BIJBELBOEK JOZUA 24 -- Joz 24 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24 -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- Hebreeuwse tekst : http://www.mechon-mamre.org/p/pt/pt0624.htm .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/ot/chapter.asp?book=6&page=24 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_P5R.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/jozu/24.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=6496,6528 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=6496,6528 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=902208 . King James Bible .
- Luther Bibel : . Luther Bibel .

Overzicht -- Joz 1 - Joz 2 - Joz 3 - Joz 4 - Joz 5 - Joz 6 - Joz 7 - Joz 8 - Joz 9 - Joz 10 - Joz 11 - Joz 12 - Joz 13 - Joz 14 - Joz 15 - Joz 16 - Joz 17 - Joz 18 - Joz 19 - Joz 20 - Joz 21 - Joz 22 - Joz 23 - Joz 24 -
Uitleg vers per vers : - Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 - Joz 24,29 - Joz 24,30 - Joz 24,31 - Joz 24,32 - Joz 24,33 -

Joz 24,1 . () Joz 24,2 . () Joz 24,3 . () Joz 24,4 . () Joz 24,5 . () Joz 24,6 . () Joz 24,7 . () Joz 24,8 . () Joz 24,9 . () Joz 24,10 . () Joz 24,11 . () Joz 24,12 . () Joz 24,13 . () Joz 24,14 . () Joz 24,15 . () Joz 24,16 . () Joz 24,17 . () Joz 24,18 . () Joz 24,19 . () Joz 24,20 . () Joz 24,21 . () Joz 24,22 . () Joz 24,23 . () Joz 24,24 . () Joz 24,25 . () Joz 24,26 . () Joz 24,27 . () Joz 24,28 . () Joz 24,29 . () Joz 24,30 . () Joz 24,31 . () Joz 24,32 . () Joz 24,33 .

- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht N.T.
: N.T. : overzicht , N.T. : taalgebruik - N.T. A - N.T. B - N.T. C - N.T. D - N.T. E - N.T. F - N.T. G - N.T. H - N.T. I - N.T. J - N.T. K - N.T. L - N.T. M - N.T. N - N.T. O - N.T. P - N.T. Q - N.T. R - N.T. S - N.T. T - N.T. U - N.T. V - N.T. W - N.T. X - N.T. Y - N.T. Z - N.T. : commentaar .


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3        
    bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
- LABUSCHAGNE, C., De cruciale beslissing (Joz.  24), in: Jota, jg. (1990), nr.5, p.13-21 .
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

- Joz 28,1-28 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -

Joz 24,1 - Joz 24,1 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
1kai sunègagen ièsous pasas fulas israèl eis sèlô kai sunekalesen tous presbuterous autôn kai tous grammateis autôn kai tous dikastas autôn kai estèsen autous apenanti tou theou 1 congregavitque Iosue omnes tribus Israhel in Sychem et vocavit maiores natu ac principes et iudices et magistros steteruntque in conspectu Domini   1 Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en deszelfs hoofden, en deszelfs richters, en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God. [1] Jozua* riep alle stammen van Israël in Sichem* bijeen, met de oudsten van Israël, de familiehoofden, de rechters en de schrijvers. Toen zij voor God stonden, [1] Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen, Jozua verzamelt alle stammen van Israël in Sjechem; hij roept Israëls oudsten en zijn hoofden, zijn rechters en zijn opzieners op en zij posteren zich voor het aanschijn van God. Jozua 1. Josué réunit toutes les tribus d'Israël à Sichem; puis il convoqua tous les anciens d'Israël, ses chefs, ses juges, ses scribes qui se rangèrent en présence de Dieu.

King James Bible . 1] And Joshua gathered all the tribes of Israel to Shechem, and called for the elders of Israel, and for their heads, and for their judges, and for their officers; and they presented themselves before God.
Luther-Bibel . 1 Josua versammelte alle Stämme Israels nach Sichem und berief die Ältesten von Israel, seine Obersten, Richter und Amtleute. Und als sie vor Gott getreten waren,

Tekstuitleg van Joz 24,1 .

2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

Joz 24,2 - Joz 24,2 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2kai eipen ièsous pros panta ton laon tade legei kurios o theos israèl peran tou potamou katôkèsan oi pateres umôn to ap' archès thara o patèr abraam kai o patèr nachôr kai elatreusan theois eterois 2 et ad populum sic locutus est haec dicit Dominus Deus Israhel trans fluvium habitaverunt patres vestri ab initio Thare pater Abraham et Nahor servieruntque diis alienis   2 Toen zeide Jozua tot het ganse volk: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Over gene zijde der rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, [namelijk] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. [2] richtte Jozua zich tot het volk en sprak: 'Zo spreekt de heer, de God van Israël: Uw voorouders, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, hebben vroeger aan de overkant van de Rivier gewoond. Daar vereerden zij andere goden. [2] sprak hij tot het volk: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat. Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden. 24:2 Dan zegt Jozua tot heel de gemeente: zo heeft gezegd de Ene, Israëls God: aan de overzij van de Rivier hebben, een eeuwigheid terug, uw vaderen gezeten: Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor,- en dienden andere goden; 2. Josué dit alors à tout le peuple : « Ainsi parle Yahvé, le Dieu d'Israël : Au-delà du Fleuve habitaient jadis vos pères, Térah, père d'Abraham et de Nahor, et ils servaient d'autres dieux.

King James Bible . [2] And Joshua said unto all the people, Thus saith the LORD God of Israel, Your fathers dwelt on the other side of the flood in old time, even Terah, the father of Abraham, and the father of Nachor: and they served other gods.
Luther-Bibel . 2 sprach er zum ganzen Volk: So spricht der HERR, der Gott Israels: Eure Väter wohnten vorzeiten jenseits des Euphratstroms, Terach, Abrahams und Nahors Vater, und dienten andern Göttern.

Tekstuitleg van Joz 24,2 .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´-m-r . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Joz (50) . Joz 24 (6) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,27 .

Joz 24,2.2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

Joz 24,2.1. - 2. wajjo´mèr jëhôsju`a (Jozua zei) . Tenakh (16) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 3,6 . (3) Joz 3,9 . (4) Joz 3,10 . (5) Joz 6,16 . (6) Joz 7,7 . (7) Joz 7,19 . (8) Joz 7,25 . (9) Joz 10,18 . (10) Joz 10,22 . (11) Joz 17,17 . (12) Joz 18,3 . (13) Joz 24,2 . (14) Joz 24,19 . (15) Joz 24,22 . (16) Joz 24,27 .

Joz 24,2.5. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Taalgebruik in Jesaja : `am (volk) . Taalgebruik in Amos : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Tenakh (612) . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

Joz 24,2.1. - 5. wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl hâ`âm (Jozua zei tot het volk) . Tenakh (4) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 6,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,22 . In Joz 6,8 lezen we : wajëhî kè´èmor jëhôsju`a ´èl hâ`âm (en het was terwijl Jozua zei tot het volk) . wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl kâl hâ`âm (Jozua zei tot heel het volk) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,27 .

Joz 24,2.8. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,2.21. w-`-b-d-w . (1) act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. wajja`abhëdû (en ziju dienden) . (2) act. qal jussief 3de pers. mann. mv. wëja`abhëdû (en zij moeten dienen) . (3) act. hifil 3de pers. mann. mv; wajja`äbhidû (en zij deden dienen) van het werkw. `âbhad (werken, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen) . Getalwaarde : ajin =16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 ; totaal : 22 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . Tenakh (20) : (1) Ex 1,13 . (2) Ex 10,7 . (3) Dt 29,25 . (4) Joz 24,2 . (5) Re 2,7 . (6) Re 2,11 . (7) Re 2,13 . (8) Re 3,6 . (9) Re 3,7 . (10) Re 3,8 . (11) Re 3,14 . (12) Re 10,6 . (13) Re 10,16 . (14) 1 S 7,4 . (15) 1 S 8,8 . (16) 2 K 17,12 . (17) 2 K 17,16 . (18) Ps 106,36 . (19) Job 36,11 . (20) 2 Kr 24,18 .

Joz 24,2.22. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Joz (10) : (1) Joz 2,11 . (2) Joz 22,22 . (3) Joz 22,33 . (4) Joz 23,16 . (5) Joz 24,2 . (6) Joz 24,14 . (7) Joz 24,15 . (8) Joz 24,16 . (9) Joz 24,19 . (10) Joz 24,26

Joz 24,2.23. mann. mv. ´ächarîm / ´ächerîm van het bijvoegl. naamw. ´acher (ander, andere) . Taalgebruik in Tenakh : ´acher (ander, andere) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 ; totaal : 29 OF 209 (11 X 19) . Structuur : 1 - 8 - 2 . Tenakh (76) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (20) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (10) . Dt (18) : (1) Dt 5,7 . (2) Dt 6,14 . (3) Dt 7,4 . (4) Dt 8,19 . (5) Dt 11,16 . (6) Dt 11,28 . (7) Dt 13,3 . (8) Dt 13,7 . (9) Dt 13,14 . (10) Dt 17,3 . (11) Dt 18,20 . (12) Dt 28,14 . (13) Dt 28,36 . (14) Dt 28,64 . (15) Dt 29,25 . (16) Dt 30,17 . (17) Dt 31,18 . (18) Dt 31,20 . Eerdere Profeten (22) : (1) Joz 23,16 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,16 . (4) Re 2,12 . (5) Re 2,17 . (6) Re 2,19 . (7) Re 10,13 . (8) 1 S 8,8 . (9) 1 S 19,21 . (10) 1 S 26,19 . (11) 1 S 28,8 . (12) 1 K 9,6 . (13) 1 K 9,9 . (14) 1 K 11,4 . (15) 1 K 11,10 . (16) 1 K 14,9 . (17) 2 K 5,17 . (18) 2 K 17,7 . (19) 2 K 17,35 . (20) 2 K 17,37 . (21) 2 K 17,38 . (22) 2 K 22,17 .

Joz 24,2.22. - 23. ´èlohîm ´ächerîm (andere goden) . Tenakh (46) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (1) . Ex (2) : (1) Ex 20,3 . (2) Ex 23,13 . Dt (17) : (1) Dt 5,7 . (2) Dt 6,14 . (3) Dt 7,4 . (4) Dt 8,19 . (5) Dt 11,16 . (6) Dt 11,28 . (7) Dt 13,3 . (8) Dt 13,7 . (9) Dt 13,14 . (10) Dt 17,3 . (11) Dt 18,20 . (12) Dt 28,14 . (13) Dt 28,36 . (14) Dt 28,64 . (15) Dt 29,25 . (16) Dt 31,18 . (17) Dt 31,20 . Joz (3) : (1) Joz 23,16 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,16 . Re (4) : (1) Re 2,12 . (2) Re 2,17 . (3) Re 2,19 . (4) Re 10,13 . 1 S (2) : (1) 1 S 8,8 . (2) 1 S 26,19 . 1 K (4) : (1) 1 K 9,6 . (2) 1 K 11,4 . (3) 1 K 11,10 . (4) 1 K 14,9 . 2 K (4) : (1) 2 K 17,7 . (2) 2 K 17,35 . (3) 2 K 17,37 . (4) 2 K 17,38 .

Joz 24,2.21. - 23. wajja`abhëdû ´èlohîm ´ächerîm (en ziju dienden andere goden) . Tenakh (3) : (1) Dt 29,25 . (2) Joz 24,2 . (3) 1 S 8,8 .

Joz 24,3 - Joz 24,3 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3kai elabon ton patera umôn ton abraam ek tou peran tou potamou kai ôdègèsa auton en pasè tè gè kai eplèthuna autou sperma kai edôka autô ton isaak 3 tuli ergo patrem vestrum Abraham de Mesopotamiae finibus et adduxi eum in terram Chanaan multiplicavique semen eius   3 Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het ganse land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak. [3] Ik heb uw vader Abraham daar weggehaald van de overkant van de Rivier, en hem heel Kanaän laten doorkruisen. Ik gaf hem een talrijk nageslacht en schonk hem Isaak. [3] Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken. Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon 24:3 ik haalde uw vader, Abraham, van de overzij van de Rivier en deed hem gaan door heel het land van Kanaän; ik vermeerderde zijn zaad en gaf hem Isaak; 3. Alors je pris votre père Abraham d'au-delà du Fleuve et je lui fis parcourir toute la terre de Canaan, je multipliai sa descendance et je lui donnai Isaac.

King James Bible . [3] And I took your father Abraham from the other side of the flood, and led him throughout all the land of Canaan, and multiplied his seed, and gave him Isaac.
Luther-Bibel . 3 Da nahm ich euren Vater Abraham von jenseits des Stroms und ließ ihn umherziehen im ganzen Land Kanaan und mehrte sein Geschlecht und gab ihm Isaak.

Tekstuitleg van Joz 24,3 .

8. wâ´ôlekh (hij liet gaan, hij voerde) < wë + act. hifil 1ste pers. enk. van het werkw. hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . Getalwaarde : he = 5 lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 -2 . Tenakh : (1) Lv 26,13 . (2) Dt 29,4 . (3) Joz 24,3 . (4) Am 2,10 .

Joz 24,4 - Joz 24,4 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4kai tô isaak ton iakôb kai ton èsau kai edôka tô èsau to oros to sèir klèronomèsai autô kai iakôb kai oi uioi autou katebèsan eis aigupton kai egenonto ekei eis ethnos mega kai polu kai krataion 4 et dedi ei Isaac illique rursum dedi Iacob et Esau e quibus Esau dedi montem Seir ad possidendum Iacob vero et filii eius descenderunt in Aegyptum   4 En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seir, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte. [4] Aan Isaak schonk Ik Jakob en Esau. Aan Esau gaf Ik het bergland van Seïr in bezit; Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. [4] en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. 24:4 ik gaf aan Isaak Jakob, en Esau; ik gaf aan Esau het gebergte Seïr om dat te beërven, maar Jakob en zijn zonen daalden af naar Egypte; 4. A Isaac, je donnai Jacob et Ésaü. A Ésaü, je donnai en possession la montagne de Séïr. Jacob et ses fils descendirent en Égypte.

King James Bible . [4] And I gave unto Isaac Jacob and Esau: and I gave unto Esau mount Seir, to possess it; but Jacob and his children went down into Egypt.
Luther-Bibel . 4 Und Isaak gab ich Jakob und Esau und gab Esau das Gebirge Seïr zum Besitz. Jakob aber und seine Söhne zogen hinab nach Ägypten.

Tekstuitleg van Joz 24,4 .

Joz 24,5 - Joz 24,5 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5kai ekakôsan autous oi aiguptioi kai epataxen kurios tèn aigupton en ois epoièsen autois kai meta tauta exègagen umas 5 misique Mosen et Aaron et percussi Aegyptum multis signis atque portentis   5 Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit. [5] Toen zond Ik Mozes en Aäron en sloeg Ik Egypte met de plagen, waarmee Ik hen teisterde, en leidde u daarna het land uit. [5] Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. 24:5 ik zond Mozes en Aäron en teisterde Egypte zoals ik in hun midden heb gedaan; daarna heb ik u uitgeleid; 5. J'envoyai ensuite Moïse et Aaron et frappai l'Égypte par les prodiges que j'opérai au milieu d'elle; ensuite je vous en fis sortir.

King James Bible . [[5] I sent Moses also and Aaron, and I plagued Egypt, according to that which I did among them: and afterward I brought you out.
Luther-Bibel . 5 Da sandte ich Mose und Aaron und plagte Ägypten, wie ich unter ihnen getan habe.

Tekstuitleg van Joz 24,5 .

Joz 24,6 - Joz 24,6 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6ex aiguptou kai eisèlthate eis tèn thalassan tèn eruthran kai katediôxan oi aiguptioi opisô tôn paterôn umôn en armasin kai en ippois eis tèn thalassan tèn eruthran 6 eduxique vos et patres vestros de Aegypto et venistis ad mare persecutique sunt Aegyptii patres vestros cum curribus et equitatu usque ad mare Rubrum   6 Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee. [6] Toen Ik uw vaderen uit Egypte leidde en u bij de zee gekomen was, achtervolgden de Egyptenaren uw vaderen met wagens en paarden tot aan de Rietzee. [6] Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters. 24:6 ik leidde uw vaderen uit, weg uit Egypte, en u kwam naar de zee; Egyptenaren joegen met wagens en ruiters achter uw vaderen aan tot bij de Rietzee; 6. Je fis donc sortir vos pères de l'Égypte et vous arrivâtes à la mer; les Égyptiens poursuivirent vos pères avec des chars et des cavaliers, à la mer des Roseaux.

King James Bible . [6] And I brought your fathers out of Egypt: and ye came unto the sea; and the Egyptians pursued after your fathers with chariots and horsemen unto the Red sea.
Luther-Bibel . 6 Danach führte ich euch und eure Väter aus Ägypten. Und als ihr ans Meer kamt und die Ägypter euren Vätern nachjagten mit Wagen und Gespannen ans Schilfmeer,

Tekstuitleg van Joz 24,6 .

9. ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) . Joz (18) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,7 . (3) Joz 6,9 . (4) Joz 6,13 . (5) Joz 7,8 . (6) Joz 8,16 . (7) Joz 8,17 . (8) Joz 9,16 . (9) Joz 10,19 . (10) Joz 10,26 . (11) Joz 14,8 . (12) Joz 14,9 . (13) Joz 14,14 . (14) Joz 23,1 . (15) Joz 24,6 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,29 . (18) Joz 24,31 .

Joz 24,7 - Joz 24,7 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7kai aneboèsamen pros kurion kai edôken nefelèn kai gnofon ana meson èmôn kai ana meson tôn aiguptiôn kai epègagen ep' autous tèn thalassan kai ekalupsen autous kai eidosan oi ofthalmoi umôn osa epoièsen kurios en gè aiguptô kai ète en tè erèmô èmeras pleious 7 clamaverunt autem ad Dominum filii Israhel qui posuit tenebras inter vos et Aegyptios et adduxit super eos mare et operuit illos viderunt oculi vestri cuncta quae in Aegypto fecerim et habitastis in solitudine multo tempore   7 Zij nu riepen tot den HEERE, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond. [7] Toen uw vaderen tot de heer riepen, legde Hij een donkere nevel tussen u en de Egyptenaren en joeg Hij de zee over hen heen, die hen overspoelde. Met eigen ogen hebt u gezien wat Ik in Egypte gedaan heb. Nadat u lange tijd in de woestijn had doorgebracht, [7] Toen riepen ze mij, de HEER, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan. Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn, 24:7 zij schreeuwden het uit tot de Ene en hij zette duisternis tussen u en de Egyptenaren; hij liet de zee over hen komen en die overdekte hen; uw ogen hebben gezien wat ik in Egypte heb gedaan; vele dagen hebt gij gezeteld in de woestijn; 7. Ils crièrent alors vers Yahvé qui étendit un brouillard épais entre vous et les Égyptiens, et fit revenir sur eux la mer qui les recouvrit. Vous avez vu de vos propres yeux ce que j'ai fait en Égypte, puis vous avez séjourné de longs jours dans le désert.

King James Bible . [7] And when they cried unto the LORD, he put darkness between you and the Egyptians, and brought the sea upon them, and covered them; and your eyes have seen what I have done in Egypt: and ye dwelt in the wilderness a long season.
Luther-Bibel . 7 da schrien sie zum HERRN. Der setzte eine Finsternis zwischen euch und die Ägypter und ließ das Meer über sie kommen und es bedeckte sie. Eure Augen haben gesehen, was ich in Ägypten getan habe. Und ihr habt gewohnt in der Wüste eine lange Zeit.

Tekstuitleg van Joz 24,7 .

3. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,8 - Joz 24,8 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8kai ègagen umas eis gèn amorraiôn tôn katoikountôn peran tou iordanou kai paretaxanto umin kai paredôken autous kurios eis tas cheiras umôn kai kateklèronomèsate tèn gèn autôn kai exôlethreusate autous apo prosôpou umôn 8 et introduxi vos ad terram Amorrei qui habitabat trans Iordanem cumque pugnarent contra vos tradidi eos in manus vestras et possedistis terram eorum atque interfecistis illos   8 Toen bracht Ik u in het land der Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en gij bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht. [8] leidde Ik u naar het land van de Amorieten in het Overjordaanse. En toen zij u aanvielen, gaf Ik hen in uw macht, zodat u hun land in bezit kon nemen; Ik heb hen voor u uitgeroeid. [8] tot ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden. Ze namen de wapens tegen jullie op, maar ik leverde hen aan jullie uit en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit. 24:8 maar ik heb u laten komen in het land van de Amoriet, die zetelt aan de overzij van de Jordaan, en zij hebben oorlog gevoerd met u; ik gaf hen in uw hand en gij hebt hun land beërfd; ik heb hen verdelgd, weg van uw aanschijn; 8. Je vous fis entrer ensuite dans le pays des Amorites qui habitaient au-delà du Jourdain. Il vous firent la guerre et je les livrai entre vos mains, aussi avez-vous pris possession de leur pays, car je les anéantis devant vous.

King James Bible . 8] And I brought you into the land of the Amorites, which dwelt on the other side Jordan; and they fought with you: and I gave them into your hand, that ye might possess their land; and I destroyed them from before you.
Luther-Bibel . 8 Und ich habe euch gebracht in das Land der Amoriter, die jenseits des Jordans wohnten. Und als sie gegen euch kämpften, gab ich sie in eure Hände, sodass ihr ihr Land einnahmt, und vertilgte sie vor euch her.

Tekstuitleg van Joz 24,8 .

Joz 24,9 - Joz 24,9 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9kai anestè balak o tou sepfôr basileus môab kai paretaxato tô israèl kai aposteilas ekalesen ton balaam arasasthai umin 9 surrexit autem Balac filius Sepphor rex Moab et pugnavit contra Israhelem misitque et vocavit Balaam filium Beor ut malediceret vobis   9 Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, den zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou. [9] Toen begon Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, de oorlog tegen Israël. Hij ontbood Bileam, de zoon van Beor, om u te vervloeken. [9] Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, komen; die moest jullie vervloeken, 24:9 toen stond Balak op, zoon van Tsipor, koning van Moab, en voerde oorlog met Israël; hij zond bericht en liet Bileam, de zoon van Beor, roepen om u te vervloeken; 9. Puis se leva Balaq, fils de Çippor, roi de Moab, pour faire la guerre à Israël, et il envoya chercher Balaam, fils de Béor, pour vous maudire.

King James Bible . [9] Then Balak the son of Zippor, king of Moab, arose and warred against Israel, and sent and called Balaam the son of Beor to curse you:
Luther-Bibel . 9 Da machte sich auf Balak, der Sohn Zippors, der König der Moabiter, und kämpfte mit Israel und sandte hin und ließ rufen Bileam, den Sohn Beors, um euch zu verfluchen.

Tekstuitleg van Joz 24,9 .

3. ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Joz (35) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,9 . (2) Joz 24,29 . (3) Joz 24,33 .

Joz 24,10 - Joz 24,10 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10kai ouk èthelèsen kurios o theos sou apolesai se kai eulogian eulogèsen umas kai exeilato umas ek cheirôn autôn kai paredôken autous 10 et ego nolui audire eum sed e contrario per illum benedixi vobis et liberavi vos de manu eius   10 Maar Ik wilde Bileam niet horen; dies zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand. [10] Maar Ik heb niet naar Bileam willen luisteren, zodat hij u gezegend heeft. Zo heb Ik u uit zijn macht gered. [10] maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem; meer nog, hij zegende jullie zelfs. 24:10 maar ik heb niet naar Bileam willen horen: gezegend, ja gezegend heeft hij u en ik heb u uit zijn hand gered; 10. Mais je ne voulus pas écouter Balaam : il dut même vous bénir et je vous ai sauvés de sa main.

King James Bible . [10] But I would not hearken unto Balaam; therefore he blessed you still: so I delivered you out of his hand.
Luther-Bibel . 10 Aber ich wollte ihn nicht hören, sondern er musste euch segnen, und ich errettete euch aus seinen Händen.

Tekstuitleg van Joz 24,10 .

Joz 24,11 - Joz 24,11 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11kai diebète ton iordanèn kai paregenèthète eis ierichô kai epolemèsan pros umas oi katoikountes ierichô o amorraios kai o chananaios kai o ferezaios kai o euaios kai o iebousaios kai o chettaios kai o gergesaios kai paredôken autous kurios eis tas cheiras umôn 11 transistisque Iordanem et venistis ad Hiericho pugnaveruntque contra vos viri civitatis eius Amorreus et Ferezeus et Chananeus et Hettheus et Gergeseus et Eveus et Iebuseus et tradidi illos in manus vestras   11 Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand. [11] Toen bent u de Jordaan overgestoken en bij Jericho gekomen. De burgers van die stad, de Amorieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Chiwwieten en de Jebusieten voerden oorlog tegen u, maar Ik leverde hen aan u uit. [11] Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho. De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie, net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit. 24:11 toen ge de Jordaan waart overgestoken en bij Jericho aangekomen hebben de heren van Jericho oorlog met u gevoerd, de Amoriet, de Periziet en de Kanaäniet, de Chitiet en de Girgasjiet, de Chiviet en de Jeboesiet: ik heb ze in uw hand gegeven; 11. Vous avez ensuite passé le Jourdain pour atteindre Jéricho, mais les habitants de Jéricho vous firent la guerre, les Amorites, les Perizzites, les Cananéens, les Hittites, les Girgashites, les Hivvites et les Jébuséens, et je les livrai entre vos mains.

King James Bible . [11] And ye went over Jordan, and came unto Jericho: and the men of Jericho fought against you, the Amorites, and the Perizzites, and the Canaanites, and the Hittites, and the Girgashites, the Hivites, and the Jebusites; and I delivered them into your hand.
Luther-Bibel . 11 Und als ihr über den Jordan gingt und nach Jericho kamt, kämpften gegen euch die Bürger von Jericho, die Amoriter, Perisiter, Kanaaniter, Hetiter, Girgaschiter, Hiwiter und Jebusiter; aber ich gab sie in eure Hände.

Tekstuitleg van Joz 24,11 .

Joz 24,12 - Joz 24,12 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12kai exapesteilen proteran umôn tèn sfèkian kai exebalen autous apo prosôpou umôn dôdeka basileis tôn amorraiôn ouk en tè romfaia sou oude en tô toxô sou 12 misique ante vos crabrones et eieci eos de locis suis duos reges Amorreorum non in gladio et arcu tuo   12 En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, [gelijk] de beide koningen der Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog. [12] Verslagenheid zond Ik voor u uit, die hen – de beide koningen van de Amorieten – voor u verdreef zonder dat uw zwaard of boog eraan te pas kwam. [12] Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg, zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd. Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen. 24:12 ik zond de Egyptische horzel voor uw aanschijn uit en zij verdreef hen van uw aanschijn, de twee koningen van de Amoriet; niet met je zwaard en niet met je boog!- 12. J'envoyai devant vous les frelons qui chassèrent devant vous les deux rois amorites, ce que tu ne dois ni à ton épée ni à ton arc.

King James Bible . [12] And I sent the hornet before you, which drave them out from before you, even the two kings of the Amorites; but not with thy sword, nor with thy bow.
Luther-Bibel . 12 Und ich sandte Angst und Schrecken vor euch her; die trieben sie vor euch weg, die beiden Könige der Amoriter, und nicht dein Schwert noch dein Bogen.

Tekstuitleg van Joz 24,12 .

3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Joz 24 (24) : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,3 . (3) Joz 24,4 . (4) Joz 24,5 . (5) Joz 24,6 . (6) Joz 24,7 . (7) Joz 24,8 . (8) Joz 24,11 . (9) Joz 24,12 . (10) Joz 24,14 . (11) Joz 24,15 . (12) Joz 24,16 . (13) Joz 24,17 . (14) Joz 24,18 . (15) Joz 24,19 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,21 . (18) Joz 24,22 . (19) Joz 24,23 . (20) Joz 24,24 . (21) Joz 24,26 . (22) Joz 24,27 . (23) Joz 24,28 . (24) Joz 24,31 .

4. wathëgârèsj (en jij verdrijft) < wë + act. piël imperf. 2de pers. mann. enk. van het werkw. gârasj (verdrijven, verjagen, uitwerpen) . Taalgebruik in Tenakh : gârasj (verdrijven, uitwerpen) . Getalwaarde : gimel = 3 , resj = 20 of 200 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 503 (priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 3 . Tenakh (1) : Joz 24,12 . Een vorm van gârasj (verdrijven, uitwerpen) in Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (9) . Gn (3) : (1) Gn 3,24 . (2) Gn 4,14 . (3) Gn 21,10 . Ex (11) : (1) Ex 2,17 . (2) Ex 6,1 . (3) Ex 10,11 . (4) Ex 11,1 . (5) Ex 12,39 . (6) Ex 23,28 . (7) Ex 23,29 . (8) Ex 23,30 . (9) Ex 23,31 . (10) Ex 33,2 . (11) Ex 34,11 . Lv in (1) Lv 21,7 . (2) Lv 22,13 . (3) . Nu (3) : (1) Nu 22,6 . (2) Nu 22,11 . (3) Nu 30,10 . Dt (1) : Dt 33,27 . Joz (2) : (1) Joz 24,12 . (2) Joz 24,18 . Re (5) : (1) Re 2,3 . (2) Re 6,9 . (3) Re 9,41 . (4) Re 11,2 . (5) Re 11,7 . 1 S (1) : 1 S 26,19 . 1 K (1) : 1 K 2,27 .

Joz 24,13 - Joz 24,13 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13kai edôken umin gèn ef' èn ouk ekopiasate ep' autès kai poleis as ouk ôkodomèsate kai katôkisthète en autais kai ampelônas kai elaiônas ous ouk efuteusate umeis edesthe 13 dedique vobis terram in qua non laborastis et urbes quas non aedificastis ut habitaretis in eis vineas et oliveta quae non plantastis   13 Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt. [13] Zo gaf Ik u een land waarvoor u niet hebt gewerkt, steden die u niet hebt gebouwd, maar waarin u toch woont, en zo eet u van wijngaarden en olijfbomen die u niet hebt geplant. [13] Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten. 24:13 ik gaf u een land waarvoor je je niet hebt vermoeid, en steden die gij niet hebt gebouwd,- dáárin heb ge u neergezet; wijngaarden en olijfbomen die ge niet hebt geplant, daarvan eet ge!- 13. Je vous ai donné une terre qui ne vous a demandé aucune fatigue, des villes que vous n'avez pas bâties et dans lesquelles vous vous êtes installés, des vignes et des olivettes que vous n'avez pas plantées et qui sont votre nourriture.

King James Bible . [13] And I have given you a land for which ye did not labour, and cities which ye built not, and ye dwell in them; of the vineyards and oliveyards which ye planted not do ye eat.
Luther-Bibel . 13 Und ich habe euch ein Land gegeben, um das ihr euch nicht gemüht habt, und Städte, die ihr nicht gebaut habt, um darin zu wohnen, und ihr esst von Weinbergen und Ölbäumen, die ihr nicht gepflanzt habt.

Tekstuitleg van Joz 24,13 .

Joz 24,14 - Joz 24,14 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14kai nun fobèthète kurion kai latreusate autô en euthutèti kai en dikaiosunè kai perielesthe tous theous tous allotrious ois elatreusan oi pateres umôn en tô peran tou potamou kai en aiguptô kai latreuete kuriô 14 nunc ergo timete Dominum et servite ei perfecto corde atque verissimo et auferte deos quibus servierunt patres vestri in Mesopotamia et in Aegypto ac servite Domino   14 En nu, vreest den HEERE, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde der rivier, en in Egypte; en dient den HEERE. [14] Vrees dus de heer en dien Hem oprecht en trouw. Doe de goden weg die uw voorouders aan de overkant van de Rivier en in Egypte hebben vereerd, en wees dienaren van de heer. [14] Nu dan,' vervolgde Jozua, 'eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER. 24:14 nu dan, vreest de Ene, en dient hem in gaafheid en in trouw; verwijdert de goden die uw vaderen hebben gediend aan de overzij van de Rivier en in Egypte, en dient de Ene; 14. « Et maintenant, craignez Yahvé et servez-le dans la perfection en toute sincérité; éloignez les dieux que servirent vos pères au-delà du Fleuve et en Égypte, et servez Yahvé.

King James Bible . [14] Now therefore fear the LORD, and serve him in sincerity and in truth: and put away the gods which your fathers served on the other side of the flood, and in Egypt; and serve ye the LORD.
Luther-Bibel . 14 So fürchtet nun den HERRN und dient ihm treulich und rechtschaffen und lasst fahren die Götter, denen eure Väter gedient haben jenseits des Euphratstroms und in Ägypten, und dient dem HERRN.

Tekstuitleg van Joz 24,14 . Het vers Joz 24,14 telt 20 (2² X 5) woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Joz 24,14 is 5834 (2 X 2917) . In Joz 24,14-24 vindt een dialoog plaats tussen Jozua en het volk over het dienen van JHWH . In de 11 verzen komt in 9 verzen en 15X een vorm van dienen (`âbhad) voor . De plaats van deze perikope is merkwaardig , juist vóór de perikope over het sterven van Jozua , die er voor de 1ste maal dienaar van JHWH wordt genoemd . In Mt 6,24 maakt Jezus duidelijk dat men niet tegelijkertijd God en de mammon kan dienen . En in de synoptici wordt Jezus voorgesteld als een dienaar .

Piet van Midden , Jozua , in : Fokkelman Jan & Weren Wim , De bijbel literair , Zoetermeer / Kapellen , Meinema / Pelckmans , 2003 , p.144
           
  - Joz 24,14 Vrees JHWH , dien Hem   - Joz 24,16 Wij dienen geen vreemde goden
  - Joz 24,15     - Joz 24,17  
        - Joz 24,18  
  - Joz 24,19     - Joz 24,21  
  - Joz 24,22     - Joz 24,22  
  - Joz 24,23     - Joz 24,24 -  

Joz 24,14.1. wë`aththâh (en nu) < wë + `aththâh (nu) . Zie : Taalgebruik in Tenakh : `aththâh (nu) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , taw = 22 of 400 , he = 5 ; totaal : 43 OF 475 (5² X 19) . Tenakh (266) . Pentateuch (54) . Eerdere Profeten (114) . Latere Profeten (28) . 12 Kleine Profeten (13) . Geschriften (57) . Joz (15) : (1) Joz 1,2 . (2) Joz 2,12 . (3) Joz 3,12 . (4) Joz 9,6 . (5) Joz 9,11 . (6) Joz 9,12 . (7) Joz 9,19 . (8) Joz 9,23 . (9) Joz 9,25 . (10) Joz 13,7 . (11) Joz 14,10 . (12) Joz 14,12 . (13) Joz 22,4 . (14) Joz 24,14 . (15) Joz 24,23 .

Joz 24,14.2. j-r-´w . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. mv. jârë´û (zij vreesden) . (2) act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. jër´û (vreest) . (3) act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. jirë´û / jira´û (zij zagen) . (4) pass. nifal imperf. 3de pers. mv. jerâ´û (zij werden gezien) . Tenakh (41) . Pentateuch (8) . Eerdere Profeten (6) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (15) . Joz (2) : (1) Joz 4,14 . (2) Joz 24,14 .

Joz 24,14.1. - 2. wë`aththâh jër´û (en nu vreest) . Slechts in Joz 24,14 .

Joz 24,14.3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Joz 24 (24) : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,3 . (3) Joz 24,4 . (4) Joz 24,5 . (5) Joz 24,6 . (6) Joz 24,7 . (7) Joz 24,8 . (8) Joz 24,11 . (9) Joz 24,12 . (10) Joz 24,14 . (11) Joz 24,15 . (12) Joz 24,16 . (13) Joz 24,17 . (14) Joz 24,18 . (15) Joz 24,19 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,21 . (18) Joz 24,22 . (19) Joz 24,23 . (20) Joz 24,24 . (21) Joz 24,26 . (22) Joz 24,27 . (23) Joz 24,28 . (24) Joz 24,31 .

Joz 24,14.4. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,24 .

Joz 24,14.3. - 4. ´èth JHWH . Joz 24 (12) : (1) Joz 24,14 . (2) Joz 24,15 . (3) Joz 24,16 . (4) Joz 24,18 . (5) Joz 24,19 . (6) Joz 24,20 . (7) Joz 24,21 . (8) Joz 24,22 . (12) Joz 24,24 .

Joz 24,14.2. - 4. jër´û ´èth JHWH (vreest JHWH) . Tenakh (3) : (1) Joz 24,14 . (2) 1 S 12,24 . (3) Ps 34,10 .
- jârë´û ´èth JHWH (zij vreesden JHWH) . Tenakh (1) : 2 K 17,25 .

Joz 24,14.5. w-`-b-d-w : (1) wë`âbhëdû / wë`âbhâdû (en zij zullen dienen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. mv. ; (2) wë`ibhëdû (en dient) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. ; (3) wë`äbhâdô (en hij zal hem dienen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ; (4) wë`abhëdô (en zijn dienaar) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (5) wë`abhëdâw (en zijn dienaren) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. Tenakh (19) : (1) Ex 10,11 . (2) Ex 20,17 . (3) Ex 21,6 . (4) Nu 4,26 . (5) Dt 5,21 . (6) Dt 7,4 . (7) Joz 24,14 . (8) 2 K 25,24 . (9) Js 19,21 . (10) Js 19,23 . (11) Jr 22,4 . (12) Jr 25,11 . (13) Jr 27,7 . (14) Jr 27,11 . (15) Jr 27,12 . (16) Jr 30,9 . (17) Jr 40,9 . (18) Ezr 6,16 . (19) 2 Kr 30,8 .

Joz 24,14.6. accusatief + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ´othô (hem) . ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (533) . Pentateuch (270) . Eerdere Profeten (163) . Latere Profeten (61) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (31) . Joz (17) : (1) Joz 3,3 . (2) Joz 4,14 . (3) Joz 7,15 . (4) Joz 7,25 . (5) Joz 8,11 . (6) Joz 8,23 . (7) Joz 9,12 . (8) Joz 10,24 . (9) Joz 13,21 . (10) Joz 14,7 . (11) Joz 18,20 . (12) Joz 19,14 . (13) Joz 20,4 . (14) Joz 22,30 . (15) Joz 24,14 . (16) Joz 24,30 . (17) Joz 24,33 .

Joz 24,14.11. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Joz (10) : (1) Joz 2,11 . (2) Joz 22,22 . (3) Joz 22,33 . (4) Joz 23,16 . (5) Joz 24,2 . (6) Joz 24,14 . (7) Joz 24,15 . (8) Joz 24,16 . (9) Joz 24,19 . (10) Joz 24,26

Joz 24,14.11. - 12. ´èlohîm ´äsjèr (goden / God die) . Tenakh (6) : (1) Ex 32,1 . (2) Ex 32,23 . (3) Dt 29,25 . (4) Joz 24,14 . (5) Joz 24,15 . (6) Ps 95,3 .

Joz 24,14.12. - 13. ´äsjèr `âbhëdû (die dienden) . Tenakh (4) : (1) Ex 1,14 . (2) Dt 12,2 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 .

Joz 24,15 - Joz 24,15 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15ei de mè areskei umin latreuein kuriô elesthe umin eautois sèmeron tini latreusète eite tois theois tôn paterôn umôn tois en tô peran tou potamou eite tois theois tôn amorraiôn en ois umeis katoikeite epi tès gès autôn egô de kai è oikia mou latreusomen kuriô oti agios estin 15 sin autem malum vobis videtur ut Domino serviatis optio vobis datur eligite hodie quod placet cui potissimum servire debeatis utrum diis quibus servierunt patres vestri in Mesopotamia an diis Amorreorum in quorum terra habitatis ego autem et domus mea serviemus Domino   15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen! [15] Als u de heer niet verkiest te dienen, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier hebben vereerd, of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. Ik en mijn familie, wij dienen de heer.' [15] Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen.' 24:15 en als het kwaad is in uw ogen om de Ene te dienen, kiest u dan heden wie ge dienen zult: óf de goden die uw vaderen hebben gediend aan de overzij van de Rivier, óf de goden van de Amorieten in wier land gij nu zetelt; maar ik en mijn huis, wij zullen de Ene dienen! • 15. S'il ne vous paraît pas bon de servir Yahvé, choisissez aujourd'hui qui vous voulez servir, soit les dieux que servaient vos pères au-delà du Fleuve, soit les dieux des Amorites dont vous habitez maintenant le pays. Quant à moi et ma famille, nous servirons Yahvé. »

King James Bible . [15] And if it seem evil unto you to serve the LORD, choose you this day whom ye will serve; whether the gods which your fathers served that were on the other side of the flood, or the gods of the Amorites, in whose land ye dwell: but as for me and my house, we will serve the LORD.
Luther-Bibel . 15 Gefällt es euch aber nicht, dem HERRN zu dienen, so wählt euch heute, wem ihr dienen wollt: den Göttern, denen eure Väter gedient haben jenseits des Stroms, oder den Göttern der Amoriter, in deren Land ihr wohnt. Ich aber und mein Haus wollen dem HERRN dienen.

Tekstuitleg van Joz 24,15 . Het vers Joz 24,15 telt 34 (2 X 17) woorden en 127 (priemgetal) letters . De getalwaarde van Joz 24,15 is 8482 (2 X 4241) .

Joz 24,15.6. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

4. - 6. la`äbhod ´èth JHWH (om JHWH te dienen) . Tenakh (4) : (1) Ex 10,26 . (2) Joz 24,15 . (3) Joz 24,19 . (4) Ps 102,23 .

Joz 24,15.15. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Joz (10) : (1) Joz 2,11 . (2) Joz 22,22 . (3) Joz 22,33 . (4) Joz 23,16 . (5) Joz 24,2 . (6) Joz 24,14 . (7) Joz 24,15 . (8) Joz 24,16 . (9) Joz 24,19 . (10) Joz 24,26

Joz 24,15.15. - 16. ´èlohîm ´äsjèr (goden / God die) . Tenakh (6) : (1) Ex 32,1 . (2) Ex 32,23 . (3) Dt 29,25 . (4) Joz 24,14 . (5) Joz 24,15 . (6) Ps 95,3 .

Joz 24,15.17. `bdw : (1) act. qal perfect. 3de pers. mann. mv. `âbhëdû (zij dienden) OF (2) act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. `ibhëdû (dient) OF (3) zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. `abhëdô (zijn dienaar) . `âbhad (werken, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen) . Getalwaarde : ajin =16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 ; totaal : 22 OF 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . Tenakh (65) . Pentateuch (13) . Eerdere Profeten (26) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) .

Joz 24,15.16. - 17. ´äsjèr `âbhëdû (die dienden) . Tenakh (4) : (1) Ex 1,14 . (2) Dt 12,2 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 .

Joz 24,16 - Joz 24,16 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16kai apokritheis o laos eipen mè genoito èmin katalipein kurion ôste latreuein theois eterois 16 responditque populus et ait absit a nobis ut relinquamus Dominum et serviamus diis alienis   16 Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij den HEERE verlaten zouden, om andere goden te dienen. [16] Het volk antwoordde: 'Wij denken er niet aan de heer te verlaten en andere goden te dienen. [16] Hierop antwoordde het volk: 'Het is verre van ons de HEER te verlaten om andere goden te dienen. 24:16 Dan antwoordt de gemeente en zegt: heiligschennis is het ons om de Ene te verlaten,- om andere goden te dienen; 16. Le peuple répondit : « Loin de nous d'abandonner Yahvé pour servir d'autres dieux!

King James Bible . [16] And the people answered and said, God forbid that we should forsake the LORD, to serve other gods;
Luther-Bibel . 16 Da antwortete das Volk und sprach: Das sei ferne von uns, dass wir den HERRN verlassen und andern Göttern dienen!

Tekstuitleg van Joz 24,16 . Het vers Joz 24,16 telt 11 woorden en 44 (2² X 11) letters ; verhouding 1 op 4 . De getalwaarde van Joz 24,16 is 1674 X 3³ X 31) . Het volk heeft uitvoerig geluisterd naar Jozua . Vanaf Joz 24,14 gaat het over het al dan niet dienen van JHWH . In Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 spreekt het volk zich uit om niet de vreemde volken maar JHWH te dienen . De woorden van het volk zijn omgeven door de woorden : Hij is onze God .

2. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

3. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´-m-r . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Joz (50) . Joz 24 (6) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,27 .

8. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

10. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Joz (10) : (1) Joz 2,11 . (2) Joz 22,22 . (3) Joz 22,33 . (4) Joz 23,16 . (5) Joz 24,2 . (6) Joz 24,14 . (7) Joz 24,15 . (8) Joz 24,16 . (9) Joz 24,19 . (10) Joz 24,26 .

Joz 24,17 - Joz 24,17 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17kurios o theos èmôn autos theos estin autos anègagen èmas kai tous pateras èmôn ex aiguptou kai diefulaxen èmas en pasè tè odô è eporeuthèmen en autè kai en pasin tois ethnesin ous parèlthomen di' autôn 17 Dominus Deus noster ipse eduxit nos et patres nostros de terra Aegypti de domo servitutis fecitque videntibus nobis signa ingentia et custodivit nos in omni via per quam ambulavimus et in cunctis populis per quos transivimus   17 Want de HEERE is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn. [17] De heer onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht en ons beschermd op al onze tochten, en tegen alle volken waarmee wij in aanraking kwamen. [17] Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. 24:17 want de Ene is onze God; híj is het die ons en onze vaderen heeft doen opklimmen uit het land Egypte, uit het diensthuis; die deze grote tekenen voor onze ogen heeft gedaan en ons heeft bewaard op heel de weg waarover wij zijn gegaan en bij alle gemeenschappen door wier midden wij zijn overgestoken; 17. Yahvé notre Dieu est celui qui nous a fait monter, nous et nos pères, du pays d'Égypte, de la maison de servitude, qui devant nos yeux a opéré ces grands signes et nous a gardés tout le long du chemin que nous avons parcouru et parmi toutes les populations à travers lesquelles nous avons passé.

King James Bible . [17] For the LORD our God, he it is that brought us up and our fathers out of the land of Egypt, from the house of bondage, and which did those great signs in our sight, and preserved us in all the way wherein we went, and among all the people through whom we passed:
Luther-Bibel . 17 Denn der HERR, unser Gott, hat uns und unsere Väter aus Ägyptenland geführt, aus der Knechtschaft, und hat vor unsern Augen diese großen Zeichen getan und uns behütet auf dem ganzen Wege, den wir gezogen sind, und unter allen Völkern, durch die wir gegangen sind,

Tekstuitleg van Joz 24,17 . Het vers Joz 24,17 telt 30 (2 X 3 X 5) woorden en 129 (3 X 43) letters . De getalwaarde van Joz 24,17 is 8666 (2 X 7 X 619) .

JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

2. - 3. JHWH ´êlohe(j)nû (JHWH, onze God) . Tenakh (85) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (13) : (1) Joz 18,6 . (2) Joz 22,19 . (3) Joz 22,29 . (4) Joz 24,17 . (5) Joz 24,24 . (6) Re 11,24 . (7) 1 S 7,8 . (8) 1 K 8,57 . (9) 1 K 8,59 . (10) 1 K 8,61 . (11) 1 K 8,65 . (12) 2 K 18,22 . (13) 2 K 19,19 .

19. hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. . ´lh . ´ellèh (deze /dit) ; ´âlâh (bezweren , eed , vloek) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Joz (34) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,17 . (2) Joz 24,26 . (3) Joz 24,29 .

Joz 24,18 - Joz 24,18 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18kai exebalen kurios ton amorraion kai panta ta ethnè ta katoikounta tèn gèn apo prosôpou èmôn alla kai èmeis latreusomen kuriô outos gar theos èmôn estin 18 et eiecit universas gentes Amorreum habitatorem terrae quam nos intravimus serviemus igitur Domino quia ipse est Deus noster   18 En de HEERE heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen ook den HEERE dienen, want Hij is onze God. [18] De heer heeft al die volken voor ons verdreven, evenals de Amorieten die dit land bewonen. Ook wij willen de heer dienen, Hij is onze God.' 18] De HEER heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de HEER dienen, want hij is onze God.' 24:18 de Ene heeft alle gemeenschappen, en de Amoriet die zetelde in dit land, verdreven van ons aanschijn; laten wij dan ook hem dienen, de Ene, want híj is onze God! •• 18. Et Yahvé a chassé devant nous toutes les populations ainsi que les Amorites qui habitaient le pays. Nous aussi, nous servirons Yahvé, car c'est lui notre Dieu. »

King James Bible . [18] And the LORD drave out from before us all the people, even the Amorites which dwelt in the land: therefore will we also serve the LORD; for he is our God.
Luther-Bibel . 18 und hat ausgestoßen vor uns her alle Völker und die Amoriter, die im Lande wohnten. Darum wollen wir auch dem HERRN dienen; denn er ist unser Gott.

Tekstuitleg van Joz 24,18 . Het vers Joz 24,18 telt 18 (2 X 3²) woorden en 67 (priemgetal) letters . De getalwaarde van Joz 24,18 is 3523 (13 X 271) .

Joz 24,18.1. wajëgârèsj (en hij verdreef) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. gârasj (verdrijven, uitwerpen) . Taalgebruik in Tenakh : gârasj (verdrijven, uitwerpen) . Getalwaarde : gimel = 3 , resj = 20 of 200 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 503 (priemgetal) . Structuur : 3 - 2 - 3 . Tenakh (7) : (1) Gn 3,24 . (2) Ex 10,11 . (3) Dt 33,27 . (4) Joz 24,18 . (5) Re 9,41 . (6) 1 K 2,27 . (7) Ps 78,55 . Een vorm van gârasj (verdrijven, uitwerpen) in Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (9) . Gn (3) : (1) Gn 3,24 . (2) Gn 4,14 . (3) Gn 21,10 . Ex (11) : (1) Ex 2,17 . (2) Ex 6,1 . (3) Ex 10,11 . (4) Ex 11,1 . (5) Ex 12,39 . (6) Ex 23,28 . (7) Ex 23,29 . (8) Ex 23,30 . (9) Ex 23,31 . (10) Ex 33,2 . (11) Ex 34,11 . Lv in (1) Lv 21,7 . (2) Lv 22,13 . (3) . Nu (3) : (1) Nu 22,6 . (2) Nu 22,11 . (3) Nu 30,10 . Dt (1) : Dt 33,27 . Joz (2) : (1) Joz 24,12 . (2) Joz 24,18 . Re (5) : (1) Re 2,3 . (2) Re 6,9 . (3) Re 9,41 . (4) Re 11,2 . (5) Re 11,7 . 1 S (1) : 1 S 26,19 . 1 K (1) : 1 K 2,27 .

Joz 24,18.2. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,18.3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Joz 24 (24) : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,3 . (3) Joz 24,4 . (4) Joz 24,5 . (5) Joz 24,6 . (6) Joz 24,7 . (7) Joz 24,8 . (8) Joz 24,11 . (9) Joz 24,12 . (10) Joz 24,14 . (11) Joz 24,15 . (12) Joz 24,16 . (13) Joz 24,17 . (14) Joz 24,18 . (15) Joz 24,19 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,21 . (18) Joz 24,22 . (19) Joz 24,23 . (20) Joz 24,24 . (21) Joz 24,26 . (22) Joz 24,27 . (23) Joz 24,28 . (24) Joz 24,31 .

Joz 24,18.14. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Joz 24 (24) : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,3 . (3) Joz 24,4 . (4) Joz 24,5 . (5) Joz 24,6 . (6) Joz 24,7 . (7) Joz 24,8 . (8) Joz 24,11 . (9) Joz 24,12 . (10) Joz 24,14 . (11) Joz 24,15 . (12) Joz 24,16 . (13) Joz 24,17 . (14) Joz 24,18 . (15) Joz 24,19 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,21 . (18) Joz 24,22 . (19) Joz 24,23 . (20) Joz 24,24 . (21) Joz 24,26 . (22) Joz 24,27 . (23) Joz 24,28 . (24) Joz 24,31 .

Joz 24,18.15. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,18.18. ´êlohe(j)nû (onze God) < stat. constr. + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mv . van het zelfst. naamw. . Tenakh (164) . Pentateuch (29) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (29) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (82) . Ex (7) . Dt (22) . Eerdere Profeten (20) : (1) Joz 18,6 . (2) Joz 22,19 . (3) Joz 22,29 . (4) Joz 24,17 . (5) Joz 24,18 . (6) Joz 24,24 . (7) Re 10,10 . (8) Re 11,24 . (9) Re 16,23 . (10) Re 16,24 . (11) 1 S 5,7 . (12) 1 S 7,8 . (13) 2 S 10,12 . (14) 2 S 22,32 . (15) 1 K 8,57 . (16) 1 K 8,59 . (17) 1 K 8,61 . (18) 1 K 8,65 . (19) 2 K 18,22 . (20) 2 K 19,19 .

Joz 24,19 - Joz 24,19 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19kai eipen ièsous pros ton laon ou mè dunèsthe latreuein kuriô oti theos agios estin kai zèlôsas outos ouk anèsei umôn ta amartèmata kai ta anomèmata umôn 19 dixitque Iosue ad populum non poteritis servire Domino Deus enim sanctus et fortis aemulator est nec ignoscet sceleribus vestris atque peccatis   19 Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven. [19] Toen zei Jozua tegen het volk: 'U zult niet in staat zijn de heer te dienen, want Hij is een heilige* God, een jaloerse God, die uw overtredingen en zonden niet vergeeft. [19] Jozua antwoordde het volk echter: 'U zult niet in staat zijn de HEER te dienen, want hij is een heilige God, hij duldt niemand naast zich, hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. 24:19 Jozua zegt tot de gemeente: ge zult niet in staat zijn de Ene te dienen, want een God van heiligen is hij; een naijverige godheid, uw misstappen en uw zonden verdraagt hij niet; 19. Alors Josué dit au peuple : « Vous ne pouvez pas servir Yahvé car il est un Dieu saint, il est un Dieu jaloux, qui ne tolérera pas vos transgressions ni vos péchés.

King James Bible . [19] And Joshua said unto the people, Ye cannot serve the LORD: for he is an holy God; he is a jealous God; he will not forgive your transgressions nor your sins.
Luther-Bibel . 19 Josua sprach zum Volk: Ihr könnt dem HERRN nicht dienen; denn er ist ein heiliger Gott, ein eifernder Gott, der eure Übertretungen und Sünden nicht vergeben wird.

Tekstuitleg van Joz 24,19 . Jozua herneemt het woord en waarschuwt het volk dat zij niet in staat zullen zijn JHWH te dienen ( Joz 24,19 - Joz 24,20) .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´-m-r . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Joz (50) . Joz 24 (6) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,27 .

2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

1. - 2. wajjo´mèr jëhôsju`a (Jozua zei) . Tenakh (16) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 3,6 . (3) Joz 3,9 . (4) Joz 3,10 . (5) Joz 6,16 . (6) Joz 7,7 . (7) Joz 7,19 . (8) Joz 7,25 . (9) Joz 10,18 . (10) Joz 10,22 . (11) Joz 17,17 . (12) Joz 18,3 . (13) Joz 24,2 . (14) Joz 24,19 . (15) Joz 24,22 . (16) Joz 24,27 .

4. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

1. - 4. wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl hâ`âm (Jozua zei tot het volk) . Tenakh (4) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 6,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,22 . In Joz 6,8 lezen we : wajëhî kè´èmor jëhôsju`a ´èl hâ`âm (en het was terwijl Jozua zei tot het volk) . wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl kâl hâ`âm (Jozua zei tot heel het volk) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,27 .

9. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

11. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Joz (10) : (1) Joz 2,11 . (2) Joz 22,22 . (3) Joz 22,33 . (4) Joz 23,16 . (5) Joz 24,2 . (6) Joz 24,14 . (7) Joz 24,15 . (8) Joz 24,16 . (9) Joz 24,19 . (10) Joz 24,26 .

Joz 24,20 - Joz 24,20 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20ènika ean egkatalipète kurion kai latreusète theois eterois kai epelthôn kakôsei umas kai exanalôsei umas anth' ôn eu epoièsen umas 20 si dimiseritis Dominum et servieritis diis alienis convertet se et adfliget vos atque subvertet postquam vobis praestiterit bona   20 Indien gij den HEERE verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben. [20] En als u de heer verlaat en vreemde goden dient, zal Hij zich van u afkeren en u met rampen treffen en u vernietigen, ondanks de goedheid die Hij u vroeger heeft bewezen.' [20] Wanneer u de HEER verlaat en andere goden gaat dienen, zal hij zich tegen u keren. Dan zal hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.' 24:20 wanneer ge de Ene verlaat en de vreemde goden zult dienen,- zal hij omkeren, u kwaad doen en een eind aan u maken, nádat hij u goed heeft gedaan! 20. Si vous abandonnez Yahvé pour servir les dieux de l'étranger, il vous maltraitera à nouveau et vous anéantira après vous avoir fait du bien. »

King James Bible . [20] If ye forsake the LORD, and serve strange gods, then he will turn and do you hurt, and consume you, after that he hath done you good.
Luther-Bibel . 20 Wenn ihr den HERRN verlasst und fremden Göttern dient, so wird er sich abwenden und euch plagen und euch ausrotten, nachdem er euch Gutes getan hatte.

Tekstuitleg van Joz 24,20 .

4. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

13. ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) . Joz (18) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,7 . (3) Joz 6,9 . (4) Joz 6,13 . (5) Joz 7,8 . (6) Joz 8,16 . (7) Joz 8,17 . (8) Joz 9,16 . (9) Joz 10,19 . (10) Joz 10,26 . (11) Joz 14,8 . (12) Joz 14,9 . (13) Joz 14,14 . (14) Joz 23,1 . (15) Joz 24,6 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,29 . (18) Joz 24,31 .

13. - 14. ´achäre(j) ´äsjèr (achter wat) . Tenakh (8) : (1) Dt 24,4 . (2) Joz 7,8 . (3) Joz 9,16 . (4) Joz 23,1 . (5) Joz 24,20 . (6) Re 11,36 . (7) Re 19,23 . (8) 2 S 19,31 .

Joz 24,21 - Joz 24,21 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21kai eipen o laos pros ièsoun ouchi alla kuriô latreusomen 21 dixitque populus ad Iosue nequaquam ita ut loqueris erit sed Domino serviemus   21 Toen zeide het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen den HEERE dienen. [21] Maar het volk herhaalde: 'Toch willen wij de heer dienen.' [21] Maar het volk zei opnieuw: 'Wees ervan verzekerd dat we de HEER zullen dienen.' [ 24:21 Dan zegt de gemeente tot Jozua: nee!, want de Ene zullen wij dienen! 21. Le peuple répondit à Josué : « Non! C'est Yahvé que nous servirons. »

King James Bible . [21] And the people said unto Joshua, Nay; but we will serve the LORD.
Luther-Bibel . 21 Das Volk aber sprach zu Josua: Nein, sondern wir wollen dem HERRN dienen.

Tekstuitleg van Joz 24,21 . In dit vers Joz 24,21 herbevestigt het volk dat het JHWH zal dienen .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´-m-r . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Joz (50) . Joz 24 (6) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,27 .

2. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

4. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

3. - 4. ´èl jëhôsju`a (tot Jozua) . Tenakh (30) . Ex (1) Ex 17,9 . Joz (29) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,23 . (3) Joz 2,24 . (4) Joz 3,7 . (5) Joz 4,1 . (6) Joz 4,8 . (7) Joz 4,15 . (8) Joz 5,2 . (9) Joz 5,9 . (10) Joz 5,15 . (11) Joz 6,2 . (12) Joz 7,3 . (13) Joz 7,10 . (14) Joz 7,23 . (15) Joz 8,1 . (16) Joz 8,18 . (17) Joz 8,23 . (18) Joz 9,6 . (19) Joz 9,8 . (20) Joz 10,6 . (21) Joz 10,8 . (22) Joz 10,21 . (23) Joz 10,24 . (24) Joz 11,6 . (25) Joz 14,6 . (26) Joz 18,9 . (27) Joz 20,1 . (28) Joz 24,21 . (29) Joz 24,24 .

8. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,22 - Joz 24,22 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22kai eipen ièsous pros ton laon martures umeis kath' umôn oti umeis exelexasthe kurion latreuein autô 22 et Iosue ad populum testes inquit vos estis quia ipsi elegeritis vobis Dominum ut serviatis ei responderuntque testes   22 Jozua nu zeide tot het volk: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den HEERE verkoren hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen. [22] Toen zei Jozua tegen het volk: 'Dan bent u zelf getuigen dat u voor de dienst van de heer gekozen hebt.' En zij antwoordden: 'Ja, dat zijn wij.' 22] 'In dat geval,' antwoordde Jozua, 'bent u zelf de getuigen van uw keuze om hem, de HEER, te dienen.' 'Ja, dat zijn wij,' bevestigde het volk, 24:22 Jozua zegt tot de gemeente: getuigen zijt ge tegen uzelf, dat ge zelf u de Ene hebt verkozen om te dienen! En zij zeggen: wij zijn getuigen! 22. Alors Josué dit au peuple : « Vous êtes témoins contre vous-mêmes que vous avez fait choix de Yahvé pour le servir. » Ils répondirent : « Nous sommes témoins. » -

King James Bible . [22] And Joshua said unto the people, Ye are witnesses against yourselves that ye have chosen you the LORD, to serve him. And they said, We are witnesses.
Luther-Bibel . 22 Da sprach Josua zum Volk: Ihr seid Zeugen gegen euch selbst, dass ihr euch den HERRN erwählt habt, um ihm zu dienen. Und sie sprachen: Ja! –

Tekstuitleg van Joz 24,22 . Jozua neemt voor de derde maal het woord en neemt henzelf als getuigen bij de keuze om JHWH te dienen (Joz 24,22) . Het volk spreekt zich voor de 3de maal uit . Dat gaat verder in Joz 24,23 .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´-m-r . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Joz (50) . Joz 24 (6) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,27 .

2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

1. - 2. wajjo´mèr jëhôsju`a (Jozua zei) . Tenakh (16) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 3,6 . (3) Joz 3,9 . (4) Joz 3,10 . (5) Joz 6,16 . (6) Joz 7,7 . (7) Joz 7,19 . (8) Joz 7,25 . (9) Joz 10,18 . (10) Joz 10,22 . (11) Joz 17,17 . (12) Joz 18,3 . (13) Joz 24,2 . (14) Joz 24,19 . (15) Joz 24,22 . (16) Joz 24,27 .

4. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

1. - 4. wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl hâ`âm (Jozua zei tot het volk) . Tenakh (4) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 6,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,22 . In Joz 6,8 lezen we : wajëhî kè´èmor jëhôsju`a ´èl hâ`âm (en het was terwijl Jozua zei tot het volk) . wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl kâl hâ`âm (Jozua zei tot heel het volk) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,27 .

13. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,23 - Joz 24,23 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
23kai nun perielesthe tous theous tous allotrious tous en umin kai euthunate tèn kardian umôn pros kurion theon israèl 23 nunc ergo ait auferte deos alienos de medio vestrum et inclinate corda vestra ad Dominum Deum Israhel   23 En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den HEERE, den God van Israël. [23] 'Doe dan die vreemde goden bij u weg en buig uw harten naar de heer, de God van Israël.' [23] waarop Jozua zei: 'Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de HEER, de God van Israël.' 24:23 Nu dan, verwijdert de vreemde goden die ge in uw midden hebt,- en neigt uw harten naar de Ene, de God van Israël! 23. « Alors, écartez les dieux de l'étranger qui sont au milieu de vous et inclinez votre cœur vers Yahvé, Dieu d'Israël. »

King James Bible . [23] Now therefore put away, said he, the strange gods which are among you, and incline your heart unto the LORD God of Israel.
Luther-Bibel . 23 So tut nun von euch die fremden Götter, die unter euch sind, und neigt euer Herz zu dem HERRN, dem Gott Israels.

Tekstuitleg van Joz 24,23 .

12. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,24 - Joz 24,24 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
24kai eipen o laos pros ièsoun kuriô latreusomen kai tès fônès autou akousometha 24 dixitque populus ad Iosue Domino Deo nostro serviemus oboedientes praeceptis eius   24 En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den HEERE, onzen God, dienen, en wij zullen Zijner stem gehoorzamen. [24] En het volk antwoordde: 'De heer onze God willen wij dienen en naar zijn stem willen wij luisteren.' [24] En het volk beloofde: 'We zullen de HEER, onze God, dienen en gehoorzamen.' 24:24 Dan zeggen zij, de gemeente, tot Jozua: de Ene, onze God, zullen wij dienen en naar zijn stem zullen wij horen! 24. Le peuple dit à Josué : « C'est Yahvé notre Dieu que nous servirons, c'est à sa voix que nous obéirons. »

King James Bible . [24] And the people said unto Joshua, The LORD our God will we serve, and his voice will we obey.
Luther-Bibel . 24 Und das Volk sprach zu Josua: Wir wollen dem HERRN, unserm Gott, dienen und seiner Stimme gehorchen.

Tekstuitleg van Joz 24,24 .

2. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

4. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

3. - 4. ´èl jëhôsju`a (tot Jozua) . Tenakh (30) . Ex (1) Ex 17,9 . Joz (29) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,23 . (3) Joz 2,24 . (4) Joz 3,7 . (5) Joz 4,1 . (6) Joz 4,8 . (7) Joz 4,15 . (8) Joz 5,2 . (9) Joz 5,9 . (10) Joz 5,15 . (11) Joz 6,2 . (12) Joz 7,3 . (13) Joz 7,10 . (14) Joz 7,23 . (15) Joz 8,1 . (16) Joz 8,18 . (17) Joz 8,23 . (18) Joz 9,6 . (19) Joz 9,8 . (20) Joz 10,6 . (21) Joz 10,8 . (22) Joz 10,21 . (23) Joz 10,24 . (24) Joz 11,6 . (25) Joz 14,6 . (26) Joz 18,9 . (27) Joz 20,1 . (28) Joz 24,21 . (29) Joz 24,24 .

6. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

6. - 7. JHWH ´êlohe(j)nû (JHWH, onze God) . Tenakh (85) . Pentateuch (21) . Eerdere Profeten (13) : (1) Joz 18,6 . (2) Joz 22,19 . (3) Joz 22,29 . (4) Joz 24,17 . (5) Joz 24,24 . (6) Re 11,24 . (7) 1 S 7,8 . (8) 1 K 8,57 . (9) 1 K 8,59 . (10) 1 K 8,61 . (11) 1 K 8,65 . (12) 2 K 18,22 . (13) 2 K 19,19 .

Joz 24,25 - Joz 24,25 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
25kai dietheto ièsous diathèkèn pros ton laon en tè èmera ekeinè kai edôken autô nomon kai krisin en sèlô enôpion tès skènès tou theou israèl 25 percussit igitur Iosue in die illo foedus et proposuit populo praecepta atque iudicia in Sychem   25 Alzo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem. [25] Zo sloot Jozua op die dag in Sichem een verbond voor het volk. Hij bepaalde voor hen wat wet is en recht, [25] Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, 24:25 Zo smeedt Jozua te dien dage een verbond met de gemeente,- en stelt hij in Sjechem regel en recht voor hem vast. 25. Ce jour-là, Josué conclut une alliance pour le peuple; il lui fixa un statut et un droit à Sichem.

King James Bible . [25] So Joshua made a covenant with the people that day, and set them a statute and an ordinance in Shechem.
Luther-Bibel . 25 So schloss Josua an diesem Tag einen Bund für das Volk und legte ihnen Gesetze und Rechte vor in Sichem.

Tekstuitleg van Joz 24,25 .

2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

Joz 24,26 - Joz 24,26 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
26kai egrapsen ta rèmata tauta eis biblion nomon tou theou kai elaben lithon megan kai estèsen auton ièsous upo tèn tereminthon apenanti kuriou 26 scripsitque omnia verba haec in volumine legis Dei et tulit lapidem pergrandem posuitque eum subter quercum quae erat in sanctuario Domini   26 En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN was. [26] en hij schreef alles op in het Wetboek van God. Daarop liet hij onder de eik, in het heiligdom van de heer, een grote steen oprichten [26] die hij in het wetboek van God opschreef. Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de HEER. 24:26 Jozua schrijft deze woorden in de boekrol van Gods Wet; hij neemt een grote steen en laat die opstaan, daar onder de godseik in het heilig gebied van de Ene. •• 26. Josué écrivit ces paroles dans le livre de la Loi de Dieu. Il prit ensuite une grosse pierre et la dressa là, sous le chêne qui est dans le sanctuaire de Yahvé.

King James Bible . [26] And Joshua wrote these words in the book of the law of God, and took a great stone, and set it up there under an oak, that was by the sanctuary of the LORD.
Luther-Bibel . 26 Und Josua schrieb dies alles ins Buch des Gesetzes Gottes und nahm einen großen Stein und richtete ihn dort auf unter einer Eiche, die bei dem Heiligtum des HERRN war,

Tekstuitleg van Joz 24,26 .

2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

4. haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. d-bh-r . (1) dâbhar (spreken) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. dâbhar (spreken) . (2) dibbèr (hij sprak) : piel perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . (3) dâbhâr (woord, daad) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Tenakh (132) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (15) . Joz (4) : (1) Joz 22,30 . (2) Joz 23,14 . (3) Joz 24,26 . (4) Joz 24,29 .

5. hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. . ´lh . ´ellèh (deze /dit) ; ´âlâh (bezweren , eed , vloek) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Joz (34) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,17 . (2) Joz 24,26 . (3) Joz 24,29 .

4. - 5. haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (81) . Joz (2) : (1) Joz 24,26 . (2) Joz 24,29 .

8. ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Joz (10) : (1) Joz 2,11 . (2) Joz 22,22 . (3) Joz 22,33 . (4) Joz 23,16 . (5) Joz 24,2 . (6) Joz 24,14 . (7) Joz 24,15 . (8) Joz 24,16 . (9) Joz 24,19 . (10) Joz 24,26 .

15. hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. . ´lh . ´ellèh (deze /dit) ; ´âlâh (bezweren , eed , vloek) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Joz (34) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,17 . (2) Joz 24,26 . (3) Joz 24,29 .

18. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,27 - Joz 24,27 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
27kai eipen ièsous pros ton laon idou o lithos outos estai en umin eis marturion oti autos akèkoen panta ta lechthenta autô upo kuriou o ti elalèsen pros èmas sèmeron kai estai outos en umin eis marturion ep' eschatôn tôn èmerôn ènika ean pseusèsthe kuriô tô theô mou 27 et dixit ad omnem populum en lapis iste erit vobis in testimonium quod audierit omnia verba Domini quae locutus est vobis ne forte postea negare velitis et mentiri Domino Deo vestro   27 En Jozua zeide tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des HEEREN, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt. [27] en sprak tot het hele volk: 'Deze steen zal tegen ons getuigen, want hij heeft alles gehoord wat de heer tot ons gesproken heeft. Hij zal tegen u blijven getuigen, zodat u uw God niet verloochent.' [ [27] 'Deze steen,' zei hij tegen het volk, 'is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de HEER tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.' 24:27 Dan zegt Jozua tot heel de gemeente: zie, deze steen zal bij ons zijn tot getuige-van-de-overeenkomst, want zíj heeft gehoord alle toezeggingen van de Ene, die hij met ons heeft afgesproken; wezen zal zij bij u tot getuige-van-de-overeenkomst, opdat ge niet zult liegen tegen uw God! 27. Josué dit alors à tout le peuple : « Voici, cette pierre sera un témoin contre nous parce qu'elle a entendu toutes les paroles que Yahvé nous a adressées; elle sera un témoin contre vous pour vous empêcher de renier votre Dieu. »

King James Bible . [27] And Joshua said unto all the people, Behold, this stone shall be a witness unto us; for it hath heard all the words of the LORD which he spake unto us: it shall be therefore a witness unto you, lest ye deny your God.
Luther-Bibel . 27 und sprach zum ganzen Volk: Siehe, dieser Stein soll Zeuge sein unter uns, denn er hat gehört alle Worte des HERRN, die er mit uns geredet hat, und soll ein Zeuge unter euch sein, dass ihr euren Gott nicht verleugnet.

Tekstuitleg van Joz 24,27 .

1. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´-m-r . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Joz (50) . Joz 24 (6) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,27 .

2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

1. - 2. wajjo´mèr jëhôsju`a (Jozua zei) . Tenakh (16) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 3,6 . (3) Joz 3,9 . (4) Joz 3,10 . (5) Joz 6,16 . (6) Joz 7,7 . (7) Joz 7,19 . (8) Joz 7,25 . (9) Joz 10,18 . (10) Joz 10,22 . (11) Joz 17,17 . (12) Joz 18,3 . (13) Joz 24,2 . (14) Joz 24,19 . (15) Joz 24,22 . (16) Joz 24,27 .

5. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

1. - 5. wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl hâ`âm (Jozua zei tot het volk) . Tenakh (4) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 6,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,22 . In Joz 6,8 lezen we : wajëhî kè´èmor jëhôsju`a ´èl hâ`âm (en het was terwijl Jozua zei tot het volk) . wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl kâl hâ`âm (Jozua zei tot heel het volk) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,27 .

18. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,28 - Joz 24,28 : De bijeenkomst in Sichem - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,1-28 -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,1 - Joz 24,2 - Joz 24,3 - Joz 24,4 - Joz 24,5 - Joz 24,6 - Joz 24,7 - Joz 24,8 - Joz 24,9 - Joz 24,10 - Joz 24,11 - Joz 24,12 - Joz 24,13 - Joz 24,14 - Joz 24,15 - Joz 24,16 - Joz 24,17 - Joz 24,18 - Joz 24,19 - Joz 24,20 - Joz 24,21 - Joz 24,22 - Joz 24,23 - Joz 24,24 - Joz 24,25 - Joz 24,26 - Joz 24,27 - Joz 24,28 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
28kai apesteilen ièsous ton laon kai eporeuthèsan ekastos eis ton topon autou 28 dimisitque populum singulos in possessionem suam wajjisjëlach jëhôsju`a ´èth hâ`âm ´îsj lënachälâthô 28 Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel. [28] Daarop ontbond Jozua de vergadering en ieder keerde terug naar zijn eigen gebied. De dood van Jozua en Eleazar [28] Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied. Dood van Jozua en Eleazar 24:28 Dan zendt Jozua de gemeente uit, ieder naar zijn erfgoed. • 28. Puis Josué renvoya le peuple, chacun dans son héritage.

King James Bible . [28] So Joshua let the people depart, every man unto his inheritance.
Luther-Bibel . 28 So entließ Josua das Volk, einen jeden in sein Erbteil. Josuas und Eleasars Tod. Bestattung der Gebeine Josefs

a. wajjisjëlach jëhôsju`a ´èth hâ`âm ´îsj lënachälâthô (En Jozua zond het volk ieder naar zijn erfgoed)

Tekstuitleg van Joz 24,28 . Het vers Joz 24,28 telt 6 (2 X 3) woorden en 24 (2³ X 3) letters ; verhouding : 1 op 4 . De getalwaarde van Joz 24,28 is 2096 (2² X 2² X 131) . Met de wegzending wordt de bijeenkomst van Sichem afgesloten (Joz 24,1-28) . Een bijna identieke zin vinden we in Re 2,6 met dit verschil dat in Joz 24,28 en in Re 2,6a Jozua de opdracht geeft om te vertrekken naar hun erfgoed en dat in Re 2,6b effectief de opdracht wordt uitgevoerd .

Joz 24,28.1. (1) wajjisjëlach < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) wajësjallach (en hij zond) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . Tenakh (212) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (128) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (35) . Joz (8) : (1) Joz 2,1 . (2) Joz 2,3 . (3) Joz 7,2 . (4) Joz 7,22 . (5) Joz 10,3 . (6) Joz 11,1 . (7) Joz 24,9 . (8) Joz 24,28 . Re (14) : (1) Re 2,6 . (2) Re 3,18 . (3) Re 3,21 . (4) Re 6,8 . (5) Re 6,21 . (6) Re 9,23 . (7) Re 9,31 . (8) Re 11,12 . (9) Re 11,14 . (10) Re 11,17 . (11) Re 11,19 . (12) Re 11,38 . (13) Re 15,5 . (14) Re 15,15 .

Joz 24,28.2. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

Joz 24,28.1. - 2. wajjisjëlach jëhôsju`a (en Jozua zond) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,28 . (2) Re 2,6 .

Joz 24,28.3. ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Joz 24 (24) : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,3 . (3) Joz 24,4 . (4) Joz 24,5 . (5) Joz 24,6 . (6) Joz 24,7 . (7) Joz 24,8 . (8) Joz 24,11 . (9) Joz 24,12 . (10) Joz 24,14 . (11) Joz 24,15 . (12) Joz 24,16 . (13) Joz 24,17 . (14) Joz 24,18 . (15) Joz 24,19 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,21 . (18) Joz 24,22 . (19) Joz 24,23 . (20) Joz 24,24 . (21) Joz 24,26 . (22) Joz 24,27 . (23) Joz 24,28 . (24) Joz 24,31 .

Joz 24,28.4. hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

Joz 24,28.3. - 4. ´èth hâ`âm (het volk) . Tenakh (102) . Joz (9) : (1) Joz 1,6 . (2) Joz 1,11 . (3) Joz 3,3 . (4) Joz 7,7 . (5) Joz 7,13 . (6) Joz 8,10 . (7) Joz 8,33 . (8) Joz 14,8 . (9) Joz 24,28 . Re (7) : (1) Re 2,6 . (2) Re 3,18 . (3) Re 7,5 . (4) Re 9,29 . (5) Re 9,36 . (6) Re 9,43 . (7) Re 18,7 .

Joz 24,28.1. - 4. wajjisjëlach jëhôsju`a ´èth hâ`âm (en Jozua zond het volk) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,28 . (2) Re 2,6 .

Joz 24,28.5. ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . Tenakh (1023) . Pentateuch (251) . Eerdere Profeten (402) . Latere Profeten (135) . 12 Kleine Profeten (37) . Geschriften (198) . Joz (27) . Joz 24 (1) : Joz 24,28 .

Joz 24,28.6 . lënachälâthô (naar zijn erfgoed) < voorzetsel lë + vr. enk. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. enk. . Zelfstandig naamw. nachälâh (bezit, eigendom, erfdeel, lot) . Zie : nâchal (bezitten, erven, verwerven) . Taalgebruik in Tenakh : nâchal (bezitten, erven, verwerven) . Tenakh (4) : (1) Joz 24,28 . (2) Re 2,6 . (3) Re 21,24 . (4) Jr 12,15 .

Joz 24,28.5. - 6. ´îsj lënachälâthô (ieder naar zijn erfgoed) . Tenakh (4) : (1) Joz 24,28 . (2) Re 2,6 . (3) Re 21,24 . (4) Jr 12,15 . Een gelijkaardige uitdrukking : ´îsj lë`îrô (ieder naar zijn stad) . Tenakh (3) : (1) 1 S 8,22 . (2) Ezr 2,1 . (3) Neh 7,6 . In Joz 24,28 en in Re 2,6a geeft Jozua de Israëlieten de opdracht om naar hun erfgoed te gaan . In Re 2,6b gaan de Israëlieten naar hun erfgoed en gaan ze wonen temidden van de inheemse bevolking . In 1 S 8 wordt verondersteld dat de oudsten van Israël bij Samuël samenkomen en dat ze wellicht onder invloed van die inheemse bevolking om een koning vragen . In 1 S 8,22 stuurt Samuël hen terug naar hun stad . In Ezr 2,1 en Neh 7,6 komen de ballingen uit Babel terug en gaat ieder naar zijn ieder stad . Zo omspant deze uitdrukking de bezitname (van het land) , het wonen en de terugkeer ernaar .

Joz 24,28.1. - 6. wajjisjëlach jëhôsju`a ´èth hâ`âm (...) ´îsj lënachälâthô (en Jozua zond het volk ieder naar zijn erfgoed) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,28 . (2) Re 2,6 .

- Joz 24,29-33 . De dood van Jozua en Eleazar - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,29 - Joz 24,30 - Joz 24,31 - Joz 24,32 - Joz 24,33 -

Joz 24,29 - Joz 24,29 . De dood van Jozua en Eleazar - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,29 - Joz 24,30 - Joz 24,31 - Joz 24,32 - Joz 24,33 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
30kai egeneto met' ekeina kai apethanen ièsous uios nauè doulos kuriou ekaton deka etôn 29 et post haec mortuus est Iosue filius Nun servus Domini centum decem annorum wajëhî ´achäre(j) haddëbharîm hâ´ellèh wajjâmâth jëhôsju`a bin nûn `èbhèd JHWH bèn me´âh wâ`èshèr sjânîm 29 En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren. [29] Na deze gebeurtenissen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar* van de heer, op de leeftijd van honderdtien jaar. [29] Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, op de leeftijd van honderdtien jaar. 24:29 En het geschiedt na deze woorden dat Jozua, zoon van Noen, dienaar van de Ene, sterft,- als man van honderdtien jaren. 29. Après ces événements, Josué, fils de Nûn, serviteur de Yahvé, mourut, âgé de cent dix ans.

King James Bible . [29] And it came to pass after these things, that Joshua the son of Nun, the servant of the LORD, died, being an hundred and ten years old.
Luther-Bibel . 29 Und es begab sich nach diesen Geschichten, dass Josua, der Sohn Nuns, der Knecht des HERRN, starb, als er hundertundzehn Jahre alt war.

a. wajëhî ´achäre(j) haddëbharîm hâ´ellèh (en het geschiedde na deze woorden/gebeurtenissen)
b. wajjâmâth jëhôsju`a bin nûn `èbhèd JHWH bèn me´âh wâ`èshèr sjânîm (en Jozua , de zoon van Nun , dienaar van JHWH , stierf , 110 jaar oud) .

Tekstuitleg van Joz 24,29 . Het vers Joz 24,29 telt 14 (2 X 7) woorden en 52 (4 X 13) letters . Getalwaarde van Joz 24,29 is 2733 (3 X 911) .

Joz 24,29.1. qal imperf. 3de pers. enk. wajëhî (en hij was / en het was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij zal zij / en hij was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Taalgebruik in 1 S : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenach (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . Joz (59) . Joz 24 (1) : Joz 24,29 . Bij het begin van een hoofdstuk in Joz : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 4,1 . (3) Joz 5,1 . (4) Joz 9,1 . (5) Joz 10,1 . (6) Joz 11,1 . (7) Joz 15,1 .(8) Joz 17,1 . (9) Joz 23,1 .
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . O.T. (1120) . Pentateuch (329) .
Door wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens , en dan .
In Joz 1,1 was de periode van Mozes (Ex - Dt) afgesloten en begint de periode van Jozua . Joz 1,1 begint met wajëhî (en hij was / en het was) . In Joz 24,29 wordt de dood van Jozua vermeld . Joz 24,29 begint met wajëhî (en hij was / en het was) . Tussen deze twee wajëhî (en hij was / en het was) vindt de periode van Jozua plaats . Dit wordt nog versterkt door het feit dat in Joz slechts in Joz 1,1 en Joz 24,29 de uitdrukking wajëhî ´achäre(j) (en het zal zijn na...) voorkomt .

Joz 24,29.2. ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenach : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) . Joz (18) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,7 . (3) Joz 6,9 . (4) Joz 6,13 . (5) Joz 7,8 . (6) Joz 8,16 . (7) Joz 8,17 . (8) Joz 9,16 . (9) Joz 10,19 . (10) Joz 10,26 . (11) Joz 14,8 . (12) Joz 14,9 . (13) Joz 14,14 . (14) Joz 23,1 . (15) Joz 24,6 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,29 . (18) Joz 24,31 .

Joz 24,29.1. - 2. wajëhî ´achäre(j) (en het was na...) . Tenakh (24) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 25,11 . (3) Gn 48,1 . (4) Nu 25,19 . (5) Joz 1,1 . (6) Joz 24,29 . (7) Re 1,1 . (8) Re 16,4 (9) 1 S 5,9 . (10) 1 S 24,6 . (11) 2 S 1,1 . (12) 2 S 2,1 . (13) 2 S 8,1 . (14) 2 S 10,1 . (15) 2 S 13,1 . (16) 2 S 17,21 . (17) 2 S 21,18 . (18) 1 K 13,23 . (19) 1 K 13,31 . (20) 2 K 6,24 . (21) 1 Kr 18,1 . (22) 1 Kr 19,1 . (23) 1 Kr 20,4 . (24) 2 Kr 25,14 . (25) Ez 17,23 .

Joz 24,29.3. haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. d-bh-r . (1) dâbhar (spreken) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. dâbhar (spreken) . (2) dibbèr (hij sprak) : piel perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . (3) dâbhâr (woord, daad) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Tenakh (132) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (15) . Joz (4) : (1) Joz 22,30 . (2) Joz 23,14 . (3) Joz 24,26 . (4) Joz 24,29 .

Joz 24,29.2. - 3. ´achäre(j) haddëbhârîm (na de woorden) . Tenakh (4) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 48,1 . (3) Joz 24,29 . (4) 2 Kr 32,1 .

Joz 24,29.4. hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. . ´lh . ´ellèh (deze /dit) ; ´âlâh (bezweren , eed , vloek) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Joz (34) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,17 . (2) Joz 24,26 . (3) Joz 24,29 . hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. . ´lh . ´ellèh (deze /dit) ; ´âlâh (bezweren , eed , vloek) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Joz (34) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,17 . (2) Joz 24,26 . (3) Joz 24,29 .

Joz 24,29.3. - 4. haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (81) . Joz (2) : (1) Joz 24,26 . (2) Joz 24,29 .

Joz 24,29.1. - 4. wajëhî ´achäre(j) haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (3) : (1) Gn 22,20 . (2) Gn 48,1 . (3) Joz 24,29 .
- wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Tenakh (5) : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 39,7 . (3) Gn 40,1 . (4) 1 K 17,17 . (5) 1 K 21,1 .

Joz 24,29.5. wajjâmoth / wajjâmâth (en hij stierf) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. . Tenakh (132) . Pentateuch (41) . Eerdere Profeten (58) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (29) . Dt (1) Dt 34,5 . Joz (1) Joz 24,29 . In Dt en Joz komt deze werkwoordvorm wajjâmoth (en hij stierf) alleen hier voor . Opmerdrkelijk is dus het einde van Dt , het begin van Joz , het einde van Joz en het begin van Re .
- wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) . Tenakh (4) : (1) Gn 25,11 (Abraham) . (2) Joz 1,1 (Mozes) . (3) Re 1,1 (Jozua) . (4) 2 S 1,1 (Saul) . Abraham was de eerste Patriarch . Mozes was de wetgever van het volk . Jozua leidde het volk binnen in het land . Saul was de eerste koning .

Joz 24,29.6. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) . Grieks Ièsous (Jozua) . Vulgaat Josue (Jozua) . hôsjî`a (hij redt) . jësjû`a (redding , heil) , zie Jezus . Joz 1 (4) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 1,10 . (3) Joz 1,12 . (4) Joz 1,16 . Joz 24 (12) : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

Joz 24,29.7. ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Joz (35) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,9 . (2) Joz 24,29 . (3) Joz 24,33 .

Joz 24,29.8. nûn (Nun) . Taalgebruik in Tenakh : nûn (Nun) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , waw = 6 . Totaal : 34 (2 X 17) OF 106 (2 X 53) . Tenakh (30) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (0) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (2) . Ex (1) : Ex 33,11 . Nu (11) : (1) Nu 11,28 . (2) Nu 13,8 . (3) Nu 13,16 . (4) Nu 14,6 . (5) Nu 14,30 . (6) Nu 14,38 . (7) Nu 26,65 . (8) Nu 27,18 . (9) Nu 32,12 . (10) Nu 32,28 . (11) Nu 34,17 . Dt (4) : (1) Dt 1,38 . (2) Dt 31,23 . (3) Dt 32,44 . (4) Dt 34,9 . Joz (10) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,1 . (3) Joz 2,23 . (4) Joz 6,6 . (5) Joz 14,1 . (6) Joz 17,4 . (7) Joz 19,49 . (8) Joz 19,51 . (9) Joz 21,1 . (10) Joz 24,29 . Re (1) Re 2,8 . 1 K (1) 1 K 16,34 . Neh (1) Neh 8,17 . 1 Kr (1) : 1 Kr 7,27 .

Joz 24,29.7. - 8. bin nûn (zoon van Nun) . Tenakh (29) . Ex (1) . Nu (11) . Dt (4) . Joz (10) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,1 . (3) Joz 2,23 . (4) Joz 6,6 . (5) Joz 14,1 . (6) Joz 17,4 . (7) Joz 19,49 . (8) Joz 19,51 . (9) Joz 21,1 . (10) Joz 24,29 . Re (1) . 1 K (1) . Neh (1) .

Joz 24,29.6. - 8. jëhôsju`a bin nûn (Jozua, zoon van Nun) . Tenakh (15) . Ex (1) : Ex 33,11 . Nu (3) : Ex 33,11 Joz (10) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,1 . (3) Joz 2,23 . (4) Joz 6,6 . (5) Joz 14,1 . (6) Joz 17,4 . (7) Joz 19,49 . (8) Joz 19,51 . (9) Joz 21,1 . (10) Joz 24,29 . (14) Joz 24,29 . Re (1) Re 2,8 .

Joz 24,29.9. `èbhèd (dienaar, knecht) . Taalgebruik in Tenakh : `èbhèd (dienaar) . Getalwaarde : ayin = 16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 . Totaal : 16 + 2 + 4 of 70 + 2 + 4 = 22 (2 X 11) of 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . `-b-d in Tenakh (115) . Gr. pais (kind) . Taalgebruik in het NT : pais (kind) . Taalgebruik in de Septuaginta : pais (kind) . OF : Taalgebruik in het NT : doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Een vorm van doulos (dienaar) in de Septuaginta (383) , in het NT (124) . Een vorm van pais (kind) in de Septuaginta (470) , in het NT (24) . `bd in Tenakh (115) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (42) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (30) . Joz (16) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 1,13 . (3) Joz 1,15 . (4) Joz 8,31 . (5) Joz 8,33 . (6) Joz 9,23 . (7) Joz 11,12 . (8) Joz 12,6 . (9) Joz 13,8 . (10) Joz 14,7 . (11) Joz 16,10 . (12) Joz 18,7 . (13) Joz 22,2 . (14) Joz 22,4 . (15) Joz 22,5 . (16) Joz 24,29 .

Joz 24,29.10. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

Joz 24,29.9. - 10. `èbhèd JHWH (dienaar van JHWH, knecht van JHWH) . Tenakh (19) . Dt (1) : Dt 34,5 . Joz (14) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 1,13 . (3) Joz 1,15 . (4) Joz 8,31 . (5) Joz 8,33 . (6) Joz 11,12 . (7) Joz 12,6 . (8) Joz 13,8 . (9) Joz 14,7 . (10) Joz 18,7 . (11) Joz 22,2 . (12) Joz 22,4 . (13) Joz 22,5 . (14) Joz 24,29 . Re (1) Re 2,8 . 2 K (1) : 2 K 18,12 . 2 Kr (2) : (1) 2 Kr 1,3 . (2) 2 Kr 24,6 .

Joz 24,29.6. - 10. jëhôsju`a bin nûn `èbhèd JHWH (Jozua, zoon van Nun, dienaar van JHWH) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,29 . (2) Re 2,8 .

Joz 24,29.5. - 14. wajjâmâth jëhôsju`a bin nûn `èbhèd JHWH bèn me´âh wâ`èshèr sjânîm (en Jozua , de zoon van Nun , dienaar van JHWH , stierf , 110 jaar oud) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,29 . (2) Re 2,8 .
- wajjâmâth jôseph bèn me´âh wâ`èshèr sjânîm (en Jozef stierf , 110 jaar oud) . Tenakh (1) : Gn 50,26 . Er is een opmerkelijke overeenkomst tussen Jozef en Jozua omtrent hun sterven en ouderdom . Jozef werd geboren in het beloofde land en vertoefde het grootste deel van zijn leven in Egypte . Jozua maakte de woestijntocht mee , nam bezit van het beloofde land en stierf er . Jozef kwam in Egypte als slaaf en het volk maakte de uittocht uit de slavernij van Egypte (begin en einde van de periode) . Jozef is met Egypte verbonden , Jozua met het geschonken land . Daartussen ligt Mozes , de periode van de woestijntocht .

Joz 24,30 - Joz 24,30 . De dood van Jozua en Eleazar - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,29 - Joz 24,30 - Joz 24,31 - Joz 24,32 - Joz 24,33 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
30kai egeneto met' ekeina kai apethanen ièsous uios nauè doulos kuriou ekaton deka etôn 30 sepelieruntque eum in finibus possessionis suae in Thamnathsare quae sita est in monte Ephraim a septentrionali parte montis Gaas   30 En zij begroeven hem in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-serah, welke is op een berg van Efraïm, aan het noorden van den berg Gaas. [30] Hij werd begraven in zijn eigen gebied, in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs. [30] Hij werd begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 24:30 Ze begraven hem in het gebied dat zijn erfdeel is, in Timnat Serach, in het bergland van Efraïm; ten noorden van de berg Gaäsj. 30. On l'ensevelit dans le domaine qu'il avait reçu en héritage, à Timnat-Sérah, qui est situé dans la montagne d'Éphraïm au nord du mont Gaash.

King James Bible . [30] And they buried him in the border of his inheritance in Timnath-serah, which is in mount Ephraim, on the north side of the hill of Gaash.
Luther-Bibel . 30 Und man begrub ihn in dem Gebiet seines Erbteils in Timnat-Serach, das auf dem Gebirge Ephraim liegt, nördlich vom Berge Gaasch.

Tekstuitleg van Joz 24,30 .

1. וַיִּקְבְּרוּ = wajjiqëbërû (en zij begroeven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (23) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 35,29 . (3) Gn 50,13 . (4) Joz 24,30 . (5) Joz 24,33 . (6) Re 2,9 . (7) Re 16,31 . (8) 1 S 31,13 . (9) 2 S 3,32 . (10) 2 S 4,12 . (11) 2 S 21,14 . (12) 1 K 14,18 . (13) 1 K 15,8 . (14) 1 K 22,37 . (15) 2 K 9,28 . (16) 2 K 10,35 . (17) 2 K 12,22 . (18) 2 K 15,7 . (19) 1 Kr 10,12 . (20) 2 Kr 13,23 . (21) 2 Kr 25,28 . (22) 2 Kr 26,23 . (23) 2 Kr 27,9 .

2. accusatief + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ´othô (hem) . ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (533) . Pentateuch (270) . Eerdere Profeten (163) . Latere Profeten (61) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (31) . Joz (17) : (1) Joz 3,3 . (2) Joz 4,14 . (3) Joz 7,15 . (4) Joz 7,25 . (5) Joz 8,11 . (6) Joz 8,23 . (7) Joz 9,12 . (8) Joz 10,24 . (9) Joz 13,21 . (10) Joz 14,7 . (11) Joz 18,20 . (12) Joz 19,14 . (13) Joz 20,4 . (14) Joz 22,30 . (15) Joz 24,14 . (16) Joz 24,30 . (17) Joz 24,33 .

Joz 24,31 - Joz 24,31 . De dood van Jozua en Eleazar - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,29 - Joz 24,30 - Joz 24,31 - Joz 24,32 - Joz 24,33 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
31ekei ethèkan met' autou eis to mnèma eis o ethapsan auton ekei tas machairas tas petrinas en ais perietemen tous uious israèl en galgalois ote exègagen autous ex aiguptou katha sunetaxen autois kurios kai ekei eisin eôs tès sèmeron èmeras 31 servivitque Israhel Domino cunctis diebus Iosue et seniorum qui longo vixerunt tempore post Iosue et qui noverant omnia opera Domini quae fecerat in Israhel   31 Israël nu diende den HEERE al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk des HEEREN wisten, hetwelk Hij aan Israël gedaan had. [31] Israël bleef de heer vereren zolang Jozua leefde en zolang er na zijn dood nog oudsten waren die getuigen waren geweest van alles wat de heer voor Israël gedaan had. [31] Zolang Jozua leefde diende het volk de HEER. Ook na zijn dood bleven ze de HEER dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua's leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. 24:31 Israël dient de Ene alle dagen van Jozua,- en alle dagen van de oudsten wier dagen zich tot ná Jozua hebben verlengd en die hebben geweten van alle doen van de Ene dat hij aan Israël heeft gedaan. 31. Israël servit Yahvé pendant toute la vie de Josué et toute la vie des anciens qui survécurent à Josué et qui avaient connu toute l'œuvre que Yahvé avait accomplie en faveur d'Israël.

King James Bible . [31] And Israel served the LORD all the days of Joshua, and all the days of the elders that overlived Joshua, and which had known all the works of the LORD, that he had done for Israel.
Luther-Bibel . 31 Und Israel diente dem HERRN, solange Josua lebte und die Ältesten, die noch lange Zeit nach Josua lebten und alle Werke des HERRN kannten, die er an Israel getan hatte.

Tekstuitleg van Joz 24,31 .

4. JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .

7. jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .

14. ´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Getalwaarde : aleph = 1 , chet = 8 , resj = 20 of 200 , jod = 10 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 219 (3 X 73) . Structuur : 1 - 8 - 2 - 1 . Tenakh (294) . Pentateuch (80) . Eerdere Profeten (134) . Latere Profeten (37) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (38) . Joz (18) : (1) Joz 1,1 . (2) Joz 2,7 . (3) Joz 6,9 . (4) Joz 6,13 . (5) Joz 7,8 . (6) Joz 8,16 . (7) Joz 8,17 . (8) Joz 9,16 . (9) Joz 10,19 . (10) Joz 10,26 . (11) Joz 14,8 . (12) Joz 14,9 . (13) Joz 14,14 . (14) Joz 23,1 . (15) Joz 24,6 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,29 . (18) Joz 24,31 .

14. - 15. ´achäre(j) jëhôsju`a (na Jozua) . Tenakh (2) : (1) Joz 8,16 . (2) Joz 24,31 .

Joz 24,32 - Joz 24,32 . De dood van Jozua en Eleazar - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,29 - Joz 24,30 - Joz 24,31 - Joz 24,32 - Joz 24,33 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
32kai ta osta iôsèf anègagon oi uioi israèl ex aiguptou kai katôruxan en sikimois en tè meridi tou agrou ou ektèsato iakôb para tôn amorraiôn tôn katoikountôn en sikimois amnadôn ekaton kai edôken autèn iôsèf en meridi 32 ossa quoque Ioseph quae tulerant filii Israhel de Aegypto sepelierunt in Sychem in parte agri quem emerat Iacob a filiis Emmor patris Sychem centum novellis ovibus et fuit in possessione filiorum Ioseph   32 Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden. [32] Het gebeente van Jozef, dat de Israëlieten uit Egypte hadden meegenomen, werd begraven in Sichem, op het stuk grond dat Jakob voor honderd sikkel goud van de zonen van Hemor had gekocht en dat eigendom was van de zonen van Jozef. [32] De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd qesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit.* 24:32 De beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls mee hebben laten opklimmen uit Egypte, hebben ze begraven bij Sjechem, in het deel van het veld dat Jakob heeft verworven bij de zonen van Chamor, de vader van Sjechem, voor honderd kesita; ze worden* tot erfgoed van de zonen van Jozef. 32. Quant aux ossements de Joseph que les Israélites avaient apportés d'Égypte, on les ensevelit à Sichem, dans la parcelle de champ que Jacob avait achetée aux fils de Hamor, père de Sichem, pour cent pièces d'argent, et qui était devenue héritage des fils de Joseph.

King James Bible . [32] And the bones of Joseph, which the children of Israel brought up out of Egypt, buried they in Shechem, in a parcel of ground which Jacob bought of the sons of Hamor the father of Shechem for an hundred pieces of silver: and it became the inheritance of the children of Joseph.
Luther-Bibel . 32 Die Gebeine Josefs, die die Israeliten aus Ägypten gebracht hatten, begruben sie zu Sichem auf dem Stück Feld, das Jakob von den Söhnen Hamors, des Vaters von Sichem, für hundert Goldstücke gekauft hatte und das das Erbteil der Söhne Josef ward.

Tekstuitleg van Joz 24,32 .

9. q-b-r-w : Tenakh (11) : (1) Gn 23,6 . (2) Gn 49,29 . (3) Gn 49,31 . (4) Gn 50,14 . (5) Nu 11,34 . (6) . Joz 24,32 . (7) 2 S 2,4 . (8) 1 K 13,31 . (9) Js 22,16 . (10) Js 53,9 . (11) Ez 39,15 . Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 .
-- (1) act. ind. perf. 3de pers. mv. קָבְרוּ = qâbhërû (zij begroeven) : Tenakh (5) : (1) Gn 49,31 (2X) . (2) Nu 11,34 . (3) . Joz 24,32 . (4) 2 S 2,4 . (5) Ez 39,15 .
-- (2) act. imperat. perf. 2de pers. mv. קִבְרוּ = qibhërû (begraaft) . Tenakh (1) : Gn 49,29 .
-- (3) zelfst. naamw. קֻבֻר = qèbhèr + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. קִבְרוֹ = qibhërô (zijn graf) . Tenakh (3) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 22,16 . (3) Js 53,9 .
-- (4) act. inf. constructus + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. קָבְרוֹ = qâbhërô (zijn begraven) . Tenakh (1) Gn 50,14 . (2) 1 K 13,31 .

b
Joz 24,33 - Joz 24,33 . De dood van Jozua en Eleazar - Joz 24 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joz (Jozua) -- Joz 24,29-33 -- Joz 24,29 - Joz 24,30 - Joz 24,31 - Joz 24,32 - Joz 24,33 -
Griekse tekst Vulgaat   Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
33oi de uioi israèl apèlthosan ekastos eis ton topon autôn kai eis tèn eautôn polin kai esebonto oi uioi israèl tèn astartèn kai astarôth kai tous theous tôn ethnôn tôn kuklô autôn kai paredôken autous kurios eis cheiras eglôm tô basilei môab kai ekurieusen autôn etè deka oktô . 33 Eleazar quoque filius Aaron mortuus est et sepelierunt eum in Gaab Finees filii eius quae data est ei in monte Ephraim   33 Ook stierf Eleazar, de zoon van Aäron; en zij begroeven hem op den heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraïm. [33] Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf en werd begraven op de heuvel die zijn zoon Pinechas in het bergland van Efraïm had gekregen. [33] Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven in het bergland van Efraïm op de heuvel die zijn zoon Pinechas was toegewezen. 24:33 Als Aärons zoon Elazar is gestorven,- begraven ze hem in de heuvel van zijn zoon Pinchas, die hem was gegeven in het bergland van Efraïm. 33. Puis Éléazar, le fils d'Aaron, mourut et on l'ensevelit à Gibéa, ville de son fils Pinhas, qui lui avait été donnée dans la montagne d'Éphraïm.

King James Bible . [33] And Eleazar the son of Aaron died; and they buried him in a hill that pertained to Phinehas his son, which was given him in mount Ephraim.
Luther-Bibel . 33 Auch Eleasar, der Sohn Aarons, starb und sie begruben ihn in Gibea, der Stadt seines Sohnes Pinhas, die ihm gegeben war auf dem Gebirge Ephraim.

Tekstuitleg van Joz 24,33 .

2. ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Joz (35) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,9 . (2) Joz 24,29 . (3) Joz 24,33 .

5. וַיִּקְבְּרוּ = wajjiqëbërû (en zij begroeven) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (23) : (1) Gn 25,9 . (2) Gn 35,29 . (3) Gn 50,13 . (4) Joz 24,30 . (5) Joz 24,33 . (6) Re 2,9 . (7) Re 16,31 . (8) 1 S 31,13 . (9) 2 S 3,32 . (10) 2 S 4,12 . (11) 2 S 21,14 . (12) 1 K 14,18 . (13) 1 K 15,8 . (14) 1 K 22,37 . (15) 2 K 9,28 . (16) 2 K 10,35 . (17) 2 K 12,22 . (18) 2 K 15,7 . (19) 1 Kr 10,12 . (20) 2 Kr 13,23 . (21) 2 Kr 25,28 . (22) 2 Kr 26,23 . (23) 2 Kr 27,9 .

6. accusatief + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ´othô (hem) . ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (533) . Pentateuch (270) . Eerdere Profeten (163) . Latere Profeten (61) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (31) . Joz (17) : (1) Joz 3,3 . (2) Joz 4,14 . (3) Joz 7,15 . (4) Joz 7,25 . (5) Joz 8,11 . (6) Joz 8,23 . (7) Joz 9,12 . (8) Joz 10,24 . (9) Joz 13,21 . (10) Joz 14,7 . (11) Joz 18,20 . (12) Joz 19,14 . (13) Joz 20,4 . (14) Joz 22,30 . (15) Joz 24,14 . (16) Joz 24,30 . (17) Joz 24,33 .


- Griekse tekst - Septuaginta

1kai sunègagen ièsous pasas fulas israèl eis sèlô kai sunekalesen tous presbuterous autôn kai tous grammateis autôn kai tous dikastas autôn kai estèsen autous apenanti tou theou2kai eipen ièsous pros panta ton laon tade legei kurios o theos israèl peran tou potamou katôkèsan oi pateres umôn to ap' archès thara o patèr abraam kai o patèr nachôr kai elatreusan theois eterois3kai elabon ton patera umôn ton abraam ek tou peran tou potamou kai ôdègèsa auton en pasè tè gè kai eplèthuna autou sperma kai edôka autô ton isaak4kai tô isaak ton iakôb kai ton èsau kai edôka tô èsau to oros to sèir klèronomèsai autô kai iakôb kai oi uioi autou katebèsan eis aigupton kai egenonto ekei eis ethnos mega kai polu kai krataion5kai ekakôsan autous oi aiguptioi kai epataxen kurios tèn aigupton en ois epoièsen autois kai meta tauta exègagen umas6ex aiguptou kai eisèlthate eis tèn thalassan tèn eruthran kai katediôxan oi aiguptioi opisô tôn paterôn umôn en armasin kai en ippois eis tèn thalassan tèn eruthran7kai aneboèsamen pros kurion kai edôken nefelèn kai gnofon ana meson èmôn kai ana meson tôn aiguptiôn kai epègagen ep' autous tèn thalassan kai ekalupsen autous kai eidosan oi ofthalmoi umôn osa epoièsen kurios en gè aiguptô kai ète en tè erèmô èmeras pleious8kai ègagen umas eis gèn amorraiôn tôn katoikountôn peran tou iordanou kai paretaxanto umin kai paredôken autous kurios eis tas cheiras umôn kai kateklèronomèsate tèn gèn autôn kai exôlethreusate autous apo prosôpou umôn9kai anestè balak o tou sepfôr basileus môab kai paretaxato tô israèl kai aposteilas ekalesen ton balaam arasasthai umin10kai ouk èthelèsen kurios o theos sou apolesai se kai eulogian eulogèsen umas kai exeilato umas ek cheirôn autôn kai paredôken autous11kai diebète ton iordanèn kai paregenèthète eis ierichô kai epolemèsan pros umas oi katoikountes ierichô o amorraios kai o chananaios kai o ferezaios kai o euaios kai o iebousaios kai o chettaios kai o gergesaios kai paredôken autous kurios eis tas cheiras umôn12kai exapesteilen proteran umôn tèn sfèkian kai exebalen autous apo prosôpou umôn dôdeka basileis tôn amorraiôn ouk en tè romfaia sou oude en tô toxô sou13kai edôken umin gèn ef' èn ouk ekopiasate ep' autès kai poleis as ouk ôkodomèsate kai katôkisthète en autais kai ampelônas kai elaiônas ous ouk efuteusate umeis edesthe14kai nun fobèthète kurion kai latreusate autô en euthutèti kai en dikaiosunè kai perielesthe tous theous tous allotrious ois elatreusan oi pateres umôn en tô peran tou potamou kai en aiguptô kai latreuete kuriô15ei de mè areskei umin latreuein kuriô elesthe umin eautois sèmeron tini latreusète eite tois theois tôn paterôn umôn tois en tô peran tou potamou eite tois theois tôn amorraiôn en ois umeis katoikeite epi tès gès autôn egô de kai è oikia mou latreusomen kuriô oti agios estin16kai apokritheis o laos eipen mè genoito èmin katalipein kurion ôste latreuein theois eterois17kurios o theos èmôn autos theos estin autos anègagen èmas kai tous pateras èmôn ex aiguptou kai diefulaxen èmas en pasè tè odô è eporeuthèmen en autè kai en pasin tois ethnesin ous parèlthomen di' autôn18kai exebalen kurios ton amorraion kai panta ta ethnè ta katoikounta tèn gèn apo prosôpou èmôn alla kai èmeis latreusomen kuriô outos gar theos èmôn estin19kai eipen ièsous pros ton laon ou mè dunèsthe latreuein kuriô oti theos agios estin kai zèlôsas outos ouk anèsei umôn ta amartèmata kai ta anomèmata umôn20ènika ean egkatalipète kurion kai latreusète theois eterois kai epelthôn kakôsei umas kai exanalôsei umas anth' ôn eu epoièsen umas21kai eipen o laos pros ièsoun ouchi alla kuriô latreusomen22kai eipen ièsous pros ton laon martures umeis kath' umôn oti umeis exelexasthe kurion latreuein autô23kai nun perielesthe tous theous tous allotrious tous en umin kai euthunate tèn kardian umôn pros kurion theon israèl24kai eipen o laos pros ièsoun kuriô latreusomen kai tès fônès autou akousometha25kai dietheto ièsous diathèkèn pros ton laon en tè èmera ekeinè kai edôken autô nomon kai krisin en sèlô enôpion tès skènès tou theou israèl26kai egrapsen ta rèmata tauta eis biblion nomon tou theou kai elaben lithon megan kai estèsen auton ièsous upo tèn tereminthon apenanti kuriou27kai eipen ièsous pros ton laon idou o lithos outos estai en umin eis marturion oti autos akèkoen panta ta lechthenta autô upo kuriou o ti elalèsen pros èmas sèmeron kai estai outos en umin eis marturion ep' eschatôn tôn èmerôn ènika ean pseusèsthe kuriô tô theô mou28kai apesteilen ièsous ton laon kai eporeuthèsan ekastos eis ton topon autou29kai elatreusen israèl tô kuriô pasas tas èmeras ièsou kai pasas tas èmeras tôn presbuterôn osoi efeilkusan ton chronon meta ièsou kai osoi eidosan panta ta erga kuriou osa epoièsen tô israèl30kai egeneto met' ekeina kai apethanen ièsous uios nauè doulos kuriou ekaton deka etôn31kai ethapsan auton pros tois oriois tou klèrou autou en thamnathasachara en tô orei tô efraim apo borra tou orous gaas31ekei ethèkan met' autou eis to mnèma eis o ethapsan auton ekei tas machairas tas petrinas en ais perietemen tous uious israèl en galgalois ote exègagen autous ex aiguptou katha sunetaxen autois kurios kai ekei eisin eôs tès sèmeron èmeras32kai ta osta iôsèf anègagon oi uioi israèl ex aiguptou kai katôruxan en sikimois en tè meridi tou agrou ou ektèsato iakôb para tôn amorraiôn tôn katoikountôn en sikimois amnadôn ekaton kai edôken autèn iôsèf en meridi33kai egeneto meta tauta kai eleazar uios aarôn o archiereus eteleutèsen kai etafè en gabaath finees tou uiou autou èn edôken autô en tô orei tô efraim33en ekeinè tè èmera labontes oi uioi israèl tèn kibôton tou theou perieferosan en eautois kai finees ierateusen anti eleazar tou patros autou eôs apethanen kai katôrugè en gabaath tè eautou33oi de uioi israèl apèlthosan ekastos eis ton topon autôn kai eis tèn eautôn polin kai esebonto oi uioi israèl tèn astartèn kai astarôth kai tous theous tôn ethnôn tôn kuklô autôn kai paredôken autous kurios eis cheiras eglôm tô basilei môab kai ekurieusen autôn etè deka oktô .

ΚΑΙ συνήγαγεν ᾿Ιησοῦς πάσας φυλὰς ᾿Ισραὴλ εἰς Σηλὼ καὶ συνεκάλεσε τοὺς πρεσβυτέρους αὐτῶν καὶ τοὺς γραμματεῖς αὐτῶν καὶ τοὺς δικαστὰς αὐτῶν καὶ ἔστησεν αὐτοὺς ἀπέναντι τοῦ Θεοῦ. 2 καὶ εἶπεν ᾿Ιησοῦς πρὸς πάντα τὸν λαόν· τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς ᾿Ισραήλ· πέραν τοῦ ποταμοῦ παρῴκησαν οἱ πατέρες ὑμῶν τὸ ἀπ' ἀρχῆς, Θάρα ὁ πατὴρ ῾Αβραὰμ καὶ ὁ πατὴρ Ναχώρ, καὶ ἐλάτρευσαν θεοῖς ἑτέροις. 3 καὶ ἔλαβον τὸν πατέρα ὑμῶν τὸν ῾Αβραὰμ ἐκ τοῦ πέραν τοῦ ποταμοῦ καὶ ὡδήγησα αὐτὸν ἐν πάσῃ τῇ γῇ καὶ ἐπλήθυνα αὐτοῦ σπέρμα 4 καὶ ἔδωκα αὐτῷ τὸν ᾿Ισαάκ, καὶ τῷ ᾿Ισαὰκ τὸν ᾿Ιακὼβ καὶ τὸν ῾Ησαῦ· καὶ ἔδωκα τῷ ῾Ησαῦ τὸ ὄρος τὸ Σηεὶρ κληρονομῆσαι αὐτῷ, καὶ ᾿Ιακὼβ καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ κατέβησαν εἰς Αἴγυπτον καὶ ἐγένοντο ἐκεῖ εἰς ἔθνος μέγα καὶ πολὺ καὶ κραταιόν. καὶ ἐκάκωσαν αὐτοὺς οἱ Αἰγύπτιοι, 5 καὶ ἐπάταξε Κύριος τὴν Αἴγυπτον ἐν σημείοις, οἷς ἐποίησεν ἐν αὐτοῖς. 6 καὶ μετὰ ταῦτα ἐξήγαγε τοὺς πατέρας ἡμῶν ἐξ Αἰγύπτου, καὶ εἰσήλθατε εἰς τὴν θάλασσαν τὴν ἐρυθράν. καὶ κατεδίωξαν οἱ Αἰγύπτιοι ὀπίσω τῶν πατέρων ἡμῶν ἐν ἅρμασι καὶ ἐν ἵπποις εἰς τὴν θάλασσαν τὴν ἐρυθράν, 7 καὶ ἀνεβοήσαμεν πρὸς Κύριον, καὶ ἔδωκε νεφέλην καὶ γνόφον ἀναμέσον ἡμῶν καὶ ἀναμέσον τῶν Αἰγυπτίων καὶ ἐπήγαγεν ἐπ' αὐτοὺς τὴν θάλασσαν, καὶ ἐκάλυψεν αὐτούς, καὶ εἴδοσαν οἱ ὀφθαλμοὶ ὑμῶν ὅσα ἐποίησε Κύριος ἐν γῇ Αἰγύπτῳ, καὶ ἦτε ἐν τῇ ἐρήμῳ ἡμέρας πλείους. 8 καὶ ἤγαγεν ἡμᾶς εἰς γῆν ᾿Αμορραίων τῶν κατοικούντων πέραν τοῦ ᾿Ιορδάνου, καὶ παρετάξαντο ὑμῖν καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς Κύριος εἰς τὰς χεῖρας ὑμῶν, καὶ κατεκληρονομήσατε τὴν γῆν αὐτῶν καὶ ἐξωλοθρεύσατε αὐτοὺς ἀπὸ προσώπου ὑμῶν. 9 καὶ ἀνέστη Βαλὰκ ὁ τοῦ Σεπφὼρ βασιλεὺς Μωὰβ καὶ παρετάξατο τῷ ᾿Ισραὴλ καὶ ἀποστείλας ἐκάλεσε τὸν Βαλαὰμ ἀράσασθαι ἡμῖν· 10 καὶ οὐκ ἠθέλησε Κύριος ὁ Θεός σου ἀπολέσαι σε, καὶ εὐλογίαις εὐλόγησεν ὑμᾶς, καὶ ἐξείλατο ὑμᾶς ἐκ χειρῶν αὐτῶν, καὶ παρέδωκεν αὐτούς. 11 καὶ διέβητε τὸν ᾿Ιορδάνην καὶ παρεγενήθητε εἰς ῾Ιεριχώ· καὶ ἐπολέμησαν πρὸς ἡμᾶς οἱ κατοικοῦντες ῾Ιεριχώ, ὁ ᾿Αμορραῖος καὶ ὁ Χαναναῖος καὶ ὁ Φερεζαῖος καὶ ὁ Εὐαῖος καὶ ὁ ᾿Ιεβουσαῖος καὶ ὁ Χετταῖος καὶ ὁ Γεργεσαῖος, καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς Κύριος εἰς τὰς χεῖρας ὑμῶν. 12 καὶ ἐξαπέστειλε προτέραν ὑμῶν τὴν σφηκιάν, καὶ ἐξαπέστειλεν αὐτοὺς ἀπὸ προσώπου ὑμῶν, δώδεκα βασιλεῖς τῶν ᾿Αμορραίων, οὐκ ἐν τῇ ρομφαίᾳ σου οὐδὲ ἐν τῷ τόξῳ σου. 13 καὶ ἔδωκεν ὑμῖν γῆν, ἐφ' ἣν οὐκ ἐκοπιάσατε ἐπ᾿ αὐτῆς, καὶ πόλεις, ἃς οὐκ ᾠκοδομήκατε, καὶ κατῳκίσθητε ἐν αὐταῖς· καὶ ἀμπελῶνας καὶ ἐλαιῶνας, οὓς οὐκ ἐφυτεύσατε ὑμεῖς, ἔδεσθε. 14 καὶ νῦν φοβήθητε Κύριον, καὶ λατρεύσατε αὐτῷ ἐν εὐθύτητι καὶ ἐν δικαιοσύνῃ καὶ περιέλεσθε τοὺς θεοὺς τοὺς ἀλλοτρίους, οἷς ἐλάτρευσαν οἱ πατέρες ἡμῶν ἐν τῷ πέραν τοῦ ποταμοῦ καὶ ἐν Αἰγύπτῳ, καὶ λατρεύσατε Κυρίῳ. 15 εἰ δὲ μὴ ἀρέσκει ὑμῖν λατρεύειν Κυρίῳ, ἐκλέξασθε ὑμῖν αὐτοῖς σήμερον, τίνι λατρεύσητε, εἴτε τοῖς θεοῖς τῶν πατέρων ὑμῶν, τοῖς ἐν τῷ πέραν τοῦ ποταμοῦ, εἴτε τοῖς θεοῖς τῶν ᾿Αμορραίων, ἐν οἷς ὑμεῖς κατοικεῖτε ἐπὶ τῆς γῆς αὐτῶν· ἐγὼ δὲ καὶ ἡ οἰκία μου λατρεύσομεν Κυρίῳ, ὅτι ἅγιός ἐστι. 16 Καὶ ἀποκριθεὶς ὁ λαὸς εἶπε· μὴ γένοιτο ἡμῖν καταλιπεῖν Κύριον, ὥστε λατρεύειν θεοῖς ἑτέροις. 17 Κύριος ὁ Θεός ἡμῶν, αὐτὸς Θεός ἐστιν· αὐτὸς ἀνήγαγεν ἡμᾶς καὶ τοὺς πατέρας ἡμῶν ἐξ Αἰγύπτου καὶ διεφύλαξεν ἡμᾶς ἐν πάσῃ τῇ ὁδῷ, ᾗ ἐπορεύθημεν ἐν αὐτῇ, καί ἐν πᾶσι τοῖς ἔθνεσιν, οὓς παρήλθομεν δι' αὐτῶν. 18 καὶ ἐξέβαλε Κύριος τὸν ᾿Αμορραῖον καὶ πάντα τὰ ἔθνη τὰ κατοικοῦντα τὴν γῆν ἀπὸ προσώπου ἡμῶν. ἀλλὰ καὶ ἡμεῖς λατρεύσομεν Κυρίῳ· οὗτος γὰρ Θεὸς ἡμῶν ἐστι. 19 καὶ εἶπεν ᾿Ιησοῦς πρὸς τὸν λαόν· οὐ μὴ δύνησθε λατρεύειν Κυρίῳ, ὅτι ὁ Θεὸς ἅγιός ἐστι, καὶ ζηλώσας οὗτος οὐκ ἀνήσει τὰ ἁμαρτήματα ὑμῶν καὶ τὰ ἀνομήματα ὑμῶν· 20 ἡνίκα ἂν ἐγκαταλίπητε Κύριον καὶ λατρεύσητε θεοῖς ἑτέροις, καὶ ἐπελθὼν κακώσει ὑμᾶς καὶ ἐξαναλώσει ὑμᾶς ἀνθ' ὧν εὖ ἐποίησεν ὑμᾶς. 21 καὶ εἶπεν ὁ λαὸς πρὸς ᾿Ιησοῦν· οὐχί, ἀλλὰ Κυρίῳ λατρεύσομεν. 22 καὶ εἶπεν ᾿Ιησοῦς πρὸς τὸν λαόν· μάρτυρες ὑμεῖς καθ' ὑμῶν, ὅτι ὑμεῖς ἐξελέξασθε Κυρίῳ λατρεύειν αὐτῷ. 23 καὶ νῦν περιέλεσθε τοὺς θεοὺς τοὺς ἀλλοτρίους τοὺς ἐν ὑμῖν καὶ εὐθύνατε τὴν καρδίαν ὑμῶν πρὸς Κύριον Θεὸν ᾿Ισραήλ. 24 καὶ εἶπεν ὁ λαὸς πρὸς ᾿Ιησοῦν· Κυρίῳ λατρεύσομεν καὶ τῆς φωνῆς αὐτοῦ ἀκουσόμεθα. 25 καὶ διέθετο ᾿Ιησοῦς διαθήκην πρὸς τὸν λαὸν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ καὶ ἔδωκεν αὐτῷ νόμον καὶ κρίσιν ἐν Σηλὼ ἐνώπιον τῆς σκηνῆς τοῦ Θεοῦ ᾿Ισραήλ. 26 καὶ ἔγραψε τὰ ρήματα ταῦτα εἰς βιβλίον νόμων τοῦ Θεοῦ· καὶ ἔλαβε λίθον μέγαν καὶ ἔστησεν αὐτὸν ᾿Ιησοῦς ὑπὸ τὴν τερέμινθον ἀπέναντι Κυρίου. 27 καὶ εἶπεν ᾿Ιησοῦς πρὸς τὸν λαόν· ἰδοὺ ὁ λίθος οὗτος ἔσται ἐν ὑμῖν εἰς μαρτύριον, ὅτι αὐτὸς ἀκήκοε πάντα τὰ λεχθέντα αὐτῷ ὑπὸ Κυρίου, ὅ,τι ἐλάλησε πρὸς ὑμᾶς σήμερον· καὶ οὗτος ἔσται ἐν ὑμῖν εἰς μαρτύριον ἐπ' ἐσχάτων τῶν ἡμερῶν, ἡνίκα ἂν ψεύσησθε Κυρίῳ τῷ Θεῷ μου. 28 καὶ ἀπέστειλεν ᾿Ιησοῦς τὸν λαόν, καὶ ἐπορεύθησαν ἕκαστος εἰς τὸν τόπον αὐτοῦ. 29 καὶ ἐλάτρευσεν ᾿Ισραὴλ τῷ Κυρίῳ πάσας τὰς ἡμέρας ᾿Ιησοῦ καὶ πάσας τὰς ἡμέρας τῶν πρεσβυτέρων, ὅσοι ἐφείλκυσαν τὸν χρόνον μετὰ ᾿Ιησοῦ καὶ ὅσοι εἴδοσαν πάντα τὰ ἔργα Κυρίου, ὅσα ἐποίησε τῷ ᾿Ισραήλ. 30 Καὶ ἐγένετο μετ' ἐκεῖνα καὶ ἀπέθανεν ᾿Ιησοῦς υἱὸς Ναυὴ δοῦλος Κυρίου ἑκατὸν δέκα ἐτῶν. 31 καὶ ἔθαψαν αὐτὸν πρὸς τοῖς ὁρίοις τοῦ κλήρου αὐτοῦ ἐν Θαμνασασὰχ ἐν τῷ ὄρει τῷ ᾿Εφραὶμ ἀπὸ βορρᾶ τοῦ ὄρους Γαάς· ἐκεῖ ἔθηκαν μετ' αὐτοῦ εἰς τό μνῆμα, εἰς ὃ ἔθαψαν αὐτὸν ἐκεῖ, τὰς μαχαίρας τὰς πετρίνας, ἐν αἷς περιέτεμε τοὺς υἱοὺς ᾿Ισραὴλ ἐν Γαλγάλοις, ὅτε ἐξήγαγεν αὐτοὺς ἐξ Αἰγύπτου, καθὰ συνέταξεν αὐτοῖς Κύριος, καὶ ἐκεῖ εἰσιν ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας. 32 καὶ τὰ ὀστᾶ ᾿Ιωσὴφ ἀνήγαγον οἱ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ ἐξ Αἰγύπτου καὶ κατώρυξαν ἐν Σικίμοις, ἐν τῇ μερίδι τοῦ ἀγροῦ, οὗ ἐκτήσατο ᾿Ιακὼβ παρὰ τῶν ᾿Αμορραίων τῶν κατοικούντων ἐν Σικίμοις ἀμνάδων ἑκατὸν καὶ ἔδωκεν αὐτὴν ᾿Ιωσὴφ ἐν μερίδι. 33 καὶ ἐγένετο μετὰ ταῦτα καὶ ᾿Ελεάζαρ υἱὸς ᾿Ααρὼν ὁ ἀρχιερεὺς ἐτελεύτησε καὶ ἐτάφη ἐν Γαβαὰρ Φινεὲς τοῦ υἱοῦ αὐτοῦ, ἣν ἔδωκεν αὐτῷ ἐν τῷ ὄρει ᾿Εφραίμ. ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ λαβόντες οἱ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ τὴν κιβωτὸν τοῦ Θεοῦ περιεφέροσαν ἐν ἑαυτοῖς, καὶ Φινεὲς ἱεράτευσεν ἀντὶ ᾿Ελεάζαρ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, ἕως ἀπέθανε καὶ κατωρύγη ἐν Γαβαὰρ τῇ ἑαυτοῦ. οἱ δὲ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ ἀπήλθοσαν ἕκαστος εἰς τὸν τόπον αὐτῶν καὶ εἰς τὴν ἑαυτῶν πόλιν. καὶ ἐσέβοντο οἱ υἱοὶ ᾿Ισραὴλ τὴν ᾿Αστάρτην καὶ ᾿Ασταρὼθ καὶ τοὺς θεοὺς τῶν ἐθνῶν τῶν κύκλῳ αὐτῶν· καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς Κύριος εἰς χεῖρας ᾿Εγλὼμ τῷ βασιλεῖ Μωάβ, καὶ ἐκυρίευσεν αὐτῶν ἔτη δεκαοκτώ.


- Vulgata

1 congregavitque Iosue omnes tribus Israhel in Sychem et vocavit maiores natu ac principes et iudices et magistros steteruntque in conspectu Domini 2 et ad populum sic locutus est haec dicit Dominus Deus Israhel trans fluvium habitaverunt patres vestri ab initio Thare pater Abraham et Nahor servieruntque diis alienis 3 tuli ergo patrem vestrum Abraham de Mesopotamiae finibus et adduxi eum in terram Chanaan multiplicavique semen eius 4 et dedi ei Isaac illique rursum dedi Iacob et Esau e quibus Esau dedi montem Seir ad possidendum Iacob vero et filii eius descenderunt in Aegyptum 5 misique Mosen et Aaron et percussi Aegyptum multis signis atque portentis 6 eduxique vos et patres vestros de Aegypto et venistis ad mare persecutique sunt Aegyptii patres vestros cum curribus et equitatu usque ad mare Rubrum 7 clamaverunt autem ad Dominum filii Israhel qui posuit tenebras inter vos et Aegyptios et adduxit super eos mare et operuit illos viderunt oculi vestri cuncta quae in Aegypto fecerim et habitastis in solitudine multo tempore 8 et introduxi vos ad terram Amorrei qui habitabat trans Iordanem cumque pugnarent contra vos tradidi eos in manus vestras et possedistis terram eorum atque interfecistis illos 9 surrexit autem Balac filius Sepphor rex Moab et pugnavit contra Israhelem misitque et vocavit Balaam filium Beor ut malediceret vobis 10 et ego nolui audire eum sed e contrario per illum benedixi vobis et liberavi vos de manu eius 11 transistisque Iordanem et venistis ad Hiericho pugnaveruntque contra vos viri civitatis eius Amorreus et Ferezeus et Chananeus et Hettheus et Gergeseus et Eveus et Iebuseus et tradidi illos in manus vestras 12 misique ante vos crabrones et eieci eos de locis suis duos reges Amorreorum non in gladio et arcu tuo 13 dedique vobis terram in qua non laborastis et urbes quas non aedificastis ut habitaretis in eis vineas et oliveta quae non plantastis 14 nunc ergo timete Dominum et servite ei perfecto corde atque verissimo et auferte deos quibus servierunt patres vestri in Mesopotamia et in Aegypto ac servite Domino 15 sin autem malum vobis videtur ut Domino serviatis optio vobis datur eligite hodie quod placet cui potissimum servire debeatis utrum diis quibus servierunt patres vestri in Mesopotamia an diis Amorreorum in quorum terra habitatis ego autem et domus mea serviemus Domino 16 responditque populus et ait absit a nobis ut relinquamus Dominum et serviamus diis alienis 17 Dominus Deus noster ipse eduxit nos et patres nostros de terra Aegypti de domo servitutis fecitque videntibus nobis signa ingentia et custodivit nos in omni via per quam ambulavimus et in cunctis populis per quos transivimus 18 et eiecit universas gentes Amorreum habitatorem terrae quam nos intravimus serviemus igitur Domino quia ipse est Deus noster 19 dixitque Iosue ad populum non poteritis servire Domino Deus enim sanctus et fortis aemulator est nec ignoscet sceleribus vestris atque peccatis 20 si dimiseritis Dominum et servieritis diis alienis convertet se et adfliget vos atque subvertet postquam vobis praestiterit bona 21 dixitque populus ad Iosue nequaquam ita ut loqueris erit sed Domino serviemus 22 et Iosue ad populum testes inquit vos estis quia ipsi elegeritis vobis Dominum ut serviatis ei responderuntque testes 23 nunc ergo ait auferte deos alienos de medio vestrum et inclinate corda vestra ad Dominum Deum Israhel 24 dixitque populus ad Iosue Domino Deo nostro serviemus oboedientes praeceptis eius 25 percussit igitur Iosue in die illo foedus et proposuit populo praecepta atque iudicia in Sychem 26 scripsitque omnia verba haec in volumine legis Dei et tulit lapidem pergrandem posuitque eum subter quercum quae erat in sanctuario Domini 27 et dixit ad omnem populum en lapis iste erit vobis in testimonium quod audierit omnia verba Domini quae locutus est vobis ne forte postea negare velitis et mentiri Domino Deo vestro 28 dimisitque populum singulos in possessionem suam 29 et post haec mortuus est Iosue filius Nun servus Domini centum decem annorum 30 sepelieruntque eum in finibus possessionis suae in Thamnathsare quae sita est in monte Ephraim a septentrionali parte montis Gaas 31 servivitque Israhel Domino cunctis diebus Iosue et seniorum qui longo vixerunt tempore post Iosue et qui noverant omnia opera Domini quae fecerat in Israhel 32 ossa quoque Ioseph quae tulerant filii Israhel de Aegypto sepelierunt in Sychem in parte agri quem emerat Iacob a filiis Emmor patris Sychem centum novellis ovibus et fuit in possessione filiorum Ioseph 33 Eleazar quoque filius Aaron mortuus est et sepelierunt eum in Gaab Finees filii eius quae data est ei in monte Ephraim


- Statenvertaling

1 Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en deszelfs hoofden, en deszelfs richters, en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God. 2 Toen zeide Jozua tot het ganse volk: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Over gene zijde der rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, [namelijk] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. 3 Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het ganse land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak. 4 En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seir, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte. 5 Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit. 6 Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee. 7 Zij nu riepen tot den HEERE, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond. 8 Toen bracht Ik u in het land der Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en gij bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht. 9 Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, den zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou. 10 Maar Ik wilde Bileam niet horen; dies zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand. 11 Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand. 12 En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, [gelijk] de beide koningen der Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog. 13 Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt. 14 En nu, vreest den HEERE, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde der rivier, en in Egypte; en dient den HEERE. 15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen! 16 Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij den HEERE verlaten zouden, om andere goden te dienen. 17 Want de HEERE is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn. 18 En de HEERE heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen ook den HEERE dienen, want Hij is onze God. 19 Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven. 20 Indien gij den HEERE verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben. 21 Toen zeide het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen den HEERE dienen. 22 Jozua nu zeide tot het volk: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den HEERE verkoren hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen. 23 En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den HEERE, den God van Israël. 24 En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den HEERE, onzen God, dienen, en wij zullen Zijner stem gehoorzamen. 25 Alzo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem. 26 En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN was. 27 En Jozua zeide tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des HEEREN, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt. 28 Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel. 29 En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren. 30 En zij begroeven hem in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-serah, welke is op een berg van Efraïm, aan het noorden van den berg Gaas. 31 Israël nu diende den HEERE al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk des HEEREN wisten, hetwelk Hij aan Israël gedaan had. 32 Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden. 33 Ook stierf Eleazar, de zoon van Aäron; en zij begroeven hem op den heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraïm.


- Willibrordvertaling

[1] Jozua* riep alle stammen van Israël in Sichem* bijeen, met de oudsten van Israël, de familiehoofden, de rechters en de schrijvers. Toen zij voor God stonden, [2] richtte Jozua zich tot het volk en sprak: 'Zo spreekt de heer, de God van Israël: Uw voorouders, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, hebben vroeger aan de overkant van de Rivier gewoond. Daar vereerden zij andere goden. [3] Ik heb uw vader Abraham daar weggehaald van de overkant van de Rivier, en hem heel Kanaän laten doorkruisen. Ik gaf hem een talrijk nageslacht en schonk hem Isaak. [4] Aan Isaak schonk Ik Jakob en Esau. Aan Esau gaf Ik het bergland van Seïr in bezit; Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. [5] Toen zond Ik Mozes en Aäron en sloeg Ik Egypte met de plagen, waarmee Ik hen teisterde, en leidde u daarna het land uit. [6] Toen Ik uw vaderen uit Egypte leidde en u bij de zee gekomen was, achtervolgden de Egyptenaren uw vaderen met wagens en paarden tot aan de Rietzee. [7] Toen uw vaderen tot de heer riepen, legde Hij een donkere nevel tussen u en de Egyptenaren en joeg Hij de zee over hen heen, die hen overspoelde. Met eigen ogen hebt u gezien wat Ik in Egypte gedaan heb. Nadat u lange tijd in de woestijn had doorgebracht, [8] leidde Ik u naar het land van de Amorieten in het Overjordaanse. En toen zij u aanvielen, gaf Ik hen in uw macht, zodat u hun land in bezit kon nemen; Ik heb hen voor u uitgeroeid. [9] Toen begon Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, de oorlog tegen Israël. Hij ontbood Bileam, de zoon van Beor, om u te vervloeken. [10] Maar Ik heb niet naar Bileam willen luisteren, zodat hij u gezegend heeft. Zo heb Ik u uit zijn macht gered. [11] Toen bent u de Jordaan overgestoken en bij Jericho gekomen. De burgers van die stad, de Amorieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Chiwwieten en de Jebusieten voerden oorlog tegen u, maar Ik leverde hen aan u uit. [12] Verslagenheid zond Ik voor u uit, die hen – de beide koningen van de Amorieten – voor u verdreef zonder dat uw zwaard of boog eraan te pas kwam. [13] Zo gaf Ik u een land waarvoor u niet hebt gewerkt, steden die u niet hebt gebouwd, maar waarin u toch woont, en zo eet u van wijngaarden en olijfbomen die u niet hebt geplant. [14] Vrees dus de heer en dien Hem oprecht en trouw. Doe de goden weg die uw voorouders aan de overkant van de Rivier en in Egypte hebben vereerd, en wees dienaren van de heer. [15] Als u de heer niet verkiest te dienen, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier hebben vereerd, of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. Ik en mijn familie, wij dienen de heer.' [16] Het volk antwoordde: 'Wij denken er niet aan de heer te verlaten en andere goden te dienen. [17] De heer onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht en ons beschermd op al onze tochten, en tegen alle volken waarmee wij in aanraking kwamen. [18] De heer heeft al die volken voor ons verdreven, evenals de Amorieten die dit land bewonen. Ook wij willen de heer dienen, Hij is onze God.' [19] Toen zei Jozua tegen het volk: 'U zult niet in staat zijn de heer te dienen, want Hij is een heilige* God, een jaloerse God, die uw overtredingen en zonden niet vergeeft. [20] En als u de heer verlaat en vreemde goden dient, zal Hij zich van u afkeren en u met rampen treffen en u vernietigen, ondanks de goedheid die Hij u vroeger heeft bewezen.' [21] Maar het volk herhaalde: 'Toch willen wij de heer dienen.' [22] Toen zei Jozua tegen het volk: 'Dan bent u zelf getuigen dat u voor de dienst van de heer gekozen hebt.' En zij antwoordden: 'Ja, dat zijn wij.' [23] 'Doe dan die vreemde goden bij u weg en buig uw harten naar de heer, de God van Israël.' [24] En het volk antwoordde: 'De heer onze God willen wij dienen en naar zijn stem willen wij luisteren.' [25] Zo sloot Jozua op die dag in Sichem een verbond voor het volk. Hij bepaalde voor hen wat wet is en recht, [26] en hij schreef alles op in het Wetboek van God. Daarop liet hij onder de eik, in het heiligdom van de heer, een grote steen oprichten [27] en sprak tot het hele volk: 'Deze steen zal tegen ons getuigen, want hij heeft alles gehoord wat de heer tot ons gesproken heeft. Hij zal tegen u blijven getuigen, zodat u uw God niet verloochent.' [28] Daarop ontbond Jozua de vergadering en ieder keerde terug naar zijn eigen gebied. De dood van Jozua en Eleazar [29] Na deze gebeurtenissen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar* van de heer, op de leeftijd van honderdtien jaar. [30] Hij werd begraven in zijn eigen gebied, in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs. [31] Israël bleef de heer vereren zolang Jozua leefde en zolang er na zijn dood nog oudsten waren die getuigen waren geweest van alles wat de heer voor Israël gedaan had. [32] Het gebeente van Jozef, dat de Israëlieten uit Egypte hadden meegenomen, werd begraven in Sichem, op het stuk grond dat Jakob voor honderd sikkel goud van de zonen van Hemor had gekocht en dat eigendom was van de zonen van Jozef. [33] Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf en werd begraven op de heuvel die zijn zoon Pinechas in het bergland van Efraïm had gekregen.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Volksvergadering in Sichem [1] Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen, [2] sprak hij tot het volk: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat. Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden. [3] Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken. Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon [4] en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. [5] Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. [6] Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters. [7] Toen riepen ze mij, de HEER, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan. Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn, [8] tot ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden. Ze namen de wapens tegen jullie op, maar ik leverde hen aan jullie uit en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit. [9] Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, komen; die moest jullie vervloeken, [10] maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem; meer nog, hij zegende jullie zelfs. [11] Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho. De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie, net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit. [12] Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg, zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd. Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen. [13] Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten. [14] Nu dan,' vervolgde Jozua, 'eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER. [15] Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen.' [16] Hierop antwoordde het volk: 'Het is verre van ons de HEER te verlaten om andere goden te dienen. [17] Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. [18] De HEER heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de HEER dienen, want hij is onze God.' [19] Jozua antwoordde het volk echter: 'U zult niet in staat zijn de HEER te dienen, want hij is een heilige God, hij duldt niemand naast zich, hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. [20] Wanneer u de HEER verlaat en andere goden gaat dienen, zal hij zich tegen u keren. Dan zal hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.' [21] Maar het volk zei opnieuw: 'Wees ervan verzekerd dat we de HEER zullen dienen.' [22] 'In dat geval,' antwoordde Jozua, 'bent u zelf de getuigen van uw keuze om hem, de HEER, te dienen.' 'Ja, dat zijn wij,' bevestigde het volk, [23] waarop Jozua zei: 'Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de HEER, de God van Israël.' [24] En het volk beloofde: 'We zullen de HEER, onze God, dienen en gehoorzamen.' [25] Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, [26] die hij in het wetboek van God opschreef. Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de HEER. [27] 'Deze steen,' zei hij tegen het volk, 'is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de HEER tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.' [28] Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied. Dood van Jozua en Eleazar [29] Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, op de leeftijd van honderdtien jaar. [30] Hij werd begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. [31] Zolang Jozua leefde diende het volk de HEER. Ook na zijn dood bleven ze de HEER dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua's leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. [32] De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd qesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit.* [33] Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven in het bergland van Efraïm op de heuvel die zijn zoon Pinechas was toegewezen.


- De Naardense bijbel

Jozua verzamelt alle stammen van Israël in Sjechem; hij roept Israëls oudsten en zijn hoofden, zijn rechters en zijn opzieners op en zij posteren zich voor het aanschijn van God. Jozua 24:2 Dan zegt Jozua tot heel de gemeente: zo heeft gezegd de Ene, Israëls God: aan de overzij van de Rivier hebben, een eeuwigheid terug, uw vaderen gezeten: Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor,- en dienden andere goden; 24:3 ik haalde uw vader, Abraham, van de overzij van de Rivier en deed hem gaan door heel het land van Kanaän; ik vermeerderde zijn zaad en gaf hem Isaak; 24:4 ik gaf aan Isaak Jakob, en Esau; ik gaf aan Esau het gebergte Seïr om dat te beërven, maar Jakob en zijn zonen daalden af naar Egypte; 24:5 ik zond Mozes en Aäron en teisterde Egypte zoals ik in hun midden heb gedaan; daarna heb ik u uitgeleid; 24:6 ik leidde uw vaderen uit, weg uit Egypte, en u kwam naar de zee; Egyptenaren joegen met wagens en ruiters achter uw vaderen aan tot bij de Rietzee; 24:7 zij schreeuwden het uit tot de Ene en hij zette duisternis tussen u en de Egyptenaren; hij liet de zee over hen komen en die overdekte hen; uw ogen hebben gezien wat ik in Egypte heb gedaan; vele dagen hebt gij gezeteld in de woestijn; 24:8 maar ik heb u laten komen in het land van de Amoriet, die zetelt aan de overzij van de Jordaan, en zij hebben oorlog gevoerd met u; ik gaf hen in uw hand en gij hebt hun land beërfd; ik heb hen verdelgd, weg van uw aanschijn; 24:9 toen stond Balak op, zoon van Tsipor, koning van Moab, en voerde oorlog met Israël; hij zond bericht en liet Bileam, de zoon van Beor, roepen om u te vervloeken; 24:10 maar ik heb niet naar Bileam willen horen: gezegend, ja gezegend heeft hij u en ik heb u uit zijn hand gered; 24:11 toen ge de Jordaan waart overgestoken en bij Jericho aangekomen hebben de heren van Jericho oorlog met u gevoerd, de Amoriet, de Periziet en de Kanaäniet, de Chitiet en de Girgasjiet, de Chiviet en de Jeboesiet: ik heb ze in uw hand gegeven; 24:12 ik zond de Egyptische horzel voor uw aanschijn uit en zij verdreef hen van uw aanschijn, de twee koningen van de Amoriet; niet met je zwaard en niet met je boog!- 24:13 ik gaf u een land waarvoor je je niet hebt vermoeid, en steden die gij niet hebt gebouwd,- dáárin heb ge u neergezet; wijngaarden en olijfbomen die ge niet hebt geplant, daarvan eet ge!- 24:14 nu dan, vreest de Ene, en dient hem in gaafheid en in trouw; verwijdert de goden die uw vaderen hebben gediend aan de overzij van de Rivier en in Egypte, en dient de Ene; 24:15 en als het kwaad is in uw ogen om de Ene te dienen, kiest u dan heden wie ge dienen zult: óf de goden die uw vaderen hebben gediend aan de overzij van de Rivier, óf de goden van de Amorieten in wier land gij nu zetelt; maar ik en mijn huis, wij zullen de Ene dienen! • 24:16 Dan antwoordt de gemeente en zegt: heiligschennis is het ons om de Ene te verlaten,- om andere goden te dienen; 24:17 want de Ene is onze God; híj is het die ons en onze vaderen heeft doen opklimmen uit het land Egypte, uit het diensthuis; die deze grote tekenen voor onze ogen heeft gedaan en ons heeft bewaard op heel de weg waarover wij zijn gegaan en bij alle gemeenschappen door wier midden wij zijn overgestoken; 24:18 de Ene heeft alle gemeenschappen, en de Amoriet die zetelde in dit land, verdreven van ons aanschijn; laten wij dan ook hem dienen, de Ene, want híj is onze God! •• 24:19 Jozua zegt tot de gemeente: ge zult niet in staat zijn de Ene te dienen, want een God van heiligen is hij; een naijverige godheid, uw misstappen en uw zonden verdraagt hij niet; 24:20 wanneer ge de Ene verlaat en de vreemde goden zult dienen,- zal hij omkeren, u kwaad doen en een eind aan u maken, nádat hij u goed heeft gedaan! 24:21 Dan zegt de gemeente tot Jozua: nee!, want de Ene zullen wij dienen! 24:22 Jozua zegt tot de gemeente: getuigen zijt ge tegen uzelf, dat ge zelf u de Ene hebt verkozen om te dienen! En zij zeggen: wij zijn getuigen! 24:23 Nu dan, verwijdert de vreemde goden die ge in uw midden hebt,- en neigt uw harten naar de Ene, de God van Israël! 24:24 Dan zeggen zij, de gemeente, tot Jozua: de Ene, onze God, zullen wij dienen en naar zijn stem zullen wij horen! 24:25 Zo smeedt Jozua te dien dage een verbond met de gemeente,- en stelt hij in Sjechem regel en recht voor hem vast. 24:26 Jozua schrijft deze woorden in de boekrol van Gods Wet; hij neemt een grote steen en laat die opstaan, daar onder de godseik in het heilig gebied van de Ene. •• 24:27 Dan zegt Jozua tot heel de gemeente: zie, deze steen zal bij ons zijn tot getuige-van-de-overeenkomst, want zíj heeft gehoord alle toezeggingen van de Ene, die hij met ons heeft afgesproken; wezen zal zij bij u tot getuige-van-de-overeenkomst, opdat ge niet zult liegen tegen uw God! 24:28 Dan zendt Jozua de gemeente uit, ieder naar zijn erfgoed. • 24:29 En het geschiedt na deze woorden dat Jozua, zoon van Noen, dienaar van de Ene, sterft,- als man van honderdtien jaren. 24:30 Ze begraven hem in het gebied dat zijn erfdeel is, in Timnat Serach, in het bergland van Efraïm; ten noorden van de berg Gaäsj. 24:31 Israël dient de Ene alle dagen van Jozua,- en alle dagen van de oudsten wier dagen zich tot ná Jozua hebben verlengd en die hebben geweten van alle doen van de Ene dat hij aan Israël heeft gedaan. 24:32 De beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls mee hebben laten opklimmen uit Egypte, hebben ze begraven bij Sjechem, in het deel van het veld dat Jakob heeft verworven bij de zonen van Chamor, de vader van Sjechem, voor honderd kesita; ze worden* tot erfgoed van de zonen van Jozef. 24:33 Als Aärons zoon Elazar is gestorven,- begraven ze hem in de heuvel van zijn zoon Pinchas, die hem was gegeven in het bergland van Efraïm.


- Bible de Jérusalem

1. Josué réunit toutes les tribus d'Israël à Sichem; puis il convoqua tous les anciens d'Israël, ses chefs, ses juges, ses scribes qui se rangèrent en présence de Dieu. 2. Josué dit alors à tout le peuple : « Ainsi parle Yahvé, le Dieu d'Israël : Au-delà du Fleuve habitaient jadis vos pères, Térah, père d'Abraham et de Nahor, et ils servaient d'autres dieux. 3. Alors je pris votre père Abraham d'au-delà du Fleuve et je lui fis parcourir toute la terre de Canaan, je multipliai sa descendance et je lui donnai Isaac. 4. A Isaac, je donnai Jacob et Ésaü. A Ésaü, je donnai en possession la montagne de Séïr. Jacob et ses fils descendirent en Égypte. 5. J'envoyai ensuite Moïse et Aaron et frappai l'Égypte par les prodiges que j'opérai au milieu d'elle; ensuite je vous en fis sortir. 6. Je fis donc sortir vos pères de l'Égypte et vous arrivâtes à la mer; les Égyptiens poursuivirent vos pères avec des chars et des cavaliers, à la mer des Roseaux. 7. Ils crièrent alors vers Yahvé qui étendit un brouillard épais entre vous et les Égyptiens, et fit revenir sur eux la mer qui les recouvrit. Vous avez vu de vos propres yeux ce que j'ai fait en Égypte, puis vous avez séjourné de longs jours dans le désert. 8. Je vous fis entrer ensuite dans le pays des Amorites qui habitaient au-delà du Jourdain. Il vous firent la guerre et je les livrai entre vos mains, aussi avez-vous pris possession de leur pays, car je les anéantis devant vous. 9. Puis se leva Balaq, fils de Çippor, roi de Moab, pour faire la guerre à Israël, et il envoya chercher Balaam, fils de Béor, pour vous maudire. 10. Mais je ne voulus pas écouter Balaam : il dut même vous bénir et je vous ai sauvés de sa main. 11. Vous avez ensuite passé le Jourdain pour atteindre Jéricho, mais les habitants de Jéricho vous firent la guerre, les Amorites, les Perizzites, les Cananéens, les Hittites, les Girgashites, les Hivvites et les Jébuséens, et je les livrai entre vos mains. 12. J'envoyai devant vous les frelons qui chassèrent devant vous les deux rois amorites, ce que tu ne dois ni à ton épée ni à ton arc. 13. Je vous ai donné une terre qui ne vous a demandé aucune fatigue, des villes que vous n'avez pas bâties et dans lesquelles vous vous êtes installés, des vignes et des olivettes que vous n'avez pas plantées et qui sont votre nourriture. 14. « Et maintenant, craignez Yahvé et servez-le dans la perfection en toute sincérité; éloignez les dieux que servirent vos pères au-delà du Fleuve et en Égypte, et servez Yahvé. 15. S'il ne vous paraît pas bon de servir Yahvé, choisissez aujourd'hui qui vous voulez servir, soit les dieux que servaient vos pères au-delà du Fleuve, soit les dieux des Amorites dont vous habitez maintenant le pays. Quant à moi et ma famille, nous servirons Yahvé. » 16. Le peuple répondit : « Loin de nous d'abandonner Yahvé pour servir d'autres dieux! 17. Yahvé notre Dieu est celui qui nous a fait monter, nous et nos pères, du pays d'Égypte, de la maison de servitude, qui devant nos yeux a opéré ces grands signes et nous a gardés tout le long du chemin que nous avons parcouru et parmi toutes les populations à travers lesquelles nous avons passé. 18. Et Yahvé a chassé devant nous toutes les populations ainsi que les Amorites qui habitaient le pays. Nous aussi, nous servirons Yahvé, car c'est lui notre Dieu. » 19. Alors Josué dit au peuple : « Vous ne pouvez pas servir Yahvé car il est un Dieu saint, il est un Dieu jaloux, qui ne tolérera pas vos transgressions ni vos péchés. 20. Si vous abandonnez Yahvé pour servir les dieux de l'étranger, il vous maltraitera à nouveau et vous anéantira après vous avoir fait du bien. » 21. Le peuple répondit à Josué : « Non! C'est Yahvé que nous servirons. » 22. Alors Josué dit au peuple : « Vous êtes témoins contre vous-mêmes que vous avez fait choix de Yahvé pour le servir. » Ils répondirent : « Nous sommes témoins. » - 23. « Alors, écartez les dieux de l'étranger qui sont au milieu de vous et inclinez votre cœur vers Yahvé, Dieu d'Israël. » 24. Le peuple dit à Josué : « C'est Yahvé notre Dieu que nous servirons, c'est à sa voix que nous obéirons. » 25. Ce jour-là, Josué conclut une alliance pour le peuple; il lui fixa un statut et un droit à Sichem. 26. Josué écrivit ces paroles dans le livre de la Loi de Dieu. Il prit ensuite une grosse pierre et la dressa là, sous le chêne qui est dans le sanctuaire de Yahvé. 27. Josué dit alors à tout le peuple : « Voici, cette pierre sera un témoin contre nous parce qu'elle a entendu toutes les paroles que Yahvé nous a adressées; elle sera un témoin contre vous pour vous empêcher de renier votre Dieu. » 28. Puis Josué renvoya le peuple, chacun dans son héritage. 29. Après ces événements, Josué, fils de Nûn, serviteur de Yahvé, mourut, âgé de cent dix ans. 30. On l'ensevelit dans le domaine qu'il avait reçu en héritage, à Timnat-Sérah, qui est situé dans la montagne d'Éphraïm au nord du mont Gaash. 31. Israël servit Yahvé pendant toute la vie de Josué et toute la vie des anciens qui survécurent à Josué et qui avaient connu toute l'œuvre que Yahvé avait accomplie en faveur d'Israël. 32. Quant aux ossements de Joseph que les Israélites avaient apportés d'Égypte, on les ensevelit à Sichem, dans la parcelle de champ que Jacob avait achetée aux fils de Hamor, père de Sichem, pour cent pièces d'argent, et qui était devenue héritage des fils de Joseph. 33. Puis Éléazar, le fils d'Aaron, mourut et on l'ensevelit à Gibéa, ville de son fils Pinhas, qui lui avait été donnée dans la montagne d'Éphraïm.


- King James Bible

[1] And Joshua gathered all the tribes of Israel to Shechem, and called for the elders of Israel, and for their heads, and for their judges, and for their officers; and they presented themselves before God. [2] And Joshua said unto all the people, Thus saith the LORD God of Israel, Your fathers dwelt on the other side of the flood in old time, even Terah, the father of Abraham, and the father of Nachor: and they served other gods. [3] And I took your father Abraham from the other side of the flood, and led him throughout all the land of Canaan, and multiplied his seed, and gave him Isaac. [4] And I gave unto Isaac Jacob and Esau: and I gave unto Esau mount Seir, to possess it; but Jacob and his children went down into Egypt. [5] I sent Moses also and Aaron, and I plagued Egypt, according to that which I did among them: and afterward I brought you out. [6] And I brought your fathers out of Egypt: and ye came unto the sea; and the Egyptians pursued after your fathers with chariots and horsemen unto the Red sea. [7] And when they cried unto the LORD, he put darkness between you and the Egyptians, and brought the sea upon them, and covered them; and your eyes have seen what I have done in Egypt: and ye dwelt in the wilderness a long season. [8] And I brought you into the land of the Amorites, which dwelt on the other side Jordan; and they fought with you: and I gave them into your hand, that ye might possess their land; and I destroyed them from before you. [9] Then Balak the son of Zippor, king of Moab, arose and warred against Israel, and sent and called Balaam the son of Beor to curse you: [10] But I would not hearken unto Balaam; therefore he blessed you still: so I delivered you out of his hand. [11] And ye went over Jordan, and came unto Jericho: and the men of Jericho fought against you, the Amorites, and the Perizzites, and the Canaanites, and the Hittites, and the Girgashites, the Hivites, and the Jebusites; and I delivered them into your hand. [12] And I sent the hornet before you, which drave them out from before you, even the two kings of the Amorites; but not with thy sword, nor with thy bow. [13] And I have given you a land for which ye did not labour, and cities which ye built not, and ye dwell in them; of the vineyards and oliveyards which ye planted not do ye eat. [14] Now therefore fear the LORD, and serve him in sincerity and in truth: and put away the gods which your fathers served on the other side of the flood, and in Egypt; and serve ye the LORD. [15] And if it seem evil unto you to serve the LORD, choose you this day whom ye will serve; whether the gods which your fathers served that were on the other side of the flood, or the gods of the Amorites, in whose land ye dwell: but as for me and my house, we will serve the LORD. [16] And the people answered and said, God forbid that we should forsake the LORD, to serve other gods; [17] For the LORD our God, he it is that brought us up and our fathers out of the land of Egypt, from the house of bondage, and which did those great signs in our sight, and preserved us in all the way wherein we went, and among all the people through whom we passed: [18] And the LORD drave out from before us all the people, even the Amorites which dwelt in the land: therefore will we also serve the LORD; for he is our God. [19] And Joshua said unto the people, Ye cannot serve the LORD: for he is an holy God; he is a jealous God; he will not forgive your transgressions nor your sins. [20] If ye forsake the LORD, and serve strange gods, then he will turn and do you hurt, and consume you, after that he hath done you good. [21] And the people said unto Joshua, Nay; but we will serve the LORD. [22] And Joshua said unto the people, Ye are witnesses against yourselves that ye have chosen you the LORD, to serve him. And they said, We are witnesses. [23] Now therefore put away, said he, the strange gods which are among you, and incline your heart unto the LORD God of Israel. [24] And the people said unto Joshua, The LORD our God will we serve, and his voice will we obey. [25] So Joshua made a covenant with the people that day, and set them a statute and an ordinance in Shechem. [26] And Joshua wrote these words in the book of the law of God, and took a great stone, and set it up there under an oak, that was by the sanctuary of the LORD. [27] And Joshua said unto all the people, Behold, this stone shall be a witness unto us; for it hath heard all the words of the LORD which he spake unto us: it shall be therefore a witness unto you, lest ye deny your God. [28] So Joshua let the people depart, every man unto his inheritance. [29] And it came to pass after these things, that Joshua the son of Nun, the servant of the LORD, died, being an hundred and ten years old. [30] And they buried him in the border of his inheritance in Timnath-serah, which is in mount Ephraim, on the north side of the hill of Gaash. [31] And Israel served the LORD all the days of Joshua, and all the days of the elders that overlived Joshua, and which had known all the works of the LORD, that he had done for Israel. [32] And the bones of Joseph, which the children of Israel brought up out of Egypt, buried they in Shechem, in a parcel of ground which Jacob bought of the sons of Hamor the father of Shechem for an hundred pieces of silver: and it became the inheritance of the children of Joseph. [33] And Eleazar the son of Aaron died; and they buried him in a hill that pertained to Phinehas his son, which was given him in mount Ephraim.


- Luther Bibel

24 1 Josua versammelte alle Stämme Israels nach Sichem und berief die Ältesten von Israel, seine Obersten, Richter und Amtleute. Und als sie vor Gott getreten waren, 2 sprach er zum ganzen Volk: So spricht der HERR, der Gott Israels: Eure Väter wohnten vorzeiten jenseits des Euphratstroms, Terach, Abrahams und Nahors Vater, und dienten andern Göttern. 3 Da nahm ich euren Vater Abraham von jenseits des Stroms und ließ ihn umherziehen im ganzen Land Kanaan und mehrte sein Geschlecht und gab ihm Isaak. 4 Und Isaak gab ich Jakob und Esau und gab Esau das Gebirge Seïr zum Besitz. Jakob aber und seine Söhne zogen hinab nach Ägypten. 5 Da sandte ich Mose und Aaron und plagte Ägypten, wie ich unter ihnen getan habe. 6 Danach führte ich euch und eure Väter aus Ägypten. Und als ihr ans Meer kamt und die Ägypter euren Vätern nachjagten mit Wagen und Gespannen ans Schilfmeer, 7 da schrien sie zum HERRN. Der setzte eine Finsternis zwischen euch und die Ägypter und ließ das Meer über sie kommen und es bedeckte sie. Eure Augen haben gesehen, was ich in Ägypten getan habe. Und ihr habt gewohnt in der Wüste eine lange Zeit. 8 Und ich habe euch gebracht in das Land der Amoriter, die jenseits des Jordans wohnten. Und als sie gegen euch kämpften, gab ich sie in eure Hände, sodass ihr ihr Land einnahmt, und vertilgte sie vor euch her. 9 Da machte sich auf Balak, der Sohn Zippors, der König der Moabiter, und kämpfte mit Israel und sandte hin und ließ rufen Bileam, den Sohn Beors, um euch zu verfluchen. 10 Aber ich wollte ihn nicht hören, sondern er musste euch segnen, und ich errettete euch aus seinen Händen. 11 Und als ihr über den Jordan gingt und nach Jericho kamt, kämpften gegen euch die Bürger von Jericho, die Amoriter, Perisiter, Kanaaniter, Hetiter, Girgaschiter, Hiwiter und Jebusiter; aber ich gab sie in eure Hände. 12 Und ich sandte Angst und Schrecken vor euch her; die trieben sie vor euch weg, die beiden Könige der Amoriter, und nicht dein Schwert noch dein Bogen. 13 Und ich habe euch ein Land gegeben, um das ihr euch nicht gemüht habt, und Städte, die ihr nicht gebaut habt, um darin zu wohnen, und ihr esst von Weinbergen und Ölbäumen, die ihr nicht gepflanzt habt.14 So fürchtet nun den HERRN und dient ihm treulich und rechtschaffen und lasst fahren die Götter, denen eure Väter gedient haben jenseits des Euphratstroms und in Ägypten, und dient dem HERRN. 15 Gefällt es euch aber nicht, dem HERRN zu dienen, so wählt euch heute, wem ihr dienen wollt: den Göttern, denen eure Väter gedient haben jenseits des Stroms, oder den Göttern der Amoriter, in deren Land ihr wohnt. Ich aber und mein Haus wollen dem HERRN dienen.16 Da antwortete das Volk und sprach: Das sei ferne von uns, dass wir den HERRN verlassen und andern Göttern dienen! 17 Denn der HERR, unser Gott, hat uns und unsere Väter aus Ägyptenland geführt, aus der Knechtschaft, und hat vor unsern Augen diese großen Zeichen getan und uns behütet auf dem ganzen Wege, den wir gezogen sind, und unter allen Völkern, durch die wir gegangen sind, 18 und hat ausgestoßen vor uns her alle Völker und die Amoriter, die im Lande wohnten. Darum wollen wir auch dem HERRN dienen; denn er ist unser Gott.19 Josua sprach zum Volk: Ihr könnt dem HERRN nicht dienen; denn er ist ein heiliger Gott, ein eifernder Gott, der eure Übertretungen und Sünden nicht vergeben wird. 20 Wenn ihr den HERRN verlasst und fremden Göttern dient, so wird er sich abwenden und euch plagen und euch ausrotten, nachdem er euch Gutes getan hatte. 21 Das Volk aber sprach zu Josua: Nein, sondern wir wollen dem HERRN dienen.22 Da sprach Josua zum Volk: Ihr seid Zeugen gegen euch selbst, dass ihr euch den HERRN erwählt habt, um ihm zu dienen. Und sie sprachen: Ja! – 23 So tut nun von euch die fremden Götter, die unter euch sind, und neigt euer Herz zu dem HERRN, dem Gott Israels. 24 Und das Volk sprach zu Josua: Wir wollen dem HERRN, unserm Gott, dienen und seiner Stimme gehorchen.25 So schloss Josua an diesem Tag einen Bund für das Volk und legte ihnen Gesetze und Rechte vor in Sichem. 26 Und Josua schrieb dies alles ins Buch des Gesetzes Gottes und nahm einen großen Stein und richtete ihn dort auf unter einer Eiche, die bei dem Heiligtum des HERRN war, 27 und sprach zum ganzen Volk: Siehe, dieser Stein soll Zeuge sein unter uns, denn er hat gehört alle Worte des HERRN, die er mit uns geredet hat, und soll ein Zeuge unter euch sein, dass ihr euren Gott nicht verleugnet. 28 So entließ Josua das Volk, einen jeden in sein Erbteil. Josuas und Eleasars Tod. Bestattung der Gebeine Josefs 29 Und es begab sich nach diesen Geschichten, dass Josua, der Sohn Nuns, der Knecht des HERRN, starb, als er hundertundzehn Jahre alt war. 30 Und man begrub ihn in dem Gebiet seines Erbteils in Timnat-Serach, das auf dem Gebirge Ephraim liegt, nördlich vom Berge Gaasch. 31 Und Israel diente dem HERRN, solange Josua lebte und die Ältesten, die noch lange Zeit nach Josua lebten und alle Werke des HERRN kannten, die er an Israel getan hatte.32 Die Gebeine Josefs, die die Israeliten aus Ägypten gebracht hatten, begruben sie zu Sichem auf dem Stück Feld, das Jakob von den Söhnen Hamors, des Vaters von Sichem, für hundert Goldstücke gekauft hatte und das das Erbteil der Söhne Josef ward. 33 Auch Eleasar, der Sohn Aarons, starb und sie begruben ihn in Gibea, der Stadt seines Sohnes Pinhas, die ihm gegeben war auf dem Gebirge Ephraim.


- Structuur


- Taalgebruik

- A

- w-`-b-d-w : (1) wë`âbhëdû / wë`âbhâdû (en zij zullen dienen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. mv. ; (2) wë`ibhëdû (en dient) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperatief 2de pers. mann. mv. ; (3) wë`äbhâdô (en hij zal hem dienen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ; (4) wë`abhëdô (en zijn dienaar) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (5) wë`abhëdâw (en zijn dienaren) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. Tenakh (19) : (1) Ex 10,11 . (2) Ex 20,17 . (3) Ex 21,6 . (4) Nu 4,26 . (5) Dt 5,21 . (6) Dt 7,4 . (7) Joz 24,14 . (8) 2 K 25,24 . (9) Js 19,21 . (10) Js 19,23 . (11) Jr 22,4 . (12) Jr 25,11 . (13) Jr 27,7 . (14) Jr 27,11 . (15) Jr 27,12 . (16) Jr 30,9 . (17) Jr 40,9 . (18) Ezr 6,16 . (19) 2 Kr 30,8 .

- w-j-`-b-d-w . (1) act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. wajja`abhëdû (en zij dienden) . (2) act. qal jussief 3de pers. mann. mv. wëja`abhëdû (en zij moeten dienen) . (3) act. hifil 3de pers. mann. mv; wajja`äbhidû (en zij deden dienen) van het werkw. Tenakh (20) : (1) Ex 1,13 . (2) Ex 10,7 . (3) Dt 29,25 . (4) Joz 24,2 . (5) Re 2,7 . (6) Re 2,11 . (7) Re 2,13 . (8) Re 3,6 . (9) Re 3,7 . (10) Re 3,8 . (11) Re 3,14 . (12) Re 10,6 . (13) Re 10,16 . (14) 1 S 7,4 . (15) 1 S 8,8 . (16) 2 K 17,12 . (17) 2 K 17,16 . (18) Ps 106,36 . (19) Job 36,11 . (20) 2 Kr 24,18 .

- hâ`âm (het volk) < lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud `am (volk) OF `im (met) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 of 110 (2 X 5 X 11) . Gr. laos (volk) . Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Lat. populus . Fr. peuple . E. people . Ned. volk . Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) . Tenakh (659) . Pentateuch (197) . Eerdere Profeten (259) . Latere Profeten (97) . 12 Kleine Profeten (11) . Geschriften (95) . Joz (41) . Joz 24 (8) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,27 . (8) Joz 24,28 . Re (38) . Re 2 (3) : (1) Re 2,4 . (2) Re 2,6 . (3) Re 2,7 .

- wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´-m-r . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde van ´âmar (zeggen) : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) . Joz (50) . Joz 24 (6) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,27 .
-

- B

- ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Joz (35) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,9 . (2) Joz 24,29 . (3) Joz 24,33 .

- C - D

- haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfst. naamw. d-bh-r . (1) dâbhar (spreken) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. dâbhar (spreken) . (2) dibbèr (hij sprak) : piel perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud . (3) dâbhâr (woord, daad) . Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon , parole (parler) . Ned. woord . D. Wort . E. word . Tenakh (132) . Pentateuch (44) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (35) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (15) . Joz (4) : (1) Joz 22,30 . (2) Joz 23,14 . (3) Joz 24,26 . (4) Joz 24,29 .

- E

- hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. . ´lh . ´ellèh (deze /dit) ; ´âlâh (bezweren , eed , vloek) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh . Getalwaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 36 (2² X 3²) . Structuur : 1 - 3 - 5 . Tenakh (282) . Pentateuch (84) . Eerdere Profeten (91) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (35) . Joz (34) . Joz 24 (3) : (1) Joz 24,17 . (2) Joz 24,26 . (3) Joz 24,29 .
- wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl hâ`âm (Jozua zei tot het volk) . Tenakh (4) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 6,16 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,22 . In Joz 6,8 lezen we : wajëhî kè´èmor jëhôsju`a ´èl hâ`âm (en het was terwijl Jozua zei tot het volk) . wajjo´mèr jëhôsju`a ´èl kâl hâ`âm (Jozua zei tot heel het volk) . Tenakh (2) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,27 .

- ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) . Joz (10) : (1) Joz 2,11 . (2) Joz 22,22 . (3) Joz 22,33 . (4) Joz 23,16 . (5) Joz 24,2 . (6) Joz 24,14 . (7) Joz 24,15 . (8) Joz 24,16 . (9) Joz 24,19 . (10) Joz 24,26 .

- ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (5699) . Pentateuch (2002) . Eerdere Profeten (1661) . Latere Profeten (860) . 12 Kleine Profeten (207) . Geschriften (967) . Joz (231) . Joz 24 (24) : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,3 . (3) Joz 24,4 . (4) Joz 24,5 . (5) Joz 24,6 . (6) Joz 24,7 . (7) Joz 24,8 . (8) Joz 24,11 . (9) Joz 24,12 . (10) Joz 24,14 . (11) Joz 24,15 . (12) Joz 24,16 . (13) Joz 24,17 . (14) Joz 24,18 . (15) Joz 24,19 . (16) Joz 24,20 . (17) Joz 24,21 . (18) Joz 24,22 . (19) Joz 24,23 . (20) Joz 24,24 . (21) Joz 24,26 . (22) Joz 24,27 . (23) Joz 24,28 . (24) Joz 24,31 .
- accusatief + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. ´othô (hem) . ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Getalwaarde : aleph = 1 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 23 OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 . Eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet . Tenakh (533) . Pentateuch (270) . Eerdere Profeten (163) . Latere Profeten (61) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (31) . Joz (17) : (1) Joz 3,3 . (2) Joz 4,14 . (3) Joz 7,15 . (4) Joz 7,25 . (5) Joz 8,11 . (6) Joz 8,23 . (7) Joz 9,12 . (8) Joz 10,24 . (9) Joz 13,21 . (10) Joz 14,7 . (11) Joz 18,20 . (12) Joz 19,14 . (13) Joz 20,4 . (14) Joz 22,30 . (15) Joz 24,14 . (16) Joz 24,30 . (17) Joz 24,33 .

- F - G - H - I - J

- JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 . Totaal : 26 . Structuur : 1 - 5 - 6 - 5 . Tenakh (5193) . Pentateuch (1326) . Eerdere Profeten (1013) . Latere Profeten (1357) . 12 Kleine Profeten (387) . Geschriften (1110) . Joz (160) . Joz 24 (17) : (1) Joz 24,2 . (2) Joz 24,7 . (3) Joz 24,14 . (4) Joz 24,15 . (5) Joz 24,16 . (6) Joz 24,17 . (7) Joz 24,18 . (8) Joz 24,19 . (9) Joz 24,20 . (10) Joz 24,21 . (11) Joz 24,22 . (12) Joz 24,23 . (13) Joz 24,24 . (14) Joz 24,26 . (15) Joz 24,27 . (16) Joz 24,29 . (17) Joz 24,31 .
- ´èth JHWH . Joz 24 (12) : (1) Joz 24,14 . (2) Joz 24,15 . (3) Joz 24,16 . (4) Joz 24,18 . (5) Joz 24,19 . (6) Joz 24,20 . (7) Joz 24,21 . (8) Joz 24,22 . (12) Joz 24,24 .

- jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Joz 24 : (1) Joz 24,1 . (2) Joz 24,2 . (3) Joz 24,19 . (4) Joz 24,21 . (5) Joz 24,22 . (6) Joz 24,24 . (7) Joz 24,25 . (8) Joz 24,26 . (9) Joz 24,27 . (10) Joz 24,28 . (11) Joz 24,29 . (12) Joz 24,31 .
- wajjo´mèr jëhôsju`a (Jozua zei) . Tenakh (16) : (1) Joz 3,5 . (2) Joz 3,6 . (3) Joz 3,9 . (4) Joz 3,10 . (5) Joz 6,16 . (6) Joz 7,7 . (7) Joz 7,19 . (8) Joz 7,25 . (9) Joz 10,18 . (10) Joz 10,22 . (11) Joz 17,17 . (12) Joz 18,3 . (13) Joz 24,2 . (14) Joz 24,19 . (15) Joz 24,22 . (16) Joz 24,27 .

- K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar