BIJBELBOEK TWEEDE BOEK SAMUEL HOOFDSTUK 1 -- 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 <
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.


Overzicht van 2 S : - 2 S 1 - 2 S 2 - 2 S 3 - 2 S 4 - 2 S 5 - 2 S 6 - 2 S 7 - 2 S 8 - 2 S 9 - 2 S 10 - 2 S 11 - 2 S 12 - 2 S 13 - 2 S 14 - 2 S 15 - 2 S 16 - 2 S 17 - 2 S 18 - 2 S 19 - 2 S 20 - 2 S 21 - 2 S 22 - 2 S 23 - 2 S 24 -
Tekstuitleg per pericope :
Overzicht vers per vers : - 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 - 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -

Overzicht van Tenach :Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -



2 S 1,1-16 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -

2 S 1,1 - 2 S 1,1 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [1] Na de dood van Saul gebeurde het volgende: David, die teruggekeerd was van zijn overwinning op de Amalekieten, was al twee dagen in Siklag,        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Gn (114) . Joz (59) . Re (47) . 1 S (58) . 2 S (43) . 1 K (78) . 2 K (54) . In het begin van het hoofdstuk in 2 S (9) : (1) 2 S 1,1 . (2) 2 S 2,1 . (3) 2 S 7,1 . (4) 2 S 8,1 . (5) 2 S 10,1 . (6) 2 S 11,1 . (7) 2 S 13,1 . (8) 2 S 15,1 . (9) 2 S 21,1 .

Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenach (784) . Pentateuch (181) . Vroege Profeten (339) . 2 S (43) . In het begin van het hoofdstuk in 2 S (9) : (1) 2 S 1,1 . (2) 2 S 2,1 . (3) 2 S 7,1 . (4) 2 S 8,1 . (5) 2 S 10,1 . (6) 2 S 11,1 . (7) 2 S 13,1 . (8) 2 S 15,1 . (9) 2 S 21,1 .
Door wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens .
Elk boek van de Eerdere Profeten begint met wajëhî (en hij was / en het was) : (1) Joz 1,1 . (2) Re 1,1 . (3) 1 S 1,1 . (4) 2 S 1,1 . (5) 1 K 1,1 . (6) 2 K 1,1 .

2. ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenach : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) . 2 S (30) . 2 S 1 (2) : (1) 2 S 1,1 . (2) 2 S 1,10 .

1. - 2. wajëhî ´achäre(j) (en het zal zijn na...) . Tenakh (24) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 25,11 . (3) Gn 48,1 . (4) Nu 25,19 . (5) Joz 1,1 . (6) Joz 24,29 . (7) Re 1,1 . (8) Re 16,4 (9) 1 S 5,9 . (10) 1 S 24,6 . (11) 2 S 1,1 . (12) 2 S 2,1 . (13) 2 S 8,1 . (14) 2 S 10,1 . (15) 2 S 13,1 . (16) 2 S 17,21 . (17) 2 S 21,18 . (18) 1 K 13,23 . (19) 1 K 13,31 . (20) 2 K 6,24 . (21) 1 Kr 18,1 . (22) 1 Kr 19,1 . (23) 1 Kr 20,4 . (24) 2 Kr 25,14 . (25) Ez 17,23 .

3. act. qal inf. construct. môth (sterven) van het werkw. mwth (sterven, ondergaan) OF zelfst. naamw. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , waw = 6 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 41 OF 446 (2 X 223) . Structuur : 4 - 6 - 4 . Tenakh (123) . Pentateuch (41) . Eerdere Profeten (30) . Latere Profeten (16) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (34) . Joz (2) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 20,6 . Re (3) : (1) Re 1,1 . (2) Re 13,22 . (3) Re 21,5 . 1 S (6) : (1) 1 S 5,11 (mawèth) . (2) 1 S 14,39 . (3) 1 S 14,44 . (4) 1 S 20,31 . (5) 1 S 22,16 . (6) 1 S 26,16 . 2 S (7) : (1) 2 S 1,1 . (2) 2 S 12,5 (mawèth) . (3) 2 S 12,14 . (4) 2 S 14,14 . (5) 2 S 19,29 (mawèth) . (6) 2 S 22,5 (mawèth) . (7) 2 S 22,6 (mawèth) . 1 K (4) : (1) 1 K 2,26 (mawèth) . (2) 1 K 2,37 . (3) 1 K 2,42 . (4) 1 K 11,40 . 2 K (8) : (1) 2 K 1,1 . (2) 2 K 1,4 . (3) 2 K 1,6 . (4) 2 K 1,16 . (5) 2 K 2,21 (mawèth) . (6) 2 K 4,40 (mawèth) . (7) 2 K 8,10 . (8) 2 K 14,17 .

2. - 3. ´achäre(j) môth (na de dood van) . Tenakh (11) : (1) Gn 25,11 (Abraham) . (2) Gn 26,18 (verwijzing naar de dood van Abraham) . (3) Lv 16,1 (na de dood van de twee zonen van Aäron) . (4) Joz 1,1 (Mozes) . (5) Re 1,1 (Jozua) . (6) Rt 2,11 (na de dood van je man. Dit is : de dood van Kiljon , de man van de Moabitische Ruth) . (7) 2 S 1,1 (Saul) . (8) 2 K 1,1 (Achab) . (9) 2 K 14,17 (Joas) . (10) 2 Kr 22,4 (na de dood van zijn vader; d.i. Achab) . (11) 2 Kr 25,25 (Joas) .

1. - 3 . wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) . Tenakh (4) : (1) Gn 25,11 (Abraham) . (2) Joz 1,1 (Mozes) . (3) Re 1,1 (Jozua) . (4) 2 S 1,1 (Saul) . Abraham was de eerste Patriarch . Mozes was de wetgever van het volk . Jozua leidde het volk binnen in het land . Saul was de eerste koning .

2 S 1,2 - 2 S 1,2 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [2] toen daar op de derde dag een man aankwam uit het legerkamp van Saul. Hij had zijn* kleren gescheurd en aarde op zijn hoofd gestrooid. Bij David gekomen, boog hij tot op de grond en bracht hem hulde.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,3 - 2 S 1,3 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [3] David* vroeg hem: ‘Waar komt u vandaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik ben ontsnapt uit het legerkamp van Israël.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,4 - 2 S 1,4 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [4] Daarop vroeg David hem: ‘Wat is er dan gebeurd? Vertel het me.’ Hij antwoordde: ‘Het leger heeft de strijd opgegeven en is op de vlucht geslagen. Veel mensen zijn gesneuveld; ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn dood.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,5 - 2 S 1,5 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [5] David vroeg aan de jongeman die hem dit verteld had: ‘Hoe weet u dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,6 - 2 S 1,6 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [6] De jongeman die hem dit verteld had, antwoordde: ‘Ik kwam toevallig in het Gilboagebergte, toen ik daar ineens Saul zag, steunend op zijn lans; wagens en ruiters stormden op hem af.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,7 - 2 S 1,7 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [7] Hij keek om, en toen hij mij zag, riep hij me. Ik antwoordde: “Wat kan ik voor u doen?”       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,8 - 2 S 1,8 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [8] Hij vroeg: “Wie bent u?” Ik antwoordde: “Een Amalekiet.”        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,9 - 2 S 1,9 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [9] Toen zei hij: “Kom vóór mij staan en dood mij, want ook al is het leven nog in mij, de doodsangst grijpt mij aan.”        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,10 - 2 S 1,10 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [10] Ik ging naar hem toe en doodde hem omdat ik wist dat hij zijn val niet zou overleven. Daarna heb ik de diadeem* van zijn hoofd en de armband* van zijn arm weggepakt; ik heb ze meegebracht voor mijn heer.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,11 - 2 S 1,11 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [11] David greep zijn kleed en scheurde het middendoor. Dat deden ook al de mannen die bij hem waren.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,12 - 2 S 1,12 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [12] Ze hielden de rouwklacht en weenden en vastten tot de avond voor Saul en zijn zoon Jonatan en voor het volk van de heer, voor Israël, omdat zij door het zwaard waren omgekomen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,13 - 2 S 1,13 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [13] David vroeg aan de jongeman die hem dit verteld had: ‘Waar komt u vandaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik ben de zoon van een Amalekiet die hier als vreemdeling woont.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,14 - 2 S 1,14 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [14] David zei tegen hem: ‘Hoe hebt u het gedurfd u te vergrijpen* aan de gezalfde van de heer en hem te vermoorden?’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,15 - 2 S 1,15 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [15] Vervolgens riep David een van zijn knechten en zei: ‘Kom hier, steek die man neer!’ De knecht stak hem neer en hij stierf.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,16 - 2 S 1,16 . De dood van Saul - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,1 - 2 S 1,2 - 2 S 1,3 - 2 S 1,4 - 2 S 1,5 - 2 S 1,6 - 2 S 1,7 - 2 S 1,8 - 2 S 1,9 - 2 S 1,10 - 2 S 1,11 - 2 S 1,12 - 2 S 1,13 - 2 S 1,14 - 2 S 1,15 - 2 S 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [16] En David zei: ‘Uw bloed* komt neer op uw eigen hoofd; u hebt uw eigen oordeel geveld toen u zei: “Ik heb de gezalfde van de heer gedood.” ’ Davids klaagzang        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


2 S 1,17-27 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -

2 S 1,17 - 2 S 1,17 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17 Καὶ ἐθρήνησε Δαυὶδ τὸν θρῆνον τοῦτον ἐπὶ Σαοὺλ καὶ ἐπὶ ᾿Ιωνάθαν τὸν υἱὸν αὐτοῦ. Planxit autem David planctum     [17] David zong dit klaaglied voor Saul en zijn zoon Jonatan.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

וַיְקֹנֵן דָּוִד, אֶת-הַקִּינָה הַזֹּאת, עַל-שָׁאוּל, וְעַל-יְהוֹנָתָן בְּנוֹ.

Tekstuitleg van

1.
- LXX: ἐθρήνησε (= ethrènèse: hij weende, weeklaagde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw θρηνεω = thrèneô: weeklagen, jammeren, lamenteren; zie Ned zn traan). 2 S 1,17.

Plangere, planxi, planctum - pectora palmis: op de borst slaan.(κοπτω = koptô: slaan, zich op de borst slaan, zich beklagen)
En Chouraqui vertaalt: David se lamente en ce thrène
Θρηνέω klagen, jammeren en daarbij op de borst slaan, zoals de ’Ouden’ deden, vaak met ingehuurde vrouwen. Hoe rijker de overledene, hoe meer gejank. Van ritueel met  scenario gaat het naar theater, drama, of poëzie zoals bij de dichter in Samuel.
En bij Homeros in de Ilias: de dramatische scène waar Achilles de dood verneemt van zijn beste vriend en medestrijder Patroclos: zang 17/18:
“Duistere wanhoop omwolkte de ziel van Achilles. Met beide handen graaide hij in het grauwe stof en stortte het uit over zijn hoofd en besmeurde er het schone gezicht mee. Zijn welriekend geurende mantel werd door de asse bevuild. Ter aarde wierp hij zich, waar hij lag als een reus, die geveld werd, terwijl hij zich de haren uit het hoofd rukte. De dienstmaagden, door hem en Patroclos buitgemaakt als slavinnen, vernamen het trieste tumult en kwamen al krijsend naar buiten. Met hun handen sloegen ze zich op de borst en vielen ter aarde naast hun koninklijke meester...” (Vertaling door Frans Van Oldenburg Ermke, Retie, Kempische boekhandel, 1959).


2 S 1,18 - 2 S 1,18 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [18] Hij beval de zonen van Juda dit lied te leren, het lied van de boog; het staat opgetekend in het Boek van de Rechtvaardige.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,19 - 2 S 1,19 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [19] Uw glorie, Israël, ging op uw heuvels* te gronde. Hoe konden de helden vallen?        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,20 - 2 S 1,20 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [20] Ga het niet melden in Gat, roep het niet om door de straten van Askelon, laat de dochters van de Filistijnen zich niet verheugen, de dochters van de onbesnedenen niet juichen!        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,21 - 2 S 1,21 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [21] Bergen van Gilboa, geen dauw meer, geen regen op u, op die vruchtbare velden; daar werd het schild van de helden besmeurd, het schild van Saul, niet langer met olie gezalfd.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

6. mâtâr (regen) . Taalgebruik in Tenach : mâtâr (regen) . Status constructus mëtar . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tet = 9 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 249 (3 X 83) . Tenach (19) : (1) Dt 11,14 . (2) Dt 11,17 . (3) Dt 28,12 . (4) Dt 28,24 . (5) 2 S 1,21 . (6) 1 K 8,35 . (7) 1 K 8,36 . (8) 1 K 18,1 . (9) Js 5,6 . (10) Js 30,23 . (11) Zach 10,1 . (12) Ps 147,8 . (13) Spr 28,3 . (14) Job 5,10 . (15) Job 36,27 . (16) Job 37,6 . (17) 2 Kr 6,26 . (18) 2 Kr 6,27 . (19) 2 Kr 7,13 .

2 S 1,22 - 2 S 1,22 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [22] Zonder het bloed van verslagenen, zonder het vet van helden kwam Jonatans boog nooit terug en het zwaard van Saul keerde nooit onverzadigd terug.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,23 - 2 S 1,23 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [23] Saul en Jonatan, zo geliefd, zo mooi, in leven en dood niet gescheiden. Zij waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,24 - 2 S 1,24 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [24] Dochters van Israël, treurt over Saul die u in prachtig purper kleedde en die uw gewaden versierde met goud!        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,25 - 2 S 1,25 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [25] Hoe konden de helden vallen, in het heetst van de strijd? Jonatan ligt op uw heuvels, geveld in het heetst van de strijd.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,26 - 2 S 1,26 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [26] Jouw dood drukt zwaar op mij, mijn broeder Jonatan: jij was mij zo dierbaar; jouw liefde verrukte mij meer dan de liefde van vrouwen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2 S 1,27 - 2 S 1,27 . Davids klaagzang - 2 S 1 -- 2 S 1,1-16 -- 2 S 1,17-27 -- 2 S 1,17 - 2 S 1,18 - 2 S 1,19 - 2 S 1,20 - 2 S 1,21 - 2 S 1,22 - 2 S 1,23 - 2 S 1,24 - 2 S 1,25 - 2 S 1,26 - 2 S 1,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
        [27] Hoe konden de helden vallen? Hoe konden de wapens vergaan?        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


MASORETISCHE TEKST (MT)

2 Samuel Chapter 1 שְׁמוּאֵל ב

א  וַיְהִי, אַחֲרֵי מוֹת שָׁאוּל, וְדָוִד שָׁב, מֵהַכּוֹת אֶת-הָעֲמָלֵק; וַיֵּשֶׁב דָּוִד בְּצִקְלָג, יָמִים שְׁנָיִם. 1 And it came to pass after the death of Saul, when David was returned from the slaughter of the Amalekites, and David had abode two days in Ziklag;
ב  וַיְהִי בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי, וְהִנֵּה אִישׁ בָּא מִן-הַמַּחֲנֶה מֵעִם שָׁאוּל, וּבְגָדָיו קְרֻעִים, וַאֲדָמָה עַל-רֹאשׁוֹ; וַיְהִי בְּבֹאוֹ אֶל-דָּוִד, וַיִּפֹּל אַרְצָה וַיִּשְׁתָּחוּ. 2 it came even to pass on the third day, that, behold, a man came out of the camp from Saul with his clothes rent, and earth upon his head; and so it was, when he came to David, that he fell to the earth, and prostrated himself.
ג  וַיֹּאמֶר לוֹ דָּוִד, אֵי מִזֶּה תָּבוֹא; וַיֹּאמֶר אֵלָיו, מִמַּחֲנֵה יִשְׂרָאֵל נִמְלָטְתִּי. 3 And David said unto him: 'From whence comest thou?' And he said unto him: 'Out of the camp of Israel am I escaped.'
ד  וַיֹּאמֶר אֵלָיו דָּוִד מֶה-הָיָה הַדָּבָר, הַגֶּד-נָא לִי; וַיֹּאמֶר אֲשֶׁר-נָס הָעָם מִן-הַמִּלְחָמָה, וְגַם-הַרְבֵּה נָפַל מִן-הָעָם וַיָּמֻתוּ, וְגַם שָׁאוּל וִיהוֹנָתָן בְּנוֹ, מֵתוּ. 4 And David said unto him: 'How went the matter? I pray thee, tell me.' And he answered: 'The people are fled from the battle, and many of the people also are fallen and dead; and Saul and Jonathan his son are dead also.'
ה  וַיֹּאמֶר דָּוִד, אֶל-הַנַּעַר הַמַּגִּיד לוֹ:  אֵיךְ יָדַעְתָּ, כִּי-מֵת שָׁאוּל וִיהוֹנָתָן בְּנוֹ. 5 And David said unto the young man that told him: 'How knowest thou that Saul and Jonathan his son are dead?'
ו  וַיֹּאמֶר הַנַּעַר הַמַּגִּיד לוֹ, נִקְרֹא נִקְרֵיתִי בְּהַר הַגִּלְבֹּעַ, וְהִנֵּה שָׁאוּל, נִשְׁעָן עַל-חֲנִיתוֹ; וְהִנֵּה הָרֶכֶב וּבַעֲלֵי הַפָּרָשִׁים, הִדְבִּקֻהוּ. 6 And the young man that told him said: 'As I happened by chance upon mount Gilboa, behold, Saul leaned upon his spear; and, lo, the chariots and the horsemen pressed hard upon him.
ז  וַיִּפֶן אַחֲרָיו, וַיִּרְאֵנִי; וַיִּקְרָא אֵלַי, וָאֹמַר הִנֵּנִי. 7 And when he looked behind him, he saw me, and called unto me. And I answered: Here am I.
ח  וַיֹּאמֶר לִי, מִי-אָתָּה; ויאמר (וָאֹמַר) אֵלָיו, עֲמָלֵקִי אָנֹכִי. 8 And he said unto me: Who art thou? And I answered him: I am an Amalekite.
ט  וַיֹּאמֶר אֵלַי, עֲמָד-נָא עָלַי וּמֹתְתֵנִי--כִּי אֲחָזַנִי, הַשָּׁבָץ:  כִּי-כָל-עוֹד נַפְשִׁי, בִּי. 9 And he said unto me: Stand, I pray thee, beside me, and slay me, for the agony hath taken hold of me; because my life is just yet in me.
י  וָאֶעֱמֹד עָלָיו, וַאֲמֹתְתֵהוּ--כִּי יָדַעְתִּי, כִּי לֹא יִחְיֶה אַחֲרֵי נִפְלוֹ; וָאֶקַּח הַנֵּזֶר אֲשֶׁר עַל-רֹאשׁוֹ, וְאֶצְעָדָה אֲשֶׁר עַל-זְרֹעוֹ, וָאֲבִיאֵם אֶל-אֲדֹנִי, הֵנָּה. 10 So I stood beside him, and slew him, because I was sure that he could not live after that he was fallen; and I took the crown that was upon his head, and the bracelet that was on his arm, and have brought them hither unto my lord.'
יא  וַיַּחֲזֵק דָּוִד בִּבְגָדָו, וַיִּקְרָעֵם; וְגַם כָּל-הָאֲנָשִׁים, אֲשֶׁר אִתּוֹ. 11 Then David took hold on his clothes, and rent them; and likewise all the men that were with him.
יב  וַיִּסְפְּדוּ, וַיִּבְכּוּ, וַיָּצֻמוּ, עַד-הָעָרֶב:  עַל-שָׁאוּל וְעַל-יְהוֹנָתָן בְּנוֹ, וְעַל-עַם יְהוָה וְעַל-בֵּית יִשְׂרָאֵל--כִּי נָפְלוּ, בֶּחָרֶב.  {פ} 12 And they wailed, and wept, and fasted until even, for Saul, and for Jonathan his son, and for the people of the LORD, and for the house of Israel; because they were fallen by the sword. {P}
יג  וַיֹּאמֶר דָּוִד, אֶל-הַנַּעַר הַמַּגִּיד לוֹ, אֵי מִזֶּה, אָתָּה; וַיֹּאמֶר, בֶּן-אִישׁ גֵּר עֲמָלֵקִי אָנֹכִי. 13 And David said unto the young man that told him: 'Whence art thou?' And he answered: 'I am the son of an Amalekite stranger.'
יד  וַיֹּאמֶר אֵלָיו, דָּוִד:  אֵיךְ, לֹא יָרֵאתָ, לִשְׁלֹחַ יָדְךָ, לְשַׁחֵת אֶת-מְשִׁיחַ יְהוָה. 14 And David said unto him: 'How wast thou not afraid to put forth thy hand to destroy the LORD'S anointed?'
טו  וַיִּקְרָא דָוִד, לְאַחַד מֵהַנְּעָרִים, וַיֹּאמֶר, גַּשׁ פְּגַע-בּוֹ; וַיַּכֵּהוּ, וַיָּמֹת. 15 And David called one of the young men, and said: 'Go near, and fall upon him.' And he smote him that he died.
טז  וַיֹּאמֶר אֵלָיו דָּוִד, דמיך (דָּמְךָ) עַל-רֹאשֶׁךָ:  כִּי פִיךָ, עָנָה בְךָ לֵאמֹר, אָנֹכִי מֹתַתִּי, אֶת-מְשִׁיחַ יְהוָה.  {פ} 16 And David said unto him: 'Thy blood be upon thy head; for thy mouth hath testified against thee, saying: I have slain the LORD'S anointed.' {P}
יז  וַיְקֹנֵן דָּוִד, אֶת-הַקִּינָה הַזֹּאת, עַל-שָׁאוּל, וְעַל-יְהוֹנָתָן בְּנוֹ. 17 And David lamented with this lamentation over Saul and over Jonathan his son,
יח  וַיֹּאמֶר, לְלַמֵּד בְּנֵי-יְהוּדָה קָשֶׁת, הִנֵּה כְתוּבָה, עַל-סֵפֶר הַיָּשָׁר. 18 and said--To teach the sons of Judah the bow. Behold, it is written in the book of Jashar:
יט  הַצְּבִי, יִשְׂרָאֵל, עַל-בָּמוֹתֶיךָ, חָלָל:  אֵיךְ, נָפְלוּ גִבּוֹרִים. 19 Thy beauty, O Israel, upon thy high places is slain! How are the mighty fallen!
כ  אַל-תַּגִּידוּ בְגַת, אַל-תְּבַשְּׂרוּ בְּחוּצֹת אַשְׁקְלוֹן:  פֶּן-תִּשְׂמַחְנָה בְּנוֹת פְּלִשְׁתִּים, פֶּן-תַּעֲלֹזְנָה בְּנוֹת הָעֲרֵלִים. 20 Tell it not in Gath, publish it not in the streets of Ashkelon; lest the daughters of the Philistines rejoice, lest the daughters of the uncircumcised triumph.
כא  הָרֵי בַגִּלְבֹּעַ, אַל-טַל וְאַל-מָטָר עֲלֵיכֶם--וּשְׂדֵי תְרוּמֹת:  כִּי שָׁם נִגְעַל, מָגֵן גִּבּוֹרִים--מָגֵן שָׁאוּל, בְּלִי מָשִׁיחַ בַּשָּׁמֶן. 21 Ye mountains of Gilboa, let there be no dew nor rain upon you, neither fields of choice fruits; for there the shield of the mighty was vilely cast away, the shield of Saul, not anointed with oil.
כב  מִדַּם חֲלָלִים, מֵחֵלֶב גִּבּוֹרִים--קֶשֶׁת יְהוֹנָתָן, לֹא נָשׂוֹג אָחוֹר; וְחֶרֶב שָׁאוּל, לֹא תָשׁוּב רֵיקָם. 22 From the blood of the slain, from the fat of the mighty, the bow of Jonathan turned not back, and the sword of Saul returned not empty.
כג  שָׁאוּל וִיהוֹנָתָן, הַנֶּאֱהָבִים וְהַנְּעִימִם בְּחַיֵּיהֶם, וּבְמוֹתָם, לֹא נִפְרָדוּ; מִנְּשָׁרִים קַלּוּ, מֵאֲרָיוֹת גָּבֵרוּ. 23 Saul and Jonathan, the lovely and the pleasant in their lives, even in their death they were not divided; they were swifter than eagles, they were stronger than lions.
כד  בְּנוֹת, יִשְׂרָאֵל--אֶל-שָׁאוּל, בְּכֶינָה; הַמַּלְבִּשְׁכֶם שָׁנִי, עִם-עֲדָנִים, הַמַּעֲלֶה עֲדִי זָהָב, עַל לְבוּשְׁכֶן. 24 Ye daughters of Israel, weep over Saul, who clothed you in scarlet, with other delights, who put ornaments of gold upon your apparel.
כה  אֵיךְ נָפְלוּ גִבֹּרִים, בְּתוֹךְ הַמִּלְחָמָה--יְהוֹנָתָן, עַל-בָּמוֹתֶיךָ חָלָל. 25 How are the mighty fallen in the midst of the battle! Jonathan upon thy high places is slain!
כו  צַר-לִי עָלֶיךָ, אָחִי יְהוֹנָתָן--נָעַמְתָּ לִּי, מְאֹד; נִפְלְאַתָה אַהֲבָתְךָ לִי, מֵאַהֲבַת נָשִׁים. 26 I am distressed for thee, my brother Jonathan; very pleasant hast thou been unto me; wonderful was thy love to me, passing the love of women.
כז  אֵיךְ נָפְלוּ גִבּוֹרִים, וַיֹּאבְדוּ כְּלֵי מִלְחָמָה.  {פ} 27 How are the mighty fallen, and the weapons of war perished! {P}

SEPTUAGINTA (LXX)

ΚΑΙ ἐγένετο μετὰ τὸ ἀποθανεῖν Σαοὺλ καὶ Δαυὶδ ἀνέστρεψε τύπτων τὸν ᾿Αμαλήκ, καὶ ἐκάθισε Δαυὶδ ἐν Σεκελὰκ ἡμέρας δύο. 2 καὶ ἐγενήθη τῇ ἡμέρᾳ τῇ τρίτῃ καὶ ἰδοὺ ἀνὴρ ἦλθεν ἐκ τῆς παρεμβολῆς ἐκ τοῦ λαοῦ Σαούλ, καὶ τὰ ἱμάτια αὐτοῦ διερρωγότα, καὶ γῆ ἐπὶ τῆς κεφαλῆς αὐτοῦ, καὶ ἐγένετο ἐν τῷ εἰσελθεῖν αὐτὸν πρὸς Δαυὶδ καὶ ἔπεσεν ἐπὶ τὴν γῆν καὶ προσεκύνησεν αὐτῷ. 3 καὶ εἶπεν αὐτῷ Δαυίδ· πόθεν σὺ παραγίνῃ; καὶ εἶπε πρὸς αὐτόν· ἐκ τῆς παρεμβολῆς ᾿Ισραὴλ ἐγὼ διασέσωσμαι. 4 καὶ εἶπεν αὐτῷ Δαυίδ· τίς ὁ λόγος οὗτος; ἀπάγγειλόν μοι. καὶ εἶπεν ὅτι ἔφυγεν ὁ λαὸς ἐκ τοῦ πολέμου καὶ πεπτώκασι πολλοὶ ἐκ τοῦ λαοῦ καὶ ἀπέθανον· καὶ Σαοὺλ καὶ ᾿Ιωνάθαν ὁ υἱὸς αὐτοῦ ἀπέθανε. 5 καὶ εἶπε Δαυὶδ τῷ παιδαρίῳ τῷ ἀπαγγέλλοντι αὐτῷ· πῶς οἶδας ὅτι τέθνηκε Σαοὺλ καὶ ᾿Ιωνάθαν ὁ υἱὸς αὐτοῦ; 6 καὶ εἶπε τὸ παιδάριον τὸ ἀπαγγέλλον αὐτῷ· περιπτώματι περιέπεσον ἐν τῷ ὄρει τῷ Γελβουέ, καὶ ἰδοὺ Σαοὺλ ἐπεστήρικτο ἐπὶ τὸ δόρυ αὐτοῦ, καὶ ἰδοὺ τὰ ἅρματα καὶ οἱ ἱππάρχαι συνῆψαν αὐτῷ. 7 καὶ ἐπέβλεψεν ἐπὶ τὰ ὀπίσω αὐτοῦ καὶ εἶδέ με καὶ ἐκάλεσέ με, καὶ εἶπα· ἰδοὺ ἐγώ. 8 καὶ εἶπέ μοι· τίς εἶ σύ; καὶ εἶπα· ᾿Αμαληκίτης ἐγώ εἰμι. 9 καὶ εἶπε πρός με· στῆθι δὴ ἐπάνω μου καὶ θανάτωσόν με, ὅτι κατέσχε με σκότος δεινόν, ὅτι πᾶσα ἡ ψυχή μου ἐν ἐμοί. 10 καὶ ἐπέστην ἐπ᾿ αὐτὸν καὶ ἐθανάτωσα αὐτόν, ὅτι ᾔδειν ὅτι οὐ ζήσεται μετὰ τὸ πεσεῖν αὐτόν· καὶ ἔλαβον τὸ βασίλειον τὸ ἐπὶ τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ καὶ τὸν χλιδῶνα τὸν ἐπὶ τοῦ βραχίονος αὐτοῦ καὶ ἐνήνοχα αὐτὰ τῷ κυρίῳ μου ὧδε. 11 καὶ ἐκράτησε Δαυὶδ τῶν ἱματίων αὐτοῦ καὶ διέρρηξεν αὐτά, καὶ πάντες οἱ ἄνδρες οἱ μετ᾿ αὐτοῦ διέρρηξαν τὰ ἱμάτια αὐτῶν. 12 καὶ ἐκόψαντο καὶ ἔκλαυσαν καὶ ἐνήστευσαν ἕως δείλης ἐπὶ Σαοὺλ καὶ ἐπὶ ᾿Ιωνάθαν τὸν υἱὸν αὐτοῦ καὶ ἐπὶ τὸν λαὸν ᾿Ιούδα καὶ ἐπὶ τὸν οἶκον ᾿Ισραήλ, ὅτι ἐπλήγησαν ἐν ρομφαίᾳ. 13 καὶ εἶπε Δαυὶδ τῷ παιδαρίῳ τῷ ἀπαγγέλλοντι αὐτῷ· πόθεν εἶ σύ; καὶ εἶπεν· υἱὸς ἀνδρὸς παροίκου ᾿Αμαληκίτου ἐγώ εἰμι. 14 καὶ εἶπεν αὐτῷ Δαυίδ· πῶς οὐκ ἐφοβήθης ἐπενεγκεῖν χεῖρά σου διαφθεῖραι τὸν χριστὸν Κυρίου; 15 καὶ ἐκάλεσε Δαυὶδ ἓν τῶν παιδαρίων αὐτοῦ καὶ εἶπε· προσελθὼν ἀπάντησον αὐτῷ· καὶ ἐπάταξεν αὐτόν, καὶ ἀπέθανε. 16 καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Δαυίδ· τὸ αἷμά σου ἐπὶ τὴν κεφαλήν σου, ὅτι στὸ στόμα σου ἀπεκρίθη κατὰ σοῦ λέγων ὅτι, ἐγὼ ἐθανάτωσα τὸν χριστὸν Κυρίου. 17 Καὶ ἐθρήνησε Δαυὶδ τὸν θρῆνον τοῦτον ἐπὶ Σαοὺλ καὶ ἐπὶ ᾿Ιωνάθαν τὸν υἱὸν αὐτοῦ. 18 καὶ εἶπε τοῦ διδάξαι τοὺς υἱοὺς ᾿Ιούδα· ἰδοὺ γέγραπται ἐπὶ βιβλίου τοῦ εὐθοῦς. 19 Στήλωσον, ᾿Ισραήλ, ὑπὲρ τῶν τεθνηκότων ἐπὶ τὰ ὕψη σου τραυματιῶν· πῶς ἔπεσαν δυνατοί; 20 μὴ ἀναγγείλητε ἐν Γὲθ καὶ μὴ εὐαγγελίσησθε ἐν ταῖς ἐξόδοις ᾿Ασκάλωνος, μή ποτε εὐφρανθῶσι θυγατέρες ἀλλοφύλων, μή ποτε ἀγαλλιάσωνται θυγατέρες τῶν ἀπεριτμήτων. 21 ὄρη τὰ ἐν Γελβουὲ μὴ καταβάτω δρόσος καὶ μὴ ὑετὸς ἐφ᾿ ὑμᾶς καὶ ἀγροὶ ἀπαρχῶν, ὅτι ἐκεῖ προσωχθίσθη θυρεὸς δυνατῶν, θυρεὸς Σαοὺλ οὐκ ἐχρίσθη ἐν ἐλαίῳ. 22 ἀφ᾿ αἵματος τραυματιῶν καὶ ἀπὸ στέατος δυνατῶν τόξον ᾿Ιωνάθαν οὐκ ἀπεστράφη κενὸν εἰς τὰ ὀπίσω, καὶ ρομφαία Σαοὺλ οὐκ ἀνέκαμψε κενή. 23 Σαοὺλ καὶ ᾿Ιωνάθαν, οἱ ἠγαπημένοι καὶ ὡραῖοι, οὐ διακεχωρισμένοι, εὐπρεπεῖς ἐν τῇ ζωῇ αὐτῶν καὶ ἐν τῷ θανάτῳ αὐτῶν οὐ διεχωρίσθησαν· ὑπὲρ ἀετοὺς κοῦφοι καὶ ὑπὲρ λέοντας ἐκραταιώθησαν. 24 θυγατέρες ᾿Ισραήλ, ἐπὶ Σαοὺλ κλαύσατε, τὸν ἐνδιδύσκοντα ὑμᾶς κόκκινα μετὰ κόσμου ὑμῶν, τὸν ἀναφέροντα κόσμον χρυσοῦν ἐπὶ τὰ ἐνδύματα ὑμῶν. 25 πῶς ἔπεσαν δυνατοὶ ἐν μέσῳ τοῦ πολέμου· ᾿Ιωνάθαν ἐπὶ τὰ ὕψη σου τραυματίας. 26 ἀλγῶ ἐπὶ σοί, ἀδελφέ μου ᾿Ιωνάθαν· ὡραιώθης μοι σφόδρα, ἐθαυμαστώθη ἡ ἀγάπησίς σου ἐμοὶ ὑπὲρ ἀγάπησιν γυναικῶν. 27 πῶς ἔπεσαν δυνατοὶ καὶ ἀπώλοντο σκεύη πολεμικά;