- WEBSITEWEGWIJZER - JESAJA 3 , Js 3 -- bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,25-26 - Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.

Overzicht van Jesaja : - Js 1 - Js 2 - Js 3 - Js 4 - Js 5 - Js 6 - Js 7 - Js 8 - Js 9 - Js 10 - Js 11 - Js 12 - Js 13 - Js 14 - Js 15 - Js 16 - Js 17 - Js 18 - Js 19 - Js 20 - Js 21 - Js 22 - Js 23 - Js 24 - Js 25 - Js 26 - Js 27 - Js 28 - Js 29 - Js 30 - Js 31 - Js 32 - Js 33 - Js 34 - Js 35 - Js 36 - Js 37 - Js 38 - Js 39 - Js 40 - Js 41 - Js 42 - Js 43 - Js 44 - Js 45 - Js 46 - Js 47 - Js 48 - Js 49 - Js 50 - Js 51 - Js 52 - Js 53 - Js 54 - Js 55 - Js 56 - Js 57 - Js 58 - Js 59 - Js 60 - Js 61 - Js 62 - Js 63 - Js 64 - Js 65 - Js 66 -
Uitleg vers per vers - Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 - Js 3,13 - Js 3,14 - Js 3,15 - Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 - Js 3,25 - Js 3,26 -

- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,
Overzicht N.T. : N.T. : overzicht , N.T. : taalgebruik - N.T. A - N.T. B - N.T. C - N.T. D - N.T. E - N.T. F - N.T. G - N.T. H - N.T. I - N.T. J - N.T. K - N.T. L - N.T. M - N.T. N - N.T. O - N.T. P - N.T. Q - N.T. R - N.T. S - N.T. T - N.T. U - N.T. V - N.T. W - N.T. X - N.T. Y - N.T. Z - N.T. : commentaar.

Overzicht van Jesaja : Jesaja : overzicht , Jesaja : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Jesaja : commentaar ,



- Js 3,1-12. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -

Js 3,1 - Js 3,1. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3 1idou dè o despotès kurios sabaôth afelei apo tès ioudaias kai apo ierousalèm ischuonta kai ischuousan ischun artou kai ischun udatos  1 ecce enim Dominator Deus exercituum auferet ab Hierusalem et ab Iuda validum et fortem omne robur panis et omne robur aquae     1 Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters;   narchie in Jeruzalem [1] De* Heer, de heer van de machten, ontneemt Jeruzalem en Juda iedere stut en steun: alle stut van brood, alle steun van water,   [1] Voorwaar, God, de HEER van de hemelse machten, ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun: alle steun van brood en water,   1 ¶ Want zie, de Heer, de ENE, de Omschaarde, doet weg van Jeruzalem en Juda steun en stut,– alle steun van brood en alle steun van water.   1. Oui, voici que le Seigneur Yahvé Sabaot va ôter de Jérusalem et de Juda ressource et provision - toute réserve de pain et toute réserve d'eau -,  

King James Bible. [1] For, behold, the Lord, the LORD of hosts, doth take away from Jerusalem and from Judah the stay and the staff, the whole stay of bread, and the whole stay of water,
Luther-Bibel. 3 1 Siehe, der Herr, der HERR Zebaoth, wird von Jerusalem und Juda wegnehmen Stütze und Stab: allen Vorrat an Brot und allen Vorrat an Wasser,

כִּי הִנֵּה הָאָדוֹן יְהוָה צְבָאוֹת, מֵסִיר מִירוּשָׁלִַם וּמִיהוּדָה, מַשְׁעֵן, וּמַשְׁעֵנָה:  כֹּל, מִשְׁעַן-לֶחֶם, וְכֹל, מִשְׁעַן-מָיִם.

Tekstuitleg van Js 3,1.

1. - 2. כִּֽי־הִנֵּ֤ה (= ki hinneh: want zie). Tenakh (29). Js (4): (1) Js 3,1. (2) Js 26,21. (3) Js 60,2. (4) Js 66,15.
- [LXX: ἰδοὺ γὰρ (= idou gar: want zie). Tenakh (18). Js (7): (1) Js 10,33. (2) Js 13,9. (3) Js 26,21. (4) Js 32,1. (5) Js 44,22. (6) Js 62,11. (7) Js 66,15.]
- Vulg: ecce enim (= zie immers). Vulg (30). Js (3): (1) Js 3,1. (2) Js 26,21. (3) Js 65,17.

7. jërûsjâlaim (Jeruzalem). Taalgebruik in Tenach : jërûsjâlaim (Jeruzalem). Getalwaarde : jod = 10 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , mem = 13 of 40 ; totaal : 82 (2 X 41) OF 586 (2 X 293). Structuur : 1 - 2 - 6 -3 - 3 - 4. Tenach (336). Js (26). Js 1-39 (13) : (1) Js 3,8. (2) Js 4,4. (3) Js 5,3. (4) Js 7,1. (5) Js 8,14. (6) Js 10,32. (7) Js 22,10. (8) Js 22,21. (9) Js 31,5. (10) Js 33,20. (11) Js 36,20. (12) Js 37,10. (13) Js 37,22. Js 40-66 (13) : (1) Js 40,2. (2) Js 40,9. (3) Js 51,17. (4) Js 52,1. (5) Js 52,2. (6) Js 52,9. (7) Js 62,1. (8) Js 62,6. (9) Js 62,7. (10) Js 64,9. (11) Js 65,18. (12) Js 66,10. (13) Js 66,20. Gr. hierousalèm (Jeruzalem). Taalgebruik in de Septuaginta : hierousalèm (Jeruzalem). Taalgebruik in Jesaja : hierousalèm (Jeruzalem). Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem). Bijbel (767). Js (47). Gr. hierosoluma (Jeruzalem). Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  .
- bïrûsjâlaim (in Jeruzalem). Tenach (178). Js (6) : (1) Js 4,3. (2) Js 27,13. (3) Js 28,14. (4) Js 30,19. (5) Js 31,9. (6) Js 65,19.
-- ûbïrûsjâlaim (in Jeruzalem). Tenach (22). Js (3) : (1) Js 10,12. (2) Js 24,23. (3) Js 66,13.
- lïrûsjâlaim (tot Jeruzalem). Tenach (29). Js (3) : (1) Js 10,11. (2) Js 44,26. (3) Js 44,28.
-- ûlïrûsjâlaim (en tot Jeruzalem). Tenach (9). Js (2) : (1) Js 36,7. (2) Js 41,27.
- mîrûsjâlaim (uit Jeruzalem) < min (uit) + jërûsjâlaim (Jeruzalem). Tenach (27). Js (4) : (1) Js 2,3. (2) Js 3,1. (3) Js 10,10. (4) Js 37,32.
- wîrûsjâlaim (en Jeruzalem). Tenach (33). Js (2) : (1) Js 1,1. (2) Js 2,1.


Js 3,2 - Js 3,2. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2giganta kai ischuonta kai anthrôpon polemistèn kai dikastèn kai profètèn kai stochastèn kai presbuteron  2 fortem et virum bellatorem iudicem et prophetam et ariolum et senem    2 Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;  [2] krijgsman en soldaat, rechter en profeet, waarzegger en oudste,   [2] van krijgsheld en soldaat, rechter en profeet, waarzegger en oudste,   2 Krijgsheld en man van het gevecht,– richter en profeet, waarzegger en oudste,  2. héros et homme de guerre, juge et prophète, devin et vieillard, 

King James Bible. [2] The mighty man, and the man of war, the judge, and the prophet, and the prudent, and the ancient,
Luther-Bibel. 2 Helden und Kriegsleute, Richter und Propheten, Wahrsager und Älteste,

Tekstuitleg van Js 3,2.

Js 3,3 - Js 3,3. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai pentèkontarchon kai thaumaston sumboulon kai sofon architektona kai suneton akroatèn  3 principem super quinquaginta et honorabilem vultu et consiliarium sapientem de architectis et prudentem eloquii mystici     3 Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.   [3] hoofdman, notabele en raadsheer, tovenaar en bezweerder.   [3] bevelhebber, man van aanzien en raadsheer, tovenaar en bezweerder.   3 overste over vijftig en verhevene van aanschijn,– raadsheer, wijze onder de werkmeesters en schrander in bezwering:  3. capitaine et dignitaire, conseiller, architecte et enchanteur.  

King James Bible. [3] The captain of fifty, and the honourable man, and the counseller, and the cunning artificer, and the eloquent orator.
Luther-Bibel. 3 Hauptleute und Vornehme, Ratsherren und Weise, Zauberer und Beschwörer.

Tekstuitleg van Js 3,3.

Js 3,4 - Js 3,4. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4kai epistèsô neaniskous archontas autôn kai empaiktai kurieusousin autôn  4 et dabo pueros principes eorum et effeminati dominabuntur eis     4 En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;   [4] Knapen geef Ik hun als vorsten, en willekeur zal over hen heersen.   [4] Hij stelt kinderen als koning aan, willekeur zal er regeren.   4 jongejongens zal ik hun geven als oversten,– spelende kinderen zullen over hen heersen.   4. Je leur donnerai comme princes des adolescents, et des gamins feront la loi chez eux.  

King James Bible. [4] And I will give children to be their princes, and babes shall rule over them.
Luther-Bibel. 4 Und ich will ihnen Knaben zu Fürsten geben, und Mutwillige sollen über sie herrschen.

Tekstuitleg van Js 3,4.

Js 3,5 - Js 3,5. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai sumpeseitai o laos anthrôpos pros anthrôpon kai anthrôpos pros ton plèsion autou proskopsei to paidion pros ton presbutèn o atimos pros ton entimon 5 et inruet populus vir ad virum unusquisque ad proximum suum tumultuabitur puer contra senem et ignobilis contra nobilem     5 En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.   [5] Onder het volk zal men elkaar aanvallen, de een de ander, ieder zijn naaste. Knapen zullen de ouderen lastig vallen, nietsnutten mannen van aanzien.   [5] De mensen zullen elkaar verdringen, man tegen man, de een tegen de ander; een kind staat op tegen zijn ouders, een nietsnut tegen een man van eer.   5 De gemeenschap zal opgedreven worden, man tegen man en man tegen makker; ze zullen losstormen, de jongejongen tegen de oudste, de nietsnut tegen de geëerde.   5. Les gens se molesteront l'un l'autre, et entre voisins; le jeune garçon s'en prendra au vieillard, l'homme de peu au notable.  

King James Bible. [5] And the people shall be oppressed, every one by another, and every one by his neighbour: the child shall behave himself proudly against the ancient, and the base against the honourable.
Luther-Bibel. 5 Und im Volk wird einer den andern bedrängen, ein jeder seinen Nächsten. Der Junge geht los auf den Alten und der Verachtete auf den Geehrten.

Tekstuitleg van Js 3,5.

Js 3,6 - Js 3,6. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6oti epilèmpsetai anthrôpos tou adelfou autou è tou oikeiou tou patros autou legôn imation echeis archègos èmôn genou kai to brôma to emon upo se estô  6 adprehendet enim vir fratrem suum domesticum patris sui vestimentum tibi est princeps esto noster ruina autem haec sub manu tua     6 Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;   [6] In* het ouderlijk huis zal de ene broer de andere vastgrijpen: ‘Jij hebt nog een mantel, wees dus onze leider, neem deze ruïne onder je hoede.’   [6] Een man grijpt in het ouderlijk huis zijn broer bij de arm en roept hem toe: ‘Jij hebt een mantel. Wees jij onze leider en ontferm je over deze chaos.’   6 Ja een man zal zijn broeders aangrijpen, het huis van zijn vaderen: ‘jij hebt een mantel, aanvoerder moet je over ons worden,– deze ruïne zij onder jouw hand!’   6. Oui, un homme saisira son frère dans la maison paternelle : « Tu as un manteau, tu seras notre chef, et cette chose branlante, qu'elle te soit confiée! » 

King James Bible. [6] When a man shall take hold of his brother of the house of his father, saying, Thou hast clothing, be thou our ruler, and let this ruin be under thy hand:
Luther-Bibel. 6 Dann wird einer seinen Nächsten, der in seines Vaters Hause ist, drängen: Du hast noch einen Mantel! Sei unser Herr! Dieser Trümmerhaufe sei unter deiner Hand!

Tekstuitleg van Js 3,6.

Js 3,7 - Js 3,7. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7kai apokritheis erei en tè èmera ekeinè ouk esomai sou archègos ou gar estin en tô oikô mou artos oude imation ouk esomai archègos tou laou toutou  7 respondebit in die illa dicens non sum medicus et in domo mea non est panis neque vestimentum nolite constituere me principem populi     7 Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.   [7] Maar de ander zal antwoorden: ‘Ik zal de verpleger niet zijn, ik heb voedsel noch kleren in huis, stel mij niet aan als leider van een volk.’   [7] Maar dan zal die zich verweren: ‘Verwacht niet dat ik jullie wonden heel. Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel. Stel mij niet aan als leider van het volk.’   7 Aanheffen zal hij op die dag en zeggen: ‘ik kan de wondenverbinder niet zijn, in mijn huis is geen brood en geen mantel,– ge moet mij niet maken tot aanvoerder van de manschap!’   7. Et l'autre, en ce jour-là, s'écriera : « Je ne suis pas un guérisseur; chez moi, il n'y a ni pain ni manteau, ne me faites pas chef du peuple! » 

King James Bible. [7] In that day shall he swear, saying, I will not be an healer; for in my house is neither bread nor clothing: make me not a ruler of the people.
Luther-Bibel. 7 Er aber wird sie zu der Zeit beschwören und sagen: Ich bin kein Arzt; es ist kein Brot und kein Mantel in meinem Hause! Macht mich nicht zum Herrn über das Volk!

Tekstuitleg van Js 3,7.

Js 3,8 - Js 3,8. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8oti aneitai ierousalèm kai è ioudaia sumpeptôken kai ai glôssai autôn meta anomias ta pros kurion apeithountes dioti nun etapeinôthè è doxa autôn  8 ruit enim Hierusalem et Iudas concidit quia lingua eorum et adinventiones eorum contra Dominum ut provocarent oculos maiestatis eius    8 Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en zijn handelingen tegen den HEERE zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren.  [8] Want Jeruzalem wankelt, Juda valt, omdat hun woorden en hun daden tegen de heer zijn gericht: zij tarten zijn grootsheid.  [8] Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen. Zij keren zich tegen de HEER in woord en daad, ze tarten hem openlijk in al zijn luister.   8 Ja, Jeruzalem is gestruikeld, Juda gevallen,– omdat hun tong en hun handelingen tegen de ENE zijn en zij de ogen van zijn eer trotseren.   8. Car Jérusalem a trébuché et Juda est tombé, oui, leurs paroles et leurs actes s'adressent à Yahvé, pour insulter ses regards glorieux.  

King James Bible. [8] For Jerusalem is ruined, and Judah is fallen: because their tongue and their doings are against the LORD, to provoke the eyes of his glory.
Luther-Bibel. 8 Denn Jerusalem ist gestrauchelt, und Juda liegt da, weil ihre Worte und ihr Tun wider den HERRN sind, dass sie seiner Majestät widerstreben.

Tekstuitleg van Js 3,8.

3. jërûsjâlaim (Jeruzalem). Taalgebruik in Tenach : jërûsjâlaim (Jeruzalem). Getalwaarde : jod = 10 , resj = 20 of 200 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , mem = 13 of 40 ; totaal : 82 (2 X 41) OF 586 (2 X 293). Structuur : 1 - 2 - 6 -3 - 3 - 4. Tenach (336). Js (26). Js 1-39 (13) : (1) Js 3,8. (2) Js 4,4. (3) Js 5,3. (4) Js 7,1. (5) Js 8,14. (6) Js 10,32. (7) Js 22,10. (8) Js 22,21. (9) Js 31,5. (10) Js 33,20. (11) Js 36,20. (12) Js 37,10. (13) Js 37,22. Js 40-66 (13) : (1) Js 40,2. (2) Js 40,9. (3) Js 51,17. (4) Js 52,1. (5) Js 52,2. (6) Js 52,9. (7) Js 62,1. (8) Js 62,6. (9) Js 62,7. (10) Js 64,9. (11) Js 65,18. (12) Js 66,10. (13) Js 66,20. Gr. hierousalèm (Jeruzalem). Taalgebruik in de Septuaginta : hierousalèm (Jeruzalem). Taalgebruik in Jesaja : hierousalèm (Jeruzalem). Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem). Bijbel (767). Js (47). Gr. hierosoluma (Jeruzalem). Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  .
- bïrûsjâlaim (in Jeruzalem). Tenach (178). Js (6) : (1) Js 4,3. (2) Js 27,13. (3) Js 28,14. (4) Js 30,19. (5) Js 31,9. (6) Js 65,19.
-- ûbïrûsjâlaim (in Jeruzalem). Tenach (22). Js (3) : (1) Js 10,12. (2) Js 24,23. (3) Js 66,13.
- lïrûsjâlaim (tot Jeruzalem). Tenach (29). Js (3) : (1) Js 10,11. (2) Js 44,26. (3) Js 44,28.
-- ûlïrûsjâlaim (en tot Jeruzalem). Tenach (9). Js (2) : (1) Js 36,7. (2) Js 41,27.
- mîrûsjâlaim (uit Jeruzalem) < min (uit) + jërûsjâlaim (Jeruzalem). Tenach (27). Js (4) : (1) Js 2,3. (2) Js 3,1. (3) Js 10,10. (4) Js 37,32.
- wîrûsjâlaim (en Jeruzalem). Tenach (33). Js (2) : (1) Js 1,1. (2) Js 2,1.

13. - khabhôd (heerlijkheid). Taalgebruik in Tenach : kabhôd (heerlijkheid). Taalgebruik in Jesaja : kabhôd (heerlijkheid). Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , beth = 2 , waw = 6 , daleth = 4. Totaal : 11 + 2 + 6 + 4 of 20 + 2 + 6 + 4 = 23 of 32. khabhod = 17. In het Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel). In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa. Lat. gloria. Fr. gloire. E. glory. Ned. heerlijkheid. D. Herrlichkeit. In veertien verzen in Js : (1) Js 4,5. (2) Js 11,10. (3) Js 16,14. (4) Js 17,4. (5) Js 21,16. (6) Js 22,23. (7) Js 22,24. (8) Js 24,23. (9) Js 35,2. (10) Js 40,5. (11) Js 42,12. (12) Js 58,8. (13) Js 60,13. (14) Js 66,12.
- ûkhëbhôd (en de heerlijkheid). Verbindingswoord waw en het zelfstandig naamwoord khabhôd (heerlijkheid).
- khebhôdô (zijn heerlijkheid)  . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , beth = 2 , waw = 6 , daleth = 4 , waw = 6. Totaal : 11 + 2 + 6 + 4 + 6 = 29 of 38. In vier verzen in Js : (1) Js 3,8. (2) Js 6,3. (3) Js 8,7. (4) Js 59,19.
- ûkhëbhôd (en de heerlijkheid). In zesentwintig verzen in de bijbel. In zeven verzen in combinatie met JHWH. In twee verzen in Js : (1) Js 40,5. (2) Js 58,8.
- ûkhëbhôdô (en zijn heerlijkheid). In twee verzen in de bijbel : (1) Js 5,13. (2) Js 60,2.

Js 3,9 - Js 3,9. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9kai è aischunè tou prosôpou autôn antestè autois tèn de amartian autôn ôs sodomôn anèggeilan kai enefanisan ouai tè psuchè autôn dioti bebouleuntai boulèn ponèran kath' eautôn  9 agnitio vultus eorum respondit eis et peccatum suum quasi Sodomae praedicaverunt nec absconderunt vae animae eorum quoniam reddita sunt eis mala     9 Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.   [9] Hun partijdigheid getuigt tegen hen: net als Sodom stallen zij hun zonden uit, geen enkele houden zij verborgen, tot hun eigen schade, de ongelukkigen: zij doen zichzelf ellende aan.   [9] Hun partijdigheid keert zich tegen hen, schaamteloos pronken ze met hun zonden, als Sodom. Wee hun, want ze berokkenen zichzelf kwaad.   9 ¶ Hun aanschijn wordt herkend en getuigt tegen hen; hun zonde, als die van Sodom, melden ze vrijuit,– verbergen ze niet; wee voor hun ziel, want ze hebben zichzelf kwaad berokkend!   9. Leur complaisance témoigne contre eux, ils étalent leur péché comme Sodome. Ils n'ont pas dissimulé, malheur à eux! car ils ont préparé leur propre ruine.  

King James Bible. [9] The shew of their countenance doth witness against them; and they declare their sin as Sodom, they hide it not. Woe unto their soul! for they have rewarded evil unto themselves.
Luther-Bibel. 9 Dass sie die Person ansehen, zeugt gegen sie; ihrer Sünde rühmen sie sich wie die Leute in Sodom und verbergen sie nicht. Wehe ihnen! Denn damit bringen sie sich selbst in alles Unglück.

Tekstuitleg van Js 3,9.

Js 3,10 - Js 3,10. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10eipontes dèsômen ton dikaion oti duschrèstos èmin estin toinun ta genèmata tôn ergôn autôn fagontai  10 dicite iusto quoniam bene quoniam fructum adinventionum suarum comedet     10 Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.   [10] De rechtvaardigen zullen gelukkig* zijn, want het gaat hun goed. Zij verteren de vrucht van hun arbeid.   [10] Gelukkig de rechtvaardige,* het gaat hem goed, hij zal de vruchten plukken van zijn daden.  10 Zegt van de rechtvaardige dat het hem goed gaat,– dat zij de vrucht van hun handelingen zullen eten.   10. Dites : le juste, qu'il est heureux! car il se nourrira du fruit de ses actes.  

King James Bible. [10] Say ye to the righteous, that it shall be well with him: for they shall eat the fruit of their doings.
Luther-Bibel. 10 Heil den Gerechten, sie haben es gut! Denn sie werden die Frucht ihrer Werke genießen.

Tekstuitleg van Js 3,10.

Js 3,11 - Js 3,11. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11ouai tô anomô ponèra kata ta erga tôn cheirôn autou sumbèsetai autô  11 vae impio in malum retributio enim manuum eius fiet ei     11 Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.   [11] Wee de slechte mens, want hem zal het slecht vergaan: hij wordt beoordeeld naar het werk van zijn handen.   [11] Wee de goddeloze, hem gaat het slecht, al wat hij doet wordt hem vergolden.   11 Wee de boosdoener, kwaad wacht hem,– want wat zijn handen berokkenden wordt aan hemzelf gedaan.   11. Malheur au méchant, malfaisant! car il sera traité selon ses œuvres. 

King James Bible. [11] Woe unto the wicked! it shall be ill with him: for the reward of his hands shall be given him.
Luther-Bibel. 11 Wehe aber den Gottlosen, sie haben es schlecht! Denn es wird ihnen vergolten werden, wie sie es verdienen.

Tekstuitleg van Js 3,11.

Js 3,12 - Js 3,12. Anarchie in Jeruzalem - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,1 - Js 3,2 - Js 3,3 - Js 3,4 - Js 3,5 - Js 3,6 - Js 3,7 - Js 3,8 - Js 3,9 - Js 3,10 - Js 3,11 - Js 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12laos mou oi praktores umôn kalamôntai umas kai oi apaitountes kurieuousin umôn laos mou oi makarizontes umas planôsin umas kai ton tribon tôn podôn umôn tarassousin  12 populum meum exactores sui spoliaverunt et mulieres dominatae sunt eius popule meus qui beatum te dicunt ipsi te decipiunt et viam gressuum tuorum dissipant     12 De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.   [12] Mijn volk wordt door woekeraars uitgebuit en door afpersers overheerst. Mijn volk, uw leiders laten u verdwalen, en verwarren de wegen voor u. [12] Door tirannen wordt mijn volk uitgebuit, woekeraars* heersen erover. Mijn volk, jullie leiders zijn verleiders, zij brengen jullie op een dwaalspoor.   12 Mijn gemeente wordt gedreven door kinderen, vrouwen heersen over hem; gemeente van mij, die je moeten leiden laten je dwalen en de weg van jouw paden hebben ze verward! ••   12. O mon peuple, ses oppresseurs le mettent au pillage, et des exacteurs font la loi chez lui. O mon peuple, tes guides t'égarent, ils ont effacé les chemins que tu suis.  

King James Bible. [12] As for my people, children are their oppressors, and women rule over them. O my people, they which lead thee cause thee to err, and destroy the way of thy paths.
Luther-Bibel. 12 Kinder sind Gebieter meines Volks, und Frauen beherrschen es. Mein Volk, deine Führer verführen dich und verwirren den Weg, den du gehen sollst!

Tekstuitleg van Js 3,12.

- Js 3,13-15. De HEER klaagt aan  - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,13 - Js 3,14 - Js 3,15 -

Js 3,13 - Js 3,13. De HEER klaagt aan  - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,13 - Js 3,14 - Js 3,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13alla nun katastèsetai eis krisin kurios kai stèsei eis krisin ton laon autou  13 stat ad iudicandum Dominus et stat ad iudicandos populos     13 De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.   [13] De heer maakt zich gereed voor een geding, Hij staat klaar om zijn volk recht te verschaffen.   [13] De HEER bereidt zijn rechtsgeding voor, hij staat klaar om over volken vonnis te wijzen.   13 Geposteerd voor het geding staat de ENE,– hij staat klaar om gemeenschappen te oordelen.  13. Yahvé s'est levé pour accuser, il est debout pour juger les peuples. 

King James Bible. [13] The LORD standeth up to plead, and standeth to judge the people.
Luther-Bibel. 13 Der HERR steht da zum Gericht und ist aufgetreten, sein Volk zu richten.

Tekstuitleg van Js 3,13.

6. mann. mv. `ammîm (volkeren) van het zelfst. naamw. `am (volk) OF `im (met). Taalgebruik in Tenach : `am (volk). Taalgebruik in Jesaja : `am (volk). Gr. laos (volk). Taalgebruik in de Septuaginta : laos (volk). Taalgebruik in het N.T. : laos (volk). Lat. populus. Fr. peuple. E. people. Ned. volk. Een vorm van laos (volk) in de LXX (2064) , in het N.T. (141). Tenach (78). Js (15) : (1) Js 2,3. (2) Js 3,13. (3) Js 8,9. (4) Js 10,13. (5) Js 11,10. (6) Js 14,2. (7) Js 14,6. (8) Js 17,12. (9) Js 30,28. (10) Js 33,3. (11) Js 33,12. (12) Js 49,22. (13) Js 51,4. (14) Js 51,5. (15) Js 63,6.

Js 3,14 - Js 3,14. De HEER klaagt aan  - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,13 - Js 3,14 - Js 3,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14autos kurios eis krisin èxei meta tôn presbuterôn tou laou kai meta tôn archontôn autou umeis de ti enepurisate ton ampelôna mou kai è arpagè tou ptôchou en tois oikois umôn  14 Dominus ad iudicium veniet cum senibus populi sui et principibus eius vos enim depasti estis vineam meam et rapina pauperis in domo vestra    14 De HEERE komt ten gerichte tegen de oudsten Zijns volks en deszelfs vorsten, want gijlieden hebt dezen wijngaard verteerd; de roof des ellendigen is in uwe huizen.   [14] De heer spant een proces aan tegen de oudsten en de leiders van zijn volk: ‘U hebt de wijngaarden leeggeplunderd, met het geroofde goed van de armen uw huizen gevuld.   [14] Zo luidt de aanklacht van de HEER tegen de oudsten en de vorsten van zijn volk: Jullie hebben mijn wijngaard in brand gestoken en jullie huizen gevuld met wat je de armen ontnam.   14 De ENE zelf komt in het gericht met de oudsten van zijn gemeente, zijn oversten: gijlieden hebt de wijngaard kaalgeplukt, wat geroofd is van de gebogene ligt in úw huizen;   14. Yahvé entre en jugement, avec les anciens et les princes de son peuple : « C'est vous qui avez dévasté la vigne, la dépouille du malheureux est dans vos maisons.  

King James Bible. [14] The LORD will enter into judgment with the ancients of his people, and the princes thereof: for ye have eaten up the vineyard; the spoil of the poor is in your houses.
Luther-Bibel. 14 Der HERR geht ins Gericht mit den Ältesten seines Volks und mit seinen Fürsten: Ihr habt den Weinberg abgeweidet, und was ihr den Armen geraubt, ist in eurem Hause.

Tekstuitleg van Js 3,14.

Js 3,15 - Js 3,15. De HEER klaagt aan  - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,13 - Js 3,14 - Js 3,15 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15ti umeis adikeite ton laon mou kai to prosôpon tôn ptôchôn kataischunete 15 quare adteritis populum meum et facies pauperum commolitis dicit Dominus Deus exercituum     15 Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, HEERE der heirscharen.   [15] Met welk recht vertrapt u mijn volk, verplettert u de armen?’ – godsspraak van de Heer, de god van de machten.  [15] Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen en de armen zo zwaar te mishandelen? – spreekt God, de HEER van de hemelse machten. Sions vrouwen te schande gezet   15 wat is er met u dat ge mijn gemeente stukstoot en het aanschijn van gebogenen vermaalt?– tijding van mijn Heer, de ENE, de Omschaarde. ••   15. De quel droit écraser mon peuple et broyer le visage des malheureux ? » Oracle du Seigneur Yahvé Sabaot. Les femmes de Jérusalem.  

King James Bible. [15] What mean ye that ye beat my people to pieces, and grind the faces of the poor? saith the LORD GOD of hosts.
Luther-Bibel. 15 Warum zertretet ihr mein Volk und zerschlagt das Angesicht der Elenden?, spricht Gott, der HERR Zebaoth.

Tekstuitleg van Js 3,15.

- Js 3,16-24. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -

Js 3,16 - Js 3,16. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16tade legei kurios anth' ôn upsôthèsan ai thugateres siôn kai eporeuthèsan upsèlô trachèlô kai en neumasin ofthalmôn kai tè poreia tôn podôn ama surousai tous chitônas kai tois posin ama paizousai  16 et dixit Dominus pro eo quod elevatae sunt filiae Sion et ambulaverunt extento collo et nutibus oculorum ibant et plaudebant ambulabant et in pedibus suis conposito gradu incedebant     16 Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.   [16] Dit zegt de heer: ‘Omdat* de dochters van Sion zo verwaand zijn, omdat ze rondlopen met geheven hoofd, met lonkende ogen, met trippelende pasjes, met rinkelende ringen aan hun enkels,   [16] De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken.   16 ¶ De ENE zegt: omdat ze hoogmoedig zijn, de dochters van Sion, voortgaan met gestrekte keel en lonkende ogen,– met trippelende gang hun weg gaan en met hun voeten rinkelen,  16. Yahvé dit : Parce qu'elles font les fières, les filles de Sion, qu'elles vont le cou tendu et les yeux provocants, qu'elles vont à pas menus, en faisant sonner les anneaux de leurs pieds,  

King James Bible. [16] Moreover the LORD saith, Because the daughters of Zion are haughty, and walk with stretched forth necks and wanton eyes, walking and mincing as they go, and making a tinkling with their feet:
Luther-Bibel. 16 So hat der HERR gesprochen: Weil die Töchter Zions stolz sind und gehen mit aufgerecktem Halse, mit lüsternen Augen, trippeln daher und tänzeln und haben kostbare Schuhe an ihren Füßen,

Tekstuitleg van Js 3,16.

1. - 2. wajj´omèr JHWH (en JHWH zei). Tenach (204). Js (5) : (1) Js 3,16. (2) Js 7,3. (3) Js 8,1. (4) Js 8,3. (5) Js 20,3.

7. tsijjôn (Sion). Taalgebruik in Tenach : tsijjôn (Sion). Taalgebruik in Jesaja : tsijjôn (Sion). Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2 X 3) OF 156 (2³ X 3 X 13 OF 6 X 26). Structuur : 9 - 1 - 6 - 5. Gr. siôn (Sion). Bijbel (187). Js (53). Tenach (108). Js (36). Js 1-39 (23) : (1) Js 1,8. (2) Js 1,27. (3) Js 3,16. (4) Js 3,17. (5) Js 4,4. (6) Js 4,5. (7) Js 8,18. (8) Js 10,12. (9) Js 10,24. (10) Js 10,32. (11) Js 12,6. (12) Js 14,32. (13) Js 16,1. (14) Js 18,7. (15) Js 24,23. (16) Js 29,8. (17) Js 31,4. (18) Js 33,5. (19) Js 33,20. (20) Js 34,8. (21) Js 35,10. (22) Js 37,22. (23) Js 37,32. Js 40-55 (7) : (1) Js 40,9. (2) Js 49,14. (3) Js 51,3. (4) Js 51,11. (5) Js 52,1. (6) Js 52,2. (7) Js 52,8. Js 55-66 (5) : (1) Js 60,14. (2) Js 61,3. (3) Js 62,1. (4) Js 62,11. (5) Js 64,9. (6) Js 66,8.
- bath tsijjôn (dochter Sion). Tenach (19 + 4 = 23X). Js (4) : (1) Js 1,8. (2) Js 37,22. (3) Js 52,2. (4) Js 62,11. Zie ook be(j)th tsijjôn (huis van Sion) , slechts in Js 10,32.
-- ´èl har bath tsijjôn (naar de berg van de dochter van Sion). Tenach (1) Js 16,1.
-- har be(j)th tsijjôn (de berg van het huis van Sion) , slechts in Js 10,32.
- bëtsijjôn (in Sion) < bë + + tsijjôn (Sion). Tenach (28). Js (8) : (1) Js 4,3. (2) Js 25,5. (3) Js 28,16. (4) Js 30,19. (5) Js 31,9. (6) Js 32,2 (bëtsèjôn). (7) Js 33,14. (8) Js 46,13.
- lëtsijjôn (naar Sion) < lë + + tsijjôn (Sion). Tenach (5) : (1) Js 41,27. (2) Js 51,16. (3) Js 52,7. (4) Js 59,20. (5) Zach 8,2.
- mitstsijjôn (uit Sion) < min (uit) + tsijjôn (Sion). Tenach (12) : (1) Js 2,3. (2) Jr 9,18. (3) Jl 4,16. (4) Am 1,2. (5) Mi 4,2. (6) Ps 14,7. (7) Ps 50,2. (8) Ps 53,7. (9) Ps 110,2. (10) Ps 128,5. (11) Ps 134,3. (12) Ps 135,21.

Js 3,17 - Js 3,17. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17kai tapeinôsei o theos archousas thugateras siôn kai kurios apokalupsei to schèma autôn  17 decalvabit Dominus verticem filiarum Sion et Dominus crinem earum nudabit     17 Zo zal de HEERE den schedel der dochteren van Sion schurftig maken, en de HEERE zal haar schaamte ontbloten.   [17] zal de Heer de sluier afrukken van de schedels van Sions dochters, ontbloot de heer hun voorhoofd.’   [17] Daarom zal de HEER Sions vrouwen de sluier afrukken en hun voorhoofd ontbloten.   17 zal mijn Heer schurftig maken de schedel van Sions dochters,– zal de ENE haar slapen ontbloten.   17. le Seigneur rendra galeux le crâne des filles de Sion, Yahvé dénudera leur front.  

King James Bible. [17] Therefore the LORD will smite with a scab the crown of the head of the daughters of Zion, and the LORD will discover their secret parts.
Luther-Bibel. 17 deshalb wird der Herr den Scheitel der Töchter Zions kahl machen, und der HERR wird ihre Schläfe entblößen.

Tekstuitleg van Js 3,17.

5. tsijjôn (Sion). Taalgebruik in Tenach : tsijjôn (Sion). Taalgebruik in Jesaja : tsijjôn (Sion). Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 ; totaal : 48 (2³ X 2 X 3) OF 156 (2³ X 3 X 13 OF 6 X 26). Structuur : 9 - 1 - 6 - 5. Gr. siôn (Sion). Bijbel (187). Js (53). Tenach (108). Js (36). Js 1-39 (23) : (1) Js 1,8. (2) Js 1,27. (3) Js 3,16. (4) Js 3,17. (5) Js 4,4. (6) Js 4,5. (7) Js 8,18. (8) Js 10,12. (9) Js 10,24. (10) Js 10,32. (11) Js 12,6. (12) Js 14,32. (13) Js 16,1. (14) Js 18,7. (15) Js 24,23. (16) Js 29,8. (17) Js 31,4. (18) Js 33,5. (19) Js 33,20. (20) Js 34,8. (21) Js 35,10. (22) Js 37,22. (23) Js 37,32. Js 40-55 (7) : (1) Js 40,9. (2) Js 49,14. (3) Js 51,3. (4) Js 51,11. (5) Js 52,1. (6) Js 52,2. (7) Js 52,8. Js 55-66 (5) : (1) Js 60,14. (2) Js 61,3. (3) Js 62,1. (4) Js 62,11. (5) Js 64,9. (6) Js 66,8.
- bath tsijjôn (dochter Sion). Tenach (19 + 4 = 23X). Js (4) : (1) Js 1,8. (2) Js 37,22. (3) Js 52,2. (4) Js 62,11. Zie ook be(j)th tsijjôn (huis van Sion) , slechts in Js 10,32.
-- ´èl har bath tsijjôn (naar de berg van de dochter van Sion). Tenach (1) Js 16,1.
-- har be(j)th tsijjôn (de berg van het huis van Sion) , slechts in Js 10,32.
- bëtsijjôn (in Sion) < bë + + tsijjôn (Sion). Tenach (28). Js (8) : (1) Js 4,3. (2) Js 25,5. (3) Js 28,16. (4) Js 30,19. (5) Js 31,9. (6) Js 32,2 (bëtsèjôn). (7) Js 33,14. (8) Js 46,13.
- lëtsijjôn (naar Sion) < lë + + tsijjôn (Sion). Tenach (5) : (1) Js 41,27. (2) Js 51,16. (3) Js 52,7. (4) Js 59,20. (5) Zach 8,2.
- mitstsijjôn (uit Sion) < min (uit) + tsijjôn (Sion). Tenach (12) : (1) Js 2,3. (2) Jr 9,18. (3) Jl 4,16. (4) Am 1,2. (5) Mi 4,2. (6) Ps 14,7. (7) Ps 50,2. (8) Ps 53,7. (9) Ps 110,2. (10) Ps 128,5. (11) Ps 134,3. (12) Ps 135,21.

Js 3,18 - Js 3,18. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18en tè èmera ekeinè kai afelei kurios tèn doxan tou imatismou autôn kai tous kosmous autôn kai ta emplokia kai tous kosumbous kai tous mèniskous  18 in die illa auferet Dominus ornatum calciamentorum et lunulas    18 Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes,  [18] Op* die dag ontneemt de Heer hun alle sieraden: voetringen, zonnetjes en maantjes,   [18] Op die dag neemt hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes,   18 Te dien dage zal mijn Heer wegdoen de luister van die voetringen, voorhoofdsbanden en halvemaantjes,  18. Ce jour-là le Seigneur ôtera l'ornement de chaînettes, les médaillons et les croissants,  

King James Bible. [18] In that day the Lord will take away the bravery of their tinkling ornaments about their feet, and their cauls, and their round tires like the moon,
Luther-Bibel. 18 Zu der Zeit wird der Herr den Schmuck an den kostbaren Schuhen wegnehmen und die Stirnbänder, die Spangen,

Tekstuitleg van Js 3,18.

Js 3,19 - Js 3,19. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai to kathema kai ton kosmon tou prosôpou autôn  19 et torques et monilia et armillas et mitras     19 De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen,  [19] oorbellen en armbanden, sluiers   [19] hun oorringen, armbanden en sluiers,   19 oorhangers, armbanden en sluiers,  19. les pendentifs, les bracelets, les breloques,  

King James Bible. [19] The chains, and the bracelets, and the mufflers,
Luther-Bibel. 19 die Ohrringe, die Armspangen, die Schleier,

Tekstuitleg van Js 3,19.

Js 3,20 - Js 3,20. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai tèn sunthesin tou kosmou tès doxès kai tous chlidônas kai ta pselia kai to emplokion kai ta peridexia kai tous daktulious kai ta enôtia  20 discriminalia et periscelidas et murenulas et olfactoriola et inaures    20 De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,   [20] en hoofddoeken, beenkettinkjes en linten, parfumdozen en amuletten,   [20] hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten,   20 tulbanden, voetkettingen en linten, zielehuisjes en amuletten,  20. les diadèmes et les chaînettes de chevilles, les parures, les boîtes à parfums et les amulettes,  

King James Bible. [20] The bonnets, and the ornaments of the legs, and the headbands, and the tablets, and the earrings,
Luther-Bibel. 20 die Hauben, die Schrittkettchen, die Gürtel, die Riechfläschchen, die Amulette,

Tekstuitleg van Js 3,20.

Js 3,21 - Js 3,21. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21kai ta periporfura kai ta mesoporfura  21 et anulos et gemmas in fronte pendentes    21 De ringen en de voorhoofdsierselen,  [21] vingerringen en neusringen,   [21] de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus,   21 vingerringen en ringen door de neus,   21. les bagues et les anneaux de narines,  

King James Bible. [21] The rings, and nose jewels,
Luther-Bibel. 21 die Fingerringe, die Nasenringe,

Tekstuitleg van Js 3,21.

Js 3,22 - Js 3,22. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22kai ta epiblèmata ta kata tèn oikian kai ta diafanè lakônika 22 et mutatoria et pallia et linteamina et acus     22 De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels,  [22] rijke kleren, mantels en overgooiers, tasjes   [22] hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes,   22 feestgewaden en stola’s, omslagdoeken en tasjes,   22. les vêtements de fête et les manteaux, les écharpes et les bourses,  

King James Bible. [22] The changeable suits of apparel, and the mantles, and the wimples, and the crisping pins,
Luther-Bibel. 22 die Feierkleider, die Mäntel, die Tücher, die Täschchen,

Tekstuitleg van Js 3,22.

Js 3,23 - Js 3,23. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai ta bussina kai ta uakinthina kai ta kokkina kai tèn busson sun chrusiô kai uakinthô sugkathufasmena kai theristra kataklita  23 et specula et sindones et vittas et theristra     23 De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers.   [23] en spiegeltjes, fijn linnen, mutsen en sjaals.   [23] hun doorschijnende gewaden, hemdjes, schouderdoeken en sjaals.   23 handspiegels en hemdjes, mutsen en sjaals.   23. les miroirs, les linges fins, les turbans et les mantilles.  

King James Bible. [23] The glasses, and the fine linen, and the hoods, and the vails.
Luther-Bibel. 23 die Spiegel, die Hemden, die Kopftücher, die Überwürfe.

Tekstuitleg van Js 3,23.

Js 3,23.2. וְהַסִּידִים = wëhassëdînîm < prefix verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. mann. mv. סְדִינִים = sëdînîm (onderkleren) van het zelfst. naamw. סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Taalgebruik in Tenakh : sâdîn (onderkleed, linnen hemd). Getalwaarde : samekh = 15 of 60 , daleth = 4 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 124 (2² X 31). Structuur : 6 - 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (2) : (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4) : (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24.
- Latijn. acc. mann. mv. sindones van het zelfst. naamw. sindon , -onis. Bijbel (3) : (1) Re 14,12. (2) Re 14,13. (3) Js 3,23 .
- Ned. satijn , zijde. Fr. toile = weefsel van linnen , hennep of katoen , afkomstig uit : Lat. tela (tex-la) , texere = weven (Fr. tiser). E. linen. D. Leinentuch. Ned. linnen. Lat. linum (vlas). Gr. lineos. Fr. lin.

Js 3,24 - Js 3,24. Wee de trotse vrouwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,16 - Js 3,17 - Js 3,18 - Js 3,19 - Js 3,20 - Js 3,21 - Js 3,22 - Js 3,23 - Js 3,24 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24kai estai anti osmès èdeias koniortos kai anti zônès schoiniô zôsè kai anti tou kosmou tès kefalès tou chrusiou falakrôma exeis dia ta erga sou kai anti tou chitônos tou mesoporfurou perizôsè sakkon  24 et erit pro suavi odore fetor et pro zona funiculus et pro crispanti crine calvitium et pro fascia pectorali cilicium    24 En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.   [24] Stank zal er zijn in plaats van parfum, een touw in plaats van een gordel, kale hoofden in plaats van mooie vlechten, een rouwkleed in plaats van fijne gewaden, een brandmerk in plaats van schoonheid.   [24] Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid.   24 Wezen zal het: in plaats van balsem zal er verrotting wezen, in plaats van een gordel een touw, in plaats van haarvlechten een kaal hoofd, in plaats van een robe omgording met een rouwzak; een brandmerk in plaats van schoonheid!  24. Alors, au lieu de baume, ce sera la pourriture, au lieu de ceinture, une corde, au lieu de coiffure, la tête rase, au lieu d'une robe d'apparat, un pagne de grosse toile, et la marque au fer rouge au lieu de beauté.  

King James Bible. [24] And it shall come to pass, that instead of sweet smell there shall be stink; and instead of a girdle a rent; and instead of well set hair baldness; and instead of a stomacher a girding of sackcloth; and burning instead of beauty.
Luther-Bibel. 24 Und es wird Gestank statt Wohlgeruch sein und ein Strick statt eines Gürtels und eine Glatze statt lockigen Haars und statt des Prachtgewandes ein Sack, Brandmal statt Schönheit.

Tekstuitleg van Js 3,24.

- Js 3,25-26. Nood van de weduwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,25-26 -- Js 3,25 - Js 3,26 -

Js 3,25 - Js 3,25. Nood van de weduwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,25-26 -- Js 3,25 - Js 3,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25kai o uios sou o kallistos on agapas machaira peseitai kai oi ischuontes umôn machaira pesountai 25 pulcherrimi quoque viri tui gladio cadent et fortes tui in proelio     25 Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.  [25] Uw mannen zullen vallen door het zwaard, uw keurtroepen in de oorlog.   [25] Sions mannen zullen vallen door het zwaard, haar soldaten sneuvelen in de strijd.   25 Je lieden zullen vallen door het zwaard,– wat je aan helden hebt in de oorlog.   25. Tes hommes tomberont sous l'épée, et tes braves dans le combat. 

King James Bible. [25] Thy men shall fall by the sword, and thy mighty in the war.
Luther-Bibel. 25 Deine Männer werden durchs Schwert fallen und deine Krieger im Kampf.

Tekstuitleg van Js 3,25.

Js 3,26 - Js 3,26. Nood van de weduwen - bijbeloverzicht -- Js (Jesaja) -- Js 3 -- bijbelverwijzingen -- Js 3,1-12 -- Js 3,13-15 -- Js 3,16-24 -- Js 3,25-26 -- Js 3,25 - Js 3,26 -
Griekse tekst Vulgaat MT Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem

26kai tapeinôthèsontai kai penthèsousin ai thèkai tou kosmou umôn kai kataleifthèsè monè kai eis tèn gèn edafisthèsè

 
26 et maerebunt atque lugebunt portae eius et desolata in terra sedebit     26 En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.  [26] Dan klagen en rouwen de poorten van Sion, vereenzaamd zit zij op de grond.   [26] Rouw en droefenis heersen in haar poorten. Berooid hurkt Sion neer op de grond.  26 Klagen en rouwen zullen haar poorten,– uitgeschud zal zij neerzitten ter aarde.   26. Ses portes gémiront et seront dans le deuil; désertée, elle s'assiéra par terre. 

King James Bible. [26] And her gates shall lament and mourn; and she being desolate shall sit upon the ground.
Luther-Bibel. 26 Und Zions Tore werden trauern und klagen, und sie wird leer und einsam auf der Erde sitzen.

Tekstuitleg van Js 3,26.


MASORETISCHE TEKST (MT)

Isaiah Chapter 3 יְשַׁעְיָהוּ

א  כִּי הִנֵּה הָאָדוֹן יְהוָה צְבָאוֹת, מֵסִיר מִירוּשָׁלִַם וּמִיהוּדָה, מַשְׁעֵן, וּמַשְׁעֵנָה:  כֹּל, מִשְׁעַן-לֶחֶם, וְכֹל, מִשְׁעַן-מָיִם. 1 For, behold, the Lord, the LORD of hosts, doth take away from Jerusalem and from Judah stay and staff, every stay of bread, and every stay of water;
ב  גִּבּוֹר, וְאִישׁ מִלְחָמָה; שׁוֹפֵט וְנָבִיא, וְקֹסֵם וְזָקֵן. 2 The mighty man, and the man of war; the judge, and the prophet, and the diviner, and the elder;
ג  שַׂר-חֲמִשִּׁים, וּנְשׂוּא פָנִים; וְיוֹעֵץ וַחֲכַם חֲרָשִׁים, וּנְבוֹן לָחַשׁ. 3 The captain of fifty, and the man of rank, and the counsellor, and the cunning charmer, and the skilful enchanter.
ד  וְנָתַתִּי נְעָרִים, שָׂרֵיהֶם; וְתַעֲלוּלִים, יִמְשְׁלוּ-בָם. 4 And I will give children to be their princes, and babes shall rule over them.
ה  וְנִגַּשׂ הָעָם, אִישׁ בְּאִישׁ וְאִישׁ בְּרֵעֵהוּ; יִרְהֲבוּ, הַנַּעַר בַּזָּקֵן, וְהַנִּקְלֶה, בַּנִּכְבָּד. 5 And the people shall oppress one another, every man his fellow, and every man his neighbour; the child shall behave insolently against the aged, and the base against the honourable,
ו  כִּי-יִתְפֹּשׂ אִישׁ בְּאָחִיו, בֵּית אָבִיו, שִׂמְלָה לְכָה, קָצִין תִּהְיֶה-לָּנוּ; וְהַמַּכְשֵׁלָה הַזֹּאת, תַּחַת יָדֶךָ. 6 For a man shall take hold of his brother of the house of his father: 'Thou hast a mantle, be thou our ruler, and let this ruin be under thy hand.'
ז  יִשָּׂא בַיּוֹם הַהוּא לֵאמֹר, לֹא-אֶהְיֶה חֹבֵשׁ, וּבְבֵיתִי, אֵין לֶחֶם וְאֵין שִׂמְלָה; לֹא תְשִׂימֻנִי, קְצִין עָם. 7 In that day shall he swear, saying: 'I will not be a healer; for in my house is neither bread nor a mantle; ye shall not make me ruler of a people.'
ח  כִּי כָשְׁלָה יְרוּשָׁלִַם, וִיהוּדָה נָפָל:  כִּי-לְשׁוֹנָם וּמַעַלְלֵיהֶם אֶל-יְהוָה, לַמְרוֹת עֵנֵי כְבוֹדוֹ. 8 For Jerusalem is ruined, and Judah is fallen; because their tongue and their doings are against the LORD, to provoke the eyes of His glory.
ט  הַכָּרַת פְּנֵיהֶם עָנְתָה בָּם, וְחַטָּאתָם כִּסְדֹם הִגִּידוּ לֹא כִחֵדוּ; אוֹי לְנַפְשָׁם, כִּי-גָמְלוּ לָהֶם רָעָה. 9 The show of their countenance doth witness against them; and they declare their sin as Sodom, they hide it not. Woe unto their soul! for they have wrought evil unto themselves.
י  אִמְרוּ צַדִּיק, כִּי-טוֹב:  כִּי-פְרִי מַעַלְלֵיהֶם, יֹאכֵלוּ. 10 Say ye of the righteous, that it shall be well with him; for they shall eat the fruit of their doings.
יא  אוֹי, לְרָשָׁע רָע:  כִּי-גְמוּל יָדָיו, יֵעָשֶׂה לּוֹ. 11 Woe unto the wicked! it shall be ill with him; for the work of his hands shall be done to him.
יב  עַמִּי נֹגְשָׂיו מְעוֹלֵל, וְנָשִׁים מָשְׁלוּ בוֹ; עַמִּי מְאַשְּׁרֶיךָ מַתְעִים, וְדֶרֶךְ אֹרְחֹתֶיךָ בִּלֵּעוּ.  {פ} 12 As for My people, a babe is their master, and women rule over them. O My people, they that lead thee cause thee to err, and destroy the way of thy paths. {P}
יג  נִצָּב לָרִיב, יְהוָה; וְעֹמֵד, לָדִין עַמִּים. 13 The LORD standeth up to plead, and standeth to judge the peoples.
יד  יְהוָה בְּמִשְׁפָּט יָבוֹא, עִם-זִקְנֵי עַמּוֹ וְשָׂרָיו; וְאַתֶּם בִּעַרְתֶּם הַכֶּרֶם, גְּזֵלַת הֶעָנִי בְּבָתֵּיכֶם. 14 The LORD will enter into judgment with the elders of His people, and the princes thereof: 'It is ye that have eaten up the vineyard; the spoil of the poor is in your houses;
טו  מלכם (מַה-לָּכֶם) תְּדַכְּאוּ עַמִּי, וּפְנֵי עֲנִיִּים תִּטְחָנוּ:  נְאֻם-אֲדֹנָי יְהוִה, צְבָאוֹת.  {ס} 15 What mean ye that ye crush My people, and grind the face of the poor?' saith the Lord, the GOD of hosts. {S}
טז  וַיֹּאמֶר יְהוָה, יַעַן כִּי גָבְהוּ בְּנוֹת צִיּוֹן, וַתֵּלַכְנָה נטוות (נְטוּיוֹת) גָּרוֹן, וּמְשַׂקְּרוֹת עֵינָיִם; הָלוֹךְ וְטָפֹף תֵּלַכְנָה, וּבְרַגְלֵיהֶם תְּעַכַּסְנָה. 16 Moreover the LORD said: Because the daughters of Zion are haughty, and walk with stretched-forth necks and wanton eyes, walking and mincing as they go, and making a tinkling with their feet;
יז  וְשִׂפַּח אֲדֹנָי, קָדְקֹד בְּנוֹת צִיּוֹן; וַיהוָה, פָּתְהֵן יְעָרֶה.  {ס} 17 Therefore the Lord will smite with a scab the crown of the head of the daughters of Zion, and the LORD will lay bare their secret parts. {S}
יח  בַּיּוֹם הַהוּא יָסִיר אֲדֹנָי, אֵת תִּפְאֶרֶת הָעֲכָסִים וְהַשְּׁבִיסִים--וְהַשַּׂהֲרֹנִים. 18 In that day the Lord will take away the bravery of their anklets, and the fillets, and the crescents;
יט  הַנְּטִפוֹת וְהַשֵּׁירוֹת, וְהָרְעָלוֹת. 19 the pendants, and the bracelets, and the veils;
כ  הַפְּאֵרִים וְהַצְּעָדוֹת וְהַקִּשֻּׁרִים, וּבָתֵּי הַנֶּפֶשׁ וְהַלְּחָשִׁים. 20 the headtires, and the armlets, and the sashes, and the corselets, and the amulets;
כא  הַטַּבָּעוֹת, וְנִזְמֵי הָאָף. 21 the rings, and the nose-jewels;
כב  הַמַּחֲלָצוֹת, וְהַמַּעֲטָפוֹת, וְהַמִּטְפָּחוֹת, וְהָחֲרִיטִים. 22 the aprons, and the mantelets, and the cloaks, and the girdles;
כג  וְהַגִּלְיֹנִים, וְהַסְּדִינִים, וְהַצְּנִיפוֹת, וְהָרְדִידִים. 23 and the gauze robes, and the fine linen, and the turbans, and the mantles.
כד  וְהָיָה תַחַת בֹּשֶׂם מַק יִהְיֶה, וְתַחַת חֲגוֹרָה נִקְפָּה וְתַחַת מַעֲשֶׂה מִקְשֶׁה קָרְחָה, וְתַחַת פְּתִיגִיל, מַחֲגֹרֶת שָׂק:  כִּי-תַחַת, יֹפִי. 24 And it shall come to pass, that instead of sweet spices there shall be rottenness; and instead of a girdle rags; and instead of curled hair baldness; and instead of a stomacher a girding of sackcloth; branding instead of beauty.
כה  מְתַיִךְ, בַּחֶרֶב יִפֹּלוּ; וּגְבוּרָתֵךְ, בַּמִּלְחָמָה. 25 Thy men shall fall by the sword, and thy mighty in the war.
כו  וְאָנוּ וְאָבְלוּ, פְּתָחֶיהָ; וְנִקָּתָה, לָאָרֶץ תֵּשֵׁב. 26 And her gates shall lament and mourn; and utterly bereft she shall sit upon the ground.

 

SEPTUAGINTA

3 1idou dè o despotès kurios sabaôth afelei apo tès ioudaias kai apo ierousalèm ischuonta kai ischuousan ischun artou kai ischun udatos2giganta kai ischuonta kai anthrôpon polemistèn kai dikastèn kai profètèn kai stochastèn kai presbuteron3kai pentèkontarchon kai thaumaston sumboulon kai sofon architektona kai suneton akroatèn4kai epistèsô neaniskous archontas autôn kai empaiktai kurieusousin autôn5kai sumpeseitai o laos anthrôpos pros anthrôpon kai anthrôpos pros ton plèsion autou proskopsei to paidion pros ton presbutèn o atimos pros ton entimon6oti epilèmpsetai anthrôpos tou adelfou autou è tou oikeiou tou patros autou legôn imation echeis archègos èmôn genou kai to brôma to emon upo se estô7kai apokritheis erei en tè èmera ekeinè ouk esomai sou archègos ou gar estin en tô oikô mou artos oude imation ouk esomai archègos tou laou toutou8oti aneitai ierousalèm kai è ioudaia sumpeptôken kai ai glôssai autôn meta anomias ta pros kurion apeithountes dioti nun etapeinôthè è doxa autôn9kai è aischunè tou prosôpou autôn antestè autois tèn de amartian autôn ôs sodomôn anèggeilan kai enefanisan ouai tè psuchè autôn dioti bebouleuntai boulèn ponèran kath' eautôn10eipontes dèsômen ton dikaion oti duschrèstos èmin estin toinun ta genèmata tôn ergôn autôn fagontai11ouai tô anomô ponèra kata ta erga tôn cheirôn autou sumbèsetai autô12laos mou oi praktores umôn kalamôntai umas kai oi apaitountes kurieuousin umôn laos mou oi makarizontes umas planôsin umas kai ton tribon tôn podôn umôn tarassousin13alla nun katastèsetai eis krisin kurios kai stèsei eis krisin ton laon autou14autos kurios eis krisin èxei meta tôn presbuterôn tou laou kai meta tôn archontôn autou umeis de ti enepurisate ton ampelôna mou kai è arpagè tou ptôchou en tois oikois umôn15ti umeis adikeite ton laon mou kai to prosôpon tôn ptôchôn kataischunete16tade legei kurios anth' ôn upsôthèsan ai thugateres siôn kai eporeuthèsan upsèlô trachèlô kai en neumasin ofthalmôn kai tè poreia tôn podôn ama surousai tous chitônas kai tois posin ama paizousai17kai tapeinôsei o theos archousas thugateras siôn kai kurios apokalupsei to schèma autôn18en tè èmera ekeinè kai afelei kurios tèn doxan tou imatismou autôn kai tous kosmous autôn kai ta emplokia kai tous kosumbous kai tous mèniskous19kai to kathema kai ton kosmon tou prosôpou autôn20kai tèn sunthesin tou kosmou tès doxès kai tous chlidônas kai ta pselia kai to emplokion kai ta peridexia kai tous daktulious kai ta enôtia21kai ta periporfura kai ta mesoporfura22kai ta epiblèmata ta kata tèn oikian kai ta diafanè lakônika23kai ta bussina kai ta uakinthina kai ta kokkina kai tèn busson sun chrusiô kai uakinthô sugkathufasmena kai theristra kataklita24kai estai anti osmès èdeias koniortos kai anti zônès schoiniô zôsè kai anti tou kosmou tès kefalès tou chrusiou falakrôma exeis dia ta erga sou kai anti tou chitônos tou mesoporfurou perizôsè sakkon25kai o uios sou o kallistos on agapas machaira peseitai kai oi ischuontes umôn machaira pesountai26kai tapeinôthèsontai kai penthèsousin ai thèkai tou kosmou umôn kai kataleifthèsè monè kai eis tèn gèn edafisthèsè


VULGAAT

1 ecce enim Dominator Deus exercituum auferet ab Hierusalem et ab Iuda validum et fortem omne robur panis et omne robur aquae 2 fortem et virum bellatorem iudicem et prophetam et ariolum et senem 3 principem super quinquaginta et honorabilem vultu et consiliarium sapientem de architectis et prudentem eloquii mystici 4 et dabo pueros principes eorum et effeminati dominabuntur eis 5 et inruet populus vir ad virum unusquisque ad proximum suum tumultuabitur puer contra senem et ignobilis contra nobilem 6 adprehendet enim vir fratrem suum domesticum patris sui vestimentum tibi est princeps esto noster ruina autem haec sub manu tua 7 respondebit in die illa dicens non sum medicus et in domo mea non est panis neque vestimentum nolite constituere me principem populi 8 ruit enim Hierusalem et Iudas concidit quia lingua eorum et adinventiones eorum contra Dominum ut provocarent oculos maiestatis eius 9 agnitio vultus eorum respondit eis et peccatum suum quasi Sodomae praedicaverunt nec absconderunt vae animae eorum quoniam reddita sunt eis mala 10 dicite iusto quoniam bene quoniam fructum adinventionum suarum comedet 11 vae impio in malum retributio enim manuum eius fiet ei 12 populum meum exactores sui spoliaverunt et mulieres dominatae sunt eius popule meus qui beatum te dicunt ipsi te decipiunt et viam gressuum tuorum dissipant 13 stat ad iudicandum Dominus et stat ad iudicandos populos 14 Dominus ad iudicium veniet cum senibus populi sui et principibus eius vos enim depasti estis vineam meam et rapina pauperis in domo vestra 15 quare adteritis populum meum et facies pauperum commolitis dicit Dominus Deus exercituum 16 et dixit Dominus pro eo quod elevatae sunt filiae Sion et ambulaverunt extento collo et nutibus oculorum ibant et plaudebant ambulabant et in pedibus suis conposito gradu incedebant 17 decalvabit Dominus verticem filiarum Sion et Dominus crinem earum nudabit 18 in die illa auferet Dominus ornatum calciamentorum et lunulas 19 et torques et monilia et armillas et mitras 20 discriminalia et periscelidas et murenulas et olfactoriola et inaures 21 et anulos et gemmas in fronte pendentes 22 et mutatoria et pallia et linteamina et acus 23 et specula et sindones et vittas et theristra 24 et erit pro suavi odore fetor et pro zona funiculus et pro crispanti crine calvitium et pro fascia pectorali cilicium 25 pulcherrimi quoque viri tui gladio cadent et fortes tui in proelio 26 et maerebunt atque lugebunt portae eius et desolata in terra sedebit