- mann. mv. צַדִּקִים = tsaddîqîm (rechtvaardigen). Tenakh (2) : (1) 1 K 2,32 . (2) 2 K 10,9 .

wëtsaddîq (en een rechtvaardige) .

- צְדָקָה = tsëdâqâh (rechtvaardigheid) . Zelfst. naamw. met oorspronkelijk 3 stammedeklinkers en 2 korte klinkers : qatalat-vorm (Lettinga 24 e2) . a is in open lettergreep vóór de bijklemtoon meestal vervluchtigd tot een sjewa (Lettinga 13 j) . In open lettergrepen onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon wordt de korte a verlengd tot â (Lettinga 13 i) ; zo komt uit tsadaqat tsëdâqâh . vr. mv. צִדְקוֹת = tsidqôth (rechtvaardigheden) . a is in gesloten lettergrepen zonder klemtoon dikwijls i geworden (Lettinga 13 g) .

- zelfst. naamw. vr. mv. en suffix bezittel. voornaamw.

tsidqôth (rechtvaardigheden) , tsidqôtha(j)w (zijn rechtvaardigheden) , tsidqôtha(j)w (zijn rechtvaardigheden) .
7. tsidqôthè(j)khâ (jouw rechtvaardigheden) , tsidqôthe(j)hèm (hun rechtvaardigheden) , tsidqôthe(j)hèn (hun rechtvaardigheden) .

w-ts-d-q . Tenakh (10) . 12 kl. Prof. (1) Hab 2,4 .
- צְדָקָה = tsëdâqâh (rechtvaardigheid) . Zie het bijvoegl. naamw. צֶדֶק = tsèdèq (rechtvaardig) . Taalgebruik : tsèdèq (rechtvaardig) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , daleth = 4 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 41 OF 194 (2 X 97) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . ts-d-q-h . Tenakh (32) . Pentateuch (4) : (1) Gn 15,6 . (2) Gn 18,19 . (3) Gn 38,26 . (4) Dt 24,13 . 12 kl. Prof. (2) : (1) Am 6,12 . (2) Mal 3,20 .

ûtsëdâqâh (en rechtvaardigheid) . u-ts-d-q-h . Tenakh (31) . 12 kl. Prof. (2) : (1) Am 5,7 . (2) Am 5,24 .


- tslm (beeld, afgodsbeeld, schaduwbeeld) . צֶלֶם = tsèlèm (beeld, afgodsbeeld, schaduwbeeld) . Taalgebruik in Tenakh : tslm (beeld, afgodsbeeld, schaduwbeeld) . Getalswaarde : tsade = 18 of 90 , lamed = 12 of 30 , mem = 13 of 40 ; totaal : 43 OF 160 (2³ X 2² X 5) . Structuur : 9 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 .

- בְּצַלְמֵנוּ = bëtsalëmenû (met ons beeld) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. mv. van het zelfst. naamw. צֶלֶם = tsèlèm (beeld, afgodsbeeld, schaduwbeeld) . Taalgebruik in het NT : tsèlèm (beeld, afgodsbeeld, schaduwbeeld) . Getalswaarde : tsade = 18 of 90 , lamed = 12 of 30 , mem = 13 of 40 ; totaal : 43 OF 160 (2³ X 2² X 5) . Structuur : 9 - 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 .


- tsijjôn (Sion) . צִיּוֹן = tsijjôn (Sion) . Taalgebruik in Tenakh : tsijjôn (Sion) . Taalgebruik in Jesaja : tsijjôn (Sion) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2 X 3) OF 156 (2³ X 3 X 13 OF 6 X 26) . Structuur : 9 - 1 - 6 - 5 . Tenakh (108) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (47) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (38) . Jl (2) : (1) Jl 2,23 . (2) Jl 3,5 . Sef (2) : (1) Sef 3,14 . (2) Sef 3,16 . Kl (12) : (1) Kl 1,4 . (2) Kl 1,6 . (3) Kl 1,17 . (4) Kl 2,1 . (5) Kl 2,4 . (6) Kl 2,8 . (7) Kl 2,10 . (8) Kl 2,13 . (9) Kl 2,18 . (10) Kl 4,2 . (11) Kl 4,22 . (12) Kl 5,18 .
- בַת צִיּוֹן = bath tsijjôn (dochter Sion) . Tenakh (19 + 4 = 23X) . Js (4) : (1) Js 1,8 . (2) Js 37,22 . (3) Js 52,2 . (4) Js 62,11 . Zie ook be(j)th tsijjôn (huis van Sion) , slechts in Js 10,32 . ´èl har bath tsijjôn (naar de berg van de dochter van Sion) . Tenakh (1) Js 16,1 . har be(j)th tsijjôn (de berg van het huis van Sion) , slechts in Js 10,32 . Jr (3) . Kl (7) . 12 kl. Prof. (5) : (1) Mi 4,8 . (2) Mi 4,10 . (3) Sef 3,14 . (4) Zach 2,14 . (5) Zach 9,9 .
- bëhar tsijjôn (op de berg Sion) . Tenakh (6) : (1) Js 8,18 . (2) Js 10,12 . (3) Js 24,23 . (4) Jl 3,5 . (5) Ob 21 . (6) Mi 4,7 .
- bëtsijjôn (in Sion) < bë + tsijjôn (Sion) . Tenakh (28) . Js (8) . Jl (4) : (1) Jl 2,1 . (2) Jl 2,15 . (3) Jl 4,17 . (4) Jl 4,21 .
- lëbath tsijjôn (aan dochter Sion) . Tenakh (2) : (1) Js 62,11 . (2) Mi 1,13 .
- mitstsijjôn (uit Sion) < min (uit) + tsijjôn (Sion) . Tenakh (12) : (1) Js 2,3 . (2) Jr 9,18 . (3) Jl 4,16 . (4) Am 1,2 . (5) Mi 4,2 . (6) Ps 14,7 . (7) Ps 50,2 . (8) Ps 53,7 . (9) Ps 110,2 . (10) Ps 128,5 . (11) Ps 134,3 . (12) Ps 135,21 .
-- lëtsijjôn (tot Sion) . Tenakh (5) : (1) Js 41,27 . (2) Js 51,16 . (3) Js 52,7 . (4) Js 59,20 . (5) Zach 8,2 .
-- JHWH mitstsijjôn (JHWH uit Sion) . Tenakh (5) : (1) Ps 110,2 . (2) Ps 128,5 . (3) Ps 134,3 . (4) Ps 135,21 . (5) Am 1,2 .


- tsts (bloesem, bloem) . צִיצ = tsîts (bloesem, bloem) . Taalgebruik in Tenakh : tsts (bloesem, bloem) . Zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijke lange klinker : qîl-vorm (Lettinga 24c2) . De î (lange i) blijft onderanderlijk . Tenakh (7) . Een vorm צִיצ = tsîts (bloesem, bloem) van in Tenakh (19) .


-

- tso´n (kudde) . צֹאן = tso´n (kudde) . Taalgebruik in Tenakh : tso´n (kudde) . Getalswaarde : tsade = 18 of 90 , nun = 14 of 50 ; totaal : 32 OF 140 . Structuur : 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (70) . Gn (17) .

mitstso´n (uit de kudde) < min (uit) + tso´n .(kudde) . Tenakh (1) Am 6,4 .

´èth tso´n (de kudde) . In acht verzen in de bijbel :
(1) Gn 29,10 (Jakob gaf de kudde van Laban te drinken , die door Rachel werd gehoed) .
(2) Gn 30,36 (Jakob hoedde de kudde van Laban) .
(3) Gn 37,12 (de broers van Jozef gingen de kudde van hun vader Jakob weiden) .
(4) Ex 3,1 (Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jethro) .
(5) 1 S 17,15 . (6) Jr 23,1 . (7) Zach 11,4 . (8) Zach 11,7 .
- ts´on (kudde) . Verwijzing : ts´on (kudde) , zie Ex 3,1 . In zeventig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in Genesis .

- tsor (Tyrus) . tsor (Tyrus) . Taalgebruik in Tenakh : tsor (Tyrus) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 290 (2 X 5 X 29) . Structuur : 9 - 2 . ts-r . Tenakh (66) . Js (10) . tsor (Tyrus) . Js (5) : (1) Js 23,1 . (2) Js 23,5 . (3) Js 23,8 . (4) Js 23,15 . (5) Js 23,17 .

- twl (werpen, slingeren) . Taalgebruik in Tenakh : twl (werpen, slingeren) . Taalgebruik in Jona : twl (werpen, slingeren) .
- hetîl (hij wierp) . Perfectum hifil. Jon 1,4 . Hapax .
- wahätîlunî (en werpt mij) . Hifil imperatief : Jon 1,12 . Hapax .
- wejetiluhû (en zij wierpen hem) . Hifil imperfectum : Jon 1,15 . Hapax .

- tsôm (vasten) . tsôm of tsûm (vasten) . Taalgebruik in Tenakh : tsôm (vasten) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 37 OF 136 (2³ X 17) . Structuur : 9 - 6 - 4 .
Een vorm van het werkw. en het zelfst. naamw. tsôm (vasten) in Js (4) : (1) Js 58,3 . (2) Js 58,4 . (3) Js 58,5 . (4) Js 58,6 .
- act. qal perf. 3de pers. mann. enk. tsôm (hij vast) en zelfst. naamw. nom. mann. enk. tsôm (vasten) . Gr. nèsteuô / nèsteia (vasten) . Zie : Taalgebruik in het NT : nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in de LXX : nèsteuô (vasten) . Lat. jejunare / jejunium . Fr. jeûner / jeûne . E. to fast / fasting . D. Fasten . Een vorm van nèsteuô (vasten) in de LXX (28) , in het NT (20) . Een vorm van nèsteia (vasten) in de LXX (30) , in het NT (5) . Tenakh (13) : (1) 2 S 12,16 . (2) 1 K 21,9 . (3) 1 K 21,12 . (4) Js 58,5 . (5) Js 58,6 . (6) Jr 36,6 . (7) Jr 36,9 . (8) Jl 1,14 . (9) Jl 2,15 . (10) Jon 3,5 . (11) Zach 8,19 . (12) Ezr 8,21 . (13) 2 Kr 20,3 .
- act. qal perf. 1ste pers. mv. tsamënû (wij vasten) Tenakh (1) Js 58,3 .
- act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. thâtsûmû (jullie vasten) . Tenakh (1) Js 58,4 .
- zelfst. naamw. tsôm (vasten) . zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mv. tsomëkhèm (jouw vasten) . Tenakh (1) Js 58,3 .
- acc. vr. enk. nèsteian (15) : (1) 2 S 12,16 . (2) 1 K 21,9 . (3) 1 K 21,12 . (4) Js 1,13 . (5) Js 58,5 . (6) Js 58,6 . (7) Jr 36,9 . (8) Jl 1,14 . (9) Jl 2,15 . (10) Jon 3,5 . (11) Zach 7,5 . (12) Da 2,18 . (13) Ezr 8,21 . (14) 2 Kr 20,3 . (15) Hnd 27,9 .
- nom. + acc. onz. enk. jejunium (16) : (1) Nu 30,14 . (2) 1 K 21,9 . (3) 1 K 21,12 . (4) Js 58,5 . (5) Js 58,6 . (6) Jr 36,9 . (7) Jl 1,14 . (8) Jl 2,15 . (9) Jon 3,5 . (10) Zach 7,5 . (11) Zach 8,19 . (12) Est 4,3 . (13) Ezr 8,21 . (14) 2 Kr 20,3 . (15) Mt 17,21 . (16) Hnd 27,9 .

- tsd (jagen, vangen, jacht maken op) . צוּד = tsûd (jagen, vangen, jacht maken op) . Taalgebruik in Tenakh : tsd (jagen, vangen, jacht maken op) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , daled = 4 ; totaal : 28 (2² X 7) OF 100 (2² X 5) . Structuur : 9 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 1 .
- מְצוּדָה = mëtsûdâh (net, burcht, bergvesting) . Zie het werkw. צוּד = tsûd (jagen, vangen, jacht maken op) . Taalgebruik in Tenakh : tsûd (jagen, vangen, jacht maken op) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , daled = 4 ; totaal : 28 (2² X 7) OF 100 (2² X 5) . Structuur : 9 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 1 .
- בִּמְצוֹת = bimëtsôth (in bergvestingen) < prefix voorzetsel bë + vr. mv. van het zelfst. naamw. מְצוּדָה = mëtsûdâh (net, burcht, bergvesting) . Zie het werkw. צוּד = tsûd (jagen, vangen, jacht maken op) . Taalgebruik in Tenakh : tsûd (jagen, vangen, jacht maken op) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , daled = 4 ; totaal : 28 (2² X 7) OF 100 (2² X 5) . Structuur : 9 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (1) : 1 S 24,1 .


- tsûlah en mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . צוּלָה / מְצוּלָה = tsûlah en mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Taalgebruik in Tenakh : tsûlah en mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 ; waw = 6 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; totaal : 41 OF 131 . Structuur : 9 - 6 - 3 (afdalende lijn) - 5 . De som van de elementen is telkens 5 .
- מְצוּלָה = mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Zie : צוּלָה / מְצוּלָה = tsûlah en mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Taalgebruik in Tenakh : tsûlah en mëtsûlah (en verschillende schrijfwijzen) (diepte) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 ; waw = 6 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; totaal : 41 OF 131 . Structuur : 9 - 6 - 3 (afdalende lijn) - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (4) : (1) Jon 2,4 . (2) Ps 69,3 . (3) Ps 69,16 . (4) Job 41,23 . Een vorm van in Tenakh (12) : (1) Ex 15,5 . (2) Jon 2,4 . (3) Mi 7,19 . (4) Zach 1,8 . (5) Zach 10,11 . (6) Ps 68,23 . (7) Ps 69,3 . (8) Ps 69,16 . (9) Ps 88,7 . (10) Ps 107,24 . (11) Job 41,23 . (12) Neh 9,11 .

- tsq (vernauwen, in het nauw brengen) . צוּק = tsûq (vernauwen, in het nauw brengen) . Taalgebruik in Tenakh : tsq (vernauwen, in het nauw brengen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 43 OF 196 (2² X 7²) . Structuur : 9 - 6 - 1 . De som van de elementen is telkens 7 .
- מַצוֹק = matsôq (angst, nood, benauwenis) . Zie het werkw. צוּק = tsûq (vernauwen, in het nauw brengen) . Taalgebruik in Tenakh : tsûq (vernauwen, in het nauw brengen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 43 OF 196 (2² X 7²) . Structuur : 9 - 6 - 1 . De som van de elementen is telkens 7 .

- tsr (rots, steen) . tsûr (rots, steen) . Taalgebruik in Tenakh : tsr (rots, steen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , resj = 20 of 200 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 296 (2³ X 37) . Structuur : 9 - 6 - 2 .
- hatstsûr (de rots) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. Tenakh (8) : (1) Ex 17,6 . (2) - Ex 33,21. (3) - Ex 33,22 . (4) Dt 32,4 . (5) Re 6,21 . (6) Re 13,19 . (7) 2 S 21,10 . (8) Ps 114,8 .
- `al hatstsûr (op de rots) . Tenakh (3) : (1) Ex 17,6 . (2) Ex 33,21 . (3) Re 13,19 .
- batstsûr (in / op de rots) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. mann. enk. Tenakh (7) : (1) Ex 17,6 . (2) Re 7,25 . (3) Js 2,10 . (4) Js 10,26 . (5) Ps 27,5 . (6) Ps 61,3 . (7) Job 19,24 .