Tenakh TAALGEBRUIK M
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel: http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm

-- mah / mâh (wat?) -- mâsjâh (uittrekken) -- mî (wie) -- mikhëthabh (geschrift) --

Overzicht van Tenakh: Tenakh: overzicht, Tenakh: taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -, Tenakh: commentaar,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta: overzicht, Septuaginta: taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -, Septuaginta: commentaar,

ALGEMEEN OVERZICHT

-
bijbeloverzicht, bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -, Oude Testament, Pentateuch, Historische boeken, Profeten, Wijsheidsboeken, NT overzicht, Evangelies, Synoptici, Brieven van Paulus, Apostolische brieven.

Overzicht van het N.T.: NT: overzicht, NT: taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -, NT: commentaar,

- OT: Gn (Genesis), Ex (Exodus), Lv (Leviticus), Nu (Numeri), Dt (Deuteronomium), Joz (Jozua), Re (Rechters), Rt (Ruth), 1 S (1 Samuël), 2 S (2 Samuël), 1 K (1 Koningen), 2 K (2 Koningen), 1 Kr ( 1 Kronieken), 2 Kr (2 Kronieken), Ezr (Ezra), Neh (Nehemia), Tob (Tobia), Jdt (Judith), Est (Esther), 1 Mak (1 Makkabeeën), 2 Mak (2 Makkabeeën), Job, Ps (Psalmen ), Spr (Spreuken), Pr (Prediker), Hl (Hooglied), W (Wijsheid), Sir (Sirach), Js (Jesaja), Jr (Jeremia), Kl (Klaagliederen), Bar (Baruch), Ez (Ezechiël), Da (Daniël), Hos (Hosea), Jl (Joël), Am (Amos), Ob (Obadja), Jon (Jona), Mi (Micha), Nah (Nahum), Hab (Habakuk), Sef (Sefanja), Hag (Haggai), Zach (Zacharia), Mal (Maleachi).
- NT: Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen), Rom (Rome), 1 Kor (Korinte), 2 Kor (Korinte), Gal (Galatië), Ef (Efese), Fil (Filippi), Kol (Kolosse), 1 Tes (Tessalonika), 2 Tes (Tessalonika), 1 Tim (Timoteüs), 2 Tim (Timoteüs), Tit (Titus), Film (Filemon), Heb (Hebreeën), Jak (Jakobus), 1 Pe (Petrus), 2 Pe (Petrus), 1 Joh (Johannes), 2 Joh (Johannes), 2 Joh (Johannes), Jud (Judas), Apk (Apokalyps).
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


  Gn 1 Gn 2 Gn 3 Gn 4 Gn 5 Gn 6 Gn 7 Gn 8 Gn 9 Gn 10 Gn 11 Gn 12 Gn 13 Gn 14 Gn 15 Gn 16 Gn 17 Gn 18 Gn 19 Gn 20 Gn 21 Gn 22 Gn 23 Gn 24 Gn 25
                                                   

 

  Gn 26 Gn 27 Gn 28 Gn 29 Gn 30 Gn 31 Gn 32 Gn 33 Gn 34 Gn 35 Gn 36 Gn 37 Gn 38 Gn 39 Gn 40 Gn 41 Gn 42 Gn 43 Gn 44 Gn 45 Gn 46 Gn 47 Gn 48 Gn 49 Gn 50
                                                   

  Tenakh  Gn   Ex   Nu   Re   1 K  2 K  1 Kr  Ps  Js  Hag  Zach  Mal 
malë´akh JHWH (engel van JHWH) 45 (48)   6 10  15 (18 X)  1

- ma`al (ontrouw, bedrog). מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog). Taalgebruik in Tenakh: ma`al (ontrouw, bedrog). Getalwaarde: mem = 13 ofd 40, ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30; totaal: 41 of 140 (2² X 5 X 7). Structuur: 4 - 7 - 3. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (13): (1) Lv 5,15. (2) Lv 5,21. (3) Nu 5,6. (4) Nu 5,27. (5) Nu 31,16. (6) Joz 7,1. (7) Joz 22,20. (8) 2 Kr 28,19. (9) 2 Kr 36,14. (10)Ez 14,13. (11) Ez 15,8. (12) Ezr 9,4. (13) Ezr 10,6. Een vorm van ma`al (ontrouw, bedrog) in Joz (5): (1) Joz 7,1. (2) Joz 22,16. (3) Joz 22,20. (4) Joz 22,22. (5) Joz 22,31.

- werkw. מָעַל = mâ`al (trouweloos handelen, trouweloos zijn, zich vergrijpen). Zie het zelfst. naamw. מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog). Taalgebruik in Tenakh: ma`al (ontrouw, bedrog). Getalwaarde: mem = 13 ofd 40, ajin = 16 of 70, lamed = 12 of 30; totaal: 41 of 140 (2² X 5 X 7). Structuur: 4 - 7 - 3. De som van de elementen is telkens 5.


- ma`ashèh (daad, werk). ma`äshèh (daad, werk). Taalgebruik in Tenakh: ma`ashè (daad, werk). Tenakh (93).
-- meervoud status constructus ma`äshê(j) van het zelfst. naamw. ma`äshèh (daad, werk). Taalgebruik in Tenakh: ma`ashè (daad, werk). m`shj in Tenakh (11), in Ps (7): (1) Ps 8,4. (2) Ps 45,2. (3) Ps 107,24. (4) Ps 111,2. (5) Ps 111,7. (6) Ps 118,17. (7) Ps 138,8.
- hamma`äshèh (de daad, het werk). Tenakh (12): (1) Gn 44,15. (2) Ex 18,20. (3) Re 2,10. (4) 1 S 20,19. (5) 1 K 13,11. (6) Ez 46,1. (7) Pr 2,17. (8) Pr 3,11. (9) Pr 3,17. (10) Pr 4,3. (11) Pr 4,4. (12) Pr 8,17. pragma (daad). Bijbel (37). OT (34). NT (3): (1) Hnd 5,4. (2) 1 Kor 6,1. (3) Gal 3,16.

- mâbô´(plaats van de ondergang van de zon, westen). mâbô´(plaats van de ondergang van de zon, westen). Taalgebruik in Tenakh: mâbô´(plaats van de ondergang van de zon, westen). mëbô´ô (zijn ondergang). Tenakh (3): (1) Ps 104,19. (2) Ps 113,3. (3) Mal 1,11.

- mâchâh (verdelgen, uitroeien, vernietigen). mâchâh (verdelgen, uitroeien, vernietigen). Taalgebruik in Tenakh: mâchâh (verdelgen, uitroeien, vernietigen). Getalwaarde: mem = 13 of 40, chet = 8, he = 5; totaal: 26 OF 53.
- act. qal imperf. cohort. 1ste pers. enk. ´èmëchèh (ik zal verdelgen). Tenakh (1): Gn 6,7. act. qal imperf. 1ste pers. mann. enk. ´èmëchèh (ik zal verdelgen). Tenakh (1): Ex 17,14.

- mchr (morgen, spoedig, eens). mâchâr (morgen, spoedig, eens). Taalgebruik in Tenakh: mchr (morgen, spoedig, eens). Getalwaarde: Tenakh (42). Pentateuch (14). Eerdere Profeten (22). Latere Profeten (2). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (4).

- mad (kleed, tapijt). vr. enk. מַד = mad (kleed, tapijt). Taalgebruik in Tenakh: mad (kleed, tapijt).

- מִדּוֹתָיו = middôthâ(j)w (zijn kleren) < vr. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. vr. enk. מַד = mad (kleed, tapijt). Taalgebruik in Tenakh: mad (kleed, tapijt). Tenakh (1): Ps 133,2.


- מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?)

- mah / mh (wat?). מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?). Taalgebruik in Tenakh: mah / mh (wat?). Getalwaarde: mem = 13 of 40, he = 5; totaal: 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5). Structuur: 4 - 5. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (424). Pentateuch (74). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (59). 12 Kleine Profeten (39). Geschriften (141). Ps (38). Ps 114 (1) Ps 114,5. Pr (18): (1) Pr 1,3. (2) Pr 1,9. (3) Pr 2,2. (4) Pr 2,12. (5) Pr 2,22. (6) Pr 3,9. (7) Pr 3,15. (8) Pr 6,8. (9) Pr 6,10. (10) Pr 6,11. (11) Pr 6,12. (12) Pr 7,10. (13) Pr 7,24. (14) Pr 8,4. (15) Pr 8,7. (16) Pr 10,14. (17) Pr 11,2. (18) Pr 11,5.
- Slechts op het einde van een woord kan de he leesmoeder zijn van o.a. een korte a. Zo is dit het geval in מַה = mah (wat?) (Lettinga, 12, 2012, 2c).

- מַה לָּכֶם = mah lâkhèm (wat voor jullie?). Tenakh (3): (1) Joz 22,24. (2) Js 3,15. (3) Ez 18,2.

- בַּמָּה = bammâh (waardoor) < prefix bë + vragend naamw. מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?). Taalgebruik in Tenakh: mah / mâh (wat?). Getalwaarde: mem = 13 of 40, he = 5; totaal: 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5). Structuur: 4 - 5. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (8): (1) Gn 15,8. (2) Re 6,15. (3) 1 S 14,38. (4) 1 K 22,21. (5) Mi 6,6. (6) Mal 1,2. (7) Mal 2,17. (8) 2 Kr 18,20.

- כַּמָּה = kammâh (hoe veel? hoe dikwijls? hoe lang? hoe groot?. Zie: מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?). Taalgebruik in Tenakh: mah / mâh (wat?). Getalwaarde: mem = 13 of 40, he = 5; totaal: 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5). Structuur: 4 - 5. De som van de elementen is telkens 9.


- מַעַן = ma`an (beweegreden, beweeggrond).

- m-j-d (o.a. Meden). m-j-d (o.a. Meden). Taalgebruik in Tenakh: m-j-d (o.a. Meden). Tenakh (26).
- mâdaj / mâdâj (Meden). Js (2): (1) Js 13,17. (2) Js 21,2.


- majim (water). מַיִם= majim (water). Taalgebruik in Tenakh: majim (water). Getalwaarde: mem = 13 of 40, jod = 10; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (254). Pentateuch (53). Eerdere Profeten (46). Latere Profeten (72). 12 Kleine Profeten (15). Geschriften (68).

- Ned.: water. Arabisch: مَأء = mâh (water). Taalgebruik in de Qoran: mâh (water). D.: Wasser. E.: water. Fr.: eau. Grieks: ὑδωρ = hudôr (water). Hebreeuws: מַיִם= majim (water). Taalgebruik in Tenakh: majim (water). Taalgebruik in het NT: hudôr (water). Lat.: aqua.

Tenakh (254). Pentateuch (53). Eerdere Profeten (46). Latere Profeten (72). 12 Kleine Profeten (15). Geschriften (68). Ex (15): (1) Ex 7,18. (2) Ex 7,21. (3) Ex 7,24. (4) Ex 15,8. (5) Ex 15,22. (6) Ex 15,23. (7) Ex 15,27. (8) Ex 17,1. (9) Ex 17,2. (10) Ex 17,6. (11) Ex 23,31. (12) Ex 30,18. (13) Ex 30,20. (14) Ex 40,7. (15) Ex 40,30. Nu (13): (1) Nu 5,17. (2) Nu 19,17. (3) Nu 20,2. (4) Nu 20,8. (5) Nu 20,10. (6) Nu 20,11. (7) Nu 21,5. (8) Nu 21,16. (9) Nu 24,6. (10) Nu 24,7. (11) Nu 33,9. (12) Nu 33,11. (13) Nu 33,14. Ps (28): (1) Ps 1,3. (2) Ps 18,12. (3) Ps 18,16. (4) Ps 29,3. (5) Ps 32,6. (6) Ps 42,2. (7) Ps 58,8. (8) Ps 63,2. (9) Ps 65,10. (10) Ps 69,2. (11) Ps 69,3. (12) Ps 69,15. (13) Ps 69,16. (14) Ps 72,8. (15) Ps 77,17. (16) Ps 77,18. (17) Ps 78,13. (18) Ps 78,16. (19) Ps 78,20. (20) Ps 93,4. (21) Ps 104,6. (22) Ps 105,41. (23) Ps 106,11. (24) Ps 107,33. (25) Ps 107,35. (26) Ps 114,8. (27) Ps 119,136. (28) Ps 147,18.
- הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water). Taalgebruik in Tenakh: majim (water). Getalwaarde: mem = 13 of 40, jod = 10; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (85). Pentateuch (45). Eerdere Profeten (23). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (12). Ex (12): (1) Ex 2,10. (2) Ex 4,9. (3) Ex 7,17. (4) Ex 7,20. (5) Ex 14,21. (6) Ex 14,26. (7) Ex 14,28. (8) Ex 15,25. (9) Ex 15,27. (10) Ex 32,20. `al hammajim (op de wateren). Ex (2): (1) Ex 7,17. (2) Lv 14,6.
- לָמָיִם = lammajim (naar de wateren) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. מַיִם= majim (water). Taalgebruik in Tenakh: majim (water). Getalwaarde: mem = 13 of 40, jod = 10; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (7): (1) Gn 1,6. (2) Ex 17,3. (3) Joz 7,5. (4) 2 K 2,21. (5) Js 55,1. (6) Jr 14,3. (7) Am 8,11.


- sârû maher min haddèrèkh (zij weken vlug af van de weg). Tenakh (3): (1) Ex 32,4. (2) Dt 9,12. (3) Re 2,17.


- mâkhar (verkopen). מָכַר = mâkhar (verkopen). Taalgebruik in Tenakh: mâkhar (verkopen). Getalwaarde: mem = 13 of 40, kaph = 11 of 20, resj = 20 of 200; totaal: 44 (2² X 11) OF 260 (2² X 5 X 13). Structuur: 4 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Een vorm van מָכַר = mâkhar (verkopen) in Gn (10): (1) Gn 25,31. (2) Gn 25,33. (3) Gn 31,15. (4) Gn 37,27. (5) Gn 37,28. (6) Gn 37,36. (7) Gn 45,4. (8) Gn 45,5. (9) Gn 47,20. (10) Gn 47,22. Een vorm van מָכַר = mâkhar (verkopen) in Lv (16): (1) Lv 25,14. (2) Lv 25,15. (3) Lv 25,16. (4) Lv 25,23. (5) Lv 25,25. (6) Lv 25,27. (7) Lv 25,29. (8) Lv 25,34. (9) Lv 25,39. (10) Lv 25,42. (11) Lv 25,47. (12) Lv 25,48. (13) Lv 25,50. (14) Lv 27,20. (15) Lv 27,27. (16) Lv 27,28.
- m-k-r: (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. mâkhar (hij verkocht). (2) act. participium perf. nom. mann. enk. mokher (verkopende). (3) zelfst. naamw. mèkhèr (koopprijs, koopwaar). Zie: Tenakh (5): (1) Lv 25,16. (2) Lv 25,27. (3) Lv 27,20. (4) Dt 14,21. (5) Neh 13,16.
- act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. מָכְרוּ = mâkhërû (zij verkochten) van het werkw. m-k-r-w. Tenakh (6). mâkhërû (zij verkochten). Tenakh (4): (1) Gn 37,36. (2) Gn 47,20. (3) Gn 47,22. (4) Jl 4,3. Zie ook Hnd 2,45.

- j-m-k-r. (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. יִמְכֹּר / יִמְכָּר = jimëkâr / jimëkor (hij verkocht). (2) pass. (nifal) imperf. 3de pers. mann. enk. יִמָּכֵר = jimmâkher (het zal verkocht worden). Zie het werkw. מָכַר = mâkhar (verkopen). Taalgebruik in Tenakh: mâkhar (verkopen). Getalwaarde: mem = 13 of 40, kaph = 11 of 20, resj = 20 of 200; totaal: 44 (2² X 11) OF 260 (2² X 5 X 13). Structuur: 4 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Bijbel (8): (1) Ex 21,7. (2) Lv 25,15. (3) Lv 25,29. (4) Lv 25,34. (5) Lv 27,28. (6) Dt 15,12. (7) Re 4,9. (8) Jr 34,14. Een vorm van מָכַר = mâkhar (verkopen) in Gn (10): (1) Gn 25,31. (2) Gn 25,33. (3) Gn 31,15. (4) Gn 37,27. (5) Gn 37,28. (6) Gn 37,36. (7) Gn 45,4. (8) Gn 45,5. (9) Gn 47,20. (10) Gn 47,22. Een vorm van מָכַר = mâkhar (verkopen) in Lv (16): (1) Lv 25,14. (2) Lv 25,15. (3) Lv 25,16. (4) Lv 25,23. (5) Lv 25,25. (6) Lv 25,27. (7) Lv 25,29. (8) Lv 25,34. (9) Lv 25,39. (10) Lv 25,42. (11) Lv 25,47. (12) Lv 25,48. (13) Lv 25,50. (14) Lv 27,20. (15) Lv 27,27. (16) Lv 27,28.

- wajjimëkor (en hij verkocht) < verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. Tenakh (2): (1) Gn 25,33. (2) 1 S 12,9.
- wajjimëkërem (en hij verkoopt hen) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (4): (1) Re 2,14. (2) Re 3,8. (3) Re 4,2. (4) Re 10,7.
- wajjimëkërem bëjad (en hij verkoopt hen in de hand van). Tenakh (3): (1) Re 2,14. (2) Re 3,8. (3) Re 10,7.
- wajjimëkërû (en zij verkochten) < verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. Tenakh (1): Gn 37,28. Zie ook: Hnd 2,45.
- th-m-k-r. (1) act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. thimëkhor (jij zult verkopen). Tenakh (2) (1) Ps 45,13. (2) Spr 23,23. (2) passief nifal perf. 3de pers. vr. enk. thimmâkher (het zal verkocht worden). Tenakh (1): Lv 25,23.
- D. verkaufen. E. to sell. Lat. vendere. Fr. vendre.


- mkhr (Makir). mâkhîr (Makir). Taalgebruik in Tenakh: mkhr (Makir). Getalwaarde: mem = 13 of 40, kaph = 11 of 20, jod = 10, resj = 20 of 200; totaal: 54 (2 X 3³) OF 270 (2 X 3³ X 5). Structuur: 4 - 2 - 1 - 2. Tenakh (15): (1) Gn 50,23. (2) Nu 27,1. (3) Nu 32,39. (4) Nu 36,1. (5) Joz 13,31. (6) Joz 17,3. (7) Re 5,14. (8) 2 S 9,4. (9) 2 S 9,5. (10) Ps 142,5 (part. hifil van mâkhar). (11) 1 Kr 2,21. (12) 1 Kr 2,23. (13) 1 Kr 7,14. (14) 1 Kr 7,16. (15) 1 Kr 7,17. Makir is de oudste zoon van Manasse, de kleinzoon van Jozef.
- bèn mâkhîr (zoon van Makir). Met verbindingsstreep. Tenakh (4): (1) Nu 27,1. (2) Nu 36,1. (3) Joz 17,3. (4) 1 Kr 7,17.
- bëne(j) mâkhîr (zonen van Makir). Tenakh (3): (1) Gn 50,23. (2) Nu 32,39. (3) 1 Kr 2,23.


- מַלְאַך = malë´akh (engel)

- malakh (engel). מַלְאַך = malë´akh (engel). Taalgebruik in Tenakh: malakh (engel). Getalwaarde: mem = 13 of 40, lamed = 12 of 30, aleph = 1, kaph = 11 of 20; totaal: 37 OF 91. Structuur: 4 - 3 - 1 - 2. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (64). Pentateuch (23). Eerdere Profeten (25). Latere Profeten (2). 12 Kleine Profeten (7). Geschriften (7). Gn (8): (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,9. (3) Gn 16,10. (4) Gn 16,11. (5) Gn 21,17. (6) Gn 22,11. (7) Gn 22,15. (8) Gn 31,11. Re (18): (1) Re 2,1. (2) Re 2,4. (3) Re 5,23. (4) Re 6,11. (5) Re 6,12. (6) Re 6,20. (7) Re 6,21. (8) Re 6,22. (9) Re 13,3. (10) Re 13,6. (11) Re 13,9. (12) Re 13,13. (13) Re 13,15. (14) Re 13,16. (15) Re 13,17. (16) Re 13,18. (17) Re 13,20. (18) Re 13,21.
- Grieks. αγγελος = aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT: aggelos (engel). Taalgebruik in de LXX: aggelos (engel). Gn (10): (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,8. (3) Gn 16,9. (4) Gn 16,10. (5) Gn 16,11. (6) Gn 21,17. (7) Gn 22,11. (8) Gn 22,15. (9) Gn 31,11. (10) Gn 48,16. Ex (5): (1) Ex 3,2. (2) Ex 4,24. (3) Ex 14,19. (4) Ex 23,23. (5). Re (18): (1) Re 2,1. (2) Re 2,4. (3) Re 5,23. (4) Re 6,11. (5) Re 6,12. (6) Re 6,14. (7) Re 6,16. (8) Re 6,20. (9) Re 6,21. (10) Re 6,22. (11) Re 13,3. (12) Re 13,9. (13) Re 13,11. (14) Re 13,13. (15) Re 13,16. (16) Re 13,18. (17) Re 13,20. (18) Re 13,21.

  aggelos (engel) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. aggelos 155 108 47 6   10 1 11 2 17 16 17

- Stam: n - g - l. L. angelus. Fr. ange. N. engel. E. angel. D. Engel. Fr. un messager uit L. mittere (zenden), missus = gezonden. Arabisch: مَلَك = malak (engel). Taalgebruik in de Qoran: malak (engel). Qoran (11).

- מַלְאַך יהוה = malë´akh JHWH (engel van JHWH). Tenakh (48). Gn (6): (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,9. (3) Gn 16,10. (4) Gn 16,11. (5) Gn 22,11. (6) Gn 22,15. Re (15): (1) Re 2,1. (2) Re 2,4. (3) Re 5,23. (4) Re 6,11. (5) Re 6,12. (6) Re 6,21. (7) Re 6,22. (8) Re 13,3. (9) Re 13,13. (10) Re 13,15. (11) Re 13,16. (12) Re 13,17. (13) Re 13,18. (14) Re 13,20. (15) Re 13,21.
- מַלְאַך הָאֱלֹהִים = malë´akh hâ´èlohîm (de engel van God). Tenakh (6): (1) Gn 31,11. (2) Ex 14,19. (3) Re 6,20. (4) Re 13,6. (5) Re 13,9. (6) 2 S 14,20.

- וַיּאֹמֶר לָהּ מַלְאַך יהוה = wajjo´mer lâh malë´akh JHWH (de engel van JHWH zei tot haar). Tenakh (3): (1) Gn 16,9. (2) Gn 16,10. (3) Gn 16,11.
- וַיּאֹמֶר מַלְאַך יהוה = wajjo´mer malë´akh JHWH (de engel van JHWH zei). Tenakh (4): (1) Nu 22,35. (2) Re 13,13. (3) Re 13,16. (4) Re 13,18.
- וַיּאֹמֶר מַלְאַך הָאֱלֹהִים = wajjo´mer malë´akh ´èlohîm (de engel van God zei). Tenakh (1): Gn 21,17.


- מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad)

- mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad). מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad). Taalgebruik in Tenakh: ml kh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad). Tenakh (37). Lv (7): (1) Lv 7,24. (2) Lv 11,32. (3) Lv 16,29. (4) Lv 23,3. (5) Lv 23,28. (6) Lv 23,30. (7) Lv 23,31.

- מְלָאכָה כָּל (al het werk).Tenakh (8): (1) Ex 12,16. (2) Ex 35,35. (3) Lv 23,3. (4) Lv 23,30. (5) Lv 23,31. (6) Nu 29,7. (7) 1 K 7,14. (8) Jr 17,24.

- מְלָאכְתֶּךָ (jouw werk) < zelfst. naamw. vr. enk. stat. construct. + persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk.. Tenakh (4): (1) Ex 20,9. (2) Dt 5,13. (3) Jon 1,8. (4) Spr 24,27.


- mâlâ´ (vullen, vervullen). מָלָא = mâlâ´ (vullen, vervullen). Taalgebruik in Tenakh: mâlâ´ (vullen, vervullen). Getalwaarde: mem = 13 of 40, lamed = 12 of 30, aleph = 1; totaal: 26 OF 71. Structuur: 4 - 3 - 1. De som van de elementen is telkens 8. Gr. pimplèmi (vervullen, vol maken). Taalgebruik in de Septuaginta: pimplèmi (vervullen, vol maken). Taalgebruik in het NT: pimplèmi (vervullen, vol maken). Lat. replere. Fr. remplir. Ned. vervullen. D. erfüllen. E. to fill. Een vorm van pimplèmi (vervullen, vol maken) in de LXX (116). Een vorm van plèroô (vullen) in de LXX (112), in het NT (86), in Hnd (16). m-l-´. Tenakh (76). Pentateuch (17). Eerdere Profeten (17). Ex (6): (1) Ex 9,8. (2) Ex 16,32. (3) Ex 16,33. (4) Ex 35,35. (5) Ex 40,34. (6) Ex 40,35.
- w-th-m-l-´. Tenakh (9). wë + pass. nifal imperf. 3de pers. vr. enk. waththimmâle´ (en zij werd vervuld). Tenakh (6): (1) Gn 6,11. (2) Ex 1,7. (3) 2 K 3,20. (4) Js 2,7. (5) Js 2,8. (6) Ez 9,9. In deze 6 verzen is een vorm van ´èrèts (land, aarde) onderwerp. wë + act. piël imperf. 3de pers. vr. enk. wathëmalle´ (en hij vulde). Tenakh (3): (1) Gn 21,19. (2) Gn 24,16. (3) Ps 80,10.
- act. qal perf. 3de pers. mann. mv. mâle´û / mâlë´û (zij zijn vol van). Tenakh (28). Js (7): (1) Js 1,15. (2) Js 2,6. (3) Js 15,9. (4) Js 21,3. (5) Js 22,7. (6) Js 28,8. (7) Js 30,27.
- mille´thi(j)w: werkwoordvorm piel perf. 1ste pers. enk. mille´thî (ik + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (hem) van het werkw.

-


- mâle´ (vol). מָלֵא = mâle´ (vol). Zie:

; stat. constr. מְלֵא = mële´ (vol, rijk). Taalgebruik in Tenakh: mâle´ (vol).


- mlat (ontkomen, redden). מָלַט = mâlat (ontkomen, redden). Taalgebruik in Tenakh: mlat (ontkomen, redden). Getalwaarde: mem = 13 of 40, lamed = 12 of 30, tet = 9; totaal: 34 (2 X 17) OF 79 (priemgetal). Structuur: 4 - 3 - 9. De som van de elementen is telkens 7.
- pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּמָּלֵט = wajjimmalet (en hij redde zich) van het werkw. מָלַט = mâlat (ontkomen, redden). Taalgebruik in Tenakh: mâlat (ontkomen, redden). Getalwaarde: mem = 13 of 40, lamed = 12 of 30, tet = 9; totaal: 34 (2 X 17) OF 79 (priemgetal). Structuur: 4 - 3 - 9. De som van de elementen is telkens 7.


- malkt (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk). מַלְכוּת = malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk). Taalgebruik in Tenakh: malkt (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk). Tenakh (9):

- zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. מַלְכוּתֶךָ = malëkhûthèkhâ (jouw koningschap, jouw koninkrijk) van het zelfst. naamw. מַלְכוּת = malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk). Taalgebruik in Tenakh: malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk). Tenakh (8): (1) Ps 45,7. (2) Est 3,8. (3) 2 Kr 7,18.
- מַלְכוּתְךָ = malëkhûthëkhâ. Tenakh (2): (1) Ps 145,11. (2) Ps 145,13.
- מַלְכוּתָךְ = malëkhûthâkh. Tenakh (3): (1) Da 4,23. (2) Da 5,26. (3) Da 5,28.

- Tenakh (8): (1) Ps 45,7. (2) Ps 145,11. (3) Ps 145,13. (4) Est 3,8. (5) Da 4,23. (6) Da 5,26. (7) Da 5,28. (8) 2 Kr 7,18.


- malëqôsj (late regen). מַלְקוֹשׁ = malëqôsj (late regen). Taalgebruik in Tenakh: malëqôsj (late regen). In Palestina in de maanden maart en april. Tenakh (2): (1) Zach 10,1. (2) Spr 16,15.

- וּמַלְקוֹשׁ = ûmalëqôsj (en late regen) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. מַלְקוֹשׁ = malëqôsj (late regen). Taalgebruik in Tenakh: malëqôsj (late regen). Tenakh: (1) Dt 11,14. (2) Jr 3,3. (3) Jr 5,24. (4) Jl 2,23.

Zie lâqasj (piël: napluk houden). Taalgebruik in Tenakh: lqsj (piel: napluk houden).


- mamëre´ (Mamre). מַמְרֵא = mamëre' (Mamre). Taalgebruik in Tenakh: mamëre´ (Mamre). Getalwaarde: mem = 13 of 40, resj = 20 of 200, aleph = 1; totaal: 47 OF 281 (priemgetal). De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (9): (1) Gn 13,18. (2) Gn 14,13. (3) Gn 18,1. (4) Gn 23,17. (5) Gn 23,19. (6) Gn 25,9. (7) Gn 35,27. (8) Gn 49,30. (9) Gn 50,13.
- בְאֵלֹנֵי מַמְרֵא = bë´elonè(j) mamëre´ (bij de eik van Mamre). Tenakh (3): (1) Gn 13,18. (2) Gn 14,13. (3) Gn 18,1


- mân (1. manna. 2. wat ?)

- mn (1. manna. 2. wat ?). מָן = mân (1. manna. 2. wat ?). Taalgebruik in Tenakh: mn (1. manna. 2. wat ?). Getalswaarde: mem = 13 of 40; nun = 14 of 50; totaal: 27 of 90. Structuur: 4 - 5. De som van de elementen is telkens 9.

- וּמָן = ûmân (en wat?) < prefix voorzetsel wë + naamwoord. Zie: מָן = mân (1. manna. 2. wat ?). Taalgebruik in Tenakh: mân (1. manna. 2. wat ?). Getalswaarde: mem = 13 of 40; nun = 14 of 50; totaal: 27 of 90. Structuur: 4 - 5. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (97).


- mashshâ´ (profetie, godsspraak). mashshâ´ (profetie, godsspraak). Taalgebruik in Tenakh: mashshâ´ (profetie, godsspraak). Getalwaarde: mem = 13 of 40, shin = 21 of 300, aleph = 1; totaal: 35 (5 X 7) OF 341 (11 X 31). Structuur: 4 - 3 - 1. Tenakh (37). 12 kl. Prof. (4): (1) Nah 1,1. (2) Zach 9,1. (3) Zach 12,1. (4) Mal 1,1. Js (12): (1) Js 13,1. (2) Js 15,1. (3) Js 17,1. (4) Js 19,1. (5) Js 21,1. (6) Js 21,11. (7) Js 21,13. (8) Js 22,1. (9) Js 23,1. (10) Js 30,6. (11) Js 46,1. (12) Js 46,2. Zie ook Spr 30,1. Spr 31,1. hammashshâ´ (profetie, godsspraak). Tenakh (10). js (2): (1) Js 14,28. (2) Js 22,25. In Js komt mashshâ´ (profetie, godsspraak) 12X voor. In Js 1-39: 10X, in Js 40-55: 2X.

- maqm (plaats, verblijfplaats). מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats). Taalgebruik in Tenakh: maqm (plaats, verblijfplaats). Getalwaarde: mem = 13 of 40, qoph = 19 of 100, waw = 6; totaal: 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31). Structuur: 4 - 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 6.
- Gr. τοπος = topos (plaats). Taalgebruik in het NT: topos (plaats). Taalgebruik in de LXX: topos (plaats). Taalgebruik in Mc: topos (plaats). Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613), in het NT (95). L. locus. F. place. N. plaats. E. place. D. Stätte.
- הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats). Taalgebruik in Tenakh: maqôm (plaats, verblijfplaats). Getalwaarde: mem = 13 of 40, qoph = 19 of 100, waw = 6; totaal: 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31). Structuur: 4 - 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 6.Tenakh (114). Pentateuch (51). Eerdere Profeten (26). Latere Profeten (21). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (14).Gn (22): (1) Gn 13,3. (2) Gn 13,14. (3) Gn 18,26. (4) Gn 19,12. (5) Gn 19,13. (6) Gn 19,14. (7) Gn 19,27. (8) Gn 20,13. (9) Gn 22,3. (10) Gn 22,4. (11) Gn 22,9. (12) Gn 22,14. (13) Gn 26,7. (14) Gn 28,11. (15) Gn 28,17. (16) Gn 28,19. (17) Gn 29,22. (18) Gn 32,3. (19) Gn 32,31. (20) Gn 33,17. (21) Gn 35,15. (22) Gn 38,22. Dt (8): (1) Dt 1,31. (2) Dt 9,7. (3) Dt 11,5. (4) Dt 11,24. (5) Dt 12,3. (6) Dt 12,5. (7) Dt 12,11. (8) Dt 12,21. (9) Dt 12,26. (10) Dt 14,24. (11) Dt 14,25. (12) Dt 16,6. (13) Dt 17,8. (14) Dt 17,10. (15) Dt 18,6. (16) Dt 26,2. (17) Dt 26,9. (18) Dt 29,6.
-- אֶת הַמַּקוֹם = ´èth hammâqôm (de plaats). Tenakh (7): (1) Gn 19,13. (2) Gn 22,4. (3) Rt 3,4. (4) 1 S 26,5. (5) 2 K 6,6. (6) Jr 19,4. (7) Jr 42,18.
- bammâqôm (op de plaats) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + OF bimêqôm (op de plaats van) < voorzetsel bë + stat. constr. van Tenakh (70). Pentateuch (34). Eerdere Profeten (8). Latere Profeten (18). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (9). Ps (2): (1) Ps 24,3. (2) Ps 44,20. bimëqôm qâdësjô (op de plaats van zijn heiligheid). Tenakh (2): (1) Ezr 9,8. (2) Ps 24,3.


- מָשָׁה = mâsjâh (uittrekken)

- msjh (uittrekken). מָשָׁה = mâsjâh (uittrekken). Taalgebruik in Tenakh: msjh (uittrekken). Getalswaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, he = 5; totaal: 39 OF 345. Structuur: 4 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 3.

- act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. מְשִׁי = mesjî (trek uit) van het werkw. מָשָׁה = mâsjâh (uittrekken). Taalgebruik in Tenakh: mâsjâh (uittrekken).


- מָשַׁח = mâsjach (zalven)

- mâsjach (zalven). act. qal perf. 3de pers. mann. enk. מָשַׁח = mâsjach (zalven). Taalgebruik in Tenakh: mâsjach (zalven). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, chet = 8; totaal: 42 (6 X 7) OF 348 (2² X 3 X 29). Structuur: 4 - 3 - 8. De som van de elementen is telkens 5. Tenak (2): (1) Nu 35,25. (2) Js 61,1. Heel wat woorden hebben de mem en sjin gemeenschappelijk: sj-m. שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh: sjem (naam), מֹשֶׁה = mosjèh (Mozes). Taalgebruik in Tenakh: Mosjèh (Mozes), מָשַׁח = mâsjach (zalven). Taalgebruik in Tenakh: mâsjach (zalven), שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl. naamw. (= sjamen, vr. = sjëmenâh = vet, dik, sterk). Taalgebruik in Tenakh: sjèmèn (vet, olie, zalf), שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) < sjamsj. Taalgebruik in Tenakh: sjèmèsj (zon).

- מָשִׁיחַ = mâsjîach (messias, gezalfde). Zie het werkw. מָשַׁח = mâsjach (zalven). Taalgebruik in Tenakh: mâsjach (zalven). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, chet = 8; totaal: 41 OF 248 (2³ X 31). Structuur: 4 - 3 - 8. De som van de elementen is telkens 5. m-sj-j-ch. Tenakh (11): (1) 1 S 24,7. (2) 1 S 24,11. (3) 1 S 26,16. (4) 2 S 1,14. (5) 2 S 1,16. (6) 2 S 1,21. (7) 2 S 19,22. (8) 2 S 23,1. (9) Kl 4,20. (10) Da 9,25. (11) Da 9,26. Getalwaarde van מָשִׁיחַ = mâsjîach (messias, gezalfde): mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, jod = 10, chet = 8; totaal: 52 (2 X 26) OF 358 (2 X 179). Hoe de jod in de 2de lettergreeep verklaren ?
- תוֹרַת מָשִׁיחַ = thôrath mâsjîach (de wet van de messias, gezalfde).Getalswaarde: 70 (7 X 10) OF 1006 (2 X 503) + 52 (2 X 26) OF 358 (2 X 179) = 122 OF 1364. De som van deze twee getalswaarden (rangtalwoorden en hoofdtelwoorden): 122 + 1364 = 1486.

- מְשִׁיחוֹ = mësjîchô (zijn gezalfde) < zelfst. naamw. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie het werkw. מָשַׁח = mâsjach (zalven). Taalgebruik in Tenakh: mâsjach (zalven). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 20 of 200, chet = 8; totaal: 41 OF 248 (2³ X 31). Structuur: 4 - 2 - 8. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (7): (1) 1 S 2,10. (2) 1 S 12,3. (3) 1 S 12,5. (4) 1 S 16,6. (5) Ps 2,2. (6) Ps 20,7. (7) Ps 28,8.

- מִשְׁחָה = misjëchâh (zalving)

- וַיִּמְשַׁח

= wajjimësjach (en hij zalfde) < prefix wë consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. enk. van het werkw. מָשַׁח = mâsjach (zalven). Taalgebruik in Tenakh: mâsjach (zalven). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 20 of 200, chet = 8; totaal: 41 OF 248 (2³ X 31). Structuur: 4 - 2 - 8. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (6): (1) Lv 8,10. (2) Lv 8,11. (3) Lv 8,12. (4) Nu 7,1. (5) 1 S 16,13. (6) 1 K 1,39.

- אֹתוֹ וַיִּמְשַׁח = wajjimësjach ´othô (en hij zalfde hem / het). Tenakh (3): (1) Lv 8,12. (2) Nu 7,1. (3) 1 S 16,13. In Nu 7,1 gaat het over de zalving van de sjekina, de woonst van God; in Lv 8,12 over de zalving van Aäron tot hogepriester, in 1 S 16,13 over de zalving van David tot koning.


- masjëger (slot, gevangenis). masjëger (slot, gevangenis). Taalgebruik in Tenakh: masjëger (slot, gevangenis). Zelfst. naamw. gevormd uit het werkw. sâgar (sluiten). Taalgebruik in Tenakh: sâgar (sluiten). Getalwaarde: samech = 15 of 60, gimel = 3, resj = 20 of 200; totaal: 38 (2 X 19) OF 263.Getalwaarde van masjëger (slot, gevangenis); mem = 13 of 40; totaal: 51 OF 303. Tenakh (2): (1) Js 42,7. (2) Ps 142,8.

- `egèl massekhâ (een kalf, een gegoten afgodsbeeld). Tenakh (4): (1) Ex 32,4. (2) Ex 32,8. (3) Dt 9,16. (4) Neh 9,18.


- מָשַׁל = mâsjal (heersen, macht hebben)

- mâsjal (heersen, macht hebben). מָשַׁל = mâsjal (heersen, macht hebben). Taalgebruik in Tenakh: msjal (heersen, macht hebben).

- וְלִמְשֹׁל = wëlimësjol (en om te heersen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + act. qal inf. construct. van het werkw. מָשַׁל = mâsjal (heersen, macht hebben). Taalgebruik in Tenakh: mâsjal (heersen, macht hebben).


- מָצָא = mâtsâ´ (vinden)

- mâtsâ´ (vinden). מָצָא = mâtsâ´ (vinden). Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´ (vinden). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, aleph = 1; totaal: 32 ( 2² X 2³) of 131. Structuur: 4 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 5. Een vorm van מָצָא = mâtsâ´ (vinden) in 403 verzen.

- act. qal perf. 2de pers. mann. enk. מָצָאתָ = mâtsâthâ (jij vondt) van het werkw. מָצָא = mâtsâ´ (vinden). Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´ (vinden). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, aleph = 1; totaal: 32 ( 2² X 2³) of 131. Structuur: 4 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (8): (1) Gn 31,37. (2) Ex 33,12. (3) Ex 33,17. (4) 1 S 29,8. (5) 2 S 18,22. (6) Js 57,10. (7) Spr 24,14. (8) Spr 25,16.

- act. qal perf. 3de pers. mann. mv. מָצָאוּ / מָצְאוּ = mâtsâ´û / mâtsë´û (zij vonden) van het werkw. מָצָא = mâtsâ´ (vinden). Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´ (vinden). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, aleph = 1; totaal: 32 ( 2² X 2³) of 131. Structuur: 4 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (10): (1) Ex 15,22. (2) Ex 16,27. (3) Joz 2,22. (4) Re 21,14. (5) 1 S 9,4. (6) 2 S 17,20. (7) 2 K 9,35. (8) Ps 76,6. (9) Neh 5,8. (10) Ps 107,4.

- וַיִּמְצָא = wajjimëtsâ´ (en hij vond) < prefix voegw. wa-consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. מָצָא = mâtsâ´ (vinden). Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´ (vinden). Getalswaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, aleph = 1; totaal: 32 ( 2² X 2³) of 131. Structuur: 4 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (23). Pentateuch (4): (1) Gn 26,12. (2) Gn 30,14. (3) Gn 39,4. (4) Gn 44,12. 5. Een vorm van מָצָא = mâtsâ´ (vinden) in 403 verzen.

- וַיִּמְצָאָהּ = wajjimëtsâ´âh (en hij vond haar) < prefix voegw. wa-consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. vr. enk. van het werkw. מָצָא = mâtsâ´ (vinden). Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´ (vinden). Getalswaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, aleph = 1; totaal: 32 ( 2² X 2³) of 131. Structuur: 4 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (2): (1) Gn 16,7. (2) 1 Kr 20,2. Een vorm van מָצָא = mâtsâ´ (vinden) in 403 verzen.

- וַיִּמְצְאוּ = wajjimëtsë´û (en zij vonden) < prefix verbindingswoord wa (consecutivum) + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. מָצָא = mâtsâ´ (vinden). Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´ (vinden). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, aleph = 1; totaal: 32 ( 2² X 2³) of 131. Structuur: 4 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (13):

- וַיִּמְצְאוּ = wajjimëtsë´û (en zij vonden) < prefix verbindingswoord wa (consecutivum) + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. מָצָא = mâtsâ´ (vinden). Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´ (vinden). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, aleph = 1; totaal: 32 ( 2² X 2³) of 131. Structuur: 4 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (13): (1) Gn 11,2. (2) Gn 26,19. (3) Nu 15,32. (4) Re 1,5. (5) Re 21,12. (6) 1 S 30,11. (7) 1 S 31,8. (8) 1 K 1,3. (9) Jr 41,12. (10) Neh 8,14. (11) 1 Kr 4,40. (12) 1 Kr 10,8. (13) 2 Kr 20,25.

- εὑρες χαριν ( jij vondt genade). NT = Lc (1): Lc 1,30.
- εὑρεν χαριν (hij vond genade). NT = Hnd (1): Hnd 7,46.
- הֵן מָצָאתָ = mâtsâthâ hen (jij vondt genade). Tenakh (2): (1) Ex 33,12. (2) Ex 33,17.
- הֵן מָצָא = mâtsâ hen (hij vond genade). Tenakh (3): (1) Gn 6,8. (2) 1 S 16,22. (3) Jr 31,2.


- matstsâh (ongezuurd brood, twist, strijd). matstsâh (ongezuurd brood, twist, strijd). Taalgebruik in Tenakh: matstsâh (ongezuurd brood, twist, strijd). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, he = 5; totaal: 38 (2 X 19) OF 135 (3³ X 5). Structuur: 4 - 9 - 5.
- wëmatstsâh (en strijd) < wë + Tenakh (1) Js 58,4.

- matstsebhh (gewijde steen, obelisk, zuil, opgerichte steen). matstsebhâh (gewijde steen, obelisk, zuil, opgerichte steen). Taalgebruik in Tenakh: matstsebhh (gewijde steen, obelisk, zuil, opgerichte steen). getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, beth = 2, he = 5; totaal: 38 (2 X 19) OF 137 (priemgetal). Structuur: 4 - 9 - 2 - 5. Tenakh (11): (1) Gn 28,18. (2) Gn 28,22. (3) Gn 31,13. (4) Gn 31,45. (5) Gn 35,14. (6) Gn 35,20. (7) Ex 24,4. (8) Dt 16,22. (9) 2 S 23,36. (10) Hos 3,4. (11) Zach 9,8.
- ûmatstsebhothâm (en hun zuilen) < wë + zelfst. naamw. vr. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Tenakh (1): Dt 7,5.

 

- mâtâr (regen). mâtâr (regen). Taalgebruik in Tenakh: mâtâr (regen). Status constructus mëtar. Getalwaarde: mem = 13 of 40, tet = 9, resj = 20 of 200; totaal: 42 (2 X 3 X 7) OF 249 (3 X 83). Tenakh (19): (1) Dt 11,14. (2) Dt 11,17. (3) Dt 28,12. (4) Dt 28,24. (5) 2 S 1,21. (6) 1 K 8,35. (7) 1 K 8,36. (8) 1 K 18,1. (9) Js 5,6. (10) Js 30,23. (11) Zach 10,1. (12) Ps 147,8. (13) Spr 28,3. (14) Job 5,10. (15) Job 36,27. (16) Job 37,6. (17) 2 Kr 6,26. (18) 2 Kr 6,27. (19) 2 Kr 7,3.
- ûmâtâr (en de regen). In vijf verzen in de bijbel: (5) Zach 10,1.
- mtr. Nifal: door regen besproeid worden. Hifil: doen regenen.

- matth (stok, staf). mattèh / matteh (stok, staf). Taalgebruik in Tenakh: matth (stok, staf). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tedt = 9, he = 5; totaal: 27 (3³) OF 54 (2 X 3³). Structuur: 4 - 9 - 5. Tenakh (75). Pentateuch (34). Eerdere Profeten (16). Latere Profeten (12). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (11).
- bammattèh (met de staf) < voorzetsel bë + bepaald lidw. he + zelfst. naamw. Tenakh (4): (1) Ex 7,17. (2) Ex 7,20. (3) 1 S 19,15. (4) Js 28,27.
- hammatteh (de staf, de stok) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. Tenakh (24). Pentateuch (10). Eerdere Profeten (11). Latere Profeten (1). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (2).

- mazzlth (planeten, sterrenbeelden). mazzâlôth (planeten, sterrenbeelden). Taalgebruik in Tenakh: mazzlth (planeten, sterrenbeelden).
- wëlammazzâzôth (en aan de planeten) < wë + lë + bepaald lidw. ha + Tenakh (1): 2 K 23,5.


- מֵאָה = me´âh (honderd)

- meh (honderd). מֵאָה = me´âh (honderd), zie 100. Taalgebruik in Tenakh: meh (honderd). Getalwaarde: mem = 13 of 40, aleph = 1, he = 5; totaal: 19, zie 19, of 46 (2 X 23), zie 46. Structuur: 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (98). Pentateuch (15). Eerdere Profeten (17). Latere Profeten (11). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (54). Gn (6): (1) Gn 6,3. (2) Gn 17,17. (3) Gn 23,1. (4) Gn 26,12. (5) Gn 50,22. (6) Gn 50,26. Re (2): (1) Re 2,8. (2) Re 8,10.
- Grieks. ἑκατον = hekaton (honderd), zie 100. Taalgebruik in het NT: hekaton (honderd). Taalgebruik in de LXX: hekaton (honderd). Bijbel (211). OT (194). Gn (29). NT (17): (1) Mt 13,8. (2) Mt 13,23. (3) Mt 18,12. (4) Mt 18,28. (5) Mc 4,8. (6) Mc 4,20. (7) Mc 6,40. (8) Lc 15,4. (9) Lc 16,6. (10) Lc 16,7. (11) Joh 19,39. (12) Joh 21,11. (13) Hnd 1,15. (14) Apk 7,4. (15) Apk 14,1. (16) Apk 14,3. (17) Apk 21,17. ἑκατον = hekaton (honderd, 100).
- Latijn. centum (honderd, 100). Bijbel (193). OT (177), NT (16). Gn (20).
- Ned.: honderd. Aramees: מְאָה = mëâh (honderd, 100). Arabisch: مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100). D.: hundert. E.: hundred. Fr.: cent. Grieks: ἑκατον = hekaton (honderd, 100). Hebreeuws: מֵאָה = me´âh (honderd). Taalgebruik in Tenakh: me´âh (honderd). Latijn: centum (honderd, 100).

- בֶּן מֵאָה = ben me´ah (100 'jaar' oud). Tenakh (7): (1) Gn 50,26. (2) Dt 31,2. (3) Dt 34,7. (4) Joz 24,29. (5) Re 2,8. (6) 2 Kr 24,15. (7) Js 65,20.
- וּמְאַת = ûm´ath (en honderd) < prefix verbindingswoord wë + telwoord vr. enk. stat. constr. Tenakh (22): (1) Gn 5,3. (2) Gn 5,6. (3) Gn 5,18. (4) Gn 5,25. (5) Gn 5,28. (6) Gn 7,24. (7) Gn 8,3. (8) Gn 11,25. (9) Gn 47,9. (10) Gn 47,28. (11) Ex 6,16. (12) Ex 6,18. (13) Ex 6,20. (14) Lv 16,5. (15) Nu 31,52. (16) Nu 33,39. (17) Nu 35,8. (18) Joz 22,32. (19) Zach 6,10. (20) Rt 4,5. (21) Est 1,4. (22) Neh 5,11.
- וּמְאַת שָׁנָה = ûmë´ath sjânâh (en honderd jaar, en 100 jaar). Tenakh (12): (1) Gn 5,3. (2) Gn 5,6. (3) Gn 5,18. (4) Gn 5,25. (5) Gn 5,28. (6) Gn 11,25. (7) Gn 47,9. (8) Gn 47,28. (9) Ex 6,16. (10) Ex 6,18. (11) Ex 6,20. (12) Nu 33,39.

- מֵאָה שָׁנָה = me´âh sjânâh (honderd jaar). Tenakh (3): (1) Gn 17,17. (2) Gn 23,1. (3) Js 65,20 (2X). In Gn 17,17 lacht Abraham om de aankondiging van zoon Isaak, in Gn 23,1 weent Abraham om de dood van zijn vrouw Sara.

- vr. mv. מֵאוֹת = me´ôth (honderden). Zie: מֵאָה = me´âh (honderd). Taalgebruik in Tenakh: me´âh (honderd). Getalwaarde: mem = 13 of 40, aleph = 1, he = 5; totaal: 19 of 46 (2 X 23). Structuur: 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (278). Pentateuch (101). Eerdere Profeten (59). Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (104). Gn (33). Gn 5 (17): (1) Gn 5,5. (2) Gn 5,7. (3) Gn 5,8. (4) Gn 5,10. (5) Gn 5,11. (6) Gn 5,13. (7) Gn 5,14. (8) Gn 5,16. (9) Gn 5,17. (10) Gn 5,19. (11) Gn 5,20. (12) Gn 5,22. (13) Gn 5,23. (14) Gn 5,26. (15) Gn 5,27. (16) Gn 5,31. (17) Gn 5,32. Ex (12): (1) Ex 12,37. (2) Ex 12,40. (3) Ex 12,41. (4) Ex 14,7. (5) Ex 18,21. (6) Ex 18,25. (7) Ex 30,23. (8) Ex 30,24. (9) Ex 38,24. (10) Ex 38,25. (11) Ex 38,26. (12) Ex 38,29.
- Grieks. ἑκατον = hekaton (honderd, 100). Bijbel (211). OT (194). NT (17). Gn (29).
- Ned.: honderd. Aramees: מְאָה = mëâh (honderd, 100). Arabisch: مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100). D.: hundert. E.: hundred. Fr.: cent. Grieks: ἑκατον = hekaton (honderd, 100). Hebreeuws: מֵאָה = me´âh (honderd). Taalgebruik in Tenakh: me´âh (honderd). Latijn: centum (honderd, 100). Bijbel (193). OT (177), NT (16). Gn (20).

- מֵאוֹת שָׁנָה = me´ôth sjânâh (honderd jaar, 100 jaar). Tenakh (31): (1) Gn 5,5. (2) Gn 5,7. (3) Gn 5,8. (4) Gn 5,10. (5) Gn 5,11. (6) Gn 5,13. (7) Gn 5,14. (8) Gn 5,16. (9) Gn 5,17. (10) Gn 5,19. (11) Gn 5,20. (12) Gn 5,22. (13) Gn 5,23. (14) Gn 5,26. (15) Gn 5,27. (16) Gn 5,31. (17) Gn 5,32. (18) Gn 7,6. (19) Gn 7,11. (20) Gn 8,13. (21) Gn 9,28. (22) Gn 9,29. (23) Gn 11,11. (24) Gn 11,13. (25) Gn 11,15. (26) Gn 11,17. (27) Gn 15,13. (28) Ex 12,40. (29) Ex 12,41. (30) Re 11,26. (31) 1 K 6,1.


- m`rh (grot, hol spelonk). מְעָרָה = më`ârâh (grot, hol spelonk). Taalgebruik in Tenakh: m`rh (grot, hol spelonk). Getalwaarde: mem = 13 of 40, ajin = 16 of 70, resj = 20 of 200, he = 5; totaal: 54 (2 X 3³) OF 315 (3² X 5 X 7). Structuur: 4 - 7 - 2 - 5. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (1): 1 S 24,4.
- הַמְּעָרָה = hammë`ârâh (de grot, hol spelonk).

- m`l (bovenkleed, mantel). מְעִיל = më`îl (bovenkleed, mantel). Taalgebruik in Tenakh: m`l (bovenkleed, mantel). Getalwaarde: mem = 13 of 40, ajin = 16 of 70, jod = 10, lamed = 12 of 30; totaal: 51 (3 X 17) OF 150 (2 X 3 X 5²). Structuur: 4 - 7 - 1 - 3. De som van de elementen is telkens 6.
- הַמְּעִיל = hammë`îl (het bovenkleed) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. מְעִיל = më`îl (bovenkleed, mantel). Taalgebruik in Tenakh: më`îl (bovenkleed, mantel). Getalwaarde: mem = 13 of 40, ajin = 16 of 70, jod = 10, lamed = 12 of 30; totaal: 51 (3 X 17) OF 150 (2 X 3 X 5²). Structuur: 4 - 7 - 1 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (5): (1) Ex 28,34. (2) Ex 39,23. (3) Lv 8,7. (4) 1 S 18,4. (5) 1 S 24,5.

- mèlèkh (koning). מֶלֶך = mèlèkh (koning). Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh (koning). Getalwaarde: mem = 13 of 40, lamed = 12 of 30, kaph = 11 of 20; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (816). Pentateuch (58). Eerdere Profeten (345). Latere Profeten (188). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (203). Joz (37). Re (22). 1 S (29). 2 S (18). 1 K (82). 2 K (157). Ex (13): (1) Ex 1,8. (2) Ex 1,15. (3) Ex 1,17. (4) Ex 1,18. (5) Ex 2,23. (6) Ex 3,18. (7) Ex 3,19. (8) Ex 5,4. (9) Ex 6,11. (10) Ex 6,13. (11) Ex 6,27. (12) Ex 6,29. (13) Ex 14,8. Re (22): (1) Re 3,8. (2) Re 3,10. (3) Re 3,12. (4) Re 3,14. (5) Re 3,15. (6) Re 3,17. (7) Re 4,2. (8) Re 4,17. (9) Re 4,23. (10) Re 4,24. (11) Re 9,8. (12) Re 9,14. (13) Re 11,12. (14) Re 11,13. (15) Re 11,14. (16) Re 11,17. (17) Re 11,19. (18) Re 11,25. (19) Re 11,28. (20) Re 17,6. (21) Re 18,1. (22) Re 21,25. Dt (17): (1) Dt 1,4. (2) Dt 2,24. (3) Dt 2,26. (4) Dt 2,30. (5) Dt 3,1. (6) Dt 3,2. (7) Dt 3,3. (8) Dt 3,6. (9) Dt 3,11. (10) Dt 4,46. (11) Dt 4,47. (12) Dt 7,8. (13) Dt 11,3. (14) Dt 17,14. (15) Dt 17,15. (16) Dt 29,6. (17) Dt 33,5. Js (37). Js 1-39 (34). Js 40-55 (3). Vanaf Js 7,1. Js 7 (3): (1) Js 7,1. (2) Js 7,6. (3) Js 7,17. Js 38 (2): (1) Js 38,6. (2) Js 38,9.
- הַמֶּלֶךְ = hammèlèkh (de koning) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. מֶלֶך = mèlèkh (koning). Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh (koning). Getalwaarde: mem = 13 of 40, lamed = 12 of 30, kaph = 11 of 20; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (819). Pentateuch (6). Eerdere Profeten (422). Latere Profeten (67). 12 Kleine Profeten (9). Geschriften (315). 2 K (91). 2 K 23 (8): (1) 2 K 23,1. (2) 2 K 23,2. (3) 2 K 23,3. (4) 2 K 23,4. (5) 2 K 23,12. (6) 2 K 23,13. (7) 2 K 23,21. (8) 2 K 23,29. Js (13): (1) Js 6,1. (2) Js 6,5. (3) Js 14,28. (4) Js 36,2. (5) Js 36,4. (6) Js 36,8. (7) Js 36,13. (8) Js 36,14. (9) Js 36,16. (10) Js 36,21. (11) Js 37,1. (12) Js 37,5. (13) Js 39,3.
- mèlèkh ´ärâm (koning van Aram). Tenakh (36). 2 K (22): (1) 2 K 5,1. (2) 2 K 5,5. (3) 2 K 6,11. (4) 2 K 6,24. (5) 2 K 8,7. (6) 2 K 8,9. (7) 2 K 8,13. (8) 2 K 8,28. (9) 2 K 8,29. (10) 2 K 9,14. (11) 2 K 9,15. (12) 2 K 12,18. (13) 2 K 12,19. (14) 2 K 13,3. (15) 2 K 13,4. (16) 2 K 13,7. (17) 2 K 13,22. (18) 2 K 13,24. (19) 2 K 15,37. (20) 2 K 16,5. (21) 2 K 16,6. (22) 2 K 16,7. Js (1) Js 7,1.
- mèlèkh ´asjsjûr (koning van Assur). Tenakh (21): (1) Js 7,17. (2) Js 8,4. (3) Js 8,7. (4) Js 10,12. (5) Js 20,1. (6) Js 20,4. (7) Js 20,6. (8) Js 36,1. (9) Js 36,2. (10) Js 37,4. (11) Js 36,13. (12) 36,15. (13) Js 36,18. (14) Js 37,4. (15) Js 37,6. (16) Js 37,8. (17) Js 37,10. (18) Js 37,21. (19) Js 37,33. (20) Js 37,37. (21) Js 38,6.
- ´èl chizëqijjâhû (tot Hizkia). Tenakh (20): (1) 2 K 18,19. (2) 2 K 18,31. (3) 2 K 18,32. (4) 2 K 18,37. (5) 2 K 19,9. (6) 2 K 19,10. (7) 2 K 19,20. (8) 2 K 20,5. (9) 2 K 20,12. (10) 2 K 20,16. (11) 2 Kr 29,18. (12) Js 36,4. (13) Js 36,16. (14) Js 36,22. (15) Js 37,9. (16) Js 37,10. (17) Js 37,21. (18) Js 38,5. (19) Js 39,1. (20) Js 39,5.
- hammèlèkh chizëqijjâhû (koning Hizkia). Tenakh (8):
- mèlèkh jëhûdâh (koning van Juda). Tenakh (149). Js (3): (1) Js 7,1. (2) Js 37,10. (3) Js 38,9.
- mèlèkh
- malëkhe(j) (koningen van). Stat. constr. mann. mv.. Tenakh (7): (1) Js 1,1. (2) Js 14,9. (3) Js 14,18. (4) Js 19,11. (5) Js 24,21. (6) Js 37,11. (7) Js 37,18 -- malëkhe(j) jëhûdâh (koningen van Juda). Tenakh (20). Js (1): Js 1,1.
Bibliografie
- De rol 'koning' in het boek Jesaja, in: VAN WIERINGEN Archibald, Jesaja, 's-Hertogenbosch, Katholiek Bijbelstichting; Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 2009. (Belichting van het bijbelboek), blz. 108-119.

- mnasjsjh (Manasse). מְנַשֶּׁה = mënasjsjèh (Manasse). Taalgebruik in Tenakh: mnasjsjh (Manasse). Getalwaarde: mem = 13 of 40, nun = 14 of 50, sjin = 21 of 300, he = 5; totaal: 53 (priemgetal) OF 395 (5 X 79). Structuur: 4 - 5 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 8. Manasse is de oudste zoon van Jozef, de zoon van Jakob. Tenakh (103). Pentateuch (28). Eerdere Profeten (42). Latere Profeten (4). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (29). Gn (8): (1) Gn 41,51. (2) Gn 46,20. (3) Gn 48,1. (4) Gn 48,13. (5) Gn 48,14. (6) Gn 48,17. (7) Gn 48,20. (8) Gn 50,23. Nu (18): (1) Nu 1,34. (2) Nu 1,35. (3) Nu 2,20. (4) Nu 7,54. (5) Nu 10,23. (6) Nu 13,11. (7) Nu 26,28. (8) Nu 26,29. (9) Nu 26,34. (10) Nu 27,1. (11) Nu 32,33. (12) Nu 32,39. (13) Nu 32,40. (14) Nu 32,41. (15) Nu 34,14. (16) Nu 34,23. (17) Nu 36,1. (18) Nu 36,12. Manasse, koning van Juda. 2 K (11): Js (1): Js 9,20.
- bèn mënasjsjèh (zoon van Manasse). tenakh (12): (1) Gn 50,23. (2) Nu 27,1. (3) Nu 32,39. (4) Nu 32,40. (5) Nu 32,41. (6) Nu 36,1. (7). (8). (9). (10). (11). (12).
- ´èphëraîm ûmënasjsjèh (Efraïm en Manasse). Tenakh (5): (4) Gn 48,5. (2) Dt 34,2. (3) 1 Kr 9,3. (4) 2 Kr 30,1. (5) 2 Kr 30,10.
- ´èth mënasjsjèh (Manasse). Tenakh (4): (1) Gn 46,20. (2) Gn 48,1. (3) 2 Kr 33,11. (4) Js 9,20.
- mënasjsjèh wë´èphëraîm (Manasse en Efraïm) Tenakh (3): (1) Nu 26,28. (2) Joz 14,4. (3) Joz 16,4.


- mod (hevigheid, kracht, vermogen). מְאֹד = më´od (hevigheid, kracht, vermogen). Taalgebruik in Tenakh: mod (hevigheid, kracht, vermogen). Getalswaarde: mem = 13 of 40, aleph = 1, daleth = 4; totaal: 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5). Structuur: 4 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 9.

- מְאֹדֶך? = më´odèkhâ (jouw kracht) < zelfst. naamw. + suffix bezitt. voornaamw. 2de pers. enk.. Zie: מְאדֹ = më´od (hevigheid, kracht, vermogen). Taalgebruik in Tenakh: më´od (hevigheid, kracht, vermogen). Getalswaarde: mem = 13 of 40, aleph = 1, daleth = 4; totaal: 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5). Structuur: 4 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (1): Dt 6,5.

- mërî´ (gemest vee). mërî´ (gemest vee). Taalgebruik in Tenakh: mërî´ (gemest vee). Getalwaarde: mem = 14 of 50, resj = 20 of 200, jod = 10, aleph = 1; totaal: 45 (3² X 5) OF 261. Structuur: 5 - 2 - 1 - 1. mann. mv. mërî´îm (gemest vee) van het zelfst. naamw. Tenakh (1): Js 1,11.
- mërî´e(j)khèm (jullie gemest vee) < mann. mv. stat. constr. + suffix 2de pers. mann. mv. van het zelfst. naamw.. Tenakh (1): Am 5,22.

Methûsjâlach (Metuselach). Methüsjâlach (Metuselach). Taalgebruik in Tenakh: Methüsjâlach (Metuselach). Getalwaarde: mem = 13 of 40; taw = 22 of 400; waw = 6; sjin = 21 of 300; lamed = 12 of 30; chet = 8; totaal: 92 (2² X 23) of 784 (2² X 2² X 7² of 16 X 49). Structuur: 4 - 4 - 6 - 3 - 3 - 8. Tenakh (6): (1) Gn 5,21. (2) Gn 5,22. (3) Gn 5,25. (4) Gn 5,26. (5) Gn 5,27. (6) 1 Kr 1,3.
17: het gemeenschappelijk priemgetal bij de leeftijden van Metuselach (achtste in de reeks van de 10 generaties van Adam; als achtste leeft hij lang). Metuselach wordt 969 jaar, de oudste van heel de bijbel. 969 is een spiegelgetal.
· De leeftijd waarop Metuselach Lamech verwekte: 187 = 17 x 11 (Gn 5,25).
· De jaren van Metuselach na de verwekking van Lamech: 782 = 17 X 23 X 2 = 17 x 46 = 23 x 34 (Gn 5,26).
· De totale leeftijd van Metuselach: 969 = 17 x 57 (11 + 46) = 17 X 19 X 3 (Gn 5,27).


- מִי = mî (wie)

- mî (wie). מִי = mî (wie). Taalgebruik in Tenakh: mî (wie). Getalwaarde: mem = 13 of 40, jod = 10; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 4 - 1. Spiegelbeeld van j-m / jâm (zee, meer, stroom). Taalgebruik in Tenakh: jâm (zee, meer, stroom). Getalwaarde: jod = 10, mem = 13 of 40; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 1 - 4. In de medeklinkers m-j-m zitten de woorden m-j (mî = wie), j-m (jâm = zee), m-j-m (water); in sjâmajim (hemel) zit het woord m-j-m (water). Zie: majim (water). Taalgebruik in Tenakh: majim (water). Getalwaarde: mem = 13 of 40, jod = 10; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 1 - 4. EN: sjâmajim / sjâmâjim (hemelen). Taalgebruik in Tenakh: sjâmajim (hemelen). Taalgebruik in Jesaja: sjamaîm (hemelen). Getalwaarde: sjin = 21 of 300, mem = 13 of 40, jod = 10, mem = 13 of 40; totaal: 57 (3 X 19) OF 390 (2 X 3 X 5 X 13 = 15 X 26). Structuur: 3 - 4 - 1 - 4. Tenakh (348). Pentateuch (59). Eerdere Profeten (70). Latere Profeten (82). 12 Kleine Profeten (17). Geschriften (120). Re (13): (1) Re 1,1. (2) Re 5,19. (3) Re 6,29. (4) Re 7,3. (5) Re 9,28. (6) Re 9,38. (7) Re 10,18. (8) Re 13,17. (9) Re 15,6. (10) Re 18,3. (11) Re 20,18. (12) Re 21,5. (13) Re 21,8. Js (52). Js 1-39 (17). Js 40-55 (30). Js 56-66 (5). Js 40 (6): (1) Js 40,12. (2) Js 40,13. (3) Js 40,14. (4) Js 40,18. (5) Js 40,25. (6) Js 40,26. Ps (37). Ps 113 (1) Ps 113,5.
- מִי = mî (wie) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
- Ned.: wie ? Arabisch: مَن = man (wie). Taalgebruik in de Qoran: man (wie). Aramees: מַן = man (wie?). Hebreeuws: מִי = mî (wie). Taalgebruik in Tenakh: mî (wie).


- midbr (woestijn, woestenij). midëbâr (woestijn, woestenij). Taalgebruik in Tenakh: midbr (woestijn, woestenij). Getalwaarde: mem = 13 of 40, daleth = 4, beth = 2, res = 20 of 200; totaal: 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41). Structuur: 4 - 4 - 2 - 2. erèmos (woestijn, eenzame plaats). Taalgebruik in het NT: erèmos (woestijn). Taalgebruik in de LXX: erèmos (woestijn). heremiet < herèmitos: kluizenaar. désert < Latijnse de-sertus: verlaten; serere, sertum: aaneenrijgen, aaneenschakelen. Fr. désert. Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in de LXX (386), in het NT (47). Tenakh (83). Pentateuch (18). Eerdere Profeten (17). Latere Profeten (24). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (20). Js (9): (1) Js 16,8. (2) Js 21,1. (3) Js 32,15. (4) Js 35,1. (5) Js 41,18. (6) Js 42,11. (7) Js 50,2. (8) Js 63,1. (9) Js 64,9. Een plaats is eenzaam om tot rust te komen. Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht, gestorven of gedood. Een weg is verlaten.


- midjn (Midjan). מִדְיָן = midjân (Midjan). Taalgebruik in Tenakh: midjn (Midjan). Getalswaarde: mem = 13 of 40, daled = 4, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 41 OF 104 (4 X 26). Structuur: 4 - 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (52). Pentateuch (14): (1) Gn 25,2 (een persoonsnaam, de zoon van Abraham en Ketoura). (2) Gn 25,4. (3) Gn 36,35. (4) Ex 2,15. (5) Ex 2,16. (6) Ex 3,1. (7) Ex 18,1.


- mîkhâh (Micha). mîkhâh (Micha). Taalgebruik in Tenakh: mîkhâh (Micha). Taalgebruik in Micha: mîkhâh (Micha). Getalwaarde: mem = 13 of 40, jod = 10, kaph = 11 of 20, he = 5; totaal: 39 (3 X 13) OF 75 (3 X 5²).


- מִכְתַּב / מִבְתָּב = mikhëthabh of mikhëthâbh (geschrift, gedicht, lied, brief)

- mikhëthabh (geschrift). מִכְתַּב / מִבְתָּב = mikhëthabh of mikhëthâbh (geschrift, gedicht, lied, brief). Taalgebruik in Tenakh: mikhëthabh (geschrift). Getalwaarde: mem = 13 of 40, kaph = 11 of 20, thaw = 22 of 400, beth = 2; totaal: 48 (2² X 2² X 3) OF 462 (2 X 3 X 7 X 11). Structuur: 4 - 2 - 4 - 2. Tenakh (4): (1) Ex 32,16. (2) Ex 39,30. (3) Js 38,9. (4) 2 Kr 21,12. bëmikhëthabh (in een geschrift). Tenakh (2): (1) Ezr 1,1. (2) 2 Kr 36,22.


- millâh (woord). מִלָּה = millâh (woord). Taalgebruik in Tenakh: millh (woord).


- milëchâmâh (strijd, oorlog). milëchâmâh (strijd, oorlog). Taalgebruik in Tenakh: milëchâmâh (strijd, oorlog). Zie ook lâcham (strijden). Taalgebruik in Tenakh: lâcham (strijden). Tenakh (89). Pentateuch (12). Ex (5): (1) Ex 1,10. (2) Ex 13,17. (3) Ex 15,3. (4) Ex 17,16. (5) Ex 32,17.


- mn (soort, aard). מִין= mîn (soort, aard). Taalgebruik in Tenakh: mn (soort, aard). Getalswaarde: mem = 13 of 40, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 37 OF 100. Structuur: 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 1.

- לְמִינוֹ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie: מִין= mîn (soort, aard). Taalgebruik in Tenakh: mîn (soort, aard). Getalswaarde: mem = 13 of 40, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 37 OF 100. Structuur: 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (4): (1) Gn 1,11.(2) Lv 11,15. (3) Lv 11,22. (4) Dt 14,14.

- - לְמִינֵהוּ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie: מִין= mîn (soort, aard). Taalgebruik in Tenakh: mîn (soort, aard). Getalswaarde: mem = 13 of 40, jod = 10, nun = 14 of 50; totaal: 37 OF 100. Structuur: 4 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh


- min (uit). מִן = min (uit). Taalgebruik in Tenakh: min (uit). Getalwaarde: mem = 13 of 40, nun = 14 of 50; totaal: 27 (3³) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 5. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (645). Pentateuch (195). Eerdere Profeten (146). Latere Profeten (62). 12 Kleine Profeten (21). Geschriften (221). 1 S (14): (1) 1 S 1,1. (2) 1 S 2,20. (3) 1 S 4,16. (4) 1 S 7,11. (5) 1 S 9,5. (6) 1 S 11,5. (7) 1 S 13,15. (8) 1 S 14,11. (9) 1 S 17,40. (10) 1 S 17,50. (11) 1 S 24,9. (12) 1 S 28,9. (13) 1 S 28,13. (14) 1 S 30,19.


- מִין = mîn (soort, aard

- mn (soort, aard). מִין = mîn (soort, aard). Taalgebruik in Tenakh: mn (soort, aard).

- לְמִינָהּ = lëmînâh (naar zijn soort) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. vr. enk.. Zie het zelfst. naamw. מִין = mîn (soort, aard). Taalgebruik in Tenakh: mîn (soort, aard). Tenakh (9): (1) Gn 1,24. (2) Gn 1,25. (3) Gn 6,20. (4) Gn 7,14. (5) Lv 11,14. (6) Lv 11,19. (7) Dt 14,13. (8) Dt 14,18. (9) Ez 47,10.


- minëchâh (geschenk, offer, spijsoffer). minëchâh (geschenk, offer, spijsoffer). Taalgebruik in Tenakh: minëchâh (geschenk, offer, spijsoffer). Getalwaarde: mem = 13 of 40, nun = 14 of 50, chet = 8, he = 5; totaal: 40 OF 103. Structuur: 4 - 5 - 8 - 5. Tenakh (54). Pentateuch (22). Js (3): (1) Js 57,6. (2) Js 66,3. (3) Js 66,20.
- ûminëchote(j)khèm (en jullie spijsoffers) < prefix verbindingswoord wë + vorm van het zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. mv.. Zelfst. naamw. Tenakh (1): Am 5,22.


- מִרַיָם (= mirajâm: Miriam)

- mirëjâm (Miriam). מִרְיָם / מִרַיָם (= mirëjâm / mirajâm: Miriam). Taalgebruik in Tenakh: mirajm (Miriam). Getalswaarde: mem = 13 of 40, resj = 20 of 200, jod = 10; totaal: 56 (2³ X 7 = 2 X 28) OF 290 (2 X 5 X 29). Structuur: 4 - 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (8): (1) Ex 15,20. (2) Ex 15,21. (3) Nu 12,1. (4) Nu 12,4. (5) Nu 12,10. (6) Nu 12,15. (7) Nu 20,1. (8) Nu 26,59.
- Volkse etymologie: mârâh (bitter) en jâm (zee); bitter is de zee.


- misjëkan (woning, tent). מִשְׁכָּן = misjëkan (woning, tent). Taalgebruik in Tenakh: misjëkan (woning, tent). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, kaph = 11 of 20, nun = 14 of 50; totaal: 59 (priemgetal) OF 410 (2 X 5 X 41). Structuur: 4 - 3 - 2 - 5. De som van de elementen is telkens 5. m-s-k-n. Tenakh (24). Pentateuch (15). Ex (5): (1). (2). (3). (4). (5).
- Bepaald lidwoord ha + zelfstandig naamwoord: הַמִּשְׁכָּן = hammisjëkân (de woning, tent). מִשְׁכָּן = misjëkan (woning, tent). Taalgebruik in Tenakh: misjëkan (woning, tent). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, kaph = 11 of 20, nun = 14 of 50; totaal: 59 (priemgetal) OF 410 (2 X 5 X 41). Structuur: 4 - 3 - 2 - 5. Tenakh (70). Pentateuch (69) + 1 Kr 23, 26. Ex (43). Ex 40 (11): (1) Ex 40,9. (2) Ex 40,17. (3) Ex 40,18. (4) Ex 40,19. (5) Ex 40,21. (6) Ex 40,22. (7) Ex 40,24. In vier verzen in Ex 40,34-38: (1) Ex 40,34. (2) Ex 40,35. (3) Ex 40,36. (4) Ex 40,38. מוֹעַד אֹהֶל = ´ohèl mô`ed = de tent van de samenkomst komt voor in 1) Ex 40,34. (2) Ex 40,35. Samen: zeven. Lv (1): Lv 8,10.

- ´èth hammisjëkân (de woning, de tent). Tenakh (14): (1) Ex 26,30. (2) Ex 35,11. (3) Ex 36,8. (4) Ex 39,33. (5) Ex 40,9. (6) Ex 40,18. (7) Ex 40,34. (8) Ex 40,35. (9) Lv 8,20. (10) Nu 1,50. (11) Nu 7,1. (12) Nu 9,15. (13) Nu 10,21. (14) 1 Kr 23, 26.
- ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) mâle´ ´èth hammisjëkân (vulde de woning, de tent). Tenakh (2): (1) Ex 40,34. (2) Ex 40,35.
-- ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) mâle´ ´èth habbâjith (vulde het huis). Tenakh (1): 2 Kr 7,1.


- מִשְׁפַּחְָה = misjëpâchâh (geslacht, stam)

- misjpchh (geslacht, stam). מִשְׁפַּחְָה = misjëpâchâh (geslacht, stam). Taalgebruik in Tenakh: misjpchh (geslacht, stam). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, pe = 17 of 80, chet = 8, he = 5; totaal: 64 (2³ X 2³) OF 433 (priemgetal). Strructuur: 4 - 3 -8 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 1.

- מִשְׁפַּחְתּוֹ = misjëpachëthô (zijn stam): zelfst. naamw. stat. constr. vr. enk. + suffix bezitt. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie het zelfst. naamw. מִשְׁפַּחְתָה = misjëpâchâh (geslacht, stam). Taalgebruik in Tenakh: misjëpâchâh (geslacht, stam). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, pe = 17 of 80, chet = 8, he = 5; totaal: 64 (2³ X 2³) OF 433 (priemgetal). Strructuur: 4 - 3 -8 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (4): (1) Lv 25,10. (2) Lv 25,41. (3) Nu 27,4. (4) Re 1,25.

- lëmisjëpëchothâm (volgens hun stammen) < lë + zelfst. naamw. vr. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Tenakh (72). Pentateuch (48). Eerdere Profeten (24). Latere Profeten (0). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (0). Nu (42). Nu 26 (15): (1) Nu 26,12. (2) Nu 26,15. (3) Nu 26,20. (4) Nu 26,23. (5) Nu 26,26. (6) Nu 26,28. (7) Nu 26,35. (8) Nu 26,37. (9) Nu 26,38. (10) Nu 26,41. (11) Nu 26,42. (12) Nu 26,44. (13) Nu 26,48. (14) Nu 26,50. (15) Nu 26,57.



- misjëpât (rechtzaak, vonnis, oordeel). misjëpât (rechtzaak, vonnis, oordeel). Taalgebruik in Tenakh: misjëpât (rechtzaak, vonnis, oordeel). Taalgebruik in Jesaja: misjëpât (rechtzaak, vonnis, oordeel). Getalwaarde: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, pe = 17 of 80; totaal: 51 (3 X 17) OF 420 (2² X 3 X 5 X 7). Structuur: 4 - 3 - 8. misjephât (recht). Tenakh (132). Pentateuch (18). Eerdere Profeten (14). Latere Profeten (50). 12 Kleine Profeten (10). Geschriften (40). Eerdere Profeten (14): (1) Re 13,12. (2) 1 S 8,3. (3) 1 S 8,9. (4) 1 S 8,11. (5) 1 S 10,25. (6) 2 S 8,15. (7) 1 K 3,11. (8) 1 K 3,28. (9) 1 K 8,59. (10) 1 K 10,9. (11) 2 K 1,7. (12) 2 K 17,26. (13) 2 K 17,27. (14) 2 K 25,6. 12 kl. Prof. (10): (1) Hos 5,11. (2) Hos 10,4. (3) Am 5,7. (4) Am 5,15. (5) Am 5,24. (6) Am 6,12. (7) Mi 3,9. (8) Mi 6,8. (9) Hab 1,4. (10) Zach 7,9. ûmisjephât (en recht). Tenakh (29). Pentateuch (3). Eerdere Profeten (4). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (14). Eerdere Profeten (4): (1) Joz 24,25. (2) 1 S 2,13. (3) 2 S 15,4. (4) 1 K 8,59. 12 kl. Prof. (3): (1) Hos 12,7. (2) Mi 3,8. (3) Zach 8,16.
- zelfst. naamw. stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. vr. enk. misjëpâtajikh van het zelfst. naamw. Tenakh (1) Sef 3,15.
- misjëpât (recht) ûtsëdâqâh (en rechtvaardigheid). Tenakh (22). (1) 2 S 8,15. (2) 1 K 10,9. (3) 1 Kr 18,14. (4) 2 Kr 9,9. (5) Ps 99,4. (6) Js 32,16. (7) Js 33,5. (8) Js 59,14. (9) Jr 9,23. (10) Jr 22,3. (11) Jr 22,15. (12) Jr 23,5. (13) Jr 33,15. (14) Ez 18,5. (15) Ez 18,19. (16) Ez 18,21. (17) Ez 18,27. (18) Ez 33,14. (19) Ez 33,16. (20) Ez 33,19. 12 kl. Prof.: (1) Am 5,7. (2) Am 5,24.
Bibliografie: Koot A. e. a., Nader om te horen. Bijbelkatechese. a. Serie 1. De Wet - Torah. Hilversum, Gooi en Sticht, 1981, p.306.


- מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte)

- mitsërâjim (Egypte). מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte). Taalgebruik in Tenakh: mitsërajim (Egypte). Taalgebruik in Ex: mitsërajim (Egypte). Taalgebruik in Js: mitsërajim (Egypte). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, resj = 20 of 200, jod = 10; totaal: 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19). Structuur: 4 - 9 - 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (434). Pentateuch (219). Eerdere Profeten (42). Latere Profeten (123). 12 Kleine Profeten (23). Geschriften (27). Gn (49): (1) Gn 13,10. (2) Gn 15,18. Ex (119). Ex 1 (5): (1) Ex 1,8. (2) Ex 1,13. (3) Ex 1,15. (4) Ex 1,17. (5) Ex 1,18. Ex 12 (13): (1) Ex 12,1. (2) Ex 12,12. (3) Ex 12,13. (4) Ex 12,17. (5) Ex 12,23. (6) Ex 12,27. (7) Ex 12,29. (8) Ex 12,30. (9) Ex 12,33. (10) Ex 12,36. (11) Ex 12,41. (12) Ex 12,42. (13) Ex 12,51. Ex 32 (7): (1) Ex 32,1. (2) Ex 32,4. (3) Ex 32,7. (4) Ex 32,8. (5) Ex 32,11. (6) Ex 32,12. (7) Ex 32,23.
- Grieks. αιγυπτοç. Latijn: Aegyptus. Ned. Egypte. Fr. 'Egypte. E. Egypt. D. Ägypten. Aramees: מִצְרַיִם (mitsrajim = Egypte). Arabisch: مِصْرُ = (misr = Egypte).

- בְּמִצְרַיִם = bëmitsërajim (in Egypte) < bë + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte). Taalgebruik in Tenakh: mitsërajim (Egypte). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, resj = 20 of 200, jod = 10; totaal: 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19). Structuur: 4 - 9 - 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (53). Pentateuch (33). Eerdere Profeten (6). Latere Profeten (8). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (6). Gn (7): (1) Gn 42,1. (2) Gn 42,2. (3) Gn 45,13. (4) Gn 46,27. (5) Gn 47,29. (6) Gn 50,22. (7) Gn 50,26. Uiterste ring van de concentrische opbouw van Gn 50,22-26.

- `al mitsërâjim (over Egypte). Tenakh (3): (1) Ex 1,8. (2) Ex 7,5. (3) Js 19,12.
- bëmitsërajim (in Egypte) < bë +. Tenakh (53). Pentateuch (33). Eerdere Profeten (6). Latere Profeten (8). 12 Kleine Profeten (0). Geschriften (6). Gn (7): (1) Gn 42,1. (2) Gn 42,2. (3) Gn 45,13. (4) Gn 46,27. (5) Gn 47,29. (6) Gn 50,22. (7) Gn 50,26.
-- me´èrèts mitsërâjim (uit het land van Egypte). Tenakh (45). Ex (13): (1) Ex 6,13. (2) Ex 12,17. (3) Ex 12,41. (4) Ex 12,42. (5) Ex 13,18. (6) Ex 16,1. (7) Ex 16,6. (8) Ex 16,32. (9) Ex 19,1. (10) Ex 32,4. (11) Ex 32,7. (12) Ex 32,8. (13) Ex 33,1. me´èrèts mitsërajim (uit het land van Egypte). Tenakh (46). Pentateuch (26). Ex (8): (1) Ex 6,26. (2) Ex 7,4. (3) Ex 12,51. (4) Ex 20,2. (5) Ex 29,46. (6) Ex 32,1. (7) Ex 32,11. (8) Ex 32,23. Re (2): (1) Re 2,12. (2) Re 19,30.


- מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = mimmitsërajim / mimmitsërâjim (uit Egypte) < prefix voorzetsel min (met assimilatie van de nun) + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte). Taalgebruik in Tenakh: mitsërajim (Egypte). Taalgebruik in Ex: mitsërajim (Egypte). Taalgebruik in Js: mitsërajim (Egypte). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, resj = 20 of 200, jod = 10; totaal: 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19). Structuur: 4 - 9 - 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (89). Pentateuch (44). Eerdere Profeten (25). Latere Profeten (7). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (10). Ex (16): (1) Ex 3,10. (2) Ex 3,11. (3) Ex 3,12. (4) Ex 6,27. (5) Ex 12,35. (6) Ex 12,39. (7) Ex 13,3. (8) Ex 13,8. (9) Ex 13,9. (10) Ex 13,14. (11) Ex 13,16. (12) Ex 14,11. (13) Ex 17,3. (14) Ex 18,1. (15) Ex 23,15. (16) Ex 34,18. Dt (13): (1) Dt 4,20. (2) Dt 4,37. (3) Dt 4,45. (4) Dt 4,46. (5) Dt 6,21. (6) Dt 9,12. (7) Dt 9,26. (8) Dt 16,1. (9) Dt 16,6. (10) Dt 23,5. (11) Dt 24,9. (12) Dt 25,17. (13) Dt 26,8.

Ps (2): (1) Ps 80,9. (2) Ps 114,1.

- מִצְרַיְמָה = mitsërajëmâh (Egyptewaarts). Zie: מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte). Taalgebruik in Tenakh: mitsërajim (Egypte). Taalgebruik in Ex: mitsërajim (Egypte). Taalgebruik in Js: mitsërajim (Egypte). Getalwaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, resj = 20 of 200, jod = 10; totaal: 74 (2 X 37) OF 380 (2² X 5 X 19). Structuur: 4 - 9 - 2 - 1 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (28). Pentateuch (27). Gn (18): (1) Gn 12,10. (2) Gn 12,11. (3) Gn 12,14. (4) Gn 26,2. (5) Gn 37,25. (6) Gn 37,28. (7) Gn 39,1. (8) Gn 41,57. (9) Gn 45,4. (10) Gn 46,3. (11) Gn 46,4. (12) Gn 46,6. (13) Gn 46,7. (14) Gn 46,8. (15) Gn 46,26. (16) Gn 46,27. (17) Gn 48,5. (18) Gn 50,14. Ex (3): (1) Ex 1,1. (2) Ex 4,21. (3) Ex 13,17. Nu (3) (1) Nu 14,3. (2) Nu 14,4. (3) Nu 20,15. Dt (3): (1) Dt 10,22. (2) Dt 17,16. (3) Dt 26,5. 2 Kr (1): 2 Kr 36,4. In de Pentateuch komt מִצְרַיְמָה = mitsërajëmâh (Egyptewaarts) voor het eerst voor in Gn 12,10 en het laatst in Dt 26,5.


- mitswh (bevel, gebod). מִצְוָה = mitsëwâh (bevel, gebod). Taalgebruik in Tenakh: mitsëwâh (bevel, gebod). Getalswaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, waw = 6, he = 5; totaal: 42 OF 141. Structuur: 4 - 9 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 6.

- מִצְוֹתַי = mitsëwothaj (mijn geboden / bevelen) < zelfst. naamw. stat. construct. vr. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk.. Zie: מִצְוָה = mitsëwâh (bevel, gebod). Taalgebruik in Tenakh: mitsëwâh (bevel, gebod). Getalswaarde: mem = 13 of 40, tsade = 18 of 90, waw = 6, he = 5; totaal: 42 OF 141. Structuur: 4 - 9 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (18). Pentateuch (9). Dt (2): (1) Dt 5,29. (2) Dt 11,13.

-הַמִּצְוָה = hammitsëwâh (het bevel, het gebod) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw..


- mizëbeach (altaar). מִזְבֵחַ = mizëbeach (altaar). Taalgebruik in Tenakh: mizëbeach (altaar). Getalwaarde: mem = 13 of 40, zajin = 7, beth = 2, chet = 8; totaal: 28 (2² X 7) OF 57 (3 X 19). Structuur: 4 - 7 - 2 - 8. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (111). Pentateuch (49). Eerdere Profeten (31). Latere Profeten (3). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (24). 2 K (1) 2 K 23,9.

- mizëbeach JHWH (altaar van JHWH). Tenakh (22): (1) Lv 17, 6. (2) Dt 12,27 (2X). (3) Dt 16,21. (4) Dt 26,4. (5) Dt 27,6. (6) Joz 22,19. (7) Joz 22,28. (8) Joz 22,29. (9) 1 K 8,22. (10) 1 K 8,54. (11) 1 K 18,30. (12) 2 K 23,9. 2 Kr (7). (20) Neh 10,35. (21) Mal 2,13.

- hammizëbeach (het altaar). Tenakh (132). Pentateuch (83). Eerdere Profeten (32). Latere Profeten (11). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (3). 2 K (11): (1) 2 K 12,10. (2) 2 K 16,10. (3) 2 K 16,11. (4) 2 K 16,12. (5) 2 K 16,13. (6) 2 K 16,14. (7) 2 K 16,15. (8) 2 K 18,22. (9) 2 K 23,15. (10) 2 K 23,16. (11) 2 K 23,17.
- hammizëbëchôth (de altaren) < bepaald lidw. ha + vr. mv. Tenakh (8): (1) 2 K 11,18. (2) 2 K 23,12. (3) 2 K 23,30. (4) Js 17,8. (5) 2 Kr 23,17. (6) 2 Kr 30,14. (7) 2 Kr 33,15. (8) 2 Kr 34,7.
- mizëbëchothe(j)hèm (hun altaren) < zelfst. naamw. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. van het zelfst. naamw. Tenakh (1): Dt 7,5.


- mizërâch (oosten, opkomst). mizërâch (oosten, opkomst). Taalgebruik in Tenakh: mizërâch (oosten, opkomst). Zie: zârach (rijzen, opgaan). Taalgebruik in Tenakh: zârach (rijzen, opgaan). Getalwaarde: zajin = 7, resj = 20 of 200, chet = 8; totaal: 35 (5 X 7) OF 215 (5 X 43). Structuur: 7 - 2 - 8. Lat. oriri / exoriri. Fr. se lever. D. aufheben. E. to flash up. Tenakh (15): (1) Dt 4,47. (2) Joz 1,15. (3) Joz 4,19. (4) Joz 13,5. (5) Joz 19,12. (6) Joz 19,27. (7) Joz 19,34. (8) 2 K 10,33. (9) Am 8,12. (10) Zach 8,7. (11) Ps 103,12. (12) Neh 12,37. (13) 1 K 5,10. (14) 1 K 9,24. (15) 2 K 5,12.
- mizërâch sjèmèsj (zonsopgang). Tenakh (1): Dt 4,47. mimmizërach sjèmesj (van het opkomen van de zon). Tenakh (6): (1) Re 11,18. (2) Js 41,25. (3) Js 45,6. (4) Mal 1,11. (5) Ps 50,1. (6) Ps 113,3. ûmimmizërach sjèmèsj (en vanaf zonsopgang, en vanaf het oosten). Tenakh (1): Js 59,19.


- mô´abh (Moab). מוֹאָב = mô´abh (Moab). Taalgebruik in Tenakh: mô´abh (Moab). Getalswaarde: mem = 13 of 40, waw = 6, aleph = 1, beth = 2; totaal: 22 OF 49 (7²). Structuur: 4 - 6 - 1 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (148). Pentateuch (43). Js (13): (1) Js 15,1. (2) Js 15,2. (3) Js 15,4. (4) Js 15,8. (5) Js 15,9. (6) Js 16,2. (7) Js 16,4. (8) Js 16,6. (9) Js 16,7. (10) Js 16,12. (11) Js 16,13. (12) Js 16,14. (13) Js 25,10. ûmô´abh (en Moab). Tenakh (4): (1) Js 11,14. (2) Da 11,41. (3) 2 Kr 20,10. (4) 2 Kr 20,23. Volgens Gn 19 zouden de Moabieten afstammen van de oudste dochter van Lot, de broer van Abraham, de Ammonieten van de jongste dochter van Lot. De uitspraak over Moab omvat Js 15-16.


- mô`ed (afspraak, samenkomst, feest). mô`ed (afspraak, samenkomst, feest). Taalgebruik in Tenakh: mô`ed (afspraak, samenkomst, feest). Getalwaarde mem = 13 of 40, waw = 6, ajin = 16 of 70, daleth = 4; totaal: 39 OF 120 (2³ X 3 X 5). Structuur: 4 - 6 - 7 - 4. Tenakh (155). Pentateuch (132). Ex (34). Ex 40 (12): (1) Ex 40,2. (2) Ex 40,6. (3) Ex 40,7. (4) Ex 40,12. (5) Ex 40,22. (6) Ex 40,24. (7) Ex 40,26. (8) Ex 40,29. (9) Ex 40,30. (10) Ex 40,32. (11) Ex 40,34. (12) Ex 40,35.
- lammô`ed (naar de afspraak) < voorzetsel lë + bepaald lidw. ha +. Tenakh (18). Gn (3): (1) Gn 17,21. (2) Gn 18,14. (3) Gn 21,2.


- מֹשֶׁה = mosjèh (Mozes)

- Mosjèh (Mozes). מֹשֶׁה = mosjèh (Mozes). Taalgebruik in Tenakh: Mosjèh (Mozes). De getalswaarde van Mosjèh (Mozes) is: mem = 13 of 40, sjin = 21 of 300, he = 5. Totaal: 39 (3 X 13 OF 26 + 13: JHWH is één) of 345 (3 X 5 X 23); het omgekeerde 543 (3 X 181: het zesde zeszijdige stergetal). Structuur: 4 - 3 - 5. De som van de elementen is telkens 3. Zie: יהוה אֶחָד = JHWH ´èchâd (JHWH is één). Getalswaarde: 26 + 13 = 39. Tenakh (675). Pentateuch (569). Eerdere Profeten (67). Latere Profeten (3). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (34). Ex (248) = (2³ X 31). Ex 16 (15): (1) Ex 16,2. (2) Ex 16,4. (3) Ex 16,6. (4) Ex 16,8. (5) Ex 16,9. (6) Ex 16,11. (7) Ex 16,15. (8) Ex 16,19. (9) Ex 16,20. (10) Ex 16,24. (11) Ex 16,25. (12) Ex 16,28. (13) Ex 16,32. (14) Ex 16,33. (15) Ex 16,34, in Ex 17 (11): (1) Ex 17,2. (2) Ex 17,3. (3) Ex 17,4. (4) Ex 17,5. (5) Ex 17,6. (6) Ex 17,9. (7) Ex 17,10. (8) Ex 17,11. (9) Ex 17,12. (10) Ex 17,14. (11) Ex 17,15. in Ex 19 (11 / 13X): (1) Ex 19,7. (2) Ex 19,8. (3) Ex 19,9 (tweemaal). (4) Ex 19,10. (5) Ex 19,14. (6) Ex 19,17. (7) Ex 19,19. (8) Ex 19,20. (9) Ex 19,21. (10) Ex 19,23. (11) Ex 19,25. Ex 24 (11): (1) Ex 10,12. (2) Ex 10,14. (3) Ex 19,18. (4) Ex 19,20. (5) Ex 24,9. (6) Ex 24,13. (7) Ex 24,15. (8) Ex 24,18. (9) Ex 34,4. (10) Ex 40,25. (11) Ex 40,29. In zeven verzen in Ex 3 (zie Ex 3,14). In vijftien verzen in Ex 16. In twaalf verzen in Ex 24. Dt (34): (1) Dt 1,1. (2) Dt 1,3. (3) Dt 1,5. Joz (51 = 3 X 17)). Joz 1 (9): (1) Joz 1,1. (2) Joz 1,2. (3) Joz 1,3. (4) Joz 1,5. (5) Joz 1,7. (6) Joz 1,13. (7) Joz 1,14. (8) Joz 1,15. (9) Joz 1,17. 2 K (6): (1) 2 K 14,6. (2) 2 K 18,4. (3) 2 K 18,6. (4) 2 K 18,12. (5) 2 K 21,8. (6) 2 K 23,25.
- Gr. μωυσης = môusès (Mozes). Taalgebruik in de LXX: môusès (Mozes). Taalgebruik in het NT: môusès (Mozes). Een vorm van μωυσης = môusès (Mozes) in het NT (79).

- תוֹרַת מֹשֶׁה = thorath mosjèh (de wet van Mozes) (7): (1) Joz 8,31. (2) Joz 8,32. (3) Joz 23,6. (4) 2 K 14,6. (5) 2 K 23,25. (6) Neh 8,1. (7) Mal 3,22. Getalswaarde: 70 (7 X 10) OF 1006 (2 X 503) + 39 (3 X 13) of 345 (3 X 5 X 23) = 109 (priemgetal) OF 1351 (7 X 193).
- תוֹרַת מָשִׁיחַ = thôrath mâsjîach (de wet van de messias, gezalfde). Getalswaarde: 70 (7 X 10) OF 1006 (2 X 503) + 52 (2 X 26) OF 358 (2 X 179) = 122 OF 1364. De som van deze twee getalswaarden (rangtalwoorden en hoofdtelwoorden): 122 + 1364 = 1486.

- mosjèh (Mozes). Verwijzing: Mosjèh (Mozes), zie Ex 24,18. In Ex 24 komt mosjèh (Mozes) veertienmaal voor: (1). Ex 24,1. (2) Ex 24,2. (3) Ex 24,3. (4) Ex 24,4. (5) Ex 24,6.(6) Ex 24,8. (7) Ex 24,9. (8) Ex 24,12. (9) Ex 24,13 (tweemaal). (10) Ex 24,15. (11) Ex 24,16. (12) Ex 24,18 (tweemaal). In Ex 24 is mosjèh (Mozes) elfmaal onderwerp, telkens na het vervoegd werkwoord; negenmaal bij het begin van een vers. In Ex 24,1 staat mosjèh (Mozes) als tweede woord van het vers na het voorzetsel ´èl (tot). Bijgevolg staat mosjèh (Mozes) tienmaal op de tweede plaats in een vers. In Ex 24,5, Ex 24,7 staat het vervoegd werkwoord aan het begin van het vers en is het onderwerp mosjèh (Mozes) niet uitdrukkelijk vermeld. In Ex 24,2-9, in Ex 24,13, Ex 24,15 en Ex 24,18 is Mozes onderwerp van de zin. Driemaal richt JHWH zich tot Mozes: ´èl mosjèh = tot Mozes (1) Ex 24,1. (2) Ex 24,12. (3) Ex 24,16.
- ûmosjèh (en Mozes). Tenakh (16). Ex (9). In één vers in Ex 3: Ex 3,1. In één vers in Ex 17: Ex 17,10. In één vers in Ex 19: Ex 19,3.
- mosjèh `èbhèd JHWH (Mozes, dienaar van JHWH, knecht van JHWH). Tenakh (17). Dt (1): Dt 34,5. Joz (14): (1) Joz 1,1. (2) Joz 1,13. (3) Joz 1,15. (4) Joz 8,31. (5) Joz 8,33. (6) Joz 11,12. (7) Joz 12,6. (8) Joz 13,8. (9) Joz 14,7. (10) Joz 18,7. (11) Joz 22,2. (12) Joz 22,4. (13) Joz 22,5. 2 K (1): 2 K 18,12. 2 Kr (2): (1) 2 Kr 1,3. (2) 2 Kr 24,6.
---אֶל מֹשֶׁה = ´èl mosjèh (tot Mozes). Tenakh (203). In twee verzen in Ex 3: (1) Ex 3,14. (2) Ex 3,15. wë´èl mosjèh (en tot Mozes) komt slechts in Ex 24,1. In vijf verzen in Ex 16: (1) Ex 16,4. (2) Ex 16,11. (3) Ex 16,20. (4) Ex 16,28. (5) Ex 16,34. Ex 24 (3): (1) Ex 24,1. (2) Ex 24,12. (3) Ex 24,16.

- וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes). Tenakh (66 = 2 X 3 X 11). Ex (42 = 6 X7). Ex 4 (3): (1) Ex 4,4. (2) Ex 4,19. (3) Ex 4,21. Ex 6 (1): Ex 6,1. Ex 7 - 12 (20): (1) Ex 7,1. (2) Ex 7,8. (3) Ex 7,14. (4) Ex 7,19. (5) Ex 7,26. (6) Ex 8,1. (7) Ex 8,12. (8) Ex 8,16. (9) Ex 9,1. (10) Ex 9,8. (11) Ex 9,12. (12) Ex 9,13. (13) Ex 9,22. (14) Ex 10,1. (15) Ex 10,12. (16) Ex 10,21. (17) Ex 11,1. (18) Ex 11,9. (19) Ex 12,1. (20) Ex 12,43. Ex 14 (2): (1) Ex 14,15. (2) Ex 14,26. Ex 16 (2): (1) Ex 16,4. (2) Ex 16,28. Ex 17 (2): (1) Ex 17,5. (2) Ex 17,14. Ex 19-24 (5): (1) Ex 19,9. (2) Ex 19,10. (3) Ex 19,21. (4) Ex 20,22. (5) Ex 24,12. Ex 25-31 (2). Ex 30 (1): Ex 30,34. Ex 31 (1): Ex 31,12. Ex 32 (2):: (1) Ex 32,9.(2) Ex 32,33. Ex 33 (2): Ex 33,5. (2) Ex 33,17. Ex 34 (1): Ex 34,1. Lv (2): (1) Lv 16,2. (2) Lv 21,1. Nu (19): (1) Nu 3,40. (2) Nu 7,4. (3) Nu 7,11. (4) Nu 11,16. (5) Nu 11,23. (6) Nu 12,14. (7) Nu 14,11. (8) Nu 15,35. (9) Nu 15,37. (10) Nu 17,25. (11) Nu 20,12. (12) Nu 20,23. (13) Nu 21,8. (14) Nu 21,34. (15) Nu 25,4. (16) Nu 26,1. (17) Nu 27,6. (18) Nu 27,12. (19) Nu 27,18. (20) Nu 31,25. Dt (2): (1) Dt 31,14. (2) Dt 31,16.
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes). Tenakh (91 = 7 X 13). Pentateuch (91 = 7 X 13). Ex (14 = 2 X 7). (1) Ex 6,10. (2) Ex 6,13. (3) Ex 6,29. (4) Ex 13,1. (5) Ex 14,1. (6) Ex 16,11. (7) Ex 25,1. (8) Ex 30,11. (9) Ex 30,17. (10) Ex 30,22. (11) Ex 31,1. (12) Ex 32,7. (13) Ex 33,1. (14) Ex 40,1.
- וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes). Tenakh (1). Ex 3,14.
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes). Tenakh (1): (1) Ex 6,2.

--- wajj´omèr Mosjèh (en Mozes zei). In zesenvijftig (7 X 8) verzen in de bijbel. In vijfendertig (5 X 7) verzen in Ex (Exodus). Ex 17 (1) Ex 17,9. In drie verzen in Ex 32, zie Ex 32,21: (1) Ex 32,21. (2) Ex 32,29. (3) Ex 32,30.
-- -- wajj´omèr Mosjèh ´èl jëhôsju`a (en Mozes zei tot Jozua). Tenakh (1) Ex 17,9.

wajja`al Mosjèh (en Mozes klom op). Tenakh (5): (1) Ex 19,20 (Mozes). (2) Ex 24,9 (Samen met Mozes klimmen nog drie personen met naam en zeventig oudsten op naar de berg). (3) Ex 24,13 (Mozes en 'Jozua'). (4) Ex 24,15 (Mozes). (5) Dt 34,1 (Mozes). In al deze teksten gaat Mozes naar boven op uitnodiging van God / JHWH. De inleiding op deze uitnodiging verschilt van tekst tot tekst.
-- wajjâsjâbh mosjèh (en Mozes keerde terug). Tenakh (2): (1) Ex 5,22. (2) Ex 32,31.
-- wajjâsjâbh mosjèh ´èl JHWH (en Mozes keerde terug naar JHWH). Tenakh (2): (1) Ex 5,22. (2) Ex 32,31.
--- Môüsès (Mozes). In 401 verzen in de bijbel. In drieënveertig verzen in het N.T.. Vormen van Môsès of Môusès komt in het N.T. tachtigmaal voor. In zeven verzen in Matteüs. In acht verzen bij Marcus. In tien verzen bij Lucas. Twaalfmaal in elf verzen bij Johannes. In elf verzen in Hnd: (1) Hnd 3,22. (2) Hnd 6,14. (3) Hnd 7,20. (4) Hnd 7,22. (5) Hnd 7,29. (6) Hnd 7,31. (7) Hnd 7,32. (8) Hnd 7,37. (9) Hnd 7,40. (10) Hnd 15,21. (11) Hnd 26,22.
--- genitief mannelijk enkelvoud Môuseôs. In vijf verzen in Hnd: (1) Hnd 13,38. (2) Hnd 15,1. (3) Hnd 15,5. (4) Hnd 21,21. (5) Hnd 28,23.
--- Môüsèn (Mozes) Accusatief mannelijk enkelvoud. In 234 verzen in de bijbel. In 230 verzen in het O.T.. In vier verzen in het N.T..In twee verzen in Hnd: (1) Hnd 6,11. (2) Hnd 7,35.


- môtâh (draagboom, juk). môtâh (draagboom, juk). Taalgebruik in Tenakh: môtâh (draagboom, juk).


- mâwèth / mâwëthâh (dood). mâwèth / mâwëthâh (dood). Taalgebruik in Tenakh: mâwèth / mâwëthâh (dood).

- mwth (sterven, ondergaan). מות = mwth (sterven, ondergaan). Taalgebruik in Tenakh: mwth (sterven, ondergaan). Getalswaarde: mem = 13 of 40, waw = 6, thaw = 22 of 400; totaal: 41 OF 446 (2 X 223). Structuur: 4 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 5.
- m-w-th. Tenakh (123). Pentateuch (41). Jesaja (5). act. qal inf. construct. מוֹת = môth (sterven) OF zelfst. naamw. mâwèth / mâwëthâh (dood). Tenakh (123). Pentateuch (41). Eerdere Profeten (30). Latere Profeten (16). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (34). Joz (2): (1) Joz 1,1. (2) Joz 20,6. Re (3): (1) Re 1,1. (2) Re 13,22. (3) Re 21,5. 1 S (6): (1) 1 S 5,11 (mawèth). (2) 1 S 14,39. (3) 1 S 14,44. (4) 1 S 20,31. (5) 1 S 22,16. (6) 1 S 26,16. 2 S (7): (1) 2 S 1,1. (2) 2 S 12,5 (mawèth). (3) 2 S 12,14. (4) 2 S 14,14. (5) 2 S 19,29 (mawèth). (6) 2 S 22,5 (mawèth). (7) 2 S 22,6 (mawèth). 1 K (4): (1) 1 K 2,26 (mawèth). (2) 1 K 2,37. (3) 1 K 2,42. (4) 1 K 11,40. 2 K (8): (1) 2 K 1,1. (2) 2 K 1,4. (3) 2 K 1,6. (4) 2 K 1,16. (5) 2 K 2,21 (mawèth). (6) 2 K 4,40 (mawèth). (7) 2 K 8,10. (8) 2 K 14,17. Js (2): (1) Js 6,1. (2) Js 14,28.
-- ´achäre(j) môth (na de dood van). Tenakh (11): (1) Gn 25,11 (Abraham). (2) Gn 26,18 (verwijzing naar de dood van Abraham). (3) Lv 16,1 (na de dood van de twee zonen van Aäron). (4) Joz 1,1 (Mozes). (5) Re 1,1 (Jozua). (6) Rt 2,11 (na de dood van je man. Dit is: de dood van Kiljon, de man van de Moabitische Ruth). (7) 2 S 1,1 (Saul). (8) 2 K 1,1 (Achab). (9) 2 K 14,17 (Joas). (10) 2 Kr 22,4 (na de dood van zijn vader; d.i. Achab). (11) 2 Kr 25,25 (Joas).
- act. hifil part. nom. mann. enk. memîth (doen stervende). Tenakh (1): 1 S 2,6.
- thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Taalgebruik in de LXX: thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Taalgebruik in het N.T.: thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen). Een vorm van thanatoô (doden, ter dood veroordelen, terechtstellen) in de LXX (161), in het NT (11).
- apokteinô (doden). Taalgebruik in de LXX: apokteinô (doden, vermoorden). Taalgebruik in het N.T.: apokteinô (doden, vermoorden). Gr. kteinô (doden, vermoorden). Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan). Fr. tuer. Ned. doden. D.: töten. E. to die.
Lat: mori (sterven); mors, mortis (de dood); mortuus (dode); cfr. mortuarium (dodenhuisje). Fr: le mort (de dode). mourir (sterven).
-
- וַיָּמֹת / וַיָּמָת = wajjâmoth / wajjâmâth (en hij stierf) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. מות = mwth (sterven, ondergaan). Taalgebruik in Tenakh: mwth (sterven, ondergaan). Getalwaarde: mem = 13 of 40, waw = 6, thaw = 22 of 400; totaal: 41 OF 446 (2 X 223). Structuur: 4 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (132). Pentateuch (41). Eerdere Profeten (58). Latere Profeten (3). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (29). Gn (24). Ex (3). Lv (0). Nu (13). Dt (1). Joz (1). Re (14). 1 S (7). 2 S (13). 1 K (12). 2 K (11). Gn (24): (1) Gn 5,5. (2) Gn 5,8. (3) Gn 5,11. (4) Gn 5,14. (5) Gn 5,17. (6) Gn 5,20. (7) Gn 5,27. (8) Gn 5,31. (9) Gn 9,29. (10) Gn 11,28. (11) Gn 11,32. (12) Gn 25,8. (13) Gn 25,17. (14) Gn 35,29. (15) Gn 36,33. (16) Gn 36,34. (17) Gn 36,35. (18) Gn 36,36. (19) Gn 36,37. (20) Gn 36,38. (21) Gn 36,39. (22) Gn 38,10. (23) Gn 46,12. (24) Gn 50,26. Dt (1) Dt 34,5. Joz (1) Joz 24,29. Ex (3): (1) Ex 1,6. (2) Ex 2,23. (3) Ex 9,6. Re (14): (1) Re 1,7. (2) Re 2,8. (3) Re 2,21. (4) Re 3,11. (5) Re 4,21. (6) Re 6,30. (7) Re 8,32. (8) Re 9,54. (9) Re 10,2. (10) Re 10,5. (11) Re 12,7. (12) Re 12,10. (13) Re 12,12. (14) Re 12,15.
- Grieks. act. aor. 3de pers. enk. απεθανεν = apethanen (hij stierf) van het werkw. αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven). Taalgebruik in de Bijbel: apothnè(i)skô (sterven). Bijbel (200). OT (269). NT (31). Een vorm van αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) in de LXX (600), in het NT (113).
- Latijn. mori (sterven). Fr. mourir (sterven). E. die. D. sterben. Aramees: מִית = mîth (sterven). Arabisch: مَاتَ = mâta (sterven). Taalgebruik in de Qoran: mâta (sterven).

- qal inf. absol. מוֹת = môth (te sterven). Zie het werkw. מות = mwth (sterven, ondergaan). Taalgebruik in Tenakh: mwth (sterven, ondergaan). Getalwaarde: mem = 13 of 40, waw = 6, thaw = 22 of 400; totaal: 41 OF 446 (2 X 223). Structuur: 4 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (127).

- waththâmâth / waththâmoth (en zij stierf) < wë +.act. qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud van het werkw. mwth (sterven, ondergaan). Taalgebruik in Tenakh: mwth (sterven, ondergaan). Getalwaarde: mem = 13 of 40, waw = 6, thaw = 22 of 400; totaal: 41 OF 446 (2 X 223). Structuur: 4 - 6 - 4. Tenakh (9):: (1) Gn 23,2 (Sara). (2) Gn 35,8 (Debora, de voedster van Rebekka). (3) Gn 35,19 (Rachel). (4) Gn 38,12 (Juda's vrouw, de dochter van Sua). (5) Nu 20,1 (Mirjam). (6) Re 20,5 (de bijvrouw van een Leviet). (7) Js 50,2. (8) Ez 24,18. (9) 1 Kr 2,19 (Azuba, de vrouw van Kaleb).

- act. qal part. mann. mv. = methîm (de stervenden, de doden) van het werkw. מות = mwth (sterven, ondergaan). Taalgebruik in Tenakh: mwth (sterven, ondergaan). Getalwaarde: mem = 13 of 40, waw = 6, thaw = 22 of 400; totaal: 41 OF 446 (2 X 223). Structuur: 4 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (7): (1) Ex 12,33. (2) 2 S 19,7. (3) 2 K 19,35. (4) Js 26,14. (5) Js 37,36. (6) Ez 24,17. (7) Ps 106,28.