- WEBSITEWEGWIJZER - EXODUS 12 - Ex 12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51
-

BIJBEL: Taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.

Overzicht van Exodus : - Ex 2 - Ex 3 - Ex 4 - Ex 5 - Ex 6 - Ex 7 - Ex 8 - Ex 9 - Ex 10 - Ex 11 - Ex 12 - Ex 13 - Ex 14 - Ex 15 - Ex 16 - Ex 17 - Ex 18 - Ex 19 - Ex 20 - Ex 21 - Ex 22 - Ex 23 - Ex 24 - Ex 25 - Ex 26 - Ex 27 - Ex 28 - Ex 29 - Ex 30 - Ex 31 - Ex 32 - Ex 33 - Ex 34 - Ex 35 - Ex 36 - Ex 37 - Ex 38 - Ex 39 - Ex 40 -
Tekstuitleg vers per vers : Ex 12,1 - Ex 12,2 - Ex 12,3 - Ex 12,4 - Ex 12,5 - Ex 12,6 - Ex 12,7 - Ex 12,8 - Ex 12,9 - Ex 12,10 - Ex 12,11 - Ex 12,12 - Ex 12,13 - Ex 12,14 - Ex 12,15 - Ex 12,16 - Ex 12,17 - Ex 12,18 - Ex 12,19 - Ex 12,20 - Ex 12,21 - Ex 12,22 - Ex 12,23 - Ex 12,24 - Ex 12,25 - Ex 12,26 - Ex 12,27 - Ex 12,28 - Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -



- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0212.htm . . http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Targum Onkelos : http://www.mechon-mamre.org/i/t/u/u0212.htm . Targum Onkelos . Vertaling : http://targum.info/onk/ExOnk10_13.htm . Vertaling Pseudo-Jonathan : http://targum.info/pj/pjex10-13.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=2&page=12 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P1Q.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/exod/12.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=1826,1876 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=1826,1876 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=220736 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/2%20Mose%2012/bibel/text/lesen/ch/742b2c795f1b7116d718b9cc80ab54ee/ . Luther Bibel .
- Arabisch :http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


Ex 12,1 - Ex 12,1 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1eipen de kurios pros môusèn kai aarôn en gè aiguptou legôn       [1] De heer sprak tot Mozes en Aäron in Egypte:   12:1 Dan zegt de Ene tot Mozes en tot Aäron,- in het land van Egypte zegt hij: 1. Yahvé dit à Moïse et à Aaron au pays d'Égypte :

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,1 .

Ex 12,1.1. prefix verbindingswoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) .. Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 21 of 200 ; totaal : 27 (3³) OF 206 = (2 X 103) . In 192 (26 X 7) verzen in Tenakh . In 140 (20 X 7) verzen in de Pentateuch . Gn (16) : (1) Gn 8,15 . (2) Gn 17,3 . (3) Gn 19,14 . (4) Gn 20,8 . (5) Gn 23,3 . (6) Gn 23,8 . (7) Gn 23,13 . (8) Gn 34,3 . (9) Gn 34,8 . (10) Gn 41,9 . (11) Gn 41,17 . (12) Gn 42,7 . (13) Gn 42,24 . (14) Gn 44,6 . (15) Gn 50,4 . (16) Gn 50,21 . Ex 20 (1) : Ex 20,1 . Lv (40) : (1) Lv 1,1 . (2) Lv 4,1 . (3) Lv 5,14 . (4) Lv 5,20 . (5) Lv 6,1 . (6) Lv 6,12 . (7) Lv 6,17 . (8) Lv 7,22 . (9) Lv 7,28 . (10) Lv 8,1 . (11) Lv 10,8 . (12) Lv 10,12 . (13) Lv 10,19 . (14) Lv 11,1 . (15) Lv 12,1 . (16) Lv 13,1 . (17) Lv 14,1 . (18) Lv 14,33 . (19) Lv 15,1 . (20) Lv 16,1 . (21) Lv 17,1 . (22) Lv 18,1 . (23) Lv 19,1 . (24) Lv 20,1 . (25) Lv 21,16 . (26) Lv 21,24 . (27) Lv 22,1 . (28) Lv 22,17 . (29) Lv 22,26 . (30) Lv 23,1 . (31) Lv 23,9 . (32) Lv 23,23 . (33) Lv 23,26 . (34) Lv 23,33 . (35) Lv 23,44 . (36) Lv 24,1 . (37) Lv 24,13 . (38) Lv 24,23 . (39) Lv 25,1 . (40) Lv 27,1 . Nu (59 = 3 X 19) . Dt (7) . In Ex 20,1 is het vervoegd werkw. vergezeld van het lijdend voorwerp met dezelfde stam als het werkw. . Bovendien is in Ex 20,1 nog een werkw. van 'zeggen' toegevoegd .
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Gn (315) . Ex (150) . Lv (10) . Nu (95) . Dt (24) . Samen : 40 + 2 = 42 (6 X 7) . Ex (150) . Ex 12 (4) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,21 . (3) Ex 12,31 . (4) Ex 12,43 .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) .

  laleô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  31  13  19   

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de LXX : legô (zeggen) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπεν = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

- Ned. : spreken . Arabisch : تَكَلَمَ = takallama (spreken) . Taalgebruik in de Qoran : takallama (spreken) . D. : sprechen . E. : to speek . Fr. : parler . Grieks : λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Hebreeuws : דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lat. : loqui .

Ex 12,1.2. יהוה = JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Taalgebruik in Genesis : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenach (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Ex (299) . Ex 12 (10) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,23 . (4) Ex 12,25 . (5) Ex 12,28 . (6) Ex 12,31 . (7) Ex 12,41 . (8) Ex 12,43 . (9) Ex 12,50 . (10) Ex 12,51 .
- De uitspraak van JHWH is Adonai . Omwille van de gutturaal aleph staat onder de aleph van Adonaj een patach sewa . In JHWH is het een gewone sewa . De andere klinkers van Adonaj staan verder onder het woord JHWH (JëHoWaH) .
- Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in de LXX : kurios (heer) . Een vorm van kurios (heer) in de Septuaginta (8591) , in het NT (718) .
- Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Latijn : Dominus .
- Sabbah Messod & Roger , Les secrets de l'Exode , Jean-Cyrille Godefroy , 2000 , p.93-96 . Op deze blz. wordt een verband tussen anokhi Adonai (ik de Heer) en farao Achnaton gelegd . De uitspraak van JHWH is Adonai , waarin we het Egyptische Aton Ai horen .

Ex 12,1.1. - 2. וַיּאֹמֶר יהוה = wajjo´mèr JHWH (en JHWH zei) . Tenakh (204) . Gn (18) . Ex (46) . Ex 12 (1) : Ex 12,1 .

3. ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam אֵל = El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is´èl OF ontkenning ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) . Genesis (296) . Ex (256) . Ex 3 (11) : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 3,5 . (3) Ex 3,6 . (4) Ex 3,8 . (5) Ex 3,10 . (6) Ex 3,11 . (7) Ex 3,13 . (8) Ex 3,14 . (9) Ex 3,15 . (10) Ex 3,17 . (11) Ex 3,18 . Ex 24 (7) : (1) Ex 24,1 . (2) Ex 24,2 . (3) Ex 24,12 . (4) Ex 24,13 . (5) Ex 24,15 . (6) Ex 24,16 . (7) Ex 24,18 . Ex 40 (6) : (1) Ex 40,1 . (2) Ex 40,12 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,32 . (6) Ex 40,35 . Dt (128) . Dt 17 () : (1) Dt 17,5 . (2) Dt 17,8 . (3) Dt 17,9 . (4) Dt 17,12 . (5) Dt 17,14 . Re (142) . Re 1 (5) : (1) Re 1,1 . (2) Re 1,10 . (3) Re 1,11 . (4) Re 1,22 . (5) Re 1,23 . Joz (144) . Joz 1 (6) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 1,2 . (3) Joz 1,3 . (4) Joz 1,7 . (5) Joz 1,9 . (6) Joz 1,17 . Als voorzetsel : in vier verzen in Gn 12 : (1) Gn 12,1 : ´èl ´abhërâm (tot Abram) . (2) Gn 12,7 : ´èl ´abhërâm (tot Abram) . (3) Gn 12,11 : ´èl Shâraj (tot Sarai) . (4) Gn 12,15 : ´èl Parë`oh (tot Farao) . De godsnaam El in be(j)th ´el (Betel) : Gn 12,8 . Jl (9) : (1) Jl 1,1 . (2) Jl 1,14 . (3) Jl 2,13 . (4) Jl 2,20 . (5) Jl 2,21 . (6) Jl 2,22 . (7) Jl 4,2 . (8) Jl 4,8 . (9) Jl 4,12 .
- Zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker : qil-vorm . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga(6) 13m) , ´il bin werd ´el .
- w´l : verbindingswoord wë + ´l : (1) voorzetsel ´èl (naar, tot) וְאֶל = wë´èl . (2) godsnaam {´el : God) (we´el) 3. negatie ´al (wë´al) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (417) . Pentateuch (103) . Ex (14) : (1) Ex 5,9 . (2) Ex 6,3 . (3) Ex 6,13 . (4) Ex 7,8 . (5) Ex 9,8 . (6) Ex 12,1 . (7) Ex 12,22 . (8) Ex 20,19 . (9) Ex 24,1 . (10) Ex 24,11 . (11) Ex 24,14 . (12) Ex 25,21 . (13) Ex 30,31 . (14) Ex 36,2 . wë´èl (en tot) komt in Ex 24 bij het begin van een vers driemaal voor : (1) Ex 24,1 (Mozes) . (2) Ex 24,11 (voorname Israëlieten) . (3) Ex 24,14 (de oudsten) .

Ex 12,1.3. - 4. אֶל מֹשֶׁה = ´èl mosjèh (tot Mozes) . Tenakh (203) .

Ex 12,1.1. - 4. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (19) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 . Dt (1) .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .

Ex 12,1.8. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (

Ex 12,1.9. לֵאמֹר = le´mor (om te zeggen) < prefix voorzetsel lë + act. qal inf. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (897) . Pentateuch (298) . Eerdere Profeten (281) . Latere Profeten (197) . 12 Kleine Profeten (43) . Geschriften (78) . Ex (49) . Ex 12 (2) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,3 .

Ex 12,2 - Ex 12,2 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2o mèn outos umin archè mènôn prôtos estin umin en tois mèsin tou eniautou       [2] 'Deze maand moet u beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar.   Exodus 12:2 deze nieuwemaan is voor u hoofd van de nieuwemanen, hoofd-en-begin is hij voor u van de maanden van het jaar; 2. « Ce mois sera pour vous en tête des autres mois, il sera pour vous le premier mois de l'année.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,2 .

Ex 12,3 - Ex 12,3 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3lalèson pros pasan sunagôgèn uiôn israèl legôn tè dekatè tou mènos toutou labetôsan ekastos probaton kat' oikous patriôn ekastos probaton kat' oikian       [3] Maak aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet iedere familie een lam uitkiezen, ieder huis een lam.   12:3 richt het woord tot heel Israëls samenkomst en zeg: op de tiende na deze nieuwemaan zullen ze zich nemen ieder een lam voor een vaderhuis, een lam per huis; 3. Parlez à toute la communauté d'Israël et dites-lui : Le dix de ce mois, que chacun prenne une tête de petit bétail par famille, une tête de petit bétail par maison.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,3 .

6. לֵאמֹר = le´mor (om te zeggen) < prefix voorzetsel lë + act. qal inf. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (897) . Pentateuch (298) . Eerdere Profeten (281) . Latere Profeten (197) . 12 Kleine Profeten (43) . Geschriften (78) . Ex (49) . Ex 12 (2) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,3 .

Ex 12,4 - Ex 12,4 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4ean de oligostoi ôsin oi en tè oikia ôste mè ikanous einai eis probaton sullèmpsetai meth' eautou ton geitona ton plèsion autou kata arithmon psuchôn ekastos to arkoun autô sunarithmèsetai eis probaton       [4] Als een familie te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samendoen met hun naaste buren. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust.   12:4 en als het uit te weinig bestaat, het huis, dat er een lam zou kunnen zijn, neemt híj er een samen met wie het naast bij zijn huis woont, naar het aantal zielen; naar wat ieders mond eet zult ge optellen voor het lam; 4. Si la maison est trop peu nombreuse pour une tête de petit bétail, on s'associera avec son voisin le plus proche de la maison, selon le nombre des personnes. Vous choisirez la tête de petit bétail selon ce que chacun peut manger.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,4 .

Ex 12,5 - Ex 12,5 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5probaton teleion arsen eniausion estai umin apo tôn arnôn kai tôn erifôn lèmpsesthe       [5] Het lam moet gaaf* zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. U kunt er een schaap of een geit voor nemen.   12:5 volgaaf, mannelijk, een jáár oud zal een lam voor u wezen; uit de schapen of uit de geiten zult ge het nemen; 5. La tête de petit bétail sera un mâle sans tare, âgé d'un an. Vous la choisirez parmi les moutons ou les chèvres.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,5 .

Ex 12,6 - Ex 12,6 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6kai estai umin diatetèrèmenon eôs tès tessareskaidekatès tou mènos toutou kai sfaxousin auto pan to plèthos sunagôgès uiôn israèl pros esperan       [6] U moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering*.   12:6 het zal bij u in bewaring zijn tot de veertiende dag na deze nieuwemaan; dan zullen ze het slachten, heel de vergadering van Israëls samenkomst, 'tussen de avonden'*; 6. Vous la garderez jusqu'au quatorzième jour de ce mois, et toute l'assemblée de la communauté d'Israël l'égorgera au crépuscule.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,6 .

Ex 12,7 - Ex 12,7 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai lèmpsontai apo tou aimatos kai thèsousin epi tôn duo stathmôn kai epi tèn flian en tois oikois en ois ean fagôsin auta en autois       [7] Vervolgens moet u wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt.   12:7 nemen zullen ze van het bloed en dat prijsgeven op de twee deurposten en op de bovendorpel,- op de huizen waarin ze het eten; 7. On prendra de son sang et on en mettra sur les deux montants et le linteau des maisons où on le mangera.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,7 .

3. הַדָּם = haddâm (het bloed) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Getalswaarde : daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 17 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 4 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (58) . Ex (10) : (1) Ex 7,21 . (2) Ex 12,7 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,22 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 24,6 . (7) Ex 24,8 . (8) Ex 29,12 . (9) Ex 29,20 . (10) Ex 29,21 .
Grieks . gen. onz. enk. van het zelfst. naamw.  αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Taalgebruik in de LXX : haima (bloed) . Een vorm van  αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401) , in het NT (97) , in Mt (10) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,30 . (3) Mt 23,35 . (4) Mt 26,28 . (5) Mt 27,4 . (6) Mt 27,6 . (7) Mt 27,8 . (8) Mt 27,24 . (9) Mt 27,25 . (10) Mt 27,49 , in Mc (3) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,29 . (3) Mc 14,24 . in Lc (7) : (1) Lc 8,43 . (2) Lc 8,44 . (3) Lc 11,50 . (4) Lc 11,51 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,44 .
- Ned. : bloed . Arabisch : دَم = dam (bloed) . Taalgebruik in de Qoran : dam (bloed) . D. : Blut . E. : blood . Fr. : sang . Gr. : αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Hebreeuws : דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Lat. : sanguis .

Ex 12,8 - Ex 12,8 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8kai fagontai ta krea tè nukti tautè opta puri kai azuma epi pikridôn edontai       [8] In* dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden.   12:8 eten zullen ze het vlees in deze nacht: geroosterd op vuur, met matses,- ongegiste broden; met bitterheden zullen ze het eten; 8. Cette nuit-là, on mangera la chair rôtie au feu ; on la mangera avec des azymes et des herbes amères.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,8 .

8; 12 אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (144) . Pentateuch (30) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (53) . 12 Kleine Profeten (18) . Geschriften (30) . Gn (1) : Gn 15,17 . Ex (8) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 9,23 . (3) Ex 12,8 . (4) Ex 12,9 . (5) Ex 13,21 . (6) Ex 14,24 . (7) Ex 22,5 . (8) Ex 35,3 .
- בָּאֵשׁ / בְּאֵשׁ = bë´esj / bâ´esj (in - het - vuur) < bë + (bepaald. lidw. ha) + אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (35) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (16) . Niet in Gn . Ex (7) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 12,10 . (3) Ex 19,18 . (4) Ex 29,14 . (5) Ex 29,34 . (6) Ex 32,20 . (7) Ex 32,24 .

Ex 12,9 - Ex 12,9 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9ouk edesthe ap' autôn ômon oude èpsèmenon en udati all' è opta puri kefalèn sun tois posin kai tois endosthiois       [9] U mag het niet rauw eten of gekookt in water, maar alleen gebraden op het vuur, met kop, poten en ingewanden.   12:9 eet er niet van als het nog rauw is of gekookt is, gekookt in water; nee, alleen geroosterd op vuur; met kop, poten en binnenste; 9. N'en mangez rien cru ni bouilli dans l'eau, mais rôti au feu, avec la tête, les pattes et les tripes.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,9 .

11. אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (144) . Pentateuch (30) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (53) . 12 Kleine Profeten (18) . Geschriften (30) . Gn (1) : Gn 15,17 . Ex (8) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 9,23 . (3) Ex 12,8 . (4) Ex 12,9 . (5) Ex 13,21 . (6) Ex 14,24 . (7) Ex 22,5 . (8) Ex 35,3 .
- בָּאֵשׁ / בְּאֵשׁ = bë´esj / bâ´esj (in - het - vuur) < bë + (bepaald. lidw. ha) + אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (35) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (16) . Niet in Gn . Ex (7) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 12,10 . (3) Ex 19,18 . (4) Ex 29,14 . (5) Ex 29,34 . (6) Ex 32,20 . (7) Ex 32,24 .

Ex 12,10 - Ex 12,10 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10ouk apoleipsete ap' autou eôs prôi kai ostoun ou suntripsete ap' autou ta de kataleipomena ap' autou eôs prôi en puri katakausete       [10] Zorg dat er niets van over is als de zon opgaat. Wat* bij zonsopgang nog over zou zijn moet u verbranden.   12:10 ge zult daarvan niet overlaten tot de ochtend; wat ervan overblijft tot de ochtend zult ge in het vuur verbranden; 10. Vous n'en réserverez rien jusqu'au lendemain. Ce qui en resterait le lendemain, vous le brûlerez au feu.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,10 .

10. אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (144) . Pentateuch (30) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (53) . 12 Kleine Profeten (18) . Geschriften (30) . Gn (1) : Gn 15,17 . Ex (8) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 9,23 . (3) Ex 12,8 . (4) Ex 12,9 . (5) Ex 13,21 . (6) Ex 14,24 . (7) Ex 22,5 . (8) Ex 35,3 .
- בָּאֵשׁ / בְּאֵשׁ = bë´esj / bâ´esj (in - het - vuur) < bë + (bepaald. lidw. ha) + אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (35) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (16) . Niet in Gn . Ex (7) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 12,10 . (3) Ex 19,18 . (4) Ex 29,14 . (5) Ex 29,34 . (6) Ex 32,20 . (7) Ex 32,24 .

Ex 12,11 - Ex 12,11 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11outôs de fagesthe auto ai osfues umôn periezôsmenai kai ta upodèmata en tois posin umôn kai ai baktèriai en tais chersin umôn kai edesthe auto meta spoudès pascha estin kuriô       [11] En dit is de wijze waarop u het lam moet eten: uw lendenen omgord, sandalen aan uw voeten, en uw staf in de hand. Haastig moet u het eten, want het is Pasen voor de heer.   12:11 en zó zult ge het eten: uw lendenen omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw stok in uw hand; overhaast zult ge het eten: een Pasen,- passéren, is dit voor de Ene; 11. C'est ainsi que vous la mangerez : vos reins ceints, vos sandales aux pieds et votre bâton en main. Vous la mangerez en toute hâte, c'est une pâque pour Yahvé.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,11 .

10. וַאֲכַלְתֶּם = wë´äkhalëthèm (en jullie zullen eten) < prefix verbindingswoord wë + werkw. act. ind. perf. 2de pers. mann. mv. van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) . De getalwaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is : aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17) . Structuur : 1 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (20) : (1) Ex 12,11 . (2) Lv 10,13 . (3) Lv 25,19 . (4) Lv 25,22 . (5) Lv 26,5 . (6) Lv 26,10 . (7) Lv 26,26 . (8) Lv 26,29 . (9) Nu 11,18 . (10) Nu 18,31 . (11) Dt 2,6 . (12) Dt 12,7 . (13) 1 S 9,19 . (14) 1 S 14,34 . (15) Jr 5,14 . (16) Ez 39,17 . (17) Ez 39,19 . (18) Hos 2,14 . (19) Jl 2,26 . (20) Ezr 9,12 .
- med. futurum 2de pers. mv. φαγεσθε = fagesthe (jullie zullen eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in de LXX : esthiô (eten) .
- Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten) .. Zie het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) . Gr. esthiô , fut. edomai , aor. efagon , perf. edèdôs . Bijbel (62) . Lv () : (1) Lv 8,31 . (2) Lv 10,12 . (3) Lv 10,13 . (4) Lv 10,14 . (5) Lv 10,18 . (6) Lv 11,2 . (7) Lv 11,3 . (8) Lv 11,4 . (9) Lv 11,8 . (10) Lv 11,9 . (11) Lv 11,21 . (12) Lv 11,22 . (13) Lv 11,42 . (14) Lv 17,14 . (15) Lv 19,25 . (16) Lv 23,14 . (17) Lv 25,12 . (18) Lv 25,19 . (19) Lv 25,22 . (20) Lv 26,5 . (21) Lv 26,10 . (22) Lv 26,26 . (23) Lv 26,29 .
- Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . (vgl Gr. e -s-th-) . Oind. odmi 'ik eet' .E. to eat . D. essen . Arabisch : ´akala (eten) . Taalgebruik in de Koran : ´akala (eten) .

13. פֶּסַח = pèsach (Pasen) . Zie : Taalgebruik in Tenakh : pâsach `al (voorbijgaan) . Getalswaarde : pe = 17 of 80 , samekh = 15 of 60 , chet = 8 ; totaal : 40 OF 148 (4 X 37) . Structuur : 8 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 4 . p-s-ch . Tenakh (25) . Pentateuch (11) : (1) Ex 12,11 . (2) Ex 12,27 . (3) Ex 12,48 . (4) Lv 21,18 . (5) Lv 23,5 . (6) Nu 9,10 . (7) Nu 9,14 . (8) Nu 28,16 . (9) Dt 15,21 . (10) Dt 16,1 . (11) Dt 16,2 .

Ex 12,12 - Ex 12,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12kai dieleusomai en gè aiguptô en tè nukti tautè kai pataxô pan prôtotokon en gè aiguptô apo anthrôpou eôs ktènous kai en pasi tois theois tôn aiguptiôn poièsô tèn ekdikèsin egô kurios       [12] Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, slaan. Aan alle goden van Egypte zal ik het vonnis voltrekken. Ik ben de heer.   12:12 oversteken zal ik in het land van Egypte, in deze nacht, en alle eersteling op het land van Egypte slaan, van mens tot dier; en aan alle goden van Egypte voltrek ik gerichten, ik, de Ene!- 12. Cette nuit-là je parcourrai l'Égypte et je frapperai tous les premiers-nés dans le pays d'Égypte, tant hommes que bêtes, et de tous les dieux d'Égypte, je ferai justice, moi Yahvé.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,12 .

Ex 12,12.3. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Ned. : Egypte . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Qoran : misr (Egypte) . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . D. : Ägypten . E. : Egypt . Fr. : Égypte . Grieks : αιγυπτος . Hebreeuws : מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Latijn . Aegyptus .

Ex 12,13 - Ex 12,13 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13kai estai to aima umin en sèmeiô epi tôn oikiôn en ais umeis este ekei kai opsomai to aima kai skepasô umas kai ouk estai en umin plègè tou ektribènai otan paiô en gè aiguptô       [13] Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat u daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik aan u voorbijgaan. De vernietigende plaag zal u niet treffen als Ik Egypte sla.   12:13 wezen zal het bloed voor u tot een teken op de huizen waarin ge woont; zie ik het bloed dan 'passeer' ik u; er zal bij u geen plaag ten verderve wezen als ik mijn slag toebreng in het land van Egypte!- 13. Le sang sera pour vous un signe sur les maisons où vous vous tenez. En voyant ce signe, je passerai outre et vous échapperez au fléau destructeur lorsque je frapperai le pays d'Égypte.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,13 .

Ex 12,13.2. הַדָּם = haddâm (het bloed) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Getalswaarde : daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 17 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 4 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (58) . Ex (10) : (1) Ex 7,21 . (2) Ex 12,7 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,22 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 24,6 . (7) Ex 24,8 . (8) Ex 29,12 . (9) Ex 29,20 . (10) Ex 29,21 .
Grieks . nom. + acc. onz. enk.  αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Taalgebruik in de LXX : haima (bloed) . Mt (5) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,35 . (3) Mt 26,28 . (4) Mt 27,4 . (5) Mt 27,25 . Mc (1) : Mc 14,24 . Lc (2) : (1) Lc 11,50 . (2) Lc 13,1 . Joh (5) : (1) Joh 6,53 . (2) Joh 6,54 . (3) Joh 6,55 . (4) Joh 6,56 . (5) Joh 19,34 . Hnd (6) : (1) Hnd 2,19 . (2) Hnd 2,20 . (3) Hnd 5,28 . (4) Hnd 18,6 . (5) Hnd 21,25 . (6) Hnd 22,20 . Een vorm van  αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401) , in het NT (97) , in Mt (10) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,30 . (3) Mt 23,35 . (4) Mt 26,28 . (5) Mt 27,4 . (6) Mt 27,6 . (7) Mt 27,8 . (8) Mt 27,24 . (9) Mt 27,25 . (10) Mt 27,49 , in Mc (3) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,29 . (3) Mc 14,24 . in Lc (7) : (1) Lc 8,43 . (2) Lc 8,44 . (3) Lc 11,50 . (4) Lc 11,51 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,44 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  haima 225  183  42  12  11  13  10 

- Ned. : bloed . Arabisch : دَم = dam (bloed) . Taalgebruik in de Qoran : dam (bloed) . D. : Blut . E. : blood . Fr. : sang . Gr. : αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Hebreeuws : דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Lat. : sanguis .

Ex 12,13.12. הַדָּם = haddâm (het bloed) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Getalwaarde : daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 17 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 4 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (58) . Ex (10) : (1) Ex 7,21 . (2) Ex 12,7 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,22 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 24,6 . (7) Ex 24,8 . (8) Ex 29,12 . (9) Ex 29,20 . (10) Ex 29,21 .
Grieks . nom. + acc. onz. enk.  αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Taalgebruik in de LXX : haima (bloed) . Mt (5) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,35 . (3) Mt 26,28 . (4) Mt 27,4 . (5) Mt 27,25 . Mc (1) : Mc 14,24 . Lc (2) : (1) Lc 11,50 . (2) Lc 13,1 . Joh (5) : (1) Joh 6,53 . (2) Joh 6,54 . (3) Joh 6,55 . (4) Joh 6,56 . (5) Joh 19,34 . Hnd (6) : (1) Hnd 2,19 . (2) Hnd 2,20 . (3) Hnd 5,28 . (4) Hnd 18,6 . (5) Hnd 21,25 . (6) Hnd 22,20 . Een vorm van  αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401) , in het NT (97) , in Mt (10) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,30 . (3) Mt 23,35 . (4) Mt 26,28 . (5) Mt 27,4 . (6) Mt 27,6 . (7) Mt 27,8 . (8) Mt 27,24 . (9) Mt 27,25 . (10) Mt 27,49 , in Mc (3) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,29 . (3) Mc 14,24 . in Lc (7) : (1) Lc 8,43 . (2) Lc 8,44 . (3) Lc 11,50 . (4) Lc 11,51 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,44 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  haima 225  183  42  12  11  13  10 

- Ned. : bloed . Arabisch : دَم = dam (bloed) . Taalgebruik in de Qoran : dam (bloed) . D. : Blut . E. : blood . Fr. : sang . Gr. : αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Hebreeuws : דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Lat. : sanguis .

Ex 12,13.11. - 12. אֶת הַדָּם = ´èth haddâm (het bloed) . Tenakh (17) : (1) Ex 12,13 . (2) Ex 12,23 . (3) Ex 24,8 . (4) Ex 29,20 . (5) Lv 1,5 . (6) Lv 3,2 . (7) Lv 8,15 . (8) Lv 8,19 . (9) Lv 8,24 . (10) Lv 9,9 . (11) Lv 9,12 . (12) Lv 9,18 . (13) Lv 17,6 . (14) Lv 17,10 . (15) Dt 21,7 . (16) 2 Kr 29,22 . (17) 2 Kr 30,16 .

Ex 12,13.22. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Ned. : Egypte . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Qoran : misr (Egypte) . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . D. : Ägypten . E. : Egypt . Fr. : Égypte . Grieks : αιγυπτος . Hebreeuws : מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Latijn . Aegyptus .


Ex 12,14 - Ex 12,14 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai estai è èmera umin autè mnèmosunon kai eortasete autèn eortèn kuriô eis pasas tas geneas umôn nomimon aiônion eortasete autèn       [14] Deze dag moet u tot een gedenkdag maken, u moet hem vieren als een feest ter ere van de heer. Generatie op generatie moet u hem als een eeuwig voorschrift vieren.   12:14 worden zal deze dag voor u tot een gedachtenis en vieren zult ge hem als een feest voor de Ene,- voor al uw generaties zult ge hem vieren als een inzetting voor eeuwig; 14. Ce jour-là, vous en ferez mémoire et vous le fêterez comme une fête pour Yahvé, dans vos générations vous la fêterez, c'est un décret perpétuel.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,14 .

Ex 12,14.5. לְזִכְרוֹן = lëzikhërôn (tot gedachtenis) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) . Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in Tenakh : zâkhar (gedenken) . Tenakh (5) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex 30,16 . (3) Nu 10,10 . (4) Joz 4,7 . (5) Zach 6,14 . Vertaling in Hebreeuws NBG Lc 22,19 . וּלְזִכְרוֹן = lëzikhërôn (en tot gedachtenis) . Tenakh (1) : Ex 13,9 .
- Grieks . μνημοσυνον = mnèmosunon (gedachtenis, gedenken, gedenkteken) . Bijbel (65) . LXX (62) . NT (3) . Ex (7) : (1) Ex 3,15 . (2) Ex 12,14 . (3) Ex 13,9 . (4) Ex 17,14 . (5) Ex 28,12 . (6) Ex 28,29 . (7) Ex 30,16 . Een vorm van μνημοσυνον = mnèmosunon in de LXX (75) , in het NT (3) . Zie het werkw. μνημονευω = mnèmoneuô (gedenken) . Taalgebruik : mnèmoneuô (denken aan, gedenken, zich herinneren) .
- Latijn . monumentum (moment, gedenkteken) . Bijbel (27) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex 13,9 . (3) Ex 17,14 . (4) Ex 30,16 . (5) Ex 39,7 . (6) Lv 5,12 . (7) Lv 6,8 . (8) Lv 24,7 . (9) Nu 31,54 . (10) Joz 4,7 . (11) 2 S 18,18 . (12) Mc 16,2 . (13) Lc 23,55 . (14) Lc 24,1 . (15) Lc 24,12 . (16) Lc 24,22 . (17) Lc 24,24 . (18) Joh 11,31 . (19) Joh 11,38 . (20) Joh 19,41 . (21) Joh 19,42 . (22) Joh 20,1 . (23) Joh 20,3 . (24) Joh 20,4 . (25) Joh 20,6 . (26) Joh 20,8 . (27) Joh 20,11 .

Ex 12,15 - Ex 12,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15epta èmeras azuma edesthe apo de tès èmeras tès prôtès afanieite zumèn ek tôn oikiôn umôn pas os an fagè zumèn exolethreuthèsetai è psuchè ekeinè ex israèl apo tès èmeras tès prôtès eôs tès èmeras tès ebdomès       15] Gedurende* zeven dagen moet u ongezuurd brood eten. Op de eerste dag moet u het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want als iemand één van die zeven dagen iets eet dat gezuurd is, dan zal die van Israël worden uitgesloten.   12:15 zeven dagen zult ge matses eten,- voorwaar, op de voorste dag zult ge het gezuurde uit uw huizen keren; want al wie iets gegists eet: weggesneden zij die ziel uit Israël, van de voorste dag tot de zevende dag; 15. « Pendant sept jours, vous mangerez des azymes. Dès le premier jour vous ferez disparaître le levain de vos maisons car quiconque, du premier au septième jour, mangera du pain levé, celui-là sera retranché d'Israël.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,15 .

2. mann. mv. יָמִים = jâmîm (dagen) van het zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . j-m-j-m . Tenakh (289) . Pentateuch (117) . Eerdere Profeten (45) . Latere Profeten (45) . 12 Kleine Profeten (10) . Geschriften (66) . Ex (26) : (1) Ex 3,18 . (2) Ex 5,3 . (3) Ex 7,25 . (4) Ex 8,23 . (5) Ex 10,22 . (6) Ex 10,23 . (7) Ex 12,15 . (8) Ex 12,19 . (9) Ex 13,6 . (10) Ex 15,22 . (11) Ex 16,26 . (12) Ex 19,15 . (13) Ex 20,9 . (14) Ex 20,11 . (15) Ex 22,29 . (16) Ex 23,12 . (17) Ex 23,15 . (18) Ex 24,16 . (19) Ex 29,30 . (20) Ex 29,35 . (21) Ex 29,37 . (22) Ex 31,15 . (23) Ex 31,17 . (24) Ex 34,18 . (25) Ex 34,21 . (26) Ex 35,2 . Lv (31) : (1) Lv 8,33 . (2) Lv 8,35 . (3) Lv 12,2 . (4) Lv 12,4 . (5) Lv 12,5 . (6) Lv 13,4 . (7) Lv 13,5 . (8) Lv 13,21 . (9) Lv 13,26 . (10) Lv 13,31 . (11) Lv 13,33 . (12) Lv 13,50 . (13) Lv 13,54 . (14) Lv 14,8 . (15) Lv 14,38 . (16) Lv 15,13 . (17) Lv 15,19 . (18) Lv 15,24 . (19) Lv 15,25 . (20) Lv 15,28 . (21) Lv 22,27 . (22) Lv 23,3 . (23) Lv 23,6 . (24) Lv 23,8 . (25) Lv 23,34 . (26) Lv 23,36 . (27) Lv 23,39 . (28) Lv 23,40 . (29) Lv 23,41 . (30) Lv 23,42 . (31) Lv 25,29 .
- Grieks . gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἡμερας = hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Ex (36) . Ex 20 (1) Ex 20,9 .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  575  224  13  11  14  40  126  12  38  46     

- Latijn . dat. + abl. vr. mv. diebus van het zelfst. naamw. dies (dag) . Bijbel (509) . OT (437) . NT (72) . Ex (24) : (1) Ex 2,11 . (2) Ex 10,22 . (3) Ex 12,15 . (4) Ex 12,19 . (5) Ex 13,6 . (6) Ex 13,7 . (7) Ex 13,10 . (8) Ex 15,22 . (9) Ex 16,26 . (10) Ex 20,9 . (11) Ex 20,11 . (12) Ex 22,29 . (13) Ex 23,12 . (14) Ex 23,15 . (15) Ex 24,16 . (16) Ex 24,18 . (17) Ex 29,30 . (18) Ex 29,35 . (19) Ex 29,37 . (20) Ex 31,15 . (21) Ex 31,17 . (22) Ex 34,18 . (23) Ex 34,21 . (24) Ex 35,2 .
- Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. : dies . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) .


Ex 12,16 - Ex 12,16 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16kai è èmera è prôtè klèthèsetai agia kai è èmera è ebdomè klètè agia estai umin pan ergon latreuton ou poièsete en autais plèn osa poièthèsetai pasè psuchè touto monon poièthèsetai umin       [16] De eerste en de zevende dag moet u tot een heilige dag uitroepen. Op deze dagen mag u niet werken, behalve dan dat ieder de spijzen die hij nodig heeft mag bereiden.   12:16 op de voorste dag: een oproep tot heiliging, en op de zévende dag zal er een oproep tot heiliging voor u wezen; wélk-werk-ook wordt níet gedaan bij u; echter wat gegeten wordt door alle ziel, dát alleen zal door u worden klaargemaakt; 16. Le premier jour vous aurez une sainte assemblée, et le septième jour, une sainte assemblée. On n'y fera aucun ouvrage, vous préparerez seulement ce que chacun doit manger.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,16 .

5. - 6. הַשְּׁביעִי בַּיּוֹם = bajjôm hasjsjëbhî`î (op de zevende dag). Tenakh (24) : (1) Gn 2,2 . (2) Ex 16,27 . (3) Ex 16,29 . (4) Ex 20,11 . (5) Ex 24,16 . (6) Lv 13,5 . (7) Lv 13,6 . (8) Lv 13,27 . (9) Lv 13,32 . (10) Lv 13,34 . (11) Lv 13,51 . (12) Lv 14,9 . (13) Lv 14,39 . (14) Lv 23,8 .
- הַשְּׁבִיעִי וּבַיּוֹם = ûbhajjôm hasjsjëbhî`î (en op de zevende dag) . Tenakh (16) : (1) Ex 12,16 . (2) Ex 13,6 . (3) Ex 16,26 . (4) Ex 23,12 . (5) Ex 31,15 . (6) Ex 31,17 . (7) Ex 34,21 . (8) Ex 35,2 . (9) Lv 23,3 . (10) Nu 19,12 . (11) Nu 19,19 . (12) Nu 28,25 . (13) Nu 29,32 . (14) Nu 31,19 . (15) Dt 16,8 . (16) Joz 6,4 .

11. - 12. מְלָאכְתֶּךָ כָּל (jouw werk) < zelfst. naamw. vr. enk. stat. construct. + persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Tenakh (2) : (1) Ex 20,9 . (2) Dt 5,13 .
- מְלָאכָה כָּל (al het werk) . Tenakh (8) : (1) Ex 12,16 . (2) Ex 35,35 . (3) Lv 23,3 . (4) Lv 23,30 . (5) Lv 23,31 . (6) Nu 29,7 . (7) 1 K 7,14 . (8) Jr 17,24 .

Ex 12,17 - Ex 12,17 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17kai fulaxesthe tèn entolèn tautèn en gar tè èmera tautè exaxô tèn dunamin umôn ek gès aiguptou kai poièsete tèn èmeran tautèn eis geneas umôn nomimon aiônion       [17] Houd het feest van de ongezuurde broden in ere, want dit is de dag waarop Ik uw legers heb weggevoerd uit Egypte. Als een eeuwig voorschrift moet u deze dag generatie op generatie in ere houden.   12:17 en bewaken zult ge: de matses!- want op deze huidige dag heb ik uw heirscharen weggeleid uit het land van Egypte; bewaken zult ge deze dag voor uw komende generaties als een inzetting voor eeuwig!- 17. Vous observerez la fête des Azymes, car c'est en ce jour-là que j'ai fait sortir vos armées du pays d'Égypte. Vous observerez ce jour-là dans vos générations, c'est un décret perpétuel.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,17

Ex 12,17.11. מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Tenakh (157) . Pentateuch (56) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (46) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (18) . Ex (21) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 6,26 . (3) Ex 7,4 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,41 . (6) Ex 12,42 . (7) Ex 12,51 . (8) Ex 13,18 . (9) Ex 16,1 . (10) Ex 16,6 . (11) Ex 16,32 . (12) Ex 19,1 . (13) Ex 20,2 . (14) Ex 29,46 . (15) Ex 32,1 . (16) Ex 32,4 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 32,8 . (19) Ex 32,11 . (20) Ex 32,23 . (21) Ex 33,1 .
- Grieks . gen. vr. enk. γηç van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk gè(i) 771  736  35  10    15  15 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 
  totaal 2935  2702  233  40  18  25  11  32  34  73  83  94     

- Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Aramees : אַרְעָא = ´arë`â´ (aarde, land,grond, veld) . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Koran : ´arD (aarde) .

Ex 12,17.12. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (Egypte) .

11. - 12. מִצְרָיִם מֵאֶרֶץ = me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (3) . Gn (2) . Ex (8) . Lv (4) . Nu (5) . Dt (7) . Joz (1) . Re (2) . 1 K (2) . 2 K (2) . Ex (8) : (1) Ex 6,26 . (2) Ex 7,4 . (3) Ex 12,51 . (4) Ex 20,2 . (5) Ex 29,46 . (6) Ex 32,1 . (7) Ex 32,11 . (8) Ex 32,23 .
- מִצְרַיִם מֵאֶרֶץ = me´èrèts mitsërajim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Ex (13) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 12,17 . (3) Ex 12,41 . (4) Ex 12,42 . (5) Ex 13,18 . (6) Ex 16,1 . (7) Ex 16,6 . (8) Ex 16,32 . (9) Ex 19,1 . (10) Ex 32,4 . (11) Ex 32,7 . (12) Ex 32,8 . (13) Ex 33,1 .
- Grieks . = ek tès gès Aiguptou (uit het land Egypte) . Latijn . de terra Aegypti (uit het land Egypte) . Aramees : דְמִצְרָיִם מֵאַרְ?ָא = me´arë`â´ dëmitsërâjim (uit het land van Egypte) . Arabisch : مِصْرَ أرضِ مِن = min ´arDi misra (uit het land Egypte) .

Ex 12,18 - Ex 12,18 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18enarchomenou tè tessareskaidekatè èmera tou mènos tou prôtou af' esperas edesthe azuma eôs èmeras mias kai eikados tou mènos eôs esperas       [18] In de eerste maand moet u, vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag, ongezuurd brood eten.   12:18 in de voorste maand, op de veertiende dag na de nieuwemaan in de avond, zult ge matses eten,- tot dag eenentwintig na nieuwemaan in de avond; 18. Le premier mois, le soir du quatorzième jour, vous mangerez des azymes jusqu'au soir du vingt et unième jour.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,18 .

Ex 12,19 - Ex 12,19 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19epta èmeras zumè ouch eurethèsetai en tais oikiais umôn pas os an fagè zumôton exolethreuthèsetai è psuchè ekeinè ek sunagôgès israèl en te tois geiôrais kai autochthosin tès gès       [19] Gedurende zeven dagen mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want als iemand gezuurd brood eet zal hij van de gemeenschap van Israël worden uitgesloten, of hij nu een vreemdeling of een ingezetene is.   12:19 zeven dagen lang zal niets gezuurds worden gevonden in uw huizen; want al wie eet van wat gegist is: weggesneden zij die ziel uit Israëls samenkomst,- zo met de zwerver-te-gast en met de landgenoot; 19. Pendant sept jours il ne se trouvera pas de levain dans vos maisons, car quiconque mangera du pain levé sera retranché de la communauté d'Israël, qu'il soit étranger ou né dans le pays.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,19 .

Ex 12,20 - Ex 12,20 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20pan zumôton ouk edesthe en panti de katoikètèriô umôn edesthe azuma       [20] Niets wat gezuurd is mag u eten; waar u ook verblijft, u moet ongezuurd brood eten.   12:20 al wat gegist is zult ge niet eten; in al uw woonplaatsen zult ge matses eten! • 20. Vous ne mangerez pas de pain levé, en tout lieu où vous habiterez vous mangerez des azymes.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,20 .

Ex 12,21 - Ex 12,21 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21ekalesen de môusès pasan gerousian uiôn israèl kai eipen pros autous apelthontes labete umin eautois probaton kata suggeneias umôn kai thusate to pascha       [21] Toen riep Mozes al de oudsten van Israël bijeen en sprak tot hen: 'Ga voor uw families de dieren halen en slacht het paaslam.   12:21 Dan roept Mozes al Israëls oudsten en zegt tot hen: trekt het uit de kudde en neemt voor uzelf een stuk wolvee voor uw families en slacht het paasoffer!- 21. Moïse convoqua tous les anciens d'Israël et leur dit : « Allez vous procurer du petit bétail pour vos familles et immolez la pâque.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,21 .

Ex 12,22 - Ex 12,22 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22lèmpsesthe de desmèn ussôpou kai bapsantes apo tou aimatos tou para tèn thuran kathixete tès flias kai ep' amfoterôn tôn stathmôn apo tou aimatos o estin para tèn thuran umeis de ouk exeleusesthe ekastos tèn thuran tou oikou autou eôs prôi       [22] U moet ook een bundel hysop* nemen en deze in het bloed dopen dat u in een schaal hebt opgevangen. Dan moet u het bloed uit de schaal uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur. Tot de ochtend mag niemand buiten de deur van zijn huis komen,   12:22 nemen zult ge een bundeltje hysop en dat dopen in het bloed in de schaal, en strijken zult ge aan de bovendorpel en de twee deurposten iets van het bloed in de schaal; en ge zult, geen mán, de poort van zijn huis uit gaan tot aan de ochtend; 22. Puis vous prendrez un bouquet d'hysope, vous le tremperez dans le sang qui est dans le bassin et vous toucherez le linteau et les deux montants avec le sang qui est dans le bassin. Quant à vous, que personne ne franchisse la porte de sa maison jusqu'au matin.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,22 .

9. ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam אֵל = El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is´èl OF ontkenning ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) . Genesis (296) . Ex (256) . Ex 3 (11) : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 3,5 . (3) Ex 3,6 . (4) Ex 3,8 . (5) Ex 3,10 . (6) Ex 3,11 . (7) Ex 3,13 . (8) Ex 3,14 . (9) Ex 3,15 . (10) Ex 3,17 . (11) Ex 3,18 . Ex 24 (7) : (1) Ex 24,1 . (2) Ex 24,2 . (3) Ex 24,12 . (4) Ex 24,13 . (5) Ex 24,15 . (6) Ex 24,16 . (7) Ex 24,18 . Ex 40 (6) : (1) Ex 40,1 . (2) Ex 40,12 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,32 . (6) Ex 40,35 . Dt (128) . Dt 17 () : (1) Dt 17,5 . (2) Dt 17,8 . (3) Dt 17,9 . (4) Dt 17,12 . (5) Dt 17,14 . Re (142) . Re 1 (5) : (1) Re 1,1 . (2) Re 1,10 . (3) Re 1,11 . (4) Re 1,22 . (5) Re 1,23 . Joz (144) . Joz 1 (6) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 1,2 . (3) Joz 1,3 . (4) Joz 1,7 . (5) Joz 1,9 . (6) Joz 1,17 . Als voorzetsel : in vier verzen in Gn 12 : (1) Gn 12,1 : ´èl ´abhërâm (tot Abram) . (2) Gn 12,7 : ´èl ´abhërâm (tot Abram) . (3) Gn 12,11 : ´èl Shâraj (tot Sarai) . (4) Gn 12,15 : ´èl Parë`oh (tot Farao) . De godsnaam El in be(j)th ´el (Betel) : Gn 12,8 . Jl (9) : (1) Jl 1,1 . (2) Jl 1,14 . (3) Jl 2,13 . (4) Jl 2,20 . (5) Jl 2,21 . (6) Jl 2,22 . (7) Jl 4,2 . (8) Jl 4,8 . (9) Jl 4,12 .
- Zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker : qil-vorm . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga(6) 13m) , ´il bin werd ´el .
- w´l : verbindingswoord wë + ´l : (1) voorzetsel ´èl (naar, tot) וְאֶל = wë´èl . (2) godsnaam {´el : God) (we´el) 3. negatie ´al (wë´al) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (417) . Pentateuch (103) . Ex (14) : (1) Ex 5,9 . (2) Ex 6,3 . (3) Ex 6,13 . (4) Ex 7,8 . (5) Ex 9,8 . (6) Ex 12,1 . (7) Ex 12,22 . (8) Ex 20,19 . (9) Ex 24,1 . (10) Ex 24,11 . (11) Ex 24,14 . (12) Ex 25,21 . (13) Ex 30,31 . (14) Ex 36,2 . wë´èl (en tot) komt in Ex 24 bij het begin van een vers driemaal voor : (1) Ex 24,1 (Mozes) . (2) Ex 24,11 (voorname Israëlieten) . (3) Ex 24,14 (de oudsten) .

11. ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam אֵל = El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is´èl OF ontkenning ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . getalswaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) . Genesis (296) . Ex (256) . Ex 3 (11) : (1) Ex 3,1 . (2) Ex 3,5 . (3) Ex 3,6 . (4) Ex 3,8 . (5) Ex 3,10 . (6) Ex 3,11 . (7) Ex 3,13 . (8) Ex 3,14 . (9) Ex 3,15 . (10) Ex 3,17 . (11) Ex 3,18 . Ex 24 (7) : (1) Ex 24,1 . (2) Ex 24,2 . (3) Ex 24,12 . (4) Ex 24,13 . (5) Ex 24,15 . (6) Ex 24,16 . (7) Ex 24,18 . Ex 40 (6) : (1) Ex 40,1 . (2) Ex 40,12 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,32 . (6) Ex 40,35 . Dt (128) . Dt 17 () : (1) Dt 17,5 . (2) Dt 17,8 . (3) Dt 17,9 . (4) Dt 17,12 . (5) Dt 17,14 . Re (142) . Re 1 (5) : (1) Re 1,1 . (2) Re 1,10 . (3) Re 1,11 . (4) Re 1,22 . (5) Re 1,23 . Joz (144) . Joz 1 (6) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 1,2 . (3) Joz 1,3 . (4) Joz 1,7 . (5) Joz 1,9 . (6) Joz 1,17 . Als voorzetsel : in vier verzen in Gn 12 : (1) Gn 12,1 : ´èl ´abhërâm (tot Abram) . (2) Gn 12,7 : ´èl ´abhërâm (tot Abram) . (3) Gn 12,11 : ´èl Shâraj (tot Sarai) . (4) Gn 12,15 : ´èl Parë`oh (tot Farao) . De godsnaam El in be(j)th ´el (Betel) : Gn 12,8 . Jl (9) : (1) Jl 1,1 . (2) Jl 1,14 . (3) Jl 2,13 . (4) Jl 2,20 . (5) Jl 2,21 . (6) Jl 2,22 . (7) Jl 4,2 . (8) Jl 4,8 . (9) Jl 4,12 .
- Zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker : qil-vorm . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga(6) 13m) , ´il bin werd ´el .
- w´l : verbindingswoord wë + ´l : (1) voorzetsel ´èl (naar, tot) וְאֶל = wë´èl . (2) godsnaam {´el : God) (we´el) 3. negatie ´al (wë´al) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (417) . Pentateuch (103) . Ex (14) : (1) Ex 5,9 . (2) Ex 6,3 . (3) Ex 6,13 . (4) Ex 7,8 . (5) Ex 9,8 . (6) Ex 12,1 . (7) Ex 12,22 . (8) Ex 20,19 . (9) Ex 24,1 . (10) Ex 24,11 . (11) Ex 24,14 . (12) Ex 25,21 . (13) Ex 30,31 . (14) Ex 36,2 . wë´èl (en tot) komt in Ex 24 bij het begin van een vers driemaal voor : (1) Ex 24,1 (Mozes) . (2) Ex 24,11 (voorname Israëlieten) . (3) Ex 24,14 (de oudsten) .

15. הַדָּם = haddâm (het bloed) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Getalswaarde : daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 17 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 4 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (58) . Ex (10) : (1) Ex 7,21 . (2) Ex 12,7 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,22 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 24,6 . (7) Ex 24,8 . (8) Ex 29,12 . (9) Ex 29,20 . (10) Ex 29,21 .
Grieks . gen. onz. enk. van het zelfst. naamw.  αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Taalgebruik in de LXX : haima (bloed) . Een vorm van  αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401) , in het NT (97) , in Mt (10) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,30 . (3) Mt 23,35 . (4) Mt 26,28 . (5) Mt 27,4 . (6) Mt 27,6 . (7) Mt 27,8 . (8) Mt 27,24 . (9) Mt 27,25 . (10) Mt 27,49 , in Mc (3) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,29 . (3) Mc 14,24 . in Lc (7) : (1) Lc 8,43 . (2) Lc 8,44 . (3) Lc 11,50 . (4) Lc 11,51 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,44 .
- Ned. : bloed . Arabisch : دَم = dam (bloed) . Taalgebruik in de Qoran : dam (bloed) . D. : Blut . E. : blood . Fr. : sang . Gr. : αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Hebreeuws : דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Lat. : sanguis .

Ex 12,23 - Ex 12,23 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai pareleusetai kurios pataxai tous aiguptious kai opsetai to aima epi tès flias kai ep' amfoterôn tôn stathmôn kai pareleusetai kurios tèn thuran kai ouk afèsei ton olethreuonta eiselthein eis tas oikias umôn pataxai       [23] want als de heer rondgaat om Egypte te slaan en het bloed ziet aan de beide posten van de deur, dan zal de heer uw deur voorbijgaan en Hij zal de verderver* niet toestaan in uw huis te komen om u te slaan.   12:23 oversteken zal de Ene om Egypte te treffen, maar zien zal hij het bloed op de bovendorpel en op de twee deurposten; passeren zal de Ene de poort en dan zal hij het de verderver niet gunnen om in uw huizen te komen om iemand te treffen; 23. Lorsque Yahvé traversera l'Égypte pour la frapper, il verra le sang sur le linteau et sur les deux montants, il passera au-delà de cette porte et ne laissera pas l'Exterminateur pénétrer dans vos maisons pour frapper.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,23 .

5. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (Egypte) .

8. הַדָּם = haddâm (het bloed) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Getalwaarde : daleth = 4 , mem = 13 of 40 ; totaal : 17 OF 44 (4 X 11) . Structuur : 4 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (58) . Ex (10) : (1) Ex 7,21 . (2) Ex 12,7 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,22 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 24,6 . (7) Ex 24,8 . (8) Ex 29,12 . (9) Ex 29,20 . (10) Ex 29,21 .
Grieks . nom. + acc. onz. enk.  αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Taalgebruik in de LXX : haima (bloed) . Mt (5) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,35 . (3) Mt 26,28 . (4) Mt 27,4 . (5) Mt 27,25 . Mc (1) : Mc 14,24 . Lc (2) : (1) Lc 11,50 . (2) Lc 13,1 . Joh (5) : (1) Joh 6,53 . (2) Joh 6,54 . (3) Joh 6,55 . (4) Joh 6,56 . (5) Joh 19,34 . Hnd (6) : (1) Hnd 2,19 . (2) Hnd 2,20 . (3) Hnd 5,28 . (4) Hnd 18,6 . (5) Hnd 21,25 . (6) Hnd 22,20 . Een vorm van  αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401) , in het NT (97) , in Mt (10) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,30 . (3) Mt 23,35 . (4) Mt 26,28 . (5) Mt 27,4 . (6) Mt 27,6 . (7) Mt 27,8 . (8) Mt 27,24 . (9) Mt 27,25 . (10) Mt 27,49 , in Mc (3) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,29 . (3) Mc 14,24 . in Lc (7) : (1) Lc 8,43 . (2) Lc 8,44 . (3) Lc 11,50 . (4) Lc 11,51 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,44 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  haima 225  183  42  12  11  13  10 

- Ned. : bloed . Arabisch : دَم = dam (bloed) . Taalgebruik in de Qoran : dam (bloed) . D. : Blut . E. : blood . Fr. : sang . Gr. : αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Hebreeuws : דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Lat. : sanguis .

7. - 8. אֶת הַדָּם= ´èth haddâm (het bloed) . Tenakh (17) : (1) Ex 12,13 . (2) Ex 12,23 . (3) Ex 24,8 . (4) Ex 29,20 . (5) Lv 1,5 . (6) Lv 3,2 . (7) Lv 8,15 . (8) Lv 8,19 . (9) Lv 8,24 . (10) Lv 9,9 . (11) Lv 9,12 . (12) Lv 9,18 . (13) Lv 17,6 . (14) Lv 17,10 . (15) Dt 21,7 . (16) 2 Kr 29,22 . (17) 2 Kr 30,16 .


Ex 12,24 - Ex 12,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai fulaxesthe to rèma touto nomimon seautô kai tois uiois sou eôs aiônos       [24] U* moet dit voorschrift blijven onderhouden als een eeuwige wet voor uzelf en voor uw kinderen.   12:24 bewaren zult ge dit woord tot een inzetting voor u en uw zonen tot in eeuwigheid; 24. Vous observerez cette disposition comme un décret pour toi et tes fils, à perpétuité.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,24 .

Ex 12,25 - Ex 12,25 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25ean de eiselthète eis tèn gèn èn an dô kurios umin kathoti elalèsen fulaxesthe tèn latreian tautèn       [25] Ook als u aangekomen bent in het land dat de heer u volgens zijn woord gaat schenken, moet u deze plechtigheid blijven vieren.   12:25 en wezen zal het wanneer ge aankomt in het land dat de Ene aan u gééft zoals hij heeft gesproken: bewaken zult ge dit dienstwerk; 25. Quand vous serez entrés dans la terre que Yahvé vous donnera comme il l'a dit, vous observerez ce rite.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,25 .

3. act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תָבֹאוּ = thâbo'û (jullie zullen gaan) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (17) : (1) Ex 12,25 . (2) Lv 14,34 . (3) Lv 19,23 . (4) Lv 23,10 . (5) Lv 25,2 . (6) Nu 10,9 . (7) Nu 14,30 . (8) Nu 15,2 . (9) Nu 31,24 . (10) Joz 9,8 . (11) Re 18,10 . (12) 1 K 11,2 . (13) Js 1,12 . (14) Jr 42,19 . (15) Jr 43,2 . (16) Hos 4,15 . (17) Am 5,5 .

2. - 3. תָבֹאוּ כִּי = kî thâbo'û (wanneer jullie zullen gaan) . Tenakh (6) : (1) Ex 12,25 . (2) Lv 14,34 . (3) Lv 23,10 . (4) Lv 25,2 . (5) Nu 15,2 . (6) Js 1,12 .
- תָבֹוּ וְכִּי = wëkî thâbo'û (en wanneer jullie zullen gaan) . Tenakh (2) : (1) ) Lv 19,23 . (2) Nu 10,9 .

4. - 5. אֶל הָאָרֶץ = ´èl hâ´ârèts (naar het land) . Tenakh (53) . Pentateuch (38) . Gn (3) . Ex (3) . Lv (3) . Nu (12) . Dt (17) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (1) . Lv (3) : (1) Lv 19,23 . (2) Lv 23,10 . (3) Lv 25,2 .

2. - 5.

 

14. הָעֳבֹדָה= hâ`äbhodâh (de dienst) < prefix bepaald lidw. ha + עֳבֹדָה = `äbhodâh (dienst) . Zie : עָבַד = `âbhad (werken, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen) . Getalwaarde : ajin =16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 ; totaal : 22 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . De som van de elementen is 4 . Tenakh (12) : (1) Ex 2,23 . (2) Ex 5,9 . (3) Ex 12,25 . (4) Ex 12,26 . (5) Ex 13,5 . (6) Ex 35,24 . (7) Ex 36,5 . (8) Ex 39,42 . (9) Nu 8,25 . (10) Js 14,3 . (11) Ez 29,18 . (12) Neh 7,18 .
-
- In de geloofsbelijdenis van Dt is er sprake van slavendienst (Dt 26,6) . עֳבֹדָה = `äbhodâh (dienst) . עָבַד = `âbhad (werken, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen) . Getalwaarde : ajin =16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 ; totaal : 22 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . De som van de elementen is 4 . Tenakh (19) : (1) Ex 1,14 . (2) Lv 23,7 . (3) Lv 23,8 . (4) Lv 23,21 . (5) Lv 23,25 . (6) Lv 23,35 . (7) Lv 23,36 . (8) Nu 4,23 . (9) Nu 4,47 . (10) Nu 28,18 . (11) Nu 28,25 . (12) Nu 28,26 . (13) Nu 29,1 . (14) Nu 29,12 . (15) Nu 29,35 . (16) Dt 26,6 . (17) Ez 29,18. (18) Kl 1,3 . (19) Da 7,21 .

Ex 12,26 - Ex 12,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26kai estai ean legôsin pros umas oi uioi umôn tis è latreia autè       [26] En als uw kinderen u de vraag stellen: "Wat betekent deze plechtigheid?"   12:26 en zal het zo wezen dat uw zonen tot u zeggen: wat ís dit dienstwerk voor u?- 26. Et quand vos fils vous diront : «Que signifie pour vous ce rite ?»

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,26 .

Ex 12,27 - Ex 12,27 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27kai ereite autois thusia to pascha touto kuriô ôs eskepasen tous oikous tôn uiôn israèl en aiguptô ènika epataxen tous aiguptious tous de oikous èmôn errusato kai kupsas o laos prosekunèsen       [27] dan moet u hun antwoorden: "Dit is een paasoffer voor de heer, omdat Hij in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan; terwijl Hij de Egyptenaren sloeg, heeft Hij onze huizen gespaard." ' Toen knielde en boog het volk in verering.   12:27 zeggen zult ge dan: een paasoffer is dit voor de Ene die de huizen van de zonen Israëls in Egypte is gepasseerd toen hij Egypte heeft getroffen en ónze huizen heeft gered! Dan knielt de gemeente en buigen ze zich. 27. vous leur direz : «C'est le sacrifice de la Pâque pour Yahvé qui a passé au-delà des maisons des Israélites en Égypte, lorsqu'il frappait l'Égypte, mais épargnait nos maisons. » Le peuple alors s'agenouilla et se prosterna.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,27 .

15. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (Egypte) .

Ex 12,28 - Ex 12,28 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28kai apelthontes epoièsan oi uioi israèl katha eneteilato kurios tô môusè kai aarôn outôs epoièsan       [ [28] De Israëlieten gingen uiteen en deden alles wat de heer door Mozes en Aäron had voorgeschreven.   12:28 Ze gáán en doen zo, de zonen Israëls; zoals de Ene Mozes en Aäron heeft geboden, zó hebben zij gedaan. •• 28. Les Israélites s'en allèrent et firent ce que Yahvé avait ordonné à Moïse et à Aaron.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,28 .



- Ex 12,29-42 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -

Ex 12,29 - Ex 12,29 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29egenèthè de mesousès tès nuktos kai kurios epataxen pan prôtotokon en gè aiguptô apo prôtotokou faraô tou kathèmenou epi tou thronou eôs prôtotokou tès aichmalôtidos tès en tô lakkô kai eôs prôtotokou pantos ktènous       [29] Het was midden in de nacht toen de heer al de eerstgeborenen van Egypte sloeg, vanaf de eerstgeborene van de farao, die hem op de troon zou opvolgen, tot aan de eerstgeborene in de gevangenis en ook al de eerstgeborenen van het vee.   12:29 Het geschiedt halverwege de nacht: de Ene heeft geslagen alle eersteling op het land van Egypte, van de eersteling van Farao die zetelde op zijn troon tot de eersteling van de gekerkerde in het huis met de put; en alle eersteling van het vee. 29. Au milieu de la nuit, Yahvé frappa tous les premiers-nés dans le pays d'Égypte, aussi bien le premier-né de Pharaon qui devait s'asseoir sur son trône, que le premier-né du captif dans la prison et tous les premiers-nés du bétail.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,29 .

9. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (Egypte) .

Ex 12,30 - Ex 12,30 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30kai anastas faraô nuktos kai pantes oi therapontes autou kai pantes oi aiguptioi kai egenèthè kraugè megalè en pasè gè aiguptô ou gar èn oikia en è ouk èn en autè tethnèkôs       [30] Die nacht stonden de farao en al zijn hovelingen en alle Egyptenaren op, en een luid geschreeuw klonk over Egypte, want er was geen huis zonder dode.   12:30 Dan staat Farao op, 's nachts,- hij en al zijn dienaren, ja heel Egypte, en er geschiedt een groot geschreeuw in Egypte,- want geen huis waar geen dode is! 30. Pharaon se leva pendant la nuit, ainsi que tous ses serviteurs et tous les Égyptiens, et ce fut en Égypte une grande clameur car il n'y avait pas de maison où il n'y eût un mort.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,30 .

8. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (Egypte) .

Ex 12,31 - Ex 12,31 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31kai ekalesen faraô môusèn kai aarôn nuktos kai eipen autois anastète kai exelthate ek tou laou mou kai umeis kai oi uioi israèl badizete kai latreusate kuriô tô theô umôn katha legete       [31] Die nacht nog liet hij Mozes en Aäron ontbieden en sprak: 'Maak dat u van mijn volk wegkomt, uzelf en de Israëlieten. Ga de heer vereren zoals u gevraagd hebt.   12:31 Hij roept om Mozes en Aäron, 's nachts, en zegt: staat op, trekt uit, weg van mijn manschap, én gijzelf én de zonen Israëls; gaat heen en dient de Ene, naar uw woord; 31. Pharaon appela Moïse et Aaron pendant la nuit et leur dit : « Levez-vous et sortez du milieu de mon peuple, vous et les Israélites, et allez servir Yahvé comme vous l'avez demandé.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,31 .

Ex 12,32 - Ex 12,32 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32kai ta probata kai tous boas umôn analabontes poreuesthe eulogèsate de kame       [32] Neem ook al uw kleinvee en runderen mee, zoals u gevraagd hebt. Ga weg en smeek ook voor mij zijn zegen af.'   12:32 én uw wolvee én uw ploegvee, neemt het mee, zoals ge verwoord hebt, en gaat heen, dan hebt ge ook mij gezegend! 32. Prenez aussi votre petit et votre gros bétail comme vous l'avez demandé, partez et bénissez-moi, moi aussi. »

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,32 .

Ex 12,33 - Ex 12,33 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33kai katebiazonto oi aiguptioi ton laon spoudè ekbalein autous ek tès gès eipan gar oti pantes èmeis apothnèskomen       [33] De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk te vertrekken. 'Anders sterven we allemaal', zeiden ze.   12:33 En sterk maakt Egypte zich tegen de gemeente om ze haastig heen te zenden uit het land; want, hebben ze gezegd, wij zijn allen kinderen des doods! 33. Les Égyptiens pressèrent le peuple en se hâtant de le faire partir du pays car, disaient-ils : « Nous allons tous mourir. »

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,33 .

Ex 12,33.2. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Ned. : Egypte . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Qoran : misr (Egypte) . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . D. : Ägypten . E. : Egypt . Fr. : Égypte . Grieks : αιγυπτος . Hebreeuws : מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Latijn . Aegyptus .

Ex 12,33.7. - 8. מִן הָאָרֶץ = min hâ´ârèts (uit het land) . Tenakh (35) . Pentateuch (11) . Gn (5) . Ex (4) . Lv (1) . Nu (1) . Dt (0) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (6) . Gn (5) : (1) Gn 2,6 . (2) Gn 7,23 . (3) Gn 10,11 . (4) Gn 31,13 . (5) Gn 50,24 . (6) Ex 1,10 . (7) Ex 3,8 . (8) Ex 9,15 . (9) Ex 12,33 . (10) Lv 26,6 . (11) Nu 21,6 . (12) Joz 7,9 . (13) 1 S 28,9 . (14) 1 S 28,13 . (15) 2 S 12,17 . (16) 2 S 19,10 . (17) 1 K 15,12 . (18) 1 K 22,47 .

Ex 12,34 - Ex 12,34 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34anelaben de o laos to stais pro tou zumôthènai ta furamata autôn endedemena en tois imatiois autôn epi tôn ômôn       [34] Het volk nam het deeg mee, nog voor het gezuurd was. Ze wikkelden de baktroggen in hun mantels en namen ze op hun schouders.   12:34 Dan tilt de gemeente zijn deeg op, voordat het heeft kunnen gisten, hun baktroggen gewikkeld in hun mantels op hun schouder. 34. Le peuple emporta sa pâte avant qu'elle n'eût levé, ses huches serrées dans les manteaux, sur les épaules.

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,34 .

Ex 12,35 - Ex 12,35 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35oi de uioi israèl epoièsan katha sunetaxen autois môusès kai ètèsan para tôn aiguptiôn skeuè argura kai chrusa kai imatismon 35 feceruntque filii Israhel sicut praeceperat Moses et petierunt ab Aegyptiis vasa argentea et aurea vestemque plurimam   35 De kinderen Israëls nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen. [35] De Israëlieten deden wat Mozes hun gezegd had en vroegen aan de Egyptenaren gouden en zilveren sieraden en kleding. [35] Ze hadden gedaan wat Mozes had opgedragen en de Egyptenaren om zilveren en gouden sieraden en om kleren gevraagd. 12:35 De zonen Israëls hebben gedaan naar het woord van Mozes: ze vragen van Egypte voorwerpen van zilver, voorwerpen van goud en mantels; 35. Les Israélites firent ce qu'avait dit Moïse et demandèrent aux Égyptiens des objets d'argent, des objets d'or et des vêtements.

King James Bible . [35] And the children of Israel did according to the word of Moses; and they borrowed of the Egyptians jewels of silver, and jewels of gold, and raiment:
Luther-Bibel . 35Und die Israeliten hatten getan, wie Mose gesagt hatte, und hatten sich von den Ägyptern silbernes und goldenes Geschmeide und Kleider geben lassen.

Tekstuitleg van Ex 12,35 . In Ex 11,2 kondigt Mozes aan , in Ex 12,35 volgt de uitvoering ervan .

Ex 12,35.1. - 3. ûbhëne(j) jishërâ´el `âshû (en zonen van Israël deden) . tenakh (2) : (1) Ex 12,35 . (2) Lv 24,23 .

Ex 12,35.4. kidëbhar (volgens het woord) < prefix kë + zelfst. naamw. d-bh-r . (1) dâbhar (spreken) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. dâbhar (spreken) . (2) dibbèr (hij sprak) : piel perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . (3) dâbhâr (woord, daad) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Jesaja : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Jona : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Tenakh (66) . Pentateuch (13) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (12) . Ex (5) : (1) Ex 8,9 . (2) Ex 8,27 . (3) Ex 12,35 . (4) Ex 16,10 . (5) Ex 32,28 .

Ex 12,35.4. - 5. kidëbhar mosjèh (volgens het woord van Mozes) . Tenakh (5) : (1) Ex 8,9 . (2) Ex 8,27 . (3) Ex 12,35 . (4) Ex 32,28 . (5) Lev 10,7 .

Ex 12,35.6. wajjisjë´älû (en zij vroegen) < wë + act. qal 3de pers. mann. mv. van het werkw. sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 . Tenakh (11) : (1) Gn 26,7 . (2) Ex 11,2 . (3) Ex 12,35 . (4) Ex 18,7 . (5) Re 1,1 . (6) Re 18,15 . (7) Re 20,18 . (8) Re 20,23 . (9) Re 20,27 . (10) 1 S 10,22 . (11) Jr 38,27 .

Ex 12,35.7. מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = mimmitsërajim / mimmitsërâjim (uit Egypte) < prefix voorzetsel min (met assimilatie van de nun) + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (89) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (10) . Ex (16) : (1) Ex 3,10 . (2) Ex 3,11 . (3) Ex 3,12 . (4) Ex 6,27 . (5) Ex 12,35 . (6) Ex 12,39 . (7) Ex 13,3 . (8) Ex 13,8 . (9) Ex 13,9 . (10) Ex 13,14 . (11) Ex 13,16 . (12) Ex 14,11 . (13) Ex 17,3 . (14) Ex 18,1 . (15) Ex 23,15 . (16) Ex 34,18 . Dt (13) : (1) Dt 4,20 . (2) Dt 4,37 . (3) Dt 4,45 . (4) Dt 4,46 . (5) Dt 6,21 . (6) Dt 9,12 . (7) Dt 9,26 . (8) Dt 16,1 . (9) Dt 16,6 . (10) Dt 23,5 . (11) Dt 24,9 . (12) Dt 25,17 . (13) Dt 26,8 .

Ex 12,36 - Ex 12,36 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
36kai kurios edôken tèn charin tô laô autou enantion tôn aiguptiôn kai echrèsan autois kai eskuleusan tous aiguptious 36 dedit autem Dominus gratiam populo coram Aegyptiis ut commodarent eis et spoliaverunt Aegyptios   36 Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren. [36] De heer stemde de Egyptenaren gunstig ten opzichte van het volk, zodat zij hun verzoek inwilligden. Zo plunderden de Israëlieten Egypte. [36] En de HEER had ervoor gezorgd dat de Egyptenaren hun goedgezind waren, zodat ze op hun verzoek ingingen. Zo beroofden ze de Egyptenaren. 12:36 de Ene heeft de gemeente genade gegeven in de ogen van Egypte: zij láten het zich vragen; zo plunderen ze Egypte. • 36. Yahvé fit que le peuple trouvât grâce aux yeux des Égyptiens qui les leur prêtèrent. Ils dépouillèrent ainsi les Égyptiens.

King James Bible . [36] And the LORD gave the people favour in the sight of the Egyptians, so that they lent unto them such things as they required. And they spoiled the Egyptians.
Luther-Bibel . 36Dazu hatte der HERR dem Volk Gunst verschafft bei den Ägyptern, dass sie ihnen willfährig waren, und so nahmen sie es von den Ägyptern zur Beute.

Tekstuitleg van Ex 12,36 .

7. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .

11. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .

Ex 12,37 - Ex 12,37 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
37aparantes de oi uioi israèl ek ramessè eis sokchôtha eis exakosias chiliadas pezôn oi andres plèn tès aposkeuès  37 profectique sunt filii Israhel de Ramesse in Soccoth sescenta ferme milia peditum virorum absque parvulis wajjis`û bënê jishërael mera`ëmëses sukkothâ  37 Alzo reisden de kinderen Israëls uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens. [37] De Israëlieten vertrokken vanuit Raämses in* de richting van Sukkot, en het aantal personen dat zelf liep, de kinderen dus niet meegerekend, bedroeg ongeveer* zeshonderdduizend. [37] De Israëlieten trokken te voet van Rameses naar Sukkot; hun aantal bedroeg ongeveer zeshonderdduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend, 12:37 Dan breken de zonen Israëls op, van Ramesees naar Soekot; zo'n zeshonderd duizendtallen te voet, weerbare mannen alleen al, zonder kroost.

37. Les Israélites partirent de Ramsès en direction de Sukkot au nombre de près de six cent mille hommes de pied - rien que les hommes, sans compter leur famille.

King James Bible . [37] And the children of Israel journeyed from Rameses to Succoth, about six hundred thousand on foot that were men, beside children.
Luther-Bibel . 37Also zogen die Israeliten aus von Ramses nach Sukkot, sechshunderttausend Mann zu Fuß ohne die Frauen und Kinder.

Tekstuitleg van Ex 12,37 .

1. nevensch. voegw. waw (en) en qal act. imperf. 3de pers. mann. mv. wajjisë`û (en zij braken op) . Taalgebruik in Tenach : nâs`â (opbreken, reizen) . Tenach (64) . Ex (6) : (1) Ex 12,37 (van Raämses tot Sukkot) . (2) Ex 13,20 (van Sukkoth naar Etam) . (3) Ex 14,15 . (4) Ex 16,1 (Van Elim naar de Sin-woestijn) . (5) Ex 17,1 (Van de Sin-woestijn naar Refidim) . (6) Ex 19,2 (van Refidim naar de Sinaïwoestijn) .

Ex 12,38 - Ex 12,38 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
38kai epimiktos polus sunanebè autois kai probata kai boes kai ktènè polla sfodra 38 sed et vulgus promiscuum innumerabile ascendit cum eis oves et armenta et animantia diversi generis multa nimis   38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee. [38] Ook vele anderen trokken met hen mee, net als grote kudden kleinvee en runderen. [38] terwijl er bovendien een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok. Ze voerden enorme kudden schapen, geiten en runderen mee. [ 12:38 En ook is met hen een talrijk allerlei opgeklommen, én wolvee en rundvee, een zeer zwaarwichtige kudde. 38. Une foule mêlée monta avec eux, ainsi que du petit et du gros bétail, formant d'immenses troupeaux.

King James Bible . [38] And a mixed multitude went up also with them; and flocks, and herds, even very much cattle.
Luther-Bibel . 38Und es zog auch mit ihnen viel fremdes Volk, dazu Schafe und Rinder, sehr viel Vieh.

Tekstuitleg van Ex 12,38 .

Ex 12,39 - Ex 12,39 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
39kai epepsan to stais o exènegkan ex aiguptou egkrufias azumous ou gar ezumôthè exebalon gar autous oi aiguptioi kai ouk èdunèthèsan epimeinai oude episitismon epoièsan eautois eis tèn odon 39 coxeruntque farinam quam dudum conspersam de Aegypto tulerant et fecerunt subcinericios panes azymos neque enim poterant fermentari cogentibus exire Aegyptiis et nullam facere sinentibus moram nec pulmenti quicquam occurrerant praeparare   39 En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden. [39] Zij bakten ongezuurde koeken van het deeg dat ze meegenomen hadden uit Egypte, het was nog niet gezuurd. Zij waren immers uit Egypte weggejaagd zonder dat ze zelfs tijd gehad hadden om voor proviand te zorgen. 39] Van het deeg dat ze uit Egypte hadden meegenomen bakten ze ongedesemde broden. Doordat ze uit Egypte waren weggejaagd, was er geen tijd geweest om zuurdesem toe te voegen of voor andere proviand te zorgen. 12:39 Ze bakken van het deeg dat ze uit Egypte hebben meegebracht matses-koeken, omdat het niet tot gisten is gekomen, want weggejaagd zijn ze uit Egypte; ze hebben niet de kans gehad om te treuzelen en ook hadden ze zich geen proviand klaargemaakt. 39. Ils firent cuire la pâte qu'ils avaient emportée d'Égypte en galettes non levées, car la pâte n'était pas levée : chassés d'Égypte, ils n'avaient pu s'attarder ni se préparer des provisions de route.

King James Bible . [39] And they baked unleavened cakes of the dough which they brought forth out of Egypt, for it was not leavened; because they were thrust out of Egypt, and could not tarry, neither had they prepared for themselves any victual.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 12,39 . 39Und sie backten aus dem rohen Teig, den sie aus Ägypten mitbrachten, ungesäuerte Brote; denn er war nicht gesäuert, weil sie aus Ägypten weggetrieben wurden und sich nicht länger aufhalten konnten und keine Wegzehrung zubereitet hatten.

6. מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = mimmitsërajim / mimmitsërâjim (uit Egypte) < prefix voorzetsel min (met assimilatie van de nun) + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (89) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (7) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (10) . Ex (16) : (1) Ex 3,10 . (2) Ex 3,11 . (3) Ex 3,12 . (4) Ex 6,27 . (5) Ex 12,35 . (6) Ex 12,39 . (7) Ex 13,3 . (8) Ex 13,8 . (9) Ex 13,9 . (10) Ex 13,14 . (11) Ex 13,16 . (12) Ex 14,11 . (13) Ex 17,3 . (14) Ex 18,1 . (15) Ex 23,15 . (16) Ex 34,18 . Dt (13) : (1) Dt 4,20 . (2) Dt 4,37 . (3) Dt 4,45 . (4) Dt 4,46 . (5) Dt 6,21 . (6) Dt 9,12 . (7) Dt 9,26 . (8) Dt 16,1 . (9) Dt 16,6 . (10) Dt 23,5 . (11) Dt 24,9 . (12) Dt 25,17 . (13) Dt 26,8 .

13. pass. pual perf. 3de pers. mann. mv. gorësjû (zij werden verdreven) van het werkw. gârasj (verdrijven, uitwerpen) . Taalgebruik in Tenakh : gârasj (verdrijven, uitwerpen) . Getalwaarde : gimel = 3 , resj = 20 of 200 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 503 (priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 3 . Tenakh (1) : Ex 12,39 . Een vorm van gârasj (verdrijven, uitwerpen) in Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (9) . Gn (3) : (1) Gn 3,24 . (2) Gn 4,14 . (3) Gn 21,10 . Ex (11) : (1) Ex 2,17 . (2) Ex 6,1 . (3) Ex 10,11 . (4) Ex 11,1 . (5) Ex 12,39 . (6) Ex 23,28 . (7) Ex 23,29 . (8) Ex 23,30 . (9) Ex 23,31 . (10) Ex 33,2 . (11) Ex 34,11 . Lv in (1) Lv 21,7 . (2) Lv 22,13 . (3) . Nu (3) : (1) Nu 22,6 . (2) Nu 22,11 . (3) Nu 30,10 . Dt (1) : Dt 33,27 .
- Volgens Ex 11,1 en Ex 12,39 werden de Hebreeën door de Egyptenaren verjaagd uit het land . Volgens andere tradities zijn ze gevlucht . Nog andere tradities geven de indruk dat de Hebreeën het juiste moment hebben afgewacht . In Gn 3,24 werden Adam en Eva verjaagd uit het aards paradijs . In Gn 4,14 wordt Kaïn verjaagd uit het land . In Gn 21,10 stelt Sara aan Abraham voor om Hagar met haar zoon Ismaël te verjagen .

14.

21. - 22. `âshû lâhèm (zij maakten voor zich) . Tenach (9) : (1) Ex 12,39 . (2) Ex 32,8 . (3) Nu 8,20 . (4) Nu 8,22 . (5) Dt 9,12 . (6) Re 6,2 . (7) Neh 9,18 . (8) Jr 11,17 . (9) Hos 8,4 .

Ex 12,40 - Ex 12,40 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
40è de katoikèsis tôn uiôn israèl èn katôkèsan en gè aiguptô kai en gè chanaan etè tetrakosia triakonta 40 habitatio autem filiorum Israhel qua manserant in Aegypto fuit quadringentorum triginta annorum   40 De tijd nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. [40] Het verblijf van de Israëlieten in Egypte had vierhonderddertig jaar geduurd. [40] Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in Egypte gewoond; 12:40 Het verblijf van de zonen Israëls, de tijd dat ze in Egypte hebben verbleven, is dertig jaar en vierhonderd jaar. 40. Le séjour des Israélites en Égypte avait duré quatre cent trente ans.

King James Bible . [40] Now the sojourning of the children of Israel, who dwelt in Egypt, was four hundred and thirty years.
Luther-Bibel . 40Die Zeit aber, die die Israeliten in Ägypten gewohnt haben, ist vierhundertunddreißig Jahre.

Tekstuitleg van Ex 12,40 .

9. - 10. וְאַרְבַּע מֵאוֹת = wë´arëba` me´ôth (en vierhonderd) . Tenakh (26) . Gn (4) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,17 . (4) Gn 32,7 . Ex (5) : (1) Ex 12,40 . (2) Ex 12,41 . (3) Ex 38,29 .
- אַרְבַּע מֵאוֹת= ´arëba` me´ôth (vierhonderd) . Tenakh (23) . Pentateuch (3) : (1) Gn 15,13 . (2) Gn 23,16 .(3) Gn 33,1 .
- Volgens Gn 15,13 zal het volk 400 jaar slavendienst verrichten . Volgens Ex 12,40 is dat 430 jaar . In Gn 15 wordt een nakomeling beloofd . Volgens Gn 21,3 wordt Isaak geboren . Dan is Abraham 100 jaar . Volgens vele joodse bronnen wordt de 400 jaar slavendienst berekend vanaf de geboorte van Isaak . Eveneens volgens vele joodse bronnen werd Isaak geboren op de 15de nisan , de dag waarop Pasen gevierd wordt . Dat houdt in dat tussen de belofte van een nakomeling in Gn 15 en de realisatie in Gn 21 een periode van 30 jaar bestrijkt . Abraham moet dan 70 jaar zijn .
- Kreuzer S. , 430 Jahre, 400 Jahre oder 4 Generationen - Zu den Zeitangaben über den Ägyptenaufenthalt der 'Israeliten' . Zeitschrift für die Alttestamentliche Wissenschaft 98 (1986) , S. 199-210 . Zie : http://www.degruyter.com/view/j/zatw.1986.98.issue-2/zatw.1986.98.2.199/zatw.1986.98.2.199.xml .
- Kreuzer S. , Zur Priorität von Exodus 12,40 MT - Die chronologische Interpretation des Ägyptenaufenthalts in der judäischen, samaritanischen und alexandrinischen Exegese . Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 103 (1991) , S. 252-258 .

Ex 12,41 - Ex 12,41 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
41kai egeneto meta ta tetrakosia triakonta etè exèlthen pasa è dunamis kuriou ek gès aiguptou 41 quibus expletis eadem die egressus est omnis exercitus Domini de terra Aegypti   41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn. [41] Op de dag dat deze vierhonderddertig jaar waren verstreken trokken al de legers van de heer weg uit Egypte. [41] na precies vierhonderddertig jaar – geen dag eerder of later – trok het volk van de HEER, in groepen geordend, uit Egypte weg. 12:41 En het geschiedt na verloop van dertig jaar en vierhonderd jaar, het geschiedt op deze huidige dag: weggetrokken zijn alle heirscharen van de Ene uit het land van Egypte. 41. Le jour même où prenaient fin les quatre cent trente ans, toutes les armées de Yahvé sortirent du pays d'Égypte.

King James Bible . [41] And it came to pass at the end of the four hundred and thirty years, even the selfsame day it came to pass, that all the hosts of the LORD went out from the land of Egypt.
Luther-Bibel . 41Als diese um waren, an eben diesem Tage zog das ganze Heer des HERRN aus Ägyptenland.

Tekstuitleg van Ex 12,41 . Het vers Ex 12,41 telt 17 woorden en 66 (2 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Ex 12,41 is 4081 (7 X 11 X 53) .

Ex 12,41.3. mann. mv. שְׁלֹשִׁים = sjëlosjîm (dertig) . Zie : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 630 (2 X 3² X 5 X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (111) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten (32) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (25) . Ex (7) : (1) Ex 12,40 . (2) Ex 12,41 . (3) Ex 20,5 . (4) Ex 21,32 . (5) Ex 26,8 . (6) Ex 34,7 . (7) Ex 36,15 .

Ex 12,41.4. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalwaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) . Ex (11) : (1) Ex 6,16 . (2) Ex 6,18 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 7,7 . (5) Ex 12,5 . (6) Ex 12,40 . (7) Ex 12,41 . (8) Ex 16,35 . (9) Ex 29,38 . (10) Ex 30,14 . (11) Ex 38,26 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Ex 12,41.3. - 4. שְׁלֹשִׁים שָׁנָה = sjëlosjîm sjânâh (dertig jaar) . Tenakh (17) : (1) Gn 5,16 . (2) Gn 11,14 . (3) Gn 11,17 . (4) Gn 11,18 . (5) Gn 11,22 . (6) Gn 41,46 . (7) Ex 12,40 . (8) Ex 12,41 . (9) Nu 4,3 . (10) Nu 4,23 . (11) Nu 4,30 . (12) Nu 4,35 . (13) Nu 4,39 . (14) Nu 4,43 . (15) Nu 4,47 . (16) 2 S 5,4 . (17) 1 Kr 23,3 .
- Volgens Gn 15,13 zal het volk 400 jaar slavendienst verrichten . Volgens Ex 12,40 is dat 430 jaar . In Gn 15 wordt een nakomeling beloofd . Volgens Gn 21,3 wordt Isaak geboren . Dan is Abraham 100 jaar . Volgens vele joodse bronnen wordt de 400 jaar slavendienst berekend vanaf de geboorte van Isaak . Eveneens volgens vele joodse bronnen werd Isaak geboren op de 15de nisan , de dag waarop Pasen gevierd wordt . Dat houdt in dat tussen de belofte van een nakomeling in Gn 15 en de realisatie in Gn 21 een periode van 30 jaar bestrijkt . Abraham moet dan 70 jaar zijn .
- Kreuzer S. , 430 Jahre, 400 Jahre oder 4 Generationen - Zu den Zeitangaben über den Ägyptenaufenthalt der 'Israeliten' . Zeitschrift für die Alttestamentliche Wissenschaft 98 (1986) , S. 199-210 . Zie : http://www.degruyter.com/view/j/zatw.1986.98.issue-2/zatw.1986.98.2.199/zatw.1986.98.2.199.xml .
- Kreuzer S. , Zur Priorität von Exodus 12,40 MT - Die chronologische Interpretation des Ägyptenaufenthalts in der judäischen, samaritanischen und alexandrinischen Exegese . Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 103 (1991) , S. 252-258 .

5. וְאַרְבַּע = wë´arëba` (en vier) . Zie : אַרְבַּע = ´arëba` (vier) . Zie : Getalwaarde : aleph = 1 ; resj = 20 of 200 ; beth = 2 ; ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 273 (3 X 7 X 13) . Structuur : 1 - 2 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (39) . Pentateuch (25) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (5) .Gn (5) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,17 . (4) Gn 32,7 . (5) Gn 47,24 . Ex (5) : (1) Ex 12,40 . (2) Ex 12,41 . (3) Ex 21,37 . (4) Ex 36,15 . (5) Ex 38,29 .

Ex 12,41.6. vr. mv. מֵאוֹד = me´ôth (honderden) . Zie : מֵאָה = me´âh (honderd) , zie 100 . Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , aleph = 1 , he = 5 ; totaal : 19 , zie 19 , of 46 (2 X 23) , zie 46 . Structuur : 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (278) . Pentateuch (101) . Eerdere Profeten (59) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (104) . Gn (33) . Gn 5 (17) : (1) Gn 5,5 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,8 . (4) Gn 5,10 . (5) Gn 5,11 . (6) Gn 5,13 . (7) Gn 5,14 . (8) Gn 5,16 . (9) Gn 5,17 . (10) Gn 5,19 . (11) Gn 5,20 . (12) Gn 5,22 . (13) Gn 5,23 . (14) Gn 5,26 . (15) Gn 5,27 . (16) Gn 5,31 . (17) Gn 5,32 . Gn 15 (1) : Gn 15,13 . Ex (12) : (1) Ex 12,37 . (2) Ex 12,40 . (3) Ex 12,41 . (4) Ex 14,7 . (5) Ex 18,21 . (6) Ex 18,25 . (7) Ex 30,23 . (8) Ex 30,24 . (9) Ex 38,24 . (10) Ex 38,25 . (11) Ex 38,26 . (12) Ex 38,29 .

6. - 7. אַרְבַּע מֵאוֹת = ´arëba` me´ôth (vierhonderd) . Tenakh (23) . Pentateuch (3) : (1) Gn 15,13 . (2) Gn 23,16 .(3) Gn 33,1 .
- וְאַרְבַּע מֵאוֹת = wë´arëba` me´ôth (en vierhonderd) . Tenakh (26) . Gn (4) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,17 . (4) Gn 32,7 . Ex (5) : (1) Ex 12,40 . (2) Ex 12,41 . (3) Ex 38,29 .

Ex 12,41.7. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalwaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) . Gn (75) . Ex (11) : (1) Ex 6,16 . (2) Ex 6,18 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 7,7 . (5) Ex 12,5 . (6) Ex 12,40 . (7) Ex 12,41 . (8) Ex 16,35 . (9) Ex 29,38 . (10) Ex 30,14 . (11) Ex 38,26 .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . annus (jaar) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

6. - 7. מֵאוֹד שָׁנָה = me´ôd sjânâh (honderd jaar, 100 jaar) . Tenakh (31) : (1) Gn 5,5 . (2) Gn 5,7 . (3) Gn 5,8 . (4) Gn 5,10 . (5) Gn 5,11 . (6) Gn 5,13 . (7) Gn 5,14 . (8) Gn 5,16 . (9) Gn 5,17 . (10) Gn 5,19 . (11) Gn 5,20 . (12) Gn 5,22 . (13) Gn 5,23 . (14) Gn 5,26 . (15) Gn 5,27 . (16) Gn 5,31 . (17) Gn 5,32 . (18) Gn 7,6 . (19) Gn 7,11 . (20) Gn 8,13 . (21) Gn 9,28 . (22) Gn 9,29 . (23) Gn 11,11 . (24) Gn 11,13 . (25) Gn 11,15 . (26) Gn 11,17 . (27) Gn 15,13 . (28) Ex 12,40 . (29) Ex 12,41 . (30) Re 11,26 . (31) 1 K 6,1 .

5. - 7. וְאַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָה = wë´arëba` me´ôth sjânâh (en vierhonderd jaar) . Slechts in Gn 15,13 .
- אַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָה = ´arëba` me´ôth me´ôth sjânâh (vierhonderd jaar) . Tenakh (6) : (1) Gn 11,13 . (2) Gn 11,15 . (3) Gn 11,17 . (4) Ex 12,40 . (5) Ex 12,41 . (6) 1 K 6,1 .

3. - 7. שְׁלֹשִׁים שָׁנָה וְאַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָה = jëlosjîm sjânâh wë´arëba` me´ôth sjânâh (430 jaar) . Tenakh (3) : (1) Gn 11,13 . (2) Ex 12,40 . (3) Ex 12,41 .

16. מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Tenakh (157) . Pentateuch (56) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (46) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (18) . Ex (21) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 6,26 . (3) Ex 7,4 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,41 . (6) Ex 12,42 . (7) Ex 12,51 . (8) Ex 13,18 . (9) Ex 16,1 . (10) Ex 16,6 . (11) Ex 16,32 . (12) Ex 19,1 . (13) Ex 20,2 . (14) Ex 29,46 . (15) Ex 32,1 . (16) Ex 32,4 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 32,8 . (19) Ex 32,11 . (20) Ex 32,23 . (21) Ex 33,1 .
- Grieks . gen. vr. enk. γηç van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk gè(i) 771  736  35  10    15  15 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 
  totaal 2935  2702  233  40  18  25  11  32  34  73  83  94     

- Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Aramees : אַרְעָא = ´arë`â´ (aarde, land,grond, veld) . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Koran : ´arD (aarde) .

17. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Js : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (Egypte) .

16. - 17. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם= me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (3) . Gn (2) . Ex (8) . Lv (4) . Nu (5) . Dt (7) . Joz (1) . Re (2) . 1 K (2) . 2 K (2) . Ex (8) : (1) Ex 6,26 . (2) Ex 7,4 . (3) Ex 12,51 . (4) Ex 20,2 . (5) Ex 29,46 . (6) Ex 32,1 . (7) Ex 32,11 . (8) Ex 32,23 .
- מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם = me´èrèts mitsërajim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Ex (13) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 12,17 . (3) Ex 12,41 . (4) Ex 12,42 . (5) Ex 13,18 . (6) Ex 16,1 . (7) Ex 16,6 . (8) Ex 16,32 . (9) Ex 19,1 . (10) Ex 32,4 . (11) Ex 32,7 . (12) Ex 32,8 . (13) Ex 33,1 .
- Grieks . = ek tès gès Aiguptou (uit het land Egypte) . Latijn . de terra Aegypti (uit het land Egypte) . Aramees : דְמִצְרָיִם מֵאַרְעָא = me´arë`â´ dëmitsërâjim (uit het land van Egypte) . Arabisch : مِصْرَ أرضِ مِن = min ´arDi misra (uit het land Egypte) .

Ex 12,42 - Ex 12,42 : Tiende plaag : dood van de eerstgeborenen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -- Ex 12,29-42 -- Ex 12,29 - Ex 12,30 - Ex 12,31 - Ex 12,32 - Ex 12,33 - Ex 12,34 - Ex 12,35 - Ex 12,36 - Ex 12,37 - Ex 12,38 - Ex 12,39 - Ex 12,40 - Ex 12,41 - Ex 12,42 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
42nuktos profulakè estin tô kuriô ôste exagagein autous ek gès aiguptou ekeinè è nux autè profulakè kuriô ôste pasi tois uiois israèl einai eis geneas autôn 42 nox est ista observabilis Domini quando eduxit eos de terra Aegypti hanc observare debent omnes filii Israhel in generationibus suis   42 Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de kinderen Israëls, onder hun geslachten. [42] De heer waakte die nacht, om hen uit Egypte weg te voeren. Daarom waken alle Israëlieten deze nacht voor de heer, elke generatie opnieuw. [42] Die nacht waakte de HEER om hen uit Egypte weg te leiden. Daarom waken de Israëlieten nog altijd in deze nacht ter ere van de HEER, elke generatie opnieuw. 12:42 Een nacht van wachten-en-waken is dit voor de Ene om hen weg te leiden uit het land van Egypte; dát is déze nacht voor de Ene: wachten-en-waken voor alle zonen Israëls, voor al hun generaties! • 42. Cette nuit durant laquelle Yahvé a veillé pour les faire sortir d'Égypte doit être pour tous les Israélites une veille pour Yahvé, pour leurs générations.

King James Bible . [42] It is a night to be much observed unto the LORD for bringing them out from the land of Egypt: this is that night of the LORD to be observed of all the children of Israel in their generations.
Luther-Bibel . 42Eine Nacht des Wachens war dies für den HERRN, um sie aus Ägyptenland zu führen; darum sollen die Israeliten diese Nacht dem HERRN zu Ehren wachen, sie und ihre Nachkommen.
- Targum Onkelos :

 

Tekstuitleg van Ex 12,42 .

Ex 12,42.5. לְהוֹצִיאָם = lëhôtsî´âm (om hen te doen uitgaan) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act. hifil infin. constructus + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . יָצַא = jâtsa´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Ex : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Getalwaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , aleph = 1 ; totaal : 29 OF 101 (3³ X 3²) . Structuur : 1 - 9 - 1 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (4) : (1) Ex 12,42 . (2) Jr 31,32 . (3) Ez 20,6 . (4) Ez 20,9 .

Ex 12,42.6. מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (17 X 23) . Structuur : 1 - 2 - 9 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (157) . Pentateuch (56) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (46) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (18) . Ex (21) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 6,26 . (3) Ex 7,4 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,41 . (6) Ex 12,42 . (7) Ex 12,51 . (8) Ex 13,18 . (9) Ex 16,1 . (10) Ex 16,6 . (11) Ex 16,32 . (12) Ex 19,1 . (13) Ex 20,2 . (14) Ex 29,46 . (15) Ex 32,1 . (16) Ex 32,4 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 32,8 . (19) Ex 32,11 . (20) Ex 32,23 . (21) Ex 33,1 .
- Grieks . gen. vr. enk. γηç van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     

- Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Aramees : אַרְעָא = ´arë`â´ (aarde, land,grond, veld) . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) .

Ex 12,42.7. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de qoran : misr (Egypte) .

Ex 12,42.6. - 7. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם= me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (3) . Gn (2) . Ex (8) . Lv (4) . Nu (5) . Dt (7) . Joz (1) . Re (2) . 1 K (2) . 2 K (2) . Ex (8) : (1) Ex 6,26 . (2) Ex 7,4 . (3) Ex 12,51 . (4) Ex 20,2 . (5) Ex 29,46 . (6) Ex 32,1 . (7) Ex 32,11 . (8) Ex 32,23 .
- מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם = me´èrèts mitsërajim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Ex (13) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 12,17 . (3) Ex 12,41 . (4) Ex 12,42 . (5) Ex 13,18 . (6) Ex 16,1 . (7) Ex 16,6 . (8) Ex 16,32 . (9) Ex 19,1 . (10) Ex 32,4 . (11) Ex 32,7 . (12) Ex 32,8 . (13) Ex 33,1 .
- Grieks . = ek tès gès Aiguptou (uit het land Egypte) . Latijn . de terra Aegypti (uit het land Egypte) . Aramees : דְמִצְרָיִם מֵאַרְעָא = me´arë`â´ dëmitsërâjim (uit het land van Egypte) . Arabisch : مِصْرَ أرضِ مِن = min ´arDi misra (uit het land Egypte) .

Ex 12,42.9. הַלָּיְלָה = hallâjëlâh (de nacht) < prefix bepaald lidw. ha + לָיְלָה = lajëlâh (nacht) . Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht) . De getalwaarde van lajëlâh (nacht) is : lamed = 12 of 30 , jod = 10 , he = 5 . Totaal : 39 (26 + 13 OF 3 X 13) of 75 (3 X 25) . Structuur : 3 - 1 - 3 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (54) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (9) . Pentateuch (19) : (1) Gn 1,14 . (2) Gn 1,16 . (3) Gn 19,5 . (4) Gn 19,34 . (5) Gn 20,3 . (6) Gn 30,15 . (7) Gn 31,24 . (8) Gn 46,2 . (9) Ex 10,13 . (10) Ex 11,4 . (11) Ex 12,29 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 14,20 . (14) Ex 14,21 . (15) Lv 6,2 . (16) Nu 11,32 . (17) Nu 22,8 . (18) Nu 22,19 . (19) Dt 9,25 .

- Ex 12,43-51 . Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -

Ex 12,43 - Ex 12,43 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
43eipen de kurios pros môusèn kai aarôn legôn outos o nomos tou pascha pas allogenès ouk edetai ap' autou 43 dixitque Dominus ad Mosen et Aaron haec est religio phase omnis alienigena non comedet ex eo   43 Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten. [43] De* heer sprak tot Mozes en Aäron: 'Voor het paasmaal gelden de volgende voorschriften. Geen buitenlander mag eraan deelnemen. [43] De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 'Voor het pesachmaal gelden deze voorschriften: Er mag geen enkele vreemdeling aan deelnemen. 12:43 Dan zegt de Ene tot Mozes en Aäron: dit is de inzetting van het paasoffer; alle zoon van een vreemdeling zal er níet van eten; 43. Yahvé dit à Moïse et à Aaron : « Voici le rituel de la pâque : aucun étranger n'en mangera.

King James Bible . [43] And the LORD said unto Moses and Aaron, This is the ordinance of the passover: There shall no stranger eat thereof:
Luther-Bibel . 43Und der HERR sprach zu Mose und Aaron: Dies ist die Ordnung für das Passa: Kein Ausländer soll davon essen.

Tekstuitleg van Ex 12,43 .

Ex 12,44 - Ex 12,44 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
44kai pan oiketèn tinos è argurônèton peritemeis auton kai tote fagetai ap' autou 44 omnis autem servus empticius circumcidetur et sic comedet   44 Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. [44] Maar een slaaf die u gekocht en besneden hebt, mag wel van het paasmaal eten. [44] Een slaaf die door iemand gekocht is, mag er echter aan deelnemen zodra hij besneden is. 12:44 maar elke dienstknecht van een man, verworven voor zilver,- heb je hem besneden, dán eet hij ervan mee; 44. Mais tout esclave acquis à prix d'argent, quand tu l'auras circoncis, pourra en manger.

King James Bible . [44] But every man's servant that is bought for money, when thou hast circumcised him, then shall he eat thereof.
Luther-Bibel . 44Ist er ein gekaufter Sklave, so beschneide man ihn; dann darf er davon essen.

Tekstuitleg van Ex 12,44 .

Ex 12,45 - Ex 12,45 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
45paroikos è misthôtos ouk edetai ap' autou 45 advena et mercennarius non edent ex eo   45 Geen uitlander noch huurling zal er van eten. [45] Vreemdelingen en dagloners mogen er echter niet aan deelnemen. [45] Een vreemdeling die tijdelijk bij je verblijft of een dagloner mag er niet aan deelnemen. 12:45 een bijwoner of dagloner eet er niet van; 45. Le résident et le serviteur à gages n'en mangeront pas.

King James Bible . [45] A foreigner and an hired servant shall not eat thereof.
Luther-Bibel . 45Ist er aber ein Beisasse oder Tagelöhner, so darf er nicht davon essen.

Tekstuitleg van Ex 12,45 .

Ex 12,46 - Ex 12,46 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
46en oikia mia brôthèsetai kai ouk exoisete ek tès oikias tôn kreôn exô kai ostoun ou suntripsete ap' autou 46 in una domo comedetur nec efferetis de carnibus eius foras nec os illius confringetis   46 In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken. [46] Het moet in één en hetzelfde huis gegeten worden, niets van het vlees mag u buitenshuis brengen en geen* been van het lam mag u verbrijzelen. [46] Het maal moet worden gebruikt in het huis waarin het is klaargemaakt, je mag niets van het vlees buitenshuis brengen; de botten mag je niet breken. 12:46 in één-en-hetzelfde huis zal het worden gegeten, niets wordt er van het vlees uit het huis naar buiten gebracht; en geen bot zult ge eraan breken; 46. On la mangera dans une seule maison et vous ne ferez sortir de cette maison aucun morceau de viande. Vous n'en briserez aucun os.

King James Bible . [46] In one house shall it be eaten; thou shalt not carry forth ought of the flesh abroad out of the house; neither shall ye break a bone thereof.
Luther-Bibel . 46In einem Hause soll man es verzehren; ihr sollt nichts von seinem Fleisch hinaus vor das Haus tragen und sollt keinen Knochen an ihm zerbrechen.

Tekstuitleg van Ex 12,46 .

14. act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תִשְׁבְּרוּ = thisjëbërû (jullie zullen verpletteren) : (1) Ex 12,46 . (2) Dt 2,6 ; תִשְׁבֹּרוּ = thisjëborû (jullie zullen verpletteren) : ( 1) Lv 11,33 . OF act. piël 2de pers. mann. mv. תְּשַׁבְּרוּ = thësabberû (jullie zullen verpletteren) : (4) Dt 7,5 , van het werkw. שָׁבַר = sjâbhar (1) (breken, verpletteren) . (2) verkopen . (3) nauwkeurig onderzoeken . Zie : Taalgebruik in Tenakh : sjâbhar (breken, verpletteren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 3 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
- act. ind. fut. 2de pers. mv. suntripsete (jullie zullen stukslaan) van het werkw. . συντριβω = suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Taalgebruik in Tenakh : suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven) . Bijbel (6) : (1) Ex 12,10 . (2) Ex 12,46 . (3) Ex 34,13 . (4) Dt 7,5 . (5) Dt 12,3 . (6) Re 2,2 .
- Latijn . act. ind. fut. 2de pers. mv. confringetis (jullie zullen breken) van het werkw. confringere (breken, verbrijzelen) .

Ex 12,47 - Ex 12,47 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
47pasa sunagôgè uiôn israèl poièsei auto 47 omnis coetus filiorum Israhel faciet illud   47 De ganse vergadering van Israël zal het doen. [47] Heel de gemeenschap van Israël moet het vieren. [47] Ieder die tot de gemeenschap van Israël behoort, is verplicht dit maal te bereiden. 12:47 allen van Israëls samenkomst zullen het klaarmaken; 47. Toute la communauté d'Israël la fera.

King James Bible . [47] All the congregation of Israel shall keep it.
Luther-Bibel . 47Die ganze Gemeinde Israel soll das tun.

Tekstuitleg van Ex 12,47 .

Ex 12,48 - Ex 12,48 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
48ean de tis proselthè pros umas prosèlutos poièsai to pascha kuriô peritemeis autou pan arsenikon kai tote proseleusetai poièsai auto kai estai ôsper kai o autochthôn tès gès pas aperitmètos ouk edetai ap' autou 48 quod si quis peregrinorum in vestram voluerit transire coloniam et facere phase Domini circumcidetur prius omne masculinum eius et tunc rite celebrabit eritque sicut indigena terrae si quis autem circumcisus non fuerit non vescetur ex eo   48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. [48] Wil een vreemdeling die bij u woont voor de heer het paasmaal vieren, dan moet hij eerst alle mannelijke leden van zijn familie laten besnijden. Dan mag hij het vieren, omdat hij als een geboren Israëliet geldt. Maar een onbesnedene mag er niet van meeëten. [48] Wil een vreemdeling die bij jullie woont het pesachmaal ter ere van de HEER bereiden, dan mag dat pas nadat hij en al zijn mannelijke familieleden besneden zijn, want alleen dan kan hij op één lijn worden gesteld met een geboren Israëliet. Maar een onbesnedene mag er niet aan deelnemen. 12:48 en als er bij je een zwerver te gast is: wil hij klaarmaken een Pesach voor de Ene dan moet men van hem al wat mannelijk is besnijden en dán mag hij naderen om het klaar te maken; wezen zal hij als een landgenoot; alles met een voorhuid eet er niet van mee; 48. Si un étranger en résidence chez toi veut faire la Pâque pour Yahvé, tous les mâles de sa maison devront être circoncis ; il sera alors admis à la faire, il sera comme un citoyen du pays ; mais aucun incirconcis ne pourra en manger.

King James Bible . [48] And when a stranger shall sojourn with thee, and will keep the passover to the LORD, let all his males be circumcised, and then let him come near and keep it; and he shall be as one that is born in the land: for no uncircumcised person shall eat thereof.
Luther-Bibel . 48Wenn ein Fremdling bei dir wohnt und dem HERRN das Passa halten will, der beschneide alles, was männlich ist; alsdann trete er herzu, dass er es halte, und er sei wie ein Einheimischer des Landes. Aber ein Unbeschnittener darf nicht davon essen.

Tekstuitleg van Ex 12,48 .

Ex 12,49 - Ex 12,49 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
49nomos eis estai tô egchôriô kai tô proselthonti prosèlutô en umin 49 eadem lex erit indigenae et colono qui peregrinatur apud vos   49 Enerlei wet zij voor den ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. [49] Voor de geboren Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij u verblijven, gelden dezelfde voorschriften.' [49] Voor geboren Israëlieten en voor vreemdelingen geldt een en dezelfde regel.' 12:49 één onderrichting zal er wezen voor de in-geborene en voor de zwerver die bij u te gast is! 49. La loi sera la même pour le citoyen et pour l'étranger en résidence parmi vous. »

King James Bible . [49] One law shall be to him that is homeborn, and unto the stranger that sojourneth among you.
Luther-Bibel . 49Ein und dasselbe Gesetz gelte für den Einheimischen und den Fremdling, der unter euch wohnt.

Tekstuitleg van Ex 12,49 .

Ex 12,50 - Ex 12,50 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
50kai epoièsan oi uioi israèl katha eneteilato kurios tô môusè kai aarôn pros autous outôs epoièsan 50 fecerunt omnes filii Israhel sicut praeceperat Dominus Mosi et Aaron   50 En alle kinderen Israëls deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij. [50] De Israëlieten voerden alles uit wat de heer door Mozes en Aäron had voorgeschreven. [50] De Israëlieten deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen. 12:50 Ze maken het klaar, alle zonen Israëls; zoals de Ene Mozes en Aäron heeft geboden, zo hebben ze gedaan. •• 50. Tous les Israélites firent comme Yahvé l'avait ordonné à Moïse et à Aaron.

King James Bible . [50] Thus did all the children of Israel; as the LORD commanded Moses and Aaron, so did they.
Luther-Bibel . 50Und alle Israeliten taten, wie der HERR es Mose und Aaron geboten hatte.

Tekstuitleg van Ex 12,50 .

Ex 12,51 - Ex 12,51 - Voorschriften voor het paasfeest -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Ex (Exodus) -- Ex 12 -
- Ex 12,29-42 -- Ex 12,43-51 - - Ex 12,43 - Ex 12,44 - Ex 12,45 - Ex 12,46 - Ex 12,47 - Ex 12,48 - Ex 12,49 - Ex 12,50 - Ex 12,51 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
51kai egeneto en tè èmera ekeinè exègagen kurios tous uious israèl ek gès aiguptou sun dunamei autôn 51 et in eadem die eduxit Dominus filios Israhel de terra Aegypti per turmas suas   51 En het geschiedde even tenzelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israëls uit Egypteland leidde, naar hun heiren. [51] En diezelfde dag nog leidde de heer de Israëlieten, in groepen geordend, weg uit Egypte. [51] Op diezelfde dag leidde de HEER de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte. 12:51 Het geschiedt op deze huidige dag: uitgeleid heeft de Ene de zonen Israëls uit het land van Egypte, tegen hún heirscharen in! 51. Ce jour-là même, Yahvé fit sortir les Israélites du pays d'Égypte, selon leurs armées.

King James Bible . [51] And it came to pass the selfsame day, that the LORD did bring the children of Israel out of the land of Egypt by their armies.
Luther-Bibel . 51An eben diesem Tage führte der HERR die Israeliten aus Ägyptenland, Schar um Schar.

Tekstuitleg van Ex 12,51 . Het vers Ex 12,51 telt 13 woorden en 50 (2 X 5²) letters . De getalwaarde van Ex 12,51 is 2797 (priemgetal) .

3. - 4.

Ex 12,51.5. הוֹצִיא = hôtsî´ (hij deed uitgaan) : (1) act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. OF (2) act. hifil imperatief 2de pers. enk. van het werkw. יָצַא = jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Tenakh (19) . (1) Gn 14,18 . Ex (4) : (1) Ex 12,51 . (2) Ex 13,3 . (3) Ex 16,6 . (4) Ex 18,1 . Verder : (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 22,19 . (9) 2 S 12,30 . (10) 2 S 12,31 . (11) 1 K 9,9. (12) Js 43,8 . (13) Jr 7,22 . (14) Jr 51,10 . (15) Ez 11,7 . (16) Ez 46,20 . (17) Ezr 1,7 . (18) 1 Kr 20,2 . (19) 1 Kr 20,3 .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εξηγαγεν = exègagen (hij leidde uit) van het werkw. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Lc : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Hnd : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Bijbel (67) . OT (62) . Pentateuch (30) . Gn (6) : (1) Gn 1,21 . (2) Gn 11,31 . (3) Gn 15,5 . (4) Gn 20,13 . (5) Gn 43,23 . (6) Gn 49,12 . Ex (12) : (1) Ex 12,51 . (2) Ex 13,3 . (3) Ex 13,9 . (4) Ex 13,14 . (5) Ex 13,16 . (6) Ex 16,6 . (7) Ex 16,32 . (8) Ex 18,1 . (9) Ex 19,17 . (10) Ex 32,1 . (11) Ex 32,12 . (12) Ex 32,23 . Nu (1) : Gn 49,12 . Dt (11) : (1) Dt 1,27 . (2) Dt 4,20 . (3) Dt 4,37 . (4) Dt 5,15 . (5) Dt 6,21 . (6) Dt 6,23 . (7) Dt 7,8 . (8) Dt 7,19 . (9) Dt 9,28 . (10) Dt 26,8 . (11) Dt 29,24 . NT (5) : (1) Lc 24,50 . (2) Hnd 7,36 . (3) Hnd 7,40 . (4) Hnd 12,17 . (5) Hnd 13,17 . Een vorm van εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in de LXX (221) , in het NT (12) . Syn. (2) . Ev. (3) .

Ex 12,51.5. - 6. יְהוָה הוֹצִיא = hôtsî´ JHWH (JHWH deed uitgaan) . Tenakh (5 / 19) : (1) Ex 12,51 . (2) Ex 13,3 . (3) Ex 18,1 . (4) Dt 7,8 . (5) Jr 51,10 .

Ex 12,51.10. מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Tenakh (157) . Pentateuch (56) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (46) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (18) . Ex (21) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 6,26 . (3) Ex 7,4 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,41 . (6) Ex 12,42 . (7) Ex 12,51 . (8) Ex 13,18 . (9) Ex 16,1 . (10) Ex 16,6 . (11) Ex 16,32 . (12) Ex 19,1 . (13) Ex 20,2 . (14) Ex 29,46 . (15) Ex 32,1 . (16) Ex 32,4 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 32,8 . (19) Ex 32,11 . (20) Ex 32,23 . (21) Ex 33,1 .
- Grieks . gen. vr. enk. γηç van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk gè(i) 771  736  35  10    15  15 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 
  totaal 2935  2702  233  40  18  25  11  32  34  73  83  94     

- Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Aramees : אַרְעָא = ´arë`â´ (aarde, land,grond, veld) . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Koran : ´arD (aarde) .

Ex 12,51.11. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Koran : misr (Egypte) .

Ex 12,51.10. - 11. מִצְרָיִם מֵאֶרֶץ = me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (3) . Gn (2) . Ex (8) . Lv (4) . Nu (5) . Dt (7) . Joz (1) . Re (2) . 1 K (2) . 2 K (2) . Ex (8) : (1) Ex 6,26 . (2) Ex 7,4 . (3) Ex 12,51 . (4) Ex 20,2 . (5) Ex 29,46 . (6) Ex 32,1 . (7) Ex 32,11 . (8) Ex 32,23 .
- מִצְרַיִם מֵאֶרֶץ = me´èrèts mitsërajim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Ex (13) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 12,17 . (3) Ex 12,41 . (4) Ex 12,42 . (5) Ex 13,18 . (6) Ex 16,1 . (7) Ex 16,6 . (8) Ex 16,32 . (9) Ex 19,1 . (10) Ex 32,4 . (11) Ex 32,7 . (12) Ex 32,8 . (13) Ex 33,1 .
- Grieks . = ek tès gès Aiguptou (uit het land Egypte) . Latijn . de terra Aegypti (uit het land Egypte) . Aramees : דְמִצְרָיִם מֵאַרְ?ָא = me´arë`â´ dëmitsërâjim (uit het land van Egypte) . Arabisch : مِصْرَ أرضِ مِن = min ´arDi misra (uit het land Egypte) .


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה וְאֶל־אַהֲרֹן בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם לֵאמֹר׃ .1 הַחֹדֶשׁ הַזֶּה לָכֶם רֹאשׁ חֳדָשִׁים רִאשֹׁון הוּא לָכֶם לְחָדְשֵׁי הַשָּׁנָה׃ .2 דַּבְּרוּ אֶל־כָּל־עֲדַת יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר בֶּעָשֹׂר לַחֹדֶשׁ הַזֶּה וְיִקְחוּ לָהֶם אִישׁ שֶׂה לְבֵית־אָבֹת שֶׂה לַבָּיִת׃ .3 וְאִם־יִמְעַט הַבַּיִת מִהְיֹת מִשֶּׂה וְלָקַח הוּא וּשְׁכֵנֹו הַקָּרֹב אֶל־בֵּיתֹו בְּמִכְסַת נְפָשֹׁת אִישׁ לְפִי אָכְלֹו תָּכֹסּוּ עַל־הַשֶּׂה׃ .4 שֶׂה תָמִים זָכָר בֶּן־שָׁנָה יִהְיֶה לָכֶם מִן־הַכְּבָשִׂים וּמִן־הָעִזִּים תִּקָּחוּ׃ .5 וְהָיָה לָכֶם לְמִשְׁמֶרֶת עַד אַרְבָּעָה עָשָׂר יֹום לַחֹדֶשׁ הַזֶּה וְשָׁחֲטוּ אֹתֹו כֹּל קְהַל עֲדַת־יִשְׂרָאֵל בֵּין הָעַרְבָּיִם׃ .6 וְלָקְחוּ מִן־הַדָּם וְנָתְנוּ עַל־שְׁתֵּי הַמְּזוּזֹת וְעַל־הַמַּשְׁקֹוף עַל הַבָּתִּים אֲשֶׁר־יֹאכְלוּ אֹתֹו בָּהֶם׃ .7 וְאָכְלוּ אֶת־הַבָּשָׂר בַּלַּיְלָה הַזֶּה צְלִי־אֵשׁ וּמַצֹּות עַל־מְרֹרִים יֹאכְלֻהוּ׃ .8 אַל־תֹּאכְלוּ מִמֶּנּוּ נָא וּבָשֵׁל מְבֻשָּׁל בַּמָּיִם כִּי אִם־צְלִי־אֵשׁ רֹאשֹׁו עַל־כְּרָעָיו וְעַל־קִרְבֹּו׃ .9 וְלֹא־תֹותִירוּ מִמֶּנּוּ עַד־בֹּקֶר וְהַנֹּתָר מִמֶּנּוּ עַד־בֹּקֶר בָּאֵשׁ תִּשְׂרֹפוּ׃ .10 וְכָכָה תֹּאכְלוּ אֹתֹו מָתְנֵיכֶם חֲגֻרִים נַעֲלֵיכֶם בְּרַגְלֵיכֶם וּמַקֶּלְכֶם בְּיֶדְכֶם וַאֲכַלְתֶּם אֹתֹו בְּחִפָּזֹון פֶּסַח הוּא לַיהוָה׃ .11 וְעָבַרְתִּי בְאֶרֶץ־מִצְרַיִם בַּלַּיְלָה הַזֶּה וְהִכֵּיתִי כָל־בְּכֹור בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם מֵאָדָם וְעַד־בְּהֵמָה וּבְכָל־אֱלֹהֵי מִצְרַיִם אֶעֱשֶׂה שְׁפָטִים אֲנִי יְהוָה׃ .12 וְהָיָה הַדָּם לָכֶם לְאֹת עַל הַבָּתִּים אֲשֶׁר אַתֶּם שָׁם וְרָאִיתִי אֶת־הַדָּם וּפָסַחְתִּי עֲלֵכֶם וְלֹא־יִהְיֶה בָכֶם נֶגֶף לְמַשְׁחִית בְּהַכֹּתִי בְּאֶרֶץ מִצְרָיִם׃ .13 וְהָיָה הַיֹּום הַזֶּה לָכֶם לְזִכָּרֹון וְחַגֹּתֶם אֹתֹו חַג לַיהוָה לְדֹרֹתֵיכֶם חֻקַּת עֹולָם תְּחָגֻּהוּ׃ .14 שִׁבְעַת יָמִים מַצֹּות תֹּאכֵלוּ אַךְ בַּיֹּום הָרִאשֹׁון תַּשְׁבִּיתוּ שְּׂאֹר מִבָּתֵּיכֶם כִּי ׀ כָּל־אֹכֵל חָמֵץ וְנִכְרְתָה הַנֶּפֶשׁ הַהִוא מִיִּשְׂרָאֵל מִיֹּום הָרִאשֹׁן עַד־יֹום הַשְּׁבִעִי׃ .15 וּבַיֹּום הָרִאשֹׁון מִקְרָא־קֹדֶשׁ וּבַיֹּום הַשְּׁבִיעִי מִקְרָא־קֹדֶשׁ יִהְיֶה לָכֶם כָּל־מְלָאכָה לֹא־יֵעָשֶׂה בָהֶם אַךְ אֲשֶׁר יֵאָכֵל לְכָל־נֶפֶשׁ הוּא לְבַדֹּו יֵעָשֶׂה לָכֶם׃ .16 וּשְׁמַרְתֶּם אֶת־הַמַּצֹּות כִּי בְּעֶצֶם הַיֹּום הַזֶּה הֹוצֵאתִי אֶת־צִבְאֹותֵיכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם וּשְׁמַרְתֶּם אֶת־הַיֹּום הַזֶּה לְדֹרֹתֵיכֶם חֻקַּת עֹולָם׃ .17 בָּרִאשֹׁן בְּאַרְבָּעָה עָשָׂר יֹום לַחֹדֶשׁ בָּעֶרֶב תֹּאכְלוּ מַצֹּת עַד יֹום הָאֶחָד וְעֶשְׂרִים לַחֹדֶשׁ בָּעָרֶב׃ .18 שִׁבְעַת יָמִים שְׂאֹר לֹא יִמָּצֵא בְּבָתֵּיכֶם כִּי ׀ כָּל־אֹכֵל מַחְמֶצֶת וְנִכְרְתָה הַנֶּפֶשׁ הַהִוא מֵעֲדַת יִשְׂרָאֵל בַּגֵּר וּבְאֶזְרַח הָאָרֶץ׃ .19 כָּל־מַחְמֶצֶת לֹא תֹאכֵלוּ בְּכֹל מֹושְׁבֹתֵיכֶם תֹּאכְלוּ מַצֹּות׃ פ .20 וַיִּקְרָא מֹשֶׁה לְכָל־זִקְנֵי יִשְׂרָאֵל וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם מִשְׁכוּ וּקְחוּ לָכֶם צֹאן לְמִשְׁפְּחֹתֵיכֶם וְשַׁחֲטוּ הַפָּסַח׃ .21 וּלְקַחְתֶּם אֲגֻדַּת אֵזֹוב וּטְבַלְתֶּם בַּדָּם אֲשֶׁר־בַּסַּף וְהִגַּעְתֶּם אֶל־הַמַּשְׁקֹוף וְאֶל־שְׁתֵּי הַמְּזוּזֹת מִן־הַדָּם אֲשֶׁר בַּסָּף וְאַתֶּם לֹא תֵצְאוּ אִישׁ מִפֶּתַח־בֵּיתֹו עַד־בֹּקֶר׃ .22 וְעָבַר יְהוָה לִנְגֹּף אֶת־מִצְרַיִם וְרָאָה אֶת־הַדָּם עַל־הַמַּשְׁקֹוף וְעַל שְׁתֵּי הַמְּזוּזֹת וּפָסַח יְהוָה עַל־הַפֶּתַח וְלֹא יִתֵּן הַמַּשְׁחִית לָבֹא אֶל־בָּתֵּיכֶם לִנְגֹּף׃ .23 וּשְׁמַרְתֶּם אֶת־הַדָּבָר הַזֶּה לְחָק־לְךָ וּלְבָנֶיךָ עַד־עֹולָם׃ .24 וְהָיָה כִּי־תָבֹאוּ אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר יִתֵּן יְהוָה לָכֶם כַּאֲשֶׁר דִּבֵּר וּשְׁמַרְתֶּם אֶת־הָעֲבֹדָה הַזֹּאת׃ .25 וְהָיָה כִּי־יֹאמְרוּ אֲלֵיכֶם בְּנֵיכֶם מָה הָעֲבֹדָה הַזֹּאת לָכֶם׃ .26 וַאֲמַרְתֶּם זֶבַח־פֶּסַח הוּא לַיהוָה אֲשֶׁר פָּסַח עַל־בָּתֵּי בְנֵי־יִשְׂרָאֵל בְּמִצְרַיִם בְּנָגְפֹּו אֶת־מִצְרַיִם וְאֶת־בָּתֵּינוּ הִצִּיל וַיִּקֹּד הָעָם וַיִּשְׁתַּחֲוּוּ׃ .27 וַיֵּלְכוּ וַיַּעֲשׂוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֶת־מֹשֶׁה וְאַהֲרֹן כֵּן עָשׂוּ׃ ס .28 וַיְהִי ׀ בַּחֲצִי הַלַּיְלָה וַיהוָה הִכָּה כָל־בְּכֹור בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם מִבְּכֹר פַּרְעֹה הַיֹּשֵׁב עַל־כִּסְאֹו עַד בְּכֹור הַשְּׁבִי אֲשֶׁר בְּבֵית הַבֹּור וְכֹל בְּכֹור בְּהֵמָה׃ .29 וַיָּקָם פַּרְעֹה לַיְלָה הוּא וְכָל־עֲבָדָיו וְכָל־מִצְרַיִם וַתְּהִי צְעָקָה גְדֹלָה בְּמִצְרָיִם כִּי־אֵין בַּיִת אֲשֶׁר אֵין־שָׁם מֵת׃ .30 וַיִּקְרָא לְמֹשֶׁה וּלְאַהֲרֹן לַיְלָה וַיֹּאמֶר קוּמוּ צְּאוּ מִתֹּוךְ עַמִּי גַּם־אַתֶּם גַּם־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וּלְכוּ עִבְדוּ אֶת־יְהוָה כְּדַבֶּרְכֶם׃ .31 גַּם־צֹאנְכֶם גַּם־בְּקַרְכֶם קְחוּ כַּאֲשֶׁר דִּבַּרְתֶּם וָלֵכוּ וּבֵרַכְתֶּם גַּם־אֹתִי׃ .32 וַתֶּחֱזַק מִצְרַיִם עַל־הָעָם לְמַהֵר לְשַׁלְּחָם מִן־הָאָרֶץ כִּי אָמְרוּ כֻּלָּנוּ מֵתִים׃ .33 וַיִּשָּׂא הָעָם אֶת־בְּצֵקֹו טֶרֶם יֶחְמָץ מִשְׁאֲרֹתָם צְרֻרֹת בְּשִׂמְלֹתָם עַל־שִׁכְמָם׃ .34 וּבְנֵי־יִשְׂרָאֵל עָשׂוּ כִּדְבַר מֹשֶׁה וַיִּשְׁאֲלוּ מִמִּצְרַיִם כְּלֵי־כֶסֶף וּכְלֵי זָהָב וּשְׂמָלֹת׃ .35 וַיהוָה נָתַן אֶת־חֵן הָעָם בְּעֵינֵי מִצְרַיִם וַיַּשְׁאִלוּם וַיְנַצְּלוּ אֶת־מִצְרָיִם׃ פ .36 וַיִּסְעוּ בְנֵי־יִשְׂרָאֵל מֵרַעְמְסֵס סֻכֹּתָה כְּשֵׁשׁ־מֵאֹות אֶלֶף רַגְלִי הַגְּבָרִים לְבַד מִטָּף׃ .37 וְגַם־עֵרֶב רַב עָלָה אִתָּם וְצֹאן וּבָקָר מִקְנֶה כָּבֵד מְאֹד׃ .38 וַיֹּאפוּ אֶת־הַבָּצֵק אֲשֶׁר הֹוצִיאוּ מִמִּצְרַיִם עֻגֹת מַצֹּות כִּי לֹא חָמֵץ כִּי־גֹרְשׁוּ מִמִּצְרַיִם וְלֹא יָכְלוּ לְהִתְמַהְמֵהַּ וְגַם־צֵדָה לֹא־עָשׂוּ לָהֶם׃ .39 וּמֹושַׁב בְּנֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר יָשְׁבוּ בְּמִצְרָיִם שְׁלֹשִׁים שָׁנָה וְאַרְבַּע מֵאֹות שָׁנָה׃ .40 וַיְהִי מִקֵּץ שְׁלֹשִׁים שָׁנָה וְאַרְבַּע מֵאֹות שָׁנָה וַיְהִי בְּעֶצֶם הַיֹּום הַזֶּה יָצְאוּ כָּל־צִבְאֹות יְהוָה מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם׃ .41 לֵיל שִׁמֻּרִים הוּא לַיהוָה לְהֹוצִיאָם מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם הוּא־הַלַּיְלָה הַזֶּה לַיהוָה שִׁמֻּרִים לְכָל־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לְדֹרֹתָם׃ פ .42 וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה וְאַהֲרֹן זֹאת חֻקַּת הַפָּסַח כָּל־בֶּן־נֵכָר לֹא־יֹאכַל בֹּו׃ .43 וְכָל־עֶבֶד אִישׁ מִקְנַת־כָּסֶף וּמַלְתָּה אֹתֹו אָז יֹאכַל בֹּו׃ .44 תֹּושָׁב וְשָׂכִיר לֹא־יֹאכַל־בֹּו׃ .45 בְּבַיִת אֶחָד יֵאָכֵל לֹא־תֹוצִיא מִן־הַבַּיִת מִן־הַבָּשָׂר חוּצָה וְעֶצֶם לֹא תִשְׁבְּרוּ־בֹו׃ .46 כָּל־עֲדַת יִשְׂרָאֵל יַעֲשׂוּ אֹתֹו׃ .47 וְכִי־יָגוּר אִתְּךָ גֵּר וְעָשָׂה פֶסַח לַיהוָה הִמֹּול לֹו כָל־זָכָר וְאָז יִקְרַב לַעֲשֹׂתֹו וְהָיָה כְּאֶזְרַח הָאָרֶץ וְכָל־עָרֵל לֹא־יֹאכַל בֹּו׃ .48 תֹּורָה אַחַת יִהְיֶה לָאֶזְרָח וְלַגֵּר הַגָּר בְּתֹוכְכֶם׃ .49 וַיַּעֲשׂוּ כָּל־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֶת־מֹשֶׁה וְאֶת־אַהֲרֹן כֵּן עָשׂוּ׃ ס .50 וַיְהִי בְּעֶצֶם הַיֹּום הַזֶּה הֹוצִיא יְהוָה אֶת־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם עַל־צִבְאֹתָם׃ פ .51 -


Targum Onkelos

שמות פרק יב א וַאֲמַר יְיָ לְמֹשֶׁה וּלְאַהֲרוֹן, בְּאַרְעָא דְּמִצְרַיִם לְמֵימַר. ב יַרְחָא הָדֵין לְכוֹן, רֵישׁ יַרְחַיָּא: קַדְמַאי הוּא לְכוֹן, לְיַרְחֵי שַׁתָּא. ג מַלִּילוּ, עִם כָּל כְּנִשְׁתָּא דְּיִשְׂרָאֵל לְמֵימַר, בְּעַסְרָא, לְיַרְחָא הָדֵין: וְיִסְּבוּן לְהוֹן, גְּבַר אִמַּר לְבֵית אַבָּא--אִמְּרָא לְבֵיתָא. ד וְאִם זְעֵיר בֵּיתָא, מִלְּאִתְמְנָאָה עַל אִמְּרָא--וְיִסַּב הוּא וְשֵׁיבָבֵיהּ דְּקָרִיב לְבֵיתֵיהּ, בְּמִנְיַן נַפְשָׁתָא: גְּבַר לְפֹם מֵיכְלֵיהּ, תִּתְמְנוֹן עַל אִמְּרָא. ה אִמַּר שְׁלִים דְּכַר בַּר שַׁתֵּיהּ, יְהֵי לְכוֹן; מִן אִמְּרַיָּא וּמִן בְּנֵי עִזַּיָּא, תִּסְּבוּן. ו וִיהֵי לְכוֹן לְמַטְּרָא, עַד אַרְבְּעַת עַסְרָא יוֹמָא לְיַרְחָא הָדֵין; וְיִכְּסוּן יָתֵיהּ, כֹּל קְהָלָא כְּנִשְׁתָּא דְּיִשְׂרָאֵל--בֵּין שִׁמְשַׁיָּא. ז וְיִסְּבוּן, מִן דְּמָא, וְיִתְּנוּן עַל תְּרֵין סִפַּיָּא, וְעַל שָׁקְפָא--עַל, בָּתַּיָּא, דְּיֵיכְלוּן יָתֵיהּ, בְּהוֹן. ח וְיֵיכְלוּן יָת בִּסְרָא, בְּלֵילְיָא הָדֵין: טְוֵי נוּר וּפַטִּיר, עַל מְרָרִין יֵיכְלוּנֵּיהּ. ט לָא תֵּיכְלוּן מִנֵּיהּ כִּד חַי, וְאַף לָא כִּד בַּשָּׁלָא מְבֻשַּׁל בְּמַיָּא: אֱלָהֵין טְוֵי נוּר, רֵישֵׁיהּ עַל כְּרָעוֹהִי וְעַל גַּוֵּיהּ. י וְלָא תַּשְׁאֲרוּן מִנֵּיהּ, עַד צַפְרָא; וּדְיִשְׁתְּאַר מִנֵּיהּ עַד צַפְרָא, בְּנוּרָא תֵּיקְדוּן. יא וּכְדֵין, תֵּיכְלוּן יָתֵיהּ--חַרְצֵיכוֹן יְהוֹן אֲסִירִין, מְסָנֵיכוֹן בְּרַגְלֵיכוֹן וְחֻטְרֵיכוֹן בְּיַדְכוֹן; וְתֵיכְלוּן יָתֵיהּ בִּבְהִילוּ, פִּסְחָא הוּא קֳדָם יְיָ. יב וְאֶתְגְּלֵי בְּאַרְעָא דְּמִצְרַיִם, בְּלֵילְיָא הָדֵין, וְאֶקְטוֹל כָּל בֻּכְרָא בְּאַרְעָא דְּמִצְרַיִם, מֵאֲנָשָׁא וְעַד בְּעִירָא; וּבְכָל טָעֲוָת מִצְרָאֵי אַעֲבֵיד דִּינִין, אֲנָא יְיָ. יג וִיהֵי דְּמָא לְכוֹן לְאָת, עַל בָּתַּיָּא דְּאַתּוּן תַּמָּן, וְאֶחְזֵי יָת דְּמָא, וַאֲחוּס עֲלֵיכוֹן; וְלָא יְהֵי בְּכוֹן מוֹתָא לְחַבָּלָא, בְּמִקְטְלִי בְּאַרְעָא דְּמִצְרָיִם. יד וִיהֵי יוֹמָא הָדֵין לְכוֹן לְדֻכְרָנָא, וְתֵיחֲגוּן יָתֵיהּ חַגָּא קֳדָם יְיָ: לְדָרֵיכוֹן, קְיָם עָלַם תֵּיחֲגוּנֵּיהּ. טו שִׁבְעָא יוֹמִין, פַּטִּירָא תֵּיכְלוּן--בְּרַם בְּיוֹמָא קַדְמָאָה, תְּבַטְּלוּן חֲמִירָא מִבָּתֵּיכוֹן: אֲרֵי כָּל דְּיֵיכוֹל חֲמִיעַ, וְיִשְׁתֵּיצֵי אֲנָשָׁא הַהוּא מִיִּשְׂרָאֵל--מִיּוֹמָא קַדְמָאָה, עַד יוֹמָא שְׁבִיעָאָה. טז וּבְיוֹמָא קַדְמָאָה, מְעָרַע קַדִּישׁ, וּבְיוֹמָא שְׁבִיעָאָה, מְעָרַע קַדִּישׁ יְהֵי לְכוֹן: כָּל עֲבִידָא, לָא יִתְעֲבֵיד בְּהוֹן--בְּרַם מָא דְּמִתְאֲכִיל לְכָל נְפַשׁ, הוּא בִּלְחוֹדוֹהִי יִתְעֲבֵיד לְכוֹן. יז וְתִטְּרוּן, יָת פַּטִּירָא, אֲרֵי בִּכְרַן יוֹמָא הָדֵין, אַפֵּיקִית יָת חֵילֵיכוֹן מֵאַרְעָא דְּמִצְרָיִם; וְתִטְּרוּן יָת יוֹמָא הָדֵין, לְדָרֵיכוֹן--קְיָם עָלַם. יח בְּנִיסָן בְּאַרְבְּעַת עַסְרָא יוֹמָא לְיַרְחָא, בְּרַמְשָׁא, תֵּיכְלוּן, פַּטִּירָא: עַד יוֹמָא חַד וְעַסְרִין, לְיַרְחָא--בְּרַמְשָׁא. יט שִׁבְעָא יוֹמִין--חֲמִירָא, לָא יִשְׁתְּכַח בְּבָתֵּיכוֹן: אֲרֵי כָּל דְּיֵיכוֹל מַחְמְעָא, וְיִשְׁתֵּיצֵי אֲנָשָׁא הַהוּא מִכְּנִשְׁתָּא דְּיִשְׂרָאֵל--בְּגִיּוֹרַיָּא, וּבְיַצִּיבַיָּא דְּאַרְעָא. כ כָּל מַחְמְעָא, לָא תֵּיכְלוּן; בְּכֹל, מוֹתְבָנֵיכוֹן, תֵּיכְלוּן, פַּטִּירָא. {פ} כא וּקְרָא מֹשֶׁה לְכָל סָבֵי יִשְׂרָאֵל, וַאֲמַר לְהוֹן: אִתְנְגִידוּ, וְסַבוּ לְכוֹן מִן בְּנֵי עָנָא לְזַרְעֲיָתְכוֹן--וְכוּסוּ פִּסְחָא. כב וְתִסְּבוּן אֲסָרַת אֵיזוֹבָא, וְתִטְבְּלוּן בִּדְמָא דִּבְמָנָא, וְתַדּוֹן לְשָׁקְפָא וְלִתְרֵין סִפַּיָּא, מִן דְּמָא דִּבְמָנָא; וְאַתּוּן, לָא תִּפְּקוּן אֲנָשׁ מִתְּרַע בֵּיתֵיהּ--עַד צַפְרָא. כג וְיִתְגְּלֵי יְיָ, לְמִמְחֵי יָת מִצְרָאֵי, וְיִחְזֵי יָת דְּמָא עַל שָׁקְפָא, וְעַל תְּרֵין סִפַּיָּא; וְיֵיחוּס יְיָ, עַל תַּרְעָא, וְלָא יִשְׁבּוֹק מְחַבְּלָא, לְמֵיעַל לְבָתֵּיכוֹן לְמִמְחֵי. כד וְתִטְּרוּן, יָת פִּתְגָמָא הָדֵין, לִקְיָם לָךְ וְלִבְנָךְ, עַד עָלְמָא. כה וִיהֵי אֲרֵי תֵּיעֲלוּן לְאַרְעָא, דְּיִתֵּין יְיָ לְכוֹן--כְּמָא דְּמַלֵּיל; וְתִטְּרוּן, יָת פֻּלְחָנָא הָדֵין. כו וִיהֵי, אֲרֵי יֵימְרוּן לְכוֹן בְּנֵיכוֹן: מָא פֻּלְחָנָא הָדֵין, לְכוֹן. כז וְתֵימְרוּן דֵּיבַח חֲיָס הוּא קֳדָם יְיָ, דְּחָס עַל בָּתֵּי בְּנֵי יִשְׂרָאֵל בְּמִצְרַיִם, כַּד מְחָא יָת מִצְרָאֵי, וְיָת בָּתַּנָא שֵׁיזֵיב; וּכְרַע עַמָּא, וּסְגִידוּ. כח וַאֲזַלוּ וַעֲבַדוּ, בְּנֵי יִשְׂרָאֵל: כְּמָא דְּפַקֵּיד יְיָ יָת מֹשֶׁה וְאַהֲרוֹן, כֵּין עֲבַדוּ. {ס} כט וַהֲוָה בְּפַלְגוּת לֵילְיָא, וַייָ קְטַל כָּל בֻּכְרָא בְּאַרְעָא דְּמִצְרַיִם, מִבֻּכְרָא דְּפַרְעֹה דַּעֲתִיד לְמִתַּב עַל כֻּרְסֵי מַלְכוּתֵיהּ, עַד בֻּכְרָא דְּשִׁבְיָא דִּבְבֵית אֲסִירֵי; וְכֹל, בֻּכְרָא דִּבְעִירָא. ל וְקָם פַּרְעֹה בְּלֵילְיָא, הוּא וְכָל עַבְדּוֹהִי וְכָל מִצְרָאֵי, וַהֲוָת צְוַחְתָּא רַבְּתָא, בְּמִצְרָיִם: אֲרֵי לֵית בֵּיתָא תַּמָּן, דְּלָא הֲוָה בֵּיהּ מִיתָא. לא וּקְרָא לְמֹשֶׁה וּלְאַהֲרוֹן בְּלֵילְיָא, וַאֲמַר קוּמוּ פּוּקוּ מִגּוֹ עַמִּי--אַף אַתּוּן, אַף בְּנֵי יִשְׂרָאֵל; וְאִיזִילוּ פְּלַחוּ קֳדָם יְיָ, כְּמָא דַּהֲוֵיתוֹן אָמְרִין. לב אַף עָנְכוֹן אַף תּוֹרֵיכוֹן דְּבַרוּ כְּמָא דְּמַלֵּילְתּוּן, וְאִיזִילוּ; וְצַלּוֹ, אַף עֲלָי. לג וּתְקִיפוּ מִצְרָאֵי עַל עַמָּא, לְאוֹחָאָה לְשַׁלָּחוּתְהוֹן מִן אַרְעָא: אֲרֵי אֲמַרוּ, כֻּלַּנָא מָיְתִין. לד וּנְטַל עַמָּא יָת לֵישְׁהוֹן, עַד לָא חֲמַע; מוֹתַר אָצְוָתְהוֹן צְרִיר בִּלְבוּשֵׁיהוֹן, עַל כַּתְפֵיהוֹן. לה וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל עֲבַדוּ, כְּפִתְגָמָא דְּמֹשֶׁה; וּשְׁאִילוּ, מִמִּצְרַיִם, מָנִין דִּכְסַף וּמָנִין דִּדְהַב, וּלְבוּשִׁין. לו וַייָ יְהַב יָת עַמָּא לְרַחֲמִין, בְּעֵינֵי מִצְרָאֵי--וְאַשְׁאִילוּנוּן; וְרוֹקִינוּ, יָת מִצְרָיִם. {פ} לז וּנְטַלוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל מֵרַעְמְסֵס, לְסֻכּוֹת, כְּשֵׁית מְאָה אַלְפִין גֻּבְרָא, רִגְלָאָה בָּר מִטַּפְלָא. לח וְאַף נֻכְרָאִין סַגִּיאִין, סְלִיקוּ עִמְּהוֹן, וְעָנָא וְתוֹרֵי, בְּעִירָא סַגִּי לַחְדָּא. לט וַאֲפוֹ יָת לֵישָׁא דְּאַפִּיקוּ מִמִּצְרַיִם, גְּרִיצָן פַּטִּירָן--אֲרֵי לָא חֲמַע: אֲרֵי אִתָּרַכוּ מִמִּצְרַיִם, וְלָא יְכִילוּ לְאִתְעַכָּבָא, וְאַף זְוָדִין, לָא עֲבַדוּ לְהוֹן. מ וּמוֹתַב בְּנֵי יִשְׂרָאֵל, דִּיתִיבוּ בְּמִצְרָיִם--אַרְבַּע מְאָה, וּתְלָתִין שְׁנִין. מא וַהֲוָה, מִסּוֹף אַרְבַּע מְאָה, וּתְלָתִין, שְׁנִין; וַהֲוָה, בִּכְרַן יוֹמָא הָדֵין, נְפַקוּ כָּל חֵילַיָּא דַּייָ, מֵאַרְעָא דְּמִצְרָיִם. מב לֵילֵי נְטִיר הוּא קֳדָם יְיָ, לְאַפָּקוּתְהוֹן מֵאַרְעָא דְּמִצְרָיִם: הוּא לֵילְיָא הָדֵין קֳדָם יְיָ, נְטִיר לְכָל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לְדָרֵיהוֹן. {פ} מג וַאֲמַר יְיָ לְמֹשֶׁה וְאַהֲרוֹן, דָּא גְּזֵירַת פִּסְחָא: כָּל בַּר יִשְׂרָאֵל דְּיִשְׁתַּמַּד, לָא יֵיכוֹל בֵּיהּ. מד וְכָל עֶבֶד גְּבַר, זְבִין כַּסְפָּא--וְתִגְזַר יָתֵיהּ, בְּכֵין יֵיכוֹל בֵּיהּ. מה תּוֹתָבָא וַאֲגִירָא, לָא יֵיכוֹל בֵּיהּ. מו בַּחֲבוּרָא חֲדָא יִתְאֲכִיל, לָא תַּפְּקוּן מִן בֵּיתָא מִן בִּסְרָא לְבָרָא; וְגַרְמָא, לָא תִּתְבְּרוּן בֵּיהּ. מז כָּל כְּנִשְׁתָּא דְּיִשְׂרָאֵל, יַעְבְּדוּן יָתֵיהּ. מח וַאֲרֵי יִתְגַיַּר עִמְּכוֹן גִּיּוֹרָא, וְיַעֲבֵיד פִּסְחָא קֳדָם יְיָ--מִגְזַר לֵיהּ כָּל דְּכוּרָא וּבְכֵין יִקְרַב לְמִעְבְּדֵיהּ, וִיהֵי כְּיַצִּיבֵי אַרְעָא; וְכָל עַרְלָא, לָא יֵיכוֹל בֵּיהּ. מט אוֹרָיְתָא חֲדָא, תְּהֵי לְיַצִּיבַיָּא, וּלְגִיּוֹרַיָּא, דְּיִתְגַיְּרוּן בֵּינֵיכוֹן. נ וַעֲבַדוּ, כָּל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל: כְּמָא דְּפַקֵּיד יְיָ יָת מֹשֶׁה וְיָת אַהֲרוֹן, כֵּין עֲבַדוּ. {ס} נא וַהֲוָה, בִּכְרַן יוֹמָא הָדֵין: אַפֵּיק יְיָ יָת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל, מֵאַרְעָא דְּמִצְרַיִם--עַל חֵילֵיהוֹן. {פ}


- Griekse tekst - Septuaginta

1eipen de kurios pros môusèn kai aarôn en gè aiguptou legôn2o mèn outos umin archè mènôn prôtos estin umin en tois mèsin tou eniautou3lalèson pros pasan sunagôgèn uiôn israèl legôn tè dekatè tou mènos toutou labetôsan ekastos probaton kat' oikous patriôn ekastos probaton kat' oikian4ean de oligostoi ôsin oi en tè oikia ôste mè ikanous einai eis probaton sullèmpsetai meth' eautou ton geitona ton plèsion autou kata arithmon psuchôn ekastos to arkoun autô sunarithmèsetai eis probaton5probaton teleion arsen eniausion estai umin apo tôn arnôn kai tôn erifôn lèmpsesthe6kai estai umin diatetèrèmenon eôs tès tessareskaidekatès tou mènos toutou kai sfaxousin auto pan to plèthos sunagôgès uiôn israèl pros esperan7kai lèmpsontai apo tou aimatos kai thèsousin epi tôn duo stathmôn kai epi tèn flian en tois oikois en ois ean fagôsin auta en autois8kai fagontai ta krea tè nukti tautè opta puri kai azuma epi pikridôn edontai9ouk edesthe ap' autôn ômon oude èpsèmenon en udati all' è opta puri kefalèn sun tois posin kai tois endosthiois10ouk apoleipsete ap' autou eôs prôi kai ostoun ou suntripsete ap' autou ta de kataleipomena ap' autou eôs prôi en puri katakausete11outôs de fagesthe auto ai osfues umôn periezôsmenai kai ta upodèmata en tois posin umôn kai ai baktèriai en tais chersin umôn kai edesthe auto meta spoudès pascha estin kuriô12kai dieleusomai en gè aiguptô en tè nukti tautè kai pataxô pan prôtotokon en gè aiguptô apo anthrôpou eôs ktènous kai en pasi tois theois tôn aiguptiôn poièsô tèn ekdikèsin egô kurios13kai estai to aima umin en sèmeiô epi tôn oikiôn en ais umeis este ekei kai opsomai to aima kai skepasô umas kai ouk estai en umin plègè tou ektribènai otan paiô en gè aiguptô14kai estai è èmera umin autè mnèmosunon kai eortasete autèn eortèn kuriô eis pasas tas geneas umôn nomimon aiônion eortasete autèn15epta èmeras azuma edesthe apo de tès èmeras tès prôtès afanieite zumèn ek tôn oikiôn umôn pas os an fagè zumèn exolethreuthèsetai è psuchè ekeinè ex israèl apo tès èmeras tès prôtès eôs tès èmeras tès ebdomès16kai è èmera è prôtè klèthèsetai agia kai è èmera è ebdomè klètè agia estai umin pan ergon latreuton ou poièsete en autais plèn osa poièthèsetai pasè psuchè touto monon poièthèsetai umin17kai fulaxesthe tèn entolèn tautèn en gar tè èmera tautè exaxô tèn dunamin umôn ek gès aiguptou kai poièsete tèn èmeran tautèn eis geneas umôn nomimon aiônion18enarchomenou tè tessareskaidekatè èmera tou mènos tou prôtou af' esperas edesthe azuma eôs èmeras mias kai eikados tou mènos eôs esperas19epta èmeras zumè ouch eurethèsetai en tais oikiais umôn pas os an fagè zumôton exolethreuthèsetai è psuchè ekeinè ek sunagôgès israèl en te tois geiôrais kai autochthosin tès gès20pan zumôton ouk edesthe en panti de katoikètèriô umôn edesthe azuma21ekalesen de môusès pasan gerousian uiôn israèl kai eipen pros autous apelthontes labete umin eautois probaton kata suggeneias umôn kai thusate to pascha22lèmpsesthe de desmèn ussôpou kai bapsantes apo tou aimatos tou para tèn thuran kathixete tès flias kai ep' amfoterôn tôn stathmôn apo tou aimatos o estin para tèn thuran umeis de ouk exeleusesthe ekastos tèn thuran tou oikou autou eôs prôi23kai pareleusetai kurios pataxai tous aiguptious kai opsetai to aima epi tès flias kai ep' amfoterôn tôn stathmôn kai pareleusetai kurios tèn thuran kai ouk afèsei ton olethreuonta eiselthein eis tas oikias umôn pataxai24kai fulaxesthe to rèma touto nomimon seautô kai tois uiois sou eôs aiônos25ean de eiselthète eis tèn gèn èn an dô kurios umin kathoti elalèsen fulaxesthe tèn latreian tautèn26kai estai ean legôsin pros umas oi uioi umôn tis è latreia autè27kai ereite autois thusia to pascha touto kuriô ôs eskepasen tous oikous tôn uiôn israèl en aiguptô ènika epataxen tous aiguptious tous de oikous èmôn errusato kai kupsas o laos prosekunèsen28kai apelthontes epoièsan oi uioi israèl katha eneteilato kurios tô môusè kai aarôn outôs epoièsan29egenèthè de mesousès tès nuktos kai kurios epataxen pan prôtotokon en gè aiguptô apo prôtotokou faraô tou kathèmenou epi tou thronou eôs prôtotokou tès aichmalôtidos tès en tô lakkô kai eôs prôtotokou pantos ktènous30kai anastas faraô nuktos kai pantes oi therapontes autou kai pantes oi aiguptioi kai egenèthè kraugè megalè en pasè gè aiguptô ou gar èn oikia en è ouk èn en autè tethnèkôs31kai ekalesen faraô môusèn kai aarôn nuktos kai eipen autois anastète kai exelthate ek tou laou mou kai umeis kai oi uioi israèl badizete kai latreusate kuriô tô theô umôn katha legete32kai ta probata kai tous boas umôn analabontes poreuesthe eulogèsate de kame33kai katebiazonto oi aiguptioi ton laon spoudè ekbalein autous ek tès gès eipan gar oti pantes èmeis apothnèskomen34anelaben de o laos to stais pro tou zumôthènai ta furamata autôn endedemena en tois imatiois autôn epi tôn ômôn35oi de uioi israèl epoièsan katha sunetaxen autois môusès kai ètèsan para tôn aiguptiôn skeuè argura kai chrusa kai imatismon36kai kurios edôken tèn charin tô laô autou enantion tôn aiguptiôn kai echrèsan autois kai eskuleusan tous aiguptious37aparantes de oi uioi israèl ek ramessè eis sokchôtha eis exakosias chiliadas pezôn oi andres plèn tès aposkeuès38kai epimiktos polus sunanebè autois kai probata kai boes kai ktènè polla sfodra39kai epepsan to stais o exènegkan ex aiguptou egkrufias azumous ou gar ezumôthè exebalon gar autous oi aiguptioi kai ouk èdunèthèsan epimeinai oude episitismon epoièsan eautois eis tèn odon40è de katoikèsis tôn uiôn israèl èn katôkèsan en gè aiguptô kai en gè chanaan etè tetrakosia triakonta41kai egeneto meta ta tetrakosia triakonta etè exèlthen pasa è dunamis kuriou ek gès aiguptou42nuktos profulakè estin tô kuriô ôste exagagein autous ek gès aiguptou ekeinè è nux autè profulakè kuriô ôste pasi tois uiois israèl einai eis geneas autôn43eipen de kurios pros môusèn kai aarôn legôn outos o nomos tou pascha pas allogenès ouk edetai ap' autou44kai pan oiketèn tinos è argurônèton peritemeis auton kai tote fagetai ap' autou45paroikos è misthôtos ouk edetai ap' autou46en oikia mia brôthèsetai kai ouk exoisete ek tès oikias tôn kreôn exô kai ostoun ou suntripsete ap' autou47pasa sunagôgè uiôn israèl poièsei auto48ean de tis proselthè pros umas prosèlutos poièsai to pascha kuriô peritemeis autou pan arsenikon kai tote proseleusetai poièsai auto kai estai ôsper kai o autochthôn tès gès pas aperitmètos ouk edetai ap' autou49nomos eis estai tô egchôriô kai tô proselthonti prosèlutô en umin50kai epoièsan oi uioi israèl katha eneteilato kurios tô môusè kai aarôn pros autous outôs epoièsan51kai egeneto en tè èmera ekeinè exègagen kurios tous uious israèl ek gès aiguptou sun dunamei autôn

ΕΙΠΕ δὲ Κύριος πρὸς Μωυσῆν καὶ ᾿Ααρὼν ἐν γῇ Αἰγύπτου λέγων. 2 ὁ μὴν οὗτος ὑμῖν ἀρχὴ μηνῶν, πρῶτός ἐστιν ὑμῖν ἐν τοῖς μησὶ τοῦ ἐνιαυτοῦ. 3 λάλησον πρὸς πᾶσαν συναγωγὴν υἱῶν ᾿Ισραὴλ λέγων· τῇ δεκάτῃ τοῦ μηνὸς τούτου λαβέτωσαν ἕκαστος πρόβατον κατ᾿ οἴκους πατριῶν, ἕκαστος πρόβατον κατ᾿ οἰκίαν. 4 ἐὰν δὲ ὀλιγοστοὶ ὦσιν ἐν τῇ οἰκίᾳ, ὥστε μὴ εἶναι ἱκανοὺς εἰς πρόβατον, συλλήψεται μεθ᾿ ἑαυτοῦ τὸν γείτονα τὸν πλησίον αὐτοῦ κατὰ ἀριθμὸν ψυχῶν· ἕκαστος τὸ ἀρκοῦν αὐτῷ συναριθμήσεται εἰς πρόβατον. 5 πρόβατον τέλειον, ἄρσεν, ἐνιαύσιον ἔσται ὑμῖν· ἀπὸ τῶν ἀρνῶν καὶ τῶν ἐρίφων λήψεσθε. 6 καὶ ἔσται ὑμῖν διατετηρημένον ἕως τῆς τεσσαρεσκαιδεκάτης τοῦ μηνὸς τούτου, καὶ σφάξουσιν αὐτὸ πᾶν τὸ πλῆθος συναγωγῆς υἱῶν ᾿Ισραὴλ πρὸς ἑσπέραν. 7 καὶ λήψονται ἀπὸ τοῦ αἵματος καὶ θήσουσιν ἐπὶ τῶν δύο σταθμῶν καὶ ἐπὶ τὴν φλιὰν ἐν τοῖς οἴκοις, ἐν οἷς ἐὰν φάγωσιν αὐτὰ ἐν αὐτοῖς, 8 καὶ φάγονται τὰ κρέα τῇ νυκτὶ ταύτῃ· ὀπτὰ πυρὶ καὶ ἄζυμα ἐπὶ πικρίδων ἔδονται. 9 οὐκ ἔδεσθε ἀπ᾿ αὐτῶν ὠμὸν οὐδὲ ἡψημένον ἐν ὕδατι, ἀλλ᾿ ἢ ὀπτὰ πυρί, κεφαλὴν σὺν τοῖς ποσὶ καὶ τοῖς ἐνδοσθίοις. 10 οὐκ ἀπολείψετε ἀπ᾿ αὐτοῦ ἕως πρωΐ καὶ ὀστοῦν οὐ συντρίψετε ἀπ᾿ αὐτοῦ· τὰ δὲ καταλειπόμενα ἀπ᾿ αὐτοῦ ἕως πρωΐ ἐν πυρὶ κατακαύσετε. 11 οὕτω δὲ φάγεσθε αὐτό· αἱ ὀσφύες ὑμῶν περιεζωσμέναι, καὶ τὰ ὑποδήματα ἐν τοῖς ποσὶν ὑμῶν, καὶ αἱ βακτηρίαι ἐν ταῖς χερσὶν ὑμῶν· καὶ ἔδεσθε αὐτὸ μετὰ σπουδῆς· πάσχα ἐστὶ Κυρίῳ. 12 καί διελεύσομαι ἐν γῇ Αἰγύπτῳ ἐν τῇ νυκτὶ ταύτῃ καὶ πατάξω πᾶν πρωτότοκον ἐν γῇ Αἰγύπτῳ ἀπὸ ἀνθρώπου ἕως κτήνους καὶ ἐν πᾶσι τοῖς θεοῖς τῶν Αἰγυπτίων ποιήσω τὴν ἐκδίκησιν· ἐγὼ Κύριος. 13 καὶ ἔσται τὸ αἷμα ὑμῖν ἐν σημείῳ ἐπὶ τῶν οἰκιῶν, ἐν αἷς ὑμεῖς ἐστε ἐκεῖ, καὶ ὄψομαι τὸ αἷμα καὶ σκεπάσω ὑμᾶς, καὶ οὐκ ἔσται ἐν ὑμῖν πληγὴ τοῦ ἐκτριβῆναι, ὅταν παίω ἐν γῇ Αἰγύπτῳ. 14 καὶ ἔσται ἡ ἡμέρα ὑμῖν αὕτη μνημόσυνον· καὶ ἑορτάσετε αὐτὴν ἑορτὴν Κυρίῳ εἰς πάσας τὰς γενεὰς ὑμῶν· νόμιμον αἰώνιον ἑορτάσετε αὐτήν. 15 ἑπτὰ ἡμέρας ἄζυμα ἔδεσθε, ἀπὸ δὲ τῆς ἡμέρας τῆς πρώτης ἀφανιεῖτε ζύμην ἐκ τῶν οἰκιῶν ὑμῶν· πᾶς ὃς ἂν φάγῃ ζύμην, ἐξολοθρευθήσεται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἐξ ᾿Ισραὴλ ἀπὸ τῆς ἡμέρας τῆς πρώτης ἕως τῆς ἡμέρας τῆς ἑβδόμης. 16 καὶ ἡ ἡμέρα ἡ πρώτη κληθήσεται ἁγία, καὶ ἡ ἡμέρα ἡ ἑβδόμη κλητὴ ἁγία ἔσται ὑμῖν· πᾶν ἔργον λατρευτὸν οὐ ποιήσετε ἐν αὐταῖς, πλὴν ὅσα ποιηθήσεται πάσῃ ψυχῇ, τοῦτο μόνον ποιηθήσεται ὑμῖν. 17 καὶ φυλάξετε τὴν ἐντολὴν ταύτην· ἐν γὰρ τῇ ἡμέρᾳ ταύτῃ ἐξάξω τὴν δύναμιν ὑμῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου, καὶ ποιήσετε τὴν ἡμέραν ταύτην εἰς γενεὰς ὑμῶν νόμιμον αἰώνιον. 18 ἐναρχόμενοι τῇ τεσσαρεσκαιδεκάτῃ ἡμέρᾳ τοῦ μηνὸς τοῦ πρώτου ἀφ᾿ ἑσπέρας ἔδεσθε ἄζυμα ἕως ἡμέρας μιᾶς καὶ εἰκάδος τοῦ μηνός, ἕως ἑσπέρας. 19 ἑπτὰ ἡμέρας ζύμη οὐχ εὑρεθήσεται ἐν ταῖς οἰκίαις ὑμῶν· πᾶς ὃς ἂν φάγῃ ζυμωτόν, ἐξολοθρευθήσεται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἐκ συναγωγῆς ᾿Ισραήλ, ἔν τε τοῖς γειώραις καὶ αὐτόχθοσι τῆς γῆς· 20 πᾶν ζυμωτὸν οὐκ ἔδεσθε, ἐν παντὶ δὲ κατοικητηρίῳ ὑμῶν ἔδεσθε ἄζυμα. 21 ᾿Εκάλεσε δὲ Μωυσῆς πᾶσαν γερουσίαν υἱῶν ᾿Ισραὴλ καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς· ἀπελθόντες λάβετε ὑμῖν αὐτοῖς πρόβατον κατὰ συγγενείας ὑμῶν καὶ θύσατε τὸ πάσχα. 22 λήψεσθε δὲ δέσμην ὑσσώπου, καὶ βάψαντες ἀπὸ τοῦ αἵματος τοῦ παρὰ τὴν θύραν καθίξετε τῆς φλιᾶς καὶ ἐπ᾿ ἀμφοτέρων τῶν σταθμῶν ἀπὸ τοῦ αἵματος, ὅ ἐστι παρὰ τὴν θύραν· ὑμεῖς δὲ οὐκ ἐξελεύσεσθε ἕκαστος τὴν θύραν τοῦ οἴκου αὐτοῦ ἕως πρωΐ. 23 καὶ παρελεύσεται Κύριος πατάξαι τοὺς Αἰγυπτίους καὶ ὄψεται τὸ αἷμα ἐπὶ τῆς φλιᾶς καὶ ἐπ᾿ ἀμφοτέρων τῶν σταθμῶν, καὶ παρελεύσεται Κύριος τὴν θύραν καὶ οὐκ ἀφήσει τὸν ὀλοθρεύοντα εἰσελθεῖν εἰς τὰς οἰκίας ὑμῶν πατάξαι. 24 καὶ φυλάξασθε τὸ ρῆμα τοῦτο νόμιμον σεαυτῷ, καὶ τοῖς υἱοῖς σου ἕως αἰῶνος. 25 ἐὰν δὲ εἰσέλθητε εἰς τὴν γῆν, ἣν ἂν δῷ Κύριος ὑμῖν, καθότι ἐλάλησε, φυλάξασθε τὴν λατρείαν ταύτην. 26 καὶ ἔσται ἐὰν λέγωσι πρὸς ὑμᾶς οἱ υἱοὶ ὑμῶν· τίς ἡ λατρεία αὕτη; 27 καὶ ἐρεῖτε αὐτοῖς· θυσία τὸ πάσχα τοῦτο Κυρίῳ, ὡς ἐσκέπασε τοὺς οἴκους τῶν υἱῶν ᾿Ισραὴλ ἐν Αἰγύπτῳ, ἡνίκα ἐπάταξε τοὺς Αἰγυπτίους, τοὺς δὲ οἴκους ἡμῶν ἐρρύσατο. καὶ κύψας ὁ λαὸς προσεκύνησε. 28 καὶ ἀπελθόντες ἐποίησαν οἱ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ καθὰ ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ καὶ ᾿Ααρών, οὕτως ἐποίησαν. 29 ᾿Εγενήθη δὲ μεσούσης τῆς νυκτὸς καὶ Κύριος ἐπάταξε πᾶν πρωτότοκον ἐν γῇ Αἰγύπτῳ, ἀπὸ πρωτοτόκου Φαραὼ τοῦ καθημένου ἐπὶ τοῦ θρόνου ἕως πρωτοτόκου τῆς αἰχμαλωτίδος τῆς ἐν τῷ λάκκῳ καὶ ἕως πρωτοτόκου παντὸς κτήνους. 30 καὶ ἀναστὰς Φαραὼ νυκτὸς καὶ οἱ θεράποντες αὐτοῦ καὶ πάντες οἱ Αἰγύπτιοι καὶ ἐγενήθη κραυγή μεγάλη ἐν πάσῃ γῇ Αἰγύπτῳ· οὐ γὰρ ἦν οἰκία, ἐν ᾗ οὐκ ἦν ἐν αὐτῇ τεθνηκώς. 31 καὶ ἐκάλεσε Φαραὼ Μωυσῆν καὶ ᾿Ααρὼν νυκτὸς καὶ εἶπεν αὐτοῖς· ἀνάστητε καὶ ἐξέλθετε ἐκ τοῦ λαοῦ μου καὶ ὑμεῖς καὶ οἱ υἱοὶ ᾿Ισραήλ· βαδίζετε καὶ λατρεύσατε Κυρίῳ τῷ Θεῷ ὑμῶν, καθὰ λέγετε· 32 καὶ τὰ πρόβατα καὶ τοὺς βόας ὑμῶν ἀναλαβόντες πορεύεσθε, εὐλογήσατε δὲ κἀμέ. 33 καὶ κατεβιάζοντο οἱ Αἰγύπτιοι τὸν λαὸν σπουδῇ ἐκβαλεῖν αὐτοὺς ἐκ τῆς γῆς· εἶπαν γάρ, ὅτι πάντες ἡμεῖς ἀποθνήσκομεν. 34 ἀνέλαβε δὲ ὁ λαὸς τὸ σταῖς αὐτῶν πρὸ τοῦ ζυμωθῆναι τὰ φυράματα αὐτῶν ἐνδεδεμένα ἐν τοῖς ἱματίοις αὐτῶν ἐπὶ τῶν ὤμων. 35 οἱ δὲ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ ἐποίησαν καθὰ συνέταξεν αὐτοῖς Μωυσῆς, καὶ ᾔτησαν παρὰ τῶν Αἰγυπτίων σκεύη ἀργυρᾶ καὶ χρυσᾶ καὶ ἱματισμόν· 36 καὶ ἔδωκε Κύριος τὴν χάριν τῷ λαῷ αὐτοῦ ἐναντίον τῶν Αἰγυπτίων, καὶ ἔχρησαν αὐτοῖς· καὶ ἐσκύλευσαν τοὺς Αἰγυπτίους. 37 ᾿Απάραντες δὲ οἱ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ ἐκ Ραμεσσῆ εἰς Σοκχώθ εἰς ἑξακοσίας χιλιάδας πεζῶν, οἱ ἄνδρες, πλὴν τῆς ἀποσκευῆς, 38 καὶ ἐπίμικτος πολὺς συνανέβη αὐτοῖς καὶ πρόβατα καὶ βόες καὶ κτήνη πολλὰ σφόδρα. 39 καὶ ἔπεψαν τὸ σταῖς, ὃ ἐξήνεγκαν ἐξ Αἰγύπτου, ἐγκρυφίας ἀζύμους· οὐ γὰρ ἐζυμώθη· ἐξέβαλον γὰρ αὐτοὺς οἱ Αἰγύπτιοι, καὶ οὐκ ἠδυνήθησαν ἐπιμεῖναι οὐδὲ ἐπισιτισμὸν ἐποίησαν ἑαυτοῖς εἰς τὴν ὁδόν. 40 ἡ δὲ κατοίκησις τῶν υἱῶν ᾿Ισραήλ, ἣν κατῴκησαν ἐν γῇ Αἰγύπτῳ καὶ ἐν γῇ Χαναάν, ἔτη τετρακόσια τριάκοντα. 41 καὶ ἐγένετο μετὰ τὰ τετρακόσια τριάκοντα ἔτη, ἐξῆλθε πᾶσα ἡ δύναμις Κυρίου ἐκ γῆς Αἰγύπτου νυκτός. 42 προφυλακή ἐστι τῷ Κυρίῳ, ὥστε ἐξαγαγεῖν αὐτοὺς ἐκ γῆς Αἰγύπτου· ἐκείνη ἡ νὺξ αὕτη προφυλακὴ Κυρίῳ, ὥστε πᾶσι τοῖς υἱοῖς ᾿Ισραὴλ εἶναι εἰς γενεὰς αὐτῶν. 43 Εἶπε δὲ Κύριος πρὸς Μωυσῆν καὶ ᾿Ααρών· οὗτος ὁ νόμος τοῦ πάσχα· πᾶς ἀλλογενὴς οὐκ ἔδεται ἀπ᾿ αὐτοῦ· 44 καὶ πάντα οἰκέτην ἢ ἀργυρώνητον περιτεμεῖς αὐτόν, καὶ τότε φάγεται ἀπ᾿ αὐτοῦ· 45 πάροικος ἢ μισθωτὸς οὐκ ἔδεται ἀπ᾿ αὐτοῦ. 46 ἐν οἰκίᾳ μιᾷ βρωθήσεται, καὶ οὐκ ἐξοίσετε ἐκ τῆς οἰκίας τῶν κρεῶν ἔξω· καὶ ὀστοῦν οὐ συντρίψετε ἀπ᾿ αὐτοῦ. 47 πᾶσα συναγωγὴ υἱῶν ᾿Ισραὴλ ποιήσει αὐτό. 48 ἐὰν δέ τις προσέλθῃ πρὸς ὑμᾶς προσήλυτος ποιῆσαι τὸ πάσχα Κυρίῳ, περιτεμεῖς αὐτοῦ πᾶν ἀρσενικόν, καὶ τότε προσελεύσεται ποιῆσαι αὐτὸ καὶ ἔσται ὥσπερ καὶ ὁ αὐτόχθων τῆς γῆς· πᾶς ἀπερίτμητος οὐκ ἔδεται ἀπ᾿ αὐτοῦ. 49 νόμος εἷς ἔσται τῷ ἐγχωρίῳ καὶ τῷ προσελθόντι προσηλύτῳ ἐν ὑμῖν. 50 καὶ ἐποίησαν οἱ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ καθὰ ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ καὶ ᾿Ααρὼν πρὸς αὐτούς, οὕτως ἐποίησαν. 51 καὶ ἐγένετο ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ, ἐξήγαγε Κύριος τοὺς υἱοὺς ᾿Ισραὴλ ἐκ γῆς Αἰγύπτου σὺν δυνάμει αὐτῶν.


- Vulgata

12. 1 dixit quoque Dominus ad Mosen et Aaron in terra Aegypti 2 mensis iste vobis principium mensuum primus erit in mensibus anni 3 loquimini ad universum coetum filiorum Israhel et dicite eis decima die mensis huius tollat unusquisque agnum per familias et domos suas 4 sin autem minor est numerus ut sufficere possit ad vescendum agnum adsumet vicinum suum qui iunctus est domui eius iuxta numerum animarum quae sufficere possunt ad esum agni 5 erit autem agnus absque macula masculus anniculus iuxta quem ritum tolletis et hedum 6 et servabitis eum usque ad quartamdecimam diem mensis huius immolabitque eum universa multitudo filiorum Israhel ad vesperam 7 et sument de sanguine ac ponent super utrumque postem et in superliminaribus domorum in quibus comedent illum 8 et edent carnes nocte illa assas igni et azymos panes cum lactucis agrestibus 9 non comedetis ex eo crudum quid nec coctum aqua sed assum tantum igni caput cum pedibus eius et intestinis vorabitis 10 nec remanebit ex eo quicquam usque mane si quid residui fuerit igne conburetis 11 sic autem comedetis illum renes vestros accingetis calciamenta habebitis in pedibus tenentes baculos in manibus et comedetis festinantes est enim phase id est transitus Domini 12 et transibo per terram Aegypti nocte illa percutiamque omne primogenitum in terra Aegypti ab homine usque ad pecus et in cunctis diis Aegypti faciam iudicia ego Dominus 13 erit autem sanguis vobis in signum in aedibus in quibus eritis et videbo sanguinem ac transibo vos nec erit in vobis plaga disperdens quando percussero terram Aegypti 14 habebitis autem hanc diem in monumentum et celebrabitis eam sollemnem Domino in generationibus vestris cultu sempiterno 15 septem diebus azyma comedetis in die primo non erit fermentum in domibus vestris quicumque comederit fermentatum peribit anima illa de Israhel a primo die usque ad diem septimum 16 dies prima erit sancta atque sollemnis et dies septima eadem festivitate venerabilis nihil operis facietis in eis exceptis his quae ad vescendum pertinent 17 et observabitis azyma in eadem enim ipsa die educam exercitum vestrum de terra Aegypti et custodietis diem istum in generationes vestras ritu perpetuo 18 primo mense quartadecima die mensis ad vesperam comedetis azyma usque ad diem vicesimam primam eiusdem mensis ad vesperam 19 septem diebus fermentum non invenietur in domibus vestris qui comederit fermentatum peribit anima eius de coetu Israhel tam de advenis quam de indigenis terrae 20 omne fermentatum non comedetis in cunctis habitaculis vestris edetis azyma 21 vocavit autem Moses omnes seniores filiorum Israhel et dixit ad eos ite tollentes animal per familias vestras immolate phase 22 fasciculumque hysopi tinguite sanguine qui est in limine et aspergite ex eo superliminare et utrumque postem nullus vestrum egrediatur ostium domus suae usque mane 23 transibit enim Dominus percutiens Aegyptios cumque viderit sanguinem in superliminari et in utroque poste transcendet ostium et non sinet percussorem ingredi domos vestras et laedere 24 custodi verbum istud legitimum tibi et filiis tuis usque in aeternum 25 cumque introieritis terram quam Dominus daturus est vobis ut pollicitus est observabitis caerimonias istas 26 et cum dixerint vobis filii vestri quae est ista religio 27 dicetis eis victima transitus Domini est quando transivit super domos filiorum Israhel in Aegypto percutiens Aegyptios et domos nostras liberans incurvatusque populus adoravit 28 et egressi filii Israhel fecerunt sicut praeceperat Dominus Mosi et Aaron 29 factum est autem in noctis medio percussit Dominus omne primogenitum in terra Aegypti a primogenito Pharaonis qui sedebat in solio eius usque ad primogenitum captivae quae erat in carcere et omne primogenitum iumentorum 30 surrexitque Pharao nocte et omnes servi eius cunctaque Aegyptus et ortus est clamor magnus in Aegypto neque enim erat domus in qua non iaceret mortuus 31 vocatisque Mosen et Aaron nocte ait surgite egredimini a populo meo et vos et filii Israhel ite immolate Domino sicut dicitis 32 oves vestras et armenta adsumite ut petieratis et abeuntes benedicite mihi 33 urguebantque Aegyptii populum de terra exire velociter dicentes omnes moriemur 34 tulit igitur populus conspersam farinam antequam fermentaretur et ligans in palliis posuit super umeros suos 35 feceruntque filii Israhel sicut praeceperat Moses et petierunt ab Aegyptiis vasa argentea et aurea vestemque plurimam 36 dedit autem Dominus gratiam populo coram Aegyptiis ut commodarent eis et spoliaverunt Aegyptios 37 profectique sunt filii Israhel de Ramesse in Soccoth sescenta ferme milia peditum virorum absque parvulis 38 sed et vulgus promiscuum innumerabile ascendit cum eis oves et armenta et animantia diversi generis multa nimis 39 coxeruntque farinam quam dudum conspersam de Aegypto tulerant et fecerunt subcinericios panes azymos neque enim poterant fermentari cogentibus exire Aegyptiis et nullam facere sinentibus moram nec pulmenti quicquam occurrerant praeparare 40 habitatio autem filiorum Israhel qua manserant in Aegypto fuit quadringentorum triginta annorum 41 quibus expletis eadem die egressus est omnis exercitus Domini de terra Aegypti 42 nox est ista observabilis Domini quando eduxit eos de terra Aegypti hanc observare debent omnes filii Israhel in generationibus suis 43 dixitque Dominus ad Mosen et Aaron haec est religio phase omnis alienigena non comedet ex eo 44 omnis autem servus empticius circumcidetur et sic comedet 45 advena et mercennarius non edent ex eo 46 in una domo comedetur nec efferetis de carnibus eius foras nec os illius confringetis 47 omnis coetus filiorum Israhel faciet illud 48 quod si quis peregrinorum in vestram voluerit transire coloniam et facere phase Domini circumcidetur prius omne masculinum eius et tunc rite celebrabit eritque sicut indigena terrae si quis autem circumcisus non fuerit non vescetur ex eo 49 eadem lex erit indigenae et colono qui peregrinatur apud vos 50 fecerunt omnes filii Israhel sicut praeceperat Dominus Mosi et Aaron 51 et in eadem die eduxit Dominus filios Israhel de terra Aegypti per turmas suas


- Statenvertaling

1 De HEERE nu had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende: 2 Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn. 3 Spreekt tot de ganse vergadering van Israël, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis. 4 Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam. 5 Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen. 6 En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. 7 En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen. 8 En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten. 9 Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand. 10 Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden. 11 Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha. 12 Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE! 13 En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. 14 En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. 15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. 16 En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden. 17 Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting. 18 In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond. 19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands. 20 Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten. 21 Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha. 22 Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan den bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan den morgen. 23 Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. 24 Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid. 25 En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden. 26 En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst? 27 Zo zult gij zeggen: Dit is den HEERE een paasoffer, Die voor de huizen der kinderen Israëls voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. 28 En de kinderen Israëls gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij. 29 En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten. 30 En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was. 31 Toen riep hij Mozes en Aäron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt. 32 Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook. 33 En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood! 34 En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouderen. 35 De kinderen Israëls nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen. 36 Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren. 37 Alzo reisden de kinderen Israëls uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens. 38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee. 39 En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden. 40 De tijd nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. 41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn. 42 Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de kinderen Israëls, onder hun geslachten. 43 Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten. 44 Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. 45 Geen uitlander noch huurling zal er van eten. 46 In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken. 47 De ganse vergadering van Israël zal het doen. 48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. 49 Enerlei wet zij voor den ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. 50 En alle kinderen Israëls deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij. 51 En het geschiedde even tenzelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israëls uit Egypteland leidde, naar hun heiren.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 12 Het paasfeest [1] De heer sprak tot Mozes en Aäron in Egypte: [2] 'Deze maand moet u beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar. [3] Maak aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet iedere familie een lam uitkiezen, ieder huis een lam. [4] Als een familie te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samendoen met hun naaste buren. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust. [5] Het lam moet gaaf* zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. U kunt er een schaap of een geit voor nemen. [6] U moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering*. [7] Vervolgens moet u wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt. [8] In* dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden. [9] U mag het niet rauw eten of gekookt in water, maar alleen gebraden op het vuur, met kop, poten en ingewanden. [10] Zorg dat er niets van over is als de zon opgaat. Wat* bij zonsopgang nog over zou zijn moet u verbranden. [11] En dit is de wijze waarop u het lam moet eten: uw lendenen omgord, sandalen aan uw voeten, en uw staf in de hand. Haastig moet u het eten, want het is Pasen voor de heer. [12] Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, slaan. Aan alle goden van Egypte zal ik het vonnis voltrekken. Ik ben de heer. [13] Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat u daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik aan u voorbijgaan. De vernietigende plaag zal u niet treffen als Ik Egypte sla. [14] Deze dag moet u tot een gedenkdag maken, u moet hem vieren als een feest ter ere van de heer. Generatie op generatie moet u hem als een eeuwig voorschrift vieren. [15] Gedurende* zeven dagen moet u ongezuurd brood eten. Op de eerste dag moet u het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want als iemand één van die zeven dagen iets eet dat gezuurd is, dan zal die van Israël worden uitgesloten. [16] De eerste en de zevende dag moet u tot een heilige dag uitroepen. Op deze dagen mag u niet werken, behalve dan dat ieder de spijzen die hij nodig heeft mag bereiden. [17] Houd het feest van de ongezuurde broden in ere, want dit is de dag waarop Ik uw legers heb weggevoerd uit Egypte. Als een eeuwig voorschrift moet u deze dag generatie op generatie in ere houden. [18] In de eerste maand moet u, vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag, ongezuurd brood eten. [19] Gedurende zeven dagen mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want als iemand gezuurd brood eet zal hij van de gemeenschap van Israël worden uitgesloten, of hij nu een vreemdeling of een ingezetene is. [20] Niets wat gezuurd is mag u eten; waar u ook verblijft, u moet ongezuurd brood eten. [21] Toen riep Mozes al de oudsten van Israël bijeen en sprak tot hen: 'Ga voor uw families de dieren halen en slacht het paaslam. [22] U moet ook een bundel hysop* nemen en deze in het bloed dopen dat u in een schaal hebt opgevangen. Dan moet u het bloed uit de schaal uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur. Tot de ochtend mag niemand buiten de deur van zijn huis komen, [23] want als de heer rondgaat om Egypte te slaan en het bloed ziet aan de beide posten van de deur, dan zal de heer uw deur voorbijgaan en Hij zal de verderver* niet toestaan in uw huis te komen om u te slaan. [24] U* moet dit voorschrift blijven onderhouden als een eeuwige wet voor uzelf en voor uw kinderen. [25] Ook als u aangekomen bent in het land dat de heer u volgens zijn woord gaat schenken, moet u deze plechtigheid blijven vieren. [26] En als uw kinderen u de vraag stellen: "Wat betekent deze plechtigheid?" [27] dan moet u hun antwoorden: "Dit is een paasoffer voor de heer, omdat Hij in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan; terwijl Hij de Egyptenaren sloeg, heeft Hij onze huizen gespaard." ' Toen knielde en boog het volk in verering. [28] De Israëlieten gingen uiteen en deden alles wat de heer door Mozes en Aäron had voorgeschreven. Tiende plaag: dood van de eerstgeborenen [29] Het was midden in de nacht toen de heer al de eerstgeborenen van Egypte sloeg, vanaf de eerstgeborene van de farao, die hem op de troon zou opvolgen, tot aan de eerstgeborene in de gevangenis en ook al de eerstgeborenen van het vee. [30] Die nacht stonden de farao en al zijn hovelingen en alle Egyptenaren op, en een luid geschreeuw klonk over Egypte, want er was geen huis zonder dode. [31] Die nacht nog liet hij Mozes en Aäron ontbieden en sprak: 'Maak dat u van mijn volk wegkomt, uzelf en de Israëlieten. Ga de heer vereren zoals u gevraagd hebt. [32] Neem ook al uw kleinvee en runderen mee, zoals u gevraagd hebt. Ga weg en smeek ook voor mij zijn zegen af.' [33] De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk te vertrekken. 'Anders sterven we allemaal', zeiden ze. [34] Het volk nam het deeg mee, nog voor het gezuurd was. Ze wikkelden de baktroggen in hun mantels en namen ze op hun schouders. [35] De Israëlieten deden wat Mozes hun gezegd had en vroegen aan de Egyptenaren gouden en zilveren sieraden en kleding. [36] De heer stemde de Egyptenaren gunstig ten opzichte van het volk, zodat zij hun verzoek inwilligden. Zo plunderden de Israëlieten Egypte. [37] De Israëlieten vertrokken vanuit Raämses in* de richting van Sukkot, en het aantal personen dat zelf liep, de kinderen dus niet meegerekend, bedroeg ongeveer* zeshonderdduizend. [38] Ook vele anderen trokken met hen mee, net als grote kudden kleinvee en runderen. [39] Zij bakten ongezuurde koeken van het deeg dat ze meegenomen hadden uit Egypte, het was nog niet gezuurd. Zij waren immers uit Egypte weggejaagd zonder dat ze zelfs tijd gehad hadden om voor proviand te zorgen. [40] Het verblijf van de Israëlieten in Egypte had vierhonderddertig jaar geduurd. [41] Op de dag dat deze vierhonderddertig jaar waren verstreken trokken al de legers van de heer weg uit Egypte. [42] De heer waakte die nacht, om hen uit Egypte weg te voeren. Daarom waken alle Israëlieten deze nacht voor de heer, elke generatie opnieuw. Voorschriften voor het paasfeest [43] De* heer sprak tot Mozes en Aäron: 'Voor het paasmaal gelden de volgende voorschriften. Geen buitenlander mag eraan deelnemen. [44] Maar een slaaf die u gekocht en besneden hebt, mag wel van het paasmaal eten. [45] Vreemdelingen en dagloners mogen er echter niet aan deelnemen. [46] Het moet in één en hetzelfde huis gegeten worden, niets van het vlees mag u buitenshuis brengen en geen* been van het lam mag u verbrijzelen. [47] Heel de gemeenschap van Israël moet het vieren. [48] Wil een vreemdeling die bij u woont voor de heer het paasmaal vieren, dan moet hij eerst alle mannelijke leden van zijn familie laten besnijden. Dan mag hij het vieren, omdat hij als een geboren Israëliet geldt. Maar een onbesnedene mag er niet van meeëten. [49] Voor de geboren Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij u verblijven, gelden dezelfde voorschriften.' [50] De Israëlieten voerden alles uit wat de heer door Mozes en Aäron had voorgeschreven. [51] En diezelfde dag nog leidde de heer de Israëlieten, in groepen geordend, weg uit Egypte.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 12 Pesachfeest en uittocht uit Egypte [1] De HEER zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: [2] 'Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. [3] Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: "Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. [4] Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. [5] Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. [6] Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. [7] Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. [8] Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden. [9] Het dier mag niet halfgaar of gekookt worden gegeten, maar uitsluitend geroosterd, en in zijn geheel: met kop, poten en ingewanden. [10] Zorg dat er de volgende morgen niets meer van over is. Mocht er toch iets overblijven, dan moet je dat verbranden. [11] Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de HEER, het pesachmaal. [12] Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER. [13] Maar jullie zal ik voorbijgaan:* aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen. [14] Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de HEER. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren. [15] Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, en verwijder meteen op de eerste dag alle zuurdesem uit jullie huizen; wie op een van die zeven dagen iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden. [16] De eerste en zevende dag zijn heilige dagen die jullie samen moeten vieren. Die beide dagen mag er geen enkele bezigheid verricht worden, jullie mogen alleen het voedsel bereiden dat ieder nodig heeft. [17] Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht. Generatie na generatie moeten jullie het feest van het Ongedesemde brood vieren, omdat ik jullie die dag, in groepen geordend, uit Egypte heb geleid. [18] Van de avond van de veertiende dag van de eerste maand tot de avond van de eenentwintigste dag van die maand moeten jullie ongedesemd brood eten. [19] Gedurende die zeven dagen mag er geen zuurdesem in jullie huizen te vinden zijn; iedereen die iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden, of het nu een vreemdeling is of een geboren Israëliet. [20] Eet niets dat met zuurdesem bereid is; eet uitsluitend ongedesemd brood, waar jullie ook wonen."' [21] Toen riep Mozes de oudsten van Israël bij elkaar. 'Elke familie moet een lam of een bokje kiezen,' zei hij, 'en dat moet worden geslacht als pesachoffer. [22] Laat ieder daarna een bos majoraantakken nemen, die in de schaal met bloed dopen en het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten strijken. Ga dan tot de morgen de deur niet uit, [23] want de HEER zal door Egypte heen gaan om het te straffen. Maar ziet hij bij een deur bloed aan de bovendorpel en aan de posten, dan zal hij die deur voorbijgaan, hij zal de doodsengel geen toestemming geven om uw huizen binnen te gaan en u te treffen. [24] Dit voorschrift blijft voor u en uw kinderen voor altijd van kracht. [25] Ook als u eenmaal in het land bent dat de HEER u zal geven, zoals hij heeft beloofd, moet u dit gebruik in ere houden. [26] En als uw kinderen dan vragen: "Wat betekent dit gebruik?" [27] antwoord dan: "Wij brengen de HEER een pesachoffer omdat hij de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard."' Toen knielden de Israëlieten en bogen ze zich diep neer, [28] en ze deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen. [29] Midden in de nacht doodde de HEER alle eerstgeborenen in Egypte, van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger, tot de eerstgeborene van de gevangene, en ook al het eerstgeboren vee. [30] De farao, zijn hovelingen en alle andere Egyptenaren schrokken die nacht wakker, en in heel Egypte klonk een luid gejammer, want er was geen huis waarin geen dode was. [31] Die nacht nog ontbood de farao Mozes en Aäron. 'Ga onmiddellijk bij mijn volk weg,' zei hij, 'u en alle Israëlieten! Ga de HEER maar vereren, zoals u hebt gevraagd. [32] Neem uw schapen, geiten en runderen mee, zoals u gevraagd hebt, en verdwijn! Maar bid dan ook voor mij om zegen.' [33] De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk uit hun land weg te gaan. 'Anders sterven we allemaal nog!' zeiden ze. [34] Toen pakten de Israëlieten hun baktroggen, met daarin het nog ongedesemde deeg, wikkelden die in kleren en namen ze op de schouders. [35] Ze hadden gedaan wat Mozes had opgedragen en de Egyptenaren om zilveren en gouden sieraden en om kleren gevraagd. [36] En de HEER had ervoor gezorgd dat de Egyptenaren hun goedgezind waren, zodat ze op hun verzoek ingingen. Zo beroofden ze de Egyptenaren. [37] De Israëlieten trokken te voet van Rameses naar Sukkot; hun aantal bedroeg ongeveer zeshonderdduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend, [38] terwijl er bovendien een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok. Ze voerden enorme kudden schapen, geiten en runderen mee. [39] Van het deeg dat ze uit Egypte hadden meegenomen bakten ze ongedesemde broden. Doordat ze uit Egypte waren weggejaagd, was er geen tijd geweest om zuurdesem toe te voegen of voor andere proviand te zorgen. [40] Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in Egypte gewoond; [41] na precies vierhonderddertig jaar – geen dag eerder of later – trok het volk van de HEER, in groepen geordend, uit Egypte weg. [42] Die nacht waakte de HEER om hen uit Egypte weg te leiden. Daarom waken de Israëlieten nog altijd in deze nacht ter ere van de HEER, elke generatie opnieuw. [43] De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 'Voor het pesachmaal gelden deze voorschriften: Er mag geen enkele vreemdeling aan deelnemen. [44] Een slaaf die door iemand gekocht is, mag er echter aan deelnemen zodra hij besneden is. [45] Een vreemdeling die tijdelijk bij je verblijft of een dagloner mag er niet aan deelnemen. [46] Het maal moet worden gebruikt in het huis waarin het is klaargemaakt, je mag niets van het vlees buitenshuis brengen; de botten mag je niet breken. [47] Ieder die tot de gemeenschap van Israël behoort, is verplicht dit maal te bereiden. [48] Wil een vreemdeling die bij jullie woont het pesachmaal ter ere van de HEER bereiden, dan mag dat pas nadat hij en al zijn mannelijke familieleden besneden zijn, want alleen dan kan hij op één lijn worden gesteld met een geboren Israëliet. Maar een onbesnedene mag er niet aan deelnemen. [49] Voor geboren Israëlieten en voor vreemdelingen geldt een en dezelfde regel.' [50] De Israëlieten deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen. [51] Op diezelfde dag leidde de HEER de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte.


- De Naardense bijbel

12:1 Dan zegt de Ene tot Mozes en tot Aäron,- in het land van Egypte zegt hij: Exodus 12:2 deze nieuwemaan is voor u hoofd van de nieuwemanen, hoofd-en-begin is hij voor u van de maanden van het jaar; 12:3 richt het woord tot heel Israëls samenkomst en zeg: op de tiende na deze nieuwemaan zullen ze zich nemen ieder een lam voor een vaderhuis, een lam per huis; 12:4 en als het uit te weinig bestaat, het huis, dat er een lam zou kunnen zijn, neemt híj er een samen met wie het naast bij zijn huis woont, naar het aantal zielen; naar wat ieders mond eet zult ge optellen voor het lam; 12:5 volgaaf, mannelijk, een jáár oud zal een lam voor u wezen; uit de schapen of uit de geiten zult ge het nemen; 12:6 het zal bij u in bewaring zijn tot de veertiende dag na deze nieuwemaan; dan zullen ze het slachten, heel de vergadering van Israëls samenkomst, 'tussen de avonden'*; 12:7 nemen zullen ze van het bloed en dat prijsgeven op de twee deurposten en op de bovendorpel,- op de huizen waarin ze het eten; 12:8 eten zullen ze het vlees in deze nacht: geroosterd op vuur, met matses,- ongegiste broden; met bitterheden zullen ze het eten; 12:9 eet er niet van als het nog rauw is of gekookt is, gekookt in water; nee, alleen geroosterd op vuur; met kop, poten en binnenste; 12:10 ge zult daarvan niet overlaten tot de ochtend; wat ervan overblijft tot de ochtend zult ge in het vuur verbranden; 12:11 en zó zult ge het eten: uw lendenen omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw stok in uw hand; overhaast zult ge het eten: een Pasen,- passéren, is dit voor de Ene; 12:12 oversteken zal ik in het land van Egypte, in deze nacht, en alle eersteling op het land van Egypte slaan, van mens tot dier; en aan alle goden van Egypte voltrek ik gerichten, ik, de Ene!- 12:13 wezen zal het bloed voor u tot een teken op de huizen waarin ge woont; zie ik het bloed dan 'passeer' ik u; er zal bij u geen plaag ten verderve wezen als ik mijn slag toebreng in het land van Egypte!- 12:14 worden zal deze dag voor u tot een gedachtenis en vieren zult ge hem als een feest voor de Ene,- voor al uw generaties zult ge hem vieren als een inzetting voor eeuwig; 12:15 zeven dagen zult ge matses eten,- voorwaar, op de voorste dag zult ge het gezuurde uit uw huizen keren; want al wie iets gegists eet: weggesneden zij die ziel uit Israël, van de voorste dag tot de zevende dag; 12:16 op de voorste dag: een oproep tot heiliging, en op de zévende dag zal er een oproep tot heiliging voor u wezen; wélk-werk-ook wordt níet gedaan bij u; echter wat gegeten wordt door alle ziel, dát alleen zal door u worden klaargemaakt; 12:17 en bewaken zult ge: de matses!- want op deze huidige dag heb ik uw heirscharen weggeleid uit het land van Egypte; bewaken zult ge deze dag voor uw komende generaties als een inzetting voor eeuwig!- 12:18 in de voorste maand, op de veertiende dag na de nieuwemaan in de avond, zult ge matses eten,- tot dag eenentwintig na nieuwemaan in de avond; 12:19 zeven dagen lang zal niets gezuurds worden gevonden in uw huizen; want al wie eet van wat gegist is: weggesneden zij die ziel uit Israëls samenkomst,- zo met de zwerver-te-gast en met de landgenoot; 12:20 al wat gegist is zult ge niet eten; in al uw woonplaatsen zult ge matses eten! • 12:21 Dan roept Mozes al Israëls oudsten en zegt tot hen: trekt het uit de kudde en neemt voor uzelf een stuk wolvee voor uw families en slacht het paasoffer!- 12:22 nemen zult ge een bundeltje hysop en dat dopen in het bloed in de schaal, en strijken zult ge aan de bovendorpel en de twee deurposten iets van het bloed in de schaal; en ge zult, geen mán, de poort van zijn huis uit gaan tot aan de ochtend; 12:23 oversteken zal de Ene om Egypte te treffen, maar zien zal hij het bloed op de bovendorpel en op de twee deurposten; passeren zal de Ene de poort en dan zal hij het de verderver niet gunnen om in uw huizen te komen om iemand te treffen; 12:24 bewaren zult ge dit woord tot een inzetting voor u en uw zonen tot in eeuwigheid; 12:25 en wezen zal het wanneer ge aankomt in het land dat de Ene aan u gééft zoals hij heeft gesproken: bewaken zult ge dit dienstwerk; 12:26 en zal het zo wezen dat uw zonen tot u zeggen: wat ís dit dienstwerk voor u?- 12:27 zeggen zult ge dan: een paasoffer is dit voor de Ene die de huizen van de zonen Israëls in Egypte is gepasseerd toen hij Egypte heeft getroffen en ónze huizen heeft gered! Dan knielt de gemeente en buigen ze zich. 12:28 Ze gáán en doen zo, de zonen Israëls; zoals de Ene Mozes en Aäron heeft geboden, zó hebben zij gedaan. •• 12:29 Het geschiedt halverwege de nacht: de Ene heeft geslagen alle eersteling op het land van Egypte, van de eersteling van Farao die zetelde op zijn troon tot de eersteling van de gekerkerde in het huis met de put; en alle eersteling van het vee. 12:30 Dan staat Farao op, 's nachts,- hij en al zijn dienaren, ja heel Egypte, en er geschiedt een groot geschreeuw in Egypte,- want geen huis waar geen dode is! 12:31 Hij roept om Mozes en Aäron, 's nachts, en zegt: staat op, trekt uit, weg van mijn manschap, én gijzelf én de zonen Israëls; gaat heen en dient de Ene, naar uw woord; 12:32 én uw wolvee én uw ploegvee, neemt het mee, zoals ge verwoord hebt, en gaat heen, dan hebt ge ook mij gezegend! 12:33 En sterk maakt Egypte zich tegen de gemeente om ze haastig heen te zenden uit het land; want, hebben ze gezegd, wij zijn allen kinderen des doods! 12:34 Dan tilt de gemeente zijn deeg op, voordat het heeft kunnen gisten, hun baktroggen gewikkeld in hun mantels op hun schouder. 12:35 De zonen Israëls hebben gedaan naar het woord van Mozes: ze vragen van Egypte voorwerpen van zilver, voorwerpen van goud en mantels; 12:36 de Ene heeft de gemeente genade gegeven in de ogen van Egypte: zij láten het zich vragen; zo plunderen ze Egypte. • 12:37 Dan breken de zonen Israëls op, van Ramesees naar Soekot; zo'n zeshonderd duizendtallen te voet, weerbare mannen alleen al, zonder kroost. 12:38 En ook is met hen een talrijk allerlei opgeklommen, én wolvee en rundvee, een zeer zwaarwichtige kudde. 12:39 Ze bakken van het deeg dat ze uit Egypte hebben meegebracht matses-koeken, omdat het niet tot gisten is gekomen, want weggejaagd zijn ze uit Egypte; ze hebben niet de kans gehad om te treuzelen en ook hadden ze zich geen proviand klaargemaakt. 12:40 Het verblijf van de zonen Israëls, de tijd dat ze in Egypte hebben verbleven, is dertig jaar en vierhonderd jaar. 12:41 En het geschiedt na verloop van dertig jaar en vierhonderd jaar, het geschiedt op deze huidige dag: weggetrokken zijn alle heirscharen van de Ene uit het land van Egypte. 12:42 Een nacht van wachten-en-waken is dit voor de Ene om hen weg te leiden uit het land van Egypte; dát is déze nacht voor de Ene: wachten-en-waken voor alle zonen Israëls, voor al hun generaties! • 12:43 Dan zegt de Ene tot Mozes en Aäron: dit is de inzetting van het paasoffer; alle zoon van een vreemdeling zal er níet van eten; 12:44 maar elke dienstknecht van een man, verworven voor zilver,- heb je hem besneden, dán eet hij ervan mee; 12:45 een bijwoner of dagloner eet er niet van; 12:46 in één-en-hetzelfde huis zal het worden gegeten, niets wordt er van het vlees uit het huis naar buiten gebracht; en geen bot zult ge eraan breken; 12:47 allen van Israëls samenkomst zullen het klaarmaken; 12:48 en als er bij je een zwerver te gast is: wil hij klaarmaken een Pesach voor de Ene dan moet men van hem al wat mannelijk is besnijden en dán mag hij naderen om het klaar te maken; wezen zal hij als een landgenoot; alles met een voorhuid eet er niet van mee; 12:49 één onderrichting zal er wezen voor de in-geborene en voor de zwerver die bij u te gast is! 12:50 Ze maken het klaar, alle zonen Israëls; zoals de Ene Mozes en Aäron heeft geboden, zo hebben ze gedaan. •• 12:51 Het geschiedt op deze huidige dag: uitgeleid heeft de Ene de zonen Israëls uit het land van Egypte, tegen hún heirscharen in!


- Bible de Jérusalem

1. Yahvé dit à Moïse et à Aaron au pays d'Égypte : 2. « Ce mois sera pour vous en tête des autres mois, il sera pour vous le premier mois de l'année. 3. Parlez à toute la communauté d'Israël et dites-lui : Le dix de ce mois, que chacun prenne une tête de petit bétail par famille, une tête de petit bétail par maison. 4. Si la maison est trop peu nombreuse pour une tête de petit bétail, on s'associera avec son voisin le plus proche de la maison, selon le nombre des personnes. Vous choisirez la tête de petit bétail selon ce que chacun peut manger. 5. La tête de petit bétail sera un mâle sans tare, âgé d'un an. Vous la choisirez parmi les moutons ou les chèvres. 6. Vous la garderez jusqu'au quatorzième jour de ce mois, et toute l'assemblée de la communauté d'Israël l'égorgera au crépuscule. 7. On prendra de son sang et on en mettra sur les deux montants et le linteau des maisons où on le mangera. 8. Cette nuit-là, on mangera la chair rôtie au feu ; on la mangera avec des azymes et des herbes amères. 9. N'en mangez rien cru ni bouilli dans l'eau, mais rôti au feu, avec la tête, les pattes et les tripes. 10. Vous n'en réserverez rien jusqu'au lendemain. Ce qui en resterait le lendemain, vous le brûlerez au feu. 11. C'est ainsi que vous la mangerez : vos reins ceints, vos sandales aux pieds et votre bâton en main. Vous la mangerez en toute hâte, c'est une pâque pour Yahvé. 12. Cette nuit-là je parcourrai l'Égypte et je frapperai tous les premiers-nés dans le pays d'Égypte, tant hommes que bêtes, et de tous les dieux d'Égypte, je ferai justice, moi Yahvé. 13. Le sang sera pour vous un signe sur les maisons où vous vous tenez. En voyant ce signe, je passerai outre et vous échapperez au fléau destructeur lorsque je frapperai le pays d'Égypte. 14. Ce jour-là, vous en ferez mémoire et vous le fêterez comme une fête pour Yahvé, dans vos générations vous la fêterez, c'est un décret perpétuel. 15. « Pendant sept jours, vous mangerez des azymes. Dès le premier jour vous ferez disparaître le levain de vos maisons car quiconque, du premier au septième jour, mangera du pain levé, celui-là sera retranché d'Israël. 16. Le premier jour vous aurez une sainte assemblée, et le septième jour, une sainte assemblée. On n'y fera aucun ouvrage, vous préparerez seulement ce que chacun doit manger. 17. Vous observerez la fête des Azymes, car c'est en ce jour-là que j'ai fait sortir vos armées du pays d'Égypte. Vous observerez ce jour-là dans vos générations, c'est un décret perpétuel. 18. Le premier mois, le soir du quatorzième jour, vous mangerez des azymes jusqu'au soir du vingt et unième jour. 19. Pendant sept jours il ne se trouvera pas de levain dans vos maisons, car quiconque mangera du pain levé sera retranché de la communauté d'Israël, qu'il soit étranger ou né dans le pays. 20. Vous ne mangerez pas de pain levé, en tout lieu où vous habiterez vous mangerez des azymes. 21. Moïse convoqua tous les anciens d'Israël et leur dit : « Allez vous procurer du petit bétail pour vos familles et immolez la pâque. 22. Puis vous prendrez un bouquet d'hysope, vous le tremperez dans le sang qui est dans le bassin et vous toucherez le linteau et les deux montants avec le sang qui est dans le bassin. Quant à vous, que personne ne franchisse la porte de sa maison jusqu'au matin. 23. Lorsque Yahvé traversera l'Égypte pour la frapper, il verra le sang sur le linteau et sur les deux montants, il passera au-delà de cette porte et ne laissera pas l'Exterminateur pénétrer dans vos maisons pour frapper. 24. Vous observerez cette disposition comme un décret pour toi et tes fils, à perpétuité. 25. Quand vous serez entrés dans la terre que Yahvé vous donnera comme il l'a dit, vous observerez ce rite. 26. Et quand vos fils vous diront : «Que signifie pour vous ce rite ?» 27. vous leur direz : «C'est le sacrifice de la Pâque pour Yahvé qui a passé au-delà des maisons des Israélites en Égypte, lorsqu'il frappait l'Égypte, mais épargnait nos maisons. » Le peuple alors s'agenouilla et se prosterna. 28. Les Israélites s'en allèrent et firent ce que Yahvé avait ordonné à Moïse et à Aaron. 29. Au milieu de la nuit, Yahvé frappa tous les premiers-nés dans le pays d'Égypte, aussi bien le premier-né de Pharaon qui devait s'asseoir sur son trône, que le premier-né du captif dans la prison et tous les premiers-nés du bétail. 30. Pharaon se leva pendant la nuit, ainsi que tous ses serviteurs et tous les Égyptiens, et ce fut en Égypte une grande clameur car il n'y avait pas de maison où il n'y eût un mort. 31. Pharaon appela Moïse et Aaron pendant la nuit et leur dit : « Levez-vous et sortez du milieu de mon peuple, vous et les Israélites, et allez servir Yahvé comme vous l'avez demandé. 32. Prenez aussi votre petit et votre gros bétail comme vous l'avez demandé, partez et bénissez-moi, moi aussi. » 33. Les Égyptiens pressèrent le peuple en se hâtant de le faire partir du pays car, disaient-ils : « Nous allons tous mourir. » 34. Le peuple emporta sa pâte avant qu'elle n'eût levé, ses huches serrées dans les manteaux, sur les épaules. 35. Les Israélites firent ce qu'avait dit Moïse et demandèrent aux Égyptiens des objets d'argent, des objets d'or et des vêtements. 36. Yahvé fit que le peuple trouvât grâce aux yeux des Égyptiens qui les leur prêtèrent. Ils dépouillèrent ainsi les Égyptiens. 37. Les Israélites partirent de Ramsès en direction de Sukkot au nombre de près de six cent mille hommes de pied - rien que les hommes, sans compter leur famille. 38. Une foule mêlée monta avec eux, ainsi que du petit et du gros bétail, formant d'immenses troupeaux. 39. Ils firent cuire la pâte qu'ils avaient emportée d'Égypte en galettes non levées, car la pâte n'était pas levée : chassés d'Égypte, ils n'avaient pu s'attarder ni se préparer des provisions de route. 40. Le séjour des Israélites en Égypte avait duré quatre cent trente ans. 41. Le jour même où prenaient fin les quatre cent trente ans, toutes les armées de Yahvé sortirent du pays d'Égypte. 42. Cette nuit durant laquelle Yahvé a veillé pour les faire sortir d'Égypte doit être pour tous les Israélites une veille pour Yahvé, pour leurs générations. 43. Yahvé dit à Moïse et à Aaron : « Voici le rituel de la pâque : aucun étranger n'en mangera. 44. Mais tout esclave acquis à prix d'argent, quand tu l'auras circoncis, pourra en manger. 45. Le résident et le serviteur à gages n'en mangeront pas. 46. On la mangera dans une seule maison et vous ne ferez sortir de cette maison aucun morceau de viande. Vous n'en briserez aucun os. 47. Toute la communauté d'Israël la fera. 48. Si un étranger en résidence chez toi veut faire la Pâque pour Yahvé, tous les mâles de sa maison devront être circoncis ; il sera alors admis à la faire, il sera comme un citoyen du pays ; mais aucun incirconcis ne pourra en manger. 49. La loi sera la même pour le citoyen et pour l'étranger en résidence parmi vous. » 50. Tous les Israélites firent comme Yahvé l'avait ordonné à Moïse et à Aaron. 51. Ce jour-là même, Yahvé fit sortir les Israélites du pays d'Égypte, selon leurs armées.


- King James Bible

Exod.12 [1] And the LORD spake unto Moses and Aaron in the land of Egypt, saying, [2] This month shall be unto you the beginning of months: it shall be the first month of the year to you. [3] Speak ye unto all the congregation of Israel, saying, In the tenth day of this month they shall take to them every man a lamb, according to the house of their fathers, a lamb for an house: [4] And if the household be too little for the lamb, let him and his neighbour next unto his house take it according to the number of the souls; every man according to his eating shall make your count for the lamb. [5] Your lamb shall be without blemish, a male of the first year: ye shall take it out from the sheep, or from the goats: [6] And ye shall keep it up until the fourteenth day of the same month: and the whole assembly of the congregation of Israel shall kill it in the evening. [7] And they shall take of the blood, and strike it on the two side posts and on the upper door post of the houses, wherein they shall eat it. [8] And they shall eat the flesh in that night, roast with fire, and unleavened bread; and with bitter herbs they shall eat it. [9] Eat not of it raw, nor sodden at all with water, but roast with fire; his head with his legs, and with the purtenance thereof. [10] And ye shall let nothing of it remain until the morning; and that which remaineth of it until the morning ye shall burn with fire. [11] And thus shall ye eat it; with your loins girded, your shoes on your feet, and your staff in your hand; and ye shall eat it in haste: it is the LORD's passover. [12] For I will pass through the land of Egypt this night, and will smite all the firstborn in the land of Egypt, both man and beast; and against all the gods of Egypt I will execute judgment: I am the LORD. [13] And the blood shall be to you for a token upon the houses where ye are: and when I see the blood, I will pass over you, and the plague shall not be upon you to destroy you, when I smite the land of Egypt. [14] And this day shall be unto you for a memorial; and ye shall keep it a feast to the LORD throughout your generations; ye shall keep it a feast by an ordinance for ever. [15] Seven days shall ye eat unleavened bread; even the first day ye shall put away leaven out of your houses: for whosoever eateth leavened bread from the first day until the seventh day, that soul shall be cut off from Israel. [16] And in the first day there shall be an holy convocation, and in the seventh day there shall be an holy convocation to you; no manner of work shall be done in them, save that which every man must eat, that only may be done of you. [17] And ye shall observe the feast of unleavened bread; for in this selfsame day have I brought your armies out of the land of Egypt: therefore shall ye observe this day in your generations by an ordinance for ever. [18] In the first month, on the fourteenth day of the month at even, ye shall eat unleavened bread, until the one and twentieth day of the month at even. [19] Seven days shall there be no leaven found in your houses: for whosoever eateth that which is leavened, even that soul shall be cut off from the congregation of Israel, whether he be a stranger, or born in the land. [20] Ye shall eat nothing leavened; in all your habitations shall ye eat unleavened bread. [21] Then Moses called for all the elders of Israel, and said unto them, Draw out and take you a lamb according to your families, and kill the passover. [22] And ye shall take a bunch of hyssop, and dip it in the blood that is in the bason, and strike the lintel and the two side posts with the blood that is in the bason; and none of you shall go out at the door of his house until the morning. [23] For the LORD will pass through to smite the Egyptians; and when he seeth the blood upon the lintel, and on the two side posts, the LORD will pass over the door, and will not suffer the destroyer to come in unto your houses to smite you. [24] And ye shall observe this thing for an ordinance to thee and to thy sons for ever. [25] And it shall come to pass, when ye be come to the land which the LORD will give you, according as he hath promised, that ye shall keep this service. [26] And it shall come to pass, when your children shall say unto you, What mean ye by this service? [27] That ye shall say, It is the sacrifice of the LORD's passover, who passed over the houses of the children of Israel in Egypt, when he smote the Egyptians, and delivered our houses. And the people bowed the head and worshipped. [28] And the children of Israel went away, and did as the LORD had commanded Moses and Aaron, so did they. [29] And it came to pass, that at midnight the LORD smote all the firstborn in the land of Egypt, from the firstborn of Pharoah that sat on his throne unto the firstborn of the captive that was in the dungeon; and all the firstborn of cattle. [30] And Pharaoh rose up in the night, he, and all his servants, and all the Egyptians; and there was a great cry in Egypt; for there was not a house where there was not one dead. [31] And he called for Moses and Aaron by night, and said, Rise up, and get you forth from among my people, both ye and the children of Israel; and go, serve the LORD, as ye have said. [32] Also take your flocks and your herds, as ye have said, and be gone; and bless me also. [33] And the Egyptians were urgent upon the people, that they might send them out of the land in haste; for they said, We be all dead men. [34] And the people took their dough before it was leavened, their kneadingtroughs being bound up in their clothes upon their shoulders. [35] And the children of Israel did according to the word of Moses; and they borrowed of the Egyptians jewels of silver, and jewels of gold, and raiment: [36] And the LORD gave the people favour in the sight of the Egyptians, so that they lent unto them such things as they required. And they spoiled the Egyptians. [37] And the children of Israel journeyed from Rameses to Succoth, about six hundred thousand on foot that were men, beside children. [38] And a mixed multitude went up also with them; and flocks, and herds, even very much cattle. [39] And they baked unleavened cakes of the dough which they brought forth out of Egypt, for it was not leavened; because they were thrust out of Egypt, and could not tarry, neither had they prepared for themselves any victual. [40] Now the sojourning of the children of Israel, who dwelt in Egypt, was four hundred and thirty years. [41] And it came to pass at the end of the four hundred and thirty years, even the selfsame day it came to pass, that all the hosts of the LORD went out from the land of Egypt. [42] It is a night to be much observed unto the LORD for bringing them out from the land of Egypt: this is that night of the LORD to be observed of all the children of Israel in their generations. [43] And the LORD said unto Moses and Aaron, This is the ordinance of the passover: There shall no stranger eat thereof: [44] But every man's servant that is bought for money, when thou hast circumcised him, then shall he eat thereof. [45] A foreigner and an hired servant shall not eat thereof. [46] In one house shall it be eaten; thou shalt not carry forth ought of the flesh abroad out of the house; neither shall ye break a bone thereof. [47] All the congregation of Israel shall keep it. [48] And when a stranger shall sojourn with thee, and will keep the passover to the LORD, let all his males be circumcised, and then let him come near and keep it; and he shall be as one that is born in the land: for no uncircumcised person shall eat thereof. [49] One law shall be to him that is homeborn, and unto the stranger that sojourneth among you. [50] Thus did all the children of Israel; as the LORD commanded Moses and Aaron, so did they. [51] And it came to pass the selfsame day, that the LORD did bring the children of Israel out of the land of Egypt by their armies.


- Luther Bibel

Einsetzung des Passafestes 121Der HERR aber sprach zu Mose und Aaron in Ägyptenland: 2Dieser Monat soll bei euch der erste Monat sein, und von ihm an sollt ihr die Monate des Jahres zählen. 3Sagt der ganzen Gemeinde Israel: Am zehnten Tage dieses Monats nehme jeder Hausvater ein Lamm, je ein Lamm für ein Haus. 4Wenn aber in einem Hause für ein Lamm zu wenige sind, so nehme er's mit seinem Nachbarn, der seinem Hause am nächsten wohnt, bis es so viele sind, dass sie das Lamm aufessen können. 5Ihr sollt aber ein solches Lamm nehmen, an dem kein Fehler ist, ein männliches Tier, ein Jahr alt. Von den Schafen und Ziegen sollt ihr's nehmen 6und sollt es verwahren bis zum vierzehnten Tag des Monats. Da soll es die ganze Gemeinde Israel schlachten gegen Abend. 7Und sie sollen von seinem Blut nehmen und beide Pfosten an der Tür und die obere Schwelle damit bestreichen an den Häusern, in denen sie's essen, 8und sollen das Fleisch essen in derselben Nacht, am Feuer gebraten, und ungesäuertes Brot dazu und sollen es mit bitteren Kräutern essen. 9Ihr sollt es weder roh essen noch mit Wasser gekocht, sondern am Feuer gebraten mit Kopf, Schenkeln und inneren Teilen. 10Und ihr sollt nichts davon übrig lassen bis zum Morgen; wenn aber etwas übrig bleibt bis zum Morgen, sollt ihr's mit Feuer verbrennen. 11So sollt ihr's aber essen: Um eure Lenden sollt ihr gegürtet sein und eure Schuhe an euren Füßen haben und den Stab in der Hand und sollt es essen als die, die hinwegeilen; es ist des HERRN Passa. 12Denn ich will in derselben Nacht durch Ägyptenland gehen und alle Erstgeburt schlagen in Ägyptenland unter Mensch und Vieh und will Strafgericht halten über alle Götter der Ägypter, ich, der HERR. 13Dann aber soll das Blut euer Zeichen sein an den Häusern, in denen ihr seid: Wo ich das Blut sehe, will ich an euch vorübergehen und die Plage soll euch nicht widerfahren, die das Verderben bringt, wenn ich Ägyptenland schlage. 14Ihr sollt diesen Tag als Gedenktag haben und sollt ihn feiern als ein Fest für den HERRN, ihr und alle eure Nachkommen, als ewige Ordnung. 15Sieben Tage sollt ihr ungesäuertes Brot essen. Schon am ersten Tag sollt ihr den Sauerteig aus euren Häusern tun. Wer gesäuertes Brot isst, vom ersten Tag an bis zum siebenten, der soll ausgerottet werden aus Israel. 16Am ersten Tag soll heilige Versammlung sein und am siebenten soll auch heilige Versammlung sein. Keine Arbeit sollt ihr dann tun; nur was jeder zur Speise braucht, das allein dürft ihr euch zubereiten. 17Haltet das Gebot der ungesäuerten Brote. Denn eben an diesem Tage habe ich eure Scharen aus Ägyptenland geführt; darum sollt ihr diesen Tag halten, ihr und alle eure Nachkommen, als ewige Ordnung. 18Am vierzehnten Tage des ersten Monats am Abend sollt ihr ungesäuertes Brot essen bis zum Abend des einundzwanzigsten Tages des Monats, 19sodass man sieben Tage lang keinen Sauerteig finde in euren Häusern. Denn wer gesäuertes Brot isst, der soll ausgerottet werden aus der Gemeinde Israel, auch ein Fremdling oder ein Einheimischer des Landes. 20Keinerlei gesäuertes Brot sollt ihr essen, sondern nur ungesäuertes Brot, wo immer ihr wohnt. 21Und Mose berief alle Ältesten Israels und sprach zu ihnen: Lest Schafe aus und nehmt sie für euch nach euren Geschlechtern und schlachtet das Passa. 22Und nehmt ein Büschel Ysop und taucht es in das Blut in dem Becken und bestreicht damit die Oberschwelle und die beiden Pfosten. Und kein Mensch gehe zu seiner Haustür heraus bis zum Morgen. 23Denn der HERR wird umhergehen und die Ägypter schlagen. Wenn er aber das Blut sehen wird an der Oberschwelle und an den beiden Pfosten, wird er an der Tür vorübergehen und den Verderber nicht in eure Häuser kommen lassen, um euch zu schlagen. 24Darum so halte diese Ordnung für dich und deine Nachkommen ewiglich. 25Und wenn ihr in das Land kommt, das euch der HERR geben wird, wie er gesagt hat, so haltet diesen Brauch. 26Und wenn eure Kinder zu euch sagen werden: Was habt ihr da für einen Brauch?, 27sollt ihr sagen: Es ist das Passaopfer des HERRN, der an den Israeliten vorüberging in Ägypten, als er die Ägypter schlug und unsere Häuser errettete. Da neigte sich das Volk und betete an. 28Und die Israeliten gingen hin und taten, wie der HERR es Mose und Aaron geboten hatte. Das Sterben der Erstgeburt Ägyptens. Der Auszug Israels 29Und zur Mitternacht schlug der HERR alle Erstgeburt in Ägyptenland vom ersten Sohn des Pharao an, der auf seinem Thron saß, bis zum ersten Sohn des Gefangenen im Gefängnis und alle Erstgeburt des Viehs. 30Da stand der Pharao auf in derselben Nacht und alle seine Großen und alle Ägypter, und es ward ein großes Geschrei in Ägypten; denn es war kein Haus, in dem nicht ein Toter war. 31Und er ließ Mose und Aaron rufen in der Nacht und sprach: Macht euch auf und zieht weg aus meinem Volk, ihr und die Israeliten. Geht hin und dient dem HERRN, wie ihr gesagt habt. 32Nehmt auch mit euch eure Schafe und Rinder, wie ihr gesagt habt. Geht hin und bittet auch um Segen für mich. 33Und die Ägypter drängten das Volk und trieben es eilends aus dem Lande; denn sie sprachen: Wir sind alle des Todes. 34Und das Volk trug den rohen Teig, ehe er durchsäuert war, ihre Backschüsseln in ihre Mäntel gewickelt, auf ihren Schultern. 35Und die Israeliten hatten getan, wie Mose gesagt hatte, und hatten sich von den Ägyptern silbernes und goldenes Geschmeide und Kleider geben lassen. 36Dazu hatte der HERR dem Volk Gunst verschafft bei den Ägyptern, dass sie ihnen willfährig waren, und so nahmen sie es von den Ägyptern zur Beute. 37Also zogen die Israeliten aus von Ramses nach Sukkot, sechshunderttausend Mann zu Fuß ohne die Frauen und Kinder. 38Und es zog auch mit ihnen viel fremdes Volk, dazu Schafe und Rinder, sehr viel Vieh. 39Und sie backten aus dem rohen Teig, den sie aus Ägypten mitbrachten, ungesäuerte Brote; denn er war nicht gesäuert, weil sie aus Ägypten weggetrieben wurden und sich nicht länger aufhalten konnten und keine Wegzehrung zubereitet hatten. 40Die Zeit aber, die die Israeliten in Ägypten gewohnt haben, ist vierhundertunddreißig Jahre. 41Als diese um waren, an eben diesem Tage zog das ganze Heer des HERRN aus Ägyptenland. 42Eine Nacht des Wachens war dies für den HERRN, um sie aus Ägyptenland zu führen; darum sollen die Israeliten diese Nacht dem HERRN zu Ehren wachen, sie und ihre Nachkommen. 43Und der HERR sprach zu Mose und Aaron: Dies ist die Ordnung für das Passa: Kein Ausländer soll davon essen. 44Ist er ein gekaufter Sklave, so beschneide man ihn; dann darf er davon essen. 45Ist er aber ein Beisasse oder Tagelöhner, so darf er nicht davon essen. 46In einem Hause soll man es verzehren; ihr sollt nichts von seinem Fleisch hinaus vor das Haus tragen und sollt keinen Knochen an ihm zerbrechen. 47Die ganze Gemeinde Israel soll das tun. 48Wenn ein Fremdling bei dir wohnt und dem HERRN das Passa halten will, der beschneide alles, was männlich ist; alsdann trete er herzu, dass er es halte, und er sei wie ein Einheimischer des Landes. Aber ein Unbeschnittener darf nicht davon essen. 49Ein und dasselbe Gesetz gelte für den Einheimischen und den Fremdling, der unter euch wohnt. 50Und alle Israeliten taten, wie der HERR es Mose und Aaron geboten hatte. 51An eben diesem Tage führte der HERR die Israeliten aus Ägyptenland, Schar um Schar.


- Arabisch

وكلم الرب موسى وهرون في ارض مصر قائلا. .1 هذا الشهر يكون لكم راس الشهور. هو لكم اول شهور السنة. .2 كلّما كل جماعة اسرائيل قائلين في العاشر من هذا الشهر يأخذون لهم كل واحد شاة بحسب بيوت الآباء شاة للبيت. .3 وان كان البيت صغيرا عن ان يكون كفوا لشاة يأخذ هو وجاره القريب من بيته بحسب عدد النفوس. كل واحد على حسب اكله تحسبون للشاة. .4 تكون لكم شاة صحيحة ذكرا ابن سنة. تأخذونه من الخرفان او من المواعز. .5 ويكون عندكم تحت الحفظ الى اليوم الرابع عشر من هذا الشهر. ثم يذبحه كل جمهور جماعة اسرائيل في العشية. .6 ويأخذون من الدم ويجعلونه على القائمتين والعتبة العليا في البيوت التي يأكلونه فيها. .7 ويأكلون اللحم تلك الليلة مشويا بالنار مع فطير. على اعشاب مرّة ياكلونه. .8 لا تأكلوا منه نيئا او طبيخا مطبوخا بالماء بل مشويا بالنار. راسه مع اكارعه وجوفه. .9 ولا تبقوا منه الى الصباح. والباقي منه الى الصباح تحرقونه بالنار. .10 وهكذا تأكلونه احقاؤكم مشدودة واحذيتكم في ارجلكم وعصيّكم في ايديكم. وتاكلونه بعجلة. هو فصح للرب. .11 فاني اجتاز في ارض مصر هذه الليلة واضرب كل بكر في ارض مصر من الناس والبهائم. واصنع احكاما بكل آلهة المصريين. انا الرب. .12 ويكون لكم الدم علامة على البيوت التي انتم فيها. فأرى الدم واعبر عنكم. فلا يكون عليكم ضربة للهلاك حين اضرب ارض مصر. .13 ويكون لكم هذا اليوم تذكارا فتعيّدونه عيدا للرب. في اجيالكم تعيّدونه فريضة ابدية .14 سبعة ايام تأكلون فطيرا. اليوم الاول تعزلون الخمير من بيوتكم. فان كل من اكل خميرا من اليوم الاول الى اليوم السابع تقطع تلك النفس من اسرائيل. .15 ويكون لكم في اليوم الاول محفل مقدس وفي اليوم السابع محفل مقدس. لا يعمل فيهما عمل ما الا ما تاكله كل نفس فذلك وحده يعمل منكم. .16 وتحفظون الفطير لاني في هذا اليوم عينه اخرجت اجنادكم من ارض مصر. فتحفظون هذا اليوم في اجيالكم فريضة ابدية. .17 في الشهر الاول في اليوم الرابع عشر من الشهر مساء تاكلون فطيرا الى اليوم الحادي والعشرين من الشهر مساء. .18 سبعة ايام لا يوجد خمير في بيوتكم. فان كل من اكل مختمرا تقطع تلك النفس من جماعة اسرائيل الغريب مع مولود الارض. .19 لا تأكلوا شيئا مختمرا في جميع مساكنكم تأكلون فطيرا .20 فدعا موسى جميع شيوخ اسرائيل وقال لهم اسحبوا وخذوا لكم غنما بحسب عشائركم واذبحوا الفصح. .21 وخذوا باقة زوفا واغمسوها في الدم الذي في الطست ومسّوا العتبة العليا والقائمتين بالدم الذي في الطست. وانتم لا يخرج احد منكم من باب بيته حتى الصباح. .22 فان الرب يجتاز ليضرب المصريين. فحين يرى الدم على العتبة العليا والقائمتين يعبر الرب عن الباب ولا يدع المهلك يدخل بيوتكم ليضرب. .23 فتحفظون هذا الامر فريضة لك ولاولادك الى الابد. .24 ويكون حين تدخلون الارض التي يعطيكم الرب كما تكلم انكم تحفظون هذه الخدمة. .25 ويكون حين يقول لكم اولادكم ما هذه الخدمة لكم .26 انكم تقولون هي ذبيحة فصح للرب الذي عبر عن بيوت بني اسرائيل في مصر لما ضرب المصريين وخلّص بيوتنا. فخرّ الشعب وسجدوا. .27 ومضى بنو اسرائيل وفعلوا كما امر الرب موسى وهرون. هكذا فعلوا .28 فحدث في نصف الليل ان الرب ضرب كل بكر في ارض مصر من بكر فرعون الجالس على كرسيه الى بكر الاسير الذي في السجن وكل بكر بهيمة. .29 فقام فرعون ليلا هو وكل عبيده وجميع المصريين. وكان صراخ عظيم في مصر. لانه لم يكن بيت ليس فيه ميت. .30 فدعا موسى وهرون ليلا وقال قوموا اخرجوا من بين شعبي انتما وبنو اسرائيل جميعا. واذهبوا اعبدوا الرب كما تكلمتم. .31 خذوا غنمكم ايضا وبقركم كما تكلمتم واذهبوا. وباركوني ايضا. .32 والحّ المصريون على الشعب ليطلقوهم عاجلا من الارض. لانهم قالوا جميعنا اموات .33 فحمل الشعب عجينهم قبل ان يختمر ومعاجنهم مصرورة في ثيابهم على اكتافهم. .34 وفعل بنو اسرائيل بحسب قول موسى. طلبوا من المصريين امتعة فضة وامتعة ذهب وثيابا. .35 واعطى الرب نعمة للشعب في عيون المصريين حتى اعاروهم. فسلبوا المصريين. .36 فارتحل بنو اسرائيل من رعمسيس الى سكوت نحو ست مئة الف ماش من الرجال عدا الاولاد. .37 وصعد معهم لفيف كثير ايضا مع غنم وبقر مواش وافرة جدا. .38 وخبزوا العجين الذي اخرجوه من مصر خبز ملة فطيرا اذ كان لم يختمر. لانهم طردوا من مصر ولم يقدروا ان يتأخروا. فلم يصنعوا لانفسهم زادا .39 واما اقامة بني اسرائيل التي اقاموها في مصر فكانت اربع مئة وثلاثين سنة. .40 وكان عند نهاية اربع مئة وثلاثين سنة في ذلك اليوم عينه ان جميع اجناد الرب خرجت من ارض مصر. .41 هي ليلة تحفظ للرب لاخراجه اياهم من ارض مصر. هذه الليلة هي للرب. تحفظ من جميع بني اسرائيل في اجيالهم .42 وقال الرب لموسى وهرون هذه فريضة الفصح. كل ابن غريب لا يأكل منه. .43 ولكن كل عبد رجل مبتاع بفضة تختنه ثم يأكل منه. .44 النزيل والاجير لا ياكلان منه. .45 في بيت واحد يؤكل. لا تخرج من اللحم من البيت الى خارج. وعظما لا تكسروا منه. .46 كل جماعة اسرائيل يصنعونه. .47 واذا نزل عندك نزيل وصنع فصحا للرب فليختن منه كل ذكر ثم يتقدم ليصنعه. فيكون كمولود الارض. واما كل اغلف فلا ياكل منه. .48 تكون شريعة واحدة لمولود الارض وللنزيل النازل بينكم. .49 ففعل جميع بني اسرائيل كما امر الرب موسى وهرون. هكذا فعلوا .50 وكان في ذلك اليوم عينه ان الرب اخرج بني اسرائيل من ارض مصر بحسب اجنادهم .51


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar


- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M

- מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Taalgebruik in Ex : ´èrètz (land) . Getalwaarde : aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 3 - 9 . Tenakh (157) . Pentateuch (56) . Eerdere Profeten (24) . Latere Profeten (46) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (18) . Ex (21) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 6,26 . (3) Ex 7,4 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,41 . (6) Ex 12,42 . (7) Ex 12,51 . (8) Ex 13,18 . (9) Ex 16,1 . (10) Ex 16,6 . (11) Ex 16,32 . (12) Ex 19,1 . (13) Ex 20,2 . (14) Ex 29,46 . (15) Ex 32,1 . (16) Ex 32,4 . (17) Ex 32,7 . (18) Ex 32,8 . (19) Ex 32,11 . (20) Ex 32,23 . (21) Ex 33,1 .
- Grieks . gen. vr. enk. γηç van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in de Septuaginta : gè (aarde) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248) .

  gè  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. + dat. vr. enk gè(i) 771  736  35  10    15  15 
2 gen. vr. enk. gès   1203  1082  121  17  11  10  15  21  42  38  43     
3 acc. vr. enk.  gèn 961  884  77  13  12  10  25  30  36 
  totaal 2935  2702  233  40  18  25  11  32  34  73  83  94     

- Lat. terra . Fr. terre . Ned. aarde . E. earth . D. Welt . Aramees : אַרְעָא = ´arë`â´ (aarde, land,grond, veld) . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Koran : ´arD (aarde) .

- מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Taalgebruik in Ex : mitsërajim (Egypte) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , tsade = 18 of 90 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 4 - 9 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (434) . Pentateuch (219) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (123) . 12 Kleine Profeten (23) . Geschriften (27) . Ex (119) . Ex 12 (13) : (1) Ex 12,1 . (2) Ex 12,12 . (3) Ex 12,13 . (4) Ex 12,17 . (5) Ex 12,23 . (6) Ex 12,27 . (7) Ex 12,29 . (8) Ex 12,30 . (9) Ex 12,33 . (10) Ex 12,36 . (11) Ex 12,41 . (12) Ex 12,42 . (13) Ex 12,51 .
- Grieks . αιγυπτος . Latijn . Aegyptus . Ned. Egypte . Fr. Égypte . E. Egypt . D. Ägypten . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Qoran : misr (Egypte) .

- מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם= me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Pentateuch (26) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (3) . Gn (2) . Ex (8) . Lv (4) . Nu (5) . Dt (7) . Joz (1) . Re (2) . 1 K (2) . 2 K (2) . Ex (8) : (1) Ex 6,26 . (2) Ex 7,4 . (3) Ex 12,51 . (4) Ex 20,2 . (5) Ex 29,46 . (6) Ex 32,1 . (7) Ex 32,11 . (8) Ex 32,23 .
- מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם = me´èrèts mitsërajim (uit het land Egypte) . Tenakh (45) . Ex (13) : (1) Ex 6,13 . (2) Ex 12,17 . (3) Ex 12,41 . (4) Ex 12,42 . (5) Ex 13,18 . (6) Ex 16,1 . (7) Ex 16,6 . (8) Ex 16,32 . (9) Ex 19,1 . (10) Ex 32,4 . (11) Ex 32,7 . (12) Ex 32,8 . (13) Ex 33,1 .
- Grieks . = ek tès gès Aiguptou (uit het land Egypte) . Latijn . de terra Aegypti (uit het land Egypte) . Aramees : דְמִצְרָיִם מֵאַרְעָא = me´arë`â´ dëmitsërâjim (uit het land van Egypte) . Arabisch : مِصْرَ أرضِ مِن = min ´arDi misra (uit het land Egypte) .

 

- N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -