NIEUWE TESTAMENT: TAALGEBRUIK F
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel: http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.

Overzicht van het NT: NT: overzicht, NT: taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -, NT: commentaar,

- fônè (stem, roep) -- fôneô (roepen, schreeuwen) -- fôs (licht) -



OPGELET: De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt. Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen.

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

F

- fainô (schijnen, verschijnen). fainô (schijnen, verschijnen). Taalgebruik in de LXX: fainô (schijnen, verschijnen). Taalgebruik in het NT: fainô (schijnen, verschijnen). Indogerm. stam bha. Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen. Lat. facies. Fr. la face. E. face. Ned. aangezicht, aanschijn.
- pass. ind. fut. 3de pers. enk. fanèsetai (hij zal verschijnen). Bijbel (3): (1) Js 32,2. (2) Js 60,2. (3) Mt 24,30. Een vorm van fainô (schijnen, verschijnen) in de LXX (66), in het NT (31).


- faneros

- Pharisaioi (Farizeeën). φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën). Taalgebruik in het NT: Pharisaioi (Farizeeën). Taalgebruik in Mc: Pharisaioi (Farizeeën).

  farisaios Farizeeër) bijbel  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. syn. ev.
1 nom. enk. farizaios      
2 gen. enk. farisaiou          
3 nom. + voc. mv. farisaioi 49 49 21 8 10 9 1   39  48 
4 gen. mv. farisaiôn 28  28    18  24 
5 dat. mv. farisaiois          
6 acc. mv. farisaious        
  Totaal   95  95  28  12  27  19  67  86 

In het NT komt een vorm van het zelfstandig naamwoord farisaios (Farizeeër) in vijfennegentig verzen voor. Bij Mt komt het in achtentwintig verzen voor of 29,47 %. Het is wel opvallend dat het bij Mt slechts in de nom. + voc. mv. (21) en gen. mv. (7) voorkomt.

Pharisaioi (Farizeeën). Taalgebruik: Farisaioi (Farizeeën), zie Mc 2,18. In acht verzen bij Marcus: (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,24. (3) Mc 3,6. (4) Mc 7,1. (5) Mc 7,3. (6) Mc 7,5. (7) Mc 8,11. (8) Mc 10,2. Eveneens: Farisaioi (Farizeeën), zie Mt 9,11.
- (1) Mc 2,18. De leerlingen van Johannes de Doper en de Farizeeën stellen de vraag: 'Waarom de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën vasten, zijn leerlingen echter niet vasten.' Het is een vraag zonder het gebruik van het werkwoord eperôtaô (vragen). De vraag begint met dia tí (waarom?)
- In (2) Mc 2,24 - Mc 2,23-28 - stellen de Farizeeën de vraag 'zie wat doen zij op sabbat wat niet is toegelaten'. Geen gebruik van het werkwoord eperôtaô (opvragen), wel het gebruik van het vragend voornaamwoord tí (wat).
- In (3) Mc 3,6 - Mc 3,1-6 - besluiten de Farizeeën om Jezus te doden omdat hij op sabbat doet wat niet is toegelaten.
- (6) Mc 7,5 - Mc 7,1-13 -: 'En vragen hem de Farizeeën en de schriftgeleerden: Waarom niet wandelen jouw leerlingen volgens de overlevering van de oudsten maar met profane handen zij eten het brood.' Gebruik van het werkwoord eperôtaô (opvragen) en van dia tí (waarom). Nog vermelding van de Farizeeën in (4) Mc 7,1 en (5) Mc 7,3.
- (7) In Mc 8,11 - Mc 8,11-13 - en (8) Mc 10,2 - Mc 10,2-12 - stellen de Farizeeën vragen om hem uit te testen (peirazontes auton: hem uittestend): een teken uit de hemel en echtscheiding. In Mc 10,2 wordt het werkwoord eperôtaô (opvragen) gebruikt.
--- De genitief Farisaiôn (van de Farizeeën) komt in achtentwintig vrezen in het NT voor. In zeven verzen bij Matteüs. In vier verzen bij Marcus: (1) Mc 2,16. (2) Mc 2,18. (3) Mc 8,15. (4) Mc 12,13. In zeven verzen bij Lucas:
--- hoi grammateis kai hoi Pharisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën). In zes verzen in de bijbel. Slechts in het NT: (1) Mt 23,2. (2) Mc 2,16. (3) Lc 5,21. (4) Lc 6,7. (5) Lc 11,53. (6) Joh 8,3.
- farisaios (farizeeër). Taalgebruik: Farisaioi (Farizeeën), zie Mc 2,18. Nominatief mannelijk enkelvoud. In negen verzen in de bijbel. In vijf verzen bij Lucas: (1) Lc 7,39. (2) Lc 11,37. (3) Lc 11,38. (4) Lc 18,10. (5) Lc 18,11. In drie verzen in Hnd: (1) Hnd 5,34. (2) Hnd 23,6. (3) Hnd 26,5. In Fil 3,5.

farisaios (Farizeeër) Mt , zie Mt 9,11
nom. + voc. mv. farisaioi 21: (1) Mt 9,11. (2) Mt 9,14. (3) Mt 9,34. (4) Mt 12,2. (5) Mt 12,14. (6) Mt 12,24. (7) Mt 15,1. (8) Mt 15,12. (9) Mt 16,1. (10) Mt 19,3. (11) Mt 21,45. (12) Mt 22,15. (13) Mt 22,34. (14) Mt 23,2. (15) Mt 23,13. (16) Mt 23,15. (17) Mt 23,23. (18) Mt 23,25. (19) Mt 23,27. (20) Mt 23,29. (21) Mt 27,62.
gen. mv. farisaiôn 7 : (1) Mt 3,7. (2) Mt 5,20. (3) Mt 12,38. (4) Mt 16,6. (5) Mt 16,11. (6) Mt 16,12. (7) Mt 22,41.

Een vorm van farisaios (Farizeeër): nom., voc. + gen. mv. 28: (1) Mt 3,7 (gen.). (2) Mt 5,20 (gen.). (3) Mt 9,11 (nom.). (4) Mt 9,14 (nom.). (5) Mt 9,34 (nom.). (6) Mt 12,2 (nom.). (7) Mt 12,14 (nom.). (8) Mt 12,24 (nom.). (9) Mt 12,38 (gen.). (10) Mt 15,1 (nom.). (11) Mt 15,12 (nom.). (12) Mt 16,1 (nom.). (13) Mt 16,6 (gen.). (14) Mt 16,11 (gen.). (15) Mt 16,12 (gen.).  (16) Mt 19,3 (nom.). (17) Mt 21,45 (nom.). (18) Mt 22,15 (nom.). (19) Mt 22,34 (nom.). (20) Mt 22,41 (gen.). (21) Mt 23,2 (nom.). (22) Mt 23,13 (voc.). (23) Mt 23,15 (voc.). (24) Mt 23,23 (voc.). (25) Mt 23,25 (voc.). (26) Mt 23,27 (voc.). (27) Mt 23,29 (voc.). (28) Mt 27,62 (nom.).

nom. + voc. mv. farisaioi 21: (1) Mt 9,11. (2) Mt 9,14. (3) Mt 9,34. (4) Mt 12,2. (5) Mt 12,14. (6) Mt 12,24. (7) Mt 15,1. (8) Mt 15,12. (9) Mt 16,1. (10) Mt 19,3. (11) Mt 21,45. (12) Mt 22,15. (13) Mt 22,34. (14) Mt 23,2. (15) Mt 23,13. (16) Mt 23,15. (17) Mt 23,23. (18) Mt 23,25. (19) Mt 23,27. (20) Mt 23,29. (21) Mt 27,62.
deelw. + de + hoi farisaioi 1: (5) Mt 12,14.
hoi (...) farisaioi 13: (1) Mt 9,11. (2) Mt 9,14. (3) Mt 9,34. (4) Mt 12,2. (5) Mt 12,14. (6) Mt 12,24. (8) Mt 15,12. (9) Mt 16,1. (11) Mt 21,45. (12) Mt 22,15. (13) Mt 22,34. (14) Mt 23,2. (21) Mt 27,62.
hoi de farisaioi 4: (3) Mt 9,34. (4) Mt 12,2. (6) Mt 12,24. (13) Mt 22,34.
hoi de farisaioi + deelw. 3: (4) Mt 12,2. (6) Mt 12,24. (13) Mt 22,34.
hoi farisaioi 9: : (1) Mt 9,11. (2) Mt 9,14. (5) Mt 12,14. (8) Mt 15,12. (9) Mt 16,1. (11) Mt 21,45. (12) Mt 22,15. (14) Mt 23,2. (21) Mt 27,62.
hoi farisaioi + deelw. 1: (8) Mt 15,12.
kai hoi farisaioi 5: : (3) Mt 9,34. (4) Mt 12,2. (6) Mt 12,24. (13) Mt 22,34. (21) Mt 27,62.
kai + deelw. + hoi farisaioi 3: (1) Mt 9,11. (9) Mt 16,1. (11) Mt 21,45. (tote i.p.v. kai: (12) Mt 22,15.

1. 9. 2. 3. 4. 5. 6.
Mt 9,11 Mt 16,1 Mt 9,14 Mt 9,34 Mt 12,2 Mt 12,14 Mt 12,24
kai (en) kai (en) dia tí (waarom)        
idontes (gezien) hoi Pharisaioi (de Farizeeën) proselthontes (naderbijgekomen) hoi Pharisaioi kai Saddukaioi (de Farizeeën en Sadduceeën) peirazontes (op de proef stellend) hèmeis kai hoi Pharisaioi (wij en de Farizeeën)  hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter)  hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) idontes (gezien)  exelthontes de (naar buiten gegaan echter) hoi Pharisaioi (de Farizeeën) hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) akousantes (gehoord) 
             
elegon (zeiden) epèrôtèsan auton (vroegen hem) nèsteuomen (vasten) elegon (zeiden) eipan autôi (zeiden hem) sumboulion elabon (namen het besluit) eipon (zeiden)
 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars: Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - 159. Vraag om een teken uit de hemel: Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe: Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 73. Genezing van een stomme bezetene: Mt 9,32-34 - Mt 12,22-23 - Mc 3,22-27 - Lc 11,14 94. Aren uittrekken op sabbat: Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat: Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 118. De Beëlzebubcontroverse: Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23

7. 8. 9. 10.
Mt 15,1 Mt 15,12 Mt 16,1 Mt 19,3
Tote (Daarop)   kai (en) kai (en)
  hoi Pharisaioi (de Farizeeën) akousantes (gehoord) ton logon (het woord)  proselthontes (naderbijgekomen) hoi Pharisaioi kai Saddukaioi (de Farizeeën en Sadduceeën) peirazontes (op de proef stellend) prosèlthon autôi (naderden hem) Pharisaioi (Farizeeën) peirazontes auton (hem op de proef stellend)
proserchontai tôi Ièsou (komen naderbij Jezus) apo Hierosolumôn Farisaioi kai grammateis (vanuit Jeruzalem) (Fazrizeeën en schriftgeleerden) legontes (zeggende) eskandalisthèsan (werden geschandaliseerd) epèrôtèsan auton (vroegen hem) kai legontes (en zeggende)
154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden: Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 155. Rein en onrein: Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 159. Vraag om een teken uit de hemel: Mc 8,11-13 - Mt 16,1-4 - Mt 12,38-42 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk: Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9

11. 12. 13. 14. 21.  
Mt 21,45 Mt 22,15 Mt 22,34 Mt 23,2 Mt 27,62 Mt 12,38
kai (en) Tote (daarop)       Tote (Daarop)
akousantes (gehoord) poreuthentes (zich op weg begeven)       apekrithèsan autôi (antwoordden hem)
hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën)... hoi Pharisaioi (de Farizeeën) hoi de Pharisaioi (De Farizeeën echter) akouontes (gehoord)...     tines tôn grammateôn kai Pharisaiôn (sommige schriftgeleerden en Farizeeën)
egnôsan (wisten) sumboulion elabon (namen het besluit) sunèchthèsan epi to auto (verzamelden bij elkaar) ekathisan (zijn gezeten) hoi grammateis kai hoi Pharisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) sunèchthèsan (verzamelden) hoi archiereis kai hoi Pharisaioi (de hogepriesters en de Farizeeën)... legontes (zeggende)
 289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers: Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 - 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer: Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 293. Vraag naar het eerste gebod: Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën: Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 350. Wacht bij het graf: Mt 27,62-66 121. Het teken van Jona: Mt 12,38-42 - Lc 11,29-32 -

Farizeeën en schriftgeleerden

Een vorm van   Mt 5 Mt 12 Mt 15 Mt 23
archiereus (hogepriester)         

farisaios (Farizeeër): nom. + gen. mv. 

(2) Mt 5,20 (gen.).  (6) Mt 12,2 (nom.). (7) Mt 12,14 (nom.). (8) Mt 12,24 (nom.). (9) Mt 12,38 (gen.).  (10) Mt 15,1 (nom.). (11) Mt 15,12 (nom.).  (21) Mt 23,2 (nom.). (22) Mt 23,13 (nom.). (23) Mt 23,15 (nom.). (24) Mt 23,23 (nom.). (25) Mt 23,25 (nom.). (26) Mt 23,27 (nom.). (27) Mt 23,29 (nom.). 
grammateus (schriftgeleerde).   (2) Mt 5,20 (gen. mv.).   (6) Mt 12,38 (gen. mv.).  (8) Mt 15,1 (nom. mv.).  (13) Mt 23,2 (nom. mv.). (14) Mt 23,13 (voc. mv.). (15) Mt 23,15 (voc. mv.). (16) Mt 23,23 (voc. mv.). (17) Mt 23,25 (voc. mv.). (18) Mt 23,27 (voc. mv.). (19) Mt 23,29 (voc. mv.). (20) Mt 23,34 (acc. mv.).  
presbuteros (oudere)   (1) Mt 5,20 (gen. mv.).    (1) Mt 12,38 (gen. mv.).   (1) Mt 15,1 (nom. mv.).  7: (1) Mt 23,2 (nom. mv.). (2) Mt 23,13 (voc. mv.). (3) Mt 23,15 (voc. mv.). (4) Mt 23,23 (voc. mv.). (5) Mt 23,25 (voc. mv.). (6) Mt 23,27 (voc. mv.). (7) Mt 23,29 (voc. mv.). 

Buiten de wee-rede (Mt 23) worden de Farizeeën en schriftgeleerden nog in drie verzen vermeld. Ze treden slechts éénmaal samen op (Mt 15,1). Op hun vraag om een teken geeft Jezus geen ander teken dan dat van Jona.

farisaios (Farizeeër) Mt Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven 
nom. enk. farizaios     5 : (1) Lc 7,39. (2) Lc 11,37. (3) Lc 11,38. (4) Lc 18,10. (5) Lc 18,11.   3 : (1) Hnd 5,34. (2) Hnd 23,6. (3) Hnd 26,5. 1 : Fil 3,5.
gen. enk. farisaiou     2 : (1) Lc 7,36. (2) Lc 7,37.      
nom. + voc. mv. farisaioi 21: (1) Mt 9,11. (2) Mt 9,14. (3) Mt 9,34. (4) Mt 12,2. (5) Mt 12,14. (6) Mt 12,24. (7) Mt 15,1. (8) Mt 15,12. (9) Mt 16,1. (10) Mt 19,3. (11) Mt 21,45. (12) Mt 22,15. (13) Mt 22,34. (14) Mt 23,2. (15) Mt 23,13. (16) Mt 23,15. (17) Mt 23,23. (18) Mt 23,25. (19) Mt 23,27. (20) Mt 23,29. (21) Mt 27,62. 8: (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,24. (3) Mc 3,6. (4) Mc 7,1. (5) Mc 7,3. (6) Mc 7,5. (7) Mc 8,11. (8) Mc 10,2. 10: (1) Lc 5,17. (2) Lc 5,21. (3) Lc 5,30. (4) Lc 6,7. (5) Lc 7,30. (6) Lc 11,39. (7) Lc 11,53. (8) Lc 13,31. (9) Lc 15,2. (10) Lc 16,14. 9: (1) Joh 4,1. (2) Joh 7,32. (3) Joh 7,47. (4) Joh 8,3. (5) Joh 8,13. (6) Joh 9,15. (7) Joh 11,47. (8) Joh 11,57. (9) Joh 12,19. 1: Hnd 23,8.  
gen. mv. farisaiôn 7 : (1) Mt 3,7. (2) Mt 5,20. (3) Mt 12,38. (4) Mt 16,6. (5) Mt 16,11. (6) Mt 16,12. (7) Mt 22,41. 4 : (1) Mc 2,16. (2) Mc 2,18. (3) Mc 8,15. (4) Mc 12,13. 7 : (1) Lc 5,33. (2) Lc 6,2. (3) Lc 7,36. (4) Lc 12,1. (5) Lc 14,1. (6) Lc 17,20. (7) Lc 19,39. 6 : (1) Joh 1,24. (2) Joh 3,1. (3) Joh 7,48. (4) Joh 9,16. (5) Joh 9,40. (6) Joh 18,3. 4 : (1) Hnd 15,5. (2) Hnd 23,6. (3) Hnd 23,7. (4) Hnd 23,9.  
dat. mv. farisaiois     2 : (1) Lc 11,42. (2) Lc 11,43.      
acc. mv. farisaious     1 : Lc 14,3. 4 : (1) Joh 7,45. (2) Joh 9,13. (3) Joh 11,46. (4) Joh 12,42.    

- fatnè (krib, ruif). φατνη = fatnè (krib, ruif). Taalgebruik in het NT: fatnè (krib, ruif). Taalgebruik in de LXX: fatnè (krib, ruif). Taalgebruik in Lc: fatnè (krib, ruif).
- Lat. praesepium. Fr. crèche. E. a manger. D. Krippe. Arabisch: مَعْلَف = ma`laf (kribbe). Taalgebruik in de Qoran: ma`laf (kribbe). Zie het werkw. عَلَفَ = `alafa (voederen, als voer geven).

- dat. vr. enk. φατνῃ = fatnè(i) van het zelfst. naamw. φατνη = fatnè (krib, ruif). Taalgebruik in het NT: fatnè (krib, ruif). Taalgebruik in Lc: fatnè (krib, ruif). Bijbel = Lc (3): (1) Lc 2,7. (2) Lc 2,12. (3) Lc 2,16. Een vorm van φατνη = fatnè (krib, ruif) in de LXX (8), in het NT (4), in Lc (4): (1) Lc 2,7. (2) Lc 2,12. (3) Lc 2,16. (4) Lc 13,15.
- εν φατνῃ = en fatnè(i) = in een krib, voederbak. Lc (3): (1) Lc 2,7. (2) Lc 2,12. (3) Lc 2,16.

- acc. vr. enk. φατνην = fatnèn van het zelfst. naamw. φατνη = fatnè (krib, ruif). Taalgebruik in het NT: fatnè (krib, ruif). Taalgebruik in Lc: fatnè (krib, ruif). Bijbel (1): Js 1,3. Een vorm van φατνη = fatnè (krib, ruif) in de LXX (8), in het NT (4), in Lc (4): (1) Lc 2,7. (2) Lc 2,12. (3) Lc 2,16. (4) Lc 13,15.


 

- feggos (lichtglans). feggos (lichtglans). Taalgebruik in het NT: feggos (lichtglans). Taalgebruik in Mc: feggos (lichtglans).

  feggos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. onz. enk. feggos   18  16               

- φειδομαι = feidomai (sparen)

- feidomai (sparen). φειδομαι = feidomai (sparen). Taalgebruik in het NT: feidomai (sparen). Taalgebruik in de LXX: feidomai (sparen).

- ind. aor. 2de pers. enk. εφεισω = efeisô (jij spaarde) van het werkw. φειδομαι = feidomai (sparen). Taalgebruik in het NT: feidomai (sparen). Taalgebruik in de LXX: feidomai (sparen). Een vorm van φειδομαι = feidomai (sparen)in de LXX (95), in het NT (10).

 


- fèmè (faam). fèmè (faam). Taalgebruik in het NT: fèmè (faam). Taalgebruik in Lc: fèmè (faam). Is fèmè verwant met fè-mi (spreken) en zou fèmè dan betekenen: het gesprokene, de boodschap ? In Spr 15,30 is fèmè de vertaling van sjëmû`âh. In de LXX wordt sjëmû`âh vaak vertaald door aggelia (boodschap) of akoè (het gehoorde, gerucht).

  fèmè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. fèmè                

- ferô (voeren, dragen). ferô (voeren, dragen, brengen). Taalgebruik in het NT: ferô (voeren, dragen). Taalgebruik in de LXX: ferô (voeren, dragen). Taalgebruik in Mc: ferô (voeren, dragen). Taalgebruik in Lc: ferô (voeren, dragen).

- act. part. perf. nom. mann. enk. enegkas van het werkw. Bijbel (2): (1) Hnd 5,2. (2) Hnd 14,3. Een vorm van ferô (voeren, dragen, brengen) in de LXX (290), in het NT (68), in Hnd (10).

  ferô (voeren, dragen).   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. mv. ferousin            
  act. part. praes. nom. mann. mv. ferontes   12           
  act. part. praes. nom. vr. mv. ferousai                              
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. eferen                 
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. eferon  17  13           
  act. ind. praes. 2de pers. mv. ferete   13           
  act. ind. aor. 3de pers. enk. ènegken  28  23       
  act. ind. aor. 1ste pers. enk. ènegka                 
  act. ind. aor. 3de pers. mv. ènegkan  39  36               
  act. inf. aor. enegkai  11  10                 
                               
                               
  totaal                            

- act. ind. praes. 3de pers. enk. ferei (hij draagt) van het werkw.. Bijbel (5):

ferô (dragen, brengen). Taalgebruik: ferô (dragen, brengen), zie Mc 1,32.
--- eferon pros auton (zij brachten naar hem)
imperfectum (onvoltooid verleden tijd) van het werkwoord ferô: dragen, brengen. In 17 verzen in de bijbel; in 13 verzen in het O.T., in 4 verzen in het NT In de evangelies slechts in Mc 1,32.
--- ferontes (dragende). In 12 verzen in de bijbel; in 8 verzen in het O.T., in 4 verzen in het NT In deze vorm is het slechts hier dat we het in het marcusevangelie tegenkomen.
--- ferousin (zij brengen) indicatief presens (tegenwoordige tijd). In 9 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 6 verzen in het NT Het komt bij Marcus in 4 verzen voor. In Mc 7,31 is er eerst een overgangsvers en dan brengen ze een doofstomme bij Jezus (kai ferousin autôi: en zij brengen naar hem) (Mc 7,32 ). In Mc 8,22 heeft een plaatsverandering plaats en dan volgt dat ze een blinde naar Jezus brengen (kai ferousin autôi: zij brengen naar hem). Mc 11,7: kai ferousin ton pôlon pros ton Ièsoun (en zij brengen de ezel bij Jezus). Mc 15,22: kai ferousin auton epi ton Golgothan topon (en zij brengen hem naar de Golgothaplaats).
Een gelijkaardige situatie als Mc 1,32 treffen we aan in Mc 2,1-3. Jezus is in een huis in Kafarnaüm. Er stroomt zoveel volk samen dat men niet meer bij de deur kan. Opnieuw zijn er mensen die een zieke aanbrengen nl. een lamme. Vermits Jezus de zieken in Mc 1,32-34 heeft genezen mogen we verwachten dat hij ook in Mc 2,1-12 de lamme zal genezen.


- feugô (vluchten). feugô (vluchten). Taalgebruik in het NT: feugô (vluchten). Taalgebruik in de LXX: feugô (vluchten).
- act. ind. aor. 3de pers. mv. εφυγον = efugon (zij vluchtten) van het werkwoord φευγω = feugô (vluchten). Taalgebruik in het NT: feugô (vluchten). Taalgebruik in de LXX: feugô (vluchten). Bijbel (60). OT (52). NT (8): (1) Mt 8,33. (2) Mt 26,56. (3) Mc 5,14. (4) Mc 14,50. (5) Mc 16,8. (6) Lc 8,34. (7) Heb 11,34. (8). Heb 12,25. Een vorm van φευγω = feugô in de LXX (250), in het NT (29).

- filippos (Filippus). filippos (Filippos). Taalgebruik in het NT: filippos (Filippus). Taalgebruik in Mc: filippos (Filippus).

  filippos (Filippos).   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. filippos   16  13             
gen. mann. enk. filippou           
dat. mann. enk. filippô(i)                  
acc. mann. enk. filippon   14           
  Totaal  45  11  34  10  16      18     

- fimoô (muilkorven, mond snoeren) . φιμοω = fimoô (muilkorven, mond snoeren). Taalgebruik in het NT: fimoô (muilkorven, mond snoeren). Taalgebruik in de LXX: fimoô (muilkorven, mond snoeren).

- flox (vlam, vuur). nom. vr. enk. φλοξ = flox (vlam, vuur). Taalgebruik in de Bijbel: flox (vlam, vuur). Bijbel (21): (1) Gn 15,17. (2) Gn 19,28. (3) Nu 21,28. (4) Js 13,8. (5) Js 29,6. (6) Js 43,2. (7) Ez 21,3. (8) Jl 1,19. (9) Jl 2,3. (10) Ob 18. (11) Ps 83,15. (12) Ps 106,18. (13) Job 18,5. (14) Job 41,13. (15) Da 3,23. (16) Da 7,9. (17) 2 Mak 1,32. (18) W 16,18. (19) Sir 21,9. (20) Apk 1,14. (21) Apk 19,12.
- dat vr. enk. φλογι = flogi. Bijbel (7): (1) Ex 3,2. (2) Re 13,20. (3) Js 50,11. (4) Js 66,15. (5) Sir 28,22. (6) Lc 16,24. (7) Hnd 7,30.

- fobos


- φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden)

- fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in het NT: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in de LXX: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in Mc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in Lc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Allerlei vormen van dit werkwoord en vormen van het zelfstandig naamwoord fobos (vrees, fobie) worden in de bijbel veelvuldig gebruikt.
--- foboumenos (vrezend). Taalgebruik: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden), zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben), zie Ps 111,10. Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud. In achtentwintig verzen in de bijbel. In tweeëntwintig verzen in het OT. In zes verzen in het NT: (1) Lc 18,2. (2) Hnd 10,2. (3) Petrus vertelde aan de gemeente van Jeruzalem wat hem in Joppe en Cesarea is overkomen. Hnd 10,22. (4) De verdedigingstoespraak van Petrus: Hnd 10,35. (5) Gal 2,12. (6) 1 Joh 4,18.

--- fobeisthe (vreest). In 34 verzen in de bijbel; in 23 verzen in het OT, in 11 verzen in het NT In zes verzen bij Matteüs (zie Mt 10,28): (1) Mt 10,28. (2) Mt 10,31. (3) Mt 14,27. (4) Mt 16,7. (5) Mt 28,5. (6) Mt 28,10. Slechts in 1 vers bij Marcus: Mc 6,50.
- μη φοβεισθε = mè fobeisthe (vreest niet). NT (8): (1) Mt 14,27. (2) Mt 17,7. (3) Mt 28,5. (4) Mt 28,10. (5) Mc 6,50. (6) Lc 2,10. (7) Lc 12,7. (8) Joh 6,20.

- ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in het NT: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden).
- Mt (4): (1) Mt 9,8. (2) Mt 17,6. (3) Mt 21,46. (4) Mt 27,54.
- Taalgebruik in Mc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Bijbel (49). LXX (35). NT (14). Mc (3): (1) Mc 4,41. (2) Mc 5,15. (3) Mc 12,12. Een vorm van φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) in Mc (12): (1) Mc 4,41. (2) Mc 5,15. (3) Mc 5,33. (4) Mc 5,36. (5) Mc 6,20. (6) Mc 6,50. (7) Mc 9,32. (8) Mc 10,32. (9) Mc 11,18. (10) Mc 11,32. (11) Mc 12,12. (12) Mc 16,8.
- Taalgebruik in Lc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Lc (4): (1) Lc 2,9. (2) Lc 8,35. (3) Lc 9,34. (4) Lc 20,19. Een vorm van φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in de LXX (460), in het NT (95), in Lc (21): (1) Lc 1,13. (2) Lc 1,30. (3) Lc 1,50. (4) Lc 2,9. (5) Lc 2,10. (6) Lc 5,10. (7) Lc 8,25. (8) Lc 8,35. (9) Lc 8,50. (10) Lc 9,34. (11) Lc 9,45. (12) Lc 12,4. (13) Lc 12,5. (14) Lc 12,7. (15) Lc 12,32. (16) Lc 18,2. (17) Lc 18,4. (18) Lc 19,21. (19) Lc 20,19. (20) Lc 22,2. (21) Lc 23,40.
- Joh (1): Joh 6,19. Hnd (1): Hnd 16,38. Hebr. (1): Heb 11,23.

  φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn  ev P Ab 
  ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv).   49  35  14    11  12   
  Een vorm van φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden).   460 95   12 21                

 

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. + imperat. praes. 2de pers. mv.  fobeisthe 34  23  11      10   
                               
  ind. imperf. 3de pers. mv. efobounto   14  10           
  imperat. praes. 2de pers. enk. fobou   88  66  22  11  12 
  ind. aor. 3de pers. mv. efobèthèsan   49  35  14    11  12   
                               
  totaal                            

- pass. part. aor. nom. mann. mv. φοβηθεντες = fobèthentes (bevreesd) van het werkw. φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in het NT: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in de LXX: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in Lc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden).Bijbel (4): (1) Ex 20,18. (2) Spr 20,25. (3) 1 Mak 10,76. (4) Lc 8,25. Een vorm van φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in de LXX (460), in het NT (95), in Lc (21): (1) Lc 1,13. (2) Lc 1,30. (3) Lc 1,50. (4) Lc 2,9. (5) Lc 2,10. (6) Lc 5,10. (7) Lc 8,25. (8) Lc 8,35. (9) Lc 8,50. (10) Lc 9,34. (11) Lc 9,45. (12) Lc 12,4. (13) Lc 12,5. (14) Lc 12,7. (15) Lc 12,32. (16) Lc 18,2. (17) Lc 18,4. (18) Lc 19,21. (19) Lc 20,19. (20) Lc 22,2. (21) Lc 23,40.

- ind. imperf. 3de pers. mv. εφοβουντο = efobounto (zij vreesden) van het werkw. φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in het NT: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in de LXX: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Bijbel (14). OT (4): (1) Ex 1,21. (2) Joz 4,14. (3) 2 K 17,33. (4) 1 Mak 8,12. Mc (5): (1) Mc 9,32. (2) Mc 10,32. (3) Mc 11,18. (4) Mc 11,32. (5) Mc 16,8.  Mc (5): (1) Mc 9,32. (2) Mc 10,32. (3) Mc 11,18. (4) Mc 11,32. (5) Mc 16,8. Lc (2): (1) Lc 9,45. (2) Lc 22,2. Joh (1): Joh 9,22. Hnd (2): (1) Hnd 5,26. (2) Hnd 9,26. Een vorm van εφοβηθησαν = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in de LXX (460), in het NT (95), in Mc (12): (1) Mc 4,41. (2) Mc 5,15. (3) Mc 5,33. (4) Mc 5,36. (5) Mc 6,20. (6) Mc 6,50. (7) Mc 9,32. (8) Mc 10,32. (9) Mc 11,18. (10) Mc 11,32. (11) Mc 12,12. (12) Mc 16,8, in Lc (21): (1) Lc 1,13. (2) Lc 1,30. (3) Lc 1,50. (4) Lc 2,9. (5) Lc 2,10. (6) Lc 5,10. (7) Lc 8,25. (8) Lc 8,35. (9) Lc 8,50. (10) Lc 9,34. (11) Lc 9,45. (12) Lc 12,4. (13) Lc 12,5. (14) Lc 12,7. (15) Lc 12,32. (16) Lc 18,2. (17) Lc 18,4. (18) Lc 19,21. (19) Lc 20,19. (20) Lc 22,2. (21) Lc 23,40.


- fobos (vrees, fobie). φοβος = fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in het NT: fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in de LXX: fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in Mc: fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in Lc: fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in Hnd: fobos (vrees, fobie). Een vorm van (vrees, fobie) in de LXX (199), in het NT (47).

Taalgebruik: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden), zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben), zie Ps 111,10. Zelfstandig naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud. In achtentachtig verzen in de bijbel. In elf verzen in het NT. Niet bij Matteüs. Niet bij Marcus. In drie verzen bij Lucas: (1) Lc 1,12. (2) Lc 1,65. (3) Lc 7,16. Niet in Johannes. In vier verzen in Hnd: (1) Hnd 2,43. (2) Hnd 5,5. (3) Hnd 5,11. (4) Hnd 19,17. Brieven (4).
---- fobou. genitief mann. enkelvoud in Lc (2): (1) Lc 5,26. (2) Lc 21,26. of imperatief enkelvoud. mè fobou: (1) Lc 1,13. Lc 1,29. (3) Lc 5,10. (4) Lc 8,50. (5) Lc 12,32.

- acc. mann. enk. φοβον = fobon (vrees) van het zelfst. naamw. φοβος = fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in het NT: fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in de LXX: fobos (vrees, fobie). Accusatief mannelijk enkelvoud. In vierenvijftig verzen in de bijbel. In veertig verzen in het OT. In veertien verzen in het NT. Mc (1). Lc (1). In drie verzen bij Johannes, telkens dia ton fobon tôn Ioudaiôn (uit vrees voor de joden): (1) Joh 7,13. (2) Joh 19,38. (3) Joh 20,19. Brieven (7). Opb (2).

  fobos (vrees)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. fobos  88  77  11        3
2 gen. mann. enk. fobou  88  66  22  2 11  12 
3 dat. mann. enk. fobô(i)   34  24  10     

1

   
4 acc. mann. enk. fobon  54  40  14   
  totaal 264  207  57  12 10  24  5 16  18  16 

nom. mann. enk. fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in het NT: fobos (vrees, fobie). Taalgebruik in Lc: fobos (vrees, fobie).
In drie verzen bij Lucas: (1) Lc 1,12. (2) Lc 1,65. (3) Lc 7,16. Een vorm van fobos (vrees, fobie) in Lc in 7 verzen: (1) Lc 1,12. (2) Lc 1,65. (3) Lc 2,9. (4) Lc 5,26. (5) Lc 7,16. (6) Lc 8,37. (7) Lc 21,26.


--- emfobos (bevreesd): Taalgebruik: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden), zie Mc 1,27 ; zie eveneens jâr´â (vrezen, eerbied hebben), zie Ps 111,10. Bijvoeglijk naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud. In drie verzen in de bijbel. In één vers in het OT. In twee verzen in Hnd: (2) Hnd 10,4 (emfobos genomenos = bevreesd geworden). (3) Hnd 24,25 (idem als Hnd 10,4).
--- emfoboi. In 2 verzen in de bijbel, in 1 vers bij Lucas en in 1 vers in Hnd. (1) Lc 24,37 (emfoboi genomenoi = bevreesd geworden). (2) Ap 11,13 (kai hoi loipoi emfoboi egenonto = de overigen werden bevreesd).

  Mc 1,27     Lc 4,36   Mc 4,41
  kai (en)   kai (en) eerste van de twee nevenschikkende zinnen, ingeleid door kai = en kai (en)
  ethambèthèsan (waren verbaasd)   egeneto thambos (er was verbazing)   efobèthèsan fobon megan (zij werden door een grote vrees bevangen)  
  hapantes (allen)   epi pantas (over allen)    
hôste + infinitief om het mogelijk gevolg aan te duiden 27. hôste (zodat)   kai (en) tweede van de twee nevenschikkende zinnen, ingeleid door kai = en 41.  kai (en)
suzèteô = sun-zèteô suzètein  (zij samen zochten) een werkwoord met de samenstelling met sun- samen sunelaloun (spraken samen) werkwoord, in de imperfectumvorm (O.V.T.) elegon (zeiden) 
onderwerp van de infinitiefzin in de accusatief autous (zij)    pros allèlous (tot elkaar)  nadere bepaling bij het werkwoord (voorzetsel pros= tot + accusatief) pros allèlous (tot elkaar) 
  legontas (zeggende)  bijstelling bij het onderwerp; het leidt de directe vraagzin in. legontes (zeggende)    
  55. Uitdrijving van een demon: Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37    55. Uitdrijving van een demon: Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37    142. Het bedaren van de storm: Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25  

- fôneo (roepen, schreeuwen). φωνεω = foneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in het NT: fôneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in Mc: fôneô (roepen, schreeuwen). Taalgebruik in Lc: fôneô (roepen, schreeuwen). In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen, vox = stem. Hebr. qârâ. Getalwaarde: qoph = 19 of 100, resj = 20 of 200, aleph = 1 ; totaal: 40 of 301. Fr. appeler < Lat. pellere, pello, pulsum = stoten, slaan, doen klinken. appellare = oproepen ; appel: oproep. Cfr tele-foon.

      bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. + act. imperat. praes. 2de pers. enk. fônei               
  act. ind. praes. 3de pers. mv. fônousin       1: Mc 10,49.                
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. efônei    1   1                
  act. ind. fut. 3de pers. enk. fônèsei                    
  act. ind. aor. 3de pers. enk. efônèsen   3: (1) Mc 9,35. (2) Mc 14,68. (3) Mc 14,72.   14  13    11     
  act. imperat. aor. 2de pers. mv.  fônèsate       1: Mc 10,49.                
  act. inf. aor. fônèsai              
  act. part. aor. mann. mann. enk. fônèsas                   
  pass. inf. aor. fônèthènai                      
                                 
                                 
  totaal                              


--- fônei (hij roept). Qal praesens derde persoon enkelvoud. In zeven verzen in de bijbel: (1) Mt 27,47. (2) Mc 10,49. (3) Mc 15,35. (4) Lc 14,12. (5) Joh 2,9. (6) Joh 10,3. (7) Joh 11,28.
--- fônousin (zij roepen). Qal praesens derde persoon meervoud. In twee verzen in de bijbel: (1) Js 8,19. (2) Mc 10,49.
---fônountas (roependen). Participium praesens accusatief meervoud: (1) Js 8,19. (2) Js 19,3.

--- fônèsas. Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud. In vijf verzen in de bijbel: (1) Lc 16,2. (2) Lc 16,24. (3) Lc 23,46. (4) Hnd 9,41. (5) Hnd 10,7. Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord fôneô. In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen, vox = stem. Hebr. qârâ. Getalwaarde: qoph = 19 of 100, resj = 20 of 200, aleph = 1 ; totaal: 40 of 301. Fr. appeler < Lat. pellere, pello, pulsum = stoten, slaan, doen klinken. appellare = oproepen ; appel: oproep. Cfr tele-foon. In vijf verzen in de bijbel. Alleen in het NT en wel in Lc en Hnd:
--- act. part. aor. nom. + acc. onz. enk. φωνησαν = fonèsan (schreeuwend). Slechts Mc 1,26.
--- efônèsen (hij riep). Indicatief aorist derde persoon enkelvoud. In veertien verzen in de bijbel. In één vers in het OT. In dertien verzen in het NT. (1) Mt 20,32. (2) Mt 26,74. (3) Mc 9,35. (4) Mc 14,68. (5) Mc 14,72. (6) Lc 8,54. (7) Lc 22,60. (8) Joh 11,28. (9) Joh 12,17. (10) Joh 18,27. (11) Joh 18,33. (12) Hnd 16,28. (13) Apk 14,18.
--- anefônèsen (hij riep uit). In één vers in de bijbel: Lc 1,42.
--- fônèsate (roept). Qal imperatief aorist tweede persoon meervoud. Slechts in Mc 10,49.

fônèsas. Taalgebruik: fôneô (roepen, schreeuwen), zie Mc 1,26. anakrazô (uitschreeuwen), zie Mc 1,23. boaô (luid roepen, schreeuwen), zie Mc 15,34. Participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud. In vijf verzen in de bijbel:
(1) Lc 16,2: kai fônèsas auton eipen autôi = en hem geroepen zei hij aan hem. (Een rijk man riep zijn rentmeester bij zich).
(2) Lc 16,24: kai autos fônèsas eipen, pater Abraam = en zelf geroepen zei: Vader Abraham... (De rijke riep in het dodenrijk tot vader Abraham).
(3) Lc 23,46: kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met luide stem zei Jezus: Vader... ). (Met luide stem riep Jezus, Vader...).
(4) Hnd 9,41: fônèsas de... = geroepen echter....
(5) Hnd 10,7.
In de verzen van het Lucasevangelie is het hoofdwerkwoord eipen = hij zei (aorist van het werkwoord legô = zeggen). Het leidt een citaat in. In één vers nl. Lc 23,46 is Jezus aan het woord.

anakrazô (uitschreeuwen), zie Mc 1,23. boaô (luid roepen, schreeuwen), zie Mc 15,34.


- φωνη = fônè (stem, roep) 

- fônè (stem, roep). φωνη = fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het NT: fônè (stem, roep). Taalgebruik in de LXX: fônè (stem, roep). Taalgebruik in Mc: fônè (stem, roep). Taalgebruik in Lc: fônè (stem, roep). Hebr. p´ (mond). Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem, vo-care = roepen), fè-mi = spreken. Lat for - fari. Verwant met de indogerm. stam bha.
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen. Lat. facies. E. face. Ned. aangezicht, aanschijn.

fônè (stem, roep)  Mt Mc Lc syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. fônè   6 : (1) Mt 2,18. (2) Mt 3,3. (3) Mt 3,17. (4) Mt 17,5. (5) Mt 27,46. (6) Mt 27,50. 6 : (1) Mc 1,3. (2) Mc 1,11. (3) Mc 1,26. (4) Mc 5,7. (5) Mc 9,7. (6) Mc 15,34. 7 : (1) Lc 1,44. (2) Lc 3,4. (3) Lc 4,33. (4) Lc 8,28. (5) Lc 9,35. (6) Lc 19,37. (7) Lc 23,46. 19 : (1) Mt 3,3 // Mc 1,3 // Lc 3,4. (2) Mt 3,17 // Mc 1,11 // Lc 3,22. (3) Mt 17,5 // Mc 9,7 // Lc 9,35. (4) Mt 27,46 // Mc 15,34. (5) Mt 27,50 // Mc 15,37 // Lc 23,46. (6) Mc 5,7 // Lc 8,28. 242  180  62  12  23  19  23     
gen. vr. enk. fônès       1: Lc 17,15. 210  187  23     
acc. vr. enk. fônèn   1 : Mt 12,19. 1 : Mc 15,37. 4: (1) Lc 3,22. (2) Lc 9,36. (3) Lc 11,27. (4) Lc 17,13. 182  146  36  12  11 
totaal 12  26  634  513  121  12  15  26  13  41  26  41     

Een vorm van φωνη = fônè (stem, roep)  in de LXX (633), in het NT (137), in Mt (7), in Mc (7), in Lc (14): (1) Lc 1,44. (2) Lc 3,4. (3) Lc 3,22. (4) Lc 4,33. (5) Lc 8,28. (6) Lc 9,35. (7) Lc 9,36. (8) Lc 11,27. (9) Lc 17,13. (10) Lc 17,15. (11) Lc 19,37. (12) Lc 23,23. (13) Lc 23,46.

- nom. + dat. vr. enk. φωνη / φωνῃ = fônè(i) (stem, roep) . Taalgebruik in het NT: fônè (stem, roep). Taalgebruik in de LXX: fônè (stem, roep). Taalgebruik in Mc: fônè (stem, roep). Mt (6): (1) Mt 2,18. (2) Mt 3,3. (3) Mt 3,17. (4) Mt 17,5. (5) Mt 27,46. (6) Mt 27,50. Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.). (2) Mc 1,11 (nom.). (3) Mc 1,26 (dat.). (4) Mc 5,7 (dat.). (5) Mc 9,7 (nom.). (6) Mc 15,34 (dat.). Lc (7): (1) Lc 1,44. (2) Lc 3,4. (3) Lc 4,33: anekraxen fônèi megalèi = en hij schreeuwde het uit met luide stem. (4) Lc 8,28: kai fônèi megalèi eipen = en met luide stem zei hij. (5) Lc 9,35. (6) Lc 19,17: ainein ton theon fônèi megalèi = God loven met luide stem. (7) Lc 23,46: kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met luide stem zei Jezus: Vader.... Joh (4): (1) Joh 1,23. (2) Joh 11,43. (3) Joh 12,28. (4) Joh 12,30. Hnd (12): (1) Hnd 7,31. (2) Hnd 7,57. (3) Hnd 7,60. (4) Hnd 8,7. (5) Hnd 10,13. (6) Hnd 10,15. (7) Hnd 11,9. (8) Hnd 12,22. (9) Hnd 14,10. (10) Hnd 16,28. (11) Hnd 19,34. (12) Hnd 26,24.
- Hebr. p´ (mond). Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem, vo-care = roepen), fè-mi = spreken. Lat for - fari. Verwant met de indogerm. stam bha cfr. tele-foon.
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen. Lat. facies. E. face. Ned. aangezicht, aanschijn.

- φωνῃ μεγαλῃ = fônè(i) megalè(i) (met luide stem). LXX (47). NT (26). Mt (2): (1) Mt 27,46. (2) Mt 27,50. Mc (3): (1) Mc 1,26. (2) Mc 5,7. (3) Mc 15,34. Lc (4): (1) Lc 4,33. (2) Lc 8,28. (3) Lc 19,17. (4) Lc 23,45. Joh (1): Joh 11,43. Hnd (3): (1) Hnd 7,57. (2) Hnd 7,60. (3) Hnd 16,28.

- Een werkwoordvorm van φωνεω = fôneô (roepen) + φωνῃ μεγαλῃ = fônèi megalèi (met luide stem): (1) Mc 1,26. (2) Lc 23,46. (3) Hnd 16,28. (4) Apk 14,18.
- Een werkwoordvorm van (ανα)κραζω = (ana)krazô (kruisen) + φωνῃ μεγαλῃ = fônèi megalèi (met luide stem): (1) 1 S 4,5. (2) 1 Mak 2,27. (3) Mt 27,50. (4) Mc 5,7. (5) Lc 4,33. (6) Lc 8,28. (7) Hnd 7,60.


- fôs (licht). φως = fôs (licht).Taalgebruik in het NT: fôs (licht). Taalgebruik in de LXX: fôs (licht). Een vorm van φως = fôs (licht) in de bijbel (209), het OT (176), het NT (73), in Mt (6): (1) Mt 4,16. (2) Mt 5,14. (3) Mt 5,16. (4) Mt 6,23. (5) Mt 10,27. (6) Mt 17,2. Lc (5): (1) Lc 2,32. (2) Lc 8,16. (3) Lc 11,33. (4) Lc 11,35. (5) Lc 22,56.
- en tô(j) fôti (in het licht). NT (8): (1) Mt 10,27. (2) Lc 12,3. (3) Joh 5,35. (4) Kol 1,12. (5) 1 Joh 1,7 (2X). (6) 1 Joh 2,9. (7) 1 Joh 2,10. (8) Apk 21,24.

fôs (licht)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P..  A. b.
nom. enk.  fôs 143  102  41  14  10  24 
gen. enk. fôtos  38  25  13       
dat. enk. fôti   23  15      5  
acc. enk. fôta                     
totaal 209  146  63  18  10  19  13  31  13 

Het komt in de bijbel in 143 verzen voor. In 102 verzen in het OT - Ps 97,11 - Ps 112,4 - In eenenveertig verzen in het NT. In vier verzen bij Matteüs. In veertien verzen bij Johannes . In acht verzen in Hnd: (1) Hnd 9,3. (2) Hnd 12,7. (3) Hnd 13,47. (4) Hnd 22,6. (5) Hnd 22,9. (6) Hnd 26,13. (7) Hnd 26,18. (8) Hnd 26,23.

- acc. onz. enk. bijvoegl. naamw. fôteinon van het bijvoegl. naamw. fôteinos (verlichtend, lichtend, verlicht). Bijbel (3): (1) Mt 6,22. (2) Lc 11,34. (3) Lc 11,36 (2X). Een vorm van fôteinos in de LXX (2): (1) Sir 17,31. (2) Sir 23,19. In het NT (4): (1) Mt 6,22. (2) Mt 17,5. (3) Lc 11,34. (4) Lc 11,36 (2X).


- frear (put). φρεαρ = frear (put). Taalgebruik in de Bijbel: frear (put). Bijbel (32). Gn (18): (1) Gn 16,14. (2) Gn 21,14. (3) Gn 21,19. (4) Gn 21,30. (5) Gn 21,31. (6) Gn 22,19. (7) Gn 24,11. (8) Gn 24,20. (9) Gn 24,62. (10) Gn 25,11. (11) Gn 26,19. (12) Gn 26,21. (13) Gn 26,22. (14) Gn 26,23. (15) Gn 26,25. (16) Gn 26,33. (17) Gn 29,2. (18) Gn 46,1.
- genitief enkelvoud = freatos van het zelfst. naamw. φρεαρ = frear (put). Taalgebruik in de Bijbel: frear (put). Bijbel (18). Gn (8): (1) Gn 26,20. (2) Gn 26,32. (3) Gn 28,10. (4) Gn 29,2. (5) Gn 29,3. (6) Gn 29,8. (7) Gn 29,10. (8) Gn 46,5.

fulakè (bewaring)  bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk   
nom. + dat. vr. enk. fulakè(i) 41 23 18 8 2 3   3 1 1  
gen. enk. fulakès 36 30 6         4 1  
dat. zie nom.                      
acc. vr. enk. 38 23 15 2 1 3 1 7    
Totaal   115 76 39 10 3 6 1 14 2  

- fulè (volks-stam, afdeling van het volk). φυλη = fulè (volks-stam, afdeling van het volk). Taalgebruik in het NT: fulè (volks-stam, afdeling van het volk). Taalgebruik in de LXX: fulè (volks-stam, afdeling van het volk).

- gen. vr. mv. φυλων = fulôn (van de stammen) van het zelfst. naamw. φυλη = fulè (volks-stam, afdeling van het volk). Taalgebruik in het NT: fulè (volks-stam, afdeling van het volk). Taalgebruik in de LXX: fulè (volks-stam, afdeling van het volk). Tenakh (44). Pentateuch (11). NT (3): (1) Apk 7,9. (2) Apk 11,9. (3) Apk 21,12. PJ 1,1. Een vorm van in de LXX (409), het NT (31), FJ (231), Philo (59), OTGr.Ps (34), Gr. apocr. Gosp. (5).



  1. φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken. Taalgebruik in het NT: futeuô (voortplanten, telen). Taalgebruik in Lc: futeuô (voortplanten, telen).
    1. ἐφύτευσα (= efuteusa: ik plantte; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken). Taalgebruik in het NT: futeuô (voortplanten, telen). Js 5,2.
    2. ἐφύτευσεν (= efuteusen: hij plantte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken). Mc 12,1.
   φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ἐφύτευσα (= efuteusa: ik plantte; wkw act ind aor 1ste pers enk).                            
  ἐφύτευσεν (= efuteusen: hij plantte; wkw act ind aor 3de pers enk).                            
  pass. perf. acc. vr. enk. pefuteumenèn                    
                               

Correspondances de bsq. P(H)OZOZ/POZOZ : les formes P(HO)ZOZ/POZOZPOTXOR et POTXOTX/POXOTX pourraient être a l'origine de toute la famille qui trouverait son unité dans la famille de gr. φύομαι (phúomai) “faire naître, faire pousser”, “produire”, “naître” .
  Cf. gr. φυσις (phusis) “sexe de la femme”, “naissance”, “croissance”, “nature”, “sexe” en général, cf. bsq. PITO “pénis” et gr. φῠτός (phutós) “formé par la nature, naturel”, φυτεύω (phuteúō) “planter” ; avec suffixe d'agent /-le/-lo/, bsq. PITI-LI, rus. botyl “pénis de cheval”, et POTO-LO ;
gr. φōή (phūḗ)/aoriste φῦα (phǔa) “croissance”.(http://www.euroskara.com/Lexique/PQRSTU/PHOZOZ.htm).