- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -



68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -

Mc 2,13 - Mc 2,13 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai exèlthen palin para tèn thalassan kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous et egressus est rursus ad mare omnisque turba veniebat ad eum et docebat eos   En hij ging weer uit langs de zee en de hele volksmassa kwam bij hem, en hij leerde hen.   13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.  Hij ging naar buiten en liep weer langs het meer. Al het volk kwam naar Hem toe, en Hij gaf hun onderricht.  Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote mensenmassa kwam naar hem toe, en hij onderwees hen.   Hij gaat weer de stad uit, de zee langs; heel de schare is tot hem gekomen en hij geeft hen onderricht.  13. Il sortit de nouveau au bord de la mer, et toute la foule venait à lui et il les enseignait.

Statenvertaling . 13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.
King James Bible . And he went forth again by the sea side; and all the multitude resorted unto him, and he taught them.
Luther-Bibel . 13 Und er ging wieder hinaus an den See; und alles Volk kam zu ihm und er lehrte sie.

>
  Mc 2,13 Mt 9,9 Lc 5,27
  Kai exèlthen palin para tèn thalassan kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous - kai meta tauta exèlthen

Tekstuitleg van Mc 2,13 . Dit vers Mc 2,13 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Mc 2,13 is 6758 (2 X 31 X 109) .

Mc 2,13 Καὶ ἐξῆλθεν πάλιν παρὰ τὴν θάλασσαν: καὶ πᾶς ὁ ὄχλος ἤρχετο πρὸς αὐτόν, καὶ ἐδίδασκεν αὐτούς.
Vertaling: En hij ging naar buiten, opnieuw langs de zee, en de hele massa kwam naar hem en hij onderrichtte hen.
Mc 2,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν: (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἤρχετο (= èrcheto: hij ging; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 2,13 bestaat uit drie delen . Het eerste deel is een over-gangs- vers (van de ene naar de andere plaats) . Het tweede deel beschrijft het samenkomen van het volk . Marcus gebruikt een variatie van werkwoorden om het samenkomen rond Jezus uit te drukken . Het derde deel geeft de activiteit van Jezus aan .
Dit vers Mc 2,13 is een summarium . Het bestaat uit drie nevenschikkende zinnen (6 - 7 - 3 = 16 woorden ; 12 - 11 - 7 = 30 lettergrepen) , telkens ingeleid door het verbindend voegwoord και = kai (en) . Het onderwerp van de eerste en de derde zin is Jezus , van de tweede zin de massa .
Mc 2,13a : vier van de zes woorden eindigen op -n . Twee op elkaar volgende woorden beginnen met pa- .

Voor de tweede maal spelen de verhalen zich af rond Kafarnaüm : Mc 2,1-12 en het meer van Galilea : Mc 2,13-14 . Jezus verblijft thuis in Kafarnaüm en geneest er een lamme . Daarna gaat hij naar buiten om langs het meer van Galilea te gaan . Daar geeft hij onderricht en roept Levi . De verhalen rond Kafarnaüm en het meer van Galilea verlopen in het eerste hoofdstuk omgekeerd . Eerst roept Jezus langs het meer van Galilea vier leerlingen : Mc 1,16-20 . Dan gaat hij naar Kafarnaüm : Mc 1,21 . Hij treedt er op in de synagoge : hij onderricht : Mc 1,22 en geneest een man met een onreine geest : Mc 1,23-28 . Daarna gaat hij naar het huis van Simon Petrus : Mc 1,29-31 . Met het verhaal van de roeping van Levi wordt een nieuw personage ingebracht , nl. de tollenaars . Jezus kiest partij voor hen en daardoor zal er een spanning tussen hem en de Farizeeën ontstaan : Mc 2,15-17 .
De roeping van Levi hoort thuis in het verzamelen van de leerlingen door Jezus . De volgende en volledige stap zal de roeping van de twaalf op de berg zijn (Mc 3,13-19) .

In Mc 2,13-14 wordt de roeping van Levi verteld zoals in Mc 1,16-20 de roeping van Petrus en Andreas , Jakobus en Johannes wordt verhaald . Er is vooruitgang in het soort mensen dat geroepen wordt . In Mc 2,14 wordt een tollenaar geroepen , iemand die tol heft van de joden voor de Romeinen . Wellicht is het een leviet die de tienden van de andere stammen int . Zo zijn de levieten collaborateurs van de Romeinen geworden .

Mc 2,13.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in . .

Mc 2,13.2. ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Mt (6) : (1) Mt 8,34 . (2) Mt 9,26 . (3) Mt 13,3 . (4) Mt 17,18 . (5) Mt 20,1 . (6) Mt 21,17 . Mc (11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 . Lc (8) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 7,17 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 17,29 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc (38) .
- Uit-gaan kan betekenen : van een besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
- Het is de vijfde maal dat deze vorm in Mc gebruikt wordt . Samen met zijn leerlingen ging Jezus de synagoge uit (Mc 1,29) en ging hij alleen het huis uit (Mc 1,35) . Het is de tweede maal dat Jezus het huis uitgaat ; hiervoor wordt εξηλθεν = exèlthen (hij ging naar buiten) gebruikt . Meer nog . Bij het begin van Mc 2,1 staat kai eiselthôn palin eis kafarnaoum (en binnengaande opnieuw in Kafarnaüm) , bij het begin van Mc 2,13 : και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging naar buiten) , en wel langs het meer . Jezus ging dus uit Kafarnaüm . Mc 1,16-20 / 21-28 en Mc 2,1-12 / Mc 2,13-14 vormen een A B - B' A' structuur .

- Latijn : act. part. aor. nom. mann. enk. egressus (uitgeschreden) van het werkw. egredi (uitschrijden) . Bijbel (181) . Mc (6) .

Mc 2,13.1. - 2. και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging uit) . NT (18) : (1) Mt 9,26 . (2) Mt 17,18 . (3) Mc 2,13 .  (4) Mc 6,1 .  (5) Mc 8,27 . (6) Mc 14,68 . (7) Lc 7,17 . enz.
- εξηλθεν δε = exèlthen de (hij echter ging uit) . Bijbel = NT (1) : Lc 8,35 .
- ὁ δε εξελθων = (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Slechts in Mc 1,45 in het NT .
- και εξελθων = kai exelthôn (en uitgegaan) . LXX (8) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . NT (8) : (1) Mt 14,14 . (2) Mt 15,21 . (3) Mt 20,3 . (4) Mt 24,1 . (5) Mt 26,75 . (6) Mc 6,34 . (7) Lc 22,39 . (8) Hnd 12,9 .
- Hebreeuws : וַיֵּצֵא = wajjetse´ (en hij ging uit) < waw consecutivum en qal actief imperfectum derde persoon mann. enk. van het werkw. יָצָא = jâtsa´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Getalswaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , aleph = 1 ; totaal : 29 (priemgetal) OF 101 priemgetal . Structuur : 1 - 9 - 1 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (191) . Pentateuch (55) . Eerdere Profeten (76) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (33) .

Mc 2,13.3. πάλιν (= palin: opnieuw; partikel). Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Taalgebruik in de LXX : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . De verwijzing zit in het woord of de uitdrukking die onmiddellijk volgt . In Mc 2,13 verwijst het naar παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) van Mc 1,16 . Er gebeurt hier meer dan in Mc 1,16 , waar Jezus langskomt en leerlingen roept . In Mc 1,16-20 is er het meer met zijn vissers en visnetherstellers . In Mc 2,13-14 gaat het om het tolhuis aan het meer . Het roepen van een tollenaar veronderstelt vergeving van zonden ; dat wordt in Mc 2,1-12 verhaald .

Mc 2,13.2. - 3. εξηλθεν παλιν = exèlthen palin (hij ging opnieuw uit) . Bijbel (1) : Mc 2,13 .

Mc 2,13.1. - 3. και εξηλθεν παλιν = kai exèlthen palin (en hij ging opnieuw uit) . Bijbel (1) : Mc 2,13 .
- In Mc 7,31 : και παλιν εξελθων = kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . παλιν = palin van Mc 7,31 (Mc 7,31-37) verwijst naar εξελθων = exelthôn (uitgegaan) van Mc 6,34 (Mc 6,30-34) .

Mc 2,13.4. παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc). Taalgebruik in het NT : para (langs) . Taalgebruik in de LXX : para (langs) . Taalgebruik in Mc : para (langs) . Mc (11) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 . Geen werkw. παρ-αγω = par-agô (langsleiden) in Mc 2,13 , wel in Mc 2,14 .

- παρα = para + gen. (vanwege) : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 12,2 . (3) Mc 12,11 . (4 Mc 14,43 .
- παρα = para + acc. + plaatsbepaling (3X : την ὁδον = tèn hodon (langs de weg) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 10,46 . 4X : την θαλασσαν = tèn thalassan (langs het meer) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,21 .

Mc 2,13.3. - 4. παλιν παρα = palin para (opnieuw langs) . Bijbel (1) : Mc 2,13 .

Mc 2,13.5. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,13.4. - 5. παρα την = para tèn (langs de) . LXX (36) . NT (19) . Mc (5) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . (5) Mc 10,46 .

Mc 2,13.6. acc. vr. enk. θαλασσαν = thalassan van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) .
Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . Een vorm van θαλασσα = thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X) : (1) Mc 1,16 (2 vormen) . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 4,2 . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 4,41 . (8) Mc 5,1 . (9) Mc 5,13 (2 vormen) . (10) Mc 5,21 . (11) Mc 6,47 . (12) Mc 6,48 . (13) Mc 6,49 . (14) Mc 7,31 . (15) Mc 9,42 . (16) Mc 11,23 .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
4 acc. vr. enk. thalassan  185  145  31  33  12  39  23  40  10  19  21   
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

4 acc. vr. enk. thalassan  40  9 : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 8,32 . (3) Mt 13,1 . (4) Mt 13,47 . (5) Mt 14,25 . (6) Mt 15,29 . (7) Mt 17,27 . (8) Mt 21,21 . (9) Mt 23,15 . 9 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . 1 : Lc 17,2 . 2 : (1) Joh 6,16 . (2) Joh 21,7 .   (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 8,32 // Mc 5,13 . (3) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (4) Mt 14,25 // Mc 6,48 . (5) Mt 15,29 // Mc 7,31 . (5) Mt 21,21 // Mc 11,23 .
  totaal 87  15  15  18  18   

Mc 2,13.5. - 6. την θαλασσαν = tèn thalassan (de zee, het meer) . NT (37/40) . Mt (9) . Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . Lc (1) . Joh (2) . Hnd (6) . Apk (10) . Niet in drie verzen : (1) Hnd 10,6 . (2) Hnd 10,32 . (3) Heb 11,29 .

Mc 2,13.4. - 5. παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) . OT (5) : (1) Ex 14,9 . (2) Joz 5,1 . (3) 1 S 13,5 . (4) 1 K 2,35 . (5) 1 K 5,9 . NT (7) . Mt (3) : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 13,1 . (3) Mt 15,29 . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . Parallellen : (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 13,1 // Mc 4,1 .
- Hebreeuws : עַל הַיָּם = `al hajjâm (langs / op de zee) . Tenakh (14) .

Mc 2,13.3. - 5. Mc 2,13 : παλιν παρα την θαλασσαν = palin (opnieuw) para tèn thalassan (langs het meer) verwijst naar Mc 1,16 .

(1) Mc 1,16 en (2) Mc 2,13 staan in het teken van de roeping van leerlingen . (3) Mc 4,1 en (4) Mc 5,21 leiden de woord- en daadactiviteit van Jezus in .
(1) Mc 1,16 : παρα την θαλασσαν της γαλιλαιας = kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias (en langsvoerend langs het meer van Galilea) . Deze zin staat bij het begin van de pericope
(2) Mc 2,13 : και εξηλθεν παρα την θαλασσαν = kai exèlthen palin para tèn thalassan (en hij ging buiten opnieuw langs de zee) . Deze zin staat bij het begin van de pericope .
(3) Mc 4,1 : παρα την θαλασσαν παλιν ηρξατο διδασκειν παρα την θαλασσαν = kai palin èrxato didaskein para tèn thalassan (en opnieuw begon hij te leraren langs het meer) . Deze zin staat bij het begin van de pericope .
(4) Mc 5,21 : και ην παρα την θαλασσαν = kai èn para tèn thalassan (en hij was langs de zee) . De zin staat bij het begin van de pericope .

Mc 2,13.7. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .Voor het eerst in Mc stroomt de massa samen naar Jezus . Het gebruik van de imperfectumvorm laat aanvoelen dat het samenstromen van het volk naar Jezus een voortdurend karakter heeft .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,13.8. nom. mann. enk. πας = pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in de LXX : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ὁ οχλος ho ochlos (de massa) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt , nl. Mc 9,49 .

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1 nom. m. enk. pas 5 nom. m. enk. pas 5   (1) Mc 2,13 .   (2) Mc 4,1 .       (3) Mc 9,15 . (4) 9,49 .   (5) Mc 11,18 .     636 544 92 12 5 16 15  32  33  48 
  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.

- Ned. : ieder , elk . Fr. : tout . Hebr. : kol . Lat. : omnis .

Mc 2,13.7. - 8. και πας = kai pas (en ieder / elk) . NT (28) . Mc (2) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 .

Mc 2,13.9. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,13.8. - 9. πας ὁ = pas ho (ieder, elk, alles) . NT (59) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 .

Mc 2,13.10. nom. mann. enk. οχλος = ochlos (massa) . Taalgebruik in het NT : ochlos (massa) . Taalgebruik in de LXX : ochlos (massa) . Taalgebruik in Mc : ochlos (massa) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc οχλος = ochlos (massa) in het enk . Mt (6) : (1) Mt 9,35 . (2) Mt 13,2 . (3) Mt 20,29 . (4) Mt 20,31 . (5) Mt 21,8 . (6) Mt 26,47 . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . Lc (9) : (1) Lc 5,29 . (2) Lc 6,17 . (3) Lc 6,19 . (4) Lc 7,11 . (5) Lc 7,12 . (6) Lc 8,40 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 13,17 . (9) Lc 22,47 . Joh (12) : (1) Joh 6,2 . (2) Joh 6,5 . (3) Joh 6,22 . (4) Joh 6,24 . (5) Joh 7,20 . (6) Joh 7,49 . (7) Joh 12,9 . (8) Joh 12,12 . (9) Joh 12,17 . (10) Joh 12,18 . (11) Joh 12,29 . (12) Joh 12,34 . In deze gevallen is οχλος = ochlos (massa) onderwerp . Een vorm van οχλος = ochlos in de LXX (55) , in het NT (174) , in Hnd (22) . Joh (12) . In de LXX is οχλος = ochlos de vertaling van 9 Hebreeuwse woorden .
- Er is hier (Mc 2,13) voor het eerst uitdrukkelijk sprake van οχλος = ochlos (massa) . In Mc 2,4 kwam de massa slechts terloops ter sprake .

  ochlos (massa)   Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 15 syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. ochlos  (1) Mc 2,13 .   2 : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 3,32 .   (1) Mc 4,1 .   2 : (1) Mc 5,21 . (2) Mc 5,24a - Mc 5,24b .         2 : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 9,25 .     (1) Mc 11,18 3 : (1) Mc 12,37 . (2) Mc 12,41 . (3) Mc 12,43 .   (1) Mc 15,8 .     28  49  45  13  12  28  40 
  totaal enk. en mv.   212 39  173  50  36  41  20  23  127  147 

Mc 2,13.9. - 10. ὁ οχλος = ho ochlos (de massa) . Bijbel (23) . LXX (2) : (1) 2 S 15,22 . (2) ? . NT (21) . Mt (2) : (1) Mt 9,25 . (2) Mt 13,2 . Mc (6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 12,41 . (6) Mc 15,8 . Lc (2) : (1) Lc 8,40 . (2) Lc 13,17 . Joh (10) : (1) Joh 6,22 . (2) Joh 6,24 . (3) Joh 7,20 . (4) Joh 7,49 . (5) Joh 12,9 . (6) Joh 12,12 . (7) Joh 12,17 . (8) Joh 12,18 . ('9') Joh 12,29 . (10) Joh 12,34 . Hnd (1) : Hnd 16,22 .

Mc 2,13.8. - 10. πας ὁ οχλος = pas ho ochlos (de hele massa) . LXX (1) : 2 S 15,22 . NT (7) . (1) Mt 13,2 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . (5) Lc 6,19 . (6) Lc 13,17 .
- πολυς οχλος = polus ochlos (een talrijke massa) . NT (2) : (1) Mc 12,37 . (2) Joh 6,5 .
- ὁ πολυς οχλος = ho polus ochlos (de talrijke massa) . NT (1) : (1) Mc 12,37 .
- οχλος πολυς = ochlos polus (een grote massa) . NT (12) : (1) Mt 20,29 . (2) Mt 26,47 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . (5) Mc 5,24 . (6) Mc 14,43 . (7) Lc 7,11 . (8) Lc 9,37 . (9) Joh 6,2 . (10) Joh 12,9 . (11) Joh 12,12 . (12) Apk 7,9 .

Mc 2,13.7. - 10. και (...) πας ὁ οχλος = kai pas ho ochlos (en de hele massa) . NT (6) : (1) Mt 13,2 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . (5) Lc 6,19 . (6) Lc 13,17 .
- και ὁ πολυς οχλος = kai ho polus ochlos (en de talrijke massa) . Nt (1) : (1) Mc 12,37 .
- ὁ δε (...) οχλος = ho de ochlos (de massa echter) . Nt (2) : (1) Mt 20,31 . (2) Mt 21,8 .

Mc 2,13.11. ind. imperf. 3de pers. enk. ηρχετο = èrcheto (hij ging) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . In deze vorm in Mc slechts in Mc 2,13 .

  erchomai (gaan, komen) : bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
7 ind imp. 3de p. enk. èrcheto 22 18   1 1      

Mc 2,13.12. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

- Hebreeuws . ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el . OF ontkenning עַל = ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .
- Arabisch . إلي = ´ilâ (naar) . Taalgebruik in de Qoran : ´ilâ (naar) .

Mc 2,13.13. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,23 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 2,13.12. - 13. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 . De massa stroomt naar Jezus toe : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 .
Vergelijk :
- Mc 1,45 : και ηρχοντο προς αυτον παντοθεν = kai èrchonto pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal) .
- Mc 2,13 : και πας ὁ οχλος ηρχετο προς αυτον = kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
STAP VOOR STAP !
- Mc 2,13 : και πας ὁ οχλος ηρχετο προς αυτον = kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
- Mc 4,1 : και συναγεται προς αυτον οχλος πλειστος = kai sunagetai pros auton ochlos pleistos (en een zeer talrijke massa stroomt naar hem bijeen) .

Mc 2,13.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,13.15. act. ind. imperf. 3de pers. enk. εδιδασκεν = edidasken (en hij onderrichtte) van het werkw. διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) . Taalgebruik in de LXX : didaskô (leren) . Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 . Lc (2) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . Een vorm van διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) in de LXX (107) , in het NT (95) , in Mt (14) , in Mc (17) , in Lc (17), in Joh (6) .
- Verdubbeling met de klinker i in het praesens . Dit werkw. behoudt de verdubbeling in alle tijden . De stam dak is nog versterkt met het suffix sk . Zie Van der Vorst , blz. 208 .

didaskô (leren, onderrichten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken 15 1 : Neh 8,8 . 14 2 : (1) Mt 5,2 . (2) Mt 13,54 . 6 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 . 2 : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . 2 : (1) Joh 7,14 . (2) Joh 8,2 . 1 : Hnd 18,25 .   1 : Apk 2,14 . 10 : (1) Lc 5,3 //Mc 4,2 . 12

- Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie .
- De eerste maal onderrichtte Jezus in de synagoge van Kafarnaüm , waarnaar hij was gegaan (Mc 1,21) . In Mc 2,13 onderricht Jezus langs het meer , nadat de hele massa naar hem was gekomen . Niet alleen de plaats van onderricht verschilt , maar ook de inhoud van het onderricht aan zee is rijker dan dat in de synagoge van Kafarnaüm . Er is heel wat gebeurd tussen het eerste en het tweede onderricht . De pericope die voorafgaat is die van de genezing van de lamme en de zondenvergeving . De inhoud van het onderricht kan dus ook zondenvergeving zijn .
- Ned. : doceren (onderrichten) . Grieks : διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) .

Mc 2,13.16. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Mc 2 (1) : Mc 2,13 .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
8 acc. mann. mv. autous  40      1991  1652  339  46  40  83  18  95  32  25  169  187 

Mc 2,13.15. - 16. εδιδασκεν αυτους = edidasken autous (hij onderrichtte hen) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 10,1 . Na het samenstromen van het volk onderricht Jezus de massa : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2) . STAP VOOR STAP !

Mc 2,13.7. - 16.
- Mc 2,13 : και πας ὁ οχλος ηρχετο προς αυτον και εδιδασκεν αυτους = kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous (en de hele massa kwam naar hem en hij onderrichtte hen) .
- Mc 10,1 : και συμπορευονται παλιν οχλοι πολλοι προς αυτον = kai sumporeuontai palin ochloi pros auton, kai hös eiôthei palin edidasken autous (en opnieuw massa's begeven zich samen op weg naar hem en als gewoonlijk onderrichtte hij hen) .
STAP VOOR STAP !
In Mc 2,13 begint Jezus voor het eerst te onderrichten langs het meer van Galilea . In Mc 10,1 gaat Jezus naar het gebied van Judea aan de overkant van de Jordaan . De periode van Galilea is vanaf hier helemaal achter de rug . Opnieuw begeven massa's zich samen op weg naar hem . Voor de eerste en enige keer komen we in Mc 10,1 het mv. οχλοι = ochloi (massa's) tegen . Wellicht zijn het nu massa's uit Judea (of misschien ook uit Galilea) . Maar die massa's verzamelen zich rond Jezus in een nieuw gebied , nl. in Judea aan de overkant van de Jordaan .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,14 - Mc 2,14 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2:14 kai paragôn eiden leuin ton tou alfaiou kathèmenon epi to telônion kai legei autô akolouthei moi kai anastas èkolouthèsen autô   et cum praeteriret vidit Levin Alphei sedentem ad teloneum et ait illi sequere me et surgens secutus est eum  En toen hij langsging , zag hij Levi , (de zoon) van Alfeüs , zittend bij het tolhuis , en hij zei hem : "Volg mij" . En hij stond op (en) volgde hem .     [14] In het voorbijgaan zag hij Levi* van Alfeüs bij het tolkantoor zitten, en zei hem: ‘Volg Mij.’ Hij stond op en volgde Hem [14] Toen hij langs het meer liep, zag hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Levi stond op en volgde hem. 14 In het voorbijgaan ziet hij Levi, die van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en hij zegt tot hem: volg mij! Hij staat op en volgt hem. 14. En passant, il vit Lévi, le fils d'Alphée, assis au bureau de la douane, et il lui dit : « Suis-moi. » Et, se levant, il le suivit. 

Bible de Jérusalem . 14. En passant, il vit Lévi, le fils d'Alphée, assis au bureau de la douane, et il lui dit : « Suis-moi. » Et, se levant, il le suivit.

Statenvertaling . 14 En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
King James Bible . And as he passed by, he saw Levi the son of Alphaeus sitting at the receipt of custom, and said unto him, Follow me. And he arose and followed him.
Luther-Bibel . 14 Und als er vorüberging, sah er Levi, den Sohn des Alphäus, am Zoll sitzen und sprach zu ihm: Folge mir nach! Und er stand auf und folgte ihm nach.

>
  Mc 2,14 Mt 9,9 Lc 5,27-28
  2:14 kai paragôn eiden leuin ton tou alfaiou kathèmenon epi to telônion kai legei autô akolouthei moi kai anastas èkolouthèsen autô   Καὶ παράγων Ἰησοῦς ἐκεῖθεν εἶδεν ἄνθρωπον καθήμενον ἐπὶ τὸ τελώνιον, Μαθθαῖον λεγόμενον, καὶ λέγει αὐτῷ, Ἀκολούθει μοι. καὶ ἀναστὰς ἠκολούθησεν αὐτῷ. kai etheasato telônèn onomati leuin kathèmenon epi to telônion kai eipen autô akolouthei moi 28 καὶ καταλιπὼν πάντα ἀναστὰς ἠκολούθει αὐτῷ.

Tekstuitleg van Mc 2,14 . Dit vers Mc 2,14 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 2,14 is 11315 (5 X 31 X 73) .

Mc 2,14.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .Voor het eerst in Mc stroomt de massa samen naar Jezus . Het gebruik van de imperfectumvorm laat aanvoelen dat het samenstromen van het volk naar Jezus een voortdurend karakter heeft .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,14.2. actief participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud παραγων = paragôn (langsdrijvend, langsvoerend) van het werkw.παραγω = paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in het NT : paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in de LXX : paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in Mc : paragô (langsdrijven, langsgaan) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen . Bijbel (4) . Mt (1) : Mt 9,9 . Mc (2) : (1) Mc 1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc 2,14 (roeping van Levi) . Joh (1) : Joh 9,1 . STAP VOOR STAP ! Een vorm van παραγω = paragô (langsdrijven, langsgaan) in de LXX (14) , in het NT (10) , in Mc in 3 verzen : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 15,21 .
Het roepingsverhaal begint met het gaan van Jezus , weergegeven door een deelwoord(zin) . In Mc 1,16 en Mc 2,14 is dat het tegenwoordig deelwoord παραγων = paragôn (langsvoerend) , in Mc 1,19 het verleden deelwoord προβας = probas .

Mc 2,14.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . Mc (5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 . Lc (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 15,20 . (3) Lc 21,1 . (4) Lc 21,2 . Een vorm van ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .

  zien  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12    (1) Mc 2,5     (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 .     (5) Mc 8,33 .   (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 .   (8) Mc 10,14 .   (9) Mc 11,13 .   (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 .       (12) Mc 15,39   106  45  61  12  12  20  12  44  47   
  part. aor. nom. mann. mv. idontes     (1) Mc 2,16 .       (2) Mc 5,16 (3) Mc 6,49 (4) Mc 7,2 .     (5) Mc 9,15 .                 63  22  41  14    28  32     
  ind. aor. 3de pers. enk. eiden  (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 .   (4) Mc 2,14 .       (5) Mc 6,34                     262  220  42  10  12  19  26     
  ind. aor. 3de pers. mv.                                   274  198  76  45  15  21     
  inf. aor. idein           (1) Mc 5,14 . (2) Mc 5,32 .                       102 65 37 5 2 11 2 7 10   18 20    
  totaal 29                                  705  485  220  39  29  38  20  35  11  48  106  126     

- Hebreeuws : w-j-r-´ : (1) prefix verbindingswoord wë + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ (en hij zag) . (2) prefix verbindingswoord wë + pass. nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´ (en hij liet zich zien - hij verscheen) . (3) prefix verbindingswoord wë + hifil imperf. derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיַּרְא = wajjarë´ van het werkw. רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Het is een verkorte vorm , zie Joüon 79i . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Taalgebruik in Genesis : râ´âh (zien) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 26 of 206 (2 X 103) . Structuur : 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (162) . Pentateuch (85) . Eerdere Profeten (49) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (19) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) < stam wid- . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre . Indogermaans : weid -> Ned. : weten . Sanskriet : veda . Latijn : videre .

Mc 2,14.2. - 3. παραγων ... ειδεν = paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) :
(1) Mc 1,16 (roeping van de leerlingen) : και παραγων παρα την θαλασσαν της γαλιλαιας ειδεν = kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij .
(2) Mc 2,14 (roeping van Levi) : και παραγων ειδεν = kai paragôn eiden (en langsvoerend zag hij) .

Mc 2,14.4. acc. mann. enk. λευιν = leuin (Levi) van de eigennaam λευι = leui (Levi) . Taalgebruik in het NT : leui (Levi) . Taalgebruik in de LXX : leui (Levi) . Taalgebruik in Mc : leui (Levi) . Mc (1) : Mc 2,14 .

Mc 2,14.5. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. m. + onz. enk. ton 124  8 9 5 11 10 7 13 6 9 5 4 7 2 12 11 5 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,14.6. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,10 (mann.) . (2) Mc 2,14 (mann.) . (3) Mc 2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc 2,26 (mann.) . (6) Mc 2,28 (mann.) .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
4. gen. m. + onz. enk. tou 116  8 6 6 5 11 6 7 6 7 9 3 10 6 13 7 6 8480  6542  1938  234  116  272  196  269  673  178  622  818 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,14.7. gen. mann. enk. αλφαιου = alfaiou  (van Alfeüs) van de eigennaam αλφαιος = alfaios (Alfeüs) . Taalgebruik in het NT : alfaios (Alfeüs) . Taalgebruik in de LXX : alfaios (Alfeüs) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,18 .
- Hebreeuws : חָלַף = châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) . Taalgebruik in Tenakh : châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) . Getalswaarde : chet = 8 , lamed = 12 of 30 , pe = 17 of 80 ; totaal : 37 OF 118 (2 X 59) . Structuur : 8 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 1 .

Mc 2,14.5 - 7. τον του αλφαιου = ton tou alfaiou (die van Alfeüs = de zoon van Alfeüs) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,18 . In Mc 2,14 is het Levi , in Mc 3,18 Jakobus . Deze Jakobus wordt onderscheiden van ιακωβον τον του ζεβεδαιου = iakôbon , ton tou zebedaiou = Jakobus, die van Zebedeüs OF Jakobus , de zoon van Zebedeüs (Mc 1,19) .

Mc 2,14.8. participium praesens accusatief mannelijk enkelvoud καθημενον = kathèmenon (zittend) van het werkwoord καθημαι = kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in het NT : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in de LXX : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in Mc : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) .
Mc (4) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 5,15 . (3) Mc 14,62 . (4) Mc 16,5 .
- Mc 2,14 : eiden Leuin ton tou alfaiou kathèmenon epi to telônion (hij zal Levi , die van Alfeüs , zittend op / bij het tolhuis) .
- Mc 5,15 : theôrousin ton daimonizomenon kathèmenon himatismenon (zij bekijken de duivelbezetene zittend gekleed) .
- Mc 14,62 : opsesthe ton uion tou anthrôpou ek dexiôn kathèmenon (jullie zullen de mensenzoon zien zittend rechts van) .
- Mc 16,5 : eidon neaniskon kathèmenon en tois dexiois peribeblèmenos  stolèn leukèn (zij zagen een jongeling zittend aan de rechterkant omgekleed met een wit kleed) .
In deze 4 teksten wordt een persoon gezien die zit .
- = hezô (doen zitten, installeren, zich zetten) . Ned. : zitten . D. : sitzen . Lat. : sedere . Hieruit : hedra : zitmiddel , zetel , stoel , bank . = kathèdra < kata + hedra : waarop je neer-ziet : zetel , stoel enz. . In de betekenis werd het o.a. de zetel van een bisschop . Kathedraal is ervan afgeleid : de kerk waar de zetel van de bisschop staat .

Mc 2,14.9. επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Mc (71) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,21 . (4) Mc 2,26 .

epi (op, bij)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 51  1   4540  3946 594  91  51  104  22  120  117 89  246  268 
ep 14  1             1320  1179  141  13  14  25  13  24  30  22  52  65 
ef                          430  348  82  10  20  17  25  36  37 
Totaal   71  10  6290  5473  817  114  71  149  36  161  172  114  334  370 

- Ned. : op , naar, bij . D. : bei . E. : at . Fr. : à . Lat. : ad .

Mc 2,14.10. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (108) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 2,21 . (3) Mc 2,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,14.9. - 10. επι το = epi to . Mt (5) : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 4,5 . (3) Mt 5,23 . (4) Mt 9,9 . (5) Mt 22,34 . Mc (4) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 15,1 . (4) Mc 16,2 . Lc (10) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,27 . (4) Lc 10,34 . (5) Lc 15,4 . (6) Lc 17,35 . (7) Lc 24,1 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 .

Mc 2,14.11. acc. onz. enk. τελωνιον = telônion (tolhuis) . Taalgebruik in het NT : telônion (tolhuis) . Taalgebruik in de LXX : telônion (tolhuis) . Taalgebruik in Mc : telônion (tolhuis) . Bijbel (3) : (1) Mt 9,9 . (2) Mc 2,14 . (3) Lc 5,27 .
- Zie het werkw. τελεω = teleô (1. voleindigen, voltooien, vervullen. 3. verwerven, betalen) . Taalgebruik in het NT : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . τελων = telôn is een part. praes. , ιος = ios duidt op : met betrekking tot -> met betrekking tot de betalende . Stam tel . Ned. : tol . D. : Zoll .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. telônion     1 : Mt 9,9 . 1 : Mc 2,14 . 1 : Lc 5,27 .            

Mc 2,14.9. - 11. επι το τελωνιον = epi to telônion (tolhuis) . Bijbel (3) : (1) Mt 9,9 . (2) Mc 2,14 . (3) Lc 5,27 .

Mc 2,14.12. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .Voor het eerst in Mc stroomt de massa samen naar Jezus . Het gebruik van de imperfectumvorm laat aanvoelen dat het samenstromen van het volk naar Jezus een voortdurend karakter heeft .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,14.13. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (62) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

  legô : act. ind. praes. Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 3 : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .   6 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .   5 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .   2 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 5,39 . (6) Mc 5,41 .   3 : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,38 . (3) Mc 6,50 .   3 : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .   5 : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 8,17 . (4) Mc 8,29 . (5) Mc 8,33 .   3 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .   5 : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 .   2 : (1) Mc 12,16 . (2) Mc 12,37 1 : Mc 13,1 .   12 : (1) Mc 14,13 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,32 . (6) Mc 14,34 . (7) Mc 14,37 . (8) Mc 14,41 . (9) Mc 14,45 . (10) Mc 14,61 . (11) Mc 14,63 . (12) Mc 14,67 . 1 : Mc 15,2 . 1 : Mc 16,6 .  

Mc 2,14.12. - 13. και λεγει = kai legei (en hij zegt) . OT (11) . NT (79) . Mc (26) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 3,3 . (7) Mc 3,4 . (8) Mc 4,13 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 6,50 .  (11) Mc 7,18 . (12) Lc 7,28 . (13) Lc 7,34 . (14) Mc 9,35 .  (15) Mc 10,11 . (16) Mc 11,2 . (18) Mc 12,16 . (19) Mc 14,13 + 7 andere verzen van Mc 14 .

Mc 2,14.14. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16    2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 2,14.13. - 14. λεγει αυτῳ = legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61

Mc 2,14.12. - 14. και λεγει αυτῳ = kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .

Mc 2,14.15. act. ind. praes. 3de pers. enk. EN act. imperatief praes. 2de pers. enk. ακολουθει = akolouthei (volg) van het werkw. ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in de LXX : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . NT (16) . Mt (4) : (1) Mt 8,22 . (2) Mt 9,9 . (3) Mt 10,38 . (4) Mt 19,21 . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 . Lc (4) : (1) Lc 5,27 . (2) Lc 9,49 . (3) Lc 9,59 . (4) Lc 18,22 . Joh (4) . Een vorm van ακολουθεω = akoloutheô (volgen) in de LXX (13) , in het NT (90) . In de LXX kan ακολουθεω = akoloutheô de vertaling van 4 Hebreeuwse werkwoorden zijn .

  akoloutheô (volgen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk.  + act. imperat. praes. 2de pers. enk. akolouthei 16    16   10  14     

Mc 2,14.16. pers. voornaamw. 1ste pers. dat. enk. μοι = moi (aan mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 6,25 . (4) Mc 8,2 . (5) Mc 8,34 . (6) Mc 10,21 . (7) Mc 11,29 . (8) Mc 11,30 . (9) Mc 12,15 .

Mc 2,14.15. - 16. akolouthei moi (volg mij) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 . Bij een andere vorm van akoloutheô (volgen) : Mc 8,34 . De uitnodiging tot volgen is gericht tot de tollenaar Levi en de rijke jongeling . In Mc 8,34 is de uitnodiging gericht tot al wie Jezus wil volgen ; het vers schetst enkele voorwaarden .

Mc 2,14.17. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .Voor het eerst in Mc stroomt de massa samen naar Jezus . Het gebruik van de imperfectumvorm laat aanvoelen dat het samenstromen van het volk naar Jezus een voortdurend karakter heeft .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,14.18. part. aor. nom. mann. enk. anastas van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) . In de LXX is anastas vaak de vertaling van een vorm van het werkwoord q(w)um (staan, opstaan).
In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,60 . (6) Mc 16,9 .
- Mc 1,35 Kai prôi ennucha lian anastas (en 's morgens vroeg, nog in de nacht, opgestaan). We zien hier de link tussen prôi ('s morgens vroeg ) en anastas (opgestaan). Reeds sluimert de gedachte van de opstanding door.
- Mc 2,14 : kathèmenon epi to telônion (gezeten bij het tolhuis) - anastas (opgestaan) .
- Mc 7,24 : Ekeithen de anastas (Vanaf hier echter opgestaan)
- Mc 10,1 : Kai ekeithen anastas (En vanaf hier opgestaan)
- Mc 14,60 : kai anastas ho archiereus (en opgestaan de hogepriester) .
- Mc 16,9 : anastas de prôï prôtèi sabbatou (opgestaan 's morgens op de eerste van de week) .

Mc 2,14.19. act. ind. aor. 3de p. enk. ηκολουθησεν = èkolouthèsen (hij volgde) van het werkw. ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in de LXX : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô (volgen) . Mc (3) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 14,54 .  Een vorm van ακολουθεω = akoloutheô (volgen) in de LXX (13) , in het NT (90) , Mt (25) , Mc (18) , Lc (17) , Joh (19) , Hnd (4) . In de LXX kan ακολουθεω = akoloutheô de vertaling van 4 Hebreeuwse werkwoorden zijn .

  akoloutheô (volgen)  Mc Mc 1  Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. èkolouthèsen   (1) Mc 2,14 .   (1) Mc 3,7 .               (1) Mc 14,54 .          

- Hebr. : gaan achter ; הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) en Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) .
- Ned . : volgen . Arabisch : تَبِعَ = tabi`a (volgen) . Taalgebruik in de Qoran : tabi`a (volgen) . D. : folgen . E. : to follow . Fr. suivre . Grieks : ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Hebr. : הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) en Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Lat. : sequi - secutus .
- In Mc 2,14 gaat de tollenaar Levi in op de uitnodiging om Jezus te volgen .

Mc 2,14.20. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

19. - 20. ηκολουθησεν αυτῳ = èkolouthèsen autô(i) (hij volgde hem) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 14,54 .

Eenmaligheid

- acc. mann. enk. leuin (Levi) van de eigennaam leui (Levi) . Mc (1) : Mc 2,14 .
- acc. onz. enk. telônion (tolhuis) . Mc (1) : Mc 2,14 .

Duality

- participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud paragôn (langsdrijvend, langsvoerend) van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Mc (2) : (1) Mc 1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc 2,14 (roeping van Levi) .
- paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) :
(1) Mc 1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij .
(2) Mc 2,14 (roeping van Levi) : kai paragôn eiden (en langsvoerend zag hij) .
- act. ind. pr. 3de p. enk.  + act. imperat. pr. 2de p. enk. akolouthei (volg) van het werkw. akoloutheô (volgen) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 .
- akolouthei moi (volg mij) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 .


.