Tenakh TAALGEBRUIK C
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel: http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.


Overzicht van Tenakh: Tenakh: overzicht, Tenakh: taalgebruik - Tenakh A - Tenakh B - Tenakh C - Tenakh D - Tenakh E - Tenakh F - Tenakh G - Tenakh H - Tenakh I - Tenakh J - Tenakh K - Tenakh L - Tenakh M - Tenakh N - Tenakh O - Tenakh P - Tenakh Q - Tenakh R - Tenakh S - Tenakh T - Tenakh U - Tenakh V - Tenakh W - Tenakh X -Tenakh Y - Tenakh Z - Tenakh: commentaar,
Zie ook bijbeloverzicht.


- châbasj (verbinden, omwinden, zadelen). חָבַשׁ = châbasj (verbinden, omwinden, zadelen). Taalgebruik in Tenakh: châbasj (verbinden, omwinden, zadelen). Getalwaarde: chet = 8, beth = 2, sjin = 21 of 300 ; totaal: 31 OF 310. De som van de elementen is telkens 4.
- לַחֲבֹשׁ = lachäbosj (om te verbinden) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act. qal inf. stat. construct. van het werkw. חָבַשׁ = châbasj (verbinden, omwinden, zadelen). Taalgebruik in Tenakh: châbasj (verbinden, omwinden, zadelen). Getalwaarde: chet = 8, beth = 2, sjin = 21 of 300 ; totaal: 31 OF 310. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (1): Js 61,1.


 

- châdal (ophouden, nalaten, ontbreken). châdal (ophouden, nalaten, ontbreken). Taalgebruik in Tenakh: châdal (ophouden, nalaten, ontbreken). Getalwaarde: chet = 8, daled = 4, lamed = 12 of 30 ; totaal: 24 (2³ X 3) OF 42 (2 X 3 X 7). Structuur: 8 - 4 - 3.
- act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. jèchëdal (het zal ontbreken) van het werkw. Tenakh (5): (1) Dt 15,11. (2) 1 S 9,5. (3) Ez 3,27. (4) Spr 10,19. (5) Job 10,20.


- châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt). חָדָשׁ = châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt). Taalgebruik in Tenakh: châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt). Getalwaarde: chet = 8, daleth = 4, sjin = 21 of 300 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13 OF 12 X 26). Structuur: 8 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 6. ch-d-sj. Tenakh (61). Pentateuch (23). Eerdere Profeten (6). Latere Profeten (9). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (21). Ex (3): (1) Ex 1,8. (2) Ex 23,15. (3) Ex 34,18. Js (5). châdâsj. Js (4): (1) Js 41,15. (2) Js 42,10. (3) Js 62,2. (4) Js 66,23.
- חֲדָשָׁה = chädâsjâh: bijvoegL naamw. vr. enk. van het bijvoegl. naamw. חָדָשׁ = châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt). Taalgebruik in Tenakh: châdâsj (nieuw, vers, ongebruikt). Getalwaarde: chet = 8, daleth = 4, sjin = 21 of 300 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 312 (2³ X 3 X 13 OF 12 X 26). Structuur: 8 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 6. ch-d-sj-h. Tenakh (17). Pentateuch (3). Eerdere Profeten (5). Latere Profeten (7). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (1). chädâsjâh. Js (2): (1) Js 43,19 . (2) Js 65,17. Jr (2): (1) Jr 31,22. (2) Jr 31,31. Ez (3): (1) Ez 11,19. (2) Ez 18,31. (3) Ez 36,26.
- chädâsjîm: bijvoegL naamw. mann. mv.. ch-d-sj-i-m. Tenakh (38). Pentateuch (3). Eerdere Profeten (22). Latere Profeten (4). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (8). Js (1): Js 65,17.
- hachädâsjîm < bepaald lidw. ha + bijvoegl. naamw. mann mv.. Tenakh (2): (1) Js 66,22. (2) Neh 10,34.
- hachädâsjâh < bepaald lidw. ha + vr. enk. van het bijvoegl. naamw. Tenakh (3): (1) 1 K 11,30. (2) Js 66,22. (3) 2 Kr 20,5.
- Gr. neos. Lat. novus. Fr. nouveau. E. new. N. nieuw. Arabisch: chad.


- chag (feest). = chag (feest). Verwijzing: chag (feest), zie Lc 22,1. In tweeëndertig verzen in de bijbel.
- = chag JHWH (feest van JHWH). Tenakh (4): (1) Ex 10,9. (2) Lv 23,39. (3) Re 21,19. (4) Hos 9,5.
- = chag laJHWH (feest voor JHWH). Tenakh (5): (1) Ex 12,14. (2) Ex 13,6. (3) Ex 32,5. (4) Lv 23,41. (5) Nu 29,12.
- = chag hammatstsôth (feest van de ongedesemde broden). Tenakh (6): (1) Ex 23,15. (2) Ex 34,18. (3) Lv 23,6. (4) 2 Kr 30,13. (5) 2 Kr 30,21. (6) 2 Kr 35,17. = chag matstsôth (feest van de ongedesemde broden). Tenakh (1): Ezr 6,22.
- = chag sjâbhû`ôth (wekenfeest). Tenakh (1): Dt 16,10. = chag sjëbhû`ôth (wekenfeest). Tenakh (1): Ez 45,21.
- = chag happâsach (paasfeest). Tenakh(1): Ex 34,25.
- = chag hassûkkôth (loofhuttenfeest). Tenakh (5): (1) Lv 23,34. (2) Ezr 3,4. (3) Zach 14,16. (4) Zach 14,18. (5) Zach 14,19. = chag hassûkkoth (loofhuttenfeest). Tenakh (1): Dt 16,13.
- nom. (ἑορτη = heortè) en dat. vr. enk. (ἑορτῃ = heortè(i) (feest). Bijbel (34). OT (23). NT (11): (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11).

(feest). Nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud. In vierendertig verzen in de bijbel. In drieëntwintig verzen in het O.T.. In elf verzen in het NT: Mt (1). Mc (1). Lc (2). Joh (7).
- heortès. Genitief vrouwelijik enkelvoud. In eenentwintig verzen in de bijbel. In zestien verzen in het O.T.. In vijf verzen in het NT: Lc (1). Joh (3). Kol (1)
- heortèn. Accusatief vrouwelijk enkelvoud. In vijfendertig verzen in de bijbel. In zevenentwintig verzen in het O.T.. In zeven verzen in het NT: Mt (1). Mc (1). Joh (6).
- heortai. Nominatief vrouwelijk meervoud. In zes verzen in de bijbel - O.T..
- heortôn. Genitief vrouwelijk meervoud. In twee verzen in de bijbel - O.T..
- heortais. Datief vrouwelijk meervoud. In zeventien verzen in de bijbel - O.T..
- heortas. Accusatief vrouwelijk meervoud. In vijftien verzen in de bijbel - O.T..

- châgar (omgorden, zich voor de strijd uitrusten). châgar (omgorden, zich voor de strijd uitrusten). Taalgebruik in Tenakh: châgar (omgorden, zich voor de strijd uitrusten).

- chaîl (kracht, sterkte). chaîl (kracht, sterkte). Taalgebruik in Tenakh: chaîl (kracht, sterkte).

.

- וַיְהִי = wajëchî (en hij leefde) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw.. Tenakh (47). Pentateuch (35). Eerdere Profeten (5). Latere Profeten (2). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (5). Gn (33). Gn 5 (16): (1) Gn 5,3. (2) Gn 5,6. (3) Gn 5,7. (4) Gn 5,9. (5) Gn 5,10. (6) Gn 5,12. (7) Gn 5,13. (8) Gn 5,15. (9) Gn 5,16. (10) Gn 5,18. (11) Gn 5,19. (12) Gn 5,21. (13) Gn 5,25. (14) Gn 5,26. (15) Gn 5,28. (16) Gn 5,30. Dit versdeel sluit aan bij Gn 50,26. Het eerste woord van dit versdeel van Gn 50,22 (Jozef leefde...) is het tegendeel van het eerste woord van Gn 50,26 (Jozef stierf...). De tussenschakel ligt in Gn 50,24, waarin Jozef zijn sterven aankondigt (Ik ben stervende).


- חָיַה = châjah (leven, blijven leven)

- châjâh (leven). חָיַה = châjah (leven, blijven leven). Taalgebruik in Tenakh: châjâh (leven). Getalwaarde: chet = 8, jod = 10, he = 5 ; totaal: 23. Structuur: 8 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 5.
- וַיְחִי = wajëchî (en hij leefde) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָיַה = châjah (leven, blijven leven). Taalgebruik in Tenakh: châjah (leven, blijven leven). Getalwaarde: chet = 8, jod = 10, he = 5 ; totaal: 23. Structuur: 8 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (47). Pentateuch (35). Eerdere Profeten (5). Latere Profeten (2). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (5). Gn (33). Gn 5 (16): (1) Gn 5,3. (2) Gn 5,6. (3) Gn 5,7. (4) Gn 5,9. (5) Gn 5,10. (6) Gn 5,12. (7) Gn 5,13. (8) Gn 5,15. (9) Gn 5,16. (10) Gn 5,18. (11) Gn 5,19. (12) Gn 5,21. (13) Gn 5,25. (14) Gn 5,26. (15) Gn 5,28. (16) Gn 5,30. (17). (18). (19). (20). (21). (22). (23). (24). (25). (26). (27). (28). (29). (30). (31). (32). (33) Gn 50,22.
- act. piël part. mann. enk. mëchajjèh (doen levende). Tenakh (1): 1 S 2,6.

De getalwaarde van Gn 1,1 is 2701 = 37 X 73. 37 is het zeshoekig hart (met zijde 4) van een ster van 73. Driehoekzijde: 7. De getalwaarde van châkhëmâh (chokma) = wijsheid is 37 en 73.

jëchajjenû ( hij zal ons doen leven ). jëchajje- ( werkwoordvorm: piel imperf. 3de pers. enk.. van het werkwoord chäjah: leven ) + nû (suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. ). Hapax in Hos 6,2. Het voorlaatste woord van dit vers is ook een vorm van het werkw. chäjah ( leven ). Qal imperf. 3de pers. enk. jichëjèh: hij zal leven (35). mijjomâîm ( na twee dagen ). min -> assimilatie waardoor dubbele jod + jomâîm ( dualis van het zelfst. naamw. jôm: dag ).

- חַיָה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte).

- stat. constr. חַיַּת = chajjath. Zie het werkw. חָיַה = châjah (leven, blijven leven). Taalgebruik in Tenakh: châjâh (leven). Getalwaarde: chet = 8, jod = 10, he = 5 ; totaal: 23. Structuur: 8 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (32). Gn (14). Gn 1 (2): (1) Gn 1,25. (2) Gn 1,30.
- חַיְתוֹ = chajëthô (en zijn wildgedierte) < stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie: חַיָה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte). Stat. constr. חַיַת = chajath. Werkw. חָיַה = châjah (leven, blijven leven). Taalgebruik in Tenakh: châjâh (leven). Getalwaarde: chet = 8, jod = 10, he = 5 ; totaal: 23. Structuur: 8 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 5.

- חַיֵּי (= chajjê(j): levens...; zn stat constr mann mv van het zn חַי = chaj: het leven).


- châlâbh (melk). חָלָב = châlâbh (melk). Qatal-vorm (חַלַב). De stat. constr. חֲלֵב = chälebh is moeilijk verklaarbaar (Joüon 96Bb). Taalgebruik in Tenakh: châlâbh (melk). Getalswaarde: chet = 8, lamed = 12 of 30, beth = 2 ; totaal: 22 (2 X 11) OF 40. Structuur: 8 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 4.
- Grieks. γαλα, -ακτος = gala, -aktos (melk). Taalgebruik in de Bijbel: gala, -aktos (melk). Een vorm van γαλα, -ακτος = gala, -aktos (melk) in de LXX (49), in het NT (5).
- Latijn. lac, lactis (melk). Fr. lait. D. Milch. E. milk. Aramees: חֲלָב = chälâbh, חַלְבָּא = chalëbâ´, חֶלְבּא = chèlëbâ´. Arabisch: حَلِيب = halîb (melk). Taalgebruik in de Qoran: halîb (melk).

- châlah (ziek zijn, smart voelen, zich bekommeren om). חָלַה = châlah (ziek zijn, smart voelen, zich bekommeren om). Taalgebruik in Tenakh: châlah (ziek zijn, smart voelen, zich bekommeren om). Getalwaarde: chet = 8, lamed = 12 of 30, he = 5 ; totaal: 25 (5²) OF 43 (priemgetal). Structuur: 8 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 7.


- חָלַל = châlal (beginnen)

- châlal (beginnen). חָלַל = châlal (beginnen). Taalgebruik in Tenakh: châlal (beginnen). Getalswaarde: chet = 8, lamed = 12 of 30 ; totaal: 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17). Structuur: 8 - 3 - 3. De som van de elementen is telkens 3.

- וַיָּחֶל = wajjâchèl (en hij begon) < prefiw voegwoord w consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָלַל = châlal (beginnen). Taalgebruik in Tenakh: châlal (beginnen). Getalswaarde: chet = 8, lamed = 12 of 30 ; totaal: 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17). Structuur: 8 - 3 - 3. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (): (1) Gn 8,10. (2) Gn 9,20. (3) Nu 25,1. (4) Re 16,22. (5) 1 S 31,3. (6) Jon 3,4. (7) 1 Kr 10,3. (8) 2 Kr 3,1. (9) 2 Kr 3,2.


- châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen). חָלַף = châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen). Taalgebruik in Tenakh: châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen). Getalswaarde: chet = 8, lamed = 12 of 30, pe = 17 of 80 ; totaal: 37 OF 118 (2 X 59). Structuur: 8 - 3 - 8. De som van de elementen is telkens 1.


châlaq (delen, in bezit nemen, plunderen). châlaq (delen, in bezit nemen, plunderen). Taalgebruik in Tenakh: châlaq (delen, in bezit nemen, plunderen). act. piël 3de pers. mann. mv. hilleqû (zij plunderden).
- wëhilleqû (en zij deelden) > verbindingswoord wë + act. piël 3de pers. mann. mv.

- châmâh (wegvagen). châmâh (wegvagen). Taalgebruik in Tenakh: châmâh (wegvagen). Getalwaarde: chet = 8, mem = 13 of 40, he = 5 ; totaal: 26 (2 X 13) OF 53 (priemgetal). act. qal imperf. 1ste pers. enk. ´èmëchèh (ik zal wegvagen). Tenakh (2): (1) Gn 6,7. (2) Ex 17,14.


- châmesj (vijf). חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf). Taalgebruik in Tenakh: châmesj (vijf). Getalwaarde: chet = 8, mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 348 (2² X 3 X 29 OF 12 X 29). Structuur: 8 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (88). De getalwaarde 348 is het spiegelbeeld van de structuur van het woord. Pentateuch (34). Eerdere Profeten (13). Latere Profeten (26). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (15). Gn (17): (1) Gn 5,6. (2) Gn 5,10. (3) Gn 5,11. (4) Gn 5,15. (5) Gn 5,17. (6) Gn 5,21. (7) Gn 5,23. (8) Gn 5,30. (9) Gn 5,32. (10) Gn 7,20. (11) Gn 11,11. (12) Gn 11,12. (13) Gn 11,32. (14) Gn 12,4. (15) Gn 43,34. (16) Gn 45,6. (17) Gn 45,11.
- de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet is de letter he, symbool van de adem, wind, geest. De Thorah bestaat uit 5 boeken, vandaar penta-teuch.
- πεντε = pente (vijf, 5). Taalgebruik in het NT: pente (vijf, 5). Taalgebruik in de LXX: pente (vijf, 5). Bijbel (231). OT (198). Gn (20): zie hierboven, niet in: (1) Gn 5,32. (2) Gn 11,11. (3) Gn 43,34. Verder wel nog in: (1) Gn 14,9. (2) Gn 18,28. (3) Gn 25,7. (4) Gn 45,22. (5) Gn 46,27. (6) Gn 47,2. NT (33).
- Ned.: vijf. Arabisch: ذَمس = chams (vijf). Taalgebruik in de Qoran: chams (vijf). D.: fünf. E.: five. Fr.: cinq. Grieks: πεντε = pente (vijf, 5). Taalgebruik in het NT: pente (vijf, 5). Hebreeuws: חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf). Taalgebruik in Tenakh: châmesj (vijf). Lat.: quinque.

- vr. enk. חֱמִשָּׁה = chämisjsjâh (vijf, 5). Getalwaarde: chet = 8, mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, he = 5 ; totaal: 47 OF 353 (priemgetal).

- עֶשְׂרֵה חֲמֵשׁ = chämesj `èshëreh (vijftien, 15). Tenakh (11): (1) Gn 5,10. (2) Gn 7,20. (3) Ex 27,15. (4) Ex 38,14. (5) Ex 38,15. (6) 2 K 14,17. (7) 2 K 14,23. (8) 2 K 20,6. (9) Js 38,5. (10) 2 Kr 15,10. (11) 2 Kr 25,25.

- שָׁנָה עֶשְׂרֵה חֲמֵשׁ = chämesj `èshëreh sjânâh (vijftien jaar, 15 jaar). Tenakh (6): (1) Gn 5,10. (2) 2 K 14,17. (3) 2 K 14,23. (4) 2 K 20,6. (5) Js 38,5. (6) 2 Kr 25,25.

- וֲחֲמֵשׁ מֵאוֹת שָׁנָה = wachämesj me´oth (en vijfhonderd, en 500). Tenakh (1): Gn 5,30.
- = wachämesj me´oth (en vijfhonderd, en 500). Tenakh (1): Gn 5,30.
- = chämesj me´ôth (vijfhonderd, 500). Tenakh (19): (1) Gn 5,32. (2) Gn 11,11. (3) Ex 30,23. (4) Ex 30,24. (5) 2 S 24,9. (6) 1 Kr 4,42. (7) 2 Kr 13,17. (8) 2 Kr 35,9. (9) Est 9,6. (10) Est 9,12. (11) Ez 42,17. (12) Ez 42,18. (13) Ez 42,19. (14) Ez 42,20 (2X). (15) Ez 48,16 (4X). (16) Ez 48,30. (17) Ez 48,32. (18) Ez 48,33. (19) Ez 48,34.
- חֲמֵשׁ מֵאוֹת שָׁנָה = chämesj me´ôth sjânâh (vijfhonderd jaar, 500 jaar). Tenakh (2): (1) Gn 5,32. (2) Gn 11,11.

- חֲמִשִׁים = chämisjsjîm (vijftig). Zie het telwoord חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf). Taalgebruik in Tenakh: châmesj (vijf). Getalwaarde: chet = 8, mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 348 (2² X 3 X 29 OF 12 X 29). Structuur: 8 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (92). Pentateuch (37). Eerdere Profeten (20). Latere Profeten (11). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (23).


-

- chämôr (ezel, ezelin). חֱמוֹר = chämôr (ezel, ezelin). Taalgebruik in Tenakh: chämôr (ezel, ezelin). Getalwaarde: chet = 8, mem = 13 of 40, waw = 6, resj = 20 of 200 ; totaal: 47 OF 254 (2 X 127). Structuur: 8 - 4 - 6 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (29). Pentateuch (18). Js (1): Js 21,7.
- hachämôr (de ezel, de ezelin). Tenakh (15).
- wëchämôr / wachämôr = en (de) ezel). Tenakh (7): (1) Gn 32,6. (2) Joz 6,21. (3) Re 6,4. (4) 1 S 12,3. (5) 1 S 22,19. (6) 1 K 13,28. (7) Js 1,3.
- sjôr wëchämôr (rund en ezel). Tenakh (1): Gn 32,6. sjôr... wachämôr (rund en de ezel). Tenakh (2): 1 S 12,3. (2) Js 1,3.
- sjôr wâshèh wachämôr (het rund en het kleinvee en de ezel). Tenakh (1): Joz 6,21. wëshèh wâsjôr wachämôr (en kleinvee en het rund en de ezel). Tenakh (1) Re 6,4. wësjôr wachämôr wâshèh (en rund en de ezel en het kleinvee). Tenakh (1): 1 S 22,19.


- chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen). חָנַן= chânan (genadigzijn, zich over iemand ontfermen). Taalgebruik: chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen). Getalwaarde: chet = 8, nun = 14 of 50 ; totaal: 36 of 108. Structuur: 8 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 9.

- וִיחֻנֶּךָּ = wîchunnèkhâ (en hij zal genadig zijn) < prefix waw consecut. + act. qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het werkw. חָנַן= chânan (genadigzijn, zich over iemand ontfermen). Taalgebruik: chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen). Getalwaarde: chet = 8, nun = 14 of 50 ; totaal: 36 of 108. Structuur: 8 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 9. Tenkah (1): Nu 6,25.
--- chen (genade). In 64 verzen in de bijbel. Meestal wordt het vertaald door het Griekse charis en het Latijnse gratia. Vaak komt het voor in de zin van genade vinden in iemands ogen.
--- channenî (wees mij genadig). Qal imperatief of qal perfectum + suffix 1ste persoon enkelvoud nî (mij). In 23 verzen in de bijbel: (1) Ex 33,11. In 1 K 16,1 en 1 K 16,7 is het de eigennaam Anani. (1) Ps 4,2. (2) Ps 6,3. (3) Ps 31,10. (4) Ps 41,5. (5) Ps 41,11. (6) Ps 51,3. (7) Ps 56,2. (8) Ps 57,2. (9) Ps 86,3. (10) Ps 119,29. (11) Ps 119,58. In Ezr, Neh en 2 Kr is het een eigennaam.
--- jechânnenû (hij zal ons genadig zijn). Actief imperfectum derde persoon enkelvoud met het suffix van het persoonlijk voornaamwoord van de eerste persoon meervoud.
--- חַנּוּן (= channûn: genadig, barmhartig, gratieus). Getalswaarde: chet = 8, nun = 14 of 50, waw = 6; totaal: 42 (2 X 3 X 7) of 114 (2 X 3 X 19). Chanun is een persoonsnaam in 2 S 10,1 - 2 S 10,2 - 2 S 10,3 - 2 S 10,4 en in 2 Kr 20,2 - 2 Kr 20,4 - 2 Kr 20,6. Bijbel (12): (1) Ex 22,26. (2) Js 30,19. (3) Jl 2,13. (4) Jon 4,2. XXX (9) Neh 3,13. (10) Neh 9, 17. (11) Neh 9, 31. (12) 2 Kr 30,9. Psalmen (4): (1) Ps 111,4. (2) Ps 112,4. (3) Ps 116,5. (4) Ps 145,8.
- 114 wordt voorgesteld door het zesvoudig hart (zesvoudige ster) van de zevenvoudige Logosster.
--- -- channûn werachûm (genadig en barmhartig). In acht verzen in de bijbel: (1) 2 Kr 30,9. (2) Neh 9, 17. (3) Neh 9, 31. (4) Ps 111,4. (5) Ps 112,4. (6) Ps 145,8. (7) Jl 2,13. (8) Jon 4,2.
--- -- channûn werachûm JHWH (genadig en barmhartig is JHWH). In drie verzen in de bijbel: (1) 2 Kr 30,9. (2) Ps 111,4. (3) Ps 145,8.
--- wechannûn (en genadig). In 4 verzen in de bijbel: (1) Ex 34,6. (2) Ps 86,15. (3) Ps 103,8. (4) In Neh 3,30 is het een eigennaam.
--- -- rachûm wechannûn JHWH (barmhartig en genadig is JHWH): Ps 103,8.
--- --- ´el rachûm wechannûn (God is barmhartig en genadig). In twee verzen in de bijbel: (1) Ex 34,6. (2) Ps 86,15.
- chnh. In vijftien verzen in de bijbel. LXX: Anna. In vijftien verzen in de bijbel. In dertien verzen in het O.T.. In twee verzen in het N.T..

- channâh (Anna). חַנָּה = channâh (Anna). Taalgebruik in Tenakh: channâh (Anna). Getalswaarde: chet = 8, nun = 14 of 50, he = 5 ; totaal: 27 (3³) OF 63 (3² X 7). Structuur: 8 - 5 - 5. De som van de elementen is telkens 9. chnh. Tenakh (15): (1) Ex 18,5. (2) 1 S 1,2. (3) 1 S 1,5. (4) 1 S 1,8. (5) 1 S 1,9. (6) 1 S 1,15. (7) 1 S 1,19. (8) 1 S 1,20. (9) 1 S 2,1. (10) 1 S 2,21. (11) 1 S 26,5. (12) 2 S 23,13. (13) Js 29,1. (14) Ps 34,8. (15) 1 Kr 11,15.

Gr.: αννα = anna. Bijbel (15). LXX (13). NT (2): (1) Lc 2,36. (2) Lc 3,2.

- chânat (balsemen). חָנַט = chânat (balsemen). Taalgebruik in Tenakh: chânat (balsemen). Getalwaarde: chet = 8, nun = 14 of 50, tet = 9 ; totaal: 31 of 67 (priemgetal). Structuur: 8 - 5 - 9. De som van de elementen is telkens 4.
- וַיַּחַנְטוּ = wajjachanëtû (en zij basemden) < prefix voorzetsel wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen). Getalwaarde: chet = 8, nun = 14 of 50, tet = 9 ; totaal: 31 of 67 (priemgetal). Structuur: 8 - 5 - 9. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (2): (1) Gn 50,2. (2) Gn 50,26.
- הַחֲנֻטִים = hachänutîm (de begraven wordende, van hen die begraven worden) < bepaald lidw. ha + werkwoordvorm passief qal part. mann. mv. van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen). Tenakh (1): Gn 50,3.
- לַחֲנֹט = lachänot (om te balsemen) < prefix voorzetsel lë + act. qal infin. constructus van het werkw. חָנַט = chânat (balsemen). Tenakh (1): Gn 50,2.
- Grieks. act. ind. aor. 3de pers. mv. εθαψαν = ethapsan (zij begroeven) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven). Taalgebruik in Tenakh: thaptô (begraven). Bijbel (43). OT (40). NT (3): (1) Mt 14,12. (2) Hnd 5,6. (3) Hnd 5,10. Gn (7): (1) Gn 25,9. (2) Gn 25,10. (3) Gn 35,29. (4) Gn 49,31. (5) Gn 50,12. (6) Gn 50,13. (7) Gn 50,26. Een vorm van θαπτω = thaptô (begraven) in de LXX (177), in het NT (11): (1) Mt 8,21. (2) Mt 8,22. (3) Mt 14,12. (4) Lc 9,59. (5) Lc 9,60. (6) Lc 16,22. (7) Hnd 2,29. (8) Hnd 5,6. (9) Hnd 5,9. (10) Hnd 5,10. (11) 1 Kor 15,4.
- Grieks. act. ind. aor. 3de pers. mv. ενεταφιασαν = enetafiasan (zij balsemden) van het werkw. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven). Bijbel (1): Gn 50,2.
- act. inf. aor. ενταφιασαι = entafiasai (te balsemen). Bijbel (1): Gn 50,2. Het zijn de enigste 2 teksten in de bijbel met het werkwoord ενταφιαζω = entafiazô.

- chänîth (speer). חֲנִית = chänîth (speer). Taalgebruik in Tenakh: chänîth (speer). Getalwaarde: chet = 8, nun = 14 of 50, taw = 22 of 400 ; totaal: 44 (2² X 11) OF 458 (2 X 229). Structuur: 8 - 5 - 4. De som van de elementen is telkens 8. chänîthôthehèm (hun speren) < stat. constr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Tenakh (1) Js 2,4.


 

- ch-ph-sj (pual: vrijgelaten worden). ch-ph-sj (pual: vrijgelaten worden). Taalgebruik in Tenakh: ch-ph-sj (pual: vrijgelaten worden). Getalwaarde: chet = 8, pe = 17 of 80, sjin = 21 of 300 ; totaal: 46 (2 X 23) OF 388 (2² X 97). Structuur: 8 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 1.
- mann. mv. חָפְשִׁים = châphësjîm (vrij). Zie het werkw. ch-ph-sj (pual: vrijgelaten worden). Taalgebruik in Tenakh: ch-ph-sj (pual: vrijgelaten worden). Getalwaarde: chet = 8, pe = 17 of 80, sjin = 21 of 300 ; totaal: 46 (2 X 23) OF 388 (2² X 97). Structuur: 8 - 8 - 3. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (5): (1) Js 58,6. (2) Jr 34,9. (3) Jr 34,10. (4) Jr 34,11. (5) Jr 34,16.


- châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen). châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen). Taalgebruik in Tenakh: châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen). Getalwaarde: chet = 8, pe = 17 of 80, tsade = 18 of 90 ; totaal: 43 OF 178 (2 X 89). Structuur: 8 - 8 - 9.
-



- act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. jèchëpâtsûn (zij verlangen). Tenakh (1) Js 58,2.
- act. qal perf. 1ste pers. enk. châphatsëthî / châphâtsëthî (ik schep behagen in). Tenakh (13): (1) Dt 25,8. (2) 2 S 15,26. (3) Js 1,11. (4) Js 55,11. (5) Js 56,4. (6) Js 65,12. (7) Js 66,4. (8) Jr 9,23. (9) Hos 6,6. (10) Ps 40,9. (11) Ps 73,25. (12) Ps 119,35. (13) Job 33,32.
Een vorm van châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) in Jesaja in 11 verzen: (1) Js 1,11. (2) Js 13,17. (3) Js 42,21. (4) Js 53,10. (5) Js 55,11. (6) Js 56,4. (7) Js 58,2. (8) Js 62,4. (9) Js 65,12. (10) Js 66,3. (11) Js 66,4.

zie Ps 40,15. Ps 35,27, Ps 40,15, Ps 73,3. In vijfenveertig verzen in de bijbel.
- hachephèts (het verlangen) < prefix vragend vooornaamw. of bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. chephètz (verlangen, wil, belang, wens). Tenakh (3): (1) 1 S 15,22. (2) Job 22,3. (3) Pr 5,7.
--- chephètz (verlangen, wil, belang, wens). Zelfstandig naamwoord. chèphëtsî (mijn welbehagen). Zelfstandig naamwoord mannelijk enkelvoud met suffix eerste persoon enkelvoud. Eigennaam chèphëtsî bâh (Hefsiba) = mijn welbehagen is in haar: zie 2 K 21,1. In negen verzen in de bijbel.
--- chäphetsê. Zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud status constructus. chèphëtsêhèm: status constructus meervoud + suffix bezittelijk voornaamwoord derde persoon meervoud.
---- chphtzj: zelfstandig naamwoord meervoud: Ps 16,3,

- chârad (sidderen, beven, schrikken). chârad (sidderen, beven, schrikken). Taalgebruik in Tenakh: chârad (sidderen, beven, schrikken). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, daleth = 4 ; totaal: 32 (2² X 2³) OF 212 (2² X 53). Structuur: 8 - 2 - 4.
- act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. jèchêrâdû (zij sidderen) van het werkw. Tenakh (4): (1) Js 41,5. (2) Ez 26,18. (3) Hos 11,11. (4) Am 3,6.


9. chârah (branden, ontbranden). חָרָה = chârah (branden, ontbranden). Taalgebruik in Tenakh: (chârâh ( branden, ontbranden). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, he = 5 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 213 (3 X 71). Structuur: 8 - 2 - 5. Tenakh (17): (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12). (13). (14). (15). (16). (17). In toorn ontbranden. vergrammen < gram, Gr. chromos (ge-grom). Het woord duidde eerst een geluid aan, en uit een begrip 'grommen' ontstond dat van vertoornd. Toorn betekent een heftige gemoedsbeweging, vandaar evenzeer 'toorn' als 'hevig verdriet'. Gr. thumos. Ned. toorn. Gr. perilupos: zeer bedroefd. Bijbel (9). OT (5). NT (4). Gn 4,6 (hina ti perilupos egenou = waarom werd jij zeer bedroefd) en Ps 42,6 (hina ti perilupôs ei = waarom ben je bedroefd) komen in de LXX sterk met elkaar overeen.
Zie ook: tisjëthôchächî ( je boog je neer ). Histaf`al van het werkw. chwh ( zich neerbuigen ). In drie verzen in Ps 42-43, telkens in het refrein.
Lat. incurvaris < in - + curvaris ( curvari: pass. praes. 2de pers. enk. ). curvus ( cfr curve ): krom (c - r ), gebogen. Gr. perilupos ( zeer bedroefd ).
- chârâh ´appî ( mijn woede ontbrandde ). In 3 verzen in de bijbel: (1) Job 42,7. (2)

- wajjichar ( hij ontbrandde ) < wë + act. qal imperfectum 3de pers. mann. enk. OF (2) wëjichar (en dat ontbrandde) act. qal jussief 3de pers. mann. enk. van het werkwoord chârah ( branden, ontbranden ). Taalgebruik in Tenakh: (chârâh ( branden, ontbranden). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, he = 5 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 213 (3 X 71). Structuur: 8 - 2 - 5. In toorn ontbranden. vergrammen < gram, Gr. chromos (ge-grom). Het woord duidde eerst een geluid aan, en uit een begrip 'grommen' ontstond dat van vertoornd. Toorn betekent een heftige gemoedsbeweging, vandaar evenzeer 'toorn' als 'hevig verdriet'. Gr. thumos. Ned. toorn. Gr. perilupos: zeer bedroefd. Tenakh (50). Pentateuch (19). Eerdere Profeten (18). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (11). Bijbel (50). Gn (5). Ex (3). Nu (10). Dt (1). Joz (1). Re (6). 1 S (5). 2 S (6). 2 K (1). Gn (5): (1) Gn 4,5. (2) Gn 30,2. (3) Gn 31,36. (4) Gn 34,7. (5) Gn 39,19. Ex (3): (1) Ex 4,14. (2) Ex 32,10. (3) Ex 32,19. Nu (10): (1) Nu 11,1. (2) Nu 11,10. (3) Nu 12,9. (4) Nu 16,15. (5) Nu 22,22. (6) Nu 22,27. (7) Nu 24,10. (8) Nu 25,3. (9) Nu 32,10. (10) Nu 32,13. Dt (1) Dt 29,26. Eerdere Profeten (18): (1) Joz 7,1. (2) Re 2,14. (3) Re 2,20. (4) Re 3,8. (5) Re 9,30. (6) Re 10,7. (7) Re 14,19. (8) 1 S 11,6. (9) 1 S 15,11. (10) 1 S 17,28. (11) 1 S 18,8. (12) 1 S 20,30. (13) 2 S 3,8. (14) 2 S 6,7. (15) 2 S 6,8. (16) 2 S 12,5. (17) 2 S 13,21. (18) 2 K 13,3.
- wajjichar ´aph (en toorn ontbrandde). Tenakh (26): (1) Gn 30,2. (2) Ex 4,14. (3) Ex 32,19. (4) Nu 11,10. (5) Nu 12,9. (6) Nu 22,22. (7) Nu 22,27. (8) Nu 24,10. (9) Nu 25,3. (10) Nu 32,10. (11) Nu 32,13. (12) Dt 29,26. (13) Joz 7,1. (14) Re 2,14. (15) Re 2,20. (16) Re 3,8. (17) Re 10,7. (18) 1 S 17,28. (19) 1 S 20,30. (20) 2 S 6,7. (21) 2 S 12,5. (22) 2 K 13,3. (23) 1 Kr 13,10. (24) 2 Kr 25,15. (25) Job 32,2. (26) Ps 106,40.
- wajjichar ´aph JHWH (en de toorn van JHWH ontbrandde). Tenakh (17): (1) Ex 4,14. (2) Nu 11,10. (3) Nu 12,9. (4) Nu 25,3. (5) Nu 32,10. (6) Nu 32,13. (7) Dt 29,26. (8) Joz 7,1. (9) Re 2,14. (10) Re 2,20. (11) Re 3,8. (12) Re 10,7. (13) 2 S 6,7. (14) 2 K 13,3. (15) 1 Kr 13,10. (16) 2 Kr 25,15. (17) Ps 106,40.
- wajjichar ´aph JHWH bëjishërâ´el (en de toorn van JHWH ontbrandde tegen Israël).Tenakh (7): (1) Nu 25,3. (2) Nu 32,13. (3) Re 2,14. (4) Re 2,20. (5) Re 3,8. (6) Re 10,7. (7) 2 K 13,3.
- wajjichar ´aphô (en zijn toorn ontbrandde). Tenakh (6): (1) Gn 39,19. (2) Nu 11,1. (3) Re 9,30. (4) Re 14,19. (5) 1 S 11,6. (6) Job 32,5.

- chârëbâh (woestenij, puinhoop). chârëbâh (woestenij, puinhoop). Taalgebruik in Tenakh: chârëbâh (woestenij, puinhoop). Gr. erèmos (woestijn, eenzame plaats). Taalgebruik in NT: erèmos (woestijn). Taalgebruik in Lc.: erèmos (woestijn). Taalgebruik in Hnd.: erèmos (woestijn). Taalgebruik in de Septuaginta.: erèmos (woestijn). Cfr. heremiet < herèmitos: kluizenaar (claustrum: gesloten). Fr. désert < Latijnse de-sertus: verlaten ; serere, sertum: aaneenrijgen, aaneenschakelen. E. desert. D. die Wüste.


- chârân (Haran). חָרָן = chârân (Haran). Taalgebruik in Tenakh: chârân (Haran).

- מֵחָרָן = mechârân (uit Haran) < prefix voorzetsel min (uit) en חָרָן = chârân (Haran). Taalgebruik in Tenakh: chârân (Haran). Tenakh (2): (1) Gn 12,4. (2) Gn 29,4.


- חָרַק = châraq (knarsen, piepen)

- châraq (knarsen, piepen). חָרַק = châraq (knarsen, piepen). Taalgebruik in Tenakh: châraq (knarsen, piepen). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, qoph = 19 of 100 ; totaal: 47 of 308. Structuur: 8 - 2 - 1. De som van de elementen is telkens 2. Fr. grincer.

- ִ: een punt onder de regel: חִירֶק = chîrèq (chireq) is een klinker en duidt een i-klank aan.



-

- chârasj (doof, stom zijn, zwijgen, zich rustig houden).
- wajjithëhârësjû (en zij hielden zich rustig) < wë + hitpael imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1): Re 16,2.

- châshakh (terughouden, onthouden, redden, sparen). חָשַׂך = châshakh (terughouden, onthouden, redden, sparen). Taalgebruik in Tenakh: châshakh (terughouden, onthouden, redden, sparen).
- act. qal perf. 3de pers. mann. enk. חָשַׂכְתָּ = châshakhëthâ (jij spaarde) van het werkw. חָשַׂך = châshakh (terughouden, onthouden, redden, sparen). Taalgebruik in Tenakh: châshakh (terughouden, onthouden, redden, sparen). Tenakh (3): (1) Gn 22,12. (2) Gn 22,16. (3) Js 38,17. (4) Ezr 9,13.

- châsjabh (rekenen). חָשַׁב = châsjabh (rekenen). Taalgebruik in Tenakh: châsjabh (rekenen). Getalwaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, beth = 2 ; totaal: 31 OF 310 (2 X 5 X 31). Structuur: 8 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Arabisch: hasaba.
- חֲשַׁבְנֻהוּ = chächabhënuhû (wij rekenden hem) < act. ind. perf. 1ste pers. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָשַׁב = châsjabh (rekenen). Taalgebruik in Tenakh: châsjabh (rekenen). Getalwaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, beth = 2 ; totaal: 31 OF 310 (2 X 5 X 31). Structuur: 8 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (2): (1) Js 53,3. (2) Js 53,4.
- וַיַּחְשְׁבֶהָ = wajjachësjëbhèhâ (en hij rekende haar) < prefix imperf. consecut. wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. vr. enk. van het werkw. חָשַׁב = châsjabh (rekenen). Taalgebruik in Tenakh: châsjabh (rekenen). Getalwaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, beth = 2 ; totaal: 31 OF 310 (2 X 5 X 31). Structuur: 8 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (3): (1) Gn 15,6. (2) Gn 38,15. (3) 1 S 1,13.


- châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden). חָשָׁה = châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden). Taalgebruik in Tenakh: châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden). Getalswaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, he = 5 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 313 (priemgetal). Structuur: 8 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Een vorm van חָשָׁה = châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) in Js (6): (1) Js 42,14. (2) Js 57,11. (3) Js 62,1. (4) Js 62,6. (5) Js 64,11. (6) Js 65,6.
- Gr. siôpaô (zwijgen). Taalgebruik in het NT: siôpaô (zwijgen). Taalgebruik in de LXX: siôpaô (zwijgen). Een vorm van siôpaô (zwijgen) in de LXX (36), in het NT (10).

- act. qal imperf. eerste persoon enkelvoud אֶחֶשֶׁה = ´èchêsjèh (ik zal zwijgen) van het werkw. חָשָׁה = châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden). Taalgebruik in Tenakh: châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden). Getalswaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, he = 5 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 313 (priemgetal). Structuur: 8 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (2): (1) Js 62,1. (2) Js 65,6. Een vorm van חָשָׁה = châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) in Js (6): (1) Js 42,14. (2) Js 57,11. (3) Js 62,1. (4) Js 62,6. (5) Js 64,11. (6) Js 65,6.
- act. hifil perfect. 1ste pers. enk. hèchêsje(j)thî (ik zwijg). Tenakh (2): (1) Js 42,14. (2) Ps 39,3.


- châtâ´ (zondigen, missen). חָטַא = châta´ (zondigen, missen). Taalgebruik in Tenakh: châtâ´ (zondigen, missen). Getalwaarde: chet = 8, tet = 9, aleph = 1 ; totaal: 18 (2 X 3²). Structuur: 8 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 9. ch-t-´. Tenakh (45). chote´ (zondigend) act. qal part. nom. mann. enk. o.a. Js 1,4.
- châtâ´ hâ`âm (het volk heeft gezondigd). Tenakh (1) Ex 32,31.
- chattâ´ (zondaar, misdadiger).

- חַטָֹאָה = chattâ´âh (zonde, misdaad) Zie het werkw. חָטַא = châta´ (zondigen, missen). Taalgebruik in Tenakh: châtâ´ (zondigen, missen). Getalwaarde: chet = 8, tet = 9, aleph = 1 ; totaal: 18 (2 X 3²). Structuur: 8 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (18): (1) Ex 32,30. (2) Ex 32,32. (3) Ex 32,34. (4) Lv 10,19. (5) Lv 16,16. (6) Lv 16,21. (7) Lv 16,34. (8) Nu 5,7. (9) Nu 16,26. (10) Nu 18, 9. (11) Nu 32,23. (12) Dt 9,16. (13) Dt 9,18. (14) Js 58,1. (15) Jr 14,10. (16) Jr 40,3. (17) Jr 44,23. (18) Ps 85,3.

- = chatto´thenû (onze zonden) < zelfst. naamw. vr. mv. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. mv.

- חַטֹּאתָם = chatto´thâm (hun zonden) < vr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het zelfst. naamw. חַטָֹאָה = chattâ´âh (zonde, misdaad) Zie het werkw. חָטַא = châta´ (zondigen, missen). Taalgebruik in Tenakh: châtâ´ (zondigen, missen). Getalwaarde: chet = 8, tet = 9, aleph = 1 ; totaal: 18 (2 X 3²). Structuur: 8 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (9): (1) Ex 30,10. (2) Lv 16,16. (3) Lv 16,25. (4) Lv 16,30. (5) Lv 16,34. (6) Lv 26,24. (7) Nu 5,6. (8) Nu 18,9. (9) Dt 9,18.
- wëchattâ´îm (en zondaars) < wë = mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (4): (1) Gn 13,13. (2) Js 1,28. (3) Ps 1,5. (4) Ps 51,5.


- châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben). חָסַר = châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben). Taalgebruik in Tenakh: châsar (missen, ontbreken, gebrek hebben). Getalwaarde: chet = 8, samekh = 15 of 60, resj = 20 of 200 ; totaal: 43 OF 268 (2² X 67). Structuur: 8 - 6 - 2.
- act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. = יֶחְסַר / יֶחְסָר = jèchësar / jèchësâr (hij gebrek heeft) van het werkw. Tenakh (5): (1) Dt 15,8. (2) Js 51,14. (3) Spr 31,11. (4) Hl 7,3. (5) Pr 9,8.
- מַחְסוֹר = machësôr (gebrek, armoede, behoefte). Tenakh (5): (1) Re 18,10. (2) Re 19,19. (3) Ps 34,10. (4) Spr 21,17. (5) Spr 28,27. Synoniem: צוֹרֶך = tsôrèkh (behoefte).
-- מַחְסֹרוֹ = machësorô (zijn gebrek) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk., van het zelfst. naamw. Tenakh (1): Dt 15,7. Synoniem tsârëkô (zijn behoefte).

- châthal (omwikkelen met windels). חָתַל = châthal (omwikkelen met windels). Taalgebruik in Tenakh: châthal (omwikkelen met windels). Getalwaarde: chet = 8, taw = 22 of 400, lamed = 12 of 30 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 438 (2 X 3 X 73). Structuur: 8 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 6.
- Hebreeuws NBG Lc 2,7. וַתְּחַתְּלֵהוּ = waththëhaththëlehû (en zij wikkelde hem) < prefix verbindingswoord wë + act. piel imperf. 3de pers. vr. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָתַל = châthal (omwikkelen met windels). Taalgebruik in Tenakh: châthal (omwikkelen met windels). Getalwaarde: chet = 8, taw = 22 of 400, lamed = 12 of 30 ; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 438 (2 X 3 X 73). Structuur: 8 - 4 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Een vorm van חָתַל = châthal in Tenakh (1): Ez 16,4.

- châthath (bevreesd, verschrokken zijn). châthath (bevreesd, verschrokken zijn). Taalgebruik in Tenakh: châthath (bevreesd, verschrokken zijn). Getalwaarde: chet = 8, thaw = 22 of 400 ; totaal: 52 (2 X 26) OF 808 (8 X 101).
- passief nifal imperf. 3de pers. mann. mv. jechathû (zij worden verschrikt). Tenakh (5): (1) 1 S 2,10. (2) Jr 10,2. (3) Jr 17,18. (4) Jr 23,4. (5) Job 21,13.

- châtsabh (splijten, hakken, doden). châtsabh (splijten, hakken, doden). Taalgebruik in Tenakh: châtsabh (splijten, hakken, doden). Getalwaarde: chet = 8, tsade = 18 of 90, beth = 2 ; totaal: 28 (2² X 7) OF 100 (2² X 5²). Structuur: 8 - 9 - 2.
- act. qal perf. 2de pers. mann. enk. châtsabhëthâ (jij hebt gehouwen). Tenakh (2): (1) Dt 6,11. (2) Js 22,16.

- châtsîr (gras). châtsîr (gras). Taalgebruik in Tenakh: châtsîr (gras). Getalwaarde: chet = 8, tsade = 18 of 90, jod = 10, resj = 20 of 200 ; totaal: 56 (2³ X 7) OF 308 (2² X 7 X 11). Structuur: 8 - 9 - 1 - 2. Tenakh 16). Js (9): (1) Js 15,6. (2) Js 34,13. (3) Js 35,7. (4) Js 37,27. (5) Js 40,6. (6) Js 40,7. (7) Js 40,8. (8) Js 44,4. (9) Js 51,12.

- hitpaël perfec. 3de pers. mann. mv. OF hitpaël imperatief 2de pers. mann. mv. hisjëthâchäwû (zij bogen zich neer, zij aanbaden) van het werkw.


-

- voorvoegsel wë + hitpaël imperfectum 3de pers. mann. mv. wajjisjëthachä(w)wû (en zij bogen zich neer) van het werkw. châwâh. Tenakh (31). Pentateuch (9). Eerdere Profeten (6). Latere Profeten (4). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (11). Pentateuch (9): (1) Gn 27,29. (2) Gn 33,7. (3) Gn 42,6. (4) Gn 43,26. (5) Ex 4,31. (6) Ex 12,27. (7) Ex 32,8. (8) Nu 25,2. (9) Dt 29,25. Eerdere Profeten (6): (1) Re 2,12. (2) Re 2,17. (3) 1 S 1,19. (4) 1 K 11,33. (5) 2 K 2,15. (6) 2 K 17,16. wajjisjëthachäwwû lâhèm (en zij bogen zich neer voor hen). Tenakh (5): (1) Dt 29,25. (2) Re 2,12. (3) Re 2,17. (4) 2 Kr 7,22. (5) Jr 16,11.
- wëhisthachäwîthèm (en zij buigen neer) < wë + hitpael perf. 2de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (5): (1) Ex 24,1. (2) Dt 11,16. (3) Joz 23,16. (4) 1 K 9,6. (5) 2 Kr 7,19.
- lëhisjëthachäwoth (om zich neer te buigen) > voorzetsel lë + hitpaël inf. van het werkw. châwâh. Tenakh (14): (1) Gn 37,10. (2) Lv 26,1. (3) 1 S 1,3. (4) 1 S 2,36. (5) 2 S 15,5. (6) 2 K 5,18. (7) Js 2,20. (8) Js 66,23. (9) Jr 7,2. (10) Jr 26,2. (11) Ez 46,9. (12) Zach 14,16. (13) Zach 14,17. (14) 2 Kr 20,18.


- châwar (wit zijn). חָוַר = châwar (wit zijn). Taalgebruik in Tenakh: châwar (wit zijn). Getalwaarde: chet = 8, waw = 6 ; resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 214. De som van de elementen is telkens 4.
- mann. mv. = chôrim van het zelfst. naamw. chôr (edel, nobel, zuiver, wit). Zie: Tenakh: Est 6,1.
- hachorîm (de edelen) < bep. lidw. ha + mann. mv. chorîm van het zelfst. naamw. chôr (edel, nobel, zuiver, wit). Zie: Tenakh (12): (1) Dt 2,12. (2) Joz 8,26. (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12).


- chawwâh (Eva).
- חַוָּה = chawwâh (Eva). Taalgebruik in Tenakh: chawwâh (Eva). Getalswaarde: chet = 8, waw = 6, he = 5; totaal: 19. Structuur: 8 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 1.


- châzâh (zien, aanzien, uitkiezen). châzâh (zien, aanzien, uitkiezen). Taalgebruik in Tenakh: châzâh (zien, aanzien, uitkiezen). Taalgebruik in Jesaja: châzâh (zien, aanzien, uitkiezen). Getalwaarde: chet = 8, zain = 7, he = 5 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 8 - 7 - 5. ch-z-h. Tenakh (41). Js (6): (1) Js 1,1. (2) Js 2,1. (3) Js 13,1. (4) Js 28,15 (chozèh). (5) Js 33,20. (6) Js 48,6. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. châzâh (hij ziet). Js (3): (1) Js 1,1. (2) Js 2,1. (3) Js 13,1.
- act. ind. perf. 3de pers. enk. eiden (hij zag). Aoristvorm van horaô (zien). Taalgebruik in de LXX: eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). L. videre. Fr. voir. N. zien. D. sehen, schauen. E. to see. Bijbel (262). Pentateuch (64). Js (5): (1) Js 1,1. (2) Js 13,1. (3) Js 30,19. (4) Js 59,15. (5) Js 59,16. Een vorm van eidon / eiden in het NT (336). 2 / 3 wordt châzâh door eiden vertaald.
- act. ind. perf. 3de pers. enk. vidit van het werkw. videre (zien). Bijbel (201). Pentateuch (32). Js (9): (1) Js 1,1. (2) Js 2,1. (3) Js 9,1. (4) Js 13,1. (5) Js 30,19. (6) Js 59,15. (7) Js 59,16. (8) Js 64,3. (9) Js 66,8. 3 / 3 wordt châzâh door vidit vertaald ; 5 / 5 wordt eiden door vidit vertaald.
Hebr. châzâh. Gr. eiden. Lat. vidit (2): (1) Js 1,1. (2) Js 13,1.
Een vorm van châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) in Js (12): (1) Js 1,1. (2) Js 2,1. (3) Js 13,1. (4) Js 26,11. (5) Js 30,10. (6) Js 33,17. (7) Js 33,20. (8) Js 47,13. (9) Js 48,6. (10) Js 57,8.
Hebr. châzâh. Gr. eiden. Lat. vidit (2): (1) Js 1,1. (2) Js 13,1.
-- ´äsjèr châzâh (dat hij zag). (1) Js 1,1. (2) Js 2,1. (3) Js 13,1. (4) Am 1,1. (5) Mi 1,1. (6) Hab 1,1.


- חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen)

- chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Taalgebruik in Tenakh: chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Getalwaarde: chet = 8, zajin = 7, qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23). Structuur: 8 - 7 - 1. De som van de elementen is telkens 7.
- act. qal perf. 3de pers. mann. enk. châzaq (hij bemoedigt) OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. chäzaq (bemoedig) OF act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. chazzeq (bemoedig) OF bijvoegl. naamw. châzâq (vast, sterk, hevig). Tenakh (44). Pentateuch (9). Eerdere Profeten (12). Latere Profeten (6). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (14). Dt (4): (1) Dt 1,38. (2) Dt 12,23. (3) Dt 31,7. (4) Dt 31,23. Joz (6): (1) Joz 1,6. (2) Joz 1,7. (3) Joz 1,9. (4) Joz 1,18. (5) Joz 14,11. (6) Joz 17,18.

- וַיֶּחֱזַק = wajjèchèzaq (en hij nam vast) < prefix waw consecutivum wë + act. qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Taalgebruik in Tenakh: chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Getalwaarde: chet = 8, zajin = 7, qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23). Structuur: 8 - 7 - 1. De som van de elementen is telkens 7. wjjchzq: Tenakh (37).
- wajjèchèzaq lebh parë`oh (en het hart van Farao verhardde). Tenakh (4): (1) Ex 7,13. (2) Ex 7,22. (3) Ex 8,15. (4) Ex 9,35.
- wajëchazzeq JHWH ´èth lebh parë`oh (en JHWH verhardde het hart van Farao). Tenakh (6): (1) Ex 7,3. (2) Ex 9,12. (3) Ex 10,20. (4) Ex 10,27. (5) Ex 11,10. (6) Ex 14,4. (7) Ex 14,8.
- hèchèzaqëthîkhâ (ik hou je vast) < act. hifil perf. 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaams. 2de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (1): Js 41,9.
- הֶחֱזִיק = hèchèzîq (hij ondersteunde) van het werkw. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Taalgebruik in Tenakh: chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Getalwaarde: chet = 8, zajin = 7, qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23). Structuur: 8 - 7 - 1. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (22). In 19 verzen in Neh 3. Verder: (1) Re 7,8. (2) Mi 7,18. (3) 2 Kr 26,8.

- bijvoegl. naamw. vr. enk. חֲזָקָה = chäzâqâh van het bijvoegl. naamw. châzâq (sterk, vast, hard). Zie het werkw. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Taalgebruik in Tenakh: chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Getalwaarde: chet = 8, zajin = 7, qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23). Structuur: 8 - 7 - 1. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (20): (1) Ex 3,19. (2) Ex 6,1. (3) Ex 13,9. (4) Ex 32,11. (5) Nu 20,20. (6) Dt 4,34. (7) Dt 5,15. (8) Dt 6,21. (9) Dt 7,8. (10) Dt 9,26. (11) Dt 26,8. (12) Joz 4,24. (13) 1 S 14,52. (14) Jr 21,5. (15) Jr 32,21. (16) Ez 20,33. (17) Ez 20,34. (18) Ez 26,17. (19) Ps 136,12. (20) Da 9,15.
- חֲזָקָה בְיָד = bëjâd chäzâqâh (met sterke hand). Tenakh (12): (1) Ex 3,19. (2) Ex 13,9. (3) Dt 5,15. (4) Dt 6,21. (5) Dt 7,8. (6) Dt 9,26. (7) Dt 26,8. (8) Jr 21,5. (9) Ez 20,33. (10) Ez 20,34. (11) Ps 136,12. (12) Da 9,15.


- chäzôn (visioen, gezicht). châzôn / chäzôn (visioen, gezicht). Taalgebruik in Tenakh: chäzôn (visioen, gezicht). Getalwaarde: chet = 8, zain = 7, waw = 6, nun = 14 of 50 ; totaal: 35 (5 X 7) OF 71. Structuur: 8 - 7 - 6 - 5. Niet in de Pentateuch. Slechts 1X in de Vroege Prof.: 1 S 3,1. Tenakh (23). Js (2): (1) Js 1,1. (2) Js 29,7. 12 kl. Prof. (2): (1) Ob 1. (2) Nah 1,1. Zie ook 2 Kr 32,32.
- machäzeh (visioen, gezicht) < prefix m + stam ch-z-h. Getalwaarde: mem = 13 of 40, chet = 8, zain = 7, he = 5 ; totaal: 33 (3 X 11) OF 60 (2² X 3 X 5). Structuur: 4 - 8 - 7 - 5. m-ch-z-h. Tenakh (5). machäzeh. Tenakh (3): (1) Nu 24,4. (2) Nu 24,16. (3) Ez 13,7.

- mashshâ´ (profetie, godsspraak, het dragen, last). mashshâ´ (profetie, godsspraak, het dragen, last). Taalgebruik in Tenakh: mashshâ´ (profetie, godsspraak, het dragen, last). Tenakh (37). Js (12): (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12).

- châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden). châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden). Taalgebruik in Tenakh: châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden). Gr. krateô (vastnemen, bemachtigen) + genitief. Taalgebruik in het NT: krateô (vastnemen, bemachtigen). Taalgebruik in de LXX: krateô (vastnemen, bemachtigen). krateô -> kratos (kracht, sterkte, macht). Lat. tenere (houden, vasthouden). Fr. arrêter (arresteren) < ad - re- stare: bij - blijven, bij - terug - staan. Een vorm van krateô (vastnemen, bemachtigen) in de LXX (153), in het NT (47).

- chèbhërôn (Hebron). chèbhërôn (Hebron). Taalgebruik in Tenakh: chèbhërôn (Hebron). Getalwaarde: chet = 8, beth = 2, resj = 20 of 200, waw = 6, nun = 14 of 50 ; totaal: 50 OF 266 (2 X 7 X 19). Structuur: 8 - 2 - 2 - 6 - 5. Tenakh (33). Pentateuch (5). Eerdere Profeten (20). Latere Profeten (0). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (8). Gn (3): (1) Gn 23,2. (2) Gn 23,19. (3) Gn 37,14.

- chelèbh (vet, het beste). chelèbh (vet, het beste). Taalgebruik in Tenakh: chelèbh (vet, het beste). Getalwaarde: chet = 8, lamed = 13 of 40, beth = 2 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 8 - 4 - 2. Tenakh (47). Pentateuch (28). Js (2): (1) Js 7,22. (2) Js 60,16. wëhelèbh (en vet). Js (3): (1) Js 1,11. (2) Js 43,24. (3) Js 55,1.
- m-ch-l-b. Tenakh (9). mechelèbh (van / dan vet). Tenakh (6): (1) 1 S 15,22. (2) 2 S 1,22. (3) Js 34,6. (4) Js 34,7. (5) Ps 73,7. (6) Ps 81,17.


- חֵמָה = chemâh (toorn)

- chemâh (toorn). חֵמָה = chemâh (toorn). Taalgebruik in Tenakh: chemâh (toorn).
- חֵמָה = chemâh (toorn) < een qil vorm vr.: een naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijke korte klinker (Lettinga(6) 24c1). In open lettergreep onmiddellijk vóór de hoofdklemtoon is de korte i verlengd tot e (Lettinga(6) 13o). De ה = h is de aanwijzing van de lange eindklinker (Lettinga(6) 3d).


- chèrèbh (mes, zwaard). chèrèbh (mes, zwaard). Taalgebruik in Tenakh: chèrèbh (mes, zwaard). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, beth = 2 ; totaal: 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7). Structuur: 8 - 2 - 2. Tenakh (168). Js (10): (1) Js 1,20. (2) Js 2,4. (3) Js 14,19. (4) Js 21,15. (5) Js 22,2. (6) Js 25,5. (7) Js 31,8. (8) Js 34,6. (9) Js 60,12. (10) Js 61,4. charëbhôthâm < stat. constr. mv. charëbhôth + suff. pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. (hun zwaarden). Tenakh (4): (1) Js 2,4. (2) Ez 28,7. (3) Ez 30,11. (4) Ez 32,27.

- chèrëpâh (smaad, hoon, schande). chèrëpâh (smaad, hoon, schande). Taalgebruik in Tenakh: chèrëpâh (smaad, hoon, schande). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, pe = 17 of 80, he = 5 ; totaal: 50 (2 X 5²) OF 293 (priemgetal). Structuur: 8 - 2 - 8 - 5.
- chèrëpâthî (mijn smaad) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk.. ch-r-p-th-i. Tenakh (7): (1) Gn 30,23. (2). (3). (4). (5). (6). (7).


- chèsèd (liefde, barmhartigheid). חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid). Taalgebruik in Tenakh: chèsèd (liefde, barmhartigheid). Getalwaarde: chet = 8, samech = 15 of 60, daleth = 4 ; totaal: 27 (3 X 9) of 72 (8 X 9). Structuur: 8 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (76). Pentateuch (12). Eerdere Profeten (19). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (9). Geschriften (31). Ps (19): (1) Ps 18,51. (2) Ps 25,10. (3) Ps 32,10. (4) Ps 33,5. (5) Ps 52,3. (6) Ps 61,8. (7) Ps 62,13. (8) Ps 85,11. (9) Ps 86,5. (10) Ps 86,15. (11) Ps 89,3. (12) Ps 89,15. (13) Ps 100,1. (14) Ps 103,4. (15) Ps 103,8. (16) Ps 109,12. (17) Ps 109,16. (18) Ps 141,5. (19) Ps 145,8. Een vorm van חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid) in Tenakh (236), in Kl (2): (1) Kl 3,22. (2) Kl 3,32. חֶסֶד = chèsèd van Tenakh wordt in de LXX door 17 verschillende Griekse woorden weergegeven.

- חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid). Taalgebruik in Tenakh: chèsèd (liefde, barmhartigheid). Getalwaarde: chet = 8, samech = 15 of 60, daleth = 4 ; totaal: 27 (3 X 9) of 72 (8 X 9). Structuur: 8 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (76). Pentateuch (12). Eerdere Profeten (19). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (9). Geschriften (31). Een vorm van חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid) in Tenakh (236). חֶסֶד = chèsèd van Tenakh wordt in de LXX door 17 verschillende Griekse woorden weergegeven.
- Lat. misericordia. Fr. misericorde. E. mercy. N. barmhartigheid. D. Barmherzigkeit.
- zelfst. naamw. mann. mv. stat. constructus chasëde(j) van het zelfst. naamw. chèsèd (liefde, barmhartigheid). Taalgebruik in Tenakh: chèsèd (liefde, barmhartigheid). Getalwaarde: chet = 8, samech = 15 of 60, daleth = 4 ; totaal: 27 (3 X 9) of 72 (8 X 9).ch-s-d-j. Tenakh (9). chasëde(j) (barmhartigheden van, gunstbewijzen van). Tenakh (5): (1) Js 55,3. (2) Js 63,7. (3) Ps 89,2. (4) Ps 107,43. (5) Kl 3,22.

- (en doende barmhartigheid). Tenakh (4): (1) Ex 20,6. (2) Dt 5,10. (3) 2 S 22,51. (4) Ps 18,51.

--- חַסְדוֹ = wëchasëdô (zijn liefde) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (61). Pentateuch (1). Eerdere Profeten (0). Latere Profeten (2). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (58). Gn (1): Gn 24,27. Ps (47): (1) Ps 31,22. (2) Ps 42,9. (3) Ps 57,4. (4) Ps 59,11. (5) Ps 77,9. (6) Ps 98,3. (7) Ps 100,5. (8) Ps 103,11. (9) Ps 106,1. (10) Ps 106,45. (11) Ps 107,1. (12) Ps 107,8. (13) Ps 107,15. (14) Ps 107,21. (15) Ps 107,31. (16) Ps 117,2. (17) Ps 118,1. (18) Ps 118,2. (19) Ps 118,3. (20) Ps 118,4. (21) Ps 118,29. (22) Ps 136,1. (23) Ps 136,2. (24) Ps 136,3. (24 + 23 = 47) - Ps 136,4 - Ps 136,5 - Ps 136,6 - Ps 136,7 - Ps 136,8 - Ps 136,9 - Ps 136,10 - Ps 136,11 - Ps 136,12 - Ps 136,13 - Ps 136,14 - Ps 136,15 - Ps 136,16 - Ps 136,17 - Ps 136,18 - Ps 136,19 - Ps 136,20 - Ps 136,21 - Ps 136,22 - Ps 136,23 - Ps 136,24 - Ps 136,25 - Ps 136,26. Kl (1): Kl 3,32.
- וְחֶסֶד = wëchèsèd (en liefde, en barmhartigheid). Taalgebruik in Tenakh: (5): (1) Neh 9,17. (2) Ps 103,17. (3) Spr 14,22. (4) Spr 14,34. (5) Zach 7,9.
- וְחַסְדוֹ = wëchasëdô (zijn liefde) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (1): Ps 66,20.
--- bëchasëdëkhâ (in jouw barmhartigheid). Prefix bë, zelfstandig naamwoord en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mann. enkelvoud. Tenakh (4): (1) Ex 15,13. (2) Ps 13,6. (3) Ps 31,8. (4) Ps 31,17.
--- eleos. In 226 verzen in de bijbel. In 207 verzen in het O.T., in negentien verzen in het NT. In vier verzen bij Lucas: (1) Lc 1,50. (2) Lc 1,59. (3) Lc 1,72. (4) Lc 10,37. Zie verder Taalgebruik: eleèmôn (barmhartig), zie Mt 5,7.


- cheresj (doof). cheresj (doof). Taalgebruik in Tenakh: cheresj (doof). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, sjin = 21 of 300 ; totaal: 49 (7²) OF 508 (2² X 127). Structuur: 8 - 2 - 3. Gr. kôfos (doof). Taalgebruik in de LXX: kôfos (doof). Taalgebruik in het NT: kôfos (doof). Lat. surdus. Fr. sourd. D. taub. E. deaf. Een vorm van kôfos (doof) in de LXX (13), in het NT (14).
- cherësjîm (doven). Jesaja (1) Js 35,5.
-- wëcherësjîm (doven). Jesaja ((1) Js 43,8.
- bepaald lidw. + zelfst. naamw. mann. mv. hacherësjîm (de doven). Tenakh (3): (1) Js 29,18. (2) Js 42,18. (3) Ne 11,35: een plaatsnaam.
- verbindingswoord wë + zelfst. naamw. mann. enk. wëcheresj (en een dove). Jesaja (1) Js 42,19.

- chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen).חיל / חול = chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen). Taalgebruik in Tenakh: chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen).
- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk.חוּלִי = chûlî (beef van angst) van het werkw. חיל / חול = chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen). Taalgebruik in Tenakh: chîl / chûl (baren, beven van angst, beanstigen). Tenakh (2): (1) Mi 4,10. (2) Ps 114,7.

- chiththî (Hittiet). chiththî (Hittiet). Taalgebruik in Tenakh: chiththî (Hittiet). Getalwaarde: chet = 8, thaw = 22 of 400, jod = 10 ; totaal: 40 (2³ X 5) OF 418 (2 X 11 X 19). Structuur: 8 - 4 - 1.
- hachiththî (de Hittiet) < ha +. Tenakh (30). Pentateuch (11). Eerdere Profeten (15). Latere Profeten (0). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (4). Re (1): Ex 3,5.
- hachiththîm (de Hittietten) < ha + mann. mv. van de eigennaam Tenakh (5): (1) Joz 1,4. (2) Re 1,26. (3) 1 K 10,29. (4) 2 K 7,6. (5) 2 Kr 1,17.

- chizëqijjâhû (Hizkia). chizëqijjâhû (Hizkia). Taalgebruik in Tenakh: chizëqijjâhû (Hizkia). Taalgebruik in Jesaja: chizëqijjâhû (Hizkia). Getalwaarde: chet = 8, zajin = 7, qoph = 19 of 100, jod = 10, he = 5, waw = 6 ; totaal: 55 (5 X 11) of 131 (priemgetal). Structuur: 8 - 7 - 1 - 5 - 6. Betekenis: chizëqijjâhû (Hizkia) < châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden). Taalgebruik in Tenakh: châzaq (sterk / vast zijn, overweldigen, vasthouden) + jahû = JHWH. JHWH bevestigt: maakt sterk. Tenakh (65). Js (28). Js 36 (9). Js 37 (8). Js 38 (5). Js 39 (6). Js 36 (9): (1) Js 36,1. (2) Js 36,2. (3) Js 36,4. (4) Js 36,7. (5) Js 36,14. (6) Js 36,15. (7) Js 36,16. (8) Js 36,18. (9) Js 36,22. Js 37 (8): (1) Js 37,1. (2) Js 37,3. (3) Js 37,5. (4) Js 37,9. (5) Js 37,10. (6) Js 37,14. (7) Js 37,15. (8) Js 37,21. Js 38 (5): (1) Js 38,1. (2) Js 38,2. (3) Js 38,3. (4) Js 38,5. (5) Js 38,22. Js 39 (6): (1) Js 39,1. (2) Js 39,2. (3) Js 39,3. (4) Js 39,4. (5) Js 39,5. (6) Js 39,8. 2 K (31). 2 K 23 (1): 2 K 21,3.
- ´èl chizëqijjâhû (tot Hizkia). Tenakh (20): (1) 2 K 18,19. (2) 2 K 18,31. (3) 2 K 18,32. (4) 2 K 18,37. (5) 2 K 19,9. (6) 2 K 19,10. (7) 2 K 19,20. (8) 2 K 20,5. (9) 2 K 20,12. (10) 2 K 20,16. (11) 2 Kr 29,18. (12) Js 36,4. (13) Js 36,16. (14) Js 36,22. (15) Js 37,9. (16) Js 37,10. (17) Js 37,21. (18) Js 38,5. (19) Js 39,1. (20) Js 39,5.
- hammèlèkh chizëqijjâhû (koning Hizkia). Tenakh (8): (1) 2 K 18,17. (2) 2 K 19,1. (3) 2 K 19,5. (4) 2 K 20,14. (5) Js 36,2. (6) Js 37,1. (7) Js 37,5. (8) Js 39,3.
- lëchizëqijjâhû (aan Hizkia). Tenakh (1): Js 38,9.
- http://nl.wikipedia.org/wiki/Hizkia. Hizkia (ook wel Jechizkia, overleden in 687 v.Chr.) was een Bijbels-historisch figuur. Hizkia was van (vermoedelijk) 715 v.Chr. tot zijn dood koning van Juda. Hij was de opvolger van zijn vader Achaz. Ten tijde van Hizkia's leven was Israël opgedeeld in een noordrijk (onder de naam Israël) en een zuidrijk (Juda). In 722 v.Chr. veroverden de Assyriërs het noordrijk. Zijn vader was toen koning van het zuidelijke Juda, dat een vazalstaat van de Assyriërs was. Desondanks liep ook Juda het gevaar veroverd te worden. Hizkia toonde zich naar buiten toe loyaal ten opzichte van de Assyriërs, maar bereidde tegelijkertijd de hoofdstad van Juda Jeruzalem voor op een beleg. Hij versterkte de stadsmuren en liet een 533 meter lang ondergronds kanaal (de Hizkia-tunnel) aanleggen van de bij de stad gelegen Gihonbron naar binnen de stad. De bouw van dit kanaal was voor die tijd een technisch meesterwerk. Toen in 704 v.Chr. de Babyloniërs tegen de Assyriërs ten strijde trokken, steunde Hizkia de opstand tegen de Assyriërs, tezamen met andere Syrische vorsten en in de hoop op steun van Egypte. De Assyrische koning Sanherib ondernam hierop een veldtocht tegen de Syriërs en veroverde het zuiden van Palestina (701 v.Chr.) voordat Egyptische hulp kon arriveren. Ondanks het gegeven dat Hizkia 30 talenten goud en 300 talenten zilver betaalde aan Sanherib, begon Sanherib een belegering van Jeruzalem. Deze belegering werd echter afgebroken.

- ch-r-bh (o.a. Horeb). ch-r-bh (o.a. Horeb). Taalgebruik in Tenakh: ch-r-bh (o.a. Horeb). Getalwaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, beth = 2 ; totaal: 30 (2 X 3 X 5) OF 210 (2 X 3 X 5 X 7). Structuur: 8 - 2 - 2. In Ex 3,1: chorebhâh (naar de Horeb). In Ex 17,6: bëchorebh (in de Horeb). Gr. chôrèb (Horeb). Bijbel (18). Pentateuch (12). Ex (3): (1) Ex 3,1. (2) Ex 17,6. (3) Ex 33,6 (chôrebh).


- חָכְמָה = châkhëmah (wijsheid)

- châkhëmâh (wijsheid). חָכְמָה = châkhëmah (wijsheid). Taalgebruik in Tenakh: châkhëmâh (wijsheid). Getalswaarde: chet = 8, kaph = 11 of 20, mem = 13 of 40, he = 5. Totaal 37 of 73. Merkwaardige getallen ! De getalwaarde van Gn 1,1 is 2701 = 37 X 73. Tenakh (76). Pentateuch (5). Eerdere Profeten (5). Latere Profeten (3). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (61). Ex (4): (1) Ex 28,3. (2) Ex 31,6. (3). Niet in Lv noch Nu. Dt: Dt 34,9 (1). Pr (12): (1) Pr 1,16. (2) Pr 1,17. (3) Pr 1,18. (4) Pr 2,12. (5) Pr 2,26. (6) Pr 7,11. (7) Pr 7,25. (8) Pr 8,16. (9) Pr 9,13. (10) Pr 9,16. (11) Pr 9,18. (12) Pr 10,10.

  bijbel   OT NT Ex   Dt   2 S  1 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Jdt  2 Mak  Job  Ps  Spr  Pr  Hl  W  Sir  Js  Jr  Bar   Ez  Da  Mal   
châkhëmâh  75      4           13  29  12             
sofia (i)  128  103 (?)  25     17  16    16  22         
sofias  61  49  12                (1) 14           
sofian  87  74  13        18    (1) 16           

- בְחָכְמָה = bëchâkhëmah (met wijsheid). Tenakh (16): (1) Ex 31,3. (2) Ex 35,26. (3) Ex 35,31. (4) Ps 104,24. (5) Spr 3,19. (6) Spr 24,3. (7) Spr 28,26. (8) Spr 31,26. (9) Job 4,21. (10) Job 38,37. (11) Pr 1,13. (12) Pr 2,3. (13) Pr 2,21. (14) Pr 7,23. (15) Da 2,30. (16) 1 Kr 28,21.
- lëchâkhëmah (naar de wijsheid) < prefix voorzetsel lë +. Tenakh (4): (1) Spr 2,2. (2) Spr 7,4. (3) Job 13,5. (4) Pr 2,13.

- Ned.: wijsheid. D.: Weisheit. E.: wisdom. Fr.: sapience. Lat.: sapientia (sapere = smaken).


- choq (het vastgestelde, bepaald deel, taak, grens, doel, bestemde tijd). חֹק = choq (het vastgestelde, bepaald deel, taak, grens, doel, bestemde tijd). Taalgebruik in Tenakh: choq (het vastgestelde, bepaald deel, taak, grens, doel, bestemde tijd). Getalswaarde: chet = 8, qoph = 19 of 100 ; totaal: 27 (3³) OF 108 (2² X 3³). Structuur: 8 - 1. De som van de elementen is telkens 9.

- mann. mv. חֻקִים = chûqîm (bepalingen) van het zelfst. naamw. חֹק = choq (het vastgestelde, bepaald deel, taak, grens, doel, bestemde tijd). Taalgebruik in Tenakh: choq (het vastgestelde, bepaald deel, taak, grens, doel, bestemde tijd). Getalswaarde: chet = 8, qoph = 19 of 100 ; totaal: 27 (3³) OF 108 (2² X 3³). Structuur: 8 - 1. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (6): (1) Dt 4,5. (2) Dt 4,8. (3) Dt 4,14. (4) Ez 20,25. (5) Mal 3,22. (6) Neh 9,13.


bachoshèkh (in de duisternis): voorzetsel be + lidwoord ha -> trekt samen tot ba + zelfstandig naamwoord chosèk (duisternis). bachosèkh (in duisternis) komt in de bijbel in veertien verzen voor. LXX vertaalt zonder bepaald lidwoord: en skotei (in duisternis).

- chosjèkh (duisternis). חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis). Taalgebruik in Tenakh: chosjèkh (duisternis). Getalwaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, kaph = 11 of 20 ; totaal: 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41). Structuur: 8 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (57). Pentateuch (4). Eerdere Profeten (4). Latere Profeten (11). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (33). Js (9): (1) Js 5,20. (2) Js 5,30. (3) Js 13,10. (4) Js 14,6. (5) Js 42,7. (6) Js 45,3. (7) Js 45,7. (8) Js 45,19. (9) Js 59,9. Een vorm van ch-sj-kh in Js (13). (1) Js 5,20. (2) Js 5,30. (3) Js 9,1. (4) Js 29,18. (5) Js 42,7. (6) Js 45,3. (7) Js 45,7. (8) Js 45,19. (9) Js 47,5. (10) Js 49,9. (11) Js 58,10. (12) Js 59,9. (13) Js 60,2. Na 7 dagen begint de 8ste dag (chet van chosjèkh = 8) of de 1ste dag van de scheppingsweek. Zoals elke dag begint de dag na de sabbat met het invallen van de duisternis.
Tegenover duisternis staat licht. Hebr. ´ôr (licht). Taalgebruik in Tenakh: ´ôr (licht). Taalgebruik in Jesaja: ´ôr (licht). Getalwaarde: aleph = 1, waw = 6, resj = 20 of 200 ; totaal: 27 (3³) OF 207 (3³ X 23 ; 23 = aleph (1) + taw (22). Structuur: 1 - 6 - 2.
- בַּחֹשֶׁך = bachosèkh (in - de - duisternis) < voorzetsel be + lidwoord ha -> trekt samen tot ba + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis). Taalgebruik in Tenakh: chosjèkh (duisternis). Getalwaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, kaph = 11 of 20 ; totaal: 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41). Structuur: 8 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (14): (1) Joz 2,5. (2) 1 S 2,9. (3) Js 9,1. (4) Js 47,5. (5) Js 49,9. (6) Js 58,10. (7) Ez 8,12. (8) Mi 7,8. (9) Ps 88,13. (10) Ps 112,4. (11) Job 17,13. (12) Job 24,16. (13) Pr 2,14. (14) Pr 5,16.
- hachosjèkh (de duisternis) < bepaald lidw. ha + Tenakh (6): (1) Gn 1,4. (2) Gn 1,18. (3) Dt 5,23. (4) Js 60,2. (5) Pr 2,13. (6) Pr 11,8.

- וְחֹשֶׁךְ= wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis). Taalgebruik in Tenakh: chosjèkh (duisternis). Getalwaarde: chet = 8, sjin = 21 of 300, kaph = 11 of 20 ; totaal: 40 (2³ X 5) OF 328 (2³ X 41). Structuur: 8 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (3): (1) Gn 1,2. (2) Spr 10,19. (3) Job 38,19.



- holîkhäkhâ (hij liet gaan, hij voerde). Hifil perfectum derde persoon mannelijk enkelvoud + suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud. Hapax.
- wâ´ôlekh (hij liet gaan, hij voerde): (1) Lv 26,13. (2) Dt 29,4. (3) Joz 24,3. (4) Am 2,10.


- chûr (Chur). חוּר = chûr (Chur). Taalgebruik in Tenakh: chûr (Chur). Getalswaarde: chet = 8, waw = 6, resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 214 (2 X 107). Structuur: 8 - 6 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (): (1) Ex 31,2. (2) Ex 35,30. (3) Ex 38,22. (4). (5) Nu 31,8. (6) Joz 13,21. (7) 1 K 4,8. (8) Neh 3,9. (9) 1 Kr 2,19. (10) 1 Kr 2,50. (11) 1 Kr 4,4. (12) 2 Kr 1,5. Er zijn verschillende personen met de naam Chur.

- chûts (straat, buiten). חוּץ = chûts (straat, buiten). Taalgebruik in Tenakh: chûts (straat, buiten). Getalwaarde: chet = 8, waw = 6, tsade = 18 of 90 ; totaal: 32 (2² X 2³) OF 104 (4 X 26). Structuur: 8 - 6 - 9.
- הַחוּצָה = hachûtsâh (naar buiten). Zie: Tenakh (16): (1) Gn 15,5. (2) Gn 19,17. (3) Gn 24,29. (4) Gn 39,12. (5) Gn 39,13. (6) Gn 39,15. (7) Gn 39,18. (8) Dt 24,11. (9) Dt 25,5. (10) Joz 2,19. (11) Re 12,9. (12) 1 S 9,26. (13) 2 S 13,17. (14) 1 K 8,8. (15) Ez 34,21. (16) 2 Kr 5,9.
- bachûts (buiten, op straat) voorzetsel b + zelfst. naamw.. Tenakh (17). Js (1) Js 42,2.
- εξω = exô (buiten). Taalgebruik in de Septuaginta: exô (buiten). Taalgebruik in het NT: exô (buiten).

exô (buiten)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  163  101  62  10  10  12  11  29  41