NIEUWE TESTAMENT : TAALGEBRUIK M
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

OPGELET : De getallen verwijzen steeds naar het aantal verzen waarin een 'woord' voorkomt . Eenzelfde 'woord' kan echter meerdere malen in hetzelfde vers voorkomen .

  NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
boeknr.  27 40 41 42 43 44 45 - 65 66    
hoofdst.  260 28 16 24 21 28 121 22 68  89 
verzen  7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 

  NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
boeknr.  27 (aantal)   45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65     
hoofdst.  260 121 16  16  13  13  100 21
verzen  7957 2767 433  437  257  149  155  104  95  89  47  113  83  46  25  303  108  105  61  105  13  14  25  2336  431 

M

- machaira (zwaard) . machaira (zwaard) . Taalgebruik in de bijbel : machaira (zwaard) .

machaira (zwaard) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. enk. machaira 70 68 2           1 : Rom 8,35 . 1 : Apk 6,4 .    
gen. enk. machairès 6 2 4     1 : Lc 21,24 .     2 : (1) Heb 11,34 . (2) Heb 11,37 . 1 : Apk 13,14 . 1 1
dat. enk. machairè(i) 6 2 4 1 : Mt 26,52 .   1: Lc 22,49 .   1 : Hnd 12,2 .   1 : Apk 13,10 . 2 2
acc. enk. machairan 56 45 11 3 : (1) Mt 10,34 . (2) Mt 26,51 . (3) Mt 26,52 (2X) . 1 : Mc 14,47 . 1 : Lc 22,36 . 2 : (1) Joh 18,10 . (2) Joh 18,11 . 1 : Hnd 16,27 . 3 : (1) Rom 13,4 . (2) Ef 6,17 . (3) Heb 4,12 .   5 7
nom. mv. machairai 2 1 1     1 : Lc 22,38 .         1 1
gen. mv. macharôn 6 1 5 2 : (1) Mt 26,47 . (2) Mt 26,55 . 2 : (1) Mc 14,43 . (2) Mc 14,48 . 1: Lc 22,52 .         5 5
dat. mv. macharais 8 8                    
acc. mv. machairas 40 40                    
Totaal   194 167 27 6 3 5 2 2 6 3 14 16

 

- moichaomai (echtbreuk plegen) . moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in het NT : moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moichaomai (echtbreuk plegen) .

  moichaomai (echtbreuk plegen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai                  

- makedonia (Macedonië) .

makedonia (Macedonië) Hnd 16 Hnd 18 Hnd 19 Hnd 20 Rom 1 Cor 2 Cor Fil 1 Tes 1 Tim    
nom. + dat. enk. makedonia(i)         1 : Rom 15,26 .       3 : (1) 1 Tes 1,7 . (2) 1 Tes 1,8 . (3) 1 Tes 4,10 .    
gen. enk. makedonias 1 : Hnd 16,12 . 1 : Hnd 18,5 .   1 : Hnd 20,3 .     3 : (1) 2 Kor 1,16 . (2) 2 Kor 8,1 . (3) 2 Kor 11,9 . 1 : Fil 4,15 .      
dat. enk.                         
acc. enk. makedonian 2 : (1) Hnd 16,9 . (2) Hnd 16,10 .   2 : (1) Hnd 19,21 . (2) Hnd 19,22 . 1 : Hnd 20,1 .   1 : 1 Kor 16,5 . 3 : (1) 2 Kor 1,16 . (2) 2 Kor 2,13 . (3) 2 Kor 7,5 .     1 : 1 Tim 1,3 . 10   
  21   

- makedôn (Macedoniër) .

makedôn (Macedoniër) OT Hnd 16 Hnd 19 Hnd 27  2 Kor  NT 
nom. enk. makedôn 2 1 : Hnd 16,9 .      
gen. enk. makedonos       1 : Hnd 27,2 .  
nom. mv. makedones         1 : 2 Kor 9,4 .
dat. mv. makedosin        1 : 2 Kor 9,2 .
acc. mv.  makedonas     1 : Hnd 19,29 .    
 

- mallon (meer) . Taalgebruik in het NT : mallon (meer) . Taalgebruik in Mc : mallon (meer) .

  mallon (meer)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    112  33  79  49    19  23  48 

 

- martus (getuige) . Getuigen zijn wijst op opvolging maar ook op de aard van de opvolging . Na het heengaan van Elia werd de leerling Elisa leraar . Op deze wijze gebeurt het niet met de leerlingen van Jezus . Zij blijven leerlingen . Ze zijn en blijven getuigen . In de meeste teksten van Hnd kan dat getuigenis onder verschillende aspecten bekeken worden : tijd , plaats en inhoud . Naar tijd : vanaf het doopsel van Johannes tot ... Naar plaats : te beginnen vanaf Jeruzalem ... Naar inhoud : het leven van Jezus , zijn lijden , dood , opstanding , geestesgave enz....

martus (getuige) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  Lc   Hnd 
nom. enk. martus 39 31 8         1 4   (1) Hnd 22,15 .
gen. enk. marturos 1   1         1       (1) Hnd 22,20 .
dat. enk. marturi 2 2                    
acc. enk. martura 4 1 3         2 1     (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 26,16 .
nom. mv. martures 20 10 10     2   7 1   (1) Lc 11,48 . (2) Lc 24,48 . (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 3,15 . (4) Hnd 5,32 . (5) Hnd 7,58 . (6) Hnd 10,39 . (7) Hnd 13,31 .
gen. mv. marturôn 16 3 13 2 1   3   5 2    
dat. mv. martusin 4 1 3         1 1   (1) Hnd 10,41 .
acc. mv. marturas 6 5 1         1       (1) Hnd 6,13 .
Totaal   92 53 39 2 1 2 3 13 12    

- Lc 24,48 : humeis martures toutôn = jullie zijn getuigen van deze 'dingen' , te beginnen in Jeruzalem .
- Hnd 1,8 : esesthe mou martures = jullie zullen mijn getuigen zijn , in Jeruzalem , in heel Judea en Samaria , en tot het uiteinde van de aarde .
- Hnd 2,32 : touton ton Ièsoun anestèsen ho theos , hou pantes hèmeis esmen martures = die Jezus heeft God doen opstaan , van wie wij allen getuigen zijn .
- Hnd 3,15 : hon ho theos ègeiren ek nekrôn , hou hèmeis martures esmen = die God heeft opgewekt uit de doden , van wie wij getuigen zijn .
- Hnd 5,32 : kai èmeis esmen martures tôn rèmatôn toutôn (en wij zijn getuigen van deze 'woorden') .
- Hnd 10,39 : kai èmeis martures pantôn ôn epoièsen (en wij zijn getuigen van alles wat Hij deed) .
- Hnd 13,31 : hoitines eisin martures autou (die getuigen van hem zijn) .
Zie ook Hnd 1,22 : "vanaf het begin , vanaf de doop van Johannes , tot de dag waarop Hij van ons is weggenomen , van hen dus moet er één samen met ons getuige worden van zijn opstanding ."

machaira (zwaard) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
nom. enk. machaira 70 68 2           1 : Rom 8,35 . 1 : Apk 6,4 .    
gen. enk. machairès 6 2 4     1 : Lc 21,24 .     2 : (1) Heb 11,34 . (2) Heb 11,37 . 1 : Apk 13,14 . 1 1
dat. enk. machairè(i) 6 2 4 1 : Mt 26,52 .   1: Lc 22,49 .   1 : Hnd 12,2 .   1 : Apk 13,10 . 2 2
acc. enk. machairan 56 45 11 3 : (1) Mt 10,34 . (2) Mt 26,51 . (3) Mt 26,52 (2X) . 1 : Mc 14,47 . 1 : Lc 22,36 . 2 : (1) Joh 18,10 . (2) Joh 18,11 . 1 : Hnd 16,27 . 3 : (1) Rom 13,4 . (2) Ef 6,17 . (3) Heb 4,12 .   5 7
nom. mv. machairai 2 1 1     1 : Lc 22,38 .         1 1
gen. mv. macharôn 6 1 5 2 : (1) Mt 26,47 . (2) Mt 26,55 . 2 : (1) Mc 14,43 . (2) Mc 14,48 . 1: Lc 22,52 .         5 5
dat. mv. macharais 8 8                    
acc. mv. machairas 40 40                    
Totaal   194 167 27 6 3 5 2 2 6 3 14 16

- μακαριος = makarios (zalig, gelukkig)

- makarios (zalig, gelukkig) . μακαριος = makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in het NT : makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in de LXX : makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in Lc : makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in Hnd : makarios (zalig, gelukkig) . Hebr. ´äsjëre(j) (gelukkig, zalig) . Taalgebruik in Tenach : ´äsjëre(j) (gelukkig, zalig) . Lat. beatus . Fr. (bien)heureux . E. blessed . D.

makarios (zalig) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. enk.makarios 50 34 16 3   4     5 4
nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .makaria(i) 6 4 2     2        
nom. + acc. onz. enk. makarion 3 1 2         2        
gen. man. enk makariou 1   1           1      
acc. vr. enk. makarian 1   1           1      
nom. m. mv. makarioi 40 15 25 10   7 2   3 3 17  19 
nom. vr. mv. .makariai 2 1 1   1            1
acc. man. mv.makarious 1 1                    
Totaal   104 56 48 13 1 13 2 2 10 7 27  29 

Een vorm van makarios (zalig, gelukkig) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,45 . (2) Lc 6,20 . (3) Lc 6,21 . (4) Lc 6,22 . (5) Lc 7,23 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,27 . (8) Lc 11,28 . (9) Lc 12,37 . (10) Lc 12,38 . (11) Lc 12,43 . (12) Lc 14,14 . (13) Lc 14,15 . (14) Lc 23,29 .


- makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . μακαριζω = makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Taalgebruik in het NT : makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Taalgebruik in de LXX : makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) .
- act. ind. fut. 3de pers. mv. μακαριουσιν = makariousin van het werkw. μακαριζω = makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Taalgebruik in het NT : makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Taalgebruik in de LXX : makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Bijbel (5) : (1) Mal 3,12 . (2) Ps 72,17 . (3) Hl 6,9 . (4) Sir 37,24 . (5) Lc 1,48 .
- act. ind. praes. 3de pers. mv. μακαριζουσιν = makarizousin van het werkw. μακαριζω = makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Taalgebruik in het NT : makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Taalgebruik in de LXX : makarizô (gelukkig noemen, - prijzen , achten) . Bijbel (1) : Gn 30,13 . Een vorm van μακαριζω = makarizô in de LXX (24) , in het NT (2) .


- μακροθεν = makrothen (van verre, in de verte)

- makrothen (van verre, in de verte) . μακροθεν = makrothen (van verre, in de verte) . Taalgebruik in het NT : makrothen (van verre, in de verte) . Taalgebruik in de LXX : makrothen (van verre, in de verte) .


 

- mariam (Maria) . mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam .

  mariam  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    41  13  28    13  10      17  27     
                               

- markos (Marcus) . μαρκος = markos (Marcus) . Taalgebruik in het NT : markos (Marcus) . Een vorm van μαρκος = markos (Marcus) in de Bijbel = NT (8) .
- nom. mann. enk. μαρκος = markos (Marcus) . Bijbel = NT (3) : (1) Kol 4,10 . (2) Film 1,24 . (3) 1 Pe 5,13 .
- gen. mann. enk. μαρκου = markou (van Marcus) . Bijbel = NT (1) : Hnd 12,12 .
- acc. mann. enk. μαρκον = markon (Marcus) . Bijbel = NT (4) : (1) Hnd 12,15 . (2) Hnd 15,37 . (3) Hnd 15,39 . (4) 2 Tim 4,11 .


- μαρτυρεω = martureô (getuigen)

- martureô (getuigen) . μαρτυρεω = martureô (getuigen) . Taalgebruik in het NT : martureô (getuigen) . Taalgebruik in de LXX : martureô (getuigen) . Taalgebruik in Lc . : martureô .

  martureô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. emarturoun                   
                               
                               

martureô (getuigen) . Verwijzing : martureô (getuigen) , zie Joh 1,7 . (martus - mart-elaar) .
--- marturei (hij getuigt) . Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud. In 11 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet in Matteüs, Marcus en Lucas. In 6 verzen bij Johannes enz. (1) Joh 1,15 . (2) Joh 3,32 . (3) Joh 5,32 . (4) Joh 5,36 . (5) Joh 8,18 . (6) Joh 10,25 .
--- marturôn (getuigend - van de getuigen). Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud. Zelfstandig naamwoord genitief meervoud van martus. In 16 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 13 verzen in het N.T. In 2 verzen bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus, niet bij Lucas. Bij Johannes : (1) Joh 5,32 . (2) Joh 8,18 . (3) Joh 21,24 .
--- marturèsèi (hij zou getuigen). Conjunctief aorist 3de persoon enkelvoud. Slechts in 3 verzen in de bijbel, nl. bij Johannes.
- diamarturomenos (getuigend) . Verwijzing : martureô (getuigen) , zie Joh 1,7 . (martus - mart-elaar) . Passief participium nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord diamarturomai (getuigen) . In vijf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Hnd 18,5 . (2) Hnd 20,21 . (3) Hnd 28,23 . (4) 2 Tim 2,14 .
--- martus (getuige). In 39 verzen in de bijbel; in 31 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet in de evangelies.
--- marturos. Genitief enkelvoud. In 1 vers in de bijbel, nl. in Hnd.
--- martures (getuigen) . Nominatief mannelijk meervoud . In twintig verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs en Marcus . In twee verzen bij Lucas : (1) Lc 11,48 . (2) Lc 24,48 . In zeven verzen in Hnd : (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 3,15 . (4) Hnd 5,32 . (5) Hnd 7,58 . (6) Hnd 10,39 . (7) Hnd 13,31 . Tenslotte 1 Tes 2,10 .
--- marturia (getuigenis). Zelfstandig naamwoord, nominatief (of datief - marturiai -) mannelijk enkelvoud. In 54 verzen in de bijbel; in 40 verzen in het O.T., in 14 verzen in het N. In 1 vers bij Marcus, in 8 verzen bij Johannes enz.
--- Marturian (getuigenis). Accusatief enkelvoud. In 22 verzen in de bijbel; in 4 verzen in het O.T., in 18 verzen in het N.T. In 1 vers bij Marcus, in 6 verzen bij Johannes. (2) Joh 3,32 . (3) Joh 5,32 . (4) Joh 8,13 . (5) Joh 8,14 . (6) Joh 8,17 . (7) Joh 19,35 . (8) Joh 21,24 .
--- marturion (getuigenis). In 44 verzen in de bijbel; in 27 verzen in het O.T., in 17 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Matteüs, in 3 verzen bij Marcus, in 3 verzen bij Lucas, niet bij Johannes,

 1. Johannes de Doper 2. Jezus 3. de Vader over Jezus 4. de werken over Jezus 5. de Vader over Jezus 6. de werken over Jezus
Joh 1,15 Joh 3,32 Joh 5,32 Joh 5,36 Joh 8,18 Joh 10,25
  ho eôraken kai èkousen (wat hij zag en hoorde)  hèn (het getuigenis dat)   kai (en)  
Iôannès (Johannes)     auta ta erga ha poiô (de werken zelf die ik doe)   ta erga ha egô poiô en tôi onomati tou patros mou tauta (de werken die ik doe in de naam van mijn Vader / die - werken -)
marturei (getuigt) touto marturei (dit getuigt hij) marturei (hij getuigt) marturei ( getuigen) marturei (hij getuigt) marturei ( getuigen)
peri autou (over hem)   peri emou (over mij) peri emou (over mij) peri emou (over mij) peri emou (over mij)
      hoti ho patèr me apestalken (dat de Vader mij heeft gezonden) ho pempsas me patèr (de vader die me zond)  
 (In het begin was het Woord) : Joh 1,1-18 -  Hij die van de hemel komt : - Joh 3,31-36 -  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47 -  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47 -  Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 -  Geloof en ongeloof : Joh 10,22-42 -

 

Joh 5,32 Joh 5,31 Joh 8,13 Joh 8,14 Joh 8,17 Joh 8,18  Joh 19,35 Joh 21,24 
allos estin (een ander is)         egô eimi (ik ben)  kai ho heôrakôs (en wie heeft gezien) Houtos estin ho mathètès (dit is de leerling) 
ho marturôn peri emou (die getuigt over mij)  ean marturô peri emautou (indien ik getuig over mezelf) su peri seautou martureis (jij getuigt over jezelf) kan egô marturô peri emautou (zelfs als ik getuig over mezelf) hoti (dat) ho marturôn peri emautou (die getuigt over mijzelf) memarturèken (heeft getuigd) ho marturôn peri toutôn kai grapsas auta (die getuigt over deze zingen en die deze dingen schreef)
kai oida (en ik weet)               kai oidamen (en wij weten)
hoti alèthès estin hè marturia (dat waar is het getuigenis) hè marturia mou ouk estin alèthès (mijn getuigenis is niet waar) hè marturia sou ouk estin alèthès (jouw getuigenis is niet waar) alèthès estin hè marturia mou waar is mijn getuigenis) duo anthrôpôn hè marturia alèthès estin (het getuigenis van twee mensen waar is)   kai alèthinè autou estin hè marturia (en waar is zijn getuigenis) hoti alèthès autou hè marturia estin (dat waar is zijn getuigenis) 
hèn marturei peri emou (dat getuigt over mij)           kai marturei peri emou ho pempsas me patèr (en de Vader die mij zond, getuigt over mij)      
De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20  Doorboring van Jezus'zijde : Joh 19,31-37 De leerling van wie Jezus hield : Joh 21,20-25 

 


 

martus (getuige) . Getuigen zijn wijst op opvolging maar ook op de aard van de opvolging . Na het heengaan van Elia werd de leerling Elisa leraar . Op deze wijze gebeurt het niet met de leerlingen van Jezus . Zij blijven leerlingen . Ze zijn en blijven getuigen . In de meeste teksten van Hnd kan dat getuigenis onder verschillende aspecten bekeken worden : tijd , plaats en inhoud . Naar tijd : vanaf het doopsel van Johannes tot ... Naar plaats : te beginnen vanaf Jeruzalem ... Naar inhoud : het leven van Jezus , zijn lijden , dood , opstanding , geestesgave enz....

 

martus (getuige) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br.   Apk  syn. ev.
nom. enk. martus 39 31 8         1 4    
gen. enk. marturos 1   1         1        
dat. enk. marturi 2 2                    
acc. enk. martura 4 1 3         2 1      
nom. mv. martures 20 10 10     2 :   7 1   2 2
gen. mv. marturôn 16 3 13 2 1   3   5 2 3 : (1)
dat. mv. martusin 4 1 3         1 1    
acc. mv. marturas 6 5 1         1        
Totaal   92 53 39 2 1 2 3 13 12

 

martus (getuige) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br.   Apk  syn. ev.
nom. enk. martus 39 31 8         1 4    
gen. enk. marturos 1   1         1        
dat. enk. marturi 2 2                    
acc. enk. martura 4 1 3         2 1      
nom. mv. martures 20 10 10     2 :   7 1   2 2
gen. mv. marturôn 16 3 13 2 : (1) Mt 18,16 . (2) Mt 26,65 . pseudomarturôn : Mt 26,60 . 1 : Mc 14,63 .   3   5 2 3 : (1) Mt 26,65 // Mc 14,63 .
dat. mv. martusin 4 1 3         1 1    
acc. mv. marturas 6 5 1         1        
Totaal   92 53 39 2 1 2 3 13 12

 

 

marturia (getuigenis) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
nom. + dat. enk. marturia(i) 54 40 14   1 :   8   4 1 1 9
gen. enk. + acc. mv. marturias 3 1 2     1       1 1 1
acc. enk. marturian 22 4 18   1   6 1 3 7 1 7
nom. + voc. mv. marturiai 1   1   1           1 1
gen. mv. marturiôn 7 7                    
Totaal   87 52 35   3 1 14 1 7 9 4 18

- marturia (getuigenis) . Taalgebuik in het NT : marturia (getuigenis) . Taalgebuik in Mc : marturia (getuigenis) .

marturia (getuigenis) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
nom. + dat. enk. marturia(i) 54 40 14   1 : Mc 14,59 .   8   4 1 1 9
gen. enk. + acc. mv. marturias 3 1 2     1 : Lc 22,71 .       1 1 1
acc. enk. marturian 22 4 18 pseudomarturian : Mt 26,59 .   1 : Mc 14,55 .   6 1 3 7 1 : (1) Mt 26,59 // Mc 14,55 . 7
nom. + voc. mv. marturiai 1   1 pseudomarturiai : Mt 15,19 .   1 : Mc 14,56 .           1 1
gen. mv. marturiôn 7 7                    
Totaal   87 52 35   3 1 14 1 7 9 4 18

Accusatief enkelvoud. In 22 verzen in de bijbel; in 4 verzen in het OT, in 18 verzen in het NT In 1 vers bij Marcus, in 6 verzen bij Johannes


- mathètès (leerling) .

- nom. mann. enk. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès . Een vorm van μαθητης = mathètès (leerling) in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) . Bijbel = NT (19) : (1) Mt 10,24 . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . (17) . (18) . (19) .

-

- nom. mann. mv. μαθηται = mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès . Een vorm van μαθητης = mathètès (leerling) in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) .

  mathètès (leerling) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. enk. mathètès 19   19 1   4 11 3     5 16
2 gen. enk. mathètou 1   1 1             1 1
3 dat. enk. mathètèi 3   3 1     1 1     1 2
4 acc. enk. mathètèn 3   3       3         3
5 nom. mv. mathètai 105   105 38 17 10 36 4     65 101
6 gen. mv. mathètôn 45   45 3 8 7 18 9     18  36 
7 dat. mv. mathètais 41   41 17 11 3 7 3     31  38 
8 acc. mv. mathètas 39   39 10 7 13 1 8     30  31 
  Totaal   256   256 71 43 37 77 28     151  228 

 

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  
  mathètès (leerling) Lc  Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 22
1 nom. enk. mathètès 4   (1) Lc 6,40 .             (2) Lc 14,26 - (3) Lc 14,27 . (3) Lc 14,33 .            
2 nom. mv. mathètai 10 (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,54 .             (9) Lc 18,15 .     (10) Lc 22,39 .
3 gen. mann. mv. mathètôn 7   (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 .      (3) Lc 9,40   (4) Lc 11,1 .           (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 .   (7) Lc 22,11 .    
4 dat. mv. mathètais 3         (1) Lc 9,16 .               (2) Lc 19,39 .   (3) Lc 20,45 .  
5 acc. mv. mathètas 13 (1) Lc 5,30 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 6,20 .     (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,1 . (8) Lc 12,1 . (9) Lc 12,22 .   (10) Lc 16,1 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 .       (13) Lc 22,45 .
  Totaal   37

- mathètôn (van leerlingen) . Zelfstandig naamwoord mathètès (leerling) gen. mann. mv. . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Mc (8) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (6) Mc 13,1 (heis tôn mathètôn autou = één van zijn leerlingen) . (7) Mc 14,13 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (8) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen) .

- gen. mann. mv. μαθητων == mathètôn (van leerlingen) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès . Mc (8) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 . (6) Mc 13,1 . (7) Mc 14,13 . (8) Mc 14,14 . Lc (7) : (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 . 3) Lc 9,40 . (4) Lc 11,1 . (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 22,11 . Een vorm van μαθητης = mathètès in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) . In Lc 5 verschillende vormen in 15 hoofdstukken en 37 verzen .

- οἱ μαθηται αυτου = hoi mathètai autou (zijn leerlingen) . NT (38) . Lc (5) : (1) Lc 6,1 . (2) Lc 7,11 . (3) Lc 7,18 . (4) Lc 8,9 . (5) Lc 8,22 .

- acc. mann. mv. μαθητας = mathètas (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès (leerling) . Lc (13) : (1) Lc 5,30 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 6,20 .  (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,1 . (8) Lc 12,1 . (9) Lc 12,22 .  (10) Lc 16,1 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 .  (13) Lc 22,45 . Een vorm van μαθητης = mathètès in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) . In Lc 5 verschillende vormen in 15 hoofdstukken en 37 verzen .

- μετα των μαθητων = meta tôn mathètôn (met de leerlingen) . NT (8) : (1) Mt 26,18 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 8,10 . (4) Mc 14,14 . (5) Lc 22,11 . (6) Joh 6,3 . (7) Joh 11,54 . (8) Joh 18,2 .


- mathètheuô (leren, onderrichten) . = mathètheuô (leren, onderrichten) .

mathèteusate (maakt tot leerling) . Actief imperatief aorist derde persoon meervoud . Hapax .
- mathèteuô (tot leerling maken) . Verwijzing : mathèteuô (tot leerling maken) , zie Mt 28,19 .
- mathèteusate (maakt tot leerling) . Actief imperatief aorist derde persoon meervoud . Hapax .
Het werkwoord mathèteuô (tot leerling maken) wordt nog gebruikt in Mt 13,52 (mathèteutheis = tot leerling gemaakt) en Mt 27,57 (emathèteuthè = hij werd leerling gemaakt) .
- lâmad (leren) . In 6 verzen in de bijbel.
-- limmûdîm (leerlingen) . Meervoud . Hapax . këlimmûdîm (als leerlingen) . Hapax . limmûdê . status constructus . Js 54,13 : wekâl bânajikh limmûdê JHWH (en al jouw zonen zijn leerlingen van JHWH) .


- μη = mè (niet)

- mè (niet) . μη = mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in de LXX : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) . Mt 6 () : (1) Mt 6,1 . (2) Mt 6,2 . (3) Mt 6,3 . (4) Mt 6,7 . (5) Mt 6,8 . (6) Mt 6,13 . (7) Mt 6,15 . (8) Mt 6,16 . (9) Mt 6,18 . (10) Mt 6,19 . (11) Mt 6,25 . (12) Mt 6,31 . (13) Mt 6,34 . mè (niet) in de LXX (3179) , in het NT (1055) , in Mt (129) .

mè (niet)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  3266  2344  922  117  67  123  110  61  403  41  307  417 

- mè ( ... ) oun (niet derhalve) . NT (11) : (1) Mt 6,8 . (2) Mt 6,31 . (3) Mt 6,34 . (4) Mt 10,26 . (5) Mt 10,31 . (6) Lc 12,7 . (7) Lc 21,8 . (8) Rom 6,12 . (9) 1 Kor 16,11 . (10) Ef 5,7 . (11) Kol 2,16 . (12) 2 Tim 1,8 .
- Hebreeuws . lâkhen lo´(daarom niet) . Tenakh (3) : (1) Nu 20,12 . (2) Re 10,13 . (3) Mi 2,5 .

- mède (noch) . mède (noch) . Taalgebruik in het NT : mède (noch) . Taalgebruik in Mc : mède (noch) .

  mède  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    153  105  48  25    19  21  21 

- μηδεις = mèdeis (niemand)

- mèdeis (niemand) . μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis : niet één , niet iemand . Taalgebruik in het NT : mèdeis (niemand) . Taalgebruik in de LXX : mèdeis (niemand) .

  mèdeis (niemand)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. mèdeis   29  14  15        11 
nom. + acc. onz. enk.  mèden 49  14  35    10  16  14 
gen. mann. + onz. enk.  mèdenos                
gen. vr. enk. mèdemias                         
dat. mann. + onz. enk. mèdeni  23  21      10  10 
acc. mann. enk. mèdena   14           
acc. vr. enk. mèdemian                  
  totaal 128  39  89    21  43  23  23  37 

Mt (3) : (1) Mt 8,4 . (2) Mt 16,20 . (3) Mt 17,9 . Mc (4) : (1) Mc 1,44 ( // Mt 8,4 ) . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 8,30 ( // Mt 16,20 ). (4) Mc 9,9 ( // Mt 17,9 ). mèdeni (aan niemand).
oudeni (aan niemand). In 15 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het OT, in 9 verzen in het NT In Mt 8,10 , in 2 verzen bij Marcus, enz.

mèdeis (niemand) . mèdeni (aan niemand). In 3 verzen bij Matteüs, zie Mt 8,4 . (1) Mt 8,4 . (2) Mt 16,20 . (3) Mt 17,9 . In 4 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,44 ( // Mt 8,4 ) . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 8,30 ( // Mt 16,20 ). (4) Mc 9,9 ( // Mt 17,9 ).


- megaloprepeia (grootsheid, majesteit) . megaloprepeia (grootsheid, majesteit) . Taalgebruik in het NT : megaloprepeia (grootsheid, majesteit) . Taalgebruik in de Septuaginta : megaloprepeia (grootsheid, majesteit) .

      bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. megaloprepeia(i)                            
  gen. vr. enk. + acc. vr. mv. megaloprepaieas                          
  acc. vr. enk. megaloprepeian                            
                                 
                                 

- megalunô (groot maken, verheffen) . μεγαλυνω = megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in het NT : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in Lc : megalunô (groot maken, verheffen) . Een vorm van μεγαλυνω = megalunô (groot maken, verheffen) in de Septuaginta (92) , in het NT (8) .

- act. ind. praes. 1ste pers. enk. μεγαλυνω = megalunô (ik maak groot) . Tenakh (4) : (1) Gn 12,2 . (2) Jr 31,14 . (3) Ez 24,9 . (4) Ps 69,31 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. emegalunen   11               
                               
                               

- act. ind. praes. 3de pers. enk. μεγαλυνει = megalunei (hij maakt groot) van het werkw. μεγαλυνω = megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in het NT : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in Lc : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : megalunô (groot maken, verheffen) . Tenakh (2) : (1) Lc 1,46 . (2) Sir 43,31 . Een vorm van megalunô (groot maken, verheffen) in Lc in 2 verzen : Lc 1,46 . (2) Lc 1,58 . Een vorm van μεγαλυνω = megalunô (groot maken, verheffen) in de Septuaginta (92) , in het NT (8) : (1) Mt 23,5 . (2) Lc 1,46 . (3) Lc 1,58 . (4) Hnd 5,13 . (5) Hnd 10,46 . (6) Hnd 19,17 . (7) 2 Kor 10,15 . (8) Fil 1,20 .
- Hebreeuws moet een vrouwelijke vorm 3de pers. enk. zijn bij het vrouwelijke נַפְשִׁי = naphësjî (mijn ziel) van het werkw. גָדַל = gâdal (groot worden, opgroeien) .

In Latijnse vertaling: exultavit. In : 1 Sam 2,1 . Js 14,7 . Ps 16,9 . Ps 19,6 . enz. - emegalunthè . In zeventien verzen in de bijbel .

- act ind jussief 3de pers mann enk jigëdal (dat groot worde) Tenakh (4): (1) Nu 14,17. (2) Ps 35,27. (3) Ps 40,17. (4) Ps 70,5. In de 3 Psalmen is de vertaling megalunthètô (dat hij groot gemaakt worde) (pass imperat aor 3de pers enk) In (1) Ps 35,27. en (2) Ps 40,17. is JHWH , in Ps 70,5. ´èlohîm (God) lijdend voorwerp
- prefix wë + act ind imperf (cohortatief) 1ste pers enk וַאֲגַדְּלָה = wa´ägaddëlâh (en dat ik groot make) Tenakh (1): Gn 12,2. LXX: act ind praes 1ste pers enk μεγαλυνω = megalunô (ik maak groot) Tenakh (4): (1) Gn 12,2. (2) Jr 31,14. (3) Ez 24,9. (4) Ps 69,31. In Gn 12,2. is er sprake van (1) een groot volk maken (2) zegenen (3) je naam vergroten (4) tot zegen zijn In Lc 1,46. staan we aan het begin van een lof- /zegelied Wat aan Abraham werd toegezegd , komt tot vervulling

- waägaddëlènnû (en ik zal hem grootmaken): act ind imperf (cohortatief) 1ste pers enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Tenakh (1) Ps 69,31. LXX: megalunô auton (ik maak hem groot)


- megas (groot) . μεγας = megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in de LXX : megas (groot) . Taalgebruik in Mc : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lat. magnus . N. groot . Fr. grand . E. great .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. megas  131  107  24    11  11   
nom. + dat. vr. enk. megalè  237  171  66  12  27  21  24   
3.   nom. + acc. onz. enk. mega  110  92  18       
4.   gen. mann. + onz. enk. megalou  69  62       
5.   gen. vr. enk. megalès   48  32  16       
6.   dat. mann. + onz. enk. megalô(i)   31  26             
7.   acc. mann. enk. megan   72  59  13     
8.  acc. vr. enk. megalèn   114  97  17     
                               
  totaal                            

1. nom. mann. enk. megas


- μελλω = mellô (van plan zijn, op het punt staan)

- mellô (van plan zijn, op het punt staan) . μελλω = mellô (van plan zijn, op het punt staan) . Taalgebruik in het NT : mellô (van plan zijn, op het punt staan) . Taalgebruik in de LXX : mellô (van plan zijn, op het punt staan) . Taalgebruik in Lc : mellô (van plan zijn, op het punt staan) .

-

  mellô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. Ede pers. enk. èmellen                              
                               

- μελω = melô (ter harte gaan, zich bekommeren om)

- melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) . μελω = melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) . Taalgebruik in het NT : melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) . Taalgebruik in de LXX : melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. μελει = melei (het gaat ter harte) van het werkw. μελω = melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) . Taalgebruik in het NT : melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) . Taalgebruik in de LXX : melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) . LXX (6) . NT (7) : (1) Mt 22,16 . (2) Mc 4,38 . (3) Mc 12,14 . (4) Lc 10,40 . (5) Joh 10,13 . (6) 1 Kor 9,9 . (7) 1 Pe 5,7 .

- mèn (maand) . mèn (maand) . Taalgebruik in het NT : mèn (maand) . Taalgebruik in Lc : mèn (maand) .

  mèn   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. mèn   42  40               
  dat. vr. enk. mèni   90  89                 
  acc. vr. mv. mènas   36  22  14         
                               
                               

 

- menô (blijven) . menô (blijven) . Taalgebruik in het NT : menô (blijven) . Taalgebruik in de LXX : menô (blijven) . Taalgebruik in Lc : menô (blijven) . - act. part. praes. nom. + acc. onz. enk. menon (blijvende) van het werkw. menô (blijven) . Taalgebruik in het NT : menô (blijven) . Taalgebruik in de LXX : menô (blijven) . Bijbel (3) : (1) Joh 1,33 . (2) Hnd 5,4 . (3) 2 Kor 3,11 . Een vorm van menô (blijven) in de LXX (89) , in het NT (118) . In de LXX is menô (blijven) de vertaling van 19 verschillende Hebreeuwse woorden .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind.  aor. 3de pers. enk. emeinen 16  10       
                               
                               
                               

 

 

- men (enerzijds) . men (enerzijds) . Taalgebruik in het NT : men (enerzijds) . Taalgebruik in Mc : men (enerzijds) . Mc (6) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) .

men (enerzijds)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  331  152  179  20  10  48  87    36  44     

- merimna (zorg) .

  merimna (zorg)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. vr. enk. merimna  10  1 : Mt 13,22 .     4 : (1) 1 Kor 7,32 . (2) 1 Kor 7,33 . (3) 1 Kor 7,34 . (4) 2 Kor 11,28 . 1 : Mt 13,22 // Mc 4,19 // Lc 8,14 .  
gen. vr. enk. merimnès                   
dat. vr. enk. merimnè(i)                   
acc. vr. enk. merimnan        1 : 1 Pe 5,7 .        
nom. vr. mv. mermnai    1 : Mc 4,19 .          
gen. vr. mv. merimnôn    1 : Mt 6,27 .     2 : (1) Lc 8,14 . (2) Lc 12,25 .     3 : Mt 6,27 //  Lc 12,25 .      
dat. vr. mv. mermnais        1 : Lc 21,34 .        
acc. vr. mv. merimnas   1 .       1 : Lc 10,41 .         
  totaal 23  11  12 

- mèketi (niet meer) . mèketi (niet meer) . Taalgebruik in het NT : mèketi (niet meer) .

mèketi (niet meer)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  33  11  22  11    10 

- mèpote (opdat niet eens, nooit) . mèpote (opdat niet eens, nooit) . Taalgebruik in het NT : mèpote (opdat niet eens, nooit) . Taalgebruik in Mc : mèpote (opdat niet eens, nooit) .

  mèpote  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    123  98  25           
                               

- merimna (kommer, angst) . μεριμνα = merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in het NT : merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in de LXX : merimna (kommer, angst) . Een vorm van μεριμνα = merimna in de LXX (9) , in het NT (6) .

  merimna  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
 

gen. vr. mv. merimnôn

1   1     1 : Lc 8,14 .                
  dat. vr. mv. merimnais         1 : Lc 21,34 .            
                               

- nom. vr. mv. μεριμναι = merimnai (zorgen, bekommernissen) van het zelfst. naamw. μεριμνα = merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in het NT : merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in de LXX : merimna (kommer, angst) . Bijbel (2) : (1) Da 11,26 . (2) Mc 4,19 .

- merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . μεριμναω = merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Taalgebruik in het NT : merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Taalgebruik in de LXX : merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Een vorm van merimnaô in de LXX (9) , in het NT (19) .
- act. imperat. 2de pers. mv. merimnate (weest bezorgd) van het werkw. μεριμναω = merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Taalgebruik in het NT : merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Taalgebruik in de LXX : merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Bijbel (5) : (1) Mt 6,25 // Lc 12,22 . (2) Mt 6,28 . (3) Lc 12,22 // Mt 6,25 . (4) Lc 12,26 . (5) Fil 4,6 . Een vorm van μεριμναω = merimnaô in de LXX (9) o.a. (1) Ex 5,9 . (2) 2 S 7,10 . (3) 1 Kr 17,9 . (4) Ps 37,19 . (5) Spr 14,23 . (6) Ez 16,43 . (7) Bar 3,18 , in het NT (19) , in Mt (6) : (1) Mt 6,25 . (2) Mt 6,27 . (3) Mt 6,28 . (4) Mt 6,31 . (5) Mt 6,34 . (6) Mt 10,19 ; in Lc (5) : (1) Lc 10,41 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 12,22 . (4) Lc 12,25 . (5) Lc 12,26 .
- merimnôn (1) act. partic. praes. nom. mann. enk. merimnôn (zich zorgen makend over) van het werkw. merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Taalgebruik in Tenakh : merimnaô (peinzen, tobben over, zich zorgen maken) . Tenakh (2) : (1) Mt 6,27 // Lc 12,25 . (2) Lc 12,25 // Mt 6,27 . Een vorm van merimnaô in Mt (6) : (1) Mt 6,25 . (2) Mt 6,27 . (3) Mt 6,28 . (4) Mt 6,31 . (5) Mt 6,34 . (6) Mt 10,19 . Een vorm van merimnaô in Lc (5) : (1) Lc 10,41 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 12,22 . (4) Lc 12,25 . (5) Lc 12,26 .
OF (2) zelfst. naamw. gen. vr. mv. merimnôn (van zorgen) van het zelfst. naamw. merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in de Bijbel : merimna (kommer, angst) . Bijbel (1) : Lc 8,14 . Een vorm van merimna in de LXX (9) , in het NT (6) . - Fr. s'inquiétant (zich verontrustend) . Bijbel (2) : Mt 6,27 // Lc 12,25 .
- act. conjunct. aor. 2de pers. mv. merimnèsète (gij zoudt bezorgd zijn) van het werkw. Bijbel (4) : (1) Mt 6,31 . (2) Mt 6,34 . (3) Mt 10,19 // Lc 12,11 . (4) Lc 12,11 // Mt 10,19 .

Zie website http://lexicon.katabiblon.com/index.php?lemma=%CE%BC%CE%B5%CF%81%CE%B9%CE%BC%CE%BD%E1%BD%B1%CF%89 .

Verbuiging Lemma Niet-gecontracteerde Form (s) Parsing Vertaling (s) Vers (s)
μεριμνᾷ μεριμνάω μεριμν (α) · ει, μεριμν (α) · ῃ pres act ind 3 sg of druk mp ind 2 sg klassieke, pres mp ind 2 sg of druk daad sub 3 sg of druk mp sub 2 sg hij / zij / het-is-angstig-ing, u (sg)-zijn-zijn-worden angstig-ed, je (sg)-zijn-zijn-worden angstig-ed (klassiek), he/she/it- moet-worden-worden angstig-ing, u (sg)-moet-worden-zijn-worden angstig-ed 1 Kor 07:32 , 1 Kor 07:33 , 1 Kor 07:34
μέριμνα μέριμνα of μεριμνάω μεριμν · α; μεριμν (α) · ε (Fem) nom | voc sg; pres act imp 2 sg zorgen (nom | voc), zijn-je (SG)-BE BEZORGDE-ing! Mt 13:22 , 2 Kor 11:28
μέριμναν μέριμνα of μεριμνάω μεριμν · αν; μεριμν (α) · ειν> μεριμναν (Fem) vlgs sg; pres act inf zorgen (acc), te-worden angstig-ing 1pt 05:07
μεριμνᾷς μεριμνάω μεριμν (α) · εις, μεριμν (α) · ῃς pres act ind 2 sg, pres act sub 2 sg u (sg)-zijn-bezorgd-ing, je angstig-ing (SG)-moet-worden-BE Lk 10:41
μεριμνᾶτε μεριμνάω μεριμν (α) · ετε, μεριμν (α) · ητε pres act ind 2 pl of druk daad imp 2 pl, pres act sub 2 pl u (pl)-zijn-bezorgd-ing, zijn-u (pl)-BE BEZORGDE-ing!, u (pl)-moet-worden-worden angstig-ing Mt 06:25 , Mt 06:28 , Luk 0:11 , Luk 0:22 , Luk 0:26 , Phil 04:06
μεριμνήσει μεριμνάω μεριμνη · σει fut act ind 3 sg of fut mp ind 2 sg klassieke hij / zij / het-zal-worden angstig, je (sg)-will-be-bezorgd-ed (klassieke) Mt 06:34 , Phil 02:20
μεριμνήσητε μεριμνάω μεριμνη · σητε 1aor act sub 2 pl u (pl)-moet-worden bezorgd Mt 06:31 , Mt 06:34 , Mt 10:19 , Luk 00:11
μεριμνῶν μέριμνα of μεριμνάω μεριμν · ων; μεριμν (α) · ο [υ] ν [τ], μεριμν (α) · ο [υ] ν [τ] · ^ (Fem) gen pl; pres act PTCP mas voc sg of druk daad PTCP neu nom | volgens | voc sg, pres act PTCP mas nom sg zorgen (gen); terwijl BEZORGDE-ing (nom, nom | acc | voc, voc) BE Mt 6:27 , Luk 8:14 , Luk 00:25
μεριμνῶσιν μεριμνάω μεριμν (α) · ουσι (ν), μεριμν (α) · ωσι (ν), μεριμν (α) · ου [ντ] · σι (ν) pres act ind 3 pl, pres act sub 3 pl, pres act PTCP mas DAT pl of druk daad PTCP neu DAT pl ze-zijn-bezorgd-ing, zij-moet-worden-worden angstig-ing, terwijl BEZORGDE-ing (DAT) BE 1 Kor 00:25

Verbuiging Lemma Niet-gecontracteerde Form (s) Parsing Vertaling (s) Vers (s)
μέριμνα μέριμνα of μεριμνάω μεριμν · α; μεριμν (α) · ε (Fem) nom | voc sg; pres act imp 2 sg zorgen (nom | voc), zijn-je (SG)-BE BEZORGDE-ing! Prv 17:12 , 30:24 Sir , Sir 31:1 , Sir 31:2 , Sir 42:9
μέριμνάν μέριμνα of μεριμνάω μεριμν · αν; μεριμν (α) · ειν> μεριμναν (Fem) vlgs sg; pres act inf zorgen (acc), te-worden angstig-ing Ps 54:23
μεριμνάτωσαν μεριμνάω μεριμν (α) · ετωσαν pres act imp 3 pl laat-ze-zijn-worden angstig-ing! Ex 05:09
μεριμνήσει μεριμνάω μεριμνη · σει fut act ind 3 sg of fut mp ind 2 sg klassieke hij / zij / het-zal-worden angstig, je (sg)-will-be-bezorgd-ed (klassieke) 2kg 07:10 , 1Chr 17:09
μεριμνήσω μεριμνάω μεριμνη · σω fut act ind 1 sg of 1aor daad sub 1 sg I-zal-worden angstig, ik-moet-worden angstig Ps 37:19 , Ez 16:42
μεριμνῶμεν μεριμνάω μεριμν (α) · ομεν, μεριμν (α) · ωμεν pres act ind 1 pl, pres act sub 1 pl wij-zijn-bezorgd-ing, we-moeten-zijn-worden angstig-ing WSD 00:22
μεριμνῶντες μεριμνάω μεριμν (α) · ο [υ] ντ · ες pres act PTCP mas nom | voc pl terwijl worden angstig-ing (nom | voc) Bar 03:18
μεριμνῶντι μεριμνάω μεριμν (α) · ο [υ] ντ · ι pres act PTCP mas DAT sg of druk daad PTCP neu DAT sg terwijl BEZORGDE-ing (DAT) BE Prv 14:23

- mesos (zich in het midden bevindend) . μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in de LXX : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Mc : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Lc : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Hnd : mesos (zich in het midden bevindend) . Hebr. thâwèkh (stat. constr. thôhk) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenach : thâwèkh (stat. constr. thôhk) : het midden, het inwendige . Lat. medius . Ned. midden . D. mitten . E. midst . Fr. milieu . Grieks : μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend) .Lat. medius .

  mesos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. mann. + onz. enk. mesou 95  87         
  dat. onz. enk. mesô(i)   291  263  28  13  15   
  acc. onz. enk. meson   286  270  16  12 
                               
                               

mesos (midden) . Verwijzing : mesos (midden), zie Lc 24,36 . In vier verzen in de bijbel ; in één vers in het OT , in drie verzen in het NT
--- dat. mann. enk. μεσῳ = mesôi (in het midden van) van het bijvoegl. naamw. μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in de LXX : mesos (zich in het midden bevindend) . Bijbel (291) . OT (263) . NT (28) . In 4 verzen bij Matteüs: (1) Mt 10,16 (humas hôs probata en mesôi lukôn = jullie zijn als schapen temidden van wolven) . (2) Mt 14,16 . (3) Mt 18,2 (// Mc 9,36) (estèsen auto en mesôi autôn = hij stelde het / het kind, in hun midden) . (4) Mt 18,20 (ekei eimi en mesôi autôn = daar ben ik in hun midden) . In 2 verzen bij Marcus: (1) Mc 6,47 (en mesôi tès thalassès = temidden van de zee) . (2) Mc 9,36 (// Mt 18,2). In 7 verzen bij Lucas: (1) Lc 2,46 . (2) Lc 8,7 . (3) Lc 10,3 . (4) Lc 21,21 . (5) Lc 22,27 . (6) Lc 22,55 . (7) Lc 24,36 (estè en mesôi autôn = hij stond in het midden van hen) . In 2 verzen bij Johannes : (1) Joh 8,3 (stèsantes autèn en mesôi (haar stellend in het midden) . (2) Joh 8,9 .
--- meson . Accusatief . In 286 verzen in de bijbel; in 270 verzen in het OT, in 16 verzen in het NT In 1 vers bij Matteüs. In 3 verzen bij Marcus. In 5 verzen bij Lucas. In 3 verzen bij Johannes: (1) Joh 19,18 . (2) Joh 20,19 . (3) Joh 20,26 .


- meta (na , met) . μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after . met' : Mc 1,36 .

  meta (na, met)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth'  1   1             1    
  totaal  2181 1770 411 60 50 58 47 62 87 47 168 215

In vier verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 1,29 . In twee verzen in Mc 3 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 .

meta (na, met)  bijbel OT NT ev.  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A. b.  
  1443  1159  284  137  77  1 19          73  4  

meta de (na echter) . In eenentwintig verzen in het NT . Mt (3) : (1) Mt 1,12 . (2) Mt 25,19 . (3) Mt 26,32 . Marcus (2) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 16,12 . Lc (3) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 10,1 . (3) Lc 18,4 . Joh (2) : . Hnd (9) . Br. (2) .

- μετα δε το= meta de to . NT (5) : 4 + 1 : Hnd 20,1 . In vier verzen + infinitief : (1) Mt 26,32 . (2) Mc 1,14 . (3) Hnd 15,13 . (4) Hnd 20,1 .

- μετα + (+ x + ) το = meta + (+ x + ) to . NT (19) . Mt (1) : Mt 26,32 . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 .(3) Mc 16,19 . Lc (2) : (1) Lc 12,5 . (2) Lc 12,5 . Joh (1) : Joh 13,27 . Hnd (8) : (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 7,4 . (3) Hnd 10,37 . (4) Hnd 10,41 . (5) Hnd 12,4 . (6) Hnd 15,13 . (7) Hnd 19,21 . (8) Hnd 20,1 . 1 Kor (1) : 1 Kor 11,25 . Heb (3) : (1) Heb 9,3 . (2) Heb 10,15 . (3) Heb 10,26 .

meta charas (met vreugde) . In elf verzen in het NT : Mt (1) Mt 13,20 . Mc (1) Mc 4,16 . Lc (3) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,52 . Hnd (1) Hnd 13,52 . Brieven (5) : (1) Fil 1,4 . (2) Fil 2,29 . (3) Kol 1,11 . (4) 1 Tes 1,6 . (5) Heb 10,34 . Zie ook Mt 28,8 .


- μετανοια = metanoia (bekering)

- metanoia (bekering) . μετανοια = metanoia (bekering) . Taalgebruik in het NT : metanoia (bekering) . Taalgebruik in de LXX : metanoia .

metanoia (omkering)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. metanoia                             
gen. vr. enk. metanoias  12  2 : (1) W 12,10 . (2) Sir 44,16 . 10  1 : Mt 3,8 . 1 : Mc 1,4 . 3 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 15,7 .   3 : (1) Hnd 13,24 . (2) Hnd 19,4 . (3) Hnd 26,20 . 2 : (1) Heb 6,1 . (2) Heb 12,17 .    
acc. vr. enk. metanoian   15  3 : (1) Spr 14,15 . (2) W 11,23 . (3) W 12,19 . 12  1 : Mc 3,11 .   2 : (1) Lc 5,32 . (2) Lc 24,47 .   3 : (1) Hnd 5,31 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 20,21 . 6 : (1) Rom 2,4 . (2) 2 Kor 7,9 . (3) 2 Kor 7,10 . (4) 2 Tim 2,25 . (5) Heb 6,6 . (6) 2 Pe 3,9 .  
totaal 27  22     

- metanoeô (bekeren) . μετανοεω = metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in het NT : metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in de LXX : metanoeô (bekeren) . Change , yes we can .

  metanoeô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. conj. praes. 2de pers. mv. metanoète                            
  act. part. praes. dat. mann. enk. metavoounti 2   2                      
                               

- act. part. praes. dat. mann. enk. μετανοουντι = metavoounti (aan de bekerende) van het werkw. μετανοεω = metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in het NT : metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in de LXX : metanoeô (bekeren) . Bijbel = NT = Lc (2) : (1) Lc 15,7 . (2) Lc 15,10 . Een vorm van μετανοεω = metanoeô in de LXX (24) , in het NT (34) , in Lc (9) . Change , yes we can .

- act. conjunct. aor. 3de pers. enk. μετανοησῃ = metanoèsè(i) (hij zou zich bekeren) van het werkw. μετανοεω = metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in het NT : metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in de LXX : metanoeô (bekeren) . Bijbel = NT = Lc (2) : (1) Lc 17,3 . (2) Apk 2,21 . Een vorm van μετανοεω = metanoeô in de LXX (24) , in het NT (34) , in Lc (9) : (1) Lc 10,13 . (2) Lc 11,32 . (3) Lc 13,3 . (4) Lc 13,5 . (5) Lc 15,7 . (6) Lc 15,10 . (7) Lc 16,30 . (8) Lc 17,3 . (9) Lc 17,4 .


- methè (dronkenschap) . methè (dronkenschap) . Taalgebruik in het NT : methè (dronkenschap) . Taalgebruik in Lc : methè .

  methè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. methè(i)                  
                               

- mè (niet) . Taalgebruik : mè (niet) .

mè (niet)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  3266  2344  922  117  67  123  110  61  403  41  307  417 

mè (niet)   Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
  403  66  82  43  22  15  13  19  37  20  14  18  336  67 

mè (niet) in dertien verzen in 1 Tes : (1) 1 Tes 1,8 . (2) 1 Tes 2,9 . (3) 1 Tes 2,15 . (4) 1 Tes 3,5 . (5) 1 Tes 4,5 . (6) 1 Tes 4,6 . (7) 1 Tes 4,13 . (8) 1 Tes 4,15 . (9) 1 Tes 5,3 . (10) 1 Tes 5,6 . (11) 1 Tes 5,15 . (12) 1 Tes 5,19 . (13) 1 Tes 5,20 .


- μητηρ = mètèr (moeder)

- mètèr (moeder) . μητηρ = mètèr (moeder) . Taalgebruik in het NT : mètèr (moeder) . Taalgebruik in de LXX : mètèr (moeder) . Taalgebruik in Mc : mètèr (moeder) .

- acc. vr. enk. μητερα = mètera van het zelfst. naamw. μητηρ = mètèr (moeder) . Taalgebruik in het NT : mètèr (moeder) . Taalgebruik in de LXX : mètèr (moeder) . Bijbel (78) . OT (54) . NT (24) : (1) Mt 2,13 . (2) Mt 2,14 . (3) Mt 2,20 . (4) Mt 2,21 . (5) Mt 10,37 . (6) Mt 15,4 . (7) Mt 19,5 . (8) Mt 19,19 . (9) Mt 19,29 . (10) Mc 5,40 . (11) Mc 7,10 . (12) Mc 10,7 . (13) Mc 10,19 . (14) Mc 10,29 . (15) Lc 2,34 . (16) Lc 8,51 . (17) Lc 12,53 . (18) Lc 14,26 . (19) Lc 18,20 . (20) Joh 6,42 . (21) Joh 19,26 . (22) Rom 16,13 . (23) Ef 5,31 . (24) Ef 6,2 . Een vorm van μητηρ = mètèr in de LXX (338) , in het NT (84) , in Lc (17) .


- meros (deel, aandeel, klasse, gebied) . meros (deel, aandeel, klasse, gebied) . Taalgebruik in de Bijbel : meros (deel, aandeel, klasse, gebied) . Bijbel (57) . OT (33) . NT (16) . Hnd (3) : (1) Hnd 5,2 . (2) Hnd 19,27 . (3) Hnd 23,6 . Een vorm van in de LXX (139) , in het NT (42) , in Hnd (7) .
-- act. imperf. 3de pers. mann. mv. diemerizon (zij verdeelden) van het werkw. diamerizô (verdelen) . Zie : Bijbel (1) : Hnd 2,45 .

  mètèr  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. vr. enk. mètèr   94  63  31  6 : (1) Mc 3,31 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 3,33 . (4) Mc 3,34 . (5) Mc 3,35 . (6) Mc 15,40 .   23  29     
                               
                               
                               

 

- mignumi (mengen) . mignumi (mengen) . Taalgebruik in het NT : mignumi (mengen) . Taalgebruik in Lc : mignumi (mengen) .

  mignumi  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  act. ind. aor. 3de pers. enk. emixen                              
                               

- mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in de LXX : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) .Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Hnd : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) .
- Hebreeuws . zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in Tenach : zâkhar (gedenken) . Een vorm van μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in de LXX (275) , in het NT (23) , in Lc (6) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 2 vormen van μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in 2 hoofdstukken en in 2 verzen .
- E. remember . Ned. gedachtig / indachtig zijn . D. gedenken . Fr. souvenir (Lat. subvenir) .

- act. ind. aor. 3de pers. enk. εμνησθη = emnèsthè (hij herinnerde zich) van het werkw. μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in de LXX : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Hnd : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Bijbel ()

- act. ind. aor. 3de pers. mv. εμνησθησαν = emnèsthèsan (zij herinnerden zich) van het werkw. μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in de LXX : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Hnd : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Bijbel (13) : (1) Re 8,34 . (2) Am 1,9 . (3) Ps 78,35 . (4) Ps 78,42 . (5) Ps 106,7 . (6) Neh 9,17 . (7) 1 Mak 9,38 . (8) Bar 3,23 . (9) Lc 24,8 . (10) Joh 2,17 . (11) Joh 2,22 . (12) Joh 12,16 . (13) Hnd 10,31 . Een vorm van μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in de LXX (275) , in het NT (23) , in Lc (6) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 2 vormen van μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in 2 hoofdstukken en in 2

  mimnèskomai  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  conj. + imperat. aor. 2de pers.mv. mnèsthète  17  15             
  inf. aor. mnèsthènai              
                               

      1.  2.  3.  4. 
  mimnèskomai    Lc 1 Lc 16 Lc 23 Lc 24
1.  ind. aor. 3de pers. mv. emnèsthèsan         (1) Lc 24,8 .  
2.  imperat. aor. 2de pers. enk. mnèsthèti     (1) Lc 16,25 .   (2) Lc 23,42 .    
3.  imperat. aor. 2de pers. mv. mnèsthète         (1) Lc 24,6 .  
4.  inf. aor. mnèsthènai   (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 .        
  Totaal   

 

Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35


- μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken)

- mnèma (aandenken, gedenkteken) . nom. + acc. onz. enk. μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in het NT : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in de LXX : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in Lc : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Een vorm van μνημα = mnèma in de LXX (20) , in het NT (10) , in Lc (3) : (1) Lc 8,27 . (2) Lc 23,53 . (3) Lc 24,1 . In Lc : 3 vormen in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
- gen. onz. enk. μνηματος = mnèmatos van het zelfst. naamw. μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in het NT : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in de LXX : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in Lc : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Bijbel (5) : (1) Nu 19,16 . (2) Nu 19,18 . (3) Ez 32,22 . (4) Ez 32,24 . (5) Ez 32,26 . Een vorm van μνημα = mnèma in de LXX (20) , in het NT (10) .
- dat. onz. enk. μνηματι = mnèmati van het zelfst. naamw. . Bijbel (3) : (1) 2 Kr 16,14 . (2) Lc 23,53 . (3) Hnd 7,16 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. mnèma                
                               

- dat. onz. mv. μνημασιν = mnèmasin (in de gedenktekens) van het zelfst. naamw. μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in het NT : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in de LXX : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in Lc : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Bijbel


- μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf)

- nom. of acc. onz. enk. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in de LXX : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . OT (4) . NT (17) . Mc (2) . Lc (4) . Joh (10) . Hnd (1) . Bijbel (21) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 22,16 . (3) Ez 39,11 . (4) W 10,7 . (5) Mc 16,2 . (6) Mc 16,5 . (7) Lc 23,55 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 . (11) Joh 11,31 . (12) Joh 11,38 . (13) Joh 19,41 . (14) Joh 19,42 . (15) Joh 20,1 . (16) Joh 20,3 . (17) Joh 20,4 . (18) Joh 20,6 . (19) Joh 20,8 . (20) Joh 20,11 . (21) Hnd 13,29 . Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) , in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 .  (3) Lc 23,55 .  (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 .  (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) ταφος= tafos (graf) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Een vorm van ταφος = tafos (graf) in de LXX (64) , in het NT (7) .

      1.  2.  3.  
  mnèmeion    Lc 11 Lc 23 Lc 24
1.  nom. + acc. onz. enk. mnèmeion     (1) Lc 23,55 .   (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 .  
2.  gen. onz. enk. mnèmeiou     (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 .  
3.   nom. + acc. onz. mv. mnèmeia  (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 .      
  Totaal  5

- Hebreeuws . NBS : הַקֻּבֻר = haqqèbhèr (het graf, de begraafplaats) < bepaald lidw. + קֻבֻר = qèbhèr (graf, begraafplaats) . Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . Niet in Tenakh . Een vorm van q-b-r in Tenakh (22) .
- UBS : בַקֻּבֻר = baqqèbhèr (in het graf) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. + zelfst. naamw. . b-q-b-r : Tenakh (11) : (1) Nu 19,16 . (2) Nu 19,18 . (3) Re 8,32 . (4) Re 16,31 . (5) 2 S 2,32 . (6) 2 S 4,12 . (7) 2 S 17,23 . (8) 2 S 21,14 . (9) 1 K 13,31 . (10) 2 K 13,21 . (11) Ps 88,12 .
- Het Ned. graf en het D. Grab lijken verwantschap te vertonen met het Hebreeuwse qèbhèr , het Arameese qèbhèr / qibërâ´ en het Arabische qabr ; evenwel met omkering van de letters b en r .
- Latijn . monumentum (moment, gedenkteken) . Bijbel (27) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex 13,9 . (3) Ex 17,14 . (4) Ex 30,16 . (5) Ex 39,7 . (6) Lv 5,12 . (7) Lv 6,8 . (8) Lv 24,7 . (9) Nu 31,54 . (10) Joz 4,7 . (11) 2 S 18,18 . (12) Mc 16,2 . (13) Lc 23,55 . (14) Lc 24,1 . (15) Lc 24,12 . (16) Lc 24,22 . (17) Lc 24,24 . (18) Joh 11,31 . (19) Joh 11,38 . (20) Joh 19,41 . (21) Joh 19,42 . (22) Joh 20,1 . (23) Joh 20,3 . (24) Joh 20,4 . (25) Joh 20,6 . (26) Joh 20,8 . (27) Joh 20,11 .
- Het Latijnse monumentum lijkt verwantschap te hebben met het Griekse μνημειον = mnèmeion : m-n-m-n . In geval van een 'graf' spreken we van een grafmomunemt .
- Het Latijnse monumentum is soms de vertaling van het Hebreeuwse זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteen) . Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in Tenakh : zâkhar (gedenken) . Tenakh (9) : (1) Ex 17,14 . (2) Ex 39,7 . (3) Lv 23,24 . (4) Nu 5,15 . (5) Nu 17,5 . (6) Nu 31,54 . (7) Mal 3,16 . (8) Pr 1,11 . (9) Pr 2,16 .
- Ned. graf (< graven) . D. Grab . Fr. tombeau (< Lat. tumba < tumulus : heuvel ; Gr. τυμβος = tumbos) . E. sepulchre (< Lat. sepulchrum < sepelire , sepultum , ensevelir = in een lijkwade wikkelen, bedelven, begraven) . Aramees : קֻבֻר / קִבְרָא = qèbhèr / qibërâ´ . Arabisch : قَبْر = qabr (graf) . Taalgebruik in de Qoran : : qabr (graf) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               

- dat. onz. enk. μνημειῳ = mnèmeiôi (graf, gedenkteken) van het zelfst. naamw. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in de LXX : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (6) : (1) Gn 50,5 : in het graf, dat ik voor mijzelf in het land Kanaän heb uitgegraven, begraaf me daar . (2) Mt 27,60 . (3) Mc 6,29 . (4) Mc 15,46 . (5) Joh 11,17 . (6) Joh 20,11 . Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) .

- Het is vaak de vertaling van qbhr . Wajjqqâbher (en hij begroef) komt in de bijbel in eenentwintig verzen voor .

- mnèmeion (gedenkteken) . Taalgebruik : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) , zie Mc 15,46 .
--- Nominatief enkelvoud. Slechts in het NT; in 17 verzen.
--- Mnèmeiou (van het gedenkteken). Genitief enkelvoud. Slechts in het N.T, in 10 verzen.

- gen. onz. mv. μνημειων = mnèmeiôn (van de grafgedenktekens) van het zelfst. naamw. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in de LXX : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (5) : (1) Neh 2,3 . (2) Neh 2,5 . (3) Mt 8,28 . (4) Mt 27,53 . (5) Mc 5,2 .

- dat. onz. mv. μνημειοις = mnèmeiois (in de grafgedenktekens) van het zelfst. naamw. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in de LXX : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (3) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 26,19 . (3) Joh 5,28 . Variante lezing : Mc 5,3 .


- μισεω = miseô (haten)

- miseô (haten) . μισεω = miseô (haten) . Taalgebruik in het NT : miseô (haten) . Taalgebruik in de LXX : miseô (haten) .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. μισει = misei (hij haat) van het werkw. μισεω = miseô (haten) . Taalgebruik in het NT : miseô (haten) . Taalgebruik in de LXX : miseô (haten) . Bijbel (20) : (1) Js 1,14 . (2) Ez 23,29 . (3) Ps 11,5 . (4) Spr 6,16 . (5) Spr 8,13 . (6) Spr 11,15 . (7) Spr 13,5 . (8) Spr 13,24 . (9) Spr 15,32 . (10) Spr 17,9 . (11) Spr 19,7 . (12) Spr 26,28 . (13) Spr 29,24 . (14) Lc 14,26 . (15) Joh 3,20 . (16) Joh 7,7 . (17) Joh 15,18 . (18) Joh 15,19 . (19) Joh 15,23 . (20) 1 Joh 3,13 . Een vorm van μισεω = miseô in de LXX (182) , in het NT (39) , in Lc (7) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 6,22 . (3) Lc 6,27 . (4) Lc 14,26 . (5) Lc 16,13 . (6) Lc 19,14 . (7) Lc 21,17 . In de LXX is μισεω = miseô (haten) de vertaling van 8 verschillende Hebreeuwse woorden .

- act. part. praes. nom. mann. mv. μισουντων = misountôn (van hen die haten) van het werkw. μισεω = miseô (haten) . Taalgebruik in het NT : miseô (haten) . Taalgebruik in de LXX : miseô (haten) . Bijbel (10) : (1) 2 S 22,18 . (2) Ez 16,27 . (3) Ps 18,18 . (4) Ps 18,20 . (5) Ps 69,15 . (6) Ps 74,23 . (7) Ps 106,10 . (8) Ps 120,7 . (9) Sir 25,14 . (10) Lc 1,71 .
- שֹׂנְאֵינוּ = shonë´e(j)nû (hen die ons haten) < act. part. praes. mann. mv. stat. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. . Zie : שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (1) : Ex 1,10 . NBG Hebreeuws Lc 1,71 .

- act. part. praes. dat. mann. mv. μισουσιν = misousin (aan hen die haten) van het werkw. μισεω = miseô (haten) . Taalgebruik in het NT : miseô (haten) . Taalgebruik in de LXX : miseô (haten) . Bijbel (7) : (1) Ex 20,5 . (2) Dt 5,9 . (3) Dt 7,10 . (4) Dt 32,41 . (5) Dt 32,43 . (6) Js 66,5 . (7) Lc 6,27 . Een vorm van μισεω = miseô in de LXX (182) , in het NT (39) , in Lc (7) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 6,22 . (3) Lc 6,27 . (4) Lc 14,26 . (5) Lc 16,13 . (6) Lc 19,14 . (7) Lc 21,17 . In de LXX is μισεω = miseô (haten) de vertaling van 8 verschillende Hebreeuwse woorden .

- act. ind. fut. 2de pers. enk. μισησεις = misèseis (jij zult haten) van het werkw. μισεω = miseô (haten) . Taalgebruik in het NT : miseô (haten) . Taalgebruik in de LXX : miseô (haten) . Bijbel (2) : (1) Lv 19,17 . (2) Mt 5,43 .


- misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) . μισθος = misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) . Taalgebruik in het NT : misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) . Een vorm van misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) in de LXX (77) , in het NT (29) , in Mt (10) : (1) Mt 5,12 . (2) Mt 5,46 . (3) Mt 6,1 . (4) Mt 6,2 . (5) Mt 6,5 . (6) Mt 6,16 . (7) Mt 10,41 (2X) . (8) Mt 10,42 . (9) Mt 20,8 . In de LXX is het Griekse misthos de vertaling van 10 verschillende Hebreeuwse woorden .

- μισθωτος = misthôtos (gehuurd, huurling, werknemer) . Zie : μισθος = misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) . Taalgebruik in het NT : misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) .


 

- moichaomai (echtbreuk plegen) . moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in het NT : moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moichaomai .

  moichaomai (echtbreuk plegen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai     2  : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .              

- moicheuô (echtbreuk plegen) . moicheuô (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in het NT : moicheuô (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moicheuô (echtbreuk plegen) .

  moicheuô (echtbreuk plegen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. conj. aor. 2de pers. enk.               1
                               
  totaal                            

- monogenès (eniggeboren) . μονογενης = monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in het NT : monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in de LXX : monogenès (eniggeboren) .

- monos (alleen, afzonderlijk) . μονος = monos (alleen, afzonderlijk) . Taalgebruik in het NT : monos (alleen, afzonderlijk) . Taalgebruik in de LXX : monos (alleen, afzonderlijk) . Taalgebruik in Lc : monos . Bijbel (75) . LXX (55) . NT (20) . Mc (1) : Mc 6,47 . Een vorm van μονος = monos (alleen, afzonderlijk) in de LXX (164) , in het NT (46) , in Mc (8) .

  monos  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. monos                            
  dat.  mann. + onz. enk. monô(i) 21  14         
                               
                               

 

- monas : acc. vr. mv. van monos . Taalgebruik in NT : monas . kata monas (afzonderlijk) . NT (2) : (1) Mc 4,10 . (2) Lc 9,18 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  monas  14  12               
  kata monas  12  10               

- monon (alleen) . Taalgebruik : monon (alleen) .

monon (alleen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
monon  112  39  73  45    12  20 
ou monon ? ? 27 1     1 5 20   1 2

monon (alleen)  bijbel OT NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P.  A.b 
monon  112  39  73  45  11              39 
ou monon ? ? 27 20 7   5   1 1   2   1 1     1   1           19 1

ou monon (niet alleen) .

kata monas (alleen). Monas komt in 14 verzen in de bijbel voor; in 12 verzen in het OT, in 2 verzen in het NT . NT (2) : (1) Mc 4,10 . (2) Lc 9,18 .

 

- mnèmoneuô (denken aan, gedenken, zich herinneren) . μνημονευω = mnèmoneuô (gedenken) . Taalgebruik : mnèmoneuô (denken aan, gedenken, zich herinneren) . m - n - m (monumen-tum : getekenteken) . In 1 Tes : (1) 1 Tes 1,2 (mneian poioumenoi = in gedachte houdend) . (2) 1 Tes 1,3 (mnèmoneuontes = gedenkend) . (3) 1 Tes 2,9 (mnèmoneuete = gedenkt) . (4) 1 Tes 3,6 (echete mneian (jullie hebt een goede herinnering ...) .
- act. ind. praes. 2de pers. mv. OF act. imperat. praes. 2de pers. mv. μνημονευετε = mnèmoneuete (gedenkt) . Zie het werkw. μνημονευω = mnèmoneuô (gedenken) . Taalgebruik : mnèmoneuô (denken aan, gedenken, zich herinneren) . Bijbel (12) : (1) Ex 13,3 . (2) Js 43,18 . (3) 1 Kr 16,12 . (4) Mt 16,9 . (5) Mc 8,18 . (6) Lc 17,32 . (7) Joh 15,20 . (8) Ef 2,11 . (9) Kol 4,18 . (10) 1 Tes 2,9 . (11) 2 Tes 2,5 . (12) Heb 13,7 .

mnèmoneuô (gedenken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. + imperat. 3de p. enk. mnèmoneue 5 2 3           1 2    
ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. mnèmoneuete 12 3 9 1 1 1 1   5   3 4
inf. pr. mnèmoneuein                 
part. pr.. nom. m. + vr. mv. . mnèmoneuontes 3 1 2         1 1      
Andere vormen                        
Totaal   22  15 

- mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) . mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) . Taalgebruik in het NT : mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) . Taalgebruik in Lc : mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) .

  mnèsteuô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. part. perf. acc. vr. enk emnèsteumenèn                    
  pass. part. perf. dat. vr. enk. emnèsteumenè(i)                    
                               

- moschos (jong dier, kalf) . moschos (jong dier, kalf) . Taalgebruik in het NT : moschos (jong dier, kalf) . Taalgebruik in Lc : moschos (jong dier, kalf) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                               
  acc. mann. of vr. enk. moschon                              
                               

 

- môusès (Mozes) . môusès (Mozes) . Taalgebruik in het NT : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Lc : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Hnd : môusès (Mozes) . Taalgebruik in de LXX : môusès (Mozes) .

  môusès (Mozes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. môusès   401  358  43  11  11    14  21  11   
gen. mann. enk. môuseôs   27  23  10 
  dat. mann. enk. môusè(i) 178 177 1         1            
acc. mann. enk. môusèn   234  230                 
  totaal 840  769  71  11  18  20  20  31  19