EXODUS 14 - Ex 14 -- bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- taal -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.

Overzicht van Exodus : - Ex 2 - Ex 3 - Ex 4 - Ex 5 - Ex 6 - Ex 7 - Ex 8 - Ex 9 - Ex 10 - Ex 11 - Ex 12 - Ex 13 - Ex 14 - Ex 15 - Ex 16 - Ex 17 - Ex 18 - Ex 19 - Ex 20 - Ex 21 - Ex 22 - Ex 23 - Ex 24 - Ex 25 - Ex 26 - Ex 27 - Ex 28 - Ex 29 - Ex 30 - Ex 31 - Ex 32 - Ex 33 - Ex 34 - Ex 35 - Ex 36 - Ex 37 - Ex 38 - Ex 39 - Ex 40 -
Tekstuitleg vers per vers : - Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Exodus : overzicht , Exodus : taalgebruik - Exodus A - Exodus B - Exodus C - Exodus D - Exodus E - Exodus F - Exodus G - Exodus H - Exodus I - Exodus J - Exodus K - Exodus L - Exodus M - Exodus N - Exodus O - Exodus P - Exodus Q - Exodus R - Exodus S - Exodus T - Exodus U - Exodus V - Exodus W - Exodus X -Exodus Y - Exodus Z - , Exodus : commentaar ,


Exodus bibliografie (1) Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap http://www.shalomgemeente.nl/thora.htm Schrift 233, jaargang 39, nr 5, 2007: God en plaats,  

Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -

Ex 14,1 - Ex 14,1 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1kai elalèsen kurios pros môusèn legôn 1 locutus est autem Dominus ad Mosen dicens     [1] De heer sprak tot Mozes:       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,2 - Ex 14,2 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2lalèson tois uiois israèl kai apostrepsantes stratopedeusatôsan apenanti tès epauleôs ana meson magdôlou kai ana meson tès thalassès ex enantias beelsepfôn enôpion autôn stratopedeuseis epi tès thalassès 2 loquere filiis Israhel reversi castrametentur e regione Phiahiroth quae est inter Magdolum et mare contra Beelsephon in conspectu eius castra ponetis super mare     [2] ‘Zeg de Israëlieten dat zij omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee. Voor Baäl-Sefon moet u aan de zee uw kamp opslaan.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

13. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .
- יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. thalassès  176  148  33  24  13  36  24  18  28  14 
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

- Ned. : zee . Arabisch : بحر = bahr (zee) . Taalgebruik in de Qoran : bahr (zee) . D. : See . E. : sea . Fr. : mer . Gr. : θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Hebr. : יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Lat. : mare .

20. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .
- יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. thalassès  176  148  33  24  13  36  24  18  28  14 
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

- Ned. : zee . Arabisch : بحر = bahr (zee) . Taalgebruik in de Qoran : bahr (zee) . D. : See . E. : sea . Fr. : mer . Gr. : θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Hebr. : יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Lat. : mare .


Ex 14,3 - Ex 14,3 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai erei faraô tô laô autou oi uioi israèl planôntai outoi en tè gè sugkekleiken gar autous è erèmos 3 dicturusque est Pharao super filiis Israhel coartati sunt in terra conclusit eos desertum     [3] Dan zal de farao denken: De Israëlieten zijn de weg kwijtgeraakt en nu zijn ze door de woestijn ingesloten.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,4 - Ex 14,4 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4egô de sklèrunô tèn kardian faraô kai katadiôxetai opisô autôn kai endoxasthèsomai en faraô kai en pasè tè stratia autou kai gnôsontai pantes oi aiguptioi oti egô eimi kurios kai epoièsan outôs 4 et indurabo cor eius ac persequetur vos et glorificabor in Pharao et in omni exercitu eius scientque Aegyptii quia ego sum Dominus feceruntque ita     [4] En Ik zal de farao weer halsstarrig maken, zodat hij hen gaat achtervolgen. Ik zal mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik de heer ben.’ De Israëlieten volgden dit bevel op.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,5 - Ex 14,5 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai anèggelè tô basilei tôn aiguptiôn oti pefeugen o laos kai metestrafè è kardia faraô kai tôn therapontôn autou epi ton laon kai eipan ti touto epoièsamen tou exaposteilai tous uious israèl tou mè douleuein èmin 5 et nuntiatum est regi Aegyptiorum quod fugisset populus inmutatumque est cor Pharaonis et servorum eius super populo et dixerunt quid voluimus facere ut dimitteremus Israhel ne serviret nobis     [5] Toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden de farao en zijn hovelingen van gedachten en riepen ze uit: ‘Hoe hebben we de Israëlieten uit onze dienst laten gaan?’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

5. bârach (vluchten, snel weggaan, doorgaan) . Taalgenruik in Tenakh : bârach (vluchten, snel weggaan, doorgaan) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 2 - 8 . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. bârach (hij vluchttte) . (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. bërach (vlucht) . (3) act. qal part. mann. enk. bhoreach (vluchtende) . b-r-ch . Tenakh (18) . Pentateuch (5) : (1) Gn 27,43 . (2) Gn 31,20 . (3) Gn 31,22 . (4) Ex 14,5 . (5) Nu 24,11 .

Ex 14,6 - Ex 14,6 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6ezeuxen oun faraô ta armata autou kai panta ton laon autou sunapègagen meth' eautou 6 iunxit ergo currum et omnem populum suum adsumpsit secum     [6] Hij liet dus zijn strijdwagen inspannen en nam zijn manschappen met zich mee:       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,7 - Ex 14,7 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai labôn exakosia armata eklekta kai pasan tèn ippon tôn aiguptiôn kai tristatas epi pantôn 7 tulitque sescentos currus electos quicquid in Aegypto curruum fuit et duces totius exercitus     [7] zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, elk met drie* man bezet.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,8 - Ex 14,8 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 καὶ ἐσκλήρυνε Κύριος τὴν καρδίαν Φαραὼ βασιλέως Αἰγύπτου καὶ τῶν θεραπόντων αὐτοῦ, καὶ κατεδίωξεν ὀπίσω τῶν υἱῶν ᾿Ισραήλ· οἱ δὲ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ ἐξεπορεύοντο ἐν χειρὶ ὑψηλῇ. 8 induravitque Dominus cor Pharaonis regis Aegypti et persecutus est filios Israhel at illi egressi erant in manu excelsa     [8] Want de heer had de farao, de koning van Egypte, weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de Israëlieten, die onder de machtige bescherming van de heer vertrokken waren, ging achtervolgen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

-  וַיְחַזֵּק יְהוָה, אֶת-לֵב פַּרְעֹה מֶלֶךְ מִצְרַיִם, וַיִּרְדֹּף, אַחֲרֵי בְּנֵי יִשְׂרָאֵל; וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל, יֹצְאִים בְּיָד רָמָה.

Tekstuitleg van

16.

Ex 14,9 - Ex 14,9 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9kai katediôxan oi aiguptioi opisô autôn kai eurosan autous parembeblèkotas para tèn thalassan kai pasa è ippos kai ta armata faraô kai oi ippeis kai è stratia autou apenanti tès epauleôs ex enantias beelsepfôn 9 cumque persequerentur Aegyptii vestigia praecedentium reppererunt eos in castris super mare omnis equitatus et currus Pharaonis et universus exercitus erant in Ahiroth contra Beelsephon     [9] Met alle paarden en wagens van de farao, met zijn wagenmenners en zijn legermacht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de Israëlieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-Hachirot, voor Baäl-Sefon.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

8. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .
- יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. thalassès  176  148  33  24  13  36  24  18  28  14 
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

- Ned. : zee . Arabisch : بحر = bahr (zee) . Taalgebruik in de Qoran : bahr (zee) . D. : See . E. : sea . Fr. : mer . Gr. : θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Hebr. : יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Lat. : mare .


Ex 14,10 - Ex 14,10 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10kai faraô prosègen kai anablepsantes oi uioi israèl tois ofthalmois orôsin kai oi aiguptioi estratopedeusan opisô autôn kai efobèthèsan sfodra aneboèsan de oi uioi israèl pros kurion 10 cumque adpropinquasset Pharao levantes filii Israhel oculos viderunt Aegyptios post se et timuerunt valde clamaveruntque ad Dominum     [10] Toen de farao naderde, zagen de Israëlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot de heer.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,11 - Ex 14,11 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11kai eipen pros môusèn para to mè uparcein mnèmata en gè aiguptô exègages èmas thanatôsai en tè erèmô ti touto epoièsas èmin exagagôn ex aiguptou 11 et dixerunt ad Mosen forsitan non erant sepulchra in Aegypto ideo tulisti nos ut moreremur in solitudine quid hoc facere voluisti ut educeres nos ex Aegypto     [11] En* tegen Mozes zeiden ze: ‘Waren er in Egypte geen graven, dat u ons naar de woestijn hebt gebracht om te sterven? Wat hebt u ons aangedaan door ons weg te voeren uit Egypte?        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,12 - Ex 14,12 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12ou touto èn to rèma o elalèsamen pros se en aiguptô legontes pares èmas opôs douleusômen tois aiguptiois kreisson gar èmas douleuein tois aiguptiois è apothanein en tè erèmô tautè 12 nonne iste est sermo quem loquebamur ad te in Aegypto dicentes recede a nobis ut serviamus Aegyptiis multo enim melius est servire eis quam mori in solitudine     [12] Hebben wij u in Egypte al niet gewaarschuwd: bemoei u niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter om hen te dienen dan te sterven in de woestijn.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,13 - Ex 14,13 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13eipen de môusès pros ton laon tharseite stète kai orate tèn sôtèrian tèn para tou theou èn poièsei èmin sèmeron on tropon gar eôrakate tous aiguptious sèmeron ou prosthèsesthe eti idein autous eis ton aiôna cronon 13 et ait Moses ad populum nolite timere state et videte magnalia Domini quae facturus est hodie Aegyptios enim quos nunc videtis nequaquam ultra videbitis usque in sempiternum     [13] Mozes antwoordde het volk: ‘Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe de heer u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog, daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer!       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,14 - Ex 14,14 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kurios polemèsei peri umôn kai umeis sigèsete 14 Dominus pugnabit pro vobis et vos tacebitis     [14] De* heer zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,15 - Ex 14,15 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15eipen de kurios pros môusèn ti boas pros me lalèson tois uiois israèl kai anazeuxatôsan 15 dixitque Dominus ad Mosen quid clamas ad me loquere filiis Israhel ut proficiscantur     [15] Toen sprak de heer tot Mozes: ‘Wat roept u Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 14,15 .

Ex 14,15.7. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) . Voorvoegsel ´el + suffix derde persoon mannelijk enkelvoud . ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Tenakh (407) . Pentateuch (118) . Eerdere Profeten (182) . Latere Profeten (32) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (60) . Gn (53) .
- Lettinga 12, 2012, 63k : Bij ´èl zijn de suffixen verbonden met de oorspronkelijke vorm op aj . Zo ontstaan er vormen die er uitzien als het meervoud met suffixen .

Ex 14,15.1. - 4. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42) . Lv (2) . Nu (20) . Dt (2) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (20) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .

Ex 14,15.12. nevensch. voegw. wë (en) + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיִּסְעוּ = wajjisë`û (en zij braken op) , pausavorm jussief וְיִסָּעוּ = wëjissâ`û (en dat zij optrekken) van het werkw. נָסָע = nâsâ`(opbreken, reizen . Taalgebruik in Tenakh : nâsâ` (opbreken, reizen) . Tenakh (64) . Gn (2) . Ex (6) : (1) Ex 12,37 (van Raämses tot Sukkoth) . (2) Ex 13,20 (van Sukkoth naar Etham) . (3) Ex 14,15 . (4) Ex 16,1 (Van Elim naar de Sin-woestijn) . (5) Ex 17,1 (Van de Sin-woestijn naar Rephidim) . (6) Ex 19,2 (van Rephidim naar de Sinaïwoestijn) . Nu (51) : (1) Nu 10,12 (van de Sinaïwoestijn naar Paran) . (2) Nu 10,13 . (3) Nu 10,28 . (4) Nu 10,33 . (5) Nu 20,22 (van Kades naar de berg Hor) . (6) Nu 21,4 . (van de berg Hor richting Rietzee) . (7) Nu 21,10 (in Obot) . (9) Nu 21,11 (van Obot. (10) .



Ex 14,16 - Ex 14,16 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16kai su eparon tè rabdô sou kai ekteinon tèn ceira sou epi tèn thalassan kai rèxon autèn kai eiselthatôsan oi uioi israèl eis meson tès thalassès kata to xèron 16 tu autem eleva virgam tuam et extende manum super mare et divide illud ut gradiantur filii Israhel in medio mari per siccum     [16] Uzelf moet uw hand opheffen, uw staf* uitstrekken over de zee en haar in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 14,16 .

Ex 14,16.5. act. imperat. aor. 2de pers. enk. εκτεινον = ekteinon (strek uit) van het werkw. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in de LXX : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . Bijbel (15) . LXX (12) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 8,1 . (4) Ex 8,12 . (5) Ex 9,22 . (6) Ex 10,12 . (7) Ex 10,21 . (8) Ex 14,16 . (9) Ex 14,26 . (10) Joz 8,18 . (11) Sir 7,32 . (12) Sir 14,13 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 . De hand uitstrekken komt in het NT voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .
- n-t-h : Tenakh (35) . 1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (hij strekte uit) . 2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. נְטֵה = nëteh (strek uit) van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Taalgebruik in Tenakh : nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal : 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 5 - 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 .
- Ned. : uitstrekken . Fr. : étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Grieks : εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) ; ek- t-n . Lat. : extendere .

7. acc. vr. enk. χειρα = cheira (hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .

  cheir (hand) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
4 acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 18 21
  Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16  77  92 

Mc 3,5.17. - 18. de acc. vr. enk. χειρα = cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. την = tèn : την χειρα = tèn cheira (de hand) . LXX (195) . NT (28) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) . In Mc 1,41 en Mc 3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô = uitstrekken) .

την χειρα αυτου = tèn cheira autou (zijn hand) . LXX (195) . NT (28) .
- την χειρα σου = tèn cheira sou (jouw hand) . LXX (47) . NT (6) .
- יָדֶךָ = jâdèkhâ (jouw hand) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) . Getalwaarde : jod = 10 . daleth = 4 . Totaal 14 (2 X 7) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (92) . Pentateuch (37) .

Ex 14,16.5. - 7. - εκτεινον την χειρα = ekteinon tèn cheira (strek de hand uit) . LXX (9) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 9,22 . (4) Ex 10,12 . (5) Ex 10,21 . (6) Ex 14,16 . (7) Ex 14,26 . (8) Joz 8,18 . (9) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 .
- εκτεινον την χειρα σου = ekteinon tèn cheira sou (strek je hand uit) . LXX (7) : (1) Ex 7,19 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 10,21 . (4) Ex 14,16 . (5) Ex 14,26 . (6) Joz 8,18 . (7) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 .
- נְטֵה אֶת יָדְךָ = nëteh ´èth jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (3) : (1) Ex 8,1 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 14,26 .
- וּנְטֵה אֶת יָדְךָ = ûnëteh ´èth jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 14,16 .
- נְטֵה יָדְךָ = nëteh jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (2) : (1) Ex 10,8 . (2) Ex 10,21 .
- וּנְטֵה יָדְךָ = ûnëteh jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 7,19 .

Ex 14,16.9. .הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .
- יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. thalassès  176  148  33  24  13  36  24  18  28  14 
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

- Ned. : zee . Arabisch : بحر = bahr (zee) . Taalgebruik in de Qoran : bahr (zee) . D. : See . E. : sea . Fr. : mer . Gr. : θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Hebr. : יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Lat. : mare .

Ex 14,16.15. .הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .
- יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalswaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .

14. - 15. εν μεσῳ της θαλασσης = en mesôi tès thalassès (in het midden van het meer / de zee) . LXX (3) : (1) Ex 14,29 . (2) Ex 15,8 . (3) Ex 15,19 . NT (1) : Mc 6,47 .
- εις μεσον της θαλασσης = eis meson tès thalassès (temidden van de zee) . Bijbel (4) : (1) Ex 14,16 . (2) Ex 14,22 . (3) Ex 14,23 . (4) Ez 26,12 .
- בְתוֹךְ הַיָּמ = bëthôkh hajjâm (in het midden van de zee) . Tenakh (9) : (1) Ex 14,16 . (2) Ex 14,22 . (3) Ex 14,27 . (4) Ex 14,29 . (5) Ex 15,19 . (6) Nu 33,8 . (7) Ez 26,5 . (8) Ez 27,32 . (9) Neh 9,11 .
- We kunnen er niet naast kijken . In het midden van de zee van Mc 6,47 verwijst naar het uittochtverhaal in Ex 14 - 15 . In dat verhaal gaan de Israëlieten droogvoets in het midden van de zee . Er zijn 2 versies over het droogvoets doorgaan . De 1ste versie : Mozes sloeg met zijn staf op het water en het water splitste zich in twee waardoor ze konden doorgaan . De 2de versie : Er waaide een oostenwind waardoor ze de zee konden oversteken .


Ex 14,17 - Ex 14,17 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17kai idou egô sklèrunô tèn kardian faraô kai tôn aiguptiôn pantôn kai eiseleusontai opisô autôn kai endoxasthèsomai en faraô kai en pasè tè stratia autou kai en tois armasin kai en tois ippois autou 17 ego autem indurabo cor Aegyptiorum ut persequantur vos et glorificabor in Pharaone et in omni exercitu eius in curribus et in equitibus illius     [17] Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,18 - Ex 14,18 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai gnôsontai pantes oi aiguptioi oti egô eimi kurios endoxazomenou mou en faraô kai en tois armasin kai ippois autou 18 et scient Aegyptii quia ego sum Dominus cum glorificatus fuero in Pharaone et in curribus atque in equitibus eius     [18] De Egyptenaren zullen weten dat Ik de heer ben, als Ik mijn heerlijkheid bewijs ten koste van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.’       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,19 - Ex 14,19 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19exèren de o aggelos tou theou o proporeuomenos tès parembolès tôn uiôn israèl kai eporeuthè ek tôn opisthen exèren de kai o stulos tès nefelès apo prosôpou autôn kai estè ek tôn opisô autôn  19 tollensque se angelus Dei qui praecedebat castra Israhel abiit post eos et cum eo pariter columna nubis priora dimittens post tergum     19 En de Engel Gods, Die voor het heir van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.   [19] De engel van God die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op.  [19] De engel van God, die steeds voor het leger van de Israëlieten uit was gegaan, stelde zich nu achter hen op. Ook de wolkkolom die eerst voor hen uit ging stelde zich achter hen op,  19 Dan breekt op: de engel Gods die ging voor het aanschijn van Israëls leger, en gaat áchter hen mee; ook breekt op: de wolkzuil, van voor hun aanschijn, en gaat áchter hen staan.  19. L'Ange de Dieu qui marchait en avant du camp d'Israël se déplaça et marcha derrière eux, et la colonne de nuée se déplaça de devant eux et se tint derrière eux. 

King James Bible . [19] And the angel of God, which went before the camp of Israel, removed and went behind them; and the pillar of the cloud went from before their face, and stood behind them:
Luther-Bibel . 19 Da erhob sich der Engel Gottes, der vor dem Heer Israels herzog, und stellte sich hinter sie. Und die Wolkensäule vor ihnen erhob sich und trat hinter sie

Tekstuitleg van Ex 14,19 . Dit vers Ex 14,19 telt 15 (3 X 5) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Ex 14,19 is 2672 (2 X 2 X 2 X 2 X 167) .

Ex 14,19.1. וַיִּסַּע = wajjishshâ` (en hij brak op) < prefix verbindingspartikel waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkw. . נָסָע = nâsâ`(opbreken, reizen . Taalgebruik in Tenakh : nâsâ` (opbreken, reizen) . Tenakh (42) . Gn (14) .

Ex 14,19.2. מַלְאַך = malë´akh (engel) . Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 37 OF 91 . Structuur : 4 - 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (64) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 16,7 . (2) Gn 16,9 . (3) Gn 16,10 . (4) Gn 16,11 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,15 . (8) Gn 31,11 . Ex (4) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 23,20 . (4) Ex 33,2 . Re (18) : (1) Re 2,1 . (2) Re 2,4 . (3) Re 5,23 . (4) Re 6,11 . (5) Re 6,12 . (6) Re 6,20 . (7) Re 6,21 . (8) Re 6,22 . (9) Re 13,3 . (10) Re 13,6 . (11) Re 13,9 . (12) Re 13,13 . (13) Re 13,15 . (14) Re 13,16 . (15) Re 13,17 . (16) Re 13,18 . (17) Re 13,20 . (18) Re 13,21 .
- Grieks . αγγελος = aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in de LXX : aggelos (engel) . Gn (10) : (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,8 . (3) Gn 16,9 . (4) Gn 16,10 . (5) Gn 16,11 . (6) Gn 21,17 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 22,15 . (9) Gn 31,11 . (10) Gn 48,16 . Ex (5) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 4,24 . (3) Ex 14,19 . (4) Ex 23,23 . (5) . Re (18) : (1) Re 2,1 . (2) Re 2,4 . (3) Re 5,23 . (4) Re 6,11 . (5) Re 6,12 . (6) Re 6,14 . (7) Re 6,16 . (8) Re 6,20 . (9) Re 6,21 . (10) Re 6,22 . (11) Re 13,3 . (12) Re 13,9 . (13) Re 13,11 . (14) Re 13,13 . (15) Re 13,16 . (16) Re 13,18 . (17) Re 13,20 . (18) Re 13,21 .

  aggelos (engel) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. aggelos 155 108 47 6   10 1 11 2 17 16 17

- Stam : n - g - l . Fr. ange . N. engel . E. angel . D. Engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Arabisch : مَلَك = malak (engel) . Taalgebruik in de Qoran : malak (engel) . Qoran (11) . L. angelus .

Ex 14,19.2. - 3. מַלְאַך יהוה = malë´akh JHWH (engel van JHWH) . Tenakh (48) . Gn (6) : (1) Gn 16,7 . (2) Gn 16,9 . (3) Gn 16,10 . (4) Gn 16,11 . (5) Gn 22,11 . (6) Gn 22,15 . Re (15) : (1) Re 2,1 . (2) Re 2,4 . (3) Re 5,23 . (4) Re 6,11 . (5) Re 6,12 . (6) Re 6,21 . (7) Re 6,22 . (8) Re 13,3 . (9) Re 13,13 . (10) Re 13,15 . (11) Re 13,16 . (12) Re 13,17 . (13) Re 13,18 . (14) Re 13,20 . (15) Re 13,21 .
- מַלְאַך הָאֱלֹהִים = malë´akh hâ´èlohîm (de engel van God) . Tenakh (6) : (1) Gn 31,11 . (2) Ex 14,19 . (3) Re 6,20 . (4) Re 13,6 . (5) Re 13,9 . (6) 2 S 14,20 .

Ex 14,19.12. zelfst. naamw. mann. enk. עָנָן = `ânân (wolk) . Taalgebruik in Tenakh : `ânân (wolk) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 ; totaal 44 (2 X 2 X 11) of 170 (10 X 17) . Structuur : 7 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (26) . Pentateuch (8) : (1) Gn 9,14 . (2) Ex 13,21 . (3) Ex 40,38 . (4) Lv 16,13 . (5) Nu 12,5 . (6) Nu 14,14 . (7) Dt 4,11 . (8) Dt 31,15 .
- הֶעָנָן = hè`ânân (de wolk) . Tenakh (30) . Pentateuch 26) : Gn (-) . Ex (13) . Nu (11) . Dt (2) . Niet in Gn . Ex (13) : (1) Ex 13,22 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 33,9 . (4) Ex 33,10 . Verder : (1) Ex 14,20 . (2) Ex 19,9 . (3) Ex 24,15 . (4) Ex 24,16 . (5) Ex 24,18 . (6) Ex 40,34 . (7) Ex 40,35 . (8) Ex 40,36 . (9) Ex 40,37 . Nu (11) : (1) Nu 9,15 . (2) Nu 9,16 . (3) Nu 9,17 . (4) Nu 9,18 . (5) Nu 9,19 . (6) Nu 9,20 . (7) Nu 9,21 . (8) Nu 9,22 . (9) Nu 10,11 . (10) Nu 10,12 . (11) Nu 17,7 . Dt (2) : (1) Dt 5,22 . (2) Dt 31,15 .
- gen. vr. enk. νεφελης = nefelès (van de wolk) van het zelfst. naamw. νεφελη = nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in het NT : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in de LXX : nefelè (nevel, wolk) . Bijbel (31) . OT (26) . NT (5) .
- Ned. : nevel , wolk . D. : die Wolke . E. : cloud . Fr. : la nuée . Grieks : νεφελη = nefelè (nevel, wolk) . Hebreeuws : עָנָן = `ânân (wolk) . Taalgebruik in Tenakh : `ânân (wolk) . Latijn : nebula .


Ex 14,20 - Ex 14,20 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai eisèlthen ana meson tès parembolès tôn aiguptiôn kai ana meson tès parembolès israèl kai estè kai egeneto skotos kai gnofos kai dièlthen è nux kai ou sunemixan allèlois olèn tèn nukta  20 stetit inter castra Aegyptiorum et castra Israhel et erat nubes tenebrosa et inluminans noctem ut ad se invicem toto noctis tempore accedere non valerent     20 En zij kwam tussen het leger der Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte den nacht; zodat de een tot den ander niet naderde den gansen nacht.   [20] Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten in te staan. De wolk bleef donker zodat het die nacht niet tot een treffen kwam.   [20] zodat hij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten kwam te staan. Aan de ene kant bracht de wolk duisternis, aan de andere kant verlichtte de vuurzuil de nacht. Die hele nacht konden de legers niet bij elkaar komen.  20 Hij komt tussen het leger van Egypte en het leger van Israël,– zo is er de wolk én het duister en verlicht hij de nacht; de een kon de ander niet naderen, heel de nacht.  20. Elle vint entre le camp des Égyptiens et le camp d'Israël. La nuée était ténébreuse et la nuit s'écoula sans que l'un puisse s'approcher de l'autre de toute la nuit.  

King James Bible . [20] And it came between the camp of the Egyptians and the camp of Israel; and it was a cloud and darkness to them, but it gave light by night to these: so that the one came not near the other all the night.
Luther-Bibel . 20 und kam zwischen das Heer der Ägypter und das Heer Israels. Und dort war die Wolke finster und hier erleuchtete sie die Nacht, und so kamen die Heere die ganze Nacht einander nicht näher.

Tekstuitleg van Ex 14,20 . Dit vers Ex 14,20 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Ex 14,20 is 3043 (17 X 179) .

9. hè`ânân (de wolk) . Verwijzing : `ânân (wolk) , zie Ex 13,21 . Getalwaarde van `ânân (wolk) : ajin = 16 of 70 , nun = 14 of 50 ; totaal 44 (2 X 2 X 11) of 170 (10 X 17) ; 17 is de getalwaarde van kabhod (heerlijkheid) . Bepalend lidwoord en zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . In dertig verzen in de bijbel . In zesentwintig (26 is de getalwaarde van de naam JHWH) verzen in de Pentateuch : Gn (-) . Ex (13) . Nu (11) . Dt (2) . Niet in Gn . In dertien verzen in Ex . In Ex 13 komt het woord voor het eerst voor . In de vier (bovengenoemde) verzen van Ex : (1) Ex 13,22 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 33,9 . (4) Ex 33,10 . Verder : (1) Ex 14,20 . (2) Ex 19,9 . (3) Ex 24,15 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (4) Ex 24,16 . (5) Ex 24,18 . (6) Ex 40,34 : wajëkhas hè`ânân (en de wolk bedekte) . (7) Ex 40,35 . (8) Ex 40,36 . (9) Ex 40,37 . In elf verzen in Nu : (1) Nu 9,15 . (2) Nu 9,16 . (3) Nu 9,17 . (4) Nu 9,18 . (5) Nu 9,19 . (6) Nu 9,20 . (7) Nu 9,21 . (8) Nu 9,22 . (9) Nu 10,11 . (10) Nu 10,12 . (11) Nu 17,7 . In twee verzen in Dt : (1) Dt 5,22 . (2) Dt 31,15 .

Ex 14,21 - Ex 14,21 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21exeteinen de môusès tèn ceira epi tèn thalassan kai upègagen kurios tèn thalassan en anemô notô biaiô olèn tèn nukta kai epoièsen tèn thalassan xèran kai escisthè to udôr  21 cumque extendisset Moses manum super mare abstulit illud Dominus flante vento vehementi et urente tota nocte et vertit in siccum divisaque est aqua     [21] Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de heer liet die hele nacht door een sterke oostenwind* de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren splitsten.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 14,21 .

Ex 14,21.6. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .

Ex 14,21.10. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .

Ex 14,21.9. - 10. אֵת הַּיָּם = ´èth hajjâm (de zee) .

Ex 14,21.11. בָרוּחַ / בְרוּחַ= bërûach / bârûach (in een geest van / in de geest van) < prefix voorzetsel bë + eventeel het bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Tenakh (10) : (1) Ex 14,21 . (2) 1 K 19,11 . (3) Js 4,4 . (4) Ez 11,24 . (5) Ez 37,1 . (6) Ps 48,8 . (7) Spr 15,4 . (8) Job 15,30 . (9) Pr 8,8 . (10) 1 Kr 28,12 .
- εν πνευάτι = en pneumati (met een geest) . NT (35) . Mc (3) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 5,2 .
- dat. mann. enk. ανεμῳ = anemô(i) van het zelfst. naamw. ανεμος = anemos (wind) . Taalgebruik in het NT : anemos (wind) . Taalgebruik in de LXX : anemos (wind) . Bijbel (7) : (1) Ex 14,21 . (2) Jr 18,14 . (3) Sir 5,9 . (4) Mc 4,39 . (5) Lc 8,24 . (6) Hnd 27,15 . (7) Ef 4,14 . Een vorm van ανεμος = anemos in de LXX (67) , in het NT (31) .

Ex 14,21.16. prefix waw consecutivum + act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיָּשֶׂם = wajjâshèm (en hij plaatste) van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (87) . Pentateuch (33) . Eerdere Profeten (36) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (14) . Gn (14) : (1) Gn 2,8 . (2) Gn 4,15 . (3) Gn 22,6 . (4) Gn 22,9 . (5) Gn 24,9 . (6) Gn 28,11 . (7) Gn 28,18 . (8) Gn 30,36 . (9) Gn 31,21 . (10) Gn 33,2 . (11) Gn 37,34 . (12) Gn 41,42 . (13) Gn 47,26 . (14) Gn 48,20 . Ex (13) : (1) Ex 9,5 . (2) Ex 14,21 . (3) Ex 19,7 . (4) Ex 24,6 . (5) Ex 39,7 . In acht verzen in Ex 40 : (1) Ex 40,18 . (2) Ex 40,19 . (3) Ex 40,20 . (4) Ex 40,21 . (5) Ex 40,24 . (6) Ex 40,26 . (7) Ex 40,28 . (8) Ex 40,30 . 1 S 1 (7) : (1) 1 S 7,12 . (2) 1 S 8,1 . (3) 1 S 9,24 . (4) 1 S 11,11 . (5) 1 S 17,40 . (6) 1 S 19,5 . (7) 1 S 21,13 .

Ex 14,21.18. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .

Ex 14,21.17. - 18. אֵת הַּיָּם = ´èth hajjâm (de zee) .

Ex 14,21.21. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Ex (12) : (1) Ex 2,10 . (2) Ex 4,9 . (3) Ex 7,17 . (4) Ex 7,20 . (5) Ex 14,21 . (6) Ex 14,26 . (7) Ex 14,28 . (8) Ex 15,25 . (9) Ex 15,27 . (10) Ex 32,20 .
- Grieks : nom. onz. enk. zelfst. naamw. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) .
- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .


Ex 14,22 - Ex 14,22 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22kai eisèlthon oi uioi israèl eis meson tès thalassès kata to xèron kai to udôr autois teicos ek dexiôn kai teicos ex euônumôn 22 et ingressi sunt filii Israhel per medium maris sicci erat enim aqua quasi murus a dextra eorum et leva     [22] Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Ex 14,22 .

Ex 14,22.2. stat. constructus mann. mv. בְּנֵי = bëne(j) = (zonen van) OF ... + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. בָּנַי / בָּנָי = bânaj / bânâj (mijn zonen) van het zelfst. naamw. בֵּן / בִּן / בֶּן = ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1481) . Pentateuch (582) . Eerdere Profeten (355) . Latere Profeten (83) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (436) . Gn (113) . Nu (245) .
- Zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker : qil-vorm . De stamklinker i met klemtoon is e geworden (Lettinga( 6) 13m) , bin werd ben . In gesloten lettergrepen zonder klemtoon is de uit de i ontstane e è geworden (Lettinga(6) 13n) , vandaar bèn . Volgens Joüon is het onregelmatige mv. moeilijk verklaarbaar ((Joüon 98 c) . mann. mv. בָּנִים = bânîm (zonen) . mann. mv stat construct. בְּנֵי = bëne(j) (zonen van) . Onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de i of de daaruit ontstane e in open lettergreep deels vervluchtigd tot een sewa (Lettinga 13 o) .

Ex 14,22.3. יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Getalswaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Structuur : 1 - 3 - 2 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . De eigennaam is samengesteld uit een werkwoordsvorm en een zelfst. naamw. : act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. יִשְׂרָה = jishrâ´ (hij strijdt) van het werkw. שָׂרָה = shârâh (strijden) + אֵל = ´el (God) : God strijdt . In Gn 32,29 wordt de naam Israël verklaard als : hij streed met God en met mensen . Dat gebeurt in het verhaal van de nachtelijke strijd van Jakob aan de Jabbok . Ex (157) . De stam יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) komt voor in Tenakh (2511)

  Tenakh Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt  
  2044 502 765 350 89 337 36 157 58 196 55  

- Grieks : ισραηλ = israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Bijbel (2392) . OT (2328) . NT (64) . Dt (64) .

Ex 14,22.2. - 3. בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = bënê jishërâ´el (zonen van Israël, Israëlieten) . Tenakh (419) .
- וּבְּנֵי יִשְׂרָאֵל = ûbhënê jishërâ´el (en de zonen van Israël, Israëlieten) . Tenakh (26) .

יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Structuur : 1 - 3 - 2 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (2044) . Pentateuch (502) . Eerdere Profeten (765) . Latere Profeten (350) . 12 Kleine Profeten (89) . Geschriften (337) .
- Gr. ισραηλ = israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Tenakh (2044) . Pentateuch (502) .

Ex 14,22.2. - 3. בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = bëne(j) jishërâ´el (Israëlieten) . Tenakh (109) .

Ex 14,22.4. בְתוֹךְ = bëthôkh (in het midden van) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. construct. van het zelfst. naamw. תָוֶך = thâwèkh (stat. constr. תּוֹך = thôkh) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenakh : thâwèkh (stat. constr. thôkh) : het midden, het inwendige . Getalswaarde : thaw = 22 of 400 , waw = 6 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 39 (13 + 26) OF 426 . Structuur : 4 - 6 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (179) .
- Grieks : εις το μεσον = eis to meson (naar het midden) . LXX (5) : (1) Ex 24,18 . (2) 1 K 6,8 . (3) Jr 21,4 . (4) Jr 48,7 . (5) Ez 10,2 . NT (7) : (1) Mc 3,3 . (2) 14,60 . (3) Lc 4,35 .  (4) Lc 5,19 .  (5) Lc 6,8 . (6) Lc 8,7 . (7) Joh 20,19 .
- Ned. : midden . D. : mitten . E. : midst . Fr. : milieu . Grieks : μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend) . Hebreeuws : תָוֶך = thâwèkh (stat. constr. תּוֹך = thôkh) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenakh : thâwèkh (stat. constr. thôkh) : het midden, het inwendige . Lat. : medius .

Ex 14,22.5. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .

Ex 14,22.4. - 5. בְתוֹךְ הַּיָּם = bëthôkh hajjâm (in het midden van de zee) . Tenakh (9) : (1) Ex 14,16 . (2) Ex 14,22 . (3) Ex 14,27 . (4) Ex 14,29 . (5) Ex 15,19 . (6) Nu 33,8 . (7) Ez 26,5 . (8) Ez 27,32 . (9) Neh 9,11 .
- εν μεσῳ της θαλασσης = en mesô(i) tès thalassès (temidden van de zee) . LXX (2) : (1) Ex 14,29 . (2) Ex 15,8 . NT (1) : Mc 6,47 .


Ex 14,23 - Ex 14,23 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23katediôxan de oi aiguptioi kai eisèlthon opisô autôn pasa è ippos faraô kai ta armata kai oi anabatai eis meson tès thalassès  23 persequentesque Aegyptii ingressi sunt post eos omnis equitatus Pharaonis currus eius et equites per medium maris     [23] De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,24 - Ex 14,24 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24egenèthè de en tè fulakè tè eôthinè kai epeblepsen kurios epi tèn parembolèn tôn aiguptiôn en stulô puros kai nefelès kai sunetaraxen tèn parembolèn tôn aiguptiôn  24 iamque advenerat vigilia matutina et ecce respiciens Dominus super castra Aegyptiorum per columnam ignis et nubis interfecit exercitum eorum     [24] Tegen de ochtendwake richtte de heer vanuit de vuurzuil en de wolkkolom zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

10. אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (144) . Pentateuch (30) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (53) . 12 Kleine Profeten (18) . Geschriften (30) . Gn (1) : Gn 15,17 . Ex (8) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 9,23 . (3) Ex 12,8 . (4) Ex 12,9 . (5) Ex 13,21 . (6) Ex 14,24 . (7) Ex 22,5 . (8) Ex 35,3 .
- בָּאֵשׁ / בְּאֵשׁ = bë´esj / bâ´esj (in - het - vuur) < bë + (bepaald. lidw. ha) + אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 (2 X 11) of 301 (7 X 43) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (128) . Pentateuch (35) . Eerdere Profeten (35) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (16) . Niet in Gn . Ex (7) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 12,10 . (3) Ex 19,18 . (4) Ex 29,14 . (5) Ex 29,34 . (6) Ex 32,20 . (7) Ex 32,24 .

Ex 14,25 - Ex 14,25 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25kai sunedèsen tous axonas tôn armatôn autôn kai ègagen autous meta bias kai eipan oi aiguptioi fugômen apo prosôpou israèl o gar kurios polemei peri autôn tous aiguptious 25 et subvertit rotas curruum ferebanturque in profundum dixerunt ergo Aegyptii fugiamus Israhelem Dominus enim pugnat pro eis contra nos     [25] Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen, zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: ‘Laten we vluchten voor de Israëlieten, want de heer strijdt voor hen tegen ons.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

9. act. qal cofortatief , 1ste pers. enk. ´ânûsâh (laat ik vluchten) van het werkw. nûs (vluchten, wegsnellen) . Taalgebruik in Tenakh : nûs (vluchten, wegsnellen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 116 (2² X 29) . Gr. feugô . Lat. fugere . Fr. fuir . E. to flew . D. fliehen . Tenakh (1) : Ex 14,25 . Een vorm van nûs (vluchten, wegsnellen) in Ex (5) : (1) Ex 4,3 . (2) Ex 9,20 . (3) Ex 14,25 . (4) Ex 14,27 . (5) Ex 21,13 .

Ex 14,26 - Ex 14,26 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26eipen de kurios pros môusèn ekteinon tèn ceira sou epi tèn thalassan kai apokatastètô to udôr kai epikalupsatô tous aiguptious epi te ta armata kai tous anabatas  26 et ait Dominus ad Mosen extende manum tuam super mare ut revertantur aquae ad Aegyptios super currus et equites eorum     [26] Toen sprak de heer tot Mozes: ‘Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.’        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. - 4. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Tenakh (66 = 2 X 3 X 11) . Ex (42) . Lv (2) . Nu (20) . Dt (2) . Ex (42 = 6 X7) . Ex 4 (3) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 4,19 . (3) Ex 4,21 . Ex 6 (1) : Ex 6,1 . Ex 7 - 12 (20) : (1) Ex 7,1 . (2) Ex 7,8 . (3) Ex 7,14 . (4) Ex 7,19 . (5) Ex 7,26 . (6) Ex 8,1 . (7) Ex 8,12 . (8) Ex 8,16 . (9) Ex 9,1 . (10) Ex 9,8 . (11) Ex 9,12 . (12) Ex 9,13 . (13) Ex 9,22 . (14) Ex 10,1 . (15) Ex 10,12 . (16) Ex 10,21 . (17) Ex 11,1 . (18) Ex 11,9 . (19) Ex 12,1 . (20) Ex 12,43 . Ex 14 (2) : (1) Ex 14,15 . (2) Ex 14,26 . Ex 16 (2) : (1) Ex 16,4 . (2) Ex 16,28 . Ex 17 (2) : (1) Ex 17,5 . (2) Ex 17,14 . Ex 19-24 (5) : (1) Ex 19,9 . (2) Ex 19,10 . (3) Ex 19,21 . (4) Ex 20,22 . (5) Ex 24,12 . Ex 25-31 (2) . Ex 30 (1) : Ex 30,34 . Ex 31 (1) : Ex 31,12 . Ex 32 (2) : : (1) Ex 32,9 .(2) Ex 32,33 . Ex 33 (2) : Ex 33,5 . (2) Ex 33,17 . Ex 34 (1) : Ex 34,1 . Lv (2) : (1) Lv 16,2 . (2) Lv 21,1 . Nu (20) : (1) Nu 3,40 . (2) Nu 7,4 . (3) Nu 7,11 . (4) Nu 11,16 . (5) Nu 11,23 . (6) Nu 12,14 . (7) Nu 14,11 . (8) Nu 15,35 . (9) Nu 15,37 . (10) Nu 17,25 . (11) Nu 20,12 . (12) Nu 20,23 . (13) Nu 21,8 . (14) Nu 21,34 . (15) Nu 25,4 . (16) Nu 26,1 . (17) Nu 27,6 . (18) Nu 27,12 . (19) Nu 27,18 . (20) Nu 31,25 . Dt (2) : (1) Dt 31,14 . (2) Dt 31,16 .
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Tenakh (91 = 7 X 13) . Pentateuch (91 = 7 X 13) . Ex (14 = 2 X 7) . (1) Ex 6,10 . (2) Ex 6,13 . (3) Ex 6,29 . (4) Ex 13,1 . (5) Ex 14,1 . (6) Ex 16,11 . (7) Ex 25,1 . (8) Ex 30,11 . (9) Ex 30,17 . (10) Ex 30,22 . (11) Ex 31,1 . (12) Ex 32,7 . (13) Ex 33,1 . (14) Ex 40,1 .
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Tenakh (1) . Ex 3,14 .
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Tenakh (1) : (1) Ex 6,2 .

5. act. imperat. aor. 2de pers. enk. εκτεινον = ekteinon (strek uit) van het werkw. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in de LXX : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . Bijbel (15) . LXX (12) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 8,1 . (4) Ex 8,12 . (5) Ex 9,22 . (6) Ex 10,12 . (7) Ex 10,21 . (8) Ex 14,16 . (9) Ex 14,26 . (10) Joz 8,18 . (11) Sir 7,32 . (12) Sir 14,13 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 . De hand uitstrekken komt in het NT voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .
- n-t-h : Tenakh (35) . 1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (hij strekte uit) . 2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. נְטֵה = nëteh (strek uit) van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Taalgebruik in Tenakh : nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal : 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 5 - 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 .
- Ned. : uitstrekken . Fr. : étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Grieks : εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) ; ek- t-n . Lat. : extendere .

7. acc. vr. enk. χειρα = cheira (hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .

  cheir (hand) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
4 acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 18 21
  Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16  77  92 

de acc. vr. enk. χειρα = cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. την = tèn : την χειρα = tèn cheira (de hand) . LXX (195) . NT (28) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) . In Mc 1,41 en Mc 3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô = uitstrekken) .

την χειρα αυτου = tèn cheira autou (zijn hand) . LXX (195) . NT (28) .
- την χειρα σου = tèn cheira sou (jouw hand) . LXX (47) . NT (6) .
- יָדֶךָ = jâdèkhâ (jouw hand) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) . Getalwaarde : jod = 10 . daleth = 4 . Totaal 14 (2 X 7) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (92) . Pentateuch (37) .

5. - 7. - εκτεινον την χειρα = ekteinon tèn cheira (strek de hand uit) . LXX (9) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 9,22 . (4) Ex 10,12 . (5) Ex 10,21 . (6) Ex 14,16 . (7) Ex 14,26 . (8) Joz 8,18 . (9) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 .
- εκτεινον την χειρα σου = ekteinon tèn cheira sou (strek je hand uit) . LXX (7) : (1) Ex 7,19 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 10,21 . (4) Ex 14,16 . (5) Ex 14,26 . (6) Joz 8,18 . (7) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 .
- נְטֵה אֶת יָדְךָ = nëteh ´èth jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (3) : (1) Ex 8,1 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 14,26 .
- וּנְטֵה אֶת יָדְךָ = ûnëteh ´èth jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 14,16 .
- נְטֵה יָדְךָ = nëteh jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (2) : (1) Ex 10,8 . (2) Ex 10,21 .
- וּנְטֵה יָדְךָ = ûnëteh jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 7,19 .

9. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) . Ex (12) : (1) Ex 14,2 . (2) Ex 14,9 . (3) Ex 14,16 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,22 . (6) Ex 14,23 . (7) Ex 14,26 . (8) Ex 14,27 . (9) Ex 14,29 . (10) Ex 14,30 . (11) Ex 15,19 . (12) Ex 20,11 . Ps (12) : (1) Ps 8,9 . (2) Ps 33,7 . (3) Ps 78,53 . (4) Ps 89,10 . (5) Ps 95,5 . (6) Ps 96,11 . (7) Ps 98,7 . (8) Ps 104,25 . (9) Ps 107,23 . (10) Ps 114,3 . (11) Ps 114,5 . (12) Ps 146,6 .

11. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (85) . Pentateuch (45) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (12) . Gn (28) . Ex (12) : (1) Ex 2,10 . (2) Ex 4,9 . (3) Ex 7,17 . (4) Ex 7,20 . (5) Ex 14,21 . (6) Ex 14,26 . (7) Ex 14,28 . (8) Ex 15,25 . (9) Ex 15,27 . (10) Ex 32,20 .
- Grieks : nom. onz. enk. zelfst. naamw. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) .
- Ned. : water . Arabisch : مَأء = mâh (water) . Taalgebruik in de Qoran : mâh (water) . D. : Wasser . E. : water . Fr. : eau . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Hebreeuws : מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Lat. : aqua .




Ex 14,27 - Ex 14,27 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27exeteinen de môusès tèn ceira epi tèn thalassan kai apekatestè to udôr pros èmeran epi côras oi de aiguptioi efugon upo to udôr kai exetinaxen kurios tous aiguptious meson tès thalassès  27 cumque extendisset Moses manum contra mare reversum est primo diluculo ad priorem locum fugientibusque Aegyptiis occurrerunt aquae et involvit eos Dominus in mediis fluctibus     [27] Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. En omdat de Egyptenaren er tegenin vluchtten dreef de heer hen midden in de zee.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

15. Latijn . act. ind. aor. 3de pers. enk. involvit (hij wikkelde in) van het werkw. involvere , involvi , involutum (wentelen, rollen, wikkelen in) . Bijbel (6) : (1) Ex 14,27 . (2) 2 K 2,8 . (3) Mt 27,59 . (4) Mc 15,46 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 23,53 .

Ex 14,28 - Ex 14,28 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28kai epanastrafen to udôr ekalupsen ta armata kai tous anabatas kai pasan tèn dunamin faraô tous eispeporeumenous opisô autôn eis tèn thalassan kai ou kateleifthè ex autôn oude eis  28 reversaeque sunt aquae et operuerunt currus et equites cuncti exercitus Pharaonis qui sequentes ingressi fuerant mare ne unus quidem superfuit ex eis     [28] Het water dat terugvloeide overspoelde de wagens en de wagenmenners, heel de strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Er bleef er niet één gespaard.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,29 - Ex 14,29 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29oi de uioi israèl eporeuthèsan dia xèras en mesô tès thalassès to de udôr autois teicos ek dexiôn kai teicos ex euônumôn  29 filii autem Israhel perrexerunt per medium sicci maris et aquae eis erant quasi pro muro a dextris et a sinistris     [29] De Israëlieten trokken over de droge bodem van de zee, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,30 - Ex 14,30 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30kai errusato kurios ton israèl en tè èmera ekeinè ek ceiros tôn aiguptiôn kai eiden israèl tous aiguptious tethnèkotas para to ceilos tès thalassès  30 liberavitque Dominus in die illo Israhel de manu Aegyptiorum     [30] Zo redde de heer op deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen.        

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Ex 14,31 - Ex 14,31 : Redding bij de Rietzee - bijbeloverzicht -- Ex (Exodus) -- bijbelverwijzingen -- Ex 13 -- Ex 14 -- Ex 13,17-14,31 -- Ex 14,1 - Ex 14,2 - Ex 14,3 - Ex 14,4 - Ex 14,5 - Ex 14,6 - Ex 14,7 - Ex 14,8 - Ex 14,9 - Ex 14,10 - Ex 14,11 - Ex 14,12 - Ex 14,13 - Ex 14,14 - Ex 14,15 - Ex 14,16 - Ex 14,17 - Ex 14,18 - Ex 14,19 - Ex 14,20 - Ex 14,21 - Ex 14,22 - Ex 14,23 - Ex 14,24 - Ex 14,25 - Ex 14,26 - Ex 14,27 - Ex 14,28 - Ex 14,29 - Ex 14,30 - Ex 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31eiden de israèl tèn ceira tèn megalèn a epoièsen kurios tois aiguptiois efobèthè de o laos ton kurion kai episteusan tô theô kai môusè tô theraponti autou   31 et viderunt Aegyptios mortuos super litus maris et manum magnam quam exercuerat Dominus contra eos timuitque populus Dominum et crediderunt Domino et Mosi servo eius     [31] Toen* Israël het machtige optreden van de heer tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor de heer; zij stelden vertrouwen in de heer en in Mozes, zijn dienaar.       

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van


MASORETISCHE TEKST (MT)

Exodus Chapter 14 שְׁמוֹת

א  וַיְדַבֵּר יְהוָה, אֶל-מֹשֶׁה לֵּאמֹר. 1 And the LORD spoke unto Moses, saying:
ב  דַּבֵּר, אֶל-בְּנֵי יִשְׂרָאֵל, וְיָשֻׁבוּ וְיַחֲנוּ לִפְנֵי פִּי הַחִירֹת, בֵּין מִגְדֹּל וּבֵין הַיָּם:  לִפְנֵי בַּעַל צְפֹן, נִכְחוֹ תַחֲנוּ עַל-הַיָּם. 2 'Speak unto the children of Israel, that they turn back and encamp before Pi-hahiroth, between Migdol and the sea, before Baal-zephon, over against it shall ye encamp by the sea.
ג  וְאָמַר פַּרְעֹה לִבְנֵי יִשְׂרָאֵל, נְבֻכִים הֵם בָּאָרֶץ; סָגַר עֲלֵיהֶם, הַמִּדְבָּר. 3 And Pharaoh will say of the children of Israel: They are entangled in the land, the wilderness hath shut them in.
ד  וְחִזַּקְתִּי אֶת-לֵב-פַּרְעֹה, וְרָדַף אַחֲרֵיהֶם, וְאִכָּבְדָה בְּפַרְעֹה וּבְכָל-חֵילוֹ, וְיָדְעוּ מִצְרַיִם כִּי-אֲנִי יְהוָה; וַיַּעֲשׂוּ-כֵן. 4 And I will harden Pharaoh's heart, and he shall follow after them; and I will get Me honour upon Pharaoh, and upon all his host; and the Egyptians shall know that I am the LORD.' And they did so.
ה  וַיֻּגַּד לְמֶלֶךְ מִצְרַיִם, כִּי בָרַח הָעָם; וַיֵּהָפֵךְ לְבַב פַּרְעֹה וַעֲבָדָיו, אֶל-הָעָם, וַיֹּאמְרוּ מַה-זֹּאת עָשִׂינוּ, כִּי-שִׁלַּחְנוּ אֶת-יִשְׂרָאֵל מֵעָבְדֵנוּ. 5 And it was told the king of Egypt that the people were fled; and the heart of Pharaoh and of his servants was turned towards the people, and they said: 'What is this we have done, that we have let Israel go from serving us?
ו  וַיֶּאְסֹר, אֶת-רִכְבּוֹ; וְאֶת-עַמּוֹ, לָקַח עִמּוֹ. 6 And he made ready his chariots, and took his people with him.
ז  וַיִּקַּח, שֵׁשׁ-מֵאוֹת רֶכֶב בָּחוּר, וְכֹל, רֶכֶב מִצְרָיִם; וְשָׁלִשִׁם, עַל-כֻּלּוֹ. 7 And he took six hundred chosen chariots, and all the chariots of Egypt, and captains over all of them.
ח  וַיְחַזֵּק יְהוָה, אֶת-לֵב פַּרְעֹה מֶלֶךְ מִצְרַיִם, וַיִּרְדֹּף, אַחֲרֵי בְּנֵי יִשְׂרָאֵל; וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל, יֹצְאִים בְּיָד רָמָה. 8 And the LORD hardened the heart of Pharaoh king of Egypt, and he pursued after the children of Israel; for the children of Israel went out with a high hand.
ט  וַיִּרְדְּפוּ מִצְרַיִם אַחֲרֵיהֶם, וַיַּשִּׂיגוּ אוֹתָם חֹנִים עַל-הַיָּם, כָּל-סוּס רֶכֶב פַּרְעֹה, וּפָרָשָׁיו וְחֵילוֹ--עַל-פִּי, הַחִירֹת, לִפְנֵי, בַּעַל צְפֹן. 9 And the Egyptians pursued after them, all the horses and chariots of Pharaoh, and his horsemen, and his army, and overtook them encamping by the sea, beside Pi-hahiroth, in front of Baal-zephon.
י  וּפַרְעֹה, הִקְרִיב; וַיִּשְׂאוּ בְנֵי-יִשְׂרָאֵל אֶת-עֵינֵיהֶם וְהִנֵּה מִצְרַיִם נֹסֵעַ אַחֲרֵיהֶם, וַיִּירְאוּ מְאֹד, וַיִּצְעֲקוּ בְנֵי-יִשְׂרָאֵל, אֶל-יְהוָה. 10 And when Pharaoh drew nigh, the children of Israel lifted up their eyes, and, behold, the Egyptians were marching after them; and they were sore afraid; and the children of Israel cried out unto the LORD.
יא  וַיֹּאמְרוּ, אֶל-מֹשֶׁה, הֲמִבְּלִי אֵין-קְבָרִים בְּמִצְרַיִם, לְקַחְתָּנוּ לָמוּת בַּמִּדְבָּר:  מַה-זֹּאת עָשִׂיתָ לָּנוּ, לְהוֹצִיאָנוּ מִמִּצְרָיִם. 11 And they said unto Moses: 'Because there were no graves in Egypt, hast thou taken us away to die in the wilderness? wherefore hast thou dealt thus with us, to bring us forth out of Egypt?
יב  הֲלֹא-זֶה הַדָּבָר, אֲשֶׁר דִּבַּרְנוּ אֵלֶיךָ בְמִצְרַיִם לֵאמֹר, חֲדַל מִמֶּנּוּ, וְנַעַבְדָה אֶת-מִצְרָיִם:  כִּי טוֹב לָנוּ עֲבֹד אֶת-מִצְרַיִם, מִמֻּתֵנוּ בַּמִּדְבָּר. 12 Is not this the word that we spoke unto thee in Egypt, saying: Let us alone, that we may serve the Egyptians? For it were better for us to serve the Egyptians, than that we should die in the wilderness.'
יג  וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אֶל-הָעָם, אַל-תִּירָאוּ--הִתְיַצְּבוּ וּרְאוּ אֶת-יְשׁוּעַת יְהוָה, אֲשֶׁר-יַעֲשֶׂה לָכֶם הַיּוֹם:  כִּי, אֲשֶׁר רְאִיתֶם אֶת-מִצְרַיִם הַיּוֹם--לֹא תֹסִפוּ לִרְאֹתָם עוֹד, עַד-עוֹלָם. 13 And Moses said unto the people: 'Fear ye not, stand still, and see the salvation of the LORD, which He will work for you to-day; for whereas ye have seen the Egyptians to-day, ye shall see them again no more for ever.
יד  יְהוָה, יִלָּחֵם לָכֶם; וְאַתֶּם, תַּחֲרִשׁוּן.  {פ} 14 The LORD will fight for you, and ye shall hold your peace.' {P}
טו  וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה, מַה-תִּצְעַק אֵלָי; דַּבֵּר אֶל-בְּנֵי-יִשְׂרָאֵל, וְיִסָּעוּ. 15 And the LORD said unto Moses: 'Wherefore criest thou unto Me? speak unto the children of Israel, that they go forward.
טז  וְאַתָּה הָרֵם אֶת-מַטְּךָ, וּנְטֵה אֶת-יָדְךָ עַל-הַיָּם--וּבְקָעֵהוּ; וְיָבֹאוּ בְנֵי-יִשְׂרָאֵל בְּתוֹךְ הַיָּם, בַּיַּבָּשָׁה. 16 And lift thou up thy rod, and stretch out thy hand over the sea, and divide it; and the children of Israel shall go into the midst of the sea on dry ground.
יז  וַאֲנִי, הִנְנִי מְחַזֵּק אֶת-לֵב מִצְרַיִם, וְיָבֹאוּ, אַחֲרֵיהֶם; וְאִכָּבְדָה בְּפַרְעֹה וּבְכָל-חֵילוֹ, בְּרִכְבּוֹ וּבְפָרָשָׁיו. 17 And I, behold, I will harden the hearts of the Egyptians, and they shall go in after them; and I will get Me honour upon Pharaoh, and upon all his host, upon his chariots, and upon his horsemen.
יח  וְיָדְעוּ מִצְרַיִם, כִּי-אֲנִי יְהוָה, בְּהִכָּבְדִי בְּפַרְעֹה, בְּרִכְבּוֹ וּבְפָרָשָׁיו. 18 And the Egyptians shall know that I am the LORD, when I have gotten Me honour upon Pharaoh, upon his chariots, and upon his horsemen.'
יט  וַיִּסַּע מַלְאַךְ הָאֱלֹהִים, הַהֹלֵךְ לִפְנֵי מַחֲנֵה יִשְׂרָאֵל, וַיֵּלֶךְ, מֵאַחֲרֵיהֶם; וַיִּסַּע עַמּוּד הֶעָנָן, מִפְּנֵיהֶם, וַיַּעֲמֹד, מֵאַחֲרֵיהֶם. 19 And the angel of God, who went before the camp of Israel, removed and went behind them; and the pillar of cloud removed from before them, and stood behind them;
כ  וַיָּבֹא בֵּין מַחֲנֵה מִצְרַיִם, וּבֵין מַחֲנֵה יִשְׂרָאֵל, וַיְהִי הֶעָנָן וְהַחֹשֶׁךְ, וַיָּאֶר אֶת-הַלָּיְלָה; וְלֹא-קָרַב זֶה אֶל-זֶה, כָּל-הַלָּיְלָה. 20 and it came between the camp of Egypt and the camp of Israel; and there was the cloud and the darkness here, yet gave it light by night there; and the one came not near the other all the night.
כא  וַיֵּט מֹשֶׁה אֶת-יָדוֹ, עַל-הַיָּם, וַיּוֹלֶךְ יְהוָה אֶת-הַיָּם בְּרוּחַ קָדִים עַזָּה כָּל-הַלַּיְלָה, וַיָּשֶׂם אֶת-הַיָּם לֶחָרָבָה; וַיִּבָּקְעוּ, הַמָּיִם. 21 And Moses stretched out his hand over the sea; and the LORD caused the sea to go back by a strong east wind all the night, and made the sea dry land, and the waters were divided.
כב  וַיָּבֹאוּ בְנֵי-יִשְׂרָאֵל בְּתוֹךְ הַיָּם, בַּיַּבָּשָׁה; וְהַמַּיִם לָהֶם חוֹמָה, מִימִינָם וּמִשְּׂמֹאלָם. 22 And the children of Israel went into the midst of the sea upon the dry ground; and the waters were a wall unto them on their right hand, and on their left.
כג  וַיִּרְדְּפוּ מִצְרַיִם, וַיָּבֹאוּ אַחֲרֵיהֶם--כֹּל סוּס פַּרְעֹה, רִכְבּוֹ וּפָרָשָׁיו:  אֶל-תּוֹךְ, הַיָּם. 23 And the Egyptians pursued, and went in after them into the midst of the sea, all Pharaoh's horses, his chariots, and his horsemen.
כד  וַיְהִי, בְּאַשְׁמֹרֶת הַבֹּקֶר, וַיַּשְׁקֵף יְהוָה אֶל-מַחֲנֵה מִצְרַיִם, בְּעַמּוּד אֵשׁ וְעָנָן; וַיָּהָם, אֵת מַחֲנֵה מִצְרָיִם. 24 And it came to pass in the morning watch, that the LORD looked forth upon the host of the Egyptians through the pillar of fire and of cloud, and discomfited the host of the Egyptians.
כה  וַיָּסַר, אֵת אֹפַן מַרְכְּבֹתָיו, וַיְנַהֲגֵהוּ, בִּכְבֵדֻת; וַיֹּאמֶר מִצְרַיִם, אָנוּסָה מִפְּנֵי יִשְׂרָאֵל--כִּי יְהוָה, נִלְחָם לָהֶם בְּמִצְרָיִם.  {פ} 25 And He took off their chariot wheels, and made them to drive heavily; so that the Egyptians said: 'Let us flee from the face of Israel; for the LORD fighteth for them against the Egyptians.' {P}
כו  וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה, נְטֵה אֶת-יָדְךָ עַל-הַיָּם; וְיָשֻׁבוּ הַמַּיִם עַל-מִצְרַיִם, עַל-רִכְבּוֹ וְעַל-פָּרָשָׁיו. 26 And the LORD said unto Moses: 'Stretch out thy hand over the sea, that the waters may come back upon the Egyptians, upon their chariots, and upon their horsemen.'
כז  וַיֵּט מֹשֶׁה אֶת-יָדוֹ עַל-הַיָּם, וַיָּשָׁב הַיָּם לִפְנוֹת בֹּקֶר לְאֵיתָנוֹ, וּמִצְרַיִם, נָסִים לִקְרָאתוֹ; וַיְנַעֵר יְהוָה אֶת-מִצְרַיִם, בְּתוֹךְ הַיָּם. 27 And Moses stretched forth his hand over the sea, and the sea returned to its strength when the morning appeared; and the Egyptians fled against it; and the LORD overthrew the Egyptians in the midst of the sea.
כח  וַיָּשֻׁבוּ הַמַּיִם, וַיְכַסּוּ אֶת-הָרֶכֶב וְאֶת-הַפָּרָשִׁים, לְכֹל חֵיל פַּרְעֹה, הַבָּאִים אַחֲרֵיהֶם בַּיָּם:  לֹא-נִשְׁאַר בָּהֶם, עַד-אֶחָד. 28 And the waters returned, and covered the chariots, and the horsemen, even all the host of Pharaoh that went in after them into the sea; there remained not so much as one of them.
כט  וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל הָלְכוּ בַיַּבָּשָׁה, בְּתוֹךְ הַיָּם; וְהַמַּיִם לָהֶם חֹמָה, מִימִינָם וּמִשְּׂמֹאלָם. 29 But the children of Israel walked upon dry land in the midst of the sea; and the waters were a wall unto them on their right hand, and on their left.
ל  וַיּוֹשַׁע יְהוָה בַּיּוֹם הַהוּא, אֶת-יִשְׂרָאֵל--מִיַּד מִצְרָיִם; וַיַּרְא יִשְׂרָאֵל אֶת-מִצְרַיִם, מֵת עַל-שְׂפַת הַיָּם. 30 Thus the LORD saved Israel that day out of the hand of the Egyptians; and Israel saw the Egyptians dead upon the sea-shore.
לא  וַיַּרְא יִשְׂרָאֵל אֶת-הַיָּד הַגְּדֹלָה, אֲשֶׁר עָשָׂה יְהוָה בְּמִצְרַיִם, וַיִּירְאוּ הָעָם, אֶת-יְהוָה; וַיַּאֲמִינוּ, בַּיהוָה, וּבְמֹשֶׁה, עַבְדּוֹ.  {ר}  {ש} 31 And Israel saw the great work which the LORD did upon the Egyptians, and the people feared the LORD; and they believed in the LORD, and in His servant Moses. {P}

Septuagint

??? ?????se ?????? p??? ???s?? ?????? 2 ????s?? t??? ????? ??s?a??, ?a? ?p?st???a?te? st?at?pede?s?t?sa? ?p??a?t? t?? ?pa??e??, ??? µ?s?? ?a?d???? ?a? ??? µ?s?? t?? ?a??ss??, ??e?a?t?a? ?ee?sepf??, ???p??? a?t?? st?at?pede?se?? ?p? t?? ?a??ss??. 3 ?a? ??e? Fa?a? t? ?a? a?t??? ?? ???? ??s?a?? p?a???ta? ??t?? ?? t? ??? s??????e??e ??? a?t??? ? ???µ??. 4 ??? d? s??????? t?? ?a?d?a? Fa?a?, ?a? ?atad???eta? ?p?s? a?t??? ?a? ??d??as??s?µa? ?? Fa?a? ?a? ?? p?s? t? st?at?? a?t??, ?a? ???s??ta? p??te? ?? ????pt??? ?t? ??? e?µ? ??????. ?a? ?p???sa? ??t??. 5 ?a? ???????? t? ßas??e? t?? ????pt??? ?t? p?fe??e? ? ?a??? ?a? µetest??f? ? ?a?d?a Fa?a? ?a? t?? ?e?ap??t?? a?t?? ?p? t?? ?a??, ?a? e?pa?? t? t??t? ?p???saµe? t?? ??ap?ste??a? t??? ????? ??s?a??, t?? µ? d???e?e?? ?µ??; 6 ??e??e? ??? Fa?a? t? ??µata a?t?? ?a? p??ta t?? ?a?? a?t?? s??ap??a?e µe?? ?a?t?? 7 ?a? ?aß?? ??a??s?a ??µata ???e?t? ?a? p?sa? t?? ?pp?? t?? ????pt??? ?a? t??st?ta? ?p? p??t??. 8 ?a? ?s??????e ?????? t?? ?a?d?a? Fa?a? ßas????? ????pt?? ?a? t?? ?e?ap??t?? a?t??, ?a? ?ated???e? ?p?s? t?? ???? ??s?a??? ?? d? ???? ??s?a?? ??ep??e???t? ?? ?e??? ?????. 9 ?a? ?ated???a? ?? ????pt??? ?p?s? a?t?? ?a? e???sa? a?t??? pa?eµßeß????ta? pa?? t?? ???assa?, ?a? p?sa ? ?pp?? ?a? t? ??µata Fa?a? ?a? ?? ?ppe?? ?a? ? st?at?? a?t?? ?p??a?t? t?? ?pa??e?? ??e?a?t?a? ?ee?sepf??. 10 ?a? Fa?a? p??s??e? ?a? ??aß???a?te? ?? ???? ??s?a?? t??? ?f?a?µ??? ???s?, ?a? ?? ????pt??? ?st?at?p?de?sa? ?p?s? a?t??, ?a? ?f?ß???sa? sf?d?a? ??eß??sa? d? ?? ???? ??s?a?? p??? ??????, 11 ?a? e?pa? p??? ???s??? pa?? t? µ? ?p???e?? µ??µata ?? ?? ????pt? ????a?e? ?µ?? ?a?at?sa? ?? t? ???µ?; t? t??t? ?p???sa? ?µ?? ??a?a??? ?? ????pt??; 12 ?? t??t? ?? t? ??µa, ? ??a??saµe? p??? s? ?? ????pt?, ?????te?? p??e? ?µ??, ?p?? d???e?s?µe? t??? ????pt????; ??e?ss?? ??? ?µ?? d???e?e?? t??? ????pt???? ? ?p??a?e?? ?? t? ???µ? ta?t?. 13 e?pe d? ???s?? p??? t?? ?a??? ?a?se?te, st?te ?a? ???te t?? s?t???a? t?? pa?? t?? ??????, ?? p???se? ?µ?? s?µe???? ?? t??p?? ??? ?????ate t??? ????pt???? s?µe???, ?? p??s??ses?e ?t? ?de?? a?t??? e?? t?? a???a ??????? 14 ?????? p??eµ?se? pe?? ?µ??, ?a? ?µe?? s???sete. 15 ??pe d? ?????? p??? ???s??? t? ß??? p??? µe; ????s?? t??? ????? ??s?a??, ?a? ??a?e???t?sa?? 16 ?a? s? ?pa??? t? ??ßd? s?? ?a? ??te???? t?? ?e??? s?? ?p? t?? ???assa? ?a? ????? a?t??, ?a? e?se???t?sa? ?? ???? ??s?a?? e?? µ?s?? t?? ?a??ss?? ?at? t? ?????. 17 ?a? ?d?? ??? s??????? t?? ?a?d?a? Fa?a? ?a? t?? ????pt??? p??t??, ?a? e?se?e?s??ta? ?p?s? a?t??? ?a? ??d??as??s?µa??? Fa?a? ?a? ?? p?s? t? st?at?? a?t?? ?a? ?? t??? ??µas? ?a? ?? t??? ?pp??? a?t??. 18 ?a? ???s??ta? p??te? ?? ????pt??? ?t? ??? e?µ? ??????, ??d??a??µ???? µ?? ?? Fa?a? ?a? ?? t??? ??µas? ?a? ?pp??? a?t??. 19 ????e d? ? ???e??? t?? Te?? ? p??p??e??µe??? t?? pa?eµß???? t?? ???? ??s?a?? ?a? ?p??e??? ?? t?? ?p?s?e?? ????e d? ?a? ? st???? t?? ?ef???? ?p? p??s?p?? a?t?? ?a? ?st? ?? t?? ?p?s? a?t??. 20 ?a? e?s???e? ??? µ?s?? t?? pa?eµß???? t?? ????pt??? ?a? ??? µ?s?? t?? pa?eµß???? ??s?a?? ?a? ?st?? ?a? ????et? s??t?? ?a? ???f??, ?a? d????e? ? ???, ?a? ?? s???µ??a? ???????? ???? t?? ???ta? 21 ???te??e d? ???s?? t?? ?e??a ?p? t?? ???assa?, ?a? ?p??a?e ?????? t?? ???assa? ?? ???µ? ??t? ß?a?? ???? t?? ???ta ?a? ?p???se t?? ???assa? ?????, ?a? ?s??s?? t? ?d??. 22 ?a? e?s????? ?? ???? ??s?a?? e?? µ?s?? t?? ?a??ss?? ?at? t? ?????, ?a? t? ?d?? a?t?? te???? ?? de???? ?a? te???? ?? e????µ??? 23 ?a? ?ated???a? ?? ????pt??? ?a? e?s????? ?p?s? a?t??, p?? ?pp?? Fa?a? ?a? t? ??µata ?a? ?? ??aß?ta?, e?? µ?s?? t?? ?a??ss??. 24 ??e???? d? ?? t? f??a?? t? ?????? ?a? ?p?ß?e?e ?????? ?p? t?? pa?eµß???? t?? ????pt??? ?? st??? p???? ?a? ?ef???? ?a? s??et??a?e t?? pa?eµß???? t?? ????pt??? 25 ?a? s???d?se t??? ????a? t?? ??µ?t?? a?t?? ?a? ??a?e? a?t??? µet? ß?a?. ?a? e?pa? ?? ????pt???? f???µe? ?p? p??s?p?? ??s?a??, ? ??? ?????? p??eµe? pe?? a?t?? t??? ????pt????. 26 e?pe d? ?????? p??? ???s??? ??te???? t?? ?e??? s?? ?p? t?? ???assa?, ?a? ?p??atast?t? t? ?d?? ?a? ?p??a????t? t??? ????pt????, ?p? te t? ??µata ?a? t??? ??aß?ta?. 27 ???te??e d? ???s?? t?? ?e??a ?p? t?? ???assa?, ?a? ?p??at?st? t? ?d?? p??? ?µ??a? ?p? ???a?? ?? d? ????pt??? ?f???? ?p? t? ?d??, ?a? ??et??a?e ?????? t??? ????pt???? µ?s?? t?? ?a??ss??. 28 ?a? ?pa?ast?af?? t? ?d?? ??????e t? ??µata ?a? t??? ??aß?ta? ?a? p?sa? t?? d??aµ?? Fa?a?, t??? e?sp??e??µ????? ?p?s? a?t??, e?? t?? ???assa?, ?a? ?? ?ate??f?? ?? a?t?? ??d? e??. 29 ?? d? ???? ??s?a?? ?p??e???sa? d?? ????? ?? µ?s? t?? ?a??ss??, t? d? ?d?? a?t?? te???? ?? de????, ?a? te???? ?? e????µ??. 30 ?a? ????sat? ?????? t?? ??s?a?? ?? t? ?µ??? ??e??? ?? ?e???? t?? ????pt???? ?a? e?de? ??s?a?? t??? ????pt???? te?????ta? pa?? t? ?e???? t?? ?a??ss??. 31 e?de d? ??s?a?? t?? ?e??a t?? µe?????, ? ?p???se ?????? t??? ????pt????? ?f?ß??? d? ? ?a?? t?? ?????? ?a? ?p?ste?sa? t? Te? ?a? ???s? t? ?e??p??t? a?t??. 

1kai elalèsen kurios pros môusèn legôn2lalèson tois uiois israèl kai apostrepsantes stratopedeusatôsan apenanti tès epauleôs ana meson magdôlou kai ana meson tès thalassès ex enantias beelsepfôn enôpion autôn stratopedeuseis epi tès thalassès3kai erei faraô tô laô autou oi uioi israèl planôntai outoi en tè gè sugkekleiken gar autous è erèmos4egô de sklèrunô tèn kardian faraô kai katadiôxetai opisô autôn kai endoxasthèsomai en faraô kai en pasè tè stratia autou kai gnôsontai pantes oi aiguptioi oti egô eimi kurios kai epoièsan outôs5kai anèggelè tô basilei tôn aiguptiôn oti pefeugen o laos kai metestrafè è kardia faraô kai tôn therapontôn autou epi ton laon kai eipan ti touto epoièsamen tou exaposteilai tous uious israèl tou mè douleuein èmin6ezeuxen oun faraô ta armata autou kai panta ton laon autou sunapègagen meth' eautou7kai labôn exakosia armata eklekta kai pasan tèn ippon tôn aiguptiôn kai tristatas epi pantôn8kai esklèrunen kurios tèn kardian faraô basileôs aiguptou kai tôn therapontôn autou kai katediôxen opisô tôn uiôn israèl oi de uioi israèl exeporeuonto en ceiri upsèlè9kai katediôxan oi aiguptioi opisô autôn kai eurosan autous parembeblèkotas para tèn thalassan kai pasa è ippos kai ta armata faraô kai oi ippeis kai è stratia autou apenanti tès epauleôs ex enantias beelsepfôn10kai faraô prosègen kai anablepsantes oi uioi israèl tois ofthalmois orôsin kai oi aiguptioi estratopedeusan opisô autôn kai efobèthèsan sfodra aneboèsan de oi uioi israèl pros kurion11kai eipen pros môusèn para to mè uparcein mnèmata en gè aiguptô exègages èmas thanatôsai en tè erèmô ti touto epoièsas èmin exagagôn ex aiguptou12ou touto èn to rèma o elalèsamen pros se en aiguptô legontes pares èmas opôs douleusômen tois aiguptiois kreisson gar èmas douleuein tois aiguptiois è apothanein en tè erèmô tautè13eipen de môusès pros ton laon tharseite stète kai orate tèn sôtèrian tèn para tou theou èn poièsei èmin sèmeron on tropon gar eôrakate tous aiguptious sèmeron ou prosthèsesthe eti idein autous eis ton aiôna cronon14kurios polemèsei peri umôn kai umeis sigèsete15eipen de kurios pros môusèn ti boas pros me lalèson tois uiois israèl kai anazeuxatôsan16kai su eparon tè rabdô sou kai ekteinon tèn ceira sou epi tèn thalassan kai rèxon autèn kai eiselthatôsan oi uioi israèl eis meson tès thalassès kata to xèron17kai idou egô sklèrunô tèn kardian faraô kai tôn aiguptiôn pantôn kai eiseleusontai opisô autôn kai endoxasthèsomai en faraô kai en pasè tè stratia autou kai en tois armasin kai en tois ippois autou18kai gnôsontai pantes oi aiguptioi oti egô eimi kurios endoxazomenou mou en faraô kai en tois armasin kai ippois autou19exèren de o aggelos tou theou o proporeuomenos tès parembolès tôn uiôn israèl kai eporeuthè ek tôn opisthen exèren de kai o stulos tès nefelès apo prosôpou autôn kai estè ek tôn opisô autôn20kai eisèlthen ana meson tès parembolès tôn aiguptiôn kai ana meson tès parembolès israèl kai estè kai egeneto skotos kai gnofos kai dièlthen è nux kai ou sunemixan allèlois olèn tèn nukta21exeteinen de môusès tèn ceira epi tèn thalassan kai upègagen kurios tèn thalassan en anemô notô biaiô olèn tèn nukta kai epoièsen tèn thalassan xèran kai escisthè to udôr22kai eisèlthon oi uioi israèl eis meson tès thalassès kata to xèron kai to udôr autois teicos ek dexiôn kai teicos ex euônumôn23katediôxan de oi aiguptioi kai eisèlthon opisô autôn pasa è ippos faraô kai ta armata kai oi anabatai eis meson tès thalassès24egenèthè de en tè fulakè tè eôthinè kai epeblepsen kurios epi tèn parembolèn tôn aiguptiôn en stulô puros kai nefelès kai sunetaraxen tèn parembolèn tôn aiguptiôn25kai sunedèsen tous axonas tôn armatôn autôn kai ègagen autous meta bias kai eipan oi aiguptioi fugômen apo prosôpou israèl o gar kurios polemei peri autôn tous aiguptious26eipen de kurios pros môusèn ekteinon tèn ceira sou epi tèn thalassan kai apokatastètô to udôr kai epikalupsatô tous aiguptious epi te ta armata kai tous anabatas27exeteinen de môusès tèn ceira epi tèn thalassan kai apekatestè to udôr pros èmeran epi côras oi de aiguptioi efugon upo to udôr kai exetinaxen kurios tous aiguptious meson tès thalassès28kai epanastrafen to udôr ekalupsen ta armata kai tous anabatas kai pasan tèn dunamin faraô tous eispeporeumenous opisô autôn eis tèn thalassan kai ou kateleifthè ex autôn oude eis29oi de uioi israèl eporeuthèsan dia xèras en mesô tès thalassès to de udôr autois teicos ek dexiôn kai teicos ex euônumôn30kai errusato kurios ton israèl en tè èmera ekeinè ek ceiros tôn aiguptiôn kai eiden israèl tous aiguptious tethnèkotas para to ceilos tès thalassès31eiden de israèl tèn ceira tèn megalèn a epoièsen kurios tois aiguptiois efobèthè de o laos ton kurion kai episteusan tô theô kai môusè tô theraponti autou


Vulgaat

1 locutus est autem Dominus ad Mosen dicens 2 loquere filiis Israhel reversi castrametentur e regione Phiahiroth quae est inter Magdolum et mare contra Beelsephon in conspectu eius castra ponetis super mare 3 dicturusque est Pharao super filiis Israhel coartati sunt in terra conclusit eos desertum 4 et indurabo cor eius ac persequetur vos et glorificabor in Pharao et in omni exercitu eius scientque Aegyptii quia ego sum Dominus feceruntque ita 5 et nuntiatum est regi Aegyptiorum quod fugisset populus inmutatumque est cor Pharaonis et servorum eius super populo et dixerunt quid voluimus facere ut dimitteremus Israhel ne serviret nobis 6 iunxit ergo currum et omnem populum suum adsumpsit secum 7 tulitque sescentos currus electos quicquid in Aegypto curruum fuit et duces totius exercitus 8 induravitque Dominus cor Pharaonis regis Aegypti et persecutus est filios Israhel at illi egressi erant in manu excelsa 9 cumque persequerentur Aegyptii vestigia praecedentium reppererunt eos in castris super mare omnis equitatus et currus Pharaonis et universus exercitus erant in Ahiroth contra Beelsephon 10 cumque adpropinquasset Pharao levantes filii Israhel oculos viderunt Aegyptios post se et timuerunt valde clamaveruntque ad Dominum 11 et dixerunt ad Mosen forsitan non erant sepulchra in Aegypto ideo tulisti nos ut moreremur in solitudine quid hoc facere voluisti ut educeres nos ex Aegypto 12 nonne iste est sermo quem loquebamur ad te in Aegypto dicentes recede a nobis ut serviamus Aegyptiis multo enim melius est servire eis quam mori in solitudine 13 et ait Moses ad populum nolite timere state et videte magnalia Domini quae facturus est hodie Aegyptios enim quos nunc videtis nequaquam ultra videbitis usque in sempiternum 14 Dominus pugnabit pro vobis et vos tacebitis 15 dixitque Dominus ad Mosen quid clamas ad me loquere filiis Israhel ut proficiscantur 16 tu autem eleva virgam tuam et extende manum super mare et divide illud ut gradiantur filii Israhel in medio mari per siccum 17 ego autem indurabo cor Aegyptiorum ut persequantur vos et glorificabor in Pharaone et in omni exercitu eius in curribus et in equitibus illius 18 et scient Aegyptii quia ego sum Dominus cum glorificatus fuero in Pharaone et in curribus atque in equitibus eius 19 tollensque se angelus Dei qui praecedebat castra Israhel abiit post eos et cum eo pariter columna nubis priora dimittens post tergum 20 stetit inter castra Aegyptiorum et castra Israhel et erat nubes tenebrosa et inluminans noctem ut ad se invicem toto noctis tempore accedere non valerent 21 cumque extendisset Moses manum super mare abstulit illud Dominus flante vento vehementi et urente tota nocte et vertit in siccum divisaque est aqua 22 et ingressi sunt filii Israhel per medium maris sicci erat enim aqua quasi murus a dextra eorum et leva 23 persequentesque Aegyptii ingressi sunt post eos omnis equitatus Pharaonis currus eius et equites per medium maris 24 iamque advenerat vigilia matutina et ecce respiciens Dominus super castra Aegyptiorum per columnam ignis et nubis interfecit exercitum eorum 25 et subvertit rotas curruum ferebanturque in profundum dixerunt ergo Aegyptii fugiamus Israhelem Dominus enim pugnat pro eis contra nos 26 et ait Dominus ad Mosen extende manum tuam super mare ut revertantur aquae ad Aegyptios super currus et equites eorum 27 cumque extendisset Moses manum contra mare reversum est primo diluculo ad priorem locum fugientibusque Aegyptiis occurrerunt aquae et involvit eos Dominus in mediis fluctibus 28 reversaeque sunt aquae et operuerunt currus et equites cuncti exercitus Pharaonis qui sequentes ingressi fuerant mare ne unus quidem superfuit ex eis 29 filii autem Israhel perrexerunt per medium sicci maris et aquae eis erant quasi pro muro a dextris et a sinistris 30 liberavitque Dominus in die illo Israhel de manu Aegyptiorum 31 et viderunt Aegyptios mortuos super litus maris et manum magnam quam exercuerat Dominus contra eos timuitque populus Dominum et crediderunt Domino et Mosi servo eius


Statenvertaling

1 Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee. 3 Farao dan zal zeggen van de kinderen Israëls: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten. 4 En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo. 5 Toen nu den koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden? 6 En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich. 7 En hij nam zeshonderd uitgelezene wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen. 8 Want de HEERE verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls najaagde; doch de kinderen Israëls waren door een hoge hand uitgegaan. 9 En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-hachiroth, voor Baäl-zefon. 10 Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israëls hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE. 11 En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt? 12 Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven. 13 Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. 14 De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. 15 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls, dat zij voorttrekken. 16 En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge. 17 En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren. 18 En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren. 19 En de Engel Gods, Die voor het heir van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. 20 En zij kwam tussen het leger der Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte den nacht; zodat de een tot den ander niet naderde den gansen nacht. 21 Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. 22 En de kinderen Israëls zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand. 23 En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagenen en zijn ruiteren, in het midden van de zee. 24 En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat de HEERE, in de kolom des vuurs en der wolk, zag op het leger der Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger der Egyptenaren. 25 En Hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed ze zwaarlijk voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht van Israël, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. 26 En de HEERE zeide tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren wederkeren over de Egyptenaars, over hun wagenen en over hun ruiters. 27 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weder, tegen het naken van den morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaars in het midden der zee. 28 Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet een van hen over. 29 Maar de kinderen Israëls gingen op het droge, in het midden der zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand. 30 Alzo verloste de HEERE Israël aan dien dag uit de hand der Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan den oever der zee. 31 Ook zag Israël de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde den HEERE, en geloofde in den HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.


Willibrordvertaling

[1] De heer sprak tot Mozes: [2] ‘Zeg de Israëlieten dat zij omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee. Voor Baäl-Sefon moet u aan de zee uw kamp opslaan. [3] Dan zal de farao denken: De Israëlieten zijn de weg kwijtgeraakt en nu zijn ze door de woestijn ingesloten. [4] En Ik zal de farao weer halsstarrig maken, zodat hij hen gaat achtervolgen. Ik zal mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik de heer ben.’ De Israëlieten volgden dit bevel op. [5] Toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden de farao en zijn hovelingen van gedachten en riepen ze uit: ‘Hoe hebben we de Israëlieten uit onze dienst laten gaan?’ [6] Hij liet dus zijn strijdwagen inspannen en nam zijn manschappen met zich mee: [7] zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, elk met drie* man bezet. [8] Want de heer had de farao, de koning van Egypte, weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de Israëlieten, die onder de machtige bescherming van de heer vertrokken waren, ging achtervolgen. [9] Met alle paarden en wagens van de farao, met zijn wagenmenners en zijn legermacht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de Israëlieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-Hachirot, voor Baäl-Sefon. [10] Toen de farao naderde, zagen de Israëlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot de heer. [11] En* tegen Mozes zeiden ze: ‘Waren er in Egypte geen graven, dat u ons naar de woestijn hebt gebracht om te sterven? Wat hebt u ons aangedaan door ons weg te voeren uit Egypte? [12] Hebben wij u in Egypte al niet gewaarschuwd: bemoei u niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter om hen te dienen dan te sterven in de woestijn.’ [13] Mozes antwoordde het volk: ‘Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe de heer u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog, daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer! [14] De* heer zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.’ [15] Toen sprak de heer tot Mozes: ‘Wat roept u Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. [16] Uzelf moet uw hand opheffen, uw staf* uitstrekken over de zee en haar in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. [17] Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. [18] De Egyptenaren zullen weten dat Ik de heer ben, als Ik mijn heerlijkheid bewijs ten koste van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.’ [19] De engel van God die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op. [20] Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten in te staan. De wolk bleef donker zodat het die nacht niet tot een treffen kwam. [21] Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de heer liet die hele nacht door een sterke oostenwind* de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren splitsten. [22] Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. [23] De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in. [24] Tegen de ochtendwake richtte de heer vanuit de vuurzuil en de wolkkolom zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. [25] Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen, zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: ‘Laten we vluchten voor de Israëlieten, want de heer strijdt voor hen tegen ons.’ [26] Toen sprak de heer tot Mozes: ‘Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.’ [27] Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. En omdat de Egyptenaren er tegenin vluchtten dreef de heer hen midden in de zee. [28] Het water dat terugvloeide overspoelde de wagens en de wagenmenners, heel de strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Er bleef er niet één gespaard. [29] De Israëlieten trokken over de droge bodem van de zee, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. [30] Zo redde de heer op deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. [31] Toen* Israël het machtige optreden van de heer tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor de heer; zij stelden vertrouwen in de heer en in Mozes, zijn dienaar.


Nieuwe Vertaling

[1] De HEER zei tegen Mozes: [2] ‘Zeg tegen de Israëlieten dat ze omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee; jullie moeten je kamp recht tegenover Baäl-Sefon opslaan, vlak bij de zee. [3] De farao zal denken dat jullie de weg kwijt zijn geraakt en de woestijn niet meer uit kunnen komen. [4] Ik zal ervoor zorgen dat hij onverzettelijk blijft, zodat hij jullie achtervolgt, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger ten val te brengen. Dan zullen de Egyptenaren beseffen dat ik de HEER ben.’ De Israëlieten gehoorzaamden. [5] Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. ‘Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!’ zeiden ze. ‘Nu zijn we onze slaven kwijt.’ [6] De farao liet zijn strijdwagen inspannen en verzamelde zijn krijgsvolk. [7] Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere, stuk voor stuk bemand met officieren. [8] De HEER zorgde ervoor dat de farao, de koning van Egypte, onverzettelijk bleef, zodat hij de achtervolging van de Israëlieten inzette, die onbevreesd vertrokken waren. [9] De Egyptenaren achtervolgden hen, en haalden hen in bij Pi-Hachirot, waar het volk van Israël zijn kamp had opgeslagen, dicht bij de zee, tegenover Baäl-Sefon. Toen de Israëlieten de farao zagen naderen, met al zijn paarden, wagens en ruiters en al zijn voetvolk, werden ze doodsbang en riepen ze de HEER luidkeels om hulp. [11] Ze zeiden tegen Mozes: ‘Waren er soms in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe kon u ons dit aandoen! Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald? [12] Hebben we niet al in Egypte gezegd: “Laat ons toch met rust, laat ons maar als slaven voor de Egyptenaren werken, want dat is altijd nog beter dan om te komen in de woestijn”?’ [13] Maar Mozes antwoordde het volk: ‘Wees niet bang, wacht rustig af. Dan zult u zien hoe de HEER vandaag voor u de overwinning behaalt. De Egyptenaren die u daar nu ziet, zult u hierna nooit meer terugzien. [14] De HEER zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen.’ [15] De HEER zei tegen Mozes: ‘Waarom roep je mij te hulp? Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken. [16] Jij moet je staf geheven houden boven de zee en zo het water splijten, zodat de Israëlieten dwars door de zee kunnen gaan, over droog land. [17] Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen. [18] De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik in mijn majesteit de farao, met al zijn wagens en ruiters, ten val heb gebracht.’ [19] De engel van God, die steeds voor het leger van de Israëlieten uit was gegaan, stelde zich nu achter hen op. Ook de wolkkolom die eerst voor hen uit ging stelde zich achter hen op, [20] zodat hij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten kwam te staan. Aan de ene kant bracht de wolk duisternis, aan de andere kant verlichtte de vuurzuil de nacht. Die hele nacht konden de legers niet bij elkaar komen. [21] Toen hield Mozes zijn arm boven de zee, en de HEER liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet, [22] en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur. [23] De Egyptenaren achtervolgden hen, alle paarden en wagens van de farao en al zijn ruiters gingen achter hen aan de zee in. [24] Maar in de morgenwake keek de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom neer op het Egyptische leger en zaaide paniek onder hen. [25] Hij liet de wielen van de wagens vastlopen, zodat de Egyptenaren de grootste moeite hadden om vooruit te komen. ‘Laten we vluchten!’ riepen ze. ‘De HEER steunt de Israëlieten, hij strijdt tegen ons!’ [26] De HEER zei tegen Mozes: ‘Strek je arm uit boven de zee; dan stroomt het water terug, over de Egyptenaren en over al hun wagens en ruiters.’ [27] Mozes gehoorzaamde, en toen de dageraad aanbrak, stroomde de zee terug naar haar gewone plaats. De Egyptenaren vluchtten het water tegemoet, de HEER dreef hen regelrecht de golven in. [28] Het terugstromende water overspoelde het hele leger van de farao, al zijn wagens en ruiters, die achter de Israëlieten aan de zee in gereden waren; niet een van hen bleef in leven. [29] Maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan, over droog land, terwijl rechts en links van hen het water als een muur omhoogrees. [30] Zo redde de HEER de Israëlieten die dag uit de handen van de Egyptenaren. Toen ze de Egyptenaren dood langs de zee zagen liggen en het tot hen doordrong hoe krachtig de HEER tegen Egypte was opgetreden, kregen ze ontzag voor de HEER en stelden ze hun vertrouwen in hem en in zijn dienaar Mozes.


Naardense vertaling

1 ¶ Dan richt de ENE het woord tot Mozes en zegt: 2 richt het woord tot de zonen Israëls, dat ze omkeren, en zich legeren voor het aanschijn van de monding van de Chirot, tussen Migdal en de zee; voor het aanschijn van Baäl Tsefon, daartegenover moeten jullie je legeren, vlak voor de zee; 3 Farao zal van de zonen Israëls zeggen: verdwaald zijn die op de aarde; gesloten heeft zich over hen de woestijn!– 4 sterk zal ik het hart van Farao maken en hij zal ze achternajagen; maar dan zal ik gloriëren, door Farao en door heel zijn legermacht, en zullen zij van Egypte weten dat ik ben de ENE ! Ze dóen zo, 5 en gemeld wordt aan de koning van Egypte dat de gemeente gevlucht is; dan verandert het hart van Farao en zijn dienaars tegenover de gemeente en zeggen ze: wat hebben we eigenlijk gedáán, dat we Israël heengezonden hebben uit onze dienst! 6 Hij spant zijn wagen in; zijn manschap heeft hij met zich mee genomen. 7 Hij neemt zeshonderd eersteklas wagens, ja elke wagen van Egypte; met driekampers op elk daarvan! 8 Sterk maakt de ENE het hart van Farao, Egyptes koning, en die jaagt achter de zonen Israëls aan; terwijl de zonen Israëls uittrekken door een hooggeheven hand. 9 Ze jágen, Egypte, achter hen aan en halen hen in als ze daar gelegerd zijn vlak voor de zee,– met z’n allen: paarden, wagens, Farao, zijn ruiters, zijn legermacht; vlak voor de monding van de Chirot, voor het aanschijn van Baäl Tsefon. 10 ¶ Farao is genaderd; de zonen Israëls heffen hun ogen op: ziedaar Egypte!, opgebroken hen achterna!, en ze worden zéér bevreesd; de zonen Israëls schreeuwen het uit tot de ENE, 11 en zeggen tot Mozes: zijn er soms geen graven genoeg in Egypte, heb je ons meegenomen om te sterven in de woestijn?– wat heb je eigenlijk ons willen aandoen dat je ons hebt uitgeleid uit Egypte?– 12 was dit niet het woord dat we tot jou hebben gesproken in Egypte toen we zeiden: blijf van ons af, laat ons Egypte dienen!– want beter is het ons Egypte te dienen dan dat we sterven in de woestijn! 13 Maar Mozes zegt tot de gemeente: vreest niet, houdt stand,– ziet uit naar de redding door de ENE,– die hij heden aan u zal doen; want zoals ge de Egyptenaren heden hebt gezien zult ge ze niet nóg eens zien, tot in eeuwigheid!– 14 de ENE zal voor u strijden en ú hebt te zwijgen! • 15 ¶ Dan zegt de ENE tot Mozes: wat schreeuw je tot míj!– spreek tot de zonen Israëls dat ze moeten opbreken!– 16 en jijzelf: hef je staf omhoog; strek je hand uit over de zee en klief hem; dan komen de zonen Israëls midden in de zee op het droge!– 17 en ik, zie, ik ga daar Egyptes hart versterken zodat ze hen achterna komen; dan zal ik gloriëren, door Farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn ruiters; 18 weten zullen ze, de Egyptenaren, dat ik de ENE ben!, als ik glorieer door Farao, zijn wagens en zijn ruiters! 19 Dan breekt op: de engel Gods die ging voor het aanschijn van Israëls leger, en gaat áchter hen mee; ook breekt op: de wolkzuil, van voor hun aanschijn, en gaat áchter hen staan. 20 Hij komt tussen het leger van Egypte en het leger van Israël,– zo is er de wolk én het duister en verlicht hij de nacht; de een kon de ander niet naderen, heel de nacht. 21 ¶ Dan strekt Mozes hem uit, die hand van hem, over de zee, en de ENE laat de zee leeglopen door een machtige oosterstorm, heel de nacht, en hij maakt de zee tot droog land; de wateren worden gekloofd. 22 Zo komen de zonen Israëls midden in de zee op het droge; de wateren zijn voor hen een muur, rechts van hen en links van hen! 23 Die van Egypte jagen hen na en komen hen achterna,– elk paard van Farao, zijn wagens en zijn ruiters,– tot midden in de zee. 24 Het geschiedt in de ochtendwake: de ENE richt zich naar Egyptes leger in een zuil van vuur en wolken,– en maakt een warboel van Egyptes leger. 25 Hij laat het wiel van zijn wagens wijken en laat hem slechts zwaar vooruitkomen; dan zegt Egypte: ik moet vluchten voor Israëls aanschijn, want de ENE voert voor hen oorlog met Egypte! • 26 De ENE zegt tot Mozes: strek je hand uit over de zee,– dan keren de wateren terug over Egypte, over zijn wagens en over zijn ruiters! 27 Mozes strekt zijn hand uit over de zee: en de zee keert, tegen de ochtendwending, in zijn stroombed terug, terwijl de Egyptenaren vluchten, hem tegemoet; dan schudt de ENE Egypte af, midden in de zee. 28 De watermassa’s keren terug en overdekken de wagens en de ruiters van heel Farao’s legermacht,– allen die hen achternagekomen waren in de zee; er restte niemand van hen, tot niet één. 29 En de zonen Israëls zijn –midden in de zee– gegaan over het dróge! De wateren waren voor hen een muur, rechts van hen en links van hen! 30 Zo redt de ENE op die dag Israël uit de hand van Egypte, en ziet Israël Egypte dood op de lip van de zee; 31 Israël ziet de grote hand waarmee de ENE het heeft gedaan in Egypte en ze krijgen ontzag, de gemeente, voor de ENE; ze krijgen vertrouwen in de ENE en in Mozes, zijn dienaar. •


Bible de Jérusalem

1. Yahvé parla à Moïse et lui dit : 2. « Dis aux Israélites de rebrousser chemin et de camper devant Pi-Hahirot, entre Migdol et la mer, devant Baal-Çephôn ; vous camperez face à ce lieu, au bord de la mer. 3. Pharaon dira des Israélites : «Les voilà qui errent dans le pays, le désert s'est refermé sur eux. » 4. J'endurcirai le cœur de Pharaon et il se lancera à leur poursuite. Je me glorifierai aux dépens de Pharaon et de toute son armée, et les Égyptiens sauront que je suis Yahvé. » C'est ce qu'ils firent. 5. Lorsqu'on annonça au roi d'Égypte que le peuple avait fui, le cœur de Pharaon et de ses serviteurs changea à l'égard du peuple. Ils dirent : « Qu'avons-nous fait là, de laisser Israël quitter notre service !» 6. Pharaon fit atteler son char et emmena son armée. 7. Il prit six cents des meilleurs chars et tous les chars d'Égypte, chacun d'eux monté par des officiers. 8. Yahvé endurcit le cœur de Pharaon, le roi d'Égypte, qui se lança à la poursuite des Israélites sortant la main haute. 9. Les Égyptiens se lancèrent à leur poursuite et les rejoignirent alors qu'ils campaient au bord de la mer - tous les chevaux de Pharaon, ses chars, ses cavaliers et son armée - près de Pi-Hahirot, devant Baal-Çephôn. 10. Comme Pharaon approchait, les Israélites levèrent les yeux, et voici que les Égyptiens les poursuivaient. Les Israélites eurent grand-peur et crièrent vers Yahvé. 11. Ils dirent à Moïse : « Manquait-il de tombeaux en Égypte, que tu nous aies menés mourir dans le désert ? Que nous as-tu fait en nous faisant sortir d'Égypte ? 12. Ne te disions-nous pas en Égypte : Laisse-nous servir les Égyptiens, car mieux vaut pour nous servir les Égyptiens que de mourir dans le désert ? » 13. Moïse dit au peuple : « Ne craignez pas !Tenez ferme et vous verrez ce que Yahvé va faire pour vous sauver aujourd'hui, car les Égyptiens que vous voyez aujourd'hui, vous ne les reverrez plus jamais; 14. Yahvé combattra pour vous ; vous, vous n'aurez qu'à rester tranquilles. 15. Yahvé dit à Moïse : « Pourquoi cries-tu vers moi ? Dis aux Israélites de repartir. 16. Toi, lève ton bâton, étends ta main sur la mer et fends-la, que les Israélites puissent pénétrer à pied sec au milieu de la mer. 17. Moi, j'endurcirai le cœur des Égyptiens, ils pénétreront à leur suite et je me glorifierai aux dépens de Pharaon, de toute son armée, de ses chars et de ses cavaliers. 18. Les Égyptiens sauront que je suis Yahvé quand je me serai glorifié aux dépens de Pharaon, de ses chars et de ses cavaliers. » 19. L'Ange de Dieu qui marchait en avant du camp d'Israël se déplaça et marcha derrière eux, et la colonne de nuée se déplaça de devant eux et se tint derrière eux. 20. Elle vint entre le camp des Égyptiens et le camp d'Israël. La nuée était ténébreuse et la nuit s'écoula sans que l'un puisse s'approcher de l'autre de toute la nuit. 21. Moïse étendit la main sur la mer, et Yahvé refoula la mer toute la nuit par un fort vent d'est ; il la mit à sec et toutes les eaux se fendirent. 22. Les Israélites pénétrèrent à pied sec au milieu de la mer, et les eaux leur formaient une muraille à droite et à gauche. 23. Les Égyptiens les poursuivirent, et tous les chevaux de Pharaon, ses chars et ses cavaliers pénétrèrent à leur suite au milieu de la mer. 24. A la veille du matin, Yahvé regarda de la colonne de feu et de nuée vers le camp des Égyptiens, et jeta la confusion vers le camp des Égyptiens. 25. Il enraya les roues de leurs chars qui n'avançaient plus qu'à grand-peine. Les Égyptiens dirent : « Fuyons devant Israël car Yahvé combat avec eux contre les Égyptiens !» 26. Yahvé dit à Moïse : « Étends ta main sur la mer, que les eaux refluent sur les Égyptiens, sur leurs chars et sur leurs cavaliers. » 27. Moïse étendit la main sur la mer et, au point du jour, la mer rentra dans son lit. Les Égyptiens en fuyant la rencontrèrent, et Yahvé culbuta les Égyptiens au milieu de la mer. 28. Les eaux refluèrent et recouvrirent les chars et les cavaliers de toute l'armée de Pharaon, qui avaient pénétré derrière eux dans la mer. Il n'en resta pas un seul. 29. Les Israélites, eux, marchèrent à pied sec au milieu de la mer, et les eaux leur formèrent une muraille à droite et à gauche. 30. Ce jour-là, Yahvé sauva Israël des mains des Égyptiens, et Israël vit les Égyptiens morts au bord de la mer. 31. Israël vit la prouesse accomplie par Yahvé contre les Égyptiens. Le peuple craignit Yahvé, il crut en Yahvé et en Moïse son serviteur.


King James Bible

[1] And the LORD spake unto Moses, saying, [2] Speak unto the children of Israel, that they turn and encamp before Pi-hahiroth, between Migdol and the sea, over against Baal-zephon: before it shall ye encamp by the sea. [3] For Pharaoh will say of the children of Israel, They are entangled in the land, the wilderness hath shut them in. [4] And I will harden Pharaoh's heart, that he shall follow after them; and I will be honoured upon Pharaoh, and upon all his host; that the Egyptians may know that I am the LORD. And they did so. [5] And it was told the king of Egypt that the people fled: and the heart of Pharaoh and of his servants was turned against the people, and they said, Why have we done this, that we have let Israel go from serving us? [6] And he made ready his chariot, and took his people with him: [7] And he took six hundred chosen chariots, and all the chariots of Egypt, and captains over every one of them. [8] And the LORD hardened the heart of Pharaoh king of Egypt, and he pursued after the children of Israel: and the children of Israel went out with an high hand. [9] But the Egyptians pursued after them, all the horses and chariots of Pharaoh, and his horsemen, and his army, and overtook them encamping by the sea, beside Pi-hahiroth, before Baal-zephon. [10] And when Pharaoh drew nigh, the children of Israel lifted up their eyes, and, behold, the Egyptians marched after them; and they were sore afraid: and the children of Israel cried out unto the LORD. [11] And they said unto Moses, Because there were no graves in Egypt, hast thou taken us away to die in the wilderness? wherefore hast thou dealt thus with us, to carry us forth out of Egypt? [12] Is not this the word that we did tell thee in Egypt, saying, Let us alone, that we may serve the Egyptians? For it had been better for us to serve the Egyptians, than that we should die in the wilderness. [13] And Moses said unto the people, Fear ye not, stand still, and see the salvation of the LORD, which he will shew to you to day: for the Egyptians whom ye have seen to day, ye shall see them again no more for ever. [14] The LORD shall fight for you, and ye shall hold your peace. [15] And the LORD said unto Moses, Wherefore criest thou unto me? speak unto the children of Israel, that they go forward: [16] But lift thou up thy rod, and stretch out thine hand over the sea, and divide it: and the children of Israel shall go on dry ground through the midst of the sea. [17] And I, behold, I will harden the hearts of the Egyptians, and they shall follow them: and I will get me honour upon Pharaoh, and upon all his host, upon his chariots, and upon his horsemen. [18] And the Egyptians shall know that I am the LORD, when I have gotten me honour upon Pharaoh, upon his chariots, and upon his horsemen. [19] And the angel of God, which went before the camp of Israel, removed and went behind them; and the pillar of the cloud went from before their face, and stood behind them: [20] And it came between the camp of the Egyptians and the camp of Israel; and it was a cloud and darkness to them, but it gave light by night to these: so that the one came not near the other all the night. [21] And Moses stretched out his hand over the sea; and the LORD caused the sea to go back by a strong east wind all that night, and made the sea dry land, and the waters were divided. [22] And the children of Israel went into the midst of the sea upon the dry ground: and the waters were a wall unto them on their right hand, and on their left. [23] And the Egyptians pursued, and went in after them to the midst of the sea, even all Pharaoh's horses, his chariots, and his horsemen. [24] And it came to pass, that in the morning watch the LORD looked unto the host of the Egyptians through the pillar of fire and of the cloud, and troubled the host of the Egyptians, [25] And took off their chariot wheels, that they drave them heavily: so that the Egyptians said, Let us flee from the face of Israel; for the LORD fighteth for them against the Egyptians. [26] And the LORD said unto Moses, Stretch out thine hand over the sea, that the waters may come again upon the Egyptians, upon their chariots, and upon their horsemen. [27] And Moses stretched forth his hand over the sea, and the sea returned to his strength when the morning appeared; and the Egyptians fled against it; and the LORD overthrew the Egyptians in the midst of the sea. [28] And the waters returned, and covered the chariots, and the horsemen, and all the host of Pharaoh that came into the sea after them; there remained not so much as one of them. [29] But the children of Israel walked upon dry land in the midst of the sea; and the waters were a wall unto them on their right hand, and on their left. [30] Thus the LORD saved Israel that day out of the hand of the Egyptians; and Israel saw the Egyptians dead upon the sea shore. [31] And Israel saw that great work which the LORD did upon the Egyptians: and the people feared the LORD, and believed the LORD, and his servant Moses.


Luther-Bibel

1 Und der HERR redete mit Mose und sprach: 2 Rede zu den Israeliten und sprich, dass sie umkehren und sich lagern bei Pi-Hahirot zwischen Migdol und dem Meer, vor Baal-Zefon; diesem gegenüber sollt ihr euch lagern. 3 Der Pharao aber wird sagen von den Israeliten: Sie haben sich verirrt im Lande; die Wüste hat sie eingeschlossen. 4 Und ich will sein Herz verstocken, dass er ihnen nachjage, und will meine Herrlichkeit erweisen an dem Pharao und aller seiner Macht, und die Ägypter sollen innewerden, dass ich der HERR bin. - Und sie taten so. 5 Als es dem König von Ägypten angesagt wurde, dass das Volk geflohen war, wurde sein Herz verwandelt und das Herz seiner Großen gegen das Volk und sie sprachen: Warum haben wir das getan und haben Israel ziehen lassen, sodass sie uns nicht mehr dienen? 6 Und er spannte seinen Wagen an und nahm sein Volk mit sich 7 und nahm sechshundert auserlesene Wagen und was sonst an Wagen in Ägypten war mit Kämpfern auf jedem Wagen. 8 Und der HERR verstockte das Herz des Pharao, des Königs von Ägypten, dass er den Israeliten nachjagte. Aber die Israeliten waren unter der Macht einer starken Hand ausgezogen. 9 Und die Ägypter jagten ihnen nach mit Rossen, Wagen und ihren Männern und mit dem ganzen Heer des Pharao und holten sie ein, als sie sich gelagert hatten am Meer bei Pi-Hahirot vor Baal-Zefon. 10 Und als der Pharao nahe herankam, hoben die Israeliten ihre Augen auf, und siehe, die Ägypter zogen hinter ihnen her. Und sie fürchteten sich sehr und schrien zu dem HERRN 11 und sprachen zu Mose: Waren nicht Gräber in Ägypten, dass du uns wegführen musstest, damit wir in der Wüste sterben? Warum hast du uns das angetan, dass du uns aus Ägypten geführt hast? 12 Haben wir's dir nicht schon in Ägypten gesagt: Lass uns in Ruhe, wir wollen den Ägyptern dienen? Es wäre besser für uns, den Ägyptern zu dienen, als in der Wüste zu sterben. 13 Da sprach Mose zum Volk: Fürchtet euch nicht, steht fest und seht zu, was für ein Heil der HERR heute an euch tun wird. Denn wie ihr die Ägypter heute seht, werdet ihr sie niemals wiedersehen. 14 Der HERR wird für euch streiten, und ihr werdet stille sein. 15 Und der HERR sprach zu Mose: Was schreist du zu mir? Sage den Israeliten, dass sie weiterziehen. 16 Du aber hebe deinen Stab auf und recke deine Hand über das Meer und teile es mitten durch, sodass die Israeliten auf dem Trockenen mitten durch das Meer gehen. 17 Siehe, ich will das Herz der Ägypter verstocken, dass sie hinter euch herziehen, und will meine Herrlichkeit erweisen an dem Pharao und aller seiner Macht, an seinen Wagen und Männern. 18 Und die Ägypter sollen innewerden, dass ich der HERR bin, wenn ich meine Herrlichkeit erweise an dem Pharao und an seinen Wagen und Männern. 19 Da erhob sich der Engel Gottes, der vor dem Heer Israels herzog, und stellte sich hinter sie. Und die Wolkensäule vor ihnen erhob sich und trat hinter sie 20 und kam zwischen das Heer der Ägypter und das Heer Israels. Und dort war die Wolke finster und hier erleuchtete sie die Nacht, und so kamen die Heere die ganze Nacht einander nicht näher. 21 Als nun Mose seine Hand über das Meer reckte, ließ es der HERR zurückweichen durch einen starken Ostwind die ganze Nacht und machte das Meer trocken und die Wasser teilten sich. 22 Und die Israeliten gingen hinein mitten ins Meer auf dem Trockenen, und das Wasser war ihnen eine Mauer zur Rechten und zur Linken. 23 Und die Ägypter folgten und zogen hinein ihnen nach, alle Rosse des Pharao, seine Wagen und Männer, mitten ins Meer. 24 Als nun die Zeit der Morgenwache kam, schaute der HERR auf das Heer der Ägypter aus der Feuersäule und der Wolke und brachte einen Schrecken über ihr Heer 25 und hemmte die Räder ihrer Wagen und machte, dass sie nur schwer vorwärts kamen. Da sprachen die Ägypter: Lasst uns fliehen vor Israel; der HERR streitet für sie wider Ägypten. 26 Aber der HERR sprach zu Mose: Recke deine Hand aus über das Meer, dass das Wasser wiederkomme und herfalle über die Ägypter, über ihre Wagen und Männer. 27 Da reckte Mose seine Hand aus über das Meer, und das Meer kam gegen Morgen wieder in sein Bett, und die Ägypter flohen ihm entgegen. So stürzte der HERR sie mitten ins Meer. 28 Und das Wasser kam wieder und bedeckte Wagen und Männer, das ganze Heer des Pharao, das ihnen nachgefolgt war ins Meer, sodass nicht einer von ihnen übrig blieb. 29 Aber die Israeliten gingen trocken mitten durchs Meer, und das Wasser war ihnen eine Mauer zur Rechten und zur Linken. 30 So errettete der HERR an jenem Tage Israel aus der Ägypter Hand. Und sie sahen die Ägypter tot am Ufer des Meeres liegen. 31 So sah Israel die mächtige Hand, mit der der HERR an den Ägyptern gehandelt hatte. Und das Volk fürchtete den HERRN und sie glaubten ihm und seinem Knecht Mose.